Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2020, 31393Besluiten van algemene strekking

Voorpublicatie tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties maakt ingevolge artikel 5.2a van de Crisis- en herstelwet bekend dat een ieder gedurende vier weken na dagtekening van deze Staatscourant schriftelijk zijn zienswijze naar voren kan brengen over onderstaand ontwerp van een algemene maatregel van bestuur.

Adres: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Programmadirectie Eenvoudig Beter – IPC 365

Postbus 20951 2500 EZ Den Haag

Besluit van 00 MAAND 2020 tot wijziging en aanvulling van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche))

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van ..., nr. ..., gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Gelet op artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van..., nr. );

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van..., nr. ..., uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 6j wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt ‘tot 15 juli 2021’.

2. In het vijfde lid wordt na ‘Dit artikel is’ ingevoegd ‘tot 15 juli 2022’.

B

Aan artikel 6p wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In aanvulling op artikel 8 van de Woningwet kunnen in de periode van 1 januari 2021 tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor te bouwen gebruiksfuncties waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, in de bouwverordening voorschriften worden opgenomen die voorzien in lagere maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en een hogere minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie dan bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012.

C

Na artikel 6t wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6u

  • 1. Dit artikel is tot 1 januari 2035 van toepassing op de gebieden Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk in de gemeente Rotterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 187.

  • 2. In aanvulling op artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders een vergunning als bedoeld in dat lid ook verlenen voor de verhuur van een woning welke ten tijde van het aanvragen van de vergunning bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woningen.

  • 3. In afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet stellen burgemeester en wethouders een formulier beschikbaar via welke de eigenaar een vergunning als bedoeld in het tweede lid kan aanvragen.

  • 4. In afwijking van artikel 15, derde lid, van de Leegstandwet wordt de vergunning, bedoeld in het tweede lid, slechts verleend indien:

    • a. de woning, voor de verhuring waarvan de vergunning wordt aangevraagd, leegstaat;

    • b. de eigenaar aantoont dat de te verhuren woonruimte, gelet op de omstandigheden en mogelijkheden, in voldoende mate zal worden bewoond; en

    • c. de eigenaar, bedoeld onder b, de gemeente Rotterdam of een op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet toegelaten woningcorporatie is.

  • 5. Onverminderd artikel 15, zesde lid, tweede volzin, van de Leegstandwet kunnen burgemeester en wethouders de vergunning, bedoeld in het tweede lid, op verzoek van de eigenaar telkens met ten hoogste drie jaren verlengen, met dien verstande dat de vergunning tot uiterlijk 1 januari 2035 kan worden verlengd.

  • 6. Artikel 15, vijfde lid en zesde lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is niet van toepassing.

  • 7. In afwijking van artikel 15, negende lid, laatste volzin, van de Leegstandwet is het bepaalde in het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 8. Artikel 16 van de Leegstandwet is van overeenkomstige toepassing, behoudens het tweede lid, met dien verstande dat in het vierde en zesde lid van dat artikel een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Leegstandwet wordt gelezen als een vergunning als bedoeld in het tweede lid.

D

Na artikel 7ah worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7ai

  • 1. In dit artikel wordt verstaan onder:

    a. geconcentreerd afvalwater:

    afvalwater, dat afvalstoffen bevat bestaande uit uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten of voedselresten als bedoeld onder b;

    b. voedselresten:

    afvalstoffen afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.

  • 2. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij het brengen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels. In de verordening kan worden afgeweken van artikel 6 van het Besluit lozing afvalwater huishoudens en artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor een afvoervoorziening voor afvalwater afkomstig van een opstelplaats voor een watercloset en van een opstelplaats voor een keukengootsteenbak voorzien van apparatuur voor het vermalen van voedselresten, in afwijking van de artikelen 6.15, tweede lid, en 6.16, tweede lid, onder a en b, van het Bouwbesluit 2012, het volgende:

    • a. de afvoervoorziening is aangesloten op een vacuümleiding;

    • b. gebouwgebonden vacuümleidingen hebben een diameter van ten minste 50 mm, waarbij niet wordt voorzien in een ontluchtingsleiding;

    • c. vacuümleidingen voeren uitsluitend geconcentreerd afvalwater af; en

    • d. vacuümleidingen worden aangesloten op het vacuümriool.

  • 4. Dit artikel is tot 1 januari 2040 van toepassing op de volgende gebieden:

    • a. Buiksloterham in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 188;

    • b. Strandeiland en Buiteneiland in gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 189.

Artikel 7aj

  • 1. Dit artikel geldt tot 1 januari 2036 voor de Sluisbuurt in de gemeente Amsterdam, zoals aangegeven op de kaart in bijlage 190.

  • 2. In de titels 10.4 en 10.6 van de Wet milieubeheer wordt, in aanvulling op artikel 1.1 van die wet, onder huishoudelijke afvalstoffen ook begrepen bedrijfsafvalstoffen voor zover deze de volgende fracties bevatten:

    • a. afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;

    • b. bioafval;

    • c. drankenkartons;

    • d. glas;

    • e. kunststof;

    • f. metaal;

    • g. papier;

    • h. restafval; of

    • i. textiel.

  • 3. Indien de fracties, bedoeld in het tweede lid, door de oorspronkelijke leverancier als retourvracht kunnen worden meegenomen, is het tweede lid niet van toepassing.

Artikel 7ak

  • 1. In aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad bij verordening bepalen dat bij in die verordening aangegeven gevallen van het telen of het kweken van gewassen in een kas wordt voldaan aan de in die verordening gestelde regels bij het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater brengen van:

    • a. drainwater;

    • b. drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond;

    • c. spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie; of

    • d. ander afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat.

  • 2. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van artikel 3.64a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, is, in afwijking van artikel 3.63, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het in een oppervlaktelichaam lozen van spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, drainwater en drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond verboden.

  • 4. In de verordening, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval regels opgenomen die ertoe strekken dat de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, die met het bedrijfsafvalwater in het openbaar vuilwaterriool wordt gebracht, zoveel mogelijk wordt beperkt.

  • 5. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, geldt voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert, waarin het afvalwater, bedoeld in het eerste lid, wordt gebracht, in ieder geval het volgende:

    • a. een aanvullende zuiveringsstap voor het verwijderen van nutriënten uit het afvalwater wordt ingevoerd;

    • b. iedere zes maanden wordt aan burgemeester en wethouders gerapporteerd over de voortgang van het hergebruiken van het gezuiverde water; en

    • c. ieder kwartaal wordt aan burgemeester en wethouders bericht over de planning voor de oplevering van de ozontechnologie en over de inspanningen die worden gepleegd om de opleveringsdatum te verkorten.

  • 6. Dit artikel is tot 1 januari 2023 van toepassing op de gemeente Westland.

E

De volgende bijlagen worden toegevoegd zoals opgenomen in de bijlage:

  • a. bijlage 187 (Rotterdam, Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk);

  • b. bijlage 188 (Amsterdam, Buiksloterham);

  • c. bijlage 189 (Amsterdam, Strandeiland en Buiteneiland);

  • d. bijlage 190 (Amsterdam, Sluisbuurt).

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

ARTIKEL III

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (tweeëntwintigste tranche).

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren

BIJLAGE 187 BIJ BESLUIT UITVOERING CRISIS- EN HERSTELWET

Kaart Rotterdam, Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk

Kaart Rotterdam, Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk

BIJLAGE 188 BIJ BESLUIT UITVOERING CRISIS- EN HERSTELWET

Kaart Amsterdam, Buiksloterham

Kaart Amsterdam, Buiksloterham

BIJLAGE 189 BIJ BESLUIT UITVOERING CRISIS- EN HERSTELWET

Kaart Amsterdam, Strandeiland en Buiteneiland

Kaart Amsterdam, Strandeiland en Buiteneiland

BIJLAGE 190 BIJ BESLUIT UITVOERING CRISIS- EN HERSTELWET

Kaart Amsterdam, Sluisbuurt

Kaart Amsterdam, Sluisbuurt

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

Dit besluit bevat de zogenoemde tweeëntwintigste tranche van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (hierna: Bu Chw).

Met artikel I wordt het Bu Chw gewijzigd en aangevuld.

In onderdeel A wordt de tijdsduur van het experiment Architect aan Zet (artikel 6j) verlengd. De oorspronkelijke tijdsduur van het experiment blijkt te kort om het experiment goed uit te kunnen voeren.

In onderdeel B wordt een nieuw lid toegevoegd aan het experiment met de strengere EPC (artikel 6p), waarmee de experimenteermogelijkheid voor gemeenten wordt aangepast aan de systematiek van Bijna Energie Neutrale Gebouwen (hierna: BENG).

