Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2019, 70088Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 december 2019, nr. 2019-0000139944, tot het verstrekken van subsidies in het kader van leren en ontwikkelen in het mkb en in het grootbedrijf in de sectoren landbouw, horeca en recreatie (Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvraagtijdvak:

een tijdvak waarin aanvragen voor subsidie op grond van deze regeling kunnen worden ingediend;

beroepsopleiding in de derde leerweg:

beroepsopleiding als bedoeld in artikel 1.4.1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

brancheorganisatie:

een organisatie opgericht voor 1 januari 2020, die het doel van de regeling blijkens de statuten onderschrijft en de belangen behartigt van leden die tot eenzelfde bedrijfstak behoren;

brutoloon:

bruto salaris, inclusief eindejaarsuitkering of een beloning in de vorm van een dertiende maand, zijnde een vast bedrag of vastgesteld percentage van het salaris, dat werkenden als extra loon ontvangen, voor zover dit is geregeld in de geldende collectieve arbeidsovereenkomst of arbeidsovereenkomst, exclusief vakantiegeld, exclusief overige vergoedingen, bijzondere beloningen, winst- of prestatieafhankelijke uitkeringen en aanvullende werkgeverslasten;

de-minimisverklaring:

verklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352);

erkend leerbedrijf:

een erkend bedrijf of erkende organisatie als bedoeld in artikel 7.2.10 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

grootbedrijf:

een onderneming waar 250 personen of meer werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

initiatief:

een activiteit of reeks van activiteiten die leidt tot het stimuleren van leren en ontwikkelen in een mkb-onderneming of in een grootbedrijf in de landbouw-, horeca- of recreatiesector en dat gesubsidieerd wordt door deze regeling;

kaderregeling:

de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

kleine onderneming:

een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal € 10 miljoen niet overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

landbouw-, horeca- of recreatiesector:

sectoren die vallen onder een van de codes van de Standaard Bedrijfsindeling van het CBS, opgenomen in de bijlage bij deze regeling;

landbouwbedrijven:

ondernemingen die vallen onder het toepassingsgebied van artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 (PbEU 2013, L 352);

middelgrote onderneming:

een onderneming, niet zijnde een kleine onderneming, waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt, berekend over het laatst afgesloten boekjaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag;

minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

mkb-onderneming:

een kleine of middelgrote onderneming;

O&O-fonds:

een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

onderwijsinstelling:

een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1, onderdeel b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of artikel 1.1, onderdeel g, van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

praktijkleerplaats:

tijdsduur gedurende welk een bedrijf of organisatie onderricht in de praktijk van het beroep voor een leerling, deelnemer of student verzorgt op grond van een praktijkleerovereenkomst;

praktijkleerovereenkomst:

een overeenkomst als bedoeld in artikel 7.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek of artikel 10b3 van de Wet op het voorgezet onderwijs, dan wel stage-overeenkomst als bedoeld in artikel 9 van het Onderwijskundig besluit WEC, respectievelijk artikel 35 van het Inrichtingsbesluit WVO;

initiatiefperiode:

periode tussen het tijdstip waarop een initiatief start en wordt beëindigd;

samenwerkingsverband:

een bij overeenkomst vastgelegde samenwerking tussen ten minste twee mkb-ondernemingen eventueel aangevuld met een of meer organisaties waarbij iedere partij van het samenwerkingsverband een activiteit, vastgelegd in het activiteitenplan, uitvoert en geen van de partijen meer dan 80% van de kosten van de samenwerking draagt;

subsidieaanvrager:

de aanvrager van een subsidie op grond van deze regeling;

werkenden:

alle in de onderneming werkzame personen;

werkgeversvereniging:

een vereniging van werkgevers met volledige rechtsbevoegdheid, die ten tijde van de subsidieaanvraag partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie;

werknemersvereniging:

vereniging van werknemers met volledige rechtsbevoegdheid, niet zijnde zelfstandigen zonder personeel, die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel bij afwezigheid daarvan bij de laatst geldende collectieve arbeidsovereenkomst of collectieve arbeidsvoorwaardenregeling.

Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling en benodigde formulieren

  • 1. Op het aanvragen en verstrekken van subsidies op grond van deze regeling is de kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1, van toepassing.

  • 2. De formulieren, modellen en formats waarnaar in deze regeling wordt verwezen, zijn door de minister elektronisch beschikbaar gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3. Doel van de regeling

Het doel van deze regeling is om door middel van subsidie een bijdrage te leveren aan initiatieven in mkb-ondernemingen en in grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector, gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

  • 1. De minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor het bekostigen van onderstaande activiteiten die uiting geven aan het doel van deze regeling:

    • a. de doorlichting van de onderneming uitmondend in een opleidings- of ontwikkelplan gericht op het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming;

    • b. het verkrijgen van loopbaan- of ontwikkeladviezen ten behoeve van werkenden in de onderneming, of in geval van een samenwerkingsverband werkenden in andere mkb-ondernemingen;

    • c. het ondersteunen en begeleiden bij het ontwikkelen of invoeren van een methode in de onderneming die werkenden in de onderneming stimuleert hun kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen tijdens het werk; of

    • d. het gedurende enige tijd bieden van praktijkleerplaatsen ten behoeve van een beroepsopleiding of een deel daarvan in de derde leerweg bij een erkend leerbedrijf.

  • 2. Een initiatief bestaande uit een activiteit als bedoeld onder onderdeel a, b en c, komt alleen voor subsidie in aanmerking indien de subsidiabele kosten ten minste € 5.000 bedragen.

Artikel 5. Aanvraagtijdvak

Een subsidieaanvraag kan jaarlijks bij de minister worden ingediend in de volgende tijdvakken:

  • a. voor aanvragen op grond van hoofdstuk 2, van 2 maart 12:00 uur tot en met 31 maart 17:00 uur en van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur;

  • b. voor aanvragen op grond van de hoofdstukken 3 of 4, van 1 april 09:00 uur tot en met 30 juni 17:00 uur.

Artikel 6. Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 2 bedraagt voor het jaar 2020:

    • a. € 15 miljoen voor het tijdvak van 2 maart 12:00 uur tot en met 31 maart 17:00 uur;

    • b. € 14,5 miljoen voor het tijdvak van 1 september 09:00 uur tot en met 30 september 17:00 uur.

  • 2. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 3 bedraagt voor het jaar 2020 € 17,5 miljoen.

  • 3. Het subsidieplafond voor subsidies op grond van hoofdstuk 4 bedraagt voor het jaar 2020 € 1,2 miljoen.

  • 4. Voor latere jaren stelt de minister telkens voor 1 januari het subsidieplafond vast.

Artikel 7. Subsidieaanvraag

  • 1. In de subsidieaanvraag wordt onder meer vermeld:

    • a. een beschrijving van het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • b. het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

    • c. de startdatum van het initiatief, de verwachte datum van afronding van het initiatief en een planning van de te ondernemen activiteiten.

  • 2. De subsidieaanvrager dient de subsidieaanvraag in door middel van een elektronisch aanvraagformulier getekend door een functionaris, bevoegd om namens de subsidieaanvrager te handelen, en vergezeld van een activiteitenplan en begroting.

  • 3. De subsidieaanvrager dient een de-minimisverklaring in. Indien sprake is van een samenwerkingsverband, is een de-minimisverklaring van alle partijen van het samenwerkingsverband vereist.

  • 4. Voor de opzet van het activiteitenplan wordt in het daarvoor geldende format, onverminderd artikel 3.4 van de kaderregeling, in ieder geval opgenomen:

    • a. op welke wijze het initiatief bijdraagt aan het in artikel 3 omschreven doel;

    • b. of en in hoeverre andere partijen betrokken en geconsulteerd zijn;

    • c. op welke wijze het initiatief wordt geëvalueerd;

    • d. waarom subsidiëring vanuit de rijksoverheid in de gevraagde omvang noodzakelijk is.

  • 5. Per aanvraagtijdvak kan er één subsidieaanvraag worden ingediend door dezelfde subsidieaanvrager.

  • 6. Een subsidieaanvraag kan bestaan uit meerdere activiteiten.

  • 7. Voor zover de subsidieaanvrager voor dezelfde begrote kosten of een deel daarvan ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon, doet hij daarvan mededeling in de subsidieaanvraag, onder vermelding van de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

  • 8. Door het indienen van een aanvraag stemt de subsidieaanvrager ermee in dat het subsidiedossier, met uitzondering van persoonsgegevens, openbaar wordt gemaakt.

Artikel 8. Rangschikking behandeling subsidieaanvragen

  • 1. Bij overschrijding van een subsidieplafond als bedoeld in artikel 6, wordt na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.

  • 2. Alleen volledige subsidieaanvragen worden in behandeling genomen.

  • 3. Onvolledige subsidieaanvragen worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.

Artikel 9. Beschikking tot subsidieverlening

  • 1. Op een subsidieaanvraag wordt binnen 18 weken beslist. De subsidieaanvraag wordt beoordeeld op grond van de voorwaarden, bedoeld in artikel 7, en voor zover sprake is van een samenwerkingsverband de eisen, bedoeld in artikel 21.

  • 2. De minister kan zich voor de beoordeling van de aanvraag laten adviseren door externe partijen.

  • 3. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt in ieder geval het initiatief waarvoor subsidie wordt verleend, het subsidiebedrag en de start- en einddatum van het initiatief.

  • 4. In geval van een samenwerkingsverband vermeldt de beschikking tot subsidieverlening, in aanvulling op het derde lid, de partijen van het samenwerkingsverband en de verdeling van het subsidiebedrag van de partijen in het samenwerkingsverband.

Artikel 10. Weigeringsgronden

Onverminderd artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht kan de subsidie in ieder geval geheel of gedeeltelijk worden geweigerd, indien:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde eisen;

  • b. de beoogde initiatieven en resultaten onvoldoende meetbaar zijn geformuleerd;

  • c. de subsidieaanvraag ziet op een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende of beroepsopleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • d. de haalbaarheid van de beoogde aanpak onvoldoende aannemelijk is gemaakt;

  • e. de evaluatieopzet onvoldoende of ongeschikt is om de effectiviteit en bruikbaarheid van een initiatief te kunnen beoordelen;

  • f. een initiatief niet uitvoerbaar is binnen bestaande wet- en regelgeving;

  • g. onvoldoende is aangetoond dat subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • h. op grond van deze regeling binnen een aanvraagtijdvak reeds subsidie is verleend voor een soortgelijk of vergelijkbaar initiatief ten behoeve van dezelfde onderneming of hetzelfde samenwerkingsverband;

  • i. er geen de-minimisverklaring is afgegeven;

  • j. de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat een subsidieplafond als bedoeld in artikel 6 wordt overschreden; of

  • k. de subsidieaanvraag ziet op het ontwikkelen van een initiatief niet bedoeld voor werkenden in de onderneming maar voor commerciële doeleinden.

Artikel 11. Looptijd

  • 1. Een initiatief voor subsidies op grond van hoofdstuk 2 wordt afgerond binnen een periode van 12 maanden.

  • 2. Een initiatief voor subsidies op grond van de hoofdstukken 3 of 4 wordt afgerond binnen een periode van 24 maanden.

  • 3. Een initiatief kan pas aanvangen na ontvangst van de volledige subsidieaanvraag en wordt uitgevoerd binnen de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde initiatiefperiode.

  • 4. De looptijd, bedoeld in het eerste of tweede lid, vangt aan 3 maanden na de subsidieverlening, hetgeen is vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 12. Subsidiabele kosten

  • 1. Voor de subsidie van initiatieven als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, komen de volgende kosten in aanmerking:

    • a. externe kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van een subsidiabel initiatief;

    • b. directe loonkosten van de personen die zich in het bedrijf van de subsidieaanvrager of een van de partijen van het samenwerkingsverband bezighouden met de uitvoering van het initiatief, berekend op basis van het brutoloon van die personen en vermeerderd met een opslag van 32%, naar rato van individuele gerealiseerde uren en uitgaande van 1.720 werkbare uren op jaarbasis; en

    • c. een toeslag van 15% op de onder a en b bedoelde kosten ter subsidiëring van overige gemaakte kosten.

  • 2. De kosten zijn, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, door de subsidieaanvrager daadwerkelijk gemaakt en betaald, ten laste van het initiatief gebleven en rechtstreeks aan het initiatief toe te rekenen.

  • 3. Voor externe opdrachten wordt de marktconformiteit van de kosten bepaald door:

    • a. een offerteprocedure waarbij ten minste drie offertes zijn aangevraagd en beoordeeld door de subsidieaanvrager, indien deze kosten meer bedragen dan € 50.000; of

    • b. een transparante, objectieve en niet-discriminatoire aanbestedingsprocedure.

  • 4. Voor kosten van een externe adviseur met een uurtarief lager dan € 125 per uur exclusief btw is een offerteprocedure als bedoeld in het derde lid niet vereist. Een hoger tarief dient met een offerteprocedure te worden aangetoond, ongeacht de waarde van de opdracht.

  • 5. In afwijking van het eerste lid zijn kosten gemaakt door verbonden organisaties, samenwerkingspartners in het samenwerkingsverband of organisaties die worden vertegenwoordigd in het bestuur van de subsidieaanvrager of in het bestuur van een samenwerkingspartner, slechts subsidiabel op basis van directe loonkosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en de toeslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c.

  • 6. Onder een verbonden organisatie als bedoeld in het vijfde lid wordt verstaan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisatie:

    • a. waarop de subsidieontvanger, dan wel een bij het project betrokken partij, direct of indirect een overheersende invloed kan uitoefenen;

    • b. die direct of indirect een overheersende invloed op de subsidieontvanger, dan wel op een bij het project betrokken partij, kan uitoefenen; of

    • c. die, tezamen met de subsidieontvanger, dan wel met een bij het project betrokken partij, direct of indirect onderworpen is aan de overheersende invloed van een andere organisatie uit hoofde van eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde voorschriften.

  • 7. Overheersende invloed als bedoeld in het zesde lid wordt vermoed, indien een organisatie direct of indirect, ten opzichte van een andere organisatie:

    • a. de meerderheid van het geplaatste kapitaal van de organisatie bezit;

    • b. over de meerderheid van de stemmen beschikt die aan de door de organisatie uitgegeven aandelen zijn verbonden; of

    • c. meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de organisatie kan benoemen.

Artikel 13. Niet subsidiabele kosten

Met betrekking tot de initiatieven, bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, komen niet voor subsidie in aanmerking:

  • a. onredelijk en niet noodzakelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het initiatief of een onderdeel daarvan;

  • b. loonverletkosten, zijnde de loonkosten van werkenden voor niet-productieve uren als gevolg van deelname aan subsidiabele activiteiten, voor zover die hebben geleid tot een vermindering van de werkbare uren voor de ondernemer;

  • c. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten, zijnde alle niet directe kosten waaronder begrepen de kosten van administratie en beheer;

  • d. kosten gemaakt buiten de initiatiefperiode;

  • e. kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege;

  • f. externe kosten waarvoor geen factuur kan worden overgelegd;

  • g. kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken;

  • h. opleidingskosten; of

  • i. btw.

Artikel 14. Subsidiabele vergoeding praktijkleerplaatsen

  • 1. De subsidie, bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel d, is een tegemoetkoming in de kosten die een ondernemer voor dit doel maakt.

  • 2. De subsidiabele vergoeding wordt verleend naar rato van het aantal weken dat de leerling, deelnemer of student bij de beroepspraktijkvorming aanwezig is geweest, met een maximum van 40 weken en € 2.700 per jaar.

Artikel 15. Administratievoorschriften

  • 1. De subsidieaanvrager houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het subsidiabele initiatief en de in verband daarmee gedane uitgaven en gerealiseerde opbrengsten. Deze administratie bestaat uit een financiële administratie en een administratie van de deelnemers per activiteit waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken. Deze administratie is voor controle beschikbaar op een voor de subsidieontvanger vrij toegankelijke locatie.

  • 2. De administratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties in termen van deelnemers dan wel in termen van geleverde producten of diensten.

