Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2020, 16933Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 17 maart 2020, nr. PO/FenV/18628029, houdende aanpassing van de bedragen personele bekostiging primair onderwijs voor het schooljaar 2020–2021 en het vaststellen van de bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs schooljaar 2020–2021 (Eerste Regeling bekostiging personeel PO 2020–2021 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2020–2021)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op de artikelen 116, tweede lid, 120, vijfde lid, 123, eerste lid, 124, eerste en tweede lid, 125, eerste lid, 125b, eerste lid, 129, eerste lid, 132, eerste en derde lid, 137, vijfde lid, en 180a, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 113, 117, vierde, vijfde en achtste lid, 120, 124, eerste lid, 131, vierde lid, en 166a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 85b, tweede lid, en 85d, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 11a, tweede lid, 19, eerste lid, 22, 26, 28 eerste lid, 29a en 36a, tweede en derde lid, van het Besluit bekostiging WPO, de artikelen 10b, tweede lid, 30, eerste lid, 31 en 35 van het Besluit bekostiging WEC, de artikelen B 16b, B 16g, B 16l, B 21, C 11, eerste en tweede lid, en C 16.1 van het Besluit trekkende bevolking WPO, en artikel 3, derde lid, van de Regeling prestatiebox primair onderwijs 2015–2021;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

achterstandsscore:

achterstandsscore als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO;

basisschool:

basisschool als bedoeld in artikel 1 WPO;

BRIN-nummer:

nummer waaronder een school staat geregistreerd in de Basisregistratie Instellingen;

BRP:

basisregistratie personen;

cumi-leerling:

leerling met een niet-Nederlandse culturele achtergrond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO en artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC;

formatiebasisbedrag:

formatiebasisbedrag als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bekostiging WPO en artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC;

formatieleeftijdsbedrag:

formatieleeftijdsbedrag als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Bekostiging WPO en artikel 1 van het Besluit bekostiging WEC;

instelling:

instelling als bedoeld in artikel 1 WEC;

samenwerkingsverband PO:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 WPO;

samenwerkingsverband VO:

samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 1 WVO;

school voor (voortgezet) speciaal onderwijs:

school voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in artikel 1 WEC, niet zijnde een instelling;

speciale school voor basisonderwijs:

speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in artikel 1 WPO;

vestiging:

hoofd- of nevenvestiging van een basisschool;

WEC:

Wet op de expertisecentra;

WPO:

Wet op het primair onderwijs;

WVO:

Wet op het voortgezet onderwijs.

HOOFDSTUK 2. VASTSTELLING BEDRAGEN EN LANDELIJK GEWOGEN GEMIDDELDE LEEFTIJD

Paragraaf 1. Basisscholen

Artikel 2. Gemiddelde leeftijd en bedragen
  • 1. De geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober 2019 en de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren respectievelijk van de schoolleiding van basisscholen, bedoeld in artikel 120, zesde lid, WPO, bedragen:

    • a. geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd: 39,57 jaar;

    • b. genormeerde gemiddelde personeelslasten leraar: € 69.690,03;

    • c. genormeerde gemiddelde personeelslasten schoolleiding: € 85.018,61.

  • 2. Het formatiebasisbedrag respectievelijk het formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, van het Besluit bekostiging WPO, is voor basisscholen:

    • a. formatiebasisbedrag: € 33.702,62;

    • b. formatieleeftijdsbedrag: € 909,46.

  • 3. Het bedrag per leerling respectievelijk het verhogingsbedrag, bedoeld in artikel 120, eerste lid, WPO bedraagt voor:

     

    Bedrag per leerling

    Verhogingsbedrag

    a. leerlingen van 4 t/m 7 jaar

    € 2.005,31

    € 54,11

    b. leerlingen vanaf 8 jaar

    € 1.395,29

    € 37,65

  • 4. De ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van basisscholen ten opzichte van het schooljaar 2019–2020 bedraagt 0,115%. De ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van de schoolleiding van basisscholen ten opzichte van het schooljaar 2019–2020 bedraagt 0,115%.

  • 5. In de genormeerde gemiddelde personeelslasten, bedoeld in het eerste lid is een verlaging van 0,724% verwerkt op basis van de gemiddelde inkomsten waarop de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in de WPO gedurende het schooljaar aanspraak maken vanwege uitkeringen of toelagen als bedoeld in artikel 137, vijfde lid, WPO.

Artikel 3. Aanvullende bekostiging (zeer) kleine scholen

Het basisbedrag respectievelijk het leeftijdsbedrag, bedoeld in de in de eerste kolom genoemde artikelen van het Besluit bekostiging WPO, is het bedrag, genoemd in de tweede respectievelijk de derde kolom bij het desbetreffende artikel:

Artikel

Basisbedrag

Leeftijdsbedrag

23, eerste lid, (zeer kleine scholen)

€ 108.988,62

€ 2.448,90

24, tweede lid, onderdeel a, (kleine scholen voet)

€ 72.487,60

€ 1.956,07

24, tweede lid, onderdeel b,(kleine scholen verminderingsbedrag)

€ 502,17

€ 13,55

Artikel 4. Aanvullende bekostiging voor bestrijding onderwijsachterstanden
  • 1. Het bedrag per eenheid achterstandsscore, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het Besluit bekostiging WPO, bedraagt € 559,50.

  • 2. Het percentage ten behoeve van de overgangsbekostiging onderwijsachterstandenbestrijding in het geval de uitkomst van ‘A–B’ negatief is, bedoeld in artikel 36a, tweede lid, onder C, van het Besluit bekostiging WPO, bedraagt 26,55%.

  • 3. Het percentage, bedoeld in artikel 36a, derde lid van het Besluit bekostiging WPO bedraagt 0,115%.

Artikel 5. Aanvullende bekostiging bij aanvang van de bekostiging en groei

Het basisbedrag verhoogd met het met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren vermenigvuldigde leeftijdsbedrag, bedoeld in de in de eerste kolom genoemde artikelen van het Besluit bekostiging WPO, is het bedrag, genoemd in de tweede kolom bij het desbetreffende artikel:

Artikel

Bedrag

3a, vierde lid, (aanvang bekostiging)

€ 14.169,77

29, vierde lid, (groei)

€ 3.393,90

Artikel 6. Aanvullende bekostiging schoolleiding

Het bedrag, bedoeld in artikel 26, eerste lid, van het Besluit bekostiging WPO, is voor scholen met een aantal leerlingen dat op de teldatum niet hoger is dan 97 leerlingen € 18.237,58 en voor scholen met een aantal leerlingen dat op de teldatum hoger is dan 97 leerlingen € 33.566,16.

Artikel 7. Bekostiging personeels- en arbeidsmarktbeleid
  • 1. De bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid, bedoeld in artikel 129 WPO, bestaat voor basisscholen, waaronder begrepen de school voor varende kinderen, uit een basisbedrag en een bedrag per leerling:

    • a. basisbedrag = € 18.687,64;

    • b. bedrag per leerling € 731,89.

  • 2. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, voor basisscholen met minder dan 145 leerlingen wordt verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan de uitkomst van de berekening: € 43.083,26 minus (het aantal leerlingen vermenigvuldigd met € 297,16).

  • 3. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt voor basisscholen met minder dan 195 leerlingen verhoogd met € 6.038.

  • 4. Het bedrag per leerling ten behoeve van de schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 180a WPO, bedraagt € 60,30 en is begrepen in het bedrag per leerling, genoemd in het eerste lid.

  • 5. Voor de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt het aantal leerlingen vastgesteld overeenkomstig artikel 121 WPO.

Artikel 8. Bedragen voor scholen voor kinderen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden
  • 1. Het bedrag per formatieplaats, bedoeld in artikelen B 16b en artikel C 11, eerste en tweede lid, van het Besluit trekkende bevolking WPO is € 69.690,03.

  • 2. De aanvullende bekostiging voor schoolleiding, bedoeld in artikel B 16g van het Besluit trekkende bevolking bedraagt € 18.237,58 per school.

  • 3. Het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid, bedoeld in artikel B 16l van het Besluit trekkende bevolking bedraagt € 47.820,57 per school.

Artikel 9. Bekostiging voor internationaal georiënteerd basisonderwijs
  • 1. Het bevoegd gezag van een basisschool waaraan een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs is verbonden, ontvangt op aanvraag aanvullende bekostiging voor personeel en voor materiële instandhouding.

  • 2. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt vanaf 11 ingeschreven leerlingen op 1 oktober 2019 op de afdeling, bedoeld in het eerste lid, de in de onderstaande tabel opgenomen bedragen.

