Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2020, 23490Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 april 2020, nummer WBV 2020/9, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf C7/2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

2. Het asielbeleid ten aanzien van Afghanistan

2.1. Besluitmoratorium

Geen bijzonderheden.

2.2. Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De IND neemt in de regel ten aanzien van de volgende categorieën vreemdelingen ‘personal and knowing participation’ in de zin van paragraaf C2/7.10.1 Vc aan:

  • onderofficieren en officieren van de KhaD en de WAD;

  • de volgende leden van de Hezb-i-Wahdat:

    • a. alle leden van het Centrale Leiderschapsorgaan, Shura-i-Markazi;

    • b. de leden van het Militair Comité van Shura-i-Markazi;

    • c. de leden van het Politiek Comité van Shura-i-Markazi;

    • d. de hoofden van de Provinciale Vertegenwoordigingen;

    • e. alle commandanten van een ferq’a; en

    • f. hoge officieren van de strijdkrachten van Hezb-i-Wahdat.; en

  • hoofd- en opperofficieren van de volgende afdelingen van de Afghaanse politie in de periode 1978–1996:

    • a. de Kumandani-ye Umumi-ye Defa-yelnqelab;

    • b. de Riasat-e-Makhsous; en

    • c. de Operatifi-ye Mahabas.

2.3. Vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag
2.3.1. Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

Groepsvervolging wordt aangenomen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire missies in Afghanistan.

2.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De IND merkt voor Afghanistan uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen aan als risicogroep:

  • a) vrouwen die werkzaam zijn in de publieke arena (met name non-gouvernementele organisaties, journalistiek, bij ministeries, in het onderwijs, de gezondheidszorg en de rechterlijke macht).

  • b) personen die actief zijn in de politiek, journalistiek of op het gebied van de mensenrechten, die werkzaam zijn voor non-gouvernementele organisaties of het justitieel apparaat.

  • c) burgers die geassocieerd worden met – of die beschouwd worden als ondersteunend aan – de Afghaanse regering, pro-regering gewapende groepen, het Afghaanse maatschappelijk middenveld en de internationale gemeenschap in Afghanistan, waaronder internationale strijdkrachten, en dientengevolge extra risico lopen op gericht geweld van met name de Taliban en ISKP.

  • d) Hazara’s.

  • e) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • f) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • g) niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes.

  • h) LHBT’s.

2.4. Ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw
2.4.1. Uitzonderlijke situatie in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

2.4.2. Systematische blootstelling in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

Geen bijzonderheden.

2.4.3. Kwetsbare minderheidsgroepen in de zin van paragraaf C2/3.3 Vc

De IND merkt uitsluitend de volgende categorieën aan als kwetsbare minderheidsgroep:

  • a) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) etnische minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • b) vreemdelingen die afkomstig zijn uit een leefgebied waar zij tot een (gemarginaliseerde) religieuze minderheid behoren, die aldaar ernstige problemen ondervindt.

  • c) niet-Moslims, vooral bekeerlingen (tot het Christendom bekeerden), afvalligen, Christenen, Bahai en Sikhs/Hindoes.

2.4.4. Individuele kenmerken

De IND verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de Afghaanse vreemdeling, die aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor eerwraak of bloedwraak, als uit de verklaringen van de vreemdeling is gebleken dat een niet-gewelddadige oplossing onmogelijk is.

2.4.5. Alleenstaande vrouwen

Aan een alleenstaande vrouw uit Afghanistan verleent de IND in de regel een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw.

Bij de beoordeling of een vrouw in Afghanistan als alleenstaand wordt gezien en op die grond bescherming behoeft, wordt in ieder geval meegewogen dat:

  • 1. zij geen echtgenoot heeft – of geen persoon met wie zij een duurzame relatie heeft – in Afghanistan met wie zij kan gaan samenleven;

  • 2. de gezinsband met haar ouderlijk gezin is verbroken en zij aannemelijk heeft gemaakt dat deze niet kan worden hersteld;

  • 3. er geen familielid of sociaal netwerk is waar de vrouw, gelet op haar individuele omstandigheden, voor opvang en bescherming op terug kan vallen.

De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan een alleenstaande vrouw als op grond van haar individuele asielrelaas aannemelijk is dat zij geen bescherming op grond van haar alleenstaande status nodig heeft. Hierbij wordt onder andere meegewogen of en hoe zij zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven in het dagelijks leven in het land van herkomst.