  • 3. De financiële administratie geeft inzicht in de gemaakte subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan de maatregelen van het initiatief worden toegerekend. De financiële administratie bevat in ieder geval de opdrachtbevestiging, facturen en betaalbewijzen van externe opdrachten en in het geval van directe loonkosten een onderbouwing van de bestede uren.

  • 4. De financiële administratie bevat een bijlage met een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project, onder vermelding van de activiteiten waaraan is deelgenomen.

  • 5. De deelnemersadministratie geeft inzicht in de verrichte activiteiten en behaalde resultaten per individuele deelnemer.

  • 6. In aanvulling op het eerste tot en met het vijfde lid, bevat de administratie van de subsidieaanvrager ten minste, indien het betreft een subsidieaanvraag voor een activiteit als bedoeld in:

    • a. artikel 4, eerste lid, onderdeel a, het opleidings- of ontwikkelplan dat voortkomt uit de doorlichting;

    • b. artikel 4, eerste lid, onderdeel b, de loopbaanscan of het ontwikkeladvies waarin de uitkomsten van het uitgevoerde traject zijn beschreven, getekend door de adviseur en de deelnemer;

    • c. artikel 4, eerste lid, onderdeel c, de met de gerealiseerde methode gemoeide producten;

    • d. artikel 4, eerste lid, onderdeel d:

      • 1°. een praktijkleerovereenkomst, die door alle noodzakelijke partijen is getekend en waaruit onder andere blijkt hoe de begeleiding heeft plaatsgevonden en welk deel van de leerdoelen, de kwaliteiten of kwalificaties in de beroepsvorming bij de ondernemer zijn behaald;

      • 2°. een administratie waaruit de begeleiding van de leerling, deelnemer of student blijkt en de wijze waarop de leerling, deelnemer of student heeft deelgenomen aan de praktijkleerplaats bij de beroepsopleiding in de derde leerweg.

  • 7. De subsidieontvanger verstrekt desgevraagd aan door de minister daartoe aangewezen instanties inzage in- of informatie uit de administratie.

Artikel 16. Rapportageverplichting

Voor zover het initiatief waarvoor subsidie wordt verleend een periode van meer dan twaalf maanden omvat, wordt door de subsidieaanvrager, uiterlijk acht weken na afloop van de eerste twaalf maanden, een tussentijds voortgangsverslag aan de minister overgelegd onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEVERLENING AAN HET MKB

Artikel 17. Aanvraaggerechtigde

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een mkb-onderneming.

Artikel 18. Subsidiebedrag en subsidiabele kosten

  • 1. De subsidie die wordt verleend voor een van de in artikel 4 genoemde initiatieven bedraagt minder dan € 25.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.

  • 2. Voor initiatieven als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, bedraagt de subsidie:

    • a. voor een kleine onderneming: 80% van de subsidiabele kosten;

    • b. voor een middelgrote onderneming: 60% van de subsidiabele kosten.

HOOFDSTUK 3 SUBSIDIEVERLENING AAN SAMENWERKINGSVERBANDEN

Artikel 19. Aanvraaggerechtigde

  • 1. Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door de hoofdaanvrager van het samenwerkingsverband.

  • 2. Onder hoofdaanvrager wordt verstaan een mkb-onderneming, brancheorganisatie, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging, die gemachtigd is om de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

Artikel 20. Subsidiebedrag

  • 1. De subsidie die wordt verleend voor een van de in artikel 4 genoemde initiatieven bedraagt maximaal € 500.000, waarbij geen enkele partij van het samenwerkingsverband aanspraak kan maken op € 200.000 of meer.

  • 2. Landbouwbedrijven die deelnemen aan een samenwerkingsverband kunnen, in afwijking van het eerste lid, aanspraak maken op een subsidie van maximaal € 20.000.

  • 3. Voor initiatieven als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.

Artikel 21. Specifieke eisen subsidieaanvraag en administratie samenwerkingsverbanden

  • 1. In aanvulling op artikel 7 bestaat de subsidieaanvraag voor samenwerkingsverbanden uit:

    • a. de samenwerkingsovereenkomst van het samenwerkingsverband, ondertekend door alle partijen die onderdeel uitmaken van het samenwerkingsverband, vergezeld van een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de subsidieaanvrager gemachtigd is de andere partijen in het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen; en

    • b. een begroting waaruit de verdeling van kosten tussen de partijen in het samenwerkingsverband volgt.

  • 2. De hoofdaanvrager is verantwoordelijk voor de administratievoorschriften van alle partijen in het samenwerkingsverband.

HOOFDSTUK 4 SUBSIDIEVERLENING AAN GROOTBEDRIJVEN IN DE LANDBOUW- HORECA- OF RECREATIESECTOR

Artikel 22. Aanvraaggerechtigde

Subsidie op grond van dit hoofdstuk wordt aangevraagd door een grootbedrijf in de landbouw-, horeca- of recreatiesector.

Artikel 23. Subsidiebedrag

  • 1. De subsidie die wordt verleend voor een van de in artikel 4 genoemde initiatieven bedraagt maximaal € 200.000, met uitzondering van landbouwbedrijven, waarvoor een maximum geldt van € 20.000.

  • 2. Voor initiatieven als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c, bedraagt de subsidie 60% van de subsidiabele kosten.

HOOFDSTUK 5 SUBSIDIEVASTSTELLING

Artikel 24. Einddeclaratie en subsidievaststelling

  • 1. De subsidieaanvrager dient middels een elektronisch formulier binnen 22 weken na afloop van de periode van het initiatief, vastgelegd in de subsidieverlening, een verzoek tot vaststelling van subsidie in bij de minister, waarin onder andere is opgenomen een verslag van de uitgevoerde activiteiten en een overzicht van de kosten per activiteitmiddels een voorgeschreven format.

  • 2. Indien de verleende subsidie meer bedraagt dan € 25.000, bevat het verzoek tot vaststelling, in aanvulling op het eerste lid, een evaluatieverslag als bedoeld in artikel 26.

  • 3. Indien de verleende subsidie meer bedraagt dan € 125.000, bevat het verzoek tot vaststelling, in aanvulling op het eerste lid, uit een controleverklaring inclusief een rapport van feitelijke bevindingen omtrent de naleving van de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen door de subsidieaanvrager, opgesteld door een accountant overeenkomstig een door de minister vastgesteld model met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol.

  • 4. Indien bij het indienen, dan wel bij het controleren van de einddeclaratie blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de laatst afgegeven beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

  • 5. De subsidieaanvrager kan tot twee maanden voor het aflopen van het initiatief een verzoek tot wijziging van de subsidieverlening indienen.

  • 6. De minister beslist binnen 22 weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 25. Intrekking en terugvordering

  • 1. Onverminderd artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

    • a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten;

    • b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd; of

    • c. binnen drie maanden na de beschikking tot subsidieverlening, geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van de maatregelen uit het initiatief.

  • 2. De beschikking tot subsidieverlening of de beschikking tot subsidievaststelling kan, in afwijking van het eerste lid, gedeeltelijk worden ingetrokken indien er naar het oordeel van de minister geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

  • 3. Indien de beschikking tot subsidievaststelling geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de subsidieaanvrager teruggevorderd.

Artikel 26. Evaluatie van de initiatieven

  • 1. De subsidieaanvrager draagt zorg voor de evaluatie van de uitvoering van het initiatief op grond van deze regeling en het bereik, de doeltreffendheid en doelmatigheid daarvan.

  • 2. Het evaluatieverslag wordt gelijktijdig met de aanvraag tot subsidievaststelling aan de minister aangeboden.

  • 3. Het evaluatieverslag omvat in ieder geval:

    • a. een beschrijving van het uitgevoerde initiatief;

    • b. een beschrijving van het implementatie- en uitvoeringsproces en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan; en

    • c. een overzicht van de bereikte resultaten.

HOOFDSTUK 6. SLOTBEPALINGEN

Artikel 27. Evaluatie van de regeling

  • 1. De minister draagt zorg voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling.

  • 2. De subsidieaanvrager werkt mee aan door of namens de minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor de evaluatie van de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze regeling en de ontwikkeling van het beleid van de minister. De subsidieaanvrager verstrekt in dat kader de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden.

Artikel 28. Inwerkingtreding

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang 1 januari 2020 en vervalt met ingang van 1 januari 2025.

  • 2. In afwijking van het eerste lid blijft deze regeling, zoals die luidde op 31 december 2024, van toepassing op de afwikkeling van verleende subsidies op grond van deze regeling.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector.

Deze regeling zal met toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 16 december 2019

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees

BIJLAGE, BEHOREND BIJ ARTIKEL 1, STIMULERINGSREGELING VOOR LEREN EN ONTWIKKELEN IN MKB-ONDERNEMINGEN EN SPECIFIEK VOOR DE GROOTBEDRIJVEN IN DE LANDBOUW-, HORECA- OF RECREATIESECTOR.

Lijst met SBI-codes voor landbouw-, horeca- en recreatiesector.

Landbouw (branche A. Landbouw, bosbouw en visserij; subbranche 01. Landbouw, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht):

011 Teelt van eenjarige gewassen

0111 Teelt van granen, peulvruchten en oliehoudende zaden

0113 Teelt van groenten en wortel- en knolgewassen

01131 Teelt van groenten in volle grond

01132 Teelt van groenten onder glas

01133 Teelt van paddenstoelen

01134 Teelt van aardappels en overige wortel- en knolgewassen

0116 Teelt van vezelgewassen

0119 Teelt van overige eenjarige gewassen

01191 Teelt van snijbloemen en snijheesters in de volle grond

01192 Teelt van snijbloemen en snijheesters onder glas

01193 Teelt van voedergewassen

01199 Teelt van overige eenjarige gewassen (rest)

012 Teelt van meerjarige gewassen

0121 Teelt van druiven

0124 Teelt van pit- en steenvruchten

01241 Teelt van appels en peren

01242 Teelt van steenvruchten

0125 Teelt van overige boomvruchten, kleinfruit en noten

01251 Teelt van aardbeien in de volle grond

01252 Teelt van aardbeien onder glas

01253 Teelt van houtig klein fruit in de volle grond (incl. overige boomvruchten en noten)

01254 Teelt van houtig klein fruit onder glas

0127 Teelt van gewassen bestemd voor de vervaardiging van dranken

0128 Teelt van specerijgewassen en van aromatische en medicinale gewassen

0129 Teelt van overige meerjarige gewassen

013 Teelt van sierplanten

0130 Teelt van sierplanten

01301 Teelt van bloembollen

01302 Teelt van perkplanten in de volle grond

01303 Teelt van perkplanten onder glas

01304 Teelt van potplanten onder glas

01305 Teelt van boomkwekerijgewassen in de volle grond

01309 Teelt van overige sierplanten in de volle grond

01411 Houden van melkvee

01412 Opfokken van jongvee voor de melkveehouderij

01421 Houden van vleeskalveren

01422 Overige vleesveehouderij en zoogkoeienbedrijven

0143 Fokken en houden van paarden en ezels

01451 Fokken en houden van schapen

01452 Fokken en houden van geiten

01461 Fokvarkens- en vermeerderingsbedrijven

01462 Vleesvarkensbedrijven

01463 Gesloten en deels gesloten varkensbedrijven

01471 Opfokken en/of houden van leghennen

01472 Opfokken en/of houden van vleeskuikens

01473 Opfokken en/of houden van ouderdieren van leghennen en vleeskuikens

01479 Opfokken en/of houden van overig pluimvee

01491 Fokken en houden van edelpelsdieren

01499 Fokken en houden van overige dieren (rest)

0150 Akker- en/of tuinbouw in combinatie met het fokken en houden van dieren

0161 Dienstverlening voor de akker- en/of tuinbouw

0162 Dienstverlening voor het fokken en houden van dieren

0163 Behandeling van gewassen na de oogst

0164 Behandeling van zaden voor vermeerdering

0170 Jacht

8130 Landschapsverzorging

Horeca (branche I. Logies-, maaltijd en drankverstrekking; subbranches 55. Logiesverstrekking en 56. Eet- en drinkgelegenheden):

551 Hotels e.d.

5510 Hotels e.d.

55101 Hotel-restaurants

55102 Hotels (geen hotel-restaurants), pensions en conferentieoorden

552 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen

5520 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen; jeugdherbergen en vakantiekampen

55201 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen

55202 Jeugdherbergen en vakantiekampen

553 Kampeerterreinen

5530 Kampeerterreinen

559 Overige logiesverstrekking

5590 Overige logiesverstrekking

561 Restaurants, cafetaria’s e.d.

5610 Restaurants, cafetaria’s e.d. en ijssalons

56101 Restaurants

56102 Fastfoodrestaurants, cafetaria’s, ijssalons, eetkramen e.d.

562 Kantines en catering

5621 Eventcatering

5629 Kantines en contractcatering

85321 Middelbaar beroepsonderwijs

563 Cafés

5630 Cafés

Recreatie (branche R. Cultuur, sport en recreatie; subbranche 93 Sport en recreatie):

55201 Verhuur van vakantiehuisjes en appartementen

932 Overige recreatie

9321 Pret- en themaparken; kermisattracties

93211 Pret- en themaparken

93212 Kermisattracties

9329 Overige ontspanning en recreatie (rest)

93291 Jachthavens

93299 Overige recreatie (rest) (geen jachthavens)

94993 Steunfondsen (geen steunfondsen op het gebied van welzijnszorg)

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Aanleiding

Door de veranderingen op de arbeidsmarkt is een leven lang ontwikkelen (LLO) van steeds groter belang. Mensen moeten langer doorwerken door de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd en banen veranderen razendsnel door technologische ontwikkelingen. Voor zowel ondernemers als werkenden is het belangrijk om hierop te anticiperen. Het is voor ondernemers van belang te weten welke kennis en vaardigheden nodig zijn voor de continuïteit en groei van het bedrijf, en wat dat nu en in de toekomst vraagt van medewerkers. Daartoe kunnen ondernemers investeren in het creëren van een positieve leercultuur en een leerrijke werkomgeving. Dit zorgt ervoor dat zij hun onderneming of instelling toekomstbestendig behouden, aantrekkelijk zijn voor nieuw personeel en dat medewerkers inzetbaar en productief blijven. Alleen op deze manier kan worden meegegaan op de dynamische arbeidsmarkt.

In het mkb ontbreekt het regelmatig aan tijd, geld, kennis of capaciteit om zich te richten op de toekomstbestendigheid van de onderneming en het op peil houden van de kennis en vaardigheden van de werkenden in de onderneming. LLO is in het mkb dan ook minder sterk ontwikkeld dan bij grotere bedrijven.1 Om het mkb klaar te maken en te houden voor de veranderingen op de arbeidsmarkt, stelt de minister jaarlijks € 48 miljoen beschikbaar via deze Stimuleringsregeling voor leren en ontwikkelen in mkb-ondernemingen en specifiek voor de grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector (SLIM-regeling), zoals gevraagd tijdens de behandeling van de Wet arbeidsmarkt in Balans (Wab) in de motie Wiersma c.s.2 Met deze middelen kunnen mkb-ondernemers (verder) investeren in de ontwikkeling van LLO binnen hun bedrijf.

Ook in bepaalde sectoren is het lastiger dan in andere sectoren om te investeren in de ontwikkeling van LLO. De landbouw-, horeca- en recreatiesector kenmerken zich door seizoensarbeid en flexibele arbeidsrelaties. Door ondernemers in deze sectoren wordt in het algemeen minder vaak geïnvesteerd in de scholing en ontwikkeling van flexibele werkenden dan in werkenden met een duurzame arbeidsrelatie. Om het ook in deze sectoren mogelijk te maken om een leercultuur te creëren en het juiste personeel te vinden, wordt er middels de SLIM-regeling en een wijziging in de Subsidieregeling praktijkleren voor vijf jaar 12 miljoen extra geïnvesteerd in de landbouw, horeca en recreatiesector. Deze middelen zijn vrijgekomen naar aanleiding van de motie Heerma c.s.3 De wijziging van de Subsidieregeling praktijkleren worden niet meegenomen in deze regeling, maar wordt wel op hoofdlijnen toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.4

2. Probleembeschrijving

LLO in Nederland

Nederland doet het in internationaal opzicht goed op het terrein van onderwijs, scholing en informeel leren. Deelname aan formele en non-formele vormen van scholing en informeel leren en ontwikkelen ligt gemiddeld genomen hoog.5 Zo heeft in de afgelopen twee jaar 54 procent van alle werkenden een of meerdere cursussen gevolgd. Het meeste leren vindt plaats tijdens het werk: van alle tijd die volwassenen aan leren en ontwikkelen besteden, gaat circa 85 procent naar het leren op de werkplek.