    Aantal leerlingen

    Bedrag personeel

    Bedrag materiële instandhouding

    11 t/m 20

    € 15.067,16

    € 453,37

    21 t/m 30

    € 22.600,54

    € 680,05

    31 t/m 40

    € 30.133,91

    € 906,73

    41 t/m 50

    € 37.674,23

    € 1.133,63

    51 t/m 60

    € 45.208,00

    € 1.360,31

    61 t/m 70

    € 52.741,38

    € 1.586,99

    71 t/m 80

    € 60.274,77

    € 1.813,68

    81 t/m 90

    € 67.808,14

    € 2.040,36

    91 t/m 100

    € 75.341,92

    € 2.267,05

    101 t/m 110

    € 82.875,30

    € 2.493,73

    111 t/m 120

    € 90.408,68

    € 2.720,41

    121 t/m 130

    € 97.942,45

    € 2.947,10

    131 t/m 140

    € 105.475,84

    € 3.173,78

    141 t/m 150

    € 113.016,15

    € 3.400,67

    151 t/m 165

    € 120.549,52

    € 3.627,36

    166 t/m 180

    € 128.083,31

    € 3.854,04

    181 t/m 195

    € 135.616,68

    € 4.080,72

    196 t/m 210

    € 143.150,06

    € 4.307,41

    vervolgens per 15 leerlingen verhogen met

    € 7.533,38

    € 226,68

  • 3. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, moet bij DUO zijn ontvangen voor 1 juli 2020 en een gelijkluidend exemplaar daarvan wordt ingediend gelijktijdig met de jaarstukken 2019. Aanvragen die op of na 1 juli 2020 bij DUO worden ontvangen worden in ieder geval afgewezen.

  • 4. Voor de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt gebruik gemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl.

  • 5. Het bevoegd gezag van een basisschool met een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding indien het aantal leerlingen in die afdeling ten opzichte van de datum waarop voor het laatst bekostiging op basis van dit artikel is toegekend zodanig is toegenomen dat het leerlingenaantal in een hogere categorie als bedoeld in de tabel in het tweede lid, is komen te vallen. Voor een basisschool met een afdeling internationaal georiënteerd basisonderwijs waarvoor in het schooljaar 2020–2021 nog geen toekenning is afgegeven, wordt de toename van het aantal leerlingen vastgesteld door het aantal leerlingen in die afdeling af te zetten tegen nul.

  • 6. Voor de aanvraag, bedoeld in het vijfde lid, wordt gebruik gemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl.

  • 7. Het bevoegd gezag kan ten hoogste eenmaal per maand een aanvraag als bedoeld in het vijfde lid, indienen. Een aanvraag die wordt ontvangen op of na 1 juli 2021, wordt afgewezen.

  • 8. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 9. Indien de toename samenvalt met de eerste schooldag van het schooljaar 2020–2021 en de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt toegekend, ontvangt het bevoegd gezag bijzondere bekostiging met ingang van 1 augustus 2020. Indien de toename op een later tijdstip plaatsvindt en de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt toegekend, ontvangt het bevoegd gezag bijzondere bekostiging met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum, waarop de toename heeft plaatsgevonden.

  • 10. De bekostiging, bedoeld in het vijfde lid, is gebaseerd op de bedragen uit bovenstaande tabel. Dit bedrag wordt gedeeld door 12 en vermenigvuldigd met het aantal resterende maanden van het schooljaar waarvoor de bekostiging is toegekend.

Paragraaf 2. Speciale scholen voor basisonderwijs

Artikel 10. Gemiddelde leeftijd en bedragen
  • 1. De geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober 2019 en de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren respectievelijk van de schoolleiding van speciale scholen voor basisonderwijs, bedoeld in artikel 120, zesde lid, WPO, bedragen:

    • a. geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd: 40,88 jaar;

    • b. genormeerde gemiddelde personeelslasten leraar: € 75.767,85;

    • c. genormeerde gemiddelde personeelslasten schoolleiding: € 91.665,47.

  • 2. Het formatiebasisbedrag respectievelijk het formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 22, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, van het Besluit bekostiging WPO, is voor speciale scholen voor basisonderwijs:

    • a. formatiebasisbedrag: € 32.606,87;

    • b. formatieleeftijdsbedrag: € 1.055,80.

  • 3. Het bedrag per leerling respectievelijk het verhogingsbedrag, bedoeld in artikel 120, eerste lid, WPO is:

    • a. bedrag per leerling: € 1.473,83;

    • b. verhogingsbedrag € 47,72.

  • 4. De ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van speciale scholen voor basisonderwijs ten opzichte van het schooljaar 2019–2020 bedraagt 0,115%. De ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van de schoolleiding van speciale scholen voor basisonderwijs ten opzichte van het schooljaar 2019–2020 bedraagt 0,115%.

  • 5. In de genormeerde gemiddelde personeelslasten, bedoeld in het eerste lid, is een verlaging van 0,724% verwerkt op basis van de gemiddelde inkomsten waarop de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in de WPO gedurende het schooljaar aanspraak maken vanwege uitkeringen of toelagen als bedoeld in artikel 137, vijfde lid, WPO.

Artikel 11. Bedragen ondersteuningsvoorzieningen

Het bedrag per leerling respectievelijk het verhogingsbedrag dat wordt vermenigvuldigd met de gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van die school, bedoeld in artikel 120, vierde lid, WPO is:

  • a. bedrag per leerling € 2.106,40;

  • b. verhogingsbedrag € 68,20.

Artikel 12. Bedragen aanvullende bekostiging onderwijsachterstandenbestrijding

Het basisbedrag respectievelijk het leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 28, derde lid, van het Besluit bekostiging WPO, is:

  • a. basisbedrag € 1.307,54;

  • b. leeftijdsbedrag € 42,34.

Artikel 13. Bedragen aanvullende bekostiging bij aanvang van de bekostiging en voor de schoolleiding
  • 1. Het basisbedrag verhoogd met het met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van speciale scholen voor basisonderwijs vermenigvuldigde leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 3a, vierde lid, van het Besluit bekostiging WPO, is € 15.277,58.

  • 2. Het bedrag, bedoeld in artikel 26, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO, is voor scholen met een aantal leerlingen dat op de teldatum niet hoger is dan 99 leerlingen € 18.598,62 en voor scholen met een aantal leerlingen dat op de teldatum hoger is dan 99 leerlingen € 34.496,24.

Artikel 14. Bekostiging personeels- en arbeidsmarktbeleid
  • 1. De bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid, bedoeld in artikel 129 WPO, voor speciale scholen voor basisonderwijs bestaat uit een bedrag dat wordt berekend volgens de formule ‘basisbedrag + A + B’, waarin:

    basisbedrag = € 13.885,71

    A = het aantal leerlingen, vermenigvuldigd met € 1.135,44

    B = het aantal cumi-leerlingen, vermenigvuldigd met € 194,56

  • 2. Het bedrag per leerling ten behoeve van de schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 180a WPO, bedraagt € 60,30 en is begrepen in het bedrag, genoemd in het eerste lid, onder A.

  • 3. Voor de bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid wordt het aantal leerlingen vastgesteld overeenkomstig artikel 121 WPO.

Paragraaf 3. Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in cluster 3 en 4

Artikel 15. Gemiddelde leeftijd en basisbedragen
  • 1. De geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober 2019 en de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren, onderwijsondersteunend personeel, respectievelijk van de schoolleiding van scholen voor speciaal, voortgezet speciaal en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, bedoeld in artikel 117, twaalfde lid, WEC, bedragen:

    • a. geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd: 41,57 jaar;

    • b. genormeerde gemiddelde personeelslasten leraar: € 73.314,22;

    • c. genormeerde gemiddelde personeelslasten onderwijsondersteunend personeel: € 41.796,18;

    • d. genormeerde gemiddelde personeelslasten schoolleiding: € 91.652,72.

  • 2. Het formatiebasisbedrag respectievelijk het formatieleeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 31, onderdeel a, respectievelijk onderdeel b, van het Besluit bekostiging WEC, is voor de scholen, bedoeld in het eerste lid:

    • a. formatiebasisbedrag: € 25.429,28;

    • b. formatieleeftijdsbedrag: € 1.151,91.

  • 3. Het bedrag per school en per leerling, respectievelijk de vermenigvuldigingsbedragen, bedoeld in artikel 117, achtste lid, WEC, worden vastgesteld zoals weergegeven in onderstaande tabel.

     

    Basisbedrag

    Leeftijdsbedrag

    vast bedrag per school

    € 29.838,72

    € 1.351,65

    per leerling SO jonger dan 8

    € 1.436,75

    € 65,08

    per leerling SO 8 jaar en ouder

    € 999,37

    € 45,27

    per leerling VSO

    € 1.945,34

    € 88,12

  • 4. De ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren van scholen voor speciaal, voortgezet speciaal en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs ten opzichte van het schooljaar 2019–2020 bedraagt 0,115%. De ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van het onderwijsondersteunend personeel van deze scholen ten opzichte van het schooljaar 2019–2020 bedraagt 0,115% en de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van de schoolleiding van deze scholen ten opzichte van het schooljaar 2019–2020 bedraagt 0,115%.

  • 5. In de genormeerde gemiddelde personeelslasten, bedoeld in het eerste lid, is een verlaging van 0,724% verwerkt op basis van de gemiddelde inkomsten waarop de bevoegde gezagsorganen, bedoeld in de WEC gedurende het schooljaar aanspraak maken vanwege uitkeringen of toelagen als bedoeld in artikel 131, vierde lid, WEC.