In onderdeel C wordt een nieuw experiment als bedoeld in artikel 2.4 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment met de Leegstandwet in de gemeente Rotterdam waarmee het in een aantal gebieden mogelijk wordt om een woonruimte tijdelijk te verhuren voor een periode van ten hoogste veertien jaar in plaats van zeven jaar, als die woonruimte bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woonruimten (artikel 6u).

In onderdeel D worden drie experimenten als bedoeld in artikel 2.4 van de Chw aan het Bu Chw toegevoegd. Het gaat om een experiment waarmee een nieuwe vorm van sanitatie mogelijk wordt gemaakt in drie gebieden in de gemeente Amsterdam (artikel 7ai). Op basis van dit experiment kunnen voedselresten worden geloosd en kan een scheiding tussen het grijs- en zwartwatercircuit en een aansluiting op het vacuümriool worden voorgeschreven. Verder bevat dit onderdeel een experiment met een ondergronds afvaltransportsysteem in de gemeente Amsterdam (artikel 7aj). In het experiment wordt een aantal fracties van bedrijfsafvalstoffen gelijkgeschakeld aan huishoudelijke afvalstoffen, hetgeen betekent dat de gemeente voortaan verantwoordelijk is voor de inzameling daarvan. Tot slot bevat dit onderdeel een experiment met betrekking tot collectieve zuivering van afvalwater dat afkomstig is van glastuinbouwbedrijven (artikel 7ak). Dit experiment is van toepassing op de gemeente Westland.

In de artikelen II en III worden de inwerkingtreding respectievelijk de citeertitel geregeld.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit op [datum] in de Staatscourant gepubliceerd (Stcrt. ..., nr. ...). Naar aanleiding van de voorpublicatie van het ontwerpbesluit [...]. Daarmee is aan een ieder de gelegenheid geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking heeft plaatsgevonden, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en Onze Minister of Onze Ministers wie het aangaat, te brengen.

Op grond van artikel 5.2a van de Chw is het ontwerpbesluit door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij brieven van [datum] (... respectievelijk ...) voorgelegd aan beide Kamers der Staten-Generaal (Kamerstukken II 20../.., 32127, nr. ...).

II. Artikelsgewijs

Onderdeel A

Met onderdeel A wordt de tijdsduur van het experiment Architect aan Zet, zoals opgenomen in artikel 6j van het Bu Chw, verlengd. Onder de titel Architect aan Zet wordt in de gemeente Rotterdam een experiment uitgevoerd met private kwaliteitsborging door een architect. In het experiment vervalt het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen voor relatief kleine bouwwerken: van dakkapel tot een complete eengezinswoning. Voorwaarde is dat de bouwactiviteiten worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerd architect. Deze architect neemt de verantwoordelijkheid voor de toetsing aan het Bouwbesluit 2012, het welstandsbeleid, het bestemmingsplan en de bouwverordening en het houden van toezicht op de uitvoering van de bouwregelgeving over van de gemeente.

De gemeente Rotterdam heeft in de periode 2014-2017 een proef op beperkte schaal gedaan voor een aantal bouwprojecten en deze vervolgens geëvalueerd.1 De gemeente is enthousiast over de aanpak en wil nu op grotere schaal gaan werken met Architect aan Zet om in de praktijk meer ervaring op te doen. Daarvoor heeft de gemeente een periode van vijf jaar nodig.

Het experiment Architect aan Zet is opgenomen in artikel 6j van het Bu Chw en heeft een tijdsduur tot 15 juli 2021. Deze tijd is onvoldoende om het experiment goed uit te kunnen voeren. Aanvankelijk kon de gemeente het experiment voortzetten op basis van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Stb. 2019, 382). Voor de bouwtechnische toets zou de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen vanaf 1 januari 2021 voorzien in een regeling. Voor de ruimtelijke toets zou de gemeente vanaf 1 januari 2021 in het omgevingsplan regels kunnen stellen. Op 1 april 2020 heeft de Minister voor Milieu en Wonen de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer geïnformeerd over de inwerkingtreding van de Omgevingswet en aangegeven dat deze wet niet per 1 januari 2021 in werking zal treden.2 Om het experiment Architect aan Zet goed uit te kunnen voeren, is een verlenging van de looptijd van het experiment in het Bu Chw noodzakelijk. In artikel 6j, vijfde lid, wordt toegevoegd dat de gemeente Rotterdam tot 15 juli 2022 gebruik kan maken van dit experiment. In de tijd daarna kan de gemeente het experiment voortzetten op basis van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en door regels te stellen in het omgevingsplan. De tijdsduur van het experiment is verplaatst naar het vijfde lid, opdat de tijdsduur en het toepassingsbereik van het experiment nu in samen in een apart lid worden geregeld. Dit sluit aan bij de vormgeving van experimenten in de laatste tranches van het Bu Chw en maakt het experiment beter zelfstandig leesbaar.

Onderdeel B

Met onderdeel B wordt een lid toegevoegd aan het experiment met een strengere EPC, zoals opgenomen in artikel 6p van het Bu Chw. De experimenteermogelijkheid van gemeenten om een strengere EPC voor te schrijven wordt aangepast aan de BENG-systematiek. Dit nieuwe vierde lid maakt het mogelijk dat gemeenten besluiten bij nieuwbouw waarvoor een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist is, in de bouwverordening voorschriften op te nemen die voorzien in lagere maximumwaarden voor energiebehoefte en primair fossiel energiegebruik en een hogere minimumwaarde voor het aandeel hernieuwbare energie dan bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 (hierna: Bouwbesluit). Van deze mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt in de periode tussen 1 januari 2021, de beoogde inwerkingtredingsdatum van BENG, en de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

In het Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw (Stb. 2019, 501) is een soortgelijke wijziging opgenomen die ervan uitging dat BENG in werking zou treden per 1 juli 2020. Omdat de inwerkingtreding van BENG is uitgesteld en naar verwachting nu zal plaatsvinden op 1 januari 2021, wordt het Bu Chw gewijzigd via deze tranche waarbij de nieuwe verwachte inwerkingtredingsdatum in het nieuwe vierde lid is opgenomen. Om de nieuwe verwachte inwerkingtredingsdatum aan te houden, zullen de onderdelen A en B, derde lid, van artikel II van het Besluit houdende wijziging van het Bouwbesluit 2012 en van enkele andere besluiten inzake bijna energie-neutrale nieuwbouw niet in werking treden.

Onderdeel C

Onderdeel C bevat een nieuw experiment, dat hieronder wordt toegelicht.

Artikel 6u (tijdelijke verhuur, Rotterdam)

In 2018 hebben verschillende partijen, waaronder de gemeente Rotterdam en woningbouwcorporatie Woonbron, afspraken gemaakt om te investeren in de wijken Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk. Deze wijken zijn in het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (hierna: NPRZ) aangewezen als zogenoemde focuswijken. In het NPRZ werken het Rijk, de gemeente Rotterdam, woningcorporaties, zorginstellingen, schoolbesturen, bedrijfsleven, politie en Openbaar Ministerie samen aan een goede, gezonde en veilige toekomst voor Rotterdam-Zuid. Doel van het programma is om de bevolkingssamenstelling, het opleidingsniveau, de arbeidsparticipatie en de woon- en leefkwaliteit in die wijken in 20 jaar naar het gemiddelde niveau van woonwijken in de vier grote steden in Nederland te brengen.

De woningvoorraad in de drie genoemde focuswijken bestaat vooral uit naoorlogse portiek- en flatwoningen van geringe omvang (vaak minder dan 50 m2). Veel woningen worden bewoond door één- of tweepersoonshuishoudens, waaronder veel starters op de woningmarkt. Het kwaliteitsniveau van de woningen en wooncomplexen voldoet vaak niet aan de hedendaagse woonwensen. Vanwege de geringe omvang van de woningen en de afwezigheid van een goed aanbod aan ruimere woningen in de wijken, is de doorstroming groot en zijn de mogelijkheden beperkt om in de wijken zelf een wooncarrière te maken, wat de beoogde opwaardering van en de sociale cohesie in de wijk niet ten goede komt.

Ter verbetering van de woonkwaliteit en om een groter aanbod van meer geschikte woonruimte voor diverse doelgroepen zoals gezinnen en sociale stijgers te creëren, willen de gemeente Rotterdam en een aantal woningcorporaties een groot aantal woningen (gedacht wordt aan ongeveer 700) in die wijken verwerven. Twee of drie naast elkaar gelegen woningen worden dan samengevoegd tot één woning, die vervolgens verkocht of verhuurd zal worden. De samengevoegde woningen worden verbeterd en zoveel mogelijk verduurzaamd waardoor ze zullen voldoen aan hedendaagse woonwensen van verschillende groepen woonconsumenten. De samengevoegde woningen zijn vooral bedoeld voor sociale stijgers of mensen met middeninkomens omdat differentiatie in woningtype en prijssegment in de wijken gewenst is.