Toch is het bovenstaande geen reden om tevreden achterover te leunen. De OESO concludeert dat er nog te weinig sprake is van een leercultuur en de bereidheid om te leren is bij volwassenen in Nederland lager dan bij leeftijdsgenoten in andere OESO-landen.6 In het algemeen geldt dat veel mensen zich momenteel alleen bijscholen als er een acute noodzaak is, bijvoorbeeld bij baanverlies of bij reorganisatie. Daarnaast spelen factoren als het gebrek aan motivatie, het tekort aan financiële middelen en het gebrek aan tijd een rol.7 Voornamelijk bij laagopgeleiden, flexwerkers, ouderen en werkenden in kleine bedrijven blijft de scholingsdeelname achter. Daarbij spelen ook de mogelijkheden voor de ontwikkeling door de ondernemer een rol.

Inzet kabinet

Het kabinet zet stevig in op een leven lang ontwikkelen. In september 2018 heeft het kabinet het meerjarige actiegerichte programma LLO aangekondigd.8 In deze aanpak staat het stimuleren van eigen regie centraal, zodat mensen zich kunnen blijven ontwikkelen en hun eigen keuzes kunnen maken. Dit doet het kabinet onder andere door duidelijkheid te bieden aan private partijen over de fiscale behandeling van private individuele leer- en ontwikkelbudgetten. In aanvulling daarop komt er ook een publiek leer- en ontwikkelbudget. Dit zogenoemde STAP-budget komt voor iedereen tot de AOW-gerechtigde leeftijd beschikbaar. Met het STAP-budget wordt LLO toegankelijk gemaakt voor iedereen en kunnen mensen zelf de keuze maken aan welke vorm van scholing zij willen doen.9 Daarnaast wordt er gewerkt aan de flexibilisering van het opleidingsaanbod, zodat een opleiding ook goed te combineren is met werk en privéleven. Tot slot wordt met deze regeling een leven lang ontwikkelen in het mkb én in de landbouw-, horeca en recreatiesector gestimuleerd.

LLO in het MKB

Een cultuur gericht op leren en ontwikkelen is in het mkb minder sterk ontwikkeld dan bij grotere bedrijven.10 Het is voor mkb-ondernemers lastig om scholing en ontwikkeling een vanzelfsprekend onderdeel te maken van het werk. Dit heeft verschillende redenen:

  • Binnen het mkb is er veelal geen tijd voor scholing. Mkb-ondernemers zijn doorgaans druk bezig met het van dag tot dag runnen van hun bedrijf. Dat brengt mee dat er minder tijd is om te onderzoeken welke ontwikkel- en scholingsmogelijkheden er zijn en welke ingezet kunnen worden.

  • Binnen het mkb is er onvoldoende kennis over de te volgen scholing en over welke scholing het beste kan worden ingezet. Ondernemers hebben niet altijd het overzicht van grote economische en maatschappelijke trends en de gevolgen die deze trends hebben voor hun bedrijf. Dit leidt ertoe dat het voor mkb-ondernemers moeilijker is om in te schatten welke scholingsmogelijkheden er zijn die ingezet kunnen en moeten worden om te zorgen dat hun bedrijf de trends kan volgen. Daarbij speelt ook mee dat in zijn geheel genomen mkb-ondernemers slechts zelden gebruik maken van een personeelsadviseur, die inzicht kan bieden in scholing die medewerkers nodig hebben voor ofwel de uitoefening van een functie ofwel de doorgroei naar andere functies. Dit alles zorgt ervoor dat mkb-ondernemers doorgaans maar weinig kennis hebben van de scholingsmogelijkheden die er zijn.

  • De investeringen die gedaan moeten worden in het kader van het opzetten en uitvoeren van een leercultuur zijn groot, terwijl het risico bestaat dat de investering onvoldoende rendement oplevert voor de mkb-ondernemer. Dat kan zorgen voor terughoudendheid bij mkb-ondernemers voor het inzetten van scholing.

Om deze knelpunten aan te pakken en een leercultuur te creëren in het mkb, zijn er door O&O-fondsen, sectororganisaties en werkgevers- en werknemersorganisaties al diverse initiatieven genomen. Ook de staatssecretaris van EZK zet zich met het MKB!dee in om mkb-ondernemers te stimuleren om meer te investeren in scholing en ontwikkeling van huidige en toekomstige werkenden.11 Deze subsidie is een budget om knelpunten en belemmeringen op innovatieve wijze aan te pakken. Dit heeft al geleid tot mooie en innovatieve projecten. Toch is er nog veel ruimte voor verbeteringen op het gebied van leren en ontwikkelen in het mkb. Dit vraagt om extra ondersteuning en stimulans vanuit de overheid.

Cijfers mkb

Bijna driekwart van de werknemers in Nederland is werkzaam in het mkb. Begin 2019 telde Nederland ruim 1,75 miljoen mkb-bedrijven. Vergeleken met 2009 is dit een toename van 52,1 procent. Het totaal aantal bedrijven in Nederland bestond begin eerste kwartaal van dit jaar voor 99,8 procent uit mkb-bedrijven. Het aandeel van het kleinbedrijf (tot 50 werkzame personen) stond op 99,2 procent, het middenbedrijf (50 tot 250 werkzame personen) op 0,7 procent.1

LLO in de landbouw-, horeca- en recreatiesector

In de sectoren landbouw, horeca en recreatie is de vraag naar werk door seizoenen en weersomstandigheden onregelmatig over het jaar verdeeld. Daardoor wordt vaker met tijdelijke arbeidsovereenkomsten gewerkt. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de cijfers van het CBS die laten zien dat in de sectoren, cultuur, sport en recreatie, horeca en landbouw het aantal flexwerkers het hoogst is. In de cultuur-, sport- en recreatiesector heeft 23,6% een flexibele arbeidsrelatie. In de horeca betreft dit 52,6% en in de landbouw, bosbouw en visserij 17,4%. Bekend is dat flexwerkers relatief minder vaak deelnemen aan scholing en informeel leren. Dit terwijl leren en ontwikkelen noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat mensen kunnen anticiperen op veranderingen en duurzaam inzetbaar blijven op een steeds dynamischere arbeidsmarkt. De motie Heerma c.s.12 verzoekt om de landbouw-, horeca- en recreatiesector tegemoet te komen met een investering in de scholing van werknemers via een tegemoetkoming in de loonkosten voor bbl-plekken. Een gedeelte van het beschikbare budget (te weten € 10,6 miljoen) wordt dan ook ondergebracht in een apart compartiment van de Subsidieregeling praktijkleren van de Minister van OCW, zodat ondernemers in de desbetreffende sectoren extra subsidie ontvangen voor het aanbieden van bbl-leerplekken bovenop het bedrag aan subsidie waarop zij op grond van de huidige regeling praktijkleren al aanspraak kunnen maken.

In gesprekken met de landbouw, horeca en recreatie branches is de wens geuit om het beschikbare budget breder in te zetten dan enkel de tegemoetkoming in de loonkosten voor bbl-plekken. Door de seizoensgebonden arbeid in de sectoren landbouw, horeca en recreatie is het in die sectoren lastig om een leercultuur te ontwikkelen. Dit geldt niet slechts voor het mkb, maar ook voor het grootbedrijf in die sectoren. Daarom is ervoor gekozen om een deel van het budget van de motie Heerma c.s. (te weten € 1,2 mln.) beschikbaar te stellen voor subsidies voor grootbedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie op grond van deze regeling. Door de regeling ook van toepassing te laten zijn op het grootbedrijf binnen deze drie sectoren worden ook deze bedrijven gestimuleerd te investeren in leren en ontwikkelen. Daarnaast is de regeling uiteraard ook van toepassing op de mkb-ondernemingen in de drie sectoren, maar deze groep valt onder budget van de motie Wiersma c.s.13

Verhouding tot andere regelingen

Er zijn al verschillende regelingen waarmee LLO (onder andere in) het mkb én in de drie sectoren gestimuleerd worden. Zo zijn er op dit moment al verschillende regelingen voor werkgevers, bijvoorbeeld het MKB!dee en de Subsidieregeling praktijkleren. Daarnaast komt er straks een publiek leer-en ontwikkelbudget voor het individu, het zogenoemde STAP-budget. De vraag doet zich voor hoe de SLIM-regeling zich verhoudt tot deze andere regelingen.

De SLIM-regeling en MKB!dee dragen beide bij aan het stimuleren van leren en ontwikkelen in het mkb. Het MKB!dee is een experimentele regeling die mkb-ondernemers uitdaagt om te komen met (innovatieve) oplossingen voor belemmeringen, die hen verhinderen te investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden. De SLIM-regeling biedt juist een structurele ondersteuning om een leerrijke werkomgeving te creëren waarin het up-to-date houden van vakkennis en vaardigheden vanzelfsprekend is. De SLIM-regeling en het MKB!dee versterken elkaar ook: zo kunnen projecten die zijn gestart vanuit het MKB!dee verder worden gebracht en opgeschaald met behulp van de SLIM-regeling.

De Subsidieregeling praktijkleren is gericht op werkgevers die een praktijkleerplaats bieden te behoeven van een bbl-traject. In de SLIM-regeling is juist geregeld dat mkb-ondernemers subsidie kunnen krijgen voor het bieden van een praktijkleerplaats in de derde leerweg. De bbl en derde leerweg zijn twee verschillende leerwegen De beroepsopleiding in de derde leerweg wordt niet bekostigd door het ministerie van OCW en komt nu nog vaak voor rekening van ondernemer en werknemer. De SLIM-regeling en de subsidieregeling praktijkleren vullen elkaar daarmee dus aan.

Datzelfde geldt voor de SLIM-regeling en het STAP-budget. Het STAP-budget is een persoonlijk ontwikkelbudget en richt zich op het individu. Het STAP-budget is bedoeld voor de opleidingskosten die een individu maakt. De SLIM-regeling daarentegen is bedoeld voor alle mkb-ondernemers en specifiek voor grootbedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie. De subsidie op grond van de SLIM-regeling is bedoeld voor de kosten die deze ondernemers maken bij het creëren van een leerrijke werkomgeving. Opleidingskosten, die met het STAP-budget worden betaald, worden niet gesubsidieerd met de SLIM-regeling. Het STAP-budget komt vanaf 1 januari 2022 beschikbaar.

3. Inhoud van de regeling

Doel en doelgroep

Het doel van de stimuleringsregeling is om ondernemers in het mkb te stimuleren om meer in te zetten op leren en ontwikkelen in hun organisatie. En daarnaast is er in de regeling specifieke aandacht voor de grootbedrijven uit de sectoren landbouw, horeca en recreatie. Er is budget beschikbaar voor subsidie aan ondernemers die inzetten op initiatieven gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen in hun onderneming.

Individuele ondernemers in het mkb kunnen een beroep doen op de stimuleringsregeling, wanneer zij een initiatief willen uitvoeren gericht op het stimuleren van leren en ontwikkelen in de eigen onderneming.

Naast subsidie voor individuele ondernemers in het mkb is er ook voor gekozen om een deel van het budget beschikbaar te stellen voor subsidies voor samenwerkingsverbanden in het mkb. Een samenwerkingsverband is een samenwerking tussen ten minste twee individuele mkb-ondernemers, eventueel aangevuld met partijen als een brancheorganisatie, O&O-fonds, werkgeversorganisatie, werknemersorganisatie of onderwijsinstelling.

De reden om ook budget beschikbaar te stellen voor subsidies voor initiatieven van samenwerkingsverbanden is omdat initiatieven dankzij deze samenwerkingsverbanden op grotere schaal ingezet kunnen worden. Met de initiatieven die op grotere schaal ingezet kunnen worden, wordt leren en ontwikkelen niet gestimuleerd in één enkele onderneming maar in bijvoorbeeld een hele regio of hele sector. Bovendien is de verwachting dat dankzij samenwerkingsverbanden ook de kleine bedrijven beter bereikt kunnen worden. Het effect van de initiatieven kan daarmee veel groter zijn en zorgen voor een sterkere leercultuur in het mkb als geheel.

Tot slot is er budget voor subsidies voor aanvragen van individuele ondernemers die een grootbedrijf hebben in de sectoren landbouw, horeca en recreatie. Voor deze bedrijven geldt, net als voor de mkb-ondernemingen, dat zij subsidie kunnen krijgen voor initiatieven die gericht zijn op het stimuleren van leren en ontwikkelen in de eigen onderneming.

Subsidiabele activiteiten

In de regeling is een limitatieve lijst opgenomen van activiteiten waar een initiatief uit kan bestaan en waarvoor dus subsidie aangevraagd kan worden. Van belang is dat de activiteiten waaruit het initiatief bestaat en waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn gericht op het versterken van een leercultuur in het mkb en dat het effect van de initiatieven dus ook bij het mkb terecht komen. Een initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd kan bestaan uit meerdere activiteiten zoals die in de regeling genoemd zijn.

De benoemde activiteiten in de regeling bieden enerzijds ruimte om een aanvraag voor een initiatief in te dienen die gericht is op het ondersteunen, begeleiden of invoeren van een methode in een mkb-onderneming die werkenden stimuleert hun kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen door scholing tijdens het werk. Anderzijds is de regeling gericht op meer concrete instrumenten om mkb-ondernemers de ruimte te bieden om te onderzoeken welke scholing- en opleidingsbehoefte en mogelijkheden er zijn binnen hun bedrijf en bij hun medewerkers. Hieronder wordt kort stil gestaan bij iedere activiteit.

A. de doorlichting van de onderneming

Het is voor mkb-ondernemers niet altijd duidelijk wat de veranderingen op de arbeidsmarkt betekenen voor hun onderneming, de organisatiestructuur en daarmee ook voor de benodigde kennis en vaardigheden van het personeel. Daarom kunnen individuele mkb-ondernemers, samenwerkingsverbanden of de grootbedrijven uit de landbouw-, horeca- en recreatiesector een subsidie aanvragen om hun onderneming door te lichten om zo inzichtelijk te maken wat de scholingsbehoefte en ontwikkelbehoefte van de onderneming is. Deze doorlichting moet uitmonden in een op de betreffende onderneming toegespitst opleidings- of ontwikkelplan waar de mkb-ondernemer en structureel vervolg aan kan geven.

B. het verkrijgen van loopbaanadviezen

De doorlichting van de onderneming richt zich op de scholingsbehoefte vanuit het perspectief van de onderneming. Daarnaast is het voor het ontwikkelen van een leercultuur in het mkb ook van belang dat er aandacht komt voor de ontwikkeling van kennis en vaardigheden van werkenden in de onderneming. In dat verband is van groot belang om te zien welke wensen, ambities en mogelijkheden de werkenden hebben, zodat de ondernemer en werkende daar op in kunnen zetten. Daarom kan er subsidie aangevraagd worden voor het verkrijgen van loopbaanadviezen ten behoeve van de werkenden in een mkb-onderneming.

C. een methode in de onderneming die werkenden in het bedrijf stimuleert hun kennis, vaardigheden en beroepshouding verder te ontwikkelen tijdens het werk

Brancheorganisaties, werkgevers- en werknemersorganisaties en O&O fondsen hebben diverse initiatieven genomen om te komen tot een sterkere leercultuur in het mkb. Daarom stimuleert deze regeling ook om de al succesvol bewezen projecten verder uit te breiden of op te schalen, zoals bedrijfsscholen (zie kader).