Artikel 16. Bedragen voor personele bekostiging voor ondersteuning

Het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 117, vierde lid, WEC, artikel 132, vierde lid, WPO en artikel 85b, derde lid, WVO, is per categorie onderverdeeld naar onderwijstype en leeftijd van de leerlingen, weergegeven in onderstaande tabel.

categorie 1/l

categorie 2/m

categorie 3/h

per leerling SO jonger dan 8

€ 10.157,89

€ 14.788,73

€ 22.636,98

per leerling SO 8 jaar en ouder

€ 9.296,53

€ 16.049,74

€ 23.897,98

per leerling VSO

€ 10.383,30

€ 18.231,10

€ 22.589,48

Artikel 17. Aanvullende bekostiging voor bestrijding onderwijsachterstanden

Het basisbedrag respectievelijk het leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Besluit bekostiging WEC is:

  • a. basisbedrag: € 979,03;

  • b. leeftijdsbedrag: € 44,35.

Artikel 18. Bedragen aanvullende bekostiging bij aanvang van de bekostiging en voor de schoolleiding
  • 1. Het basisbedrag verhoogd met het met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs vermenigvuldigde leeftijdsbedrag als bedoeld in artikel 3a, vierde lid, van het Besluit bekostiging WEC, is € 15.275,45.

  • 2. Het bedrag, bedoeld in artikel 35, van het Besluit bekostiging WEC, onderverdeeld in speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs alsmede naar onderwijssoort en aantal leerlingen, is weergegeven in onderstaande tabel.

    aantal leerlingen

    SO of VSO

    SOVSO

    MG SO of VSO

    MG SOVSO

    1 tot en met 49

    € 21.156,50

    € 21.156,50

    € 39.495,00

    € 39.495,00

    50 of meer

    € 39.495,00

    € 57.833,50

    € 39.495,00

    € 57.833,50

Artikel 19. Bekostiging personeels- en arbeidsmarktbeleid
  • 1. De bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid, bedoeld in artikel 124 WEC, bestaat voor de scholen in deze paragraaf uit een bedrag dat wordt berekend volgens de formule ‘A+B’, waarin:

    A = het aantal SO-leerlingen en VSO-leerlingen, vermenigvuldigd met € 1.009,03;

    B = het aantal cumi-leerlingen, vermenigvuldigd met € 152,23.

  • 2. Het bedrag per leerling ten behoeve van de schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 166a WEC, bedraagt € 60,30 en is begrepen in het bedrag, genoemd in het eerste lid, onder A.

HOOFDSTUK 3. BEKOSTIGING SAMENWERKINGSVERBANDEN

Paragraaf 1. Lichte ondersteuning en schoolmaatschappelijk werk

Artikel 20. Bedragen lichte ondersteuning PO

Het bedrag per leerling verhoogd met het met de geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd van de leraren vermenigvuldigde bedrag, bedoeld in de in de eerste kolom genoemde artikelen van het Besluit bekostiging WPO, is het bedrag, genoemd in de tweede kolom bij het desbetreffende artikel.

Artikel

Bedrag

31, eerste lid, (ondersteuningsvoorzieningen)

€ 179,57

32, eerste lid, (overdracht bij toename)

€ 3.424,71

32, tweede lid, en 33, eerste volzin (overdracht en overgang naar ander swv)

€ 4.894,60

33, tweede volzin (overgang naar ander swv na 1 oktober)

€ 8.319,31

Artikel 21. Schoolmaatschappelijk werk primair onderwijs in het kader van veiligheid en opvang risicoleerlingen

Aan het samenwerkingsverband PO, waarvan de som der achterstandsscores van de vestigingen binnen het samenwerkingsverband 1 of meer is, wordt een bedrag van € 12,66 per achterstandsscore toegekend.

Paragraaf 2. Zware ondersteuning

Artikel 22. Bedrag personele bekostiging zware ondersteuning PO

Het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 132, derde lid, WPO, is € 370,23.

Artikel 23. Bedrag personele bekostiging zware ondersteuning VO

Het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 85b, tweede lid, WVO, is € 592,81.

Artikel 24. Bedrag overdracht personele bekostiging bij groei op 1 februari

Het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 125b, eerste lid, onderdeel b, WPO en artikel 85d, eerste lid, onderdeel b, WVO, wordt weergegeven in onderstaande tabel.

Basisbedrag

per leerling SO <8

€ 4.142,25

per leerling SO >=8

€ 2.881,25

per leerling VSO

€ 5.608,54

HOOFDSTUK 4. BEKOSTIGING INSTELLINGEN

Artikel 25. Basisbedragen

De basisbedragen respectievelijk het leeftijdsbedrag, bedoeld in artikel 117, eerste lid WEC, is het bedrag, genoemd in de tweede, respectievelijk de derde kolom in onderstaande tabel.

Bedrag

Verhogingsbedrag

per leerling SO jonger dan 8

€ 1.436,75

€ 65,08

per leerling SO 8 jaar en ouder

€ 999,37

€ 45,27

per leerling VSO

€ 1.945,34

€ 88,12

Artikel 26. Bekostiging personeels- en arbeidsmarktbeleid

  • 1. De bekostiging voor personeels- en arbeidsmarktbeleid, bedoeld in artikel 124 WEC, is voor de instellingen in deze paragraaf € 1.009,03 per leerling.

  • 2. Het bedrag per leerling ten behoeve van de schoolbegeleiding, bedoeld in artikel 166a WEC, bedraagt € 60,30 en is begrepen in het bedrag, genoemd in het eerste lid.

Artikel 27. Bedragen voor personele bekostiging voor ondersteuning instellingen

De bedragen, bedoeld in artikel 117, vijfde lid, WEC, worden in onderstaande tabel per instelling weergegeven.

BRIN-nr

Naam instelling

Ondersteuningsbedrag

25GP

Visio Onderwijsinstelling Noord

€ 3.371.145,39

25GR

Bartimeus OWI voor Visueel Gehandicapte Leerlingen

€ 10.848.617,71

25HD

Koninklijk Instituut tot Onderwijs van Slechtziende en Blinden

€ 6.137.963,79

25HE

Onderwijsinstelling Sensis

€ 12.858.190,67

01JO

Koninklijke Auris Groep

€ 70.005.477,18

08ZP

Zuid

€ 24.071.172,45

17GW

Koninklijke Kentalis

€ 103.062.989,61

20WR

VierTaal

€ 26.777.436,85

HOOFDSTUK 5. BIJZONDERE BEKOSTIGING SCHOOLJAAR 2020–2021

Artikel 28. Algemeen artikel

  • 1. Artikel 1 van de Algemene termijnenwet is van toepassing op dit hoofdstuk.

  • 2. Indien de peildatum, bedoeld in de artikelen 32 tot en met 34, valt op een dag waarop geen onderwijs wordt gegeven, wordt als peildatum de eerstvolgende schooldag aangehouden.

Artikel 29. Aanwezigheid schipperskinderen

  • 1. Het bevoegd gezag van een basisschool die voor 1 april 2021 wordt bezocht door 3 of meer kinderen in de eerste 4 verblijfsjaren op een reguliere basisschool en die verblijven in een internaat of pleeggezin en van wie de vader of moeder het schippersbedrijf uitoefent of heeft uitgeoefend, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.

  • 2. De bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt vanaf 3 ingeschreven schipperskinderen de in de onderstaande tabel opgenomen bedragen die worden gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met het aantal maanden waarvoor de bekostiging wordt toegekend.

    Aantal schipperskinderen

    Bedrag personeel

    Bedrag MI

    3 tot en met 6

    € 15.185,46

    € 421,70

    7 tot en met 10

    € 22.579,57

    € 632,66

    11 tot en met 14

    € 29.980,65

    € 843,41

    15 tot en met 18

    € 37.374,76

    € 1.054,36

    En vervolgens telkens in een bandbreedte van 4 leerlingen, te beginnen vanaf 19 leerlingen, te verhogen met

    € 7.394,11

    € 210,96

  • 3. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de school;

    • b. de datum waarop de kinderen zijn of worden toegelaten tot de school;

    • c. het totaal aantal schipperskinderen dat de school bezoekt in de periode waarvoor bijzondere en aanvullende bekostiging wordt gevraagd; en

    • d. de periode waarvoor bijzondere en aanvullende bekostiging wordt gevraagd.

  • 4. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie de school of scholen waarvan de kinderen afkomstig zijn, onder vermelding van de betreffende schoolsoort met vermelding van het aantal verblijfsjaren, is opgenomen.

  • 5. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 6. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt toegekend ontvangt het bevoegd gezag bijzondere en aanvullende bekostiging met ingang van de maand volgend op de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

  • 7. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft voor de periode na 1 april 2021.

Artikel 30. Aanwezigheid van leerlingen met een culturele achtergrond van de Roma en Sinti

  • 1. Het bevoegd gezag van een basisschool die voor 1 april 2021 wordt bezocht door 4 of meer leerlingen met een culturele achtergrond van de Roma en Sinti, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.

  • 2. De bekostiging voor zowel personeel als voor materiële instandhouding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt € 3.206 per ingeschreven leerling met een culturele achtergrond van de Roma of Sinti. Dit bedrag wordt gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met het aantal maanden waarvoor de bekostiging wordt toegekend.