Destijds zijn veel sociale huurwoningen verkocht met de constructie van het maatschappelijk gebonden eigendom (MGE, later Koopgarant). Het aankopen en samenvoegen van woningen in wooncomplexen zal een lange doorlooptijd vergen, omdat de woningen op vrijwillige basis aan de gemeente en woningcorporaties aangeboden moeten worden en geen te hoge prijzen voor de woningen betaald kunnen worden, omdat het project dan financieel onhaalbaar wordt.

Het zal dus de nodige tijd kosten alvorens voldoende woningen zijn verworven die daadwerkelijk samengevoegd kunnen worden. Ook vergt het tijd om een akkoord te krijgen van de VvE van het wooncomplex waarin de woningen zijn gesitueerd en voor het wijzigen van de splitsingsakte. Dit betekent dat het jaren kan duren voordat er clusters van woningen beschikbaar zijn voor samenvoeging. Het is niet uitgesloten dat de periode tussen het verwerven van de eerste woningen en het samenvoegen met een aangrenzende woning meer dan tien jaar duurt.

Het is uiteraard zeer wenselijk dat de woningen bewoond blijven in de periode tussen de aankoop en de start van de werkzaamheden tot samenvoeging. Het is ook belangrijk dat de samenvoeging niet gehinderd wordt doordat de huurcontracten van de zittende bewoners niet binnen een redelijke termijn opgezegd kunnen worden. Een tijdelijke huurovereenkomst op basis van artikel 15 van de Leegstandwet biedt een goede mogelijkheid om de verworven woningen niet leeg te laten staan en toch op korte termijn over de woningen te kunnen beschikken als samenvoeging met een naburige woning mogelijk wordt. De termijn waarop op grond van de Leegstandwet een woonruimte in een woning tijdelijk kan worden verhuurd is echter maximaal zeven jaar.

Een periode van zeven jaar zal in veel gevallen te kort zijn om een samenvoeging te realiseren. Als de woning na die zeven jaar nog niet samengevoegd kan worden, is tijdelijke verhuur niet meer toegestaan en is alleen antikraakbewoning mogelijk. Dergelijke bewoning is om uiteenlopende redenen minder gewenst en levert aanzienlijk minder huuropbrengsten op waardoor de financiële haalbaarheid van het project onder druk komt te staan. Om voldoende woningen te verwerven en samen te voegen kan in de periode tot 2035 tijdelijke verhuur noodzakelijk zijn.

Op grond van artikel 15, zesde lid, eerste volzin, van de Leegstandwet wordt de vergunning voor tijdelijke verhuur in beginsel verleend voor ten hoogste twee jaren en kan deze op verzoek van de eigenaar telkens met ten hoogste een jaar worden verlengd. Gelet op de duur van het experiment zou een verleende vergunning een groot aantal keren verlengd kunnen of moeten worden. In het experiment is de verlengingsduur van een vergunning daarom verlengd naar drie jaar. Daardoor neemt de administratieve belasting van het college van burgemeester en wethouders en de eigenaar niet toe. Relatief gezien neemt deze zelfs af, omdat met de vijf verlengingen die op grond van de Leegstandwet nodig zijn om zeven jaar tijdelijke verhuur mogelijk te maken nu veertien jaar tijdelijke verhuur kan plaatsvinden.

Verder is in artikel 16, tiende lid, van de Leegstandwet bepaald dat burgemeester en wethouders in de vergunning vermelden tegen welke huurprijs de woning ten hoogste mag worden verhuurd. Het vaststellen van een maximale huurprijs voor de volledige tijdsduur van het experiment is onwenselijk, omdat deze dan niet kan worden aangepast aan de inflatie. Het buiten toepassing verklaren van de huurprijsbescherming door geen maximale huurprijs in de vergunning te vermelden is echter ook niet gewenst. Het gaat immers om woningen die tijdelijk verhuurd worden aan de doelgroepen. Daarom is het gewenst dat een maximale huurprijs wordt geborgd die voldoet aan de daaromtrent gestelde wet- en regelgeving.

Door het verlengen van de termijn van tijdelijke verhuur neemt de huurbescherming van de huurders af. Het maatschappelijk belang van het structureel op orde krijgen van de focuswijken door het realiseren van meer woningdifferentiatie in de momenteel eenzijdige woonwijken, weegt daar echter tegenop. Bovendien wordt zoveel mogelijk gezocht naar huurders die uiteindelijk een samengevoegde woning willen bewonen.

Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 6u onderstaand per lid besproken.

In het eerste lid is de tijdsduur van het experiment bepaald, evenals het toepassingsgebied van het experiment. Tot 1 januari 2035 kunnen burgemeester en wethouders gebruikmaken van dit experiment in de gebieden Carnisse, Oud Charlois en Tarwewijk in de gemeente Rotterdam.

Het tweede lid regelt dat burgemeester en wethouders, in aanvulling op artikel 15, eerste lid, van de Leegstandwet, een vergunning als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van die wet kunnen verlenen als het gaat om een woning welke ten tijde van de aanvraag van de vergunning bestemd is om te worden samengevoegd met een of meerdere andere woningen. Hiermee wordt voor dit experiment een nieuwe categorie woningen aan het eerste lid van artikel 15 van de Leegstandwet toegevoegd.

Het derde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders een formulier beschikbaar moeten stellen voor het aanvragen van een vergunning als bedoeld in het tweede lid. Dit is een afwijking van artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet, waarin onder meer is bepaald dat dit formulier overeenkomstig een door de minister vastgesteld model beschikbaar wordt gesteld.

In het vierde lid is vervolgens geregeld aan welke voorwaarden moet worden voldaan om een vergunning als bedoeld in het tweede lid te verlenen. Zo moet de woning, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, leegstaan (onder a) en moet de eigenaar aantonen dat de woning in voldoende mate zal worden bewoond (onder b). Verder moet de gemeente Rotterdam of een woningcorporatie die op grond van artikel 19, eerste lid, van de Woningwet is toegelaten eigenaar zijn van de woning (onder c). Particuliere verhuurders kunnen dus geen gebruikmaken van het experiment.

In het vijfde lid is bepaald dat een vergunning als bedoeld in het tweede lid telkens met ten hoogste drie jaren kan worden verlengd, met dien verstande dat de vergunning tot uiterlijk 1 januari 2035 kan worden verlengd. Hiermee is geregeld dat na afloop van het experiment geen vergunningen meer op grond van dit experiment kunnen gelden. Dit is een aanvulling op artikel 15, zesde lid, tweede volzin, van de Leegstandwet waarin voor de verschillende categorieën woningen een kortere verlengingstermijn en een kortere maximale duur van de vergunning is bepaald. De eerste volzin van het zesde lid van artikel 15 van de Leegstandwet blijft onverkort van toepassing. Dit betekent dat een vergunning als bedoeld in het tweede lid wordt verleend voor een periode van ten hoogste twee jaar, waarna deze kan worden verlengd.

Verder wordt, om te voorkomen dat verworven woningen niet onder dit experiment vallen als zij in de voorafgaande vijf jaren zijn verhuurd met een vergunning op grond van de Leegstandwet, artikel 15, vijfde lid en zesde lid, laatste volzin, van die wet voor dit experiment in het zesde lid buiten toepassing verklaard.

Het zevende lid verklaart, in afwijking van artikel 15, negende lid, laatste volzin, van de Leegstandwet, het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing. Hiermee wordt voorkomen dat bij verlenging van de vergunning weer moet worden getoetst aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 15, derde lid, van de Leegstandwet, in plaats van aan de voorwaarden van dit experiment, zoals opgenomen in het derde lid.

Tot slot wordt in het achtste lid artikel 16 van de Leegstandwet, met uitzondering van het tweede lid van dat artikel, van overeenkomstige toepassing verklaard op dit experiment. Hiermee worden de bepalingen met betrekking tot de huur- en huurprijsbescherming bij tijdelijke huurovereenkomsten van overeenkomstige toepassing verklaard op een vergunning als bedoeld in het tweede lid. Om aan te geven welke termijnen voor de vergunning, bedoeld in het tweede lid, moeten worden aangehouden, is tevens bepaald dat een verwijzing naar artikel 15, eerste lid, onderdelen a, b en c, van de Leegstandwet in het vierde en zesde lid van artikel 16 van die wet moet worden gelezen als een verwijzing naar de vergunning, bedoeld in het tweede lid.

Onderdeel D

Met onderdeel D worden drie nieuwe experimenten toegevoegd aan het Bu Chw. De experimenten worden hieronder toegelicht.