Bedrijfsschool

Bedrijven voelen de noodzaak om personeel aan te trekken, te binden en duurzaam inzetbaar te houden. Dit kan bijvoorbeeld door aan te sluiten bij een bestaande bedrijfsschool of door een bedrijfsschool op te richten. De term bedrijfsscholen is geen beschermde term en een eenduidige definitie ligt dan ook niet voorhanden. Het kabinet wil met deze regeling de bedrijfsschool in de breedste zin van het woord stimuleren. Hierbij kan gedacht worden aan mkb-ondernemer(s) die aansluiten bij een bestaande bedrijfsschool of mkb-ondernemers die gezamenlijk besluiten een bedrijfsschool op te richten. Binnen deze bedrijfsschool kunnen, al dan niet in samenwerking met een onderwijsinstelling, onderwijsprogramma’s op mbo of ho niveau of branche- of bedrijfsopleidingen worden aangeboden. Het belangrijkste is dat de bedrijfsschool bijdraagt aan het versterken van de leercultuur en het opleiden van medewerkers of werkzoekenden.

Ook initiatieven die erop gericht zijn een leerrijke werkomgeving te creëren, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van nieuwe vaardigheden via taakroulatie of taakaanpassing – eventueel gevalideerd via EVC – komen voor subsidie in aanmerking. Verder kan gedacht worden aan het ontwikkelen en toepassen van een systeem van periodieke ontwikkelgesprekken met de medewerkers in het bedrijf. Binnen het ontwikkelen en toepassen van het systeem, vallen ook de adviesgesprekken of workshops waarin aandacht wordt besteed aan het ontwikkelen van de vaardigheden van de leidinggevende om ontwikkelgesprekken te voeren.

Daarnaast biedt deze grond ruimte om nieuwe initiatieven te starten, die als doel hebben het leren en ontwikkelen in het mkb te stimuleren.

D. het bieden van praktijkleerplaatsen aan deelnemers ten behoeve van een beroepsopleiding in de derde leerweg bij een erkend leerbedrijf

Het mbo kent drie leerwegen waarop een mbo-opleiding gevolgd kan worden en het betreffende mbo-diploma kan worden behaald; de beroepsbegeleidende leerweg (bbl), de beroepsopleidende leerweg (bol) en de beroepsopleiding derde leerweg. De bbl en bol worden gefinancierd door het ministerie van OCW, de derde leerweg daarentegen niet. De beroepsopleiding derde leerweg kent, anders dan de andere twee wegen in het mbo, geen wettelijk vastgestelde urennorm voor begeleide onderwijstijd of beroepspraktijkvorming. Daarnaast geldt de wettelijke studieduur niet. Dit biedt meer flexibiliteit voor onderwijsprogramma’s.

Ondernemers die een praktijkleerplaats bieden voor een bbl kunnen reeds subsidie krijgen op grond van de Subsidieregeling Praktijkleren. Voor de beroepsopleiding derde leerweg zijn er echter nog geen mogelijkheden voor ondernemers om een tegemoetkoming te krijgen in de kosten voor het bieden van een praktijkleerplaats aan een medewerker of werkzoekende. Dit kan ondernemers er van weerhouden om hun medewerkers (delen van) een mbo-diploma te laten behalen via de beroepsopleiding derde leerweg, terwijl deze leerweg vanwege de flexibiliteit juist voor volwassenen waardevol kan zijn. Daarom worden met deze regeling de inspanningen van ondernemers om eigen personeel of nieuw aan te nemen personeel (delen van) mbo-opleidingen in de beroepsopleiding derde leerweg te laten volgen gesubsidieerd.

De opleidingen in de beroepsopleiding derde leerweg zijn diplomagericht, maar bieden ook ruimte om op verzoek van een werkende of werkzoekende een instelling een onderwijsovereenkomst te laten afsluiten voor een deel van de duur van een mbo-opleiding. Hierdoor kan de werkende of werkzoekende, in een korte periode, een mbo-certificaat behalen. Daarnaast kunnen mbo-instellingen, die deelnemen aan de pilots praktijkleren met de praktijkverklaring in het mbo, voor een aantal maanden een onderwijsovereenkomst afsluiten met werkzoekenden en werkenden voor het volgen van een deel van de beroepspraktijkvorming van de opleiding. Het gaat hierbij om werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie voor wie het behalen van een mbo-diploma of mbo-certificaat (vooralsnog) een brug te ver is. Het deel van de opleiding wordt uitgevoerd in de praktijk van een erkend leerbedrijf en afgerond met een praktijkverklaring (als onderdeel van een mbo-verklaring). Met de pilots wordt onderzocht of deze praktijkleerroute de kwetsbare positie op de arbeidsmarkt van werkenden en werkzoekenden zonder startkwalificatie kan verstevigen. Het mbo-certificaat of een praktijkverklaring kan een opmaat zijn naar het behalen van het mbo-diploma.

De focus van deze regeling op (delen van) opleidingen in de beroepsopleiding derde leerweg in het mbo ligt voor de hand, omdat ondernemers hiermee worden gestimuleerd om medewerkers die zich in een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt bevinden, bijvoorbeeld omdat zij geen startkwalificatie bezitten, te begeleiden naar een hoger niveau. De beroepsopleiding in de derde leerweg biedt veel ruimte voor verkorting voor medewerkers die al over de nodige werkervaring beschikken. Ook biedt de derde leerweg mogelijkheden om, gedurende een aantal maanden, nieuwe of zittende medewerkers in de praktijk van het leerbedrijf op te leiden en het traject af te ronden met een praktijkverklaring of mbo-certificaat. De beroepsopleiding derde leerweg is, vanwege deze ruime mogelijkheden, een zeer geschikte leerweg om maatwerktrajecten te realiseren voor volwassenen met werkervaring, werkzoekenden of werkenden die een carrièreswitch willen maken.

Voor deze activiteit zal geregeld worden dat mkb-ondernemers een vaste vergoeding van maximaal € 2.700 per gerealiseerde praktijkleerplaats kunnen krijgen. De vergoeding van € 2.700 geldt voor een opleiding van een jaar. Als de opleiding korter duurt dan een jaar, wordt de hoogte van de vergoeding naar rato vastgesteld.

Het bedrag van € 2.700 is een vergoeding voor de kosten die de mkb-ondernemer moet maken in verband met het verkrijgen van de opleiding voor de medewerker, zoals begeleidingskosten, kosten voor productiviteitsverlies of (voor zover van toepassing) verletkosten. Deze vergoeding is niet bedoeld ter dekking van de kosten voor de inkoop van (niet-bekostigde) opleidingen (kosten uitvoering onderwijs door onderwijsinstelling).14

Subsidieregeling flexibel beroepsonderwijs beroepsopleiding derde leerweg.

Met de subsidieregeling voor het stimuleren van verdere flexibilisering van het mbo stelt het kabinet verdeeld over vier jaar € 20 miljoen beschikbaar. De subsidie heeft als doel om bekostigde en niet-bekostigde door OCW erkende mbo-instellingen gezamenlijk een onderwijsprogramma te laten ontwikkelen dat aansluit op de vraag van de doelgroep van werkenden en werkzoekende. Deze subsidie ziet specifiek op het ontwikkelen van het onderwijsprogramma en uitdrukkelijk niet op de uitvoering van de opleiding.

 

De SLIM-regeling voorziet in de kosten voor het bedrijf voor het bieden van praktijkleerplaatsen bij de uitvoering van de opleiding. De regelingen zijn aanvullend aan elkaar.

Subsidiehoogte en subsidiepercentage

Subsidie op grond van de SLIM-regeling wordt altijd verleend op basis van cofinanciering. Dat wil zeggen dat van de subsidieaanvrager een eigen bijdrage bij het initiatief wordt verwacht. Er is voor gekozen om zoveel mogelijk één subsidiepercentage te hanteren. Voor subsidies aan middelgrote ondernemingen15, samenwerkingsverbanden en grootbedrijven16 uit de landbouw-, horeca- en recreatiesector17 geldt een subsidiepercentage van 60%. Dat wil zeggen dat deze partijen 40% van de subsidiabele kosten zelf moeten dragen en 60% vergoed krijgen.

De enige uitzondering geldt voor kleine ondernemingen18: voor hen geldt een subsidiepercentage van 80%. Kleine ondernemingen hoeven dus slechts 20% zelf bij te dragen aan de financiering van het initiatief. Reden voor het afwijkende percentage voor kleine ondernemers is dat de financiële middelen van deze ondernemers aanzienlijk kleiner zijn en deze ondernemers bij een subsidiepercentage van 60% mogelijk niet de kosten kunnen dragen. Dat brengt het risico mee dat kleine ondernemers minder initiatieven gaan inzetten die gericht zijn op het stimuleren van leren en ontwikkelen. Tegelijkertijd is het juist ook van belang dat deze kleine ondernemers meer gaan inzetten op leren en ontwikkelen, zowel voor hun onderneming als voor hun medewerkers. Om ervoor te zorgen dat ook deze ondernemers zoveel mogelijk worden bereikt, geldt voor deze ondernemers dus een hoger cofinancieringspercentage.

De maximale subsidie voor individuele mkb-ondernemers bedraagt € 24.999. Deze grens sluit aan bij de grens uit de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Voor subsidies die meer dan € 25.000 gelden extra eisen ten aanzien van de verantwoording van de uitvoering van het gesubsidieerde initiatief. Deze extra eisen brengen administratieve last mee, wat mkb-ondernemers er mogelijk van kan weerhouden om subsidie voor een initiatief aan te vragen. Door de maximale subsidie gelijk te stellen aan de grens van 25.000 die in de genoemde Kaderregeling is opgenomen, hoeven ondernemers niet te voldoen aan de extra verantwoordingseisen en wordt de administratieve last voor individuele mkb-ondernemers die een subsidie willen aanvragen sterk beperkt.

Voor mkb-ondernemingen uit de landbouwsector is de subsidie maximaal € 20.000. Dat heeft te maken met de landbouw de-minimisverordening.19 In die verordening wordt bepaald dat er geen sprake is van geoorloofde staatssteun aan een bedrijf uit de landbouw, wanneer de steun over een periode van drie kalenderjaren niet meer dan € 20.000 bedraagt.

De maximale subsidie voor een samenwerkingsverband bedraagt € 500.000. Daarbij geldt dat geen van de partijen van het samenwerkingsverband aanspraak mag maken op meer dan € 200.000 aan subsidie. Deze grenzen hangen samen met de Europese grenzen die gesteld worden aan geoorloofde staatssteun. Bovendien geldt dat geen van de partijen uit het samenwerkingsverband aanspraak mag maken op meer dan 80% van het totaal aangevraagde subsidiebedrag. Dat hangt samen met de eis dat de werkzaamheden van het initiatief waarvoor subsidie is aangevraagd moeten worden verdeeld onder de partijen uit het samenwerkingsverband.

Ook wanneer ondernemingen uit de landbouwsector deel uitmaken van een samenwerkingsverband geldt voor die ondernemingen de maximale subsidie van € 20.000 in verband met de landbouw de-minimisverordening.

Ook voor het grootbedrijf uit de horeca- en recreatiesector bedraagt de subsidie maximaal € 200.000, in verband met de Europese grenzen die gesteld worden aan geoorloofde staatssteun. Ook hier geldt de uitzondering voor grootbedrijven uit de landbouwsector op grond van de landbouw de-minimisverordening: de maximale subsidie aan deze ondernemingen mag maximaal € 20.000 bedragen.

Voor het bieden van praktijkleerplaatsen in de beroepsopleiding in de derde leerweg, ten behoeve van het behalen van een mbo-diploma, mbo-certificaat of praktijkverklaring, geldt dat de maximale subsidie € 2.700 per gerealiseerde praktijkleerplaats is. Er is gekozen om de maximum subsidie gelijk te trekken met de maximum subsidie die ondernemers kunnen ontvangen op grond van de Subsidieregeling praktijkleren. Aangezien het in de derde leerweg vaak gaat om maatwerktrajecten met een kortere opleidingsduur, is de hoogte van de subsidie die een ondernemer ontvangt is afhankelijk van de duur van het traject. Als het traject dat gevolgd is een jaar (40 weken) heeft geduurd, dan ontvangt de ondernemer de maximale vergoeding. Heeft het traject korter geduurd, dan wordt de vergoeding naar rato van het aantal weken uitbetaald.

Subsidiabele kosten

Voor subsidiëring komen in eerste instantie in aanmerking de externe kosten die daadwerkelijk door de subsidieaanvrager, binnen de periode van uitvoering van het initiatief, zijn gemaakt bij de uitvoering van het initiatief. De kosten moeten rechtstreeks aan de uitvoering van het initiatief zijn toe te rekenen. Voor de vergoeding van externe kosten geldt een maximumtarief per uur van € 125 exclusief btw. Aangezien voor de uitvoering van een initiatief niet altijd externen ingeschakeld hoeven te worden, komen ook directe loonkosten voor subsidie in aanmerking. Het gaat daarbij om het bruto loon van de persoon of personen die zich in het bedrijf van de subsidie aanvrager – of in een van de organisaties in het samenwerkingsverband – bezighoudt met de uitvoering van het initiatief. De directe loonkosten worden berekend aan de hand van het bruto loon inclusief een dertiende maand, maar exclusief vakantiegeld en andere beloningen. De directe loonkosten worden berekend over het aantal uur dat de persoon of personen hebben besteed aan de uitvoering van het initiatief. De directe loonkosten worden verhoogd met 32%. Dit percentage vertegenwoordigt onder andere de vakantietoeslag en de werkgeverslaten (zoals premies) die over het brutoloon moeten worden betaald.

Tot slot valt onder de subsidiabele kosten een toeslag van 15% over het totaal van de externe kosten en de directe loonkosten. Deze kosten vertegenwoordigen overige kosten in verband met de eigen inzet van de onderneming (zoals overhead en aan overhead gerelateerde kosten).

Externe kosten dienen te allen tijde te kunnen worden aangetoond door middel van een factuur. Bij het ontbreken van een factuur kunnen externe kosten niet worden vergoed. Verder worden ook kosten die onredelijk gemaakt zijn en kosten die niet in verhouding staat tot de te verrichten activiteiten niet vergoedt. Kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde kosten zijn eveneens niet subsidiabel; in plaats daarvan geldt de eerdergenoemde toeslag van 15% van de externe kosten en directe loonkosten.

Kosten die in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege, bijvoorbeeld op grond van een andere subsidieregeling, of kosten die voortvloeien uit wettelijk verplichte taken komen eveneens niet voor subsidie in aanmerking.

Voorwaarden subsidieverlening

Subsidie wordt slechts verleend wanneer het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd valt onder de subsidiabele initiatieven. De uitvoering van het initiatief moet binnen een vastgestelde periode worden afgerond. Voor individuele mkb-ondernemers geldt dat de uitvoering van het initiatief moet worden afgerond binnen een periode van 12 maanden. Voor samenwerkingsverbanden en grootbedrijven uit de drie sectoren is de periode waarbinnen het initiatief moet worden uitgevoerd 24 maanden. Deze periodes vangen aan 3 maanden nadat de beschikking tot subsidieverlening is afgegeven.

De subsidieaanvrager zal moeten aantonen dat hij valt binnen de doelgroep waarvoor subsidie aangevraagd wordt. Dat wil zeggen dat een individuele mkb-ondernemer in de aanvraag zal moeten aantonen dat hij is aan te merken als mkb-onderneming.20 Een individuele ondernemer die een grootbedrijf heeft in de landbouw-, horeca- of recreatiesector zal in de aanvraag moeten aantonen dat hij een grootbedrijf21 heeft in een van die sectoren.22 Voor subsidieaanvragen van samenwerkingsverbanden geldt dat aangetoond moet worden dat er sprake is van een samenwerkingsverband en dat ten minste twee van de aangesloten ondernemingen aangemerkt kunnen worden als mkb-onderneming. Wanneer de subsidieaanvrager niet valt binnen de doelgroep van de subsidie, wordt geen subsidie verleend.