  • 3. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de school;

    • b. het totaal aantal leerlingen met een culturele achtergrond van de Roma en Sinti dat de school zal bezoeken in de periode waarvoor bijzondere en aanvullende bekostiging wordt gevraagd; en

    • c. de periode waarvoor bijzondere en aanvullende bekostiging wordt gevraagd.

  • 4. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 5. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt toegekend ontvangt het bevoegd gezag bijzondere en aanvullende bekostiging met ingang van de maand volgend op de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

  • 6. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft voor de periode na 1 april 2021.

  • 7. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie voor ieder van de in de aanvraag opgenomen leerlingen een verklaring van de ouders over de culturele achtergrond van de Roma en Sinti van de leerling aanwezig is. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het op www.duo.nl beschikbaar gestelde formulier.

Artikel 31. Leerlingen afkomstig uit ‘Blijf van mijn lijf huizen’

  • 1. Het bevoegd gezag van een basisschool, waar gedurende een periode van maximaal één jaar voorafgaand aan de aanvraag ten minste 10 leerlingen uit een ‘Blijf van mijn lijf huis’ zijn ingeschreven, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.

  • 2. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de school;

    • b. het aantal ‘Blijf van mijn lijf huis’ leerlingen dat gedurende de periode van maximaal één jaar voor de aanvraag de basisschool heeft bezocht; en

    • c. de ingangsdatum en de einddatum van de door het bevoegd gezag gekozen periode van maximaal 12 maanden als bedoeld in onderdeel b.

  • 3. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie een overzicht is opgenomen van het aantal ‘Blijf van mijn lijf huis’ leerlingen dat gedurende de periode van maximaal één jaar voor de aanvraag de basisschool heeft bezocht met de data van in- en uitschrijving.

  • 4. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 5. Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt toegekend ontvangt het bevoegd gezag bijzondere en aanvullende bekostiging met ingang van de maand volgend op de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

Artikel 32. Eerste opvang asielzoekers en overige vreemdelingen basisscholen

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    a. asielzoeker:

    vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000

    • die ingeschreven staat op een basisschool, en;

    • die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en;

      • 1°. deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j, van die wet, of;

      • 2°. in het bezit is gesteld van een verklaring van het centraal orgaan asielzoekers, waaruit blijkt dat de vreemdeling, dan wel een of beide ouders of voogden in afwachting is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8 onderdelen c, d, f, g, h, j, van de Vreemdelingenwet 2000 en daarom niet beschikt over het document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en;

    • aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland;

    b. overige vreemdeling:

    vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000, niet zijnde een asielzoeker,

    • die ingeschreven staat op een basisschool, en;

    • die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000; dan wel die in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, dan wel waarvan ten minste één van de ouders in het bezit is van een paspoort of identiteitsbewijs waaruit blijkt dat hij of zij burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en;

    • aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland.

  • 2. Het bevoegd gezag van een basisschool waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor ten minste 4 asielzoekers en/of overige vreemdelingen, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.

  • 3. De bijzondere en de aanvullende bekostiging heeft betrekking op een periode van drie maanden, met als peildata:

    • a. de eerste schooldag voor de periode augustus tot en met oktober;

    • b. 1 november voor de periode november tot en met januari;

    • c. 1 februari voor de periode februari tot en met april;

    • d. 1 mei voor de periode mei tot en met juli.

  • 4. Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de bijzondere en de aanvullende bekostiging een aanvraag in die indien de peildatum de eerste schooldag betreft door DUO moet zijn ontvangen voor 30 september 2020 en indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft binnen vier weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.

  • 5. Een basisschool die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen verzorgde, komt in aanmerking voor een eenmalige aanvulling op de bijzondere bekostiging van € 12.082.

  • 6. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de basisschool;

    • b. indien de peildatum de eerste schooldag betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de eerste schooldag, en het aantal asielzoekers dat op 1 oktober van het voorgaande schooljaar aan de basisschool stond ingeschreven of indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft het aantal ingeschreven asielzoekers en het aantal ingeschreven overige vreemdelingen op de peildatum; en

    • c. in geval van toepassing van het vijfde lid, een verklaring dat de basisschool niet eerder de eerste opvang van vreemdelingen respectievelijk de eerste opvang van asielzoekers of overige vreemdelingen heeft verzorgd.

  • 7. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie voor ieder van de in de aanvraag opgenomen asielzoekers en overige vreemdelingen één of meerdere bewijsstukken aanwezig zijn waaruit blijkt dat de school in aanmerking komt voor de toekenning van bijzondere en aanvullende bekostiging op basis van dit artikel.

  • 8. Van alle asielzoekers en overige vreemdelingen die meetellen voor de in de aanvraag opgegeven aantallen leerlingen dienen de gegevens uit de BRP, zoals geregistreerd in het basisregister onderwijs, als uitgangspunt. In het geval de registratie in de BRP ontbreekt of afwijkt van de door het bevoegd gezag van de basisschool aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeleverde gegevens, verklaart het bevoegd gezag door de indiening van de aanvraag tevens dat één of meerdere bewijsstukken, waarmee de opgegeven datum van binnenkomst in Nederland kan worden aangetoond, in de administratie van de basisschool aanwezig zijn.

  • 9. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 10. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend volgens de formules:

    Indien de peildatum de eerste schooldag betreft en

    • indien Ap groter is dan At:

      (Ap – At) x € 10.082,97 x 3/12, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bekostiging WPO aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor (Ap – At), een aftrek plaatsvindt van € 3.393,90 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 3/12, verhoogd met At x (€ 3.108,18 + € 86,50) x 3/12 en verhoogd met Vp x (€ 3.108,18 + € 86,50) x 3/12

    • indien Ap niet groter is dan At:

      Ap x (€ 3.108,18 + € 86,50) x 3/12 verhoogd met Vp x (€ 3.108,18 + € 86,50) x 3/12;

    waarin:

    Ap = het aantal op de eerste schooldag ingeschreven leerlingen dat asielzoeker is;

    At = het aantal op 1 oktober van het voorgaande schooljaar ingeschreven leerlingen dat op de eerste schooldag asielzoeker is;

    Vp = het aantal op de eerste schooldag ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is.

    Indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft:

    Ap x € 10.082,97 x 3/12, met dien verstande dat ingeval er op of voor de peildatum groeibekostiging als bedoeld in artikel 29 of 30 van het Besluit bekostiging WPO aan het desbetreffende bevoegd gezag is toegekend, voor het aantal leerlingen waarvoor de groeibekostiging tot en met de peildatum is toegekend, dan wel indien dit kleiner is voor Ap, een aftrek plaatsvindt van € 3.393,90 per leerling, welk bedrag wordt vermenigvuldigd met 3/12, verhoogd met Vp x (€ 3.108,18 + € 86,50) x 3/12;

    waarin:

    Ap = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat asielzoeker is;

    Vp = het aantal op de peildatum ingeschreven leerlingen dat overige vreemdeling is.

Artikel 33. Onderwijs aan asielzoekers gedurende het tweede jaar in Nederland

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder asielzoeker: vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000,

    • die ingeschreven staat op een basisschool, en;

    • die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en;

    • deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j van die wet, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 en deze heeft verkregen op grond van artikel 8, onderdelen c, d, f, g, h of j van die wet, en;

    • die aantoonbaar langer dan één jaar maar korter dan twee jaar woonachtig is in Nederland.

  • 2. Het bevoegd gezag van een basisschool waar onderwijs wordt verzorgd voor asielzoekers ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.

  • 3. De bijzondere en de aanvullende bekostiging heeft betrekking op een periode van drie maanden, met als peildata:

    • a. de eerste schooldag, voor de periode augustus tot en met oktober;

    • b. 1 november, voor de periode november tot en met januari;

    • c. 1 februari, voor de periode februari tot en met april;

    • d. 1 mei, voor de periode mei tot en met juli.

    Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de bijzondere en de aanvullende bekostiging een aanvraag in die indien de peildatum de eerste schooldag betreft door DUO moet zijn ontvangen voor 30 september 2020 en indien de peildatum niet de eerste schooldag betreft binnen vier weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.

  • 4. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de basisschool; en

    • b. het aantal ingeschreven asielzoekers volgens dit artikel op de peildatum.

  • 5. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie voor ieder van de in de aanvraag opgenomen asielzoekers bewijsstukken worden opgenomen waarmee kan worden aangetoond dat de school in aanmerking komt voor de toekenning van bijzondere en aanvullende bekostiging op basis van dit artikel.

  • 6. Van alle asielzoekers die meetellen voor de in de aanvraag opgegeven aantallen leerlingen dienen de gegevens uit de BRP, zoals geregistreerd in het basisregister onderwijs, als uitgangspunt. In het geval de registratie in de BRP ontbreekt of afwijkt van de door het bevoegd gezag van de basisschool aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeleverde gegevens, verklaart het bevoegd gezag door de indiening van de aanvraag tevens dat één of meerdere bewijsstukken, waarmee de opgegeven datum van binnenkomst in Nederland kan worden aangetoond, in de administratie van de basisschool aanwezig zijn.

  • 7. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 8. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per asielzoeker € 1.540 vermenigvuldigd met 3/12.