Artikel 7ai (nieuwe sanitatie, Amsterdam)

De gemeente Amsterdam heeft grote ambities op het gebied van duurzaamheid en wil de verduurzaming van de stad versnellen. In het document Duurzaam Amsterdam, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015, is deze ambitie verder uitgewerkt naar doelstellingen voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De structuurvisie 2040 schetst het instrumentarium voor een duurzame ruimtelijke ontwikkeling en beschrijft de ambitie om een groot deel van de energiebehoefte van Amsterdam zelf op te wekken. Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016–2021 (GRP) omvat beleid voor de watertaken van de gemeente (stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater). Deze taken zijn belegd bij Waternet. In het GRP zijn duurzaamheid en innovatie belangrijke pijlers voor de uitvoering van de gemeentelijke watertaken. In dat kader wordt gewerkt aan initiatieven op het gebied van bron-gescheiden inzameling van afvalwater (nieuwe sanitatie), het terugwinnen van koude en warmte uit afvalwater en inzameling van voedselresten via het riool (pilot voedselrestenvermalers) in plaats van met het vast afval. Amsterdam wil via dit experiment invulling geven aan deze initiatieven in de gebieden Buiksloterham, Strandeiland en Buiteneiland.

Buiksloterham ligt in Amsterdam aan de Noordelijke IJ-oever en is een transformatiegebied dat verandert van een industrieel bedrijventerrein naar een circulaire stadswijk gericht op wonen en werken, waarbij maximaal 8.575 woningen gerealiseerd worden. De gebiedsontwikkeling van Buiksloterham loopt tot ongeveer 2030. Strandeiland maakt deel uit van de archipel IJburg: een groep van kunstmatige eilanden in het IJmeer aan de oostkant van Amsterdam. Strandeiland is het tweede eiland van IJburg 2 dat wordt aangelegd. Strandeiland behoort met 8.000 woningen tot een van de grootste toekomstige stadswijken van Amsterdam. In 2040 is de ontwikkeling van Strandeiland naar verwachting helemaal afgerond. Buiteneiland is het laatste eiland van de IJburgarchipel en het derde eiland van IJburg 2. Buiteneiland wordt een natuurlijk ogend landschap dat de setting vormt voor kunst, cultuur, sport, recreatie en natuurbeleving. Verder wordt voorzien in een woningbouwprogramma van 200 tot 500 woningen. Bij de aanleg van Buiteneiland wordt zoveel mogelijk gebruikgemaakt van grond die vrijkomt bij bouwprojecten elders in de stad. Hierdoor verloopt de aanleg van Buiteneiland geleidelijker, waarbij nu gedacht wordt aan een periode van tussen de 15 en 17 jaar.

Nieuwe sanitatie is gericht op het maximaal (terug)winnen van energie en grondstoffen uit afvalwater en het minimaliseren van het drinkwatergebruik. Huishoudelijk afvalwater is afvalwater dat overwegend afkomstig is van menselijke stofwisseling en huishoudelijke werkzaamheden. Ook het afvalwater uit bedrijven dat naar aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater uit particuliere huishoudens valt onder de categorie huishoudelijk afvalwater. Bij nieuwe sanitatie wordt huishoudelijk afvalwater gesplitst in twee afvalwaterstromen: het geconcentreerde afvalwater (zwart afvalwater) en het overige afvalwater (grijs afvalwater). Door het splitsen van het huishoudelijk afvalwater wordt dit zoveel mogelijk gescheiden aan de bron. Dit resulteert in twee afvalwaterstromen met verschillende samenstelling en eigenschappen, waardoor terugwinning van energie en grondstoffen efficiënter kan worden gerealiseerd dan bij een gemengde inzameling. Ook de zuivering van het afvalwater is efficiënter.

Vanaf de bron (opstelplaats voor een watercloset en eventueel een opstelplaats voor een keukengootsteenbak) wordt het geconcentreerde zwartwater (toiletwater en eventueel voedselresten) ingezameld en afgevoerd via een vacuümriool. Het grijswater, dat bestaat uit de overige huishoudelijke afvalwaterstromen, wordt via een conventioneel vrijverval riool ingezameld. Er is dus sprake van twee verschillende rioolsystemen. De rioolsystemen worden aangelegd door Waternet.

Het vacuümriool is een uitbreiding ten opzichte van traditionele riolering. Hiervoor wordt een vacuümleiding aangelegd die wordt aangesloten op het vacuümriool in het midden van de straat. Het vacuümriool wordt op onderdruk gehouden door vacuümpompen die zowel centraal als gebouwgebonden kunnen worden uitgevoerd. Via de vacuüm-units wordt het zwartwater vervolgens verpompt naar de in de wijk gelegen zwartwaterzuivering. Geconcentreerd zwartwater is uitstekend vergistbaar waarbij biogas wordt geproduceerd. Het toevoegen van vermalen voedselresten uit de keuken levert na vergisting in de lokale zuivering een dubbel zo hoge biogasproductie op ten opzichte van een conventionele zuivering. Toepassing van apparatuur voor het vermalen van voedselresten (voedselrestenvermalers), waarbij voedselresten via de ‘zwartwaterstroom’ worden ingezameld en verwerkt, past binnen het Amsterdamse afvalbeleid en de circulaire ambities en duurzaamheidsambities van de gemeente. Toepassing hiervan is niet verplicht. Maar indien gekozen wordt voor aanleg, kan deze uitsluitend worden aangesloten op de vacuümleiding.

Om nieuwe sanitatie mogelijk te maken is het nodig om af te wijken van het Bouwbesluit, het Besluit lozing afvalwater huishoudens (hierna: Blah) en het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Aanleg vacuümrioolsysteem

Een bouwwerk moet op grond van artikel 6.15 van het Bouwbesluit zodanige voorzieningen voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater hebben dat het water zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid kan worden afgevoerd. Voor nieuwbouw geldt dat iedere gebruiksfunctie met een toilet- of badruimte of met een andere opstelplaats voor een lozingstoestel een afvoervoorziening voor huishoudelijk afvalwater moet hebben die voldoet aan de NEN 3215. NEN 3215 schrijft voor dat huishoudelijk afvalwater en regenwater gescheiden worden gehouden. Grijs en zwart afvalwater zijn samen huishoudelijk afvalwater. Het aanleggen van gescheiden leidingen voor grijs en zwart water past wel binnen de NEN 3215, maar dan moeten beide leidingsystemen voldoen aan de eisen voor leidingen voor huishoudelijk afvalwater. Dit betekent een spoelvolume van ten minste 6 liter en een voorgeschreven minimale ontwerpmiddellijn van een toestelleiding en ontluchting. Voor het inzamelen van geconcentreerd zwart afvalwater is een vacuümriool nodig om het spoelvolume te beperken. Een vacuümtoilet gebruikt slechts 1 liter drinkwater per spoelbeurt in plaats van circa 7 liter zoals bij een conventioneel toilet. Het vacuümriool wordt op onderdruk gehouden. Hierdoor is sprake van een dunnere buis en kan deze niet ontlucht worden. Met dit experiment wordt het mogelijk om hiervan af te wijken.

Het gescheiden rioolsysteem moet tijdens de bouw worden gerealiseerd. Bij de bouw kan het aanleggen van een gescheiden grijs- en zwartwatercircuit op grond van de bouwregelgeving wel worden toegestaan, maar het kan niet worden afgedwongen. Het toepassen van gelijkwaardige oplossingen, zoals vacuümriolering, is een recht van degene die bouwt, maar geen verplichting. Ook de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften opgenomen in artikel 4, derde lid, van het Blah biedt hiervoor geen oplossing, omdat tijdens de bouw nog geen sprake is van een lozing door een huishouding en dus geen maatwerkvoorschrift kan worden gesteld. De gemeente kan in de verordening voorschrijven dat de afvoervoorziening van het huishoudelijk afvalwater van het toilet en de voedselrestenvermaler aangesloten dient te worden op de vacuümleiding en deze wordt aangesloten op het vacuümriool, hiermee is de aanleg en het in stand houden van een gescheiden rioolsysteem geborgd.

Lozing voedselresten

Op dit moment is in artikel 6 van het Blah een verbod opgenomen voor het lozen van huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van het bereiden van voedingsmiddelen (en daarmee samenhangende activiteiten) dat door versnijdende of vermalende apparatuur is versneden of vermalen. Daarmee zijn voedselrestenvermalers zélf niet verboden, het lozen van de vermalen resten op de gemeentelijke riolering echter wel. Voor bedrijven geldt eenzelfde bepaling op grond van artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het experiment is het mogelijk gemaakt om voedselresten te lozen in het vacuümriool.