Er geldt een aantal weigeringsgronden voor het verlenen van subsidie. Dit zijn gevallen waarin er geen subsidie wordt verstrekt. In de regeling wordt een limitatieve lijst opgenomen van redenen waarom geen subsidie wordt verleend. In de volgende situaties zal geen subsidie worden verleend:

  • Als de subsidieaanvraag niet voldoet aan eisen de gesteld worden in de regeling;

  • Wanneer het initiatief en de resultaten onvoldoende meetbaar zijn geformuleerd;

  • Als het initiatief ziet op een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende of beroepsopleidende leerweg;

  • Als de haalbaarheid van de beoogde aanpak onvoldoende aannemelijk is gemaakt;

  • Als de evaluatieopzet, indien van toepassing, onvoldoende of ongeschikt is om de effectiviteit en bruikbaarheid van het initiatief te kunnen beoordelen;

  • Wanneer het initiatief niet uitvoerbaar is binnen bestaande wet- en regelgeving;

  • Wanneer de kosten van het initiatief niet in redelijke verhouding staan tot de beoogde resultaten;

  • Wanneer niet of onvoldoende wordt aangetoond dat subsidie noodzakelijk is om het beoogde initiatief uit te voeren;

  • Wanneer op grond van deze regeling binnen een aanvraagtijdvak reeds subsidie is verleend voor een soortgelijk of vergelijkbaar initiatief ten behoeve van dezelfde onderneming of hetzelfde samenwerkingsverband;

  • Wanneer sprake is van staatssteun en de subsidieaanvrager geen de-minimisverklaring afgeeft of kan afgeven;

  • Wanneer de honorering van de subsidieaanvraag tot gevolg heeft dat het subsidieplafond die voor de betreffende subsidie geldt wordt overschreden.

Voor subsidieverlening wordt een ondergrens vastgesteld. Subsidie wordt slechts verleend indien de subsidiabele kosten voor het initiatief ten minste € 5.000 bedragen. Dit in verband met de uitvoeringskosten die gepaard gaan met het beoordelen en afhandelen van subsidieaanvragen. Bij subsidieaanvragen voor een initiatief dat minder kost dan € 5.000 staan de uitvoeringskosten niet meer in verhouding tot de te verlenen subsidie. Bij de aanvraag zal door middel van een begroting moeten worden aangetoond dat de subsidiabele kosten hoger zijn dan € 5.000.

Er geldt één uitzondering waarvoor de ondergrens niet van € 5.000 niet geldt. Dat is het geval wanneer de subsidieaanvraag uitsluitend ziet op het bieden van een enkele praktijkleerplaats ten behoeve van een beroepsopleiding in de derde leerweg. De maximale subsidie per gerealiseerde praktijkleerplaats bedraagt € 2.700. Gelet op de maximale subsidiehoogte voor één praktijkleerplaats ligt het niet in de rede om voor aanvragen voor dergelijke aanvragen de ondergrens te hanteren. Overigens kan de subsidieaanvrager, indien hij meerdere praktijkleerplaatsen realiseert, door middel van één aanvraagformulier de subsidie voor alle trajecten aanvragen. Daarbij geldt dan wel weer de maximale subsidiegrens.

Wanneer het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd bestaat uit zowel een praktijkleerplaats voor een beroepsopleiding in de derde leerweg gecombineerd met een of meerdere andere activiteiten, dan geldt de ondergrens van € 5.000 wel.

Bijzonderheden met betrekking tot samenwerkingsverbanden

Zoals eerder benoemd is een samenwerkingsverband een samenwerking tussen ten minste twee mkb-ondernemingen, eventueel aangevuld met andere partijen. Partijen zijn vrij om te bepalen welke instellingen of partijen deelnemen aan het samenwerkingsverband. Wel geldt dat de samenwerking tussen partijen moeten zijn vastgelegd in een overeenkomst. Bovendien moeten partijen onderling afspreken dat alle partijen een duidelijk gedefinieerde rol hebben bij de uitvoering van het initiatief en wat die rol is. Het idee is dat mkb-ondernemers gestimuleerd worden om te investeren in leren en ontwikkelen in hun onderneming. In dat licht is van belang dat óók de mkb-ondernemers in een samenwerkingsverband een rol hebben bij de uitvoering van het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Wanneer een brancheorganisatie onderdeel is van een samenwerkingsverband, dan wordt daaraan de eis gesteld dat de organisatie is opgericht vóór 2020 én dat het statutaire doel van de organisatie is om de belangen te behartigen van de leden die tot eenzelfde bedrijfstak horen. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat er gedurende de loop van de subsidieregeling specifieke organisaties worden opgericht die misbruik zouden kunnen maken van de regeling.

Voor de aanvraag van de subsidie namens een samenwerkingsverband zal een van de partijen als hoofdaanvrager fungeren. Als hoofdaanvrager namens een samenwerkingsverband kunnen de volgende partijen worden aangewezen (voor zover deze onderdeel zijn van het samenwerkingsverband): een van de aangesloten mkb-ondernemers, een O&O-fonds, een brancheorganisatie, een werkgeversorganisatie, een werknemersorganisatie of een onderwijsinstelling. Andere dan de genoemde partijen kunnen wel onderdeel zijn van een samenwerkingsverband, maar kunnen niet als hoofdaanvrager fungeren. Bij de aanvraag moet de hoofdaanvrager aantonen dat hij bevoegd is om namens het samenwerkingsverband de subsidie aan te vragen.

De subsidieaanvraag

De subsidie kan worden aangevraagd door middel van een aanvraagformulier dat online beschikbaar zal worden gesteld. De aanvraag voor een subsidie kan worden ingediend in vastgestelde tijdvakken. Om te voorkomen dat alle subsidieaanvragen in een korte periode binnenkomen, wat voor de uitvoering tijdens een korte periode een piek aan werk oplevert, is er voor gekozen om de periodes voor aanvragen van de subsidie door de verschillende aanvragers te beperken. Individuele mkb-ondernemers kunnen jaarlijks subsidie aanvragen van 2 maart tot 1 april en van 1 september tot 1 oktober. Samenwerkingsverbanden en grootbedrijven kunnen subsidie aanvragen in de periode van 1 april tot 1 juli. Aanvragen die buiten die tijdvakken binnenkomen worden niet meer in behandeling genomen. Wanneer er na afloop van de tijdvakken budget resteert, kan besloten worden om later in het jaar extra tijdvakken open te stellen voor het indienen van subsidieaanvragen.

Een subsidieaanvrager kan slechts één maal per aanvraagtijdvak een subsidieaanvraag indienen. In de subsidieaanvraag moet de subsidieaanvrager aangeven hoe het initiatief er uit ziet waar hij subsidie voor aanvraagt en uit welke subsidiabele activiteiten het initiatief bestaat. Een initiatief kan bestaan uit meerdere subsidiabele activiteiten. Wel geldt dat de subsidieaanvrager niet mag starten met de uitvoering van het initiatief (en de verschillende activiteiten) voordat de volledige aanvraag is ingediend. In de subsidieaanvraag worden verder opgenomen de te verwachten subsidiabele kosten en het bedrag waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de startdatum van het initiatief, de verwachte datum van afronding van het initiatief, het doel van het initiatief en (indien van toepassing) de wijze waarop evaluatie van het initiatief zal geschieden.

Voor beoordeling van de subsidieaanvraag is van belang dat de subsidieaanvrager bij de aanvraag een activiteitenplan en een begroting meestuurt. Om te voorkomen dat een te ruime begroting wordt ingediend, bijvoorbeeld met het oog op het omzeilen van de ondergrens van € 5.000 die geldt voor het verkrijgen van een subsidie, moet de begroting realistisch zijn. Bij de vaststelling van de subsidie zal beoordeeld worden of de gerealiseerde subsidiabele kosten ten minste 60% bedragen van de begroting die bij de aanvraag wordt ingediend. Als dat niet het geval is, wordt de subsidie op nihil gesteld. De (hoofd)aanvrager heeft overigens altijd de mogelijkheid om een verzoek tot wijziging van de subsidieverlening in te dienen wanneer blijkt dat de gerealiseerde kosten (veel) lager zijn dan de vooraf begrote kosten. Een dergelijk verzoek kan tot twee maanden voorafgaand aan het einde van de periode van uitvoering van het initiatief worden ingediend. Met een dergelijk verzoek tot subsidiewijziging kan het subsidiebedrag waarvoor de (hoofd)aanvrager in aanmerking komt overigens slechts naar beneden worden bijgesteld.

Op basis van het activiteitenplan en de begroting wordt beoordeeld of het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd subsidiabel is en of de kosten voor subsidie in aanmerking komen. Zowel voor het activiteitenplan als de begroting wordt een format beschikbaar gesteld waarvan gebruik gemaakt moet worden. Zonder een activiteitenplan en begroting is de subsidieaanvraag niet compleet en wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Wanneer de subsidieaanvraag niet compleet is, wordt de subsidieaanvrager in de gelegenheid gesteld om de aanvraag alsnog te completeren en in te dienen.

Voorkomen moet worden dat voor eenzelfde initiatief meerdere subsidies worden verkregen. Daarom zal de subsidieaanvrager bij het indienen van de subsidieaanvraag altijd moeten aangeven of hij voor dezelfde begrote kosten ook een subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd of zal gaan aanvragen bij een ander bestuursorgaan of rechtspersoon. Daarbij vermeldt de subsidieaanvrager, voor zover van toepassing, ook de stand van zaken van de beoordeling van die andere aanvraag.

Wanneer er sprake is van overvraging, dat wil zeggen dat er meer subsidie wordt aangevraagd dan het beschikbare budget, dan wordt de volgorde van afhandeling van de aanvragen bepaald door middel van loting. De beschikking tot subsidieverlening wordt verstrekt binnen 18 weken na afloop van het aanvraagtijdvak waarin de subsidieaanvraag is gedaan.

Subsidievaststelling

Indien subsidie wordt verleend, kan er geen voorschot worden verstrekt. Om uiteindelijk aanspraak te maken op de subsidie zal de subsidieaanvrager na afloop van de periode van uitvoering van het initiatief een verzoek tot vaststelling van de subsidie in moeten dienen. Daarvoor wordt online een formulier ter beschikking gesteld. Bij dit verzoek moet altijd een inzicht worden gegeven in de gerealiseerde activiteiten en de werkelijke subsidiabele kosten; hiertoe is een format beschikbaar gesteld.

Wanneer het subsidiebedrag € 25.000 of meer bedraagt, zal de subsidieaanvrager bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie een evaluatieverslag moeten indienen. In het evaluatieverslag zal in ieder geval benoemd worden welk initiatief is uitgevoerd, hoe het implementatie- en uitvoeringsproces is verlopen en de leerervaringen die daarbij zijn opgedaan en welke resultaten zijn bereikt.

Als het subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt moet bovendien een controleverklaring van een accountant worden meegestuurd met het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

Het verzoek tot vaststelling van de subsidie moet worden ingediend binnen 22 weken na afloop van de periode van uitvoering van het initiatief zoals die is vastgelegd in de beschikking tot subsidieverlening. Op het verzoek tot vaststelling van de subsidie zal uiterlijk binnen 22 weken na ontvangst van het verzoek daartoe worden beslist.

De subsidieaanvrager is verplicht om een inzichtelijke en controleerbare administratie bij te houden met betrekking tot de uitvoering van het initiatief. Dit in verband met de controleerbaarheid van de uitgevoerde activiteiten en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit van de uitgevoerde activiteiten. Deze administratie bestaat uit een administratie van uitvoering van het initiatief, een financiële administratie, een administratie van de directe loonkosten en een administratie van de deelnemers aan het initiatief.

De administratie over de uitvoering van het initiatief geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde prestaties.

Uit de financiële administratie zal blijken wat de subsidiabele kosten van het uitgevoerde initiatief zijn geweest, wat de inkomsten waren en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan het initiatief zijn toe te rekenen. De financiële administratie bestaat in ieder geval uit opdrachtbevestigingen, facturen, betaalbewijzen van externe opdrachten en eventueel (bij directe loonkosten) een onderbouwing van de uren die besteed zijn aan de uitvoering van het initiatief. De financiële administratie bevat bovendien een overzicht van de KvK-nummers van alle ondernemingen die deelnemen aan het project. Daarbij moet vermeld worden aan welk van de activiteiten binnen het initiatief de betreffende onderneming heeft deelgenomen. De deelnemersadministratie bevat (indien van toepassing) een overzicht van de behaalde resultaten per individuele deelnemer voor de verrichte activiteiten. De subsidieaanvrager moet de administraties en bijbehorende producten desgevraagd kunnen overleggen aan Uitvoering van Beleid (zie paragraaf 4) ten behoeve van controle van de uitgevoerde activiteiten en het recht op subsidie.

De beschikking waarin de subsidie is verleend wordt ingetrokken wanneer duidelijk wordt dat de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking toegekende subsidiabele kosten of wanneer de verplichtingen die in de beschikking zijn opgenomen niet zijn nageleefd. De beschikking wordt tevens ingetrokken als het initiatief waarvoor subsidie verleend is niet is aangevangen binnen 3 maanden nadat de beschikking tot subsidieverlening is afgegeven. Daarnaast blijven alle gronden voor intrekking van een subsidie, zoals die zijn opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht, van kracht. Het is tevens mogelijk om de beschikking tot subsidieverlening slechts gedeeltelijk in te trekken. Als de beschikking tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, dan worden alle bedragen die tot op dat moment zijn betaald geheel of gedeeltelijk, inclusief wettelijke rente, teruggevorderd.

Toepassing in Caribisch Nederland

Deze regeling is niet van toepassing in Caribisch Nederland. Deze regeling is de uitwerking van twee moties die zijn ingediend bij de behandeling van de Wab. De moties Wiersma c.s. en Heerma c.s. zijn bedoeld om werkgevers in het mkb en daarnaast in het bijzonder de bedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie tegemoet te komen en te ondersteunen met middelen gericht op leren en ontwikkelen. Met deze middelen kunnen de betreffende werkgevers gestimuleerd worden om meer in te zetten op de ontwikkeling van werknemers, wat belangrijk is voor de zekerheid en het perspectief van werkenden.

De Wab en deze moties zijn specifiek gericht op de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarom geldt deze regeling niet in Caribisch Nederland.

Compartimentering

Om ervoor te zorgen dat het beschikbare budget niet volledig wordt gebruikt door een van de drie doelgroepen, is in de regeling een compartimentering opgenomen. In die compartimentering wordt per doelgroep opgenomen wat het budget is voor subsidies aan die doelgroep. Voor subsidieaanvragen van individuele mkb-ondernemers is een totaalbedrag van € 29,5 miljoen beschikbaar. Dit bedrag wordt verdeeld over de twee aanvraagtijdvakken; in het aanvraagtijdvak van maart is € 15 miljoen beschikbaar en in het aanvraagtijdvak van september is € 14,5 miljoen beschikbaar. Voor aanvragen van samenwerkingsverbanden in het mkb is een bedrag van € 17,5 miljoen beschikbaar en voor aanvragen van grootbedrijven in de landbouw-, horeca- en recreatiesector is jaarlijks € 1,2 miljoen subsidie beschikbaar. Boven deze plafonds wordt er geen subsidie meer vertrekt. Wanneer het plafond wordt bereikt, wordt de volgorde van afhandeling van de subsidieaanvragen door middel van loting bepaald.

Wanneer er voor subsidies aan individuele mkb-ondernemers of samenwerkingsverbanden sprake is van onderuitputting, terwijl bij voor de andere doelgroep het budget wel volledig is uitgeput, dan kan het resterende budget worden ingezet voor subsidie aan de andere doelgroep. Er zal niet geschoven worden tussen de budgetten die beschikbaar zijn voor individuele mkb-ondernemers en samenwerkingsverbanden enerzijds en grootbedrijven uit de landbouw-, horeca- en recreatiesector anderzijds.

Staatssteun

Er is sprake van staatssteun als aan de vijf cumulatieve criteria van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is voldaan. Voor wat betreft de subsidies op grond van deze regeling kan niet worden uitgesloten dat aan al deze vijf criteria wordt voldaan. Toch is er bij subsidie op grond van deze regeling geen sprake van ongeoorloofde staatssteun, omdat subsidie op grond van deze regeling alleen wordt verleend indien aan de voorwaarden van Verordening (EU) van de Europese Commissie met nr. 1407/2013 van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (de de-minimisverordening) wordt voldaan. De subsidie kan dan het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloeden en de mededinging niet vervalsen of dreigen te vervalsen omdat het om een beperkt bedrag gaat (maximaal € 200.000 in een periode van drie jaar).