Artikel 34. Eerste opvang vreemdelingen op speciale scholen voor basisonderwijs

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    a. school:

    bekostigde speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de WPO;

    b. vreemdeling:

    leerling die ingeschreven staat op een school, die de school geregeld bezoekt en die door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, onderscheidenlijk van wie ten minste één van de ouders of voogden door de Minister van Justitie en Veiligheid in het bezit is gesteld van een document of schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, en aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland.

  • 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder vreemdeling mede verstaan: leerling die ingeschreven staat op een school, die de school geregeld bezoekt en van wie uit het paspoort of ander identiteitsbewijs blijkt dat hij zelf of één van zijn ouders of voogden burger is van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of Zwitserland, en die op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in Nederland verblijft en aantoonbaar nog geen jaar woonachtig is in Nederland.

  • 3. Het bevoegd gezag van een school waar de eerste opvang in het onderwijs wordt verzorgd voor ten minste 4 vreemdelingen die korter dan 1 jaar in Nederland verblijven, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.

  • 4. De bijzondere en de aanvullende bekostiging heeft betrekking op een periode van drie maanden, met als peildata:

    • a. de eerste schooldag voor de periode augustus tot en met oktober;

    • b. 1 november voor de periode november tot en met januari;

    • c. 1 februari voor de periode februari tot en met april;

    • d. 1 mei voor de periode mei tot en met juli.

  • 5. Het bevoegd gezag dient ter verkrijging van de bijzondere en de aanvullende bekostiging een aanvraag in die indien het de peildatum de eerste schooldag betreft door DUO moet zijn ontvangen voor 30 september 2020 en indien het een andere peildatum betreft binnen vier weken na de peildatum. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft die is ontvangen na deze termijn.

  • 6. Een school die niet eerder eerste opvang van vreemdelingen verzorgde, komt in aanmerking voor een eenmalige aanvulling op de bijzondere bekostiging van € 12.082.

  • 7. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de school;

    • b. het aantal vreemdelingen dat op de peildatum korter dan 1 jaar in Nederland is;

    • c. de periode waarvoor de bekostiging wordt gevraagd; en

    • d. in geval van toepassing van het zesde lid, een verklaring dat de school niet eerder de eerste opvang van vreemdelingen heeft verzorgd.

  • 8. Het bevoegd gezag verklaart door indiening van de aanvraag dat in de leerlingenadministratie voor ieder van de in de aanvraag opgenomen vreemdelingen bewijsstukken aanwezig zijn waaruit blijkt dat de school in aanmerking komt voor de toekenning van bijzondere en aanvullende bekostiging op basis van dit artikel.

  • 9. Van vreemdelingen die meetellen voor de in de aanvraag opgegeven aantallen leerlingen dienen de gegevens uit de BRP, zoals geregistreerd in het basisregister onderwijs, als uitgangspunt. In het geval de registratie in de BRP ontbreekt of afwijkt van de door het bevoegd gezag van de school aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangeleverde gegevens, verklaart het bevoegd gezag door de indiening van de aanvraag tevens dat één of meerdere bewijsstukken waarmee de opgegeven datum van binnenkomst in Nederland kan worden aangetoond, in de administratie van de school aanwezig is.

  • 10. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag.

  • 11. De bekostiging, bedoeld in het derde lid, bedraagt per ingeschreven vreemdeling € 3.108,18 voor personeel en € 86,50 voor materiële instandhouding, welke bedragen worden vermenigvuldigd met 3/12.

Artikel 35. Opvang asielzoekers in procesopvanglocaties en gezinslocaties

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder asielzoeker: een leerling die verblijft in een procesopvanglocatie, zijnde de verblijfplaats van vreemdelingen tijdens de rust- en voorbereidingstermijn voorafgaand aan de algemene asielprocedure en gedurende de algemene asielprocedure door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, dan wel leerling die verblijft in een gezinslocatie voor gezinnen met minderjarige kinderen die geen recht meer hebben op verstrekkingen conform de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.

  • 2. Het bevoegd gezag van de basisschool waar op 1 oktober 2019 asielzoekers worden opgevangen, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding.

  • 3. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per asielzoeker € 932.

  • 4. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. het BRIN-nummer van de school waar de asielzoekers worden opgevangen;

    • b. het aantal asielzoekers op 1 oktober 2019 onder het BRIN-nummer zoals opgenomen in de aanvraag; en

    • c. een verklaring van het bevoegd gezag dat voor het aantal asielzoekers zoals opgenomen in de aanvraag, tevens in de leerlingenadministratie documenten zijn opgenomen, waarin het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers de school noemt als opvang school voor deze kinderen.

  • 5. De aanvraag moet door DUO zijn ontvangen voor 1 juli 2020. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien het een aanvraag betreft welke is ontvangen op of na deze datum.

  • 6. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk in september 2020.

Artikel 36. Justitiële jeugdinrichtingen en instellingen voor gesloten jeugdzorg verbonden aan scholen voor Cluster 4

  • 1. Het bevoegd gezag van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs aan zeer moeilijk opvoedbare kinderen met een vestiging die fungeert als gesloten justitiële inrichting waarbinnen het onderwijs georganiseerd wordt, dan wel is verbonden aan een instelling voor gesloten jeugdzorg, ontvangt bijzondere bekostiging voor personeel.

  • 2. De bijzondere bekostiging, bedoeld in het eerste lid, bedraagt per vestiging € 37.595,53 en € 4.346,73 per leerling van de vestiging. Het aantal leerlingen van de vestiging is gelijk aan de door de Minister van Justitie en Veiligheid toegekende capaciteit als het een justitiële jeugdinrichting betreft, en is de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport toegekende capaciteit als het een instelling voor gesloten jeugdzorg betreft.

  • 3. Het bevoegd gezag, bedoeld in het eerste lid, ontvangt bijzondere bekostiging voor personeel en aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding, indien er op de eerste van de maand door de Minister van Justitie en Veiligheid, indien het een justitiële jeugdinrichting betreft, en door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, indien het een instelling voor gesloten jeugdzorg betreft, meer capaciteit, uitgedrukt in leerlingen, aan de vestiging is toegekend dan het aantal leerlingen van de vestiging op grond waarvan de personele bekostiging voor het schooljaar is bepaald. Onder personele bekostiging, bedoeld in de eerste volzin, wordt mede verstaan, indien dit artikel reeds eerder is toegepast, de bijzondere bekostiging op grond van dit artikel.

  • 4. De bijzondere bekostiging respectievelijk aanvullende bekostiging, bedoeld in het derde lid, bedraagt het verschil tussen de capaciteit, uitgedrukt in leerlingen, en het aantal leerlingen waarvoor personele bekostiging is toegekend, vermenigvuldigd met € 17.000,87 voor personeel en € 1.910,19 voor materiële instandhouding, gedeeld door twaalf en vermenigvuldigd met het aantal resterende maanden van het schooljaar waarvoor de bekostiging is toegekend.

Artikel 37. Bijzondere bekostiging voor leerlingen met een ernstige meervoudige beperking

  • 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder een leerling met een ernstige meervoudige beperking: een leerling met een combinatie van een ernstige of zeer ernstige verstandelijke beperking (IQ tot 35), een lichamelijke beperking en bijkomende stoornissen, voor wie naast extra ondersteuning in het onderwijs ook extra zorg nodig is, die op 1 oktober 2019 ingeschreven stond op een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs en voor wie het bevoegd gezag bekostiging categorie 3 (hoog) ontvangt.

  • 2. Het bevoegd gezag van een school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en speciaal en voortgezet speciaal onderwijs waar op 1 oktober 2019 leerlingen met een ernstige meervoudige beperking waren ingeschreven, ontvangt op aanvraag bijzondere bekostiging voor personeel.

  • 3. Voor het indienen van een aanvraag wordt gebruikgemaakt van het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl en gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam, BRIN-nummer, postcode en plaats van de school; en

    • b. het aantal op 1 oktober 2019 ingeschreven leerlingen met een ernstige meervoudige beperking als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. De aanvraag, bedoeld in het tweede lid, dient uiterlijk op 15 september 2020 ontvangen te zijn. Aanvragen die na die datum worden ontvangen, worden afgewezen.

  • 5. De bekostiging, bedoeld in het tweede lid, bedraagt per ingeschreven leerling met een ernstige meervoudige beperking maximaal € 8.000,00.

  • 6. Voor de bijzondere bekostiging op grond van dit artikel is voor het schooljaar 2020–2021 een bedrag van maximaal € 10 miljoen beschikbaar.

  • 7. Indien het bekostigingsplafond, bedoeld in het zesde lid, wordt overschreden, wordt het bedrag per leerling met een ernstige meervoudige beperking, bedoeld in het vijfde lid, verlaagd naar rato van het aantal leerlingen met een ernstige meervoudige beperking waarvoor de bekostiging wordt toegekend.

  • 8. De Minister beslist uiterlijk in november 2020 op de aanvraag.