2.5. Bescherming
2.5.1. Binnenlands beschermingsalternatief in de zin van paragraaf C2/3.4 Vc

De IND neemt ten aanzien van Afghanistan een binnenlands beschermingsalternatief aan in Kaboel, Herat en Mazar-i-Sharif. De IND beoordeelt individueel of dit binnenlands beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen.

De IND neemt in ieder geval aan dat geen binnenlands beschermingsalternatief in deze steden aanwezig is voor de volgende categorieën:

  • a) de hierboven in paragrafen 2.3.2, 2.4.3 en 2.4.5 genoemde categorieën;

  • b) gezinnen met minderjarige kinderen;

  • c) alleenstaande minderjarigen; en

  • d) vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij hebben te vrezen voor:

    • geweldpleging op grond van huiselijk geweld, of

    • geweld in de directe sociale omgeving, of

    • specifiek op hen als vrouw gericht eer-gerelateerd geweld.

2.6. Adequate opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen

De IND beoordeelt aan de hand van paragraaf B8/6 Vc of adequate opvang voor amv’s aanwezig is.

Voor Afghanistan geldt in ieder geval dat:

  • algemene opvangvoorzieningen niet beschikbaar en/of toereikend zijn; en

  • de autoriteiten geen zorg dragen voor de opvang.

2.7. Vertrekmoratorium

Geen bijzonderheden.

2.8. Bijzonderheden

Verwesterde vrouwen

De hoofdregel is dat een enkele in Nederland ontwikkelde westerse levensstijl niet tot vluchtelingschap of subsidiaire bescherming kan leiden. Aanpassing aan de gebruiken van Afghanistan mag worden verlangd. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk:

  • Indien een vrouw aannemelijk maakt dat de westerse gedragingen een uitingsvorm zijn van een godsdienstige of politieke overtuiging;

  • Indien een vrouw aannemelijk maakt dat zij persoonlijke kenmerken heeft, die uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk zijn te veranderen en zij vanwege deze kenmerken in Afghanistan voor vervolging te vrezen heeft of een risico loopt op een onmenselijke behandeling.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 21 april 2020

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, C. Riezebos wnd. directeur-generaal Migratie

TOELICHTING

ARTIKELSGEWIJS

In paragraaf C7/2.3.1 Vc (Groepsvervolging in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc) is opgenomen dat groepsvervolging wordt aangenomen voor tolken die hebben gewerkt voor internationale militaire missies in Afghanistan.

Hiermee wordt het in de brief aan de Tweede Kamer van 18 december 20191 geschetste beleid in de Vreemdelingencirculaire neergelegd. Uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mede namens de minister van Defensie en de minister van Buitenlandse Zaken, volgt dat uitvoering wordt gegeven aan een motie die op 12 november 2019 is ingediend door de leden Belhaj (D66), Voordewind (CU), Bosman (VVD), Van Helvert (CDA), Diks (GL) en Karabulut (SP) met betrekking tot het beschermingsbeleid voor tolken uit Afghanistan2. Zoals in een brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mede namens de minister van Defensie en de minister van Buitenlandse Zaken, is aangegeven heeft het Kabinet besloten uitvoering te geven aan deze motie die door het overgrote deel van de Kamer is aangenomen.

2.3.2. Risicogroepen in de zin van paragraaf C2/3.2 Vc

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 december 20193 in hoger beroep uitspraak gedaan over de positie van de Hazara’s, een etnische minderheid in Afghanistan. Zoals in een brief van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid d.d. 8 april 2020 (kenmerk 278228) aan de Kamer is aangegeven, is dit aanleiding tot aanpassing van het landgebonden beleid inzake Afghanistan, in die zin dat Hazara’s apart worden aangewezen als risicogroep.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, C. Riezebos wnd. directeur-generaal Migratie


X Noot
1

TK 2019–2020, 19 637, nr. 2573

X Noot
2

Gewijzigde motie d.d. 12 november 2019, Tweede Kamer 2019–2020, 35 300-X nr. 44 ter

vervanging van motie d.d. 7 november 2019, Tweede Kamer 2019–2020, 35 300-X nr. 32

X Noot
3

AbRS 18 december 2019, 201904651/1, ECLI:NL:RVS:2019:4200