Bij subsidies op grond van deze regeling wordt aan de voorwaarden van de de-minimisverordening voldaan, omdat er geen subsidies worden verstrekt boven de € 200.000 en de aanvrager voor verlening een de-minimisverklaring als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de de-minimisverordening, moet indienen. Op grond van artikel 5.7, eerste lid, onder c, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS geldt een meldplicht voor subsidieaanvragers indien zich omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie. Subsidieaanvragers zijn in dit kader ook gehouden het te melden indien er niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de de-minimisverordening. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn in het geval dat er na verlening van de subsidie op grond van de onderhavige regeling, aanvullende subsidies voor hetzelfde initiatief worden verstrekt door andere overheden. Indien dit ertoe leidt dat het totale gesubsidieerde bedrag de € 200.000 in een periode van drie jaar overstijgt geldt een meldingsplicht.

Voor de landbouwsector geldt een uitzondering. Op basis van de landbouw de-minimisverordening23 mag de maximale staatssteun aan een onderneming € 20.000 per drie jaren bedragen. Daarom is in de regeling het maximum subsidiebedrag voor bedrijven uit de landbouwsector afgestemd op de maximale steun op grond van de landbouw de-minimisverordening. Landbouwbedrijven zullen bij hun subsidieaanvraag ook moeten verklaren dat zij in de voorgaande drie jaren niet meer dan € 20.000 aan steun hebben ontvangen, inclusief het bedrag aan subsidie dat op dat moment wordt aangevraagd.

4. Uitvoering, handhaving en evaluatie

De regeling wordt namens de minister uitgevoerd door Uitvoering van Beleid, onderdeel van de directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Deze directie beschikt over de expertise die nodig is om de aspecten van de subsidieaanvraag te beoordelen. De directie UVB heeft deze regeling beoordeeld op uitvoerbaarheid.

UVB acht de regeling uitvoerbaar. In de uitvoeringstoets heeft UVB een aantal voorstellen opgenomen voor wijziging van de regeling ter verbetering van de uitvoerbaarheid en om de regeling te verduidelijken.

UVB heeft in de uitvoeringstoets als risico benoemd dat er voor individuele mkb-ondernemers slechts één aanvraagtijdvak van een maand wordt opengesteld. Bovendien worden aanvragen afgehandeld op basis van het ‘first com, first serve”’ principe. Dit brengt grote druk op de uitvoering van UVB mee en op het aanvraagportaal. Individuele mkb-ondernemers hebben maar beperkt tijd om een aanvraag in te dienen en zullen dat ook zo snel mogelijk willen doen, om te voorkomen dat ze achter het net vissen.

Om te voorkomen dat er een te grote piek aan werk bij de uitvoering terecht komt én om de druk op het aanvraagportaal weg te nemen is op verzoek van UVB een tweede aanvraagtijdvak opengesteld in september. Dat zorgt ervoor dat de aanvragen meer verdeeld over het jaar binnenkomen. Bovendien biedt dit ondernemers meer mogelijkheden om te komen met initiatieven.

De volgorde van behandeling zal op verzoek van UVB worden bepaald op basis van loting. Op die manier wordt de druk op ondernemers om zo snel mogelijk een aanvraag in te dienen weggenomen. Daarmee wordt voorkomen dat het aanvraagportaal onder grote druk komt te staan. Bovendien kan dit tot gevolg hebben dat kwalitatief betere aanvragen worden ingediend, omdat ondernemers niet onder tijdsdruk staan om zo snel mogelijk hun aanvraag in te dienen.

Verder is naar aanleiding van de uitvoeringstoets nader uitgeschreven hoe de administratie die subsidieaanvragers moeten bijhouden er uit moet zien en uit welke onderdelen de administratie moet bestaan. Tot slot is een aantal tekstuele wijzigingen ter verduidelijking van de regeling verwerkt.

Misbruik en oneigenlijk gebruik

Bij de totstandkoming van de regeling is nadrukkelijk gekeken naar mogelijke risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik van subsidies op basis van deze regeling. Er zijn verschillende maatregelen genomen om de risico’s op misbruik en oneigenlijk gebruik zo veel mogelijk te beperken.

Evaluatie

Het verstrekken van subsidies is een beleidsinstrument. Het is dan ook van belang om inzicht te verkrijgen in de realisatie van het beleid. Aan de hand van dat inzicht kan het beleid verder ontwikkeld worden. Van subsidieaanvragers wordt daarom verwacht dat ze meewerken aan onderzoek ten behoeve van de verdere ontwikkeling van het beleid. Daarbij kunnen ook inlichtingen worden gevraagd die nodig zijn voor de evaluatie van het beleid.

Daarnaast zal een nulmeting plaatsvinden naar de deelname van medewerkers aan scholing en ontwikkelen in het mkb en naar de investeringen vanuit de mkb-ondernemer op het gebied van scholing en ontwikkeling. Dit geldt ook voor de grootbedrijven uit de landbouw-, horeca- en recreatiesector. In 2021 vindt er een procesevaluatie plaats om te bezien hoe het eerste jaar van de regeling is verlopen en of er eventuele wijzigingen of aanpassingen van de regeling nodig zijn om het gebruik en/of de effectiviteit te bevorderen. Hierbij wordt specifiek onderzocht in hoeverre de regeling ook de kleine ondernemingen heeft bereikt. In 2023 vindt er een tussenevaluatie plaats naar het gebruik en effectiviteit van de regeling. Daarnaast zal er in 2025 een eindevaluatie plaatsvinden naar de doeltreffendheid en effecten van regeling, conform artikel 4:24 Algemene wet bestuursrecht.

De tussenevaluatie en eindevaluatie zullen openbaar verschijnen en gedeeld worden met de Kamer.

5. Reacties/advies en internetconsultatie

Mkb-toets

Bij de totstandkoming van deze regeling heeft de mkb-toets plaatsgevonden. Dit is een gesprek tussen mkb-ondernemers en de beleidsambtenaren over de voorgenomen regeling en de administratieve lasten.

Tijdens deze mkb-toets waren 7 mkb-ondernemers uit verschillende sectoren aanwezig. De recreatie- en horecasector waren ook vertegenwoordigd. De mkb-ondernemers hebben tijdens het gesprek aangegeven dat zij positief zijn over de regeling en dat zij niet verwachten dat de regeling onnodige regeldruk en/of administratieve lasten oplevert.

Internetconsultatie

De conceptregeling is vier weken opengesteld voor internetconsultatie. Bij de internetconsultatie is gevraagd om te reageren op alle onderdelen van de regeling. Van deze gelegenheid hebben in totaal 25 particulieren, ondernemingen, belangenorganisaties en maatschappelijke organisaties gebruik gemaakt. Onderstaand wordt ingegaan op de meest voorkomende reacties.

Naast verschillende suggesties, kanttekeningen en vragen voor verduidelijking is er vooral een groot aantal positieve reacties binnengekomen. De noodzaak om leren en ontwikkelen in het mkb in zijn algemeenheid en in het bijzonder in grootbedrijven in de sectoren landbouw, horeca en recreatie te stimuleren, wordt in veel reacties onderschreven. Vrijwel elke partij die heeft gereageerd is dan ook over het algemeen positief gestemd over de regeling. Het merendeel van deze reacties bevat ook nog aanvullende opmerkingen en aandachtspunten ten aanzien van de gekozen invulling van de regeling en de doelgroepen.

In twee reacties is aan de orde gebracht dat één aanvraagtijdvak van een maand onvoldoende zou zijn. Ondernemers zijn daarmee beperkt in de vrijheid om een subsidie aan te vragen. En voor sommige sectoren valt de periode waarbinnen de subsidie wordt aangevraagd en het initiatief moet worden uitgevoerd in het hoogseizoen. Om deze mogelijke drempels weg te nemen is, mede op verzoek van UVB, besloten om het aantal aanvraagtijdvakken voor individuele mkb-ondernemers uit te breiden naar twee: subsidie kan ook worden aangevraagd van 1 september tot en met 30 september.

Uit meerdere reacties kwam naar voren dat niet geheel duidelijk is voor wie de regeling nu bedoeld is. In een van de reacties kwam bijvoorbeeld naar voren dat niet helemaal duidelijk is of de regeling nu alleen geldt voor mkb-ondernemingen uit de sectoren landbouw, horeca en recreatie of dat ook andere mkb-ondernemingen een subsidie kunnen aanvragen. De regeling is in eerste instantie bedoeld voor alle mkb-ondernemingen. Er is € 48 miljoen beschikbaar gesteld voor het stimuleren van leren en ontwikkelen in het mkb. Voor mkb-ondernemingen maakt het dus niet uit in welke sector zij werkzaam zijn: zij kunnen subsidie aanvragen voor een initiatief gericht op leren en ontwikkelen. Daarnaast is er een bedrag van € 1,4 miljoen beschikbaar gesteld zodat deze regeling óók ingezet kan worden voor specifiek grootbedrijven uit de sectoren landbouw, horeca en recreatie. Dit is verduidelijkt op verschillende punten in de toelichting bij de regeling.

In een viertal reacties is aandacht gevraagd voor kwetsbare groepen. Bijvoorbeeld door ook SW-bedrijven in staat te stellen om subsidie aan te vragen. Uiteraard wordt het belang van een inclusieve arbeidsmarkt onderschreven. Het doel van deze regeling is echter leren en ontwikkelen in het mkb te stimuleren. Het is een middel om ondernemers te stimuleren om in te zetten op leren en ontwikkelen en daarmee een sterke leercultuur en leerrijke werkomgeving te creëren. Die doelstelling biedt geen ruimte om de subsidie specifiek in te zetten voor kwetsbare groepen. Uiteraard kunnen de subsidiabele activiteiten wel worden ingezet ten behoeve van kwetsbare groepen. En daarnaast biedt de regeling ook ruimte voor mensen zonder startkwalificatie, door mkb-ondernemers de mogelijkheid te bieden om een vergoeding te krijgen voor het bieden van een praktijkleerplaats ten behoeve van een praktijkverklaring.

In een vijftal reacties is gepleit om ook brancheopleidingen te subsidiëren met de SLIM-regeling. Onder andere de Koninklijke Horecabond Nederland en SVH benadrukken het belang van de branchespecifieke opleidingen in de horeca en vragen om die opleidingen net als een beroepsopleiding in de derde leerweg te subsidiëren. Dit voorstel is niet overgenomen. Hoewel het belang van de branchespecifieke opleidingen en certificaten wordt onderschreven, is deze regeling niet bedoeld voor het financieren voor scholing. Deze regeling is bedoeld om ondernemers in het mkb bewust te maken van het belang van een sterke leercultuur en ze hierbij handvatten te geven. De gekozen subsidiabele activiteiten sluiten daarbij aan. Op dit moment is er voor gekozen om kosten voor opleidingen niet te financieren. Daar speelt bij mee dat vanaf 2022 de STAP-regeling beschikbaar komt om opleidingskosten te financieren.

In een reactie is gevraagd om de regeling ook open te stellen voor de kunst-, cultuur- en creatieve sector, omdat ondernemers in die sectoren worden geconfronteerd met dezelfde uitdagingen als in de landbouw-, horeca- en recreatiesector. De SLIM-regeling staat open voor alle mkb-ondernemingen, ongeacht in welke sector die onderneming werkzaam is. Dit betekent dat ondernemingen uit de kunst-, cultuur- en creatieve sector dus gewoon aanspraak kunnen maken op een subsidie op grond van deze regeling, als zij een mkb-onderneming zijn. Daarnaast is er een deel van het budget beschikbaar gesteld voor grootbedrijven uit de sectoren landbouw, horeca en recreatie. Dit budget is afkomstig vanuit de motie Heerma, waarmee 12 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor het bieden van bbl-plaatsen in de landbouw-, horeca en recreatiesector. Een deel van dat budget zal worden ingezet om grootbedrijven uit die drie sectoren te stimuleren om meer in te zetten op leren en ontwikkelen. Dat budget is daarmee specifiek bedoeld voor de landbouw-, horeca- en recreatiesector en kan niet voor andere sectoren worden ingezet.

In een tweetal reacties is aandacht gevraagd voor de structurele effecten van de initiatieven die worden ingezet en de subsidieverdeling meer toe te spitsen op de effecten van een initiatief. De wens is om meer budget beschikbaar te stelen voor initiatieven van samenwerkingsverbanden, omdat juist die initiatieven grotere structurele effecten kunnen hebben op leren en ontwikkelen in het mkb. Op dit moment wordt de budgetverdeling niet aangepast. Er is voor gekozen om met de regeling juist ook kleinschalige initiatieven mogelijk te maken om mkb-ondernemingen te stimuleren in te zetten op leren en ontwikkelen, zodat het effect ook zoveel mogelijk bij het mkb terecht komt.

Daarnaast kwam in een reactie naar voren dat voor kleine ondernemers de cofinanciering belemmerende factor kan zijn om een aanvraag te doen en werd voorgesteld om de cofinanciering te laten vervallen. In de regeling is gekozen voor de voorwaarde van cofinanciering om zo te waarborgen dat partijen gemotiveerd zijn om het initiatief waarvoor subsidie wordt aangevraagd tot een goed einde af te ronden. Van deze voorwaarde wordt dan ook niet afgezien. Om kleine ondernemers te bereiken, is een uitzondering voor deze groep gemaakt op het standaard subsidiepercentage van 60%. Kleine ondernemingen hebben een subsidiepercentage van 80%.

Ook werd in een reactie gevraagd of er met voorschotten gewerkt kan worden, omdat voorfinanciering vaak ontbreekt. Er is gekozen voor achteraf betalen wegens uitvoeringstechnische redenen. Daarnaast biedt het subsidieaanvragers meer zekerheid. Door achteraf te betalen weten de aanvragers waar ze aan toe zijn, doordat ze een definitief bedrag ontvangen. Er bestaat dus geen risico dat aanvragers te veel voorschot ontvangen en uiteindelijk bij de subsidievaststelling een deel moeten terugbetalen.

6. Budgettaire consequenties en regeldruk

Het budget voor subsidies op grond van deze regeling komt voort uit twee moties. Met de motie Wiersma wordt € 48 miljoen voor de komende 5 jaar beschikbaar gesteld voor het stimuleren van leren en ontwikkelen in het mkb. Vanuit de motie Heerma24 is, voor een periode van 5 jaar, jaarlijks € 1,4 miljoen beschikbaar voor het stimuleren van leren en ontwikkelen in grootbedrijven uit de sectoren landbouw, horeca en recreatie.

Budget SLIM-regeling
 

2019

2020

2021

2022

2023

2024

Budget Wiersma

 

48

48

48

48

48

Budget Heerma

 

1,4

1,4

1,4

1,4

1,4

Totaal

 

49,4

49,4

49,4

49,4

49,4

Uitvoeringskosten

De geschatte uitvoeringskosten bedragen jaarlijks gemiddeld circa € 1 miljoen en zijn onderdeel van de 49,4 mln. die hierboven genoemd is.

Administratieve last en regeldrukkosten

De regeling is zo ingericht dat aan de ene kant de administratieve lasten voor subsidieaanvragers zo veel mogelijk beperkt worden en aan de andere kant een rechtmatige inzet van de middelen gegarandeerd worden. Om de administratieve last voor deze regeling zo veel mogelijk te beperken is voor de uitvoering van deze regeling vrijwel volledig aangesloten bij de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Voor zover er in deze regeling aanvullende verplichtingen gelden is zo veel mogelijk aangesloten bij verplichtingen die ook reeds op basis van andere wettelijke voorschriften gelden. Verder wordt, om de administratieve last zo veel mogelijk te beperken voor verschillende verplichtingen formulieren en formats ter beschikking gesteld door de directie Uitvoering van Beleid, die deze regeling uitvoert.

Er is een uitgebreide beschrijving gemaakt van de administratieve lasten en de regeldruk die deze regeling met zich meebrengt. De administratieve last voor deze regeling bestaat uit het leren kennen van de regeling, invullen en indienen van de aanvraag voor een subsidie en het verantwoorden van het uitgevoerde initiatief. Bij de subsidieaanvraag zal de subsidieaanvrager een activiteitenplan, begroting en de-minimisverklaring moeten opstellen en indienen. Om de last zo klein mogelijk te houden worden hiervoor vaste formats beschikbaar gesteld.

Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie moet de subsidieaanvrager verantwoording afleggen over het uitgevoerde initiatief. De administratieve last zit hierbij in het opstellen van een weergave van de uitgevoerde activiteiten en de gemaakte kosten. In sommige gevallen (subsidies hoger dan € 25.000) zal een evaluatieverslag moeten worden opgesteld. Ook hiervoor geldt dat subsidieaanvragers worden ondersteund met formats, om de last zo klein mogelijk te houden. Bij aanvragen voor een subsidie groter dan € 125.000 zal een accountantsverklaring moeten worden verkregen en ingediend.

In totaal zijn de geschatte regeldrukkosten behorend bij deze regeling € 306.610. Deze effecten zijn verwaarloosbaar in relatie tot het totale subsidiebedrag dat met deze stimuleringsregeling beschikbaar komt.

Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft de beschrijving van de administratieve last en regeldruk beoordeeld en deelt de conclusie dat de gevolgen voor de regeldruk van deze regeling te verwaarlozen zijn.

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

De meeste begrippen in deze regeling spreken voor zich. Enkele bepalingen worden hieronder nog nader toegelicht.

brancheorganisatie: met de eis dat de brancheorganisaties op 1 januari 2020 moet bestaan is beoogd te voorkomen dat een organisatie uitsluitend wordt opgericht voor het verkrijgen van subsidie.

O&O-fonds: de definitie van dit begrip is ontleend aan artikel 1.1 van de Regeling cofinanciering sectorplannen.

samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband vereist dat sprake is van samenwerking tussen ten minste twee mkb-ondernemingen. Daarmee is beoogd dat het effect van de subsidie ook daadwerkelijk plaatsvindt binnen het mkb. Het wordt niet wenselijk geacht dat de financiële ondersteuning uit deze regeling bijvoorbeeld wordt ingezet door commerciële adviesbureaus om een aanvraag namens een of meer sectoren of een of meer branches te doen.

werkenden: werkenden is gedefinieerd als alle in de onderneming werkzame personen. Dit brengt met zich dat activiteiten waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt aangevraagd, ook betrekking kunnen hebben op bijvoorbeeld uitzendkrachten of zzp’ers die in de onderneming werkzaam zijn.

Artikel 2. Toepasselijkheid kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

In het eerste lid is geregeld dat de kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS van toepassing is. Uitgezonderd zijn de artikelen 3.1 en 7.1 van de kaderregeling. Dit betekent dat de bepalingen als weergegeven in deze regeling een aanvulling zijn op de kaderregeling, met uitzondering van de artikelen 3.1 en 7.1 van de kaderregeling. In voornoemde artikelen van de kaderregeling is bepaald dat voor een aanvraag tot verlening van een subsidie een door de minister vastgesteld modelformulier wordt gebruikt dat bekend is gemaakt op de website www.rijksoverheid.nl. Voor een subsidieaanvraag onder deze regeling is dat niet aan de orde, nu de aanvraag geschiedt middels een elektronisch aanvraagformulier dat beschikbaar is gesteld op www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Artikel 3. Doel van de regeling

Deze regeling heeft tot doel om leren en ontwikkelen te stimuleren in het mkb en in grootbedrijven in de landbouw-, of horeca- of recreatiesector, door deelname aan scholing en persoonlijke ontwikkeling van werkenden te vergroten. De subsidie is een compensatie voor initiatieven die uiting geven aan dit doel.

Artikel 4. Subsidiabele activiteiten

In het eerste lid is een limitatieve lijst opgenomen van activiteiten die gesubsidieerd kunnen worden ter stimulering van leren en ontwikkelen.

Het startpunt hiervoor is vaak gelegen in het inzichtelijk maken van de scholingsbehoefte. Hier ziet dan ook de eerste categorie van activiteiten op, weergegeven onder onderdeel a. Het doorlichten van de onderneming vanuit het perspectief van de ondernemer. Inzichtelijk wordt welke scholing werkenden behoeven om mee te gaan in de ontwikkelingen binnen het bedrijf. Dit wordt opgenomen in een opleidings- en ontwikkelplan dat specifiek gericht is op de onderneming die wordt doorgelicht.

Bij een activiteiten als bedoeld onder onderdeel b, ligt de focus op de persoonlijke wensen van de werknemer.

Een activiteit als bedoeld onder onderdeel c, biedt ruimte om als ondernemer of samenwerkingsverband nieuwe activiteiten op te zetten ter bevordering van leren en ontwikkelen. Daarbij kan gedacht worden aan de oprichting van een bedrijfsschool.

Tot slot biedt onderdeel d de mogelijkheid een praktijkleerplaats te creëren.

Een initiatief kan onder meerdere categorieën vallen. Indien een initiatief zowel ziet op onderdeel d als op een ander onderdeel, geldt voor het onderdeel a, b of c nog altijd de ondergrens van € 5.000.

Artikel 5. Aanvraagtijdvak

Voor een mkb-onderneming, niet opererend in een samenwerkingsverband, bestaan twee tijdvakken. Van 2 maart 12:00 uur tot uiterlijk 31 maart 17:00 uur en van 1 september 09:00 tot uiterlijk 30 september 17:00 uur.

Een hoofdaanvrager van een samenwerkingsverband, of grootbedrijf in de landbouw-, horeca- of recreatiesector, kan jaarlijks vanaf 1 april 09:00 tot uiterlijk 30 juni 17:00 uur een subsidieaanvraag indienen.

Indien een aanvraag buiten deze periodes valt zal deze worden afgewezen. Wel kan er een nieuwe aanvraag worden ingediend voor het opvolgende jaar. Hierbij moet rekening worden gehouden met artikel 3.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS: een aanvraag tot verlening van een subsidie wordt in ieder geval ingediend voor aanvang van de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd.

Artikel 6. Subsidieplafond

Voor het mkb is voor het jaar 2020 een bedrag beschikbaar gesteld van totaal € 47 miljoen, waarvan € 29,5 miljoen, verspreid over twee tijdvakken, voor subsidies aan mkb-ondernemingen die niet zijn aangesloten bij een samenwerkingsverband en € 17,5 miljoen voor subsidies aan samenwerkingsverbanden.

Voor grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector is voor het jaar 2020 een bedrag beschikbaar gesteld van € 1,2 miljoen.

Indien blijkt dat het plafond is uitgeput, wordt een aanvraag afgewezen. Dergelijke aanvragen kunnen mogelijk wel in het daaropvolgend jaar worden gehonoreerd, maar dienen dan opnieuw te worden ingediend. Opnieuw ingediende aanvragen kennen geen voorrangbehandeling.

Voor subsidies die worden verstrekt op grond van hoofdstuk 2 of 3, geldt dat wanneer een van de plafonds is uitgeput, de minister het andere nog kan aanwenden.

Artikel 7. Subsidieaanvraag

Dit artikel regelt wat de subsidieaanvrager in de aanvraag moet vermelden en welke stukken bij de aanvraag moeten worden ingediend. Op grond van artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS moet een activiteitenplan en een begroting worden opgesteld en moeten deze documenten worden ingediend bij de aanvraag.

In het derde lid is bepaald dat in aanvulling op artikel 3.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS de aanvraag tot verlening van een subsidie vergezeld gaat van een de-minimisverklaring. Deze voorwaarde is gesteld om subsidie te verstrekken in lijn met de de-minimisverordening. Op grond van deze regeling wordt uitsluitend subsidie verstrekt indien deze in overeenstemming is met de de-minimisverordening. Hierdoor is er geen sprake van ongeoorloofde staatssteun. Subsidie op grond van deze regeling bedraagt ten hoogste € 200.000. Aangezien de subsidie op grond van de de-minimisverordening ten hoogste € 200.000 over een periode van drie jaar mag bedragen, kan subsidie op grond van deze regeling in principe onder deze verordening vallen. Subsidie wordt alleen verstrekt indien een subsidieaanvrager een de-minimisverklaring ondertekent, waarmee de aanvrager verklaart dat hij met de aangevraagde subsidie niet boven het voornoemde bedrag van € 200.000 over een periode van drie jaar zal komen. Indien sprake is van een samenwerkingsverband dienen alle partijen een de-minimisverklaring te ondertekenen. Voor de landbouwsector geldt een uitzondering. Op basis van de landbouw de-minimisverordening mag de maximale steun aan ondernemingen in de landbouwsector niet meer dan € 20.000 zijn. Daarom is de maximale subsidie voor die bedragen gelijkgesteld aan € 20.000.

In het vijfde lid is bepaald dat in per aanvraagtijdvak de subsidieaanvrager slechts een aanvraag doen voor eenzelfde initiatief. De subsidieaanvrager mag per aanvraagtijdvak zodoende wel subsidie voor meerdere verschillende initiatieven aanvragen.

Indien de kosten van het initiatief al in aanmerking komen voor andere financiering van overheidswege, komen deze niet voor subsidie in aanmerking. Zie in dat kader artikel 13, eerste lid, onderdeel e. Het is mede in dat kader dat in het zevende lid is bepaald dat de subsidieaanvrager moet vermelden of voor dezelfde begrote kosten ook subsidie of een andere financiële bijdrage is aangevraagd.

Artikel 8. Rangschikking behandeling subsidieaanvragen

In artikel 8 wordt geregeld dat de minister de subsidieaanvragen, indien het subsidieplafond door het totaal aan aangevraagde subsidie wordt overschreden, afhandelt op een door loting bepaalde volgorde. De keuze voor loting, neemt de druk op aanvragers weg om direct na het openen van het aanvraagtijdvak een aanvraag in te dienen. De loting voorkomt daarmee niet alleen stress bij aanvragers, maar ook overbelasting van Uitvoering van Beleid.

De loting wordt na sluiting van het aanvraagtijdvak uitgevoerd door een notaris. De volgorde die door loting wordt vastgesteld, is bepalend voor de volgorde van afhandeling. De loting leidt niet tot een schifting van aanvragen die zijn ingeloot, maar alleen tot een volgorde voor afhandeling. De loting betreft alleen aanvragen die volledig (ontvankelijk) zijn.

Aanvragen die op het moment van loting nog niet volledig zijn, belanden pas op het moment dat die herzien zijn door de aanvrager én wel volledig zijn, achteraan de rij die op basis van de loting is vastgesteld. Het is dus belangrijk een volledige subsidieaanvraag in te dienen. Voor de volgorde van plaatsing in de rij van de herziene aanvragen, is het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend. Bij een onvolledige aanvraag heeft de aanvrager er zodoende belang bij de aanvraag zo spoedig mogelijk aan te vullen.

Artikel 9. Beschikking tot subsidieverlening

In de beschikking tot subsidieverlening is onder meer opgenomen de aanvang van subsidieverlening en de hieraan gekoppelde maximale looptijd van het initiatief.

Artikel 10. Weigeringsgronden

De weigeringsgronden als weergegeven in artikel 10 moeten ruim worden uitgelegd. Onder onderdeel a valt bijvoorbeeld de situatie dat een opdracht als bedoeld onder artikel 12, derde lid, bewust wordt gesplitst om onder de € 50.000 uit te komen.

Een aanvraag die ziet op een beroepsopleiding in de beroepsbegeleidende of beroepsopleidende leerweg, als weergegeven in onderdeel c, komt niet voor subsidie in aanmerking op grond van deze regeling, omdat de Subsidieregeling praktijkleren daarin voorziet.

Met ‘commerciële doeleinden’ in onderdeel k wordt bedoeld dat de werkzaamheden van de aanvrager niet mogen zijn gericht op het maken van winst.

Artikel 11. Looptijd

Voor initiatieven van mkb-ondernemingen geldt een maximale looptijd van 12 maanden. Hierdoor heeft een mkb-ondernemingen nooit te maken met een tussentijdse rapportageverplichting, zoals is bepaald in artikel 16. Een voortgangsverslag is immers pas vereist indien een initiatief een langere looptijd kent dan 12 maanden.

Voor initiatieven van samenwerkingsverbanden en grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector geldt een langere maximale looptijd van 24 maanden, omdat initiatieven van samenwerkingsverbanden en grootbedrijven in de landbouw-, horeca- of recreatiesector, veelal omvangrijker zullen zijn dan de initiatieven van mkb-ondernemingen. Voorts hebben samenwerkingsverbanden ook tijd nodig om tot een samenwerking te komen.

Artikel 12. Subsidiabele kosten

In artikel 12 is bepaald welke kosten voor subsidie in aanmerking komen, als het gaat om een initiatief als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c. Voor een initiatief als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel d, geldt een tegemoetkoming in de kosten.

Het eerste lid bepaalt dat alleen voor subsidie in aanmerking komen, kosten gemaakt door externe partijen, of directe loonkosten van direct bij het initiatief betrokken personeel. De directe loonkosten worden berekend op basis van werkelijk gerealiseerde uren tegen een individueel bruto uurtarief. De berekening van de loonkosten bestaat uit de som van de componenten brutoloon (basisbedrag zonder toeslagen) en de (vaste) eindejaarsuitkering. Deze som wordt vermeerderd met een opslag van 32% voor werkgeverslasten. Om het uurtarief te berekenen, worden de totale loonkosten bij een voltijds dienstverband gedeeld door 1.720 uur per jaar. Deze berekeningswijze geldt bijvoorbeeld ook in het geval een 36-urige werkweek op basis van de collectieve arbeidsovereenkomst als een voltijds dienstverband wordt gezien. Indien het dienstverband van een medewerker minder uren dan een voltijds dienstverband bedraagt, dient het aantal werkbare uren evenredig te worden toegepast.

Bovenop de externe kosten geldt een flat rate van 15%. Deze flat rate is bedoeld om de overige gemaakte kosten, zoals indirecte kosten, te subsidiëren. Onder indirecte kosten vallen bijvoorbeeld exploitatiekosten, reiskosten, kosten voor een werkplek, ontwikkelkosten, afschrijvingskosten enz. Deze kosten mogen dan ook niet afzonderlijk worden gedeclareerd. De kosten die worden gesubsidieerd doormiddel van de flat rate hoeven niet te worden verantwoord.

Uit het derde en vierde lid volgt dat de subsidieaanvrager ervoor zorg dient te dragen dat de prijs voor externe opdrachten marktconform is. Bij externe kosten dient een transparante inkoopprocedure te hebben plaatsgevonden. Als de opdracht die wordt uitbesteed het drempelbedrag van € 50.000 te boven gaat, worden in ieder geval drie offertes opgevraagd en beoordeeld. Aanvragers hoeven geen marktconformiteit aan te tonen indien zij een adviseur inhuren tegen een uurtarief van maximaal € 125 exclusief btw. Uiteraard dienen de kosten te allen tijde redelijk te zijn.

De externe opdrachten dienen te voldoen aan het ‘arm’s length’-beginsel. Dat wil zeggen dat de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen niet afwijken van die welke zouden zijn overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Om die reden zijn transacties tussen partijen waarvan bestuurders bestuurlijke banden hebben met de subsidieaanvrager of partners uit een samenwerkingsverband, uitgesloten.

Artikel 13. Niet subsidiabele kosten

In artikel 13 is bepaald welke kosten niet voor subsidie in aanmerking komen, als het gaat om een initiatief als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b en c. Voor een initiatief als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel d, geldt een tegemoetkoming in de kosten, wat is geregeld in artikel 14.

Geen subsidie wordt verleend voor naar het oordeel van de minister onredelijke of niet-noodzakelijk gemaakte kosten voor de uitvoering van (een onderdeel van) het initiatief. Daarnaast moeten kosten qua prijs in verhouding staan tot de prestaties. Tevens wordt opgemerkt dat loonverletkosten van deelnemers aan een initiatief, bijvoorbeeld wanneer zij deelnemen aan cursussen en trainingen, niet subsidiabel zijn. De subsidie dient geheel ten goede te komen aan de daadwerkelijke uitvoering van het initiatief. Kosten voor overhead en de kosten voor administratie en beheer kunnen niet als afzonderlijke kosten worden opgevoerd. Deze kunnen gefinancierd worden uit de toeslag, bedoeld in artikel 12, eerste lid, onderdeel c.