Dit experiment draagt bij aan een innovatieve duurzame ontwikkeling door het op innovatieve wijze gescheiden inzamelen van het geconcentreerd afvalwater via een vacuümriool. Hierdoor levert dit afvalwater na vergisting een hogere biogasproductie op. Dit wordt ingezet in de lokale warmte- en koudeopslag en voor elektriciteitsvoorzieningen van de vergister zelf. Hiermee ontstaat een cyclisch duurzaam proces. Toepassing van voedselrestenvermalers zorgt – naast een verhoogde biogasproductie – voor een verhoging van het comfort en een verbetering van de hygiëne in de keuken. Met één druk op de knop zijn immers de voedselresten uit de keuken verdwenen. Tevens worden op deze manier voedselresten uit het restafval gehouden, waardoor minder restafval wordt geproduceerd en minder vrachtwagenbewegingen in de wijk nodig zijn. Door de toepassing van het vacuümriool voor het toilet is tot slot sprake van een drinkwaterbesparing van circa 25% op het totale drinkwatergebruik.

Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7ai onderstaand per lid besproken.

Het eerste lid bevat een eigen begripsbepaling waarmee de begrippen ‘geconcentreerd afvalwater’ en ‘voedselresten’ worden geduid. Onder geconcentreerd afvalwater wordt afvalwater verstaan dat uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten of voedselresten als bedoeld onder b bevat. Met de zinsnede ‘uitwerpselen afkomstig van vacuümtoiletten’ wordt de reikwijdte beperkt; in die zin dat uitwerpselen afkomstig van reguliere toiletten, die zijn aangesloten op conventioneel vrijverval riool, niet onder deze definitie vallen en daarmee ook niet onder dit experiment. Verder bepaalt onderdeel b van dit lid wat onder ‘voedselresten’ moet worden verstaan. Dit zijn afvalstoffen afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten.

Het tweede lid bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels kan stellen over het brengen van afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen en daarmee samenhangende activiteiten in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Daarbij kan de gemeenteraad afwijken van het bepaalde in artikel 6 van het Blah en artikel 3.131, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit vormt een aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, onder a, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Op grond van dit lid kan de gemeenteraad bepalen dat geconcentreerd afvalwater, bestaande uit voedselresten, moet worden geloosd op een vacuümriool. Daarnaast wordt met deze mogelijkheid ook vooruitgelopen op de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet kan de gemeenteraad in het omgevingsplan regels stellen over het lozen van huishoudelijk afvalwater en ander afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

Het derde lid maakt afwijking van het Bouwbesluit mogelijk wat betreft de eisen aan een afvoervoorziening voor bepaalde lozingstoestellen. Aan een afvoervoorziening voor een watercloset en voor een keukengootsteenbak voorzien van apparatuur voor het vermalen van voedselresten worden in dit lid andere eisen gesteld. Zo moet de afvoervoorziening worden aangesloten op een vacuümleiding (onder a) en moet die vacuümleiding zijn aangesloten op een vacuümriool. Dit heeft tot gevolg dat enkel vacuümtoiletten mogen worden geïnstalleerd. Verder is bepaald dat de vacuümleidingen in het gebouw een diameter hebben van ten minste 50 mm en niet worden voorzien van een ontluchtingsleiding (onder b). Ook is bepaald dat vacuümleidingen uitsluitend geconcentreerd afvalwater afvoeren (onder c). Dit betekent dat overig huishoudelijk afvalwater (grijs water), bijvoorbeeld afkomstig van douche, bad of vaatwasser, niet mag worden afgevoerd via een vacuümleiding. Dergelijk huishoudelijk afvalwater moet worden afgevoerd via een conventioneel vrijverval riool.

In het vierde lid is de tijdsduur en het toepassingsbereik van het experiment opgenomen. Het artikel is tot 1 januari 2040 van toepassing op de gebieden Buiksloterham, Strandeiland en Buiteneiland in de gemeente Amsterdam.

Artikel 7aj (ondergronds afvaltransportsysteem, Amsterdam)

Amsterdam werkt aan een schonere en duurzamere stad, waar afval meer als grondstof wordt beschouwd dan als afval. De nieuwe Sluisbuurt, waar in hoge dichtheden ongeveer 5.600 woningen voor ongeveer 10.700 inwoners zullen worden gebouwd, volgt deze doelstellingen. Vanwege de hoge dichtheid, de beperkte openbare ruimte en de prioriteit voor fietsers en voetgangers, is voor traditionele afvalinzameling met ondergrondse containers vrijwel geen ruimte beschikbaar en vormen de rijbewegingen voor het ophalen van het afval een grote belasting voor de buurt.

Al langere tijd is Amsterdam voor de Sluisbuurt een alternatief afvalsysteem aan het onderzoeken. In 2017 is onderzocht (technisch en financieel) of een Ondergronds Afval Transportsysteem (OAT) gerealiseerd kon worden. Daarbij is geconstateerd dat een OAT positieve maatschappelijke effecten heeft op ruimtegebruik, hogere afvalscheidingsresultaten, de kwaliteit van de buitenruimte en verminderde overlast meebrengt in de vorm van emissies, stank, geluid, onveiligheid en minder zwerfafval. Op 20 december 2017 heeft de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam ingestemd met de komst van het OAT in de Sluisbuurt en heeft budget vrijgemaakt om het OAT te realiseren.

Het OAT bestaat uit een stelsel van buizen onder de grond waardoor afval wordt getransporteerd vanuit een inwerpopening (in de gebouwen in de Sluisbuurt) naar de terminal (overslag station vanwaar het afval getransporteerd wordt naar de verwerker). Het gescheiden inzamelen van afval is mogelijk door op verschillende tijdstippen verschillende fracties door dezelfde buis te transporteren naar de terminal. Deze terminal wordt geplaatst aan de andere kant van Piet Hein-tunnel.

Met het OAT kunnen de volgende fracties worden ingezameld:

  • bioafval;

  • kunststof, metaal en drankenkartons, ook wel plastic, metaal en drankenkartons (PMD) genoemd;

  • papier; en

  • restafval.

Voorts heeft de gemeente Amsterdam in aanvulling op het OAT besloten om voor andere fracties (onder meer glas, grof karton, textiel en afgedankte elektrische apparatuur) rolcontainers bij te plaatsen. Hiermee wordt verkeerd gebruik van het OAT tegengegaan, blijft de kwaliteit van de ingezamelde afvalstoffen op peil en worden bewoners zo goed mogelijk gefaciliteerd in het gescheiden kunnen aanbieden van de verschillende stromen. Het OAT en de rolcontainers zijn daarmee een complementair systeem van afvalinzameling voor de Sluisbuurt.

Amsterdam wil zoveel mogelijk bedrijven gebruik laten maken van het OAT. Op grond van artikel 10.21 van de Wm is de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen een wettelijke taak van de gemeente. Alle huishoudens worden aangesloten om zo het afval via het OAT en de rolcontainers in te zamelen. De gemeente wil ook het afval van de toekomstige bedrijven in de Sluisbuurt waar deze fracties aan afvalstromen ontstaan, inzamelen via het OAT en de rolcontainers. Op grond van huidige wetgeving is de inzameling van bedrijfsafvalstoffen geen wettelijke taak van de gemeente, maar is dit de verantwoordelijkheid van de bedrijven. Deze bedrijven moeten het afval scheiden en gescheiden afgeven. Een belangrijk deel van deze bedrijfsafvalstoffen is vergelijkbaar met huishoudelijke afvalstoffen.

Met dit experiment worden in hoofdstuk 10 van de Wm, in aanvulling op artikel 1.1 van die wet, de specifieke bedrijfsafvalstoffen: afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bioafval, glas, papier, plastic, metaal en drankenkartons (PMD), restafval en textiel gelijkgeschakeld met huishoudelijke afvalstoffen. Hiermee wordt de gemeente verantwoordelijk voor de inzameling van deze fracties bedrijfsafvalstoffen. De gemeente gebruikt voor deze inzameling in de Sluisbuurt het OAT en de rolcontainers. Uitzondering op deze verplichting zijn retourvrachten. Grote ondernemingen hebben vaak een eigen inzamelsysteem van afval via de bevoorradingsketen. Na bevoorrading van de onderneming neemt de vrachtwagen afval mee terug. Dit eigen inzamelsysteem wordt uitgezonderd van dit experiment.