Artikel 38. Bijzondere bekostiging bij het samengaan van een basisschool met een speciale school voor basisonderwijs

  • 1. Het bevoegd gezag van een basisschool die per 1 augustus 2020 samengaat met een speciale school voor basisonderwijs, die wordt opgeheven met ingang van 1 augustus 2020 én waarvan blijkens de registratie in BRON ten minste de helft van de leerlingen op de eerste schooldag zijn ingeschreven op de basisschool, ontvangt op aanvraag de eerste zes schooljaren na samengaan bijzondere bekostiging voor personeel.

  • 2. Een aanvraag voor de bijzondere bekostiging, bedoeld in het eerste lid, wordt per brief ingediend bij DUO en moet voor 30 september 2020 door DUO ontvangen zijn. Aanvragen die na deze datum worden ontvangen, worden automatisch afgewezen. De aanvraag gaat vergezeld van de volgende gegevens:

    • a. naam en BRIN-nummer van de basisschool;

    • b. naam en BRIN-nummer van de op te heffen speciale school voor basisonderwijs; en

    • c. het BRIN-mutatieformulier waarmee de opheffing van de speciale school voor basisonderwijs wordt gemeld of een kopie van het BRIN-mutatie formulier waarmee de opheffing van de speciale school voor basisonderwijs is gemeld.

  • 3. De bijzondere bekostiging, bedoeld in het eerste lid, is voor het eerste schooljaar na de opheffing gelijk aan de som van de bekostiging op grond van artikel 120, tweede lid, onderdeel c, WPO en de aanvullende bekostiging op grond van artikel 26, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO die de opgeheven speciale school voor basisonderwijs zou hebben ontvangen in het eerste schooljaar na de opheffing.

  • 4. De bijzondere bekostiging, bedoeld in het eerste lid, is voor het tweede tot en met zesde schooljaar na het samengaan gelijk aan de aanvullende bekostiging op grond van artikel 26, tweede lid, van het Besluit bekostiging WPO die de opgeheven speciale school voor basisonderwijs zou hebben ontvangen in het eerste schooljaar na de opheffing en telkens per schooljaar aangepast aan de ontwikkeling van de genormeerde gemiddelde personeelslasten van speciale scholen voor basisonderwijs.

  • 5. Het bevoegd gezag ontvangt de beschikking uiterlijk op 30 januari 2021.

Artikel 39. Bedrag prestatiebox primair onderwijs

Het bedrag per leerling, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Regeling prestatiebox primair onderwijs 2015–2021 is voor het schooljaar 2020–2021 € 196,83.

HOOFDSTUK 6. GEWOGEN GEMIDDELDE LEEFTIJD EN BETAALRITME

Artikel 40. Nadere regels gewogen gemiddelde leeftijd

  • 1. De gewogen gemiddelde leeftijd op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar, bedoeld in artikel 11a van het Besluit bekostiging WPO en artikel 10b van het Besluit bekostiging WEC, is de betrekkingsomvang aan de desbetreffende school van elke leraar op de school, vermenigvuldigd met diens leeftijd en vervolgens gedeeld door de som van de betrekkingsomvang van alle leraren op de school. Voor leraren ouder dan 50 jaar wordt voor de toepassing van de eerste volzin de leeftijd op 50 jaar vastgesteld. Indien de uitkomst van de berekening van de gewogen gemiddelde leeftijd, bedoeld in de eerste volzin, lager is dan 30 wordt de gewogen gemiddelde leeftijd vastgesteld op 30. De in de eerste volzin bedoelde gewogen gemiddelde leeftijd wordt afgerond op 2 decimalen.

  • 2. Onder leraar als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: elk personeelslid dat is aangesteld in een onderwijsgevende functie als bedoeld in artikel 151 van Rechtspositiebesluit WPO/WEC, zoals dat luidde op 31 juli 2005, met uitzondering van leraren in opleiding als bedoeld in artikel 191, onderdeel a, van dat besluit en personeelsleden die in dienst zijn of van wie de betrekkingsomvang is uitgebreid in verband met vervanging, voor zover de kosten van deze dienstbetrekking of uitbreiding van de betrekkingsomvang ten laste komen van de in artikel 183 WPO of artikel 169 WEC bedoelde rechtspersoon.

  • 3. In geval van een samenvoeging is de gewogen gemiddelde leeftijd de som van de betrekkingsomvang van elke leraar van alle bij de samenvoeging betrokken scholen vermenigvuldigd met diens leeftijd en vervolgens gedeeld door de som van de betrekkingsomvang van alle leraren van alle bij de samenvoeging betrokken scholen. De tweede tot en met de laatste volzin van het eerste lid, is van toepassing.

  • 4. De geraamde landelijk gewogen gemiddelde leeftijd wordt vastgesteld op basis van de gewogen gemiddelde leeftijd van de scholen op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar.

  • 5. Indien voor de mededeling van de gewogen gemiddelde leeftijd, bedoeld in artikel 11a van het Besluit bekostiging WPO en artikel 10b van het Besluit bekostiging WEC, gebruik wordt gemaakt van een geautomatiseerd systeem voor de salarisverwerking, wordt de gewogen gemiddelde leeftijd vastgesteld op basis van de gegevens die in november voorafgaande aan die mededeling door dat systeem zijn verwerkt.

Artikel 41. Betaalritme

  • 1. Tenzij in deze regeling anders is bepaald worden de bekostigingsbedragen, bedoeld in deze regeling, uitbetaald in maandelijkse termijnen van gelijke omvang.

  • 2. De maandelijkse betaling van de bekostigingsbedragen voor personeelskosten, bedoeld in de artikelen 2, 3, 4, 6, 8, eerste en tweede lid, 10, 11, 12, 13, tweede lid, 15, 16, 17, 18, tweede lid, 25 en 27 vindt plaats op grond van de volgende percentages:

    Augustus

    6,91%

    September

    6,91%

    Oktober

    6,91%

    November

    6,91%

    December

    6,91%

    Januari

    10,25%

    Februari

    9,20%

    Maart

    9,20%

    April

    9,20%

    Mei

    9,20%

    Juni

    9,20%

    Juli

    9,20%

  • 3. Het bekostigingsbedrag, bedoeld in artikel 39 wordt uitbetaald in twee termijnen, te weten voor 41,7% in november 2020 en 58,3% in maart 2021.

  • 4. De bekostigingsbedragen, bedoeld in artikel 32, 33 en 34 worden telkens in één termijn uitbetaald.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 42. Besteding

De bijzondere en de aanvullende bekostiging, verstrekt op grond van deze regeling, kunnen worden besteed aan alle activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt aan de basisschool, speciale school voor basisonderwijs, een school voor speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een samenwerkingsverband PO, een samenwerkingsverband VO of een school als bedoeld in de WVO.

Artikel 43. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2. Deze regeling heeft betrekking op het schooljaar 2020–2021 en vervalt met ingang van 1 augustus 2030.

Artikel 44. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Eerste Regeling bekostiging personeel PO 2020–2021 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2020–2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

I. Algemeen

De personele bekostiging van scholen in het primair onderwijs wordt per schooljaar toegekend. In deze regeling worden voor het schooljaar 2020–2021 de daarvoor noodzakelijke prijzen en bedragen vastgesteld.

1.1 Wijzigingen ten opzichte van eerdere regelingen

De belangrijkste inhoudelijke wijziging in deze regeling ten opzichte van eerdere regelingen is het vervallen van de bijzondere bekostiging voor leerlingen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden. Het vervallen van deze bijzondere bekostiging is aangekondigd in de Eerste Regeling bekostiging personeel PO 2019–2020 en vaststelling bedragen voor ondersteuning van leerlingen in het PO en VO 2019–2020.

Met de komst van de nieuwe verdeelsystematiek voor de onderwijsachterstandsmiddelen (Stb. 2018, 334) zijn de schoolgewichten komen te vervallen. De bijzondere bekostiging voor leerlingen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden was gebaseerd op deze gewichten. Het artikel voor bijzondere bekostiging voor leerlingen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden is in 2006 opgenomen als overgangsregeling, omdat toen het aantal gewichten werd teruggebracht van vijf naar drie. Nu de gewichten verdwenen zijn, is ervoor gekozen om deze overgangsregeling te laten vervallen. Omdat de omvang van de bijzondere bekostiging is gebaseerd op peildatum 1 oktober 2018, en de gewichten op die datum nog bekend waren, was het mogelijk om dit artikel voor het schooljaar 2019–2020 voor een laatste keer toe te passen. Dit schooljaar, schooljaar 2020–2021, vervalt dit artikel. Jaarlijks werd er voor circa € 130.000 aanspraak op gemaakt door scholen. Dit budget is vanaf dit schooljaar toegevoegd aan het budget voor onderwijsachterstanden.

Van schooljaar 2015-2016 tot en met schooljaar 2019–2020 gold een overgangsregeling voor de invoering van passend onderwijs. De bedragen voor de overgangsregeling werden in eerdere regelingen geïndexeerd. Met ingang van schooljaar 2020–2021 is de overgangsregeling afgelopen. Het artikel dat zag op de indexatie van de bedragen voor de overgangsregeling is daarmee komen te vervallen.