Activiteiten moeten niet gericht zijn op de zorgplicht en wettelijke plicht van de werkgever. Hierbij kan worden gedacht aan de risico-inventarisatie en -evaluatie, het periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek op grond van de Arbeidsomstandighedenwet, of gangbare branchestandaarden als ISO-certificering en VCA-certificering. Deze opsomming is niet limitatief.

De (externe) opleidingskosten van werknemers zijn niet subsidiabel. Binnen activiteiten vallend onder artikel 4, eerste lid, onderdeel c, kunnen wel loonkosten opgevoerd worden van een opleider, voor zover de opleider onderdeel is van de te ontwikkelen of in te voeren methode.

Tenslotte kan btw niet worden opgevoerd. Dit geldt ook voor niet btw-plichtige organisaties.

Artikel 14. Subsidiabele vergoeding praktijkleerplaatsen

Voor een initiatief als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, wordt niet een percentage van de gemaakte kosten vergoed, maar kan de subsidieaanvrager een vergoeding ontvangen. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de duur van het initiatief en kent een maximum van € 2.700 op jaarbasis en een maximum van 40 weken. De berekening wordt dan als volgt: € 2.700 / 40 weken, maal het aantal weken dat een deelnemer daadwerkelijk bij de beroepspraktijkvorming aanwezig is geweest.

Artikel 15. Administratievoorschriften

In aanvulling op artikel 5.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, regelt dit artikel aan welke administratievoorwaarden de subsidieaanvrager moet voldoen.

De subsidieontvanger dient een inzichtelijke en controleerbare administratie bij te houden met betrekking tot uitvoering van het project en in verband daarmee met de gemaakte subsidiabele kosten en de verworven opbrengsten. Met subsidiabele kosten dienen conform artikel 12, tweede lid, te zijn betaald. De betaling van de kosten zal uit de financiële administratie moeten blijken. Daarnaast moet de wijze van toerekening blijken uit de financiële administratie.

In het zesde lid zijn voor activiteiten als bedoeld onder artikel 4, eerste lid, onderdeel a, b of c, nadere administratievoorschriften opgenomen. Bij de gemoeide producten als weergegeven in onderdeel c kan gedacht worden aan bijvoorbeeld instrumenten, formats, communicatiematerialen enz.

De voorwaarden als weergegeven in het zesde lid, onderdeel d, onder 1 en 2, zijn afkomstig uit artikel 5 van de Subsidieregeling praktijkleren. Een praktijkleerovereenkomst dient te zijn ondertekend door de deelnemer, het leerbedrijf en het bevoegd gezag van de betreffende onderwijsinstelling. De stukken hoeven niet te worden meegestuurd bij de eindverantwoording maar moeten wel beschikbaar zijn voor eventuele controle. Van alle deelnemende bedrijven worden de KvK-nummers vastgelegd.

Afhankelijk van de projectactiviteiten moet er ook een deelnemersadministratie worden gevoerd. Het voeren van een deelnemersadministratie is noodzakelijk wanneer subsidiabele activiteiten worden uitgevoerd die direct aan deelnemers zijn gerelateerd.

De volledige administratie is per project aanwezig op één locatie. De subsidieontvanger is zelf verantwoordelijk voor een juiste opslag van bescheiden, ook wanneer de subsidieontvanger deze verplichting heeft uitbesteed aan een derde partij. De subsidieontvanger dient er ook voor te zorgen dat de bescheiden vrij toegankelijk zijn en blijven, in acht genomen de ontwikkelingen met betrekking tot digitale netwerken en databases zoals clouds. De administratie moet voldoen aan de eisen in de Algemene verordening gegevensbescherming.

Artikel 16. Rapportageverplichting

Indien een subsidieaanvraag is ingediend voor een initiatief dat een periode beslaat van meer dan een jaar, is vereist dat de subsidieaanvrager tussentijds een voortgangsverslag overlegt. Aangezien de maximale looptijd van initiatief van een mkb-onderneming 12 maanden is, geldt voor mkb-ondernemingen die zelfstandig een aanvraag indienen geen rapportgageverlichting.

Hoofdstuk 2. Subsidieverlening aan het mkb

Artikel 17. Aanvraaggerechtigde

Zoals aangegeven ziet de regeling op subsidieverlening aan het mkb en aan grootbedrijven in de landbouw-, horeca- en recreatiesector. Subsidieverlening aan het mkb is nader geregeld in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3. Hoofdstuk 2 heeft enkel betrekking op aanvragen die zelfstandig zijn ingediend door een mkb-onderneming. Hoofdstuk 3 ziet op aanvragen door samenwerkingsverbanden. Wordt op grond van hoofdstuk 2 een aanvraag ingediend door een subsidieaanvrager die niet is aan te merken als een mkb-onderneming, dan wordt de subsidieaanvraag geweigerd.

Artikel 18. Subsidiebedrag en subsidiabele kosten

Dit artikel geeft aan welk percentage subsidiabele kosten kan worden vergoed en wat het maximum van te vergoeden kosten per initiatief is. Voor landbouwbedrijven is deze grens overeenkomstig de staatssteungrens gesteld.

Hoofdstuk 3 Subsidieverlening aan samenwerkingsverbanden

Artikel 19. Aanvraaggerechtigde

Hoofdstuk 3 heeft betrekking op het mkb, waarbij de aanvraag wordt gedaan door een hoofdaanvrager van een samenwerkingsverband. Een samenwerkingsverband kan bestaan uit diverse organisaties, maar de hoofdaanvrager van een samenwerkingsverband moet zijn een brancheorganisatie, mkb-onderneming, onderwijsinstelling, O&O-fonds of werknemers- of werkgeversvereniging. Voorts dient de hoofdaanvrager te kunnen aantonen gerechtigd te zijn om namens alle partijen in het samenwerkingsverband te mogen handelen.

Wordt op grond van hoofdstuk 3 een aanvraag ingediend door een subsidieaanvrager die niet is aan te merken als hoofdaanvrager, dan wordt de subsidieaanvraag geweigerd.

Artikel 20. Subsidiebedrag

De grens van € 200.000 die is gesteld voor partijen van samenwerkingsverbanden is overeenkomstig de staatssteungrens. Voor landbouwbedrijven ligt deze grens bij € 20.000, vandaar dat hiervoor een uitzondering geldt.

De gesubsidieerde kosten voor een subsidieaanvraag van een samenwerkingsverband worden op basis van de door de partijen in het samenwerkingsverband gemaakte kosten verdeeld.

Artikel 21. Specifieke eisen subsidieaanvraag en administratie samenwerkingsverbanden

Onder het eerste lid, onderdeel b, is een begroting vereist waaruit een verdeling van kosten tussen de partijen in het samenwerkingsverband volgt.

Het tweede lid bepaalt dat de hoofdaanvrager verantwoordelijk is voor de administratievoorschriften als bedoeld in artikel 15. Elke partij binnen een samenwerkingsverband dient uiteraard zelf zijn administratie bij te houden, maar het is de hoofdaanvrager die eindverantwoordelijk is in het voldoen aan de voorschriften als bedoeld in artikel 15.

Hoofdstuk 4 Subsidieverlening aan grootbedrijven in de landbouw- horeca- of recreatiesector

Artikel 22. Aanvraaggerechtigde

Hoofdstuk 4 heeft enkel betrekking op subsidieverlening aan grootbedrijven in de specifieke sector landbouw- horeca- of recreatie. Deze grootbedrijven kunnen zelfstandig een aanvraag indienen.

Een grootbedrijf wordt aangemerkt als werkzaam in de sector landbouw, horeca of recreatie, indien de hoofdactiviteit een SBI-code kent dat een van deze sectoren aanduidt. In geval van meerdere hoofdactiviteiten is het voldoende als tenminste een hoofdactiviteit valt onder de SBI-codes landbouw, horeca of recreatie.

Wordt op grond van hoofdstuk 4 een aanvraag ingediend door een subsidieaanvrager die niet is aan te merken als een grootbedrijven in de specifieke sector landbouw- horeca- of recreatie, dan wordt de subsidieaanvraag geweigerd.

Is er wel sprake van seizoensgebonden arbeid zoals in de sectoren landbouw, horeca en recreatie vaak het geval is, maar kan de onderneming niet worden gekwalificeerd als een grootbedrijf, dan heeft de onderneming de mogelijkheid om subsidie aan te vragen op grond van hoofdstuk 2, of 3, afhankelijk of zelfstandig wordt geopereerd of in een samenwerkingsverband.

Artikel 23. Subsidiebedrag

De grens van € 200.000 is overeenkomstig de staatssteungrens. Voor landbouwbedrijven ligt deze grens bij € 20.000, vandaar dat hiervoor een uitzondering geldt.

Hoofdstuk 5 Subsidievaststelling

Artikel 24. Einddeclaratie en subsidievaststelling

In aanvulling op paragraaf 7.2 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS, regelt dit artikel onder meer waaruit het verzoek tot vaststelling bestaat. Overeenkomstig de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS zijn de gestelde eisen afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag.

Een verzoek tot subsidievaststelling bevat tenminste een verslag van de uitgevoerde activiteiten en een overzicht van de gerealiseerde kosten en voor zover van toepassing opbrengsten per activiteit. Voor beide documenten wordt online een – verplicht – format beschikbaar gesteld. De subsidieaanvrager hoeft bij het verzoek tot subsidievaststelling niet de in artikel 15 genoemde onderliggende stukken uit de administratie mee te sturen. De minister kan steekproefsgewijs wel onderliggende stukken opvragen.

Voor aanvragen waarvoor € 25.000 of meer subsidie is verleend, waaronder aanvragen van een samenwerkingsverband zijn begrepen, dient bovendien een separaat verslag van de uitgevoerde evaluatie te worden geleverd. Voor projecten waarvoor € 125.000 of meer subsidie is verleend, is overeenkomstig de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS bovendien een controleverklaring inclusief een rapport van feitelijke bevindingen opgesteld door een accountant vereist.

Om te voorkomen dat subsidie wordt aangevraagd, maar vervolgens niet of nauwelijks producten worden gerealiseerd, is in het vierde lid opgenomen dat geen subsidie wordt verstrekt wanneer de gemaakte kosten lager zijn dan 60% van de aangevraagde subsidie. Tot uiterlijk twee maanden voor afloop van de uitvoering van het initiatief kan door de hoofdaanvrager, mits op redelijke en billijke gronden, een wijzigingsverzoek worden ingediend.

Artikel 25. Intrekking en terugvordering

In dit artikel wordt uiteengezet dat een beschikking tot subsidieverlening gedeeltelijk of geheel kan worden ingetrokken indien aan een van de gronden in het eerste lid wordt voldaan.

Wanneer betaalde bedragen worden teruggevorderd, ontvangt subsidieontvanger een (terugvordering)beschikking met daarin de vermelding van de te betalen geldsom. Conform artikel 4:97 Awb is subsidieontvanger verplicht binnen zes weken na bekendmaking van de beschikking tot betaling over te gaan. Betaalt de subsidieontvanger niet binnen de zes weken, dan is de subsidieontvanger in verzuim en begint de termijn te lopen waarover de subsidieontvanger wettelijke rente verschuldigd is over het te betalen bedrag.

Betaalt de subsidieontvanger niet binnen zes weken dan kan de subsidieontvanger worden aangemaand binnen twee weken alsnog te betalen. Blijft betaling nog steeds uit dan zal betaling bij dwangbevel worden ingevorderd. De kosten verband houdend met de terugvordering worden bij de subsidieontvanger in rekening gebracht.

Artikel 26. Evaluatie van de initiatieven

Subsidieaanvragers die een subsidie van meer dan € 25.000 ontvangen moeten op grond van artikel 24 van de regeling een evaluatieverslag indienen bij het verzoek om vaststelling van de subsidie. In dit evaluatieverslag moet de uitvoering van het initiatief worden beoordeeld op bereik, doeltreffendheid en doelmatigheid.

In het verslag wordt het initiatief beschreven en wordt beschreven hoe het initiatief is geïmplementeerd en uitgevoerd. Verder moet worden ingegaan op de leerervaringen die zijn opgedaan bij de uitvoering van het initiatief. Tot slot bevat het verslag een overzicht van de resultaten die bereikt zijn met de uitvoering van het initiatief.

Hoofdstuk 6. Evaluatie en slotbepalingen

Artikel 28. Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2020. Dit is in lijn met het beleid inzake vaste verandermomenten, zoals opgenomen in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2025, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op een subsidie die krachtens deze regeling is verstrekt.

Artikel 29. Citeertitel

Deze regeling wordt ook wel afgekort aangehaald als SLIM-regeling.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, W. Koolmees


X Noot
1

Dit wordt ook geconstateerd door de OESO, SER en Commissie vraagfinanciering mbo. De rapporten graag vermelden met vindplaatsen.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 45.

X Noot
3

Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 50.

X Noot
4

Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 68, Brief Uitvoering van de motie Heerma c.s. 21 augustus 2019.

X Noot
5

Formeel leren betreft de diplomagerichte opleidingen die door de overheid erkend worden, bijvoorbeeld opleidingen in het mbo of hoger onderwijs. Bij non-formeel leren gaat het om cursussen, trainingen en bedrijfsspecifieke opleidingen, die private opleiders kunnen aanbieden, of die als private activiteit door publiek bekostigde onderwijsinstellingen kunnen worden aangeboden. Bij informeel leren gaat het vaak om ongestructureerd leren door het opdoen van ervaring: men leert zonder dat men de intentie heeft om te leren. Er vindt geen certificering plaats. Bron: Onderwijsraad, Leren in samenspel (2003).

X Noot
6

OECD Skills Strategy, Diagnostic Report Netherlands, p. 24 en 25.

X Noot
7

Panteia (2019) Belemmeringen voor een Leven Lang Ontwikkelen.

X Noot
8

Kamerstukken II 2018–19, 30 012, nr. 92.

X Noot
9

Op 20 september 2019 is de concept-regeling naar de Kamer verstuurd. Kamerstukken II 2018/19, 30 012, nr. 121.

X Noot
10

Dit wordt ook geconstateerd door de OESO, SER en Commissie vraagfinanciering mbo.

X Noot
12

Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 50.

X Noot
13

Kamerstukken II 2018/19, 35 074, nr. 45.

X Noot
14

Opleidingskosten voor deze onderwijsvormen kunnen vanaf 2022 wel vergoed worden onder het STAP-budget.

X Noot
15

Onder een middelgrote onderneming wordt verstaan een onderneming waar meer dan 50 maar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet € 50 miljoen en/of het jaarlijkse balanstotaal € 43 miljoen niet overschrijdt.

X Noot
16

Onder grootbedrijf wordt in dit verband verstaan een onderneming waar meer dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet hoger is dan € 50 miljoen (of de jaarlijkse balanstotaal hoger is dan € 43 miljoen).

X Noot
17

Of het bedrijf valt onder de sector landbouw, horeca of recreatie moet blijken uit de code voor de Standaard Bedrijfsindeling van het CBS.

X Noot
18

Onder kleine onderneming wordt verstaan een onderneming waar minder dan 50 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet of het jaarlijkse balanstotaal € 10 miljoen niet overschrijdt.

X Noot
19

Verordening (EU) Nr. 1408/2013.

X Noot
20

Onder mkb-onderneming wordt in dit verband verstaan een onderneming waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet maximaal € 50 miljoen is of waarvan de jaarlijkse balanstotaal maximaal € 43 miljoen is.

X Noot
21

Onder grootbedrijf wordt in dit verband verstaan een onderneming waar meer dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet hoger is dan € 50 miljoen (of de jaarlijkse balanstotaal hoger is dan € 43 miljoen).

X Noot
22

Of het bedrijf valt onder de sector landbouw, horeca of recreatie moet blijken uit de code voor de Standaard Bedrijfsindeling van het CBS.

X Noot
23

Verordening (EU) 1408/2013.

X Noot
24

Daarnaast is vanuit deze motie € 10,6 miljoen ondergebracht in een apart compartiment van de Subsidieregeling praktijkleren, zodat mkb-ondernemers in de eerder genoemde drie sectoren extra subsidie ontvangen voor het aanbieden van bbl-leerplekken bovenop het bedrag aan subsidie waarop zij op grond van de huidige regeling praktijkleren al aanspraak kunnen maken. Deze middelen zijn opgenomen in de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.