Verder wordt in dit experiment aangesloten bij deze specifieke fracties, omdat de gemeente deze ook al gaat inzamelen voor huishoudens via het OAT en de rolcontainers. Door zowel huishoudelijk afval als de in de tweede lid genoemde fracties van bedrijfsafvalstoffen gezamenlijk in te zamelen, wordt de efficiency vergroot en tevens de druk op de openbare ruimte en het aantal verkeersbewegingen in de wijk beperkt. Dit experiment voorziet niet in een volledige gelijkschakeling van bedrijfsafvalstoffen met huishoudelijke afvalstoffen. Voor de overige fracties die vrij kunnen komen, blijven de bedrijven zelf verantwoordelijk. Hierbij kan gedacht worden aan klein chemisch afval, grof afval, rubber, medicijn- en medisch afval, horeca-vet en -oliën. De verwachting is dat dit geen grote hoeveelheden zijn, die door (gespecialiseerde) afvalinzamelaars zullen moeten worden ingezameld. Ook de inzameling van dit type afvalstoffen vindt plaats door verschillende (gespecialiseerde) afvalinzamelaars. Het OAT en de rolcontainers zijn niet geschikt om deze afvalstromen in te zamelen. Ook gevaarlijke afvalstoffen vallen hier niet onder. Deze zijn en blijven op basis van artikel 1.1 van de Wm uitgezonderd van bedrijfsafvalstoffen en worden door het gelijkschakelen in het experiment dus ook geen huishoudelijke afvalstoffen. De Wm, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de verplichtingen uit vergunningen blijven daarop onverkort van toepassing.

Dit experiment draagt bij aan een duurzame ontwikkeling doordat specifieke fracties uit één gebied centraal worden ingezameld op een locatie. Dit is efficiënt en zorgt voor een hoger scheidingspercentage van afvalstoffen en een verbetering in kwaliteit, zodat meer grondstoffen kunnen worden teruggewonnen. Door de inzameling via het OAT en de rolcontainers geeft dit meer ruimte voor de inrichting van openbare ruimte en wordt het aantal verkeersbewegingen teruggebracht. Doordat de inzet van traditionele inzamelvoertuigen tot een minimum wordt gereduceerd, neemt ook de verkeersveiligheid toe. Omdat op basis van dit experiment de inzameling van de in het tweede lid genoemde fracties van bedrijfsafvalstoffen voortaan een wettelijke taak is van de gemeente, heeft dit gevolgen voor mogelijkheid van bedrijven om een contract te sluiten met commerciële afvalinzamelaars. Voor wat betreft de inzameling van die fracties van bedrijfsafvalstoffen is dit namelijk niet mogelijk. Gelet op de beoogde doelstelling van dit experiment, te weten het vergroten van de schaarse openbare ruimte en het beperken van het aantal verkeersbewegingen, wordt deze beperking echter gerechtvaardigd. Het gelijkschakelen van bepaalde fracties van bedrijfsafval is immers een geschikte en noodzakelijke maatregel om de doelstelling van het experiment te bereiken. Voorts gaat de gemeente, in samenwerking met de branche van afvalinzamelaars en -verwerkers, zich inspannen om de marktwerking zoveel mogelijk in stand te houden.

Het OAT zal worden ontworpen op een totale levensduur van 50 jaar. De gemeente wordt eigenaar van het OAT en de terminal, maar een door middel van een aanbesteding aangezochte OAT-exploitant voert de aanleg, de exploitatie, het beheer en het onderhoud uit. Deze aanbesteding is afgerond. De definitieve gunning en contractondertekening is naar verwachting begin mei 2020. Na de inzameling in de containers van de terminal zal het afval met vrachtwagens naar de verwerker moeten worden vervoerd (natransport). Gelet op de ontwikkelingen op het gebied van afval in Amsterdam is nog niet volledig uitgekristalliseerd op welke wijze het natransport en de verwerking zullen plaatsvinden.

Amsterdam heeft ook een experiment in de negen straatjes voor het gezamenlijk inzamelen van huishoudelijk afval en vergelijkbaar bedrijfsafval (Stb. 2020, 75). Voor (de uitvoering van) dit experiment is de gemeente in gesprek met marktpartijen over de verschillende aspecten van bedrijfsafval in Amsterdam en de inzet van de gemeente om een efficiënte en effectieve inzameling van bedrijfsafval te realiseren. Uit deze gesprekken is gebleken dat voor de marktpartijen het belangrijk is om regie te voeren over de contracten met de klant en de grondstoffen. De logistiek is van ondergeschikt belang. Zij staan, in beginsel, positief tegenover een regierol op het onderdeel logistiek voor de gemeente.

Om het ontstane vertrouwen te behouden en draagvlak voor het experiment in de Sluisbuurt bij marktpartijen te creëren, zal in de verdere uitwerking van het experiment in overleg gekeken worden naar mogelijkheden om in de Sluisbuurt de regierol van de gemeente op het onderdeel van de logistiek vorm te geven en de marktwerking in stand te houden. De gemeente doet dit in samenwerking met de branche. De gemeente neemt hierbij, voor zover van toepassing, de aanbestedingsregels, de Wet Markt en Overheid en de Wet op de vennootschapsbelasting in acht.

Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7aj onderstaand per lid besproken.

In het eerste lid is de tijdsduur van het experiment opgenomen. Dit artikel is tot 1 januari 2036 van toepassing. Ook is in dit lid bepaald dat het experiment van toepassing is op het gebied de Sluisbuurt in de gemeente Amsterdam.

Het tweede lid schakelt voor de toepassing van hoofdstuk 10 van de Wm bepaalde fracties van bedrijfsafval gelijk aan huishoudelijke afvalstoffen. Het gaat om de fracties afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, bioafval, glas, papier, plastic, metaal en drankenkartons (PMD), restafval en textiel. Wat betreft de terminologie van deze fracties is zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande en toekomstige wet- en regelgeving. Door het gelijkschakelen van deze fracties aan huishoudelijke afvalstoffen, is het inzamelen daarvan voortaan op grond van artikel 10.21 van de Wm een wettelijke taak van de gemeente. Wat betreft verplichtingen uit andere hoofdstukken van de Wm worden deze fracties van bedrijfsafvalstoffen niet gelijkgeschakeld aan huishoudelijke afvalstoffen. Fracties die niet worden genoemd in het tweede lid vallen niet onder dit experiment, zoals klein chemisch afval, grof afval, rubber, medicijn- en medisch afval, horeca-vet en -oliën. Dit betekent dat die fracties dan ook hebben te gelden als bedrijfsafvalstoffen en bedrijven derhalve zelf verantwoordelijk zijn voor de inzameling daarvan. Op de niet-genoemde fracties blijven de Wm, het Activiteitenbesluit milieubeheer en verplichtingen uit vergunningen onverkort van toepassing.

Grote voorzieningen, zoals scholen, supermarkten en ketens, hebben vaak al geregeld dat vrachtwagens die de bevoorrading doen, ook vol terugrijden. Het afval van deze grote voorzieningen wordt dus vaak mee teruggenomen door dezelfde vrachtwagen die ook de bevoorrading doet. Met dit experiment is niet beoogd om dit retoursysteem te verstoren. Daarom is in het derde lid bepaald dat als de fracties, bedoeld in het tweede lid, door de leverancier kunnen worden meegenomen als retourvracht, het tweede lid niet van toepassing is. Dit betekent dat in die gevallen de fracties niet worden beschouwd als huishoudelijke afvalstoffen en de gemeente op grond van artikel 10.21 van de Wm niet verantwoordelijk is voor de inzameling daarvan.

Artikel 7ak (collectieve zuivering, Westland)

Vanaf 1 januari 2018 zijn glastuinbouwbedrijven op grond van de artikelen 3.64a en 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht om gewasbeschermingsmiddelen die bestaan uit organische verbindingen, uit hun afvalwater te zuiveren. Zuiveringsinstallaties moeten de gewasbeschermingsmiddelen voor minimaal 95% verwijderen uit het te lozen water. Het gaat om drainwater bij substraatteelt, drainagewater bij grondgebonden teelt en filterspoelwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat. Voor tuinders die aan deze verplichting willen voldoen via een gezamenlijke (collectieve) voorziening is er in artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer een mogelijkheid om via maatwerk, te verlenen door bevoegd gezag, een realisatietermijn te krijgen tot uiterlijk 1 januari 2021. Die mogelijkheid ziet op twee situaties:

  • het collectief zuiveren in een zuiveringsvoorziening, bijvoorbeeld door een aantal tuinders gezamenlijk; of

  • het collectief zuiveren op een zuiveringtechnisch werk geëxploiteerd door een waterschap. In dat geval is er nog een keuze tussen het zuiveren van alleen het bedrijfsafvalwater van de tuinders, of het zuiveren van de totale afvalwaterstroom die op de zuivering aankomt.

In het Westland is het initiatief genomen tot een experiment waarbij het Hoogheemraadschap van Delfland als dienst voor telers de zuivering uitvoert. Het afvalwater zal in de Afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Nieuwe Waterweg in Hoek van Holland gezuiverd worden. Daarvoor is een businessplan opgesteld waarbij een collectieve aanpak van de zuiveringsplicht leidt tot enigszins lagere kosten en een hogere robuustheid qua zuivering. Een collectieve aanpak biedt ook een kans om stappen te zetten in het versneld verminderen van de emissie van nutriënten en het circulair maken van de waterketen, welke past bij de ambitie van de sector zelf, de provincie, het Rijk en de Europese Commissie. De op te richten zuiveringscoöperatie vertegenwoordigt zo'n 1.100 ha glastuinbouw, circa 12% van de Nederlandse glastuinbouw en 25% van de Westlandse glastuinbouw.