2. Procedure vaststellen en wijzigen bedragen

2.1 Beperking van wijzigingen

De intentie is om wijzigingen in de bedragen binnen een schooljaar zoveel mogelijk te beperken. Dat komt de duidelijkheid en daarmee de stabiliteit van het financieel beleid van bevoegde gezagsorganen en scholen ten goede. Daarom worden de bedragen voor personele bekostiging en voor het budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid in eerste instantie in maart/april voorafgaande aan het schooljaar vastgesteld. Daarna kan in het begin van het schooljaar vanwege gewijzigde omstandigheden een aanpassing van de bedragen worden vastgesteld. De eventueel noodzakelijke aanpassingen van de bedragen gedurende het schooljaar worden daarna in principe “opgespaard” tot een definitieve vaststelling tegen het einde van het schooljaar.

2.2 Clustering van regelingen

Om het aantal regelingen beperkt te houden, zijn de verschillende bekostigingsregelingen in deze regeling samengebracht. In de onderhavige regeling worden naast de lumpsumbedragen daarom ook de bedragen voor het personeels- en arbeidsmarktbeleid vastgesteld.

Op grond van de WPO en de WEC kan de Minister bijzondere bekostiging voor personeelskosten toekennen aan scholen die zich in bijzondere omstandigheden bevinden. In deze regeling zijn de standaard bijzondere omstandigheden opgenomen op grond waarvan bijzondere bekostiging kan worden aangevraagd. Enige uitzondering hierop betreft de bijzondere bekostiging in verband met samenvoeging. Omdat de regeling hiervoor fors is uitgebreid, en een meerjarig karakter heeft gekregen, is deze opgenomen in een aparte regeling: de Regeling bijzondere bekostiging bij fusie en opheffing van scholen in het primair onderwijs en beleidsregel interpretatie samenvoeging in WPO en WEC.

De onderhavige regeling betreft de aanpassing van de bedragen aan het begin van het schooljaar 2020–2021.

3. Bijzondere omstandigheden

3.1 Algemeen

Het bevoegd gezag van scholen waar zich bijzondere situaties voordoen, kan op grond van artikel 123, tweede lid, WPO of artikel 120, tweede lid, WEC een verzoek indienen voor bijzondere bekostiging. Bijzondere omstandigheden kunnen zich voordoen aan scholen die in een schooljaar worden geconfronteerd met bijzondere situaties die niet zijn geregeld in hoofdstuk 5 van deze regeling. Daarbij wordt er op gewezen dat situaties die onder een of meerdere onderdelen van deze regeling vallen, maar niet aan alle bij dat onderdeel genoemde voorwaarden voldoen, in elk geval niet als klemmend zullen worden aangemerkt en derhalve niet voor bijzondere bekostiging in aanmerking gebracht zullen worden.

Bij het indienen van een aanvraag op grond van artikel 123, tweede lid, WPO of artikel 120, tweede lid, WEC dient rekening te worden gehouden met het volgende:

  • Uitgangspunt bij het toekenningbeleid is, dat basisscholen en scholen voor (v)so krachtens het Besluit bekostiging WPO respectievelijk het Besluit bekostiging WEC een op hun situatie toegesneden lumpsum krijgen toegekend, en dat slechts in uitzonderlijke situaties bijzondere bekostiging voor personeel en eventueel aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding wordt toegekend. Voor een goede beoordeling is het van belang dat aanvragen op de juiste wijze worden ingediend en dat indiening van overbodige aanvragen wordt voorkomen. Bezien wordt in hoeverre er sprake is van bijzondere omstandigheden en of de reguliere bekostiging niet toereikend geacht kan worden.

  • Verzoeken om meer bijzondere en aanvullende bekostiging voor het huidige schooljaar dan er voor het voorgaande schooljaar aan bijzondere bekostiging is toegekend, terwijl de omstandigheden gelijk zijn gebleven, worden in elk geval voor het meerdere afgewezen.

  • Indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk wordt toegekend ontvangt het bevoegd gezag bijzondere bekostiging met ingang van de maand volgend op de datum waarop de aanvraag is ontvangen.

  • Aan toegekende bijzondere bekostiging in voorgaande schooljaren kunnen geen rechten worden ontleend voor het schooljaar 2020–2021.

  • Verzoeken om bijzondere en aanvullende bekostiging op basis van een bepaalde peildatum (artikel 32, 33 en 34) die worden ingediend vóór bedoelde peildatum worden afgewezen, omdat dan de benodigde informatie niet kan worden vastgesteld.

  • Onvolledige aanvragen die niet binnen een door DUO te bepalen termijn zijn aangevuld, worden buiten behandeling gelaten.

  • Uiterlijk vier maanden na ontvangst van de aanvraag ontvangt de aanvrager een beschikking.

  • Aanvragen ontvangen na 1 juli 2021 worden afgewezen omdat deze aanvragen, gelet op de ingangsdatum bekostiging, niet leiden tot bekostiging in het schooljaar waarop de regeling van toepassing is.

Slechts in een zeer beperkt aantal gevallen kan bijzondere bekostiging voor personeelskosten worden toegekend. Alleen zeer uitzonderlijke situaties zullen als bijzonder worden aangemerkt.

3.2 Basisscholen

Niet ingewilligd worden in ieder geval verzoeken van basisscholen in verband met:

  • Aanwezigheid van nevenvestigingen: deze worden al bekostigd op grond van de WPO;

  • Bijzondere hoedanigheid van leerlingen: de bekostiging voor lichte en zware ondersteuning die de samenwerkingsverbanden ontvangen, wordt geacht daarin te voorzien. Wellicht ten overvloede wijs ik er op dat dit ook geldt voor leerlingen met autisme.

3.3 Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs

Niet ingewilligd worden in elk geval verzoeken van (v)so scholen in verband met:

  • Groei van het aantal leerlingen.

  • Bijzondere hoedanigheid van leerlingen: de hoedanigheid van de leerlingen is er op zichzelf juist de oorzaak van dat zij tot een (v)so-onderwijssoort zijn toegelaten. Ook het feit dat leerlingen afkomstig zijn uit een internaat vormt niet een zodanig verzwarende factor dat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 120, tweede lid, WEC. In het algemeen zal de problematiek van individuele leerlingen uiteenlopend kunnen zijn hetgeen niet specifiek voor één bepaalde (v)so-soort geldt. De beschikbare reguliere faciliteiten worden geacht voldoende ruimte te bieden om leerlingen de noodzakelijke individuele aandacht te geven.

  • Aanwezigheid van nevenvestigingen: het lumpsumbudget wordt geacht voldoende mogelijkheid te bieden om een op de situatie afgestemde schoolorganisatie te realiseren.

3.4 Aanvullende bekostiging voor materiële instandhouding

Basisscholen die op grond van artikel 123, tweede lid, WPO voor de periode van 1 augustus 2020 tot 1 augustus 2021 bijzondere bekostiging wordt toegewezen in verband met personeelskosten van extra leraren, komen met inachtneming van artikel 116, tweede lid, WPO tevens in aanmerking voor een aanvulling op de vergoeding materiële instandhouding. Voor zover deze bedragen niet zijn opgenomen in deze regeling, wordt bij de toekenning uitgegaan van € 2.096,98 per fte op jaarbasis. Het aantal fte’s wordt berekend door de toegekende bijzondere bekostiging te delen door de genormeerde gemiddelde personeelslasten van leraren als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b, van deze regeling en de uitkomst, na deling door de factor 1,0811, af te ronden op 4 decimalen. Deze aanvullende bekostiging wordt vastgesteld naar evenredigheid van de periode waarover de bijzondere bekostiging wordt toegekend en naar rato van de berekende fte’s.

3.5 Procedure

Het bevoegd gezag van de school dat meent dat zich een bijzondere situatie voordoet, kan een gemotiveerd verzoek indienen bij DUO/BEK onder vermelding van bijzondere bekostiging in verband met een bijzondere situatie. In de aanvraag wordt in ieder geval vermeld:

  • het BRIN-nummer van de school;

  • waarom de school (nog steeds) in bijzondere omstandigheden verkeert en waarom het lumpsumbudget ontoereikend is;

  • voor welke soort personeel de school bijzondere bekostiging vraagt en hoeveel fte’s;

  • bij eerdere toekenning op grond van dezelfde of vergelijkbare omstandigheden datum en kenmerk van die beschikking.

In de regeling wordt steeds verwezen naar het daarvoor beschikbaar gestelde formulier op www.duo.nl. Een aanvraag kan elektronisch worden ingediend via het formulier dat beschikbaar is na inloggen op het zakelijk portaal. Ook kan een schriftelijk verzoek worden ingediend.

4. Opbouw en werking van de regeling

Na hoofdstuk 1 (Algemene bepalingen) worden in hoofdstuk 2 per schoolsoort zowel de lumpsumbedragen vastgesteld, als de bedragen voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. Hoofdstuk 3 bevat de aan de samenwerkingsverbanden primair onderwijs te verstrekken lumpsumbedragen personeel voor lichte ondersteuning en de aan de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs te verstrekken lumpsumbedragen personeel én materieel voor zware ondersteuning. In hoofdstuk 4 staan de bedragen voor de instellingen cluster 1 en cluster 2. Hoofdstuk 5 bevat de bedragen en procedures voor de bijzondere bekostiging en in hoofdstuk 6 wordt het betaalritme bekend gemaakt. Hoofdstuk 7 bevat de slotbepalingen. Met de WPO, de WEC, het Besluit bekostiging WPO, het Besluit bekostiging WEC, de bedragen en de landelijk gewogen gemiddelde leeftijd die worden vastgesteld in deze regeling, het aantal leerlingen op de teldatum en de gewogen gemiddelde leeftijd van de school, kan per school het lumpsumbudget worden berekend.