Er is daarbij gekozen voor niet alleen het zuiveren van het afvalwater van de tuinder, maar ook gezamenlijke zuivering met ander afvalwater uit de dorpskernen. Dit heeft milieu-hygiënisch potentieel drie voordelen:

  • 1. Er kan deels gebruik worden gemaakt van het al bestaande rioolstelsel.

  • 2. Door de ingezette technologie wordt ook een deel van de stoffen uit het afvalwater van de dorpskernen gezuiverd, waaronder verschillende schadelijke stoffen uit huishoudelijke producten en medicijnresten uit huishoudens en medische instellingen, die met het huishoudelijk afvalwater op de zuivering worden aangevoerd.

  • 3. De gehele gezuiverde waterstroom wordt beter geschikt om als voedingswater voor landbouw of als proceswater voor de industrie te fungeren. Als dat slaagt, zou daarmee worden bereikt dat in het gebied schaars zoet water wordt vastgehouden en niet naar de zee wordt afgevoerd, wat het geval is bij blijvende lozing op de Nieuwe Waterweg.

Door deze uit het oogpunt van het milieu gunstige keuze is het zuiveringsproces echter complexer en heeft dit een meer experimenteel karakter vergeleken met het alleen zuiveren van de afvalwaterstroom van de tuinders. De realisatie van dit experiment vraagt daarom meer tijd dan waar artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer van uitgaat.

In dit experiment zal gebruik worden gemaakt van een qua grootte innovatieve zuiveringstechniek op basis van ozon. Inmiddels is een nieuwe installatie met deze zuiveringstechniek op hoofdlijnen ontworpen en kan deze in oktober 2022 zijn gerealiseerd. Dat betekent dat er uitstel nodig is van de maximale termijn van 1 januari 2021 die in het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen voor het maatwerk voor collectieve zuiveringsinstallaties.

De vanuit milieuoogpunt gunstige keuze voor de lange termijn op basis van een collectieve zuivering van afvalwater van de bedrijven samen met afvalwater uit de dorpskernen door middel van een innovatieve techniek betekent voor de korte termijn dat emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater blijven optreden die er zonder het uitstel niet zouden zijn. Daarom is deze keuze alleen mogelijk onder de voorwaarde van voor de korte termijn al zoveel mogelijk compenserende en mitigerende maatregelen worden genomen. Het gaat om:

  • Inspanning van het waterschap om de overbruggingstermijn te verkorten.

  • Extra zuiveringsstap voor nutriënten op de AWZI bovenop de geldende eisen.

  • Zoveel mogelijk afvalwater mobiel zuiveren bij bedrijven met het grootste verbruik.

  • Geen lozing op het oppervlaktewater om het regionale watersysteem te ontzien.

  • Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk beperken. Indien een middel wordt toegepast, een zo lang mogelijk wachttijd aanhouden tussen het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel en het moment van lozen.

  • Extra inzet regionale monitoring en handhaving van de waterkwaliteit.

Met deze inspanningen wordt de milieubelasting op korte termijn zoveel als mogelijk gecompenseerd. Nadat de zuivering in bedrijf is genomen, is de verwachting dat het totale milieurendement hoger is dan als de zuivering niet zou worden aangepast en de tuinders zelf zouden zuiveren. Dit omdat hergebruik mogelijk is, maar ook omdat het afvalwater uit de dorpskernen een extra zuiveringsstap ondergaat, en lozing van al het gezuiverde afvalwater op een groot watersysteem plaatsvindt dat minder kwetsbaar is dan de kleinere wateren in de glastuinbouwgebieden.

Voor een verdere verduidelijking van dit experiment wordt artikel 7ak onderstaand per lid besproken.

Het eerste lid bepaalt dat in aanvulling op artikel 10.32a, eerste lid, onder a, van de Wm de gemeenteraad bij verordening regels kan stellen voor bij die verordening aangegeven gevallen bij het brengen van drainwater, drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond, het spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie of ander afvalwater, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op bijvoorbeeld een verlenging van de termijn waarbinnen deelnemende bedrijven niet individueel hoeven te zuiveren. Hierop wordt in de toelichting op het tweede lid nader ingegaan. Met het bij verordening stellen van deze regels wordt voorkomen dat de verlenging individueel bij maatwerkvoorschrift moet plaatsvinden. Voor verlenging bij maatwerkvoorschrift is niet gekozen, omdat dat onnodige administratieve lasten met zich mee zou brengen. De bedrijven zijn reeds individueel beoordeeld, omdat voor de deelnemende bedrijven al een maatwerkvoorschrift vereist was op grond van artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer, om te voorkomen dat bedrijven voorafgaand aan de collectieve zuivering nog individueel zouden moeten zuiveren.

Het tweede lid regelt dat in de verordening kan worden afgeweken van artikel 3.64a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dat artikel regelt dat drainwater, drainagewater of het spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening wordt geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert. Deze mogelijkheid tot afwijken is nodig omdat door de vertraging in de realisatie van de zuivering op het zuiveringtechnisch werk van het waterschap, de uitzondering van het tweede lid van artikel 3.64b van het Activiteitenbesluit milieubeheer onvoldoende is. Vanwege de in dat lid genoemde uiterste termijn, zouden vanaf 1 januari 2021 tot het realiseren van de zuivering op het zuiveringtechnisch werk alle onder het experiment vallende glastuinbouwbedrijven in overtreding zijn.

Het derde lid bepaalt dat, indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, het verboden is spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, drainagewater afkomstig van een teelt waarbij gewassen op een bodem groeien die in verbinding staat met de ondergrond en drainwater vanuit de aan het experiment deelnemende bedrijven rechtstreeks te lozen op oppervlaktewater. In plaats daarvan dienen tuinders hun afvalwater via de riolering aan de AWZI aan te bieden of een andere zuiveringsmethode te gebruiken. Door lozing op de riolering te verplichten wordt het regionale oppervlaktewater ontzien. Indien de zuivering van het waterschap wel op tijd gereed zou zijn, zouden alle onder het experiment vallende bedrijven, tenzij ze gedeeltelijk zelf zuiveren, al dit afvalwater via het openbaar vuilwaterriool naar de collectieve zuivering moeten brengen. Het lozen van ongezuiverd afvalwater op het oppervlaktewater door individuele bedrijven is volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer in geval van collectief zuiveren vanaf 1 januari 2021 immers niet toegestaan.

Verder is ook in het vierde lid en vijfde lid een aantal waarborgen opgenomen. Zo moet de gemeente op grond van het vierde lid in de verordening, bedoeld in het eerste lid, regels opnemen die ertoe strekken dat de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen, die met het bedrijfsafvalwater in het openbaar vuilwaterriool wordt gebracht, zoveel mogelijk wordt beperkt. De gemeente kan bijvoorbeeld in de verordening ook eisen stellen aan waar en hoeveel afvalwater mobiel moet worden gezuiverd, bijvoorbeeld bij bedrijven met het grootste verbruik. Ook kan de gemeente in de verordening bepalen dat een zo lang mogelijke wachttijd wordt aangehouden tussen het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel en het moment van lozen van het afvalwater op het vuilwaterriool.

Daarnaast is in het vijfde lid een aantal verplichtingen opgenomen voor degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert. Op grond van onderdeel a dient een aanvullende zuiveringsstap voor het verwijderen van nutriënten uit het afvalwater te worden ingevoerd. Ook moet iedere zes maanden aan burgemeester en wethouders worden gerapporteerd over de voortgang van het hergebruiken van gezuiverd water (onderdeel b). Verder moet degene die het zuiveringtechnisch werk exploiteert ieder kwartaal burgemeester en wethouders op de hoogte brengen van de planning voor de oplevering van de ozontechnologie en over de inspanningen die worden gepleegd om de opleverdatum te verkorten (onderdeel c). Dit met het doel om de overbruggingstijd zoveel mogelijk in te korten en de voortgang richting hergebruik van effluent te verantwoorden.

Bovenstaande waarborgen zijn niet limitatief.

In het zesde lid is de tijdsduur van het experiment opgenomen. Deze loopt, gelet op de aanleg van de installatie, tot uiterlijk 1 januari 2023. Daarnaast wordt bepaald welke gemeente gebruik kan maken van dit experiment. Dit is de gemeente Westland.

Regeldruk voor burgers en bedrijven

Deze tranche van het Bu Chw past twee experimenten aan en maakt vier nieuwe experimenten mogelijk. De experimenten hebben als doel een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling en economische structuurversterking of een bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling en innovatie. De kwalitatieve doelstelling van de experimenten is daarmee bepaald. Aanvullende kwantitatieve doelstellingen worden bewust niet vastgesteld, maar wel wordt een lastenluwe werkwijze gestimuleerd. Een kwantitatieve doelstelling past niet bij het karakter van experimenten, waarbij op voorhand moeilijk is in te schatten wat de effecten zullen zijn. Het Rijk vervult hier namelijk slechts een kaderscheppende en geen uitvoerende rol. De te verwachten regeldrukeffecten van de experimenten zijn dan ook vooral afhankelijk van de keuzes die decentrale overheden maken bij de toepassing ervan. Het is aan de decentrale overheid die het experiment uitvoert om de regeldrukeffecten te berekenen en af te wegen. Dit uitgangspunt staat er echter niet aan in de weg dat achteraf geëvalueerd zal worden wat de (regeldruk)effecten van de experimenten zijn geweest. Dit wordt gedaan in de Voortgangsrapportage die jaarlijks naar de Staten-Generaal wordt gestuurd. Gelet hierop zullen hieronder slechts de te verwachten regeldrukeffecten kwalitatief en globaal worden beschreven.

Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft advies uitgebracht met betrekking tot de tweeëntwintigste tranche. Het advies van het ATR was positief, er werd wel verzocht om met de daarin opgenomen adviespunten rekening te houden. Verder concludeerde het ATR dat de experimenten in deze tranche een lastenluwe manier vormen om te bezien of de gekozen instrumenten bepaalde knelpunten in de praktijk kunnen oplossen.

In het bestaande experiment Architect aan Zet in de gemeente Rotterdam (artikel 6j) vervalt het verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen voor relatief kleine bouwwerken. Het experiment heeft een tijdsduur tot 15 juli 2021. Deze tijd is onvoldoende om het experiment goed uit te kunnen voeren. Daarom heeft de gemeente Rotterdam verzocht om de looptijd van dit experiment te verlengen. In artikel 6j, vijfde lid, wordt toegevoegd dat de gemeente Rotterdam tot 15 juli 2022 gebruik kan maken van dit experiment. In de tijd daarna kan de gemeente het experiment voortzetten op basis van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en door regels te stellen in het omgevingsplan. Van dit experiment worden positieve regeldrukeffecten verwacht, omdat voor relatief kleine bouwwerken niet in alle gevallen meer een omgevingsvergunning voor bouwen hoeft te worden aangevraagd.

Het experiment met de Leegstandwet in artikel 6u maakt het mogelijk dat in de desbetreffende gebieden een woonruimte tijdelijk wordt verhuurd voor een periode van uiterlijk veertien in plaats van zeven jaar. Op grond van de Leegstandwet wordt een vergunning voor tijdelijke verhuur in beginsel verleend voor ten hoogste twee jaren, waarna deze jaarlijks kan worden verlengd. Volgens de procedure in de Leegstandwet zou een vergunning voor tijdelijke verhuur op grond van dit experiment een groot aantal keren verlengd moeten worden om de maximale verhuurperiode te kunnen benutten. Om de administratieve belasting van het college van burgemeester en wethouders en de eigenaar niet toe te laten nemen, is in het experiment de verlengingsduur van een vergunning verlengd naar drie jaar. Met de vijf verlengingen die op grond van de Leegstandwet nodig zijn om zeven jaar tijdelijke verhuur mogelijk te maken, kan nu veertien jaar tijdelijke verhuur plaatsvinden.

In het experiment nieuwe sanitatie dat is openomen in artikel 7ai wordt het huishoudelijk afvalwater gesplitst in twee afvalwaterstromen. Hierdoor vindt scheiding van geconcentreerd afvalwater en overig afvalwater aan de bron plaats, hetgeen resulteert in twee afvalwaterstromen met verschillende samenstelling en eigenschappen, waardoor terugwinning van energie en grondstoffen efficiënter kan worden gerealiseerd dan bij een gemengde inzameling. Ook de zuivering van het afvalwater is efficiënter. Het geconcentreerd afvalwater wordt ingezameld via een vacuümriool. De overige huishoudelijke afvalwaterstromen worden via een conventioneel vrij verval riool ingezameld. De aanleg van de lokale zuivering en het rioleringsstelsel worden gefinancierd uit de middelen van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht en de gemeente Amsterdam. De kosten voor het vacuümtoilet en eventuele apparatuur om voedsel te vermalen worden betaald uit de gebiedsontwikkeling. Hierover moeten nadere afspraken met de opdrachtgevers in de gebiedsontwikkeling worden gemaakt. Uitgangspunt hierbij is dat het niet leidt tot extra regeldruk voor huishoudens en bedrijven, zowel in financiële zin als juridisch (vergunningen). Wel zal het gebruik van het vacuümtoilet een besparing geven op het drinkwatergebruik. Er worden derhalve geen negatieve regeldrukeffecten verwacht.

Het experiment met het OAT, zoals opgenomen in artikel 7aj, bestaat uit een stelsel van buizen onder de grond waardoor afval wordt getransporteerd vanuit een inwerpopening naar een inzamellocatie: de terminal. In aanvulling hierop worden rolcontainers geplaatst voor de overige afvalstromen die door de gemeente worden ingezameld. Dit systeem zal zowel voor huishoudens en bedrijven worden gebruikt. In de voorbereiding is technisch onderzoek gedaan, zijn de financiële kosten en baten berekend en is een maatschappelijke kosten-batenanalyse (MKBA) gemaakt waarin de indirecte maatschappelijke effecten zijn beschreven. De gemeente Amsterdam heeft budget vrijgemaakt voor realisatie en de aanbesteding voor de exploitant is in een afrondende fase. Uitgangspunt van de gemeente is om de kosten voor bedrijven op een vergelijkbaar niveau te houden met traditionele inzameling. Hier is ook bij de onderzoeken van uitgegaan. De kosten voor huishoudens worden op de reguliere manier berekend. Er worden derhalve geen negatieve regeldrukeffecten verwacht voor dit experiment.

Het experiment collectieve zuivering is door de gemeente Westland aangevraagd, in samenwerking met de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en Glastuinbouw Nederland. Met dit experiment krijgen circa 350 deelnemende glastuinbouwbedrijven in het Westland de mogelijkheid om hun afvalwater collectief te zuiveren. Het afvalwater zal in de Afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) Nieuwe Waterweg in Hoek van Holland gezuiverd worden. Daarbij wordt een innovatieve techniek toegepast op basis van ozon. Naast het afvalwater van de tuinders wordt ook het overige afvalwater uit de dorpskernen op deze wijze gezuiverd, waardoor ook verschillende schadelijke stoffen uit huishoudelijke producten en medicijnresten uit huishoudens en medische instellingen worden uit het afvalwater worden gezuiverd. De AWZI kan in oktober 2022 gerealiseerd worden. Dat betekent dat er een jaar en tien maanden uitstel nodig is van de maximale termijn van 1 januari 2021 die in artikel 3.64b, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen voor het maatwerk voor collectieve zuiveringsinstallaties. Van dit experiment worden positieve regeldrukeffecten verwacht voor de deelnemende glastuinbouwbedrijven, omdat grote investeringen voor het tijdelijk op andere wijze zuiveren van afvalwater (bijvoorbeeld tijdelijk mobiele zuivering) worden voorkomen. Voor burgers en professionals worden geen negatieve regeldrukeffecten verwacht.

Artikel II

In artikel II wordt de inwerkingtreding geregeld. Er wordt afgeweken van de systematiek van vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden omdat door onmiddellijke inwerkingtreding voor de doelgroep (verschillende overheden) aanmerkelijk publieke nadelen worden voorkomen. De in het besluit betrokken overheden hebben zelf verzocht om de aanwijzing in het besluit. Enkele zijn ook al begonnen met de procedures die moeten leiden tot de besluiten waarin uitvoering wordt gegeven aan de in deze tweeëntwintigste tranche van het Bu Chw opgenomen experimenten. Zij zullen worden benadeeld als de besluitvormingsprocedure voor deze experimenten wordt vertraagd als toepassing wordt gegeven aan de regeling inzake vaste verandermomenten en een invoeringstermijn van drie maanden. Dit besluit bevat verder geen direct werkende regels waaraan administratieve lasten verbonden zijn voor burgers en bedrijven of andere nadelen als gevolg van de afwijking.

Artikel III

In artikel III wordt een citeertitel gegeven.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, K.H. Ollongren


X Noot
1

Architect aan Zet - evaluatie van een onderzoeksproject op het gebied van private kwaliteitsborging waarbij architecten de toetsing en het toezicht op de bouwplaats overnemen van de gemeente Rotterdam, gemeente Rotterdam, maart 2018.

X Noot
2

Kamerstukken I 2019/20, 33 118, BC, resp. Kamerstukken II 2019/20, 33 118, nr. 139.