5. Administratieve lasten

De wijzigingen betreffen alleen wijzigingen van prijzen en bedragen en leiden dus niet tot wijziging van administratieve lasten in vergelijking met eerdere regelingen. Het vervallen van bijzondere bekostiging voor leerlingen van wie de ouders een trekkend bestaan leiden leidt niet tot een wijziging in administratieve lasten, gelet op het feit dat dit een beperkte groep is en het slechts een beperkte administratieve handeling is.

6. Prijsaanpassingen

De opgenomen prijsaanpassingen ten opzichte van de voorlopig vastgestelde bedragen voor het schooljaar 2019–2020 betreffen de verwerking van de afspraken uit het convenant ‘extra geld voor werkdrukverlichting en tekorten onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020–2021’1 over de werkdrukmiddelen en individuele scholingsrechten. Het kabinet haalt eenmalig € 97 miljoen naar voren om te investeren in de verlaging van werkdruk in het primair onderwijs. Een speciaal deel hiervan is gereserveerd voor intensivering van de werkdrukmiddelen in het (voortgezet) speciaal onderwijs. Daarnaast is er voor de komende twee jaar in totaal € 21,2 miljoen vrijgemaakt voor individuele scholingsrechten, zoals dit ook binnen de sector vo is geregeld.

Ten opzichte van de voorlopig vastgestelde bedragen voor het schooljaar 2019–2020, is de aanpassing per 1 augustus 2020 voor de leraren, het onderwijsondersteunend personeel en de schoolleiding 0,115%. De aanpassing van alle bedragen personeels- en arbeidsmarktbeleid bedraagt 0,115%. Het bedrag per leerling voor personeel en arbeidsmarktbeleid is daarnaast verhoogd in verband met het versneld inzetten van de werkdrukmiddelen. Het bedrag per leerling in voor het basisonderwijs stijgt naar € 243,86 per leerling, het bedrag per leerling in het speciaal basisonderwijs stijgt naar € 365,79 per leerling en het bedrag per leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs stijgt naar € 487,72. Deze bedragen zijn onderdeel van het bedrag per leerling voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. Vanwege de correctie2 voor het in balans brengen van de verdeling van de éénmalige middelen voor verschillende onderwijssoorten uit de Regeling bijzondere en aanvullende bekostiging PO en VO 2019 daalt éénmalig het totale bedrag per leerling voor het basisonderwijs voor personeels- en arbeidsmarktbeleid ondanks de stijging van de werkdrukmiddelen met € 13,82 per leerling.

De opslag voor het Vervangingsfonds is per 1 augustus 2020 ongewijzigd vastgesteld op 4,026% van de loonkosten en ook de opslag voor het Participatiefonds is ongewijzigd vastgesteld op 1,00% van de loonkosten. De opslagen en percentages in de bekostiging worden normatief vastgesteld en komen daarom niet altijd overeen met de exacte kosten die individuele schoolbesturen op onderdelen moeten maken. Hiermee dient rekening gehouden te worden in de bedrijfsvoering.

II. Artikelsgewijs

Artikel 7, 14 en 19

Het bedrag per leerling voor personeel en arbeidsmarktbeleid is verhoogd in verband met het versneld inzetten van de werkdrukmiddelen. Het bedrag per leerling in voor het basisonderwijs stijgt naar € 243,86 per leerling, het bedrag per leerling in het speciaal basisonderwijs stijgt naar € 365,79 per leerling en het bedrag per leerling in het (voortgezet) speciaal onderwijs stijgt naar € 487,72. Deze bedragen zijn onderdeel van het bedrag per leerling voor personeels- en arbeidsmarktbeleid. Ondanks de stijging van de werkdrukmiddelen daalt het totale bedrag per leerling voor het basisonderwijs voor personeels- en arbeidsmarktbeleid met € 13,82 per leerling ten opzichte van de voorlopige bedragen voor schooljaar 2019–2020. Dit is vanwege de correctie voor het in balans brengen van de verdeling van de middelen voor verschillende onderwijssoorten uit de Regeling bijzondere en aanvullende bekostiging PO en VO 2019.

Artikel 9

Om bekostiging voor internationaal georiënteerd basisonderwijs te ontvangen moet een aanvraag zijn ontvangen voor 1 juli 2020. In de praktijk komt het voor dat een bevoegd gezag geen aanvraag, of een te late aanvraag, voor deze bekostiging indient op grond van artikel 9, eerste lid, van de regeling. Zonder aanvraag wordt geen besluit genomen en is er geen sprake van een initiële toekenning. Door deze wijziging kan een bevoegd gezag ook bekostiging voor de toename van het aantal leerlingen ontvangen, wanneer voor het schooljaar 2020–2021 nog geen toekenning is afgegeven.

Artikel 28

Dit artikel zorgt er voor dat in gevallen waarin een indieningstermijn eindigt in een weekend of een feestdag ook de aanvragen die op maandag bij DUO bezorgd worden nog als tijdig aangemerkt kunnen worden. Daarnaast is voor de peildata in de artikelen 32, 33 en 34 geregeld dat als deze in een weekend of op een feestdag vallen de eerstvolgende schooldag als peildatum gehanteerd kan worden. Op een zaterdag, zondag en feestdagen kunnen namelijk geen nieuwe leerlingen worden ingeschreven.

Artikel 29 tot en met 35 en 37

Het bevoegd gezag hoeft alleen de gevraagde aantallen en gegevens op te sturen naar DUO. Het is niet de bedoeling om persoonsgegevens als bijlage mee te sturen. De in de regeling genoemde bewijsstukken worden bewaard in de eigen schooladministratie.

Artikel 30

Voor de bijzondere bekostiging van aanwezigheid van leerlingen met een culturele achtergrond van Roma en Sinti is geregeld dat er in de leerlingenadministratie een ouderverklaring over de culturele achtergrond van het kind aanwezig moet zijn. Dit ouderverklaringsformulier is via www.duo.nl beschikbaar gesteld. De regeling is zo aangepast dat naast het ouderverklaringsformulier ook het aanmeldformulier van de school gebruikt mag worden als bewijsstuk voor een aanvraag voor bijzondere bekostiging voor aanwezigheid van kinderen met een culturele achtergrond van de Roma en Sinti. Via www.duo.nl is een formulier met een voorbeeld voor een op te nemen passage in het aanmeldformulier beschikbaar gesteld.

Artikel 31

De bijzondere bekostiging op grond van dit artikel wordt uitsluitend bepaald op basis van het aantal nieuw ingeschreven leerlingen uit een ‘Blijf van mijn lijf huis’. De toe te kennen bijzondere bekostiging wordt vanaf 10 leerlingen gebaseerd op 0,2 fte (exclusief adv) en voor iedere 10 leerlingen meer, 0,1 fte extra.

Artikel 32 tot en met 34

De in deze artikelen genoemde bewijsstukken zijn bedoeld om de opgegeven datum van binnenkomst in Nederland aan te kunnen tonen indien er een controle wordt uitgevoerd. Als bewijsstuk kan gedacht worden aan een beschikking van de Minister van Justitie en Veiligheid op grond van artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000, een rapportage van de Immigratie- en Naturalisatiedienst of een registratieformulier van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers.

Artikel 36

Om als vestiging verbonden aan een GJI-instelling voor bijzondere bekostiging op basis van dit artikel in aanmerking te komen dienen op de vestiging alleen leerlingen van de betrokken GJI-instelling ingeschreven te zijn. Indien ook andere leerlingen op deze vestiging zijn ingeschreven, wordt de vestiging geacht niet te voldoen aan de voorwaarden in dit artikel.

Artikel 37

In de brief Voortgang onderwijs-zorg van 30 oktober 20193 is aangekondigd dat het beschikbare budget voor leerlingen met een ernstig meervoudige beperking in de jaren 2020, 2021 en 2022 tijdelijk wordt verhoogd met € 5 miljoen. Voor schooljaar 2020–2021 is er € 10 miljoen beschikbaar.

Artikel 39

De middelen voor de prestatiebox worden in schooljaar 2020–2021 voor het laatst onder de huidige voorwaarden beschikbaar gesteld. In het bedrag is per leerling een bedrag van € 15,82 opgenomen voor cultuureducatie.

Artikel 42

Gelet op artikel 9.1, derde lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS wordt in artikel 42 van deze regeling bepaald dat de op grond van deze regeling verstrekte bekostiging vrij besteedbaar is (binnen de doelen waarvoor bekostiging aan de school wordt verstrekt). Dit is in lijn met het lumpsum-principe. Verantwoording vindt plaats overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Kamerstukken II 2019/20, 31 293, nr. 488.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2019/20, 31 497, nr. 334.