Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2019, 66184Besluiten van algemene strekking

Wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst

Directoraat-generaal Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek

Besluit van 20 december 2019, nr. 2019-22295

De Minister van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit wijzigt het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van 28 juni 2016, nr. BLKB2016/695M ( Stcrt. 2016, 34921 ). De wijziging betreft enkele noodzakelijke actualisaties.

ARTIKEL I

Het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst van 28 juni 2016, nr. BLKB2016/695M (Stcrt. 2016, 34921), wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan § 1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Dit besluit werd gewijzigd bij besluit van 20 december 2019, nr. 2019-22295 (Stcrt. 2019, 66184). De wijziging betrof de paragrafen 2, 5, 7, 8, 9, 25, 28b, 28c, 28f, 28h, 33 en 37. Het betrof de verwerking van enkele noodzakelijke actualisaties.

B

§ 2 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. Het zesde lid komt te luiden:

    • 6. Een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete aan een medepleger, doen pleger, uitlokker, medeplichtige, feitelijk leidinggever of opdrachtgever wordt genomen met voorafgaande toestemming van de algemeen directeur van een van de organisatieonderdelen genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel a1, b2, en c1, van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003 en de hoofddirecteur van de concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken van de Belastingdienst (Cd FJZ).

  • 2. Er wordt een zevende lid toegevoegd, luidende:

    • 7. Het vorige lid en § 12 zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot het openbaar maken van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 67r van de AWR.

C

In § 5, zesde lid, vervalt: “als ook de aangiftebelastingen”.

D

§ 7, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Als sprake is van inkeer als bedoeld in artikel 67n, tweede of derde lid, van de AWR, dan geldt de inkeer als strafverminderende omstandigheid.

E

In § 8, eerste lid, wordt “§ 25 tot en met § 28” vervangen door “hoofdstuk 3”.

F

§ 9 vervalt.

G

§ 25, negende lid, vervalt.

H

In § 28b, vierde en vijfde lid, en § 28c, zesde en zevende lid, worden de bedragen € 5.278, € 1.319 en € 2.639 vervangen door respectievelijk € 5.514, € 1.378 en € 2.757.

I

§ 28f komt te luiden:

  • 1. Indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de in artikel 11, eerste of tweede lid, van de WIB bedoelde verplichtingen niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist zijn of worden nagekomen, vormt dit een vergrijp ter zake waarvan door of namens de Minister van Financiën een vergrijpboete wordt opgelegd (artikel 11, eerste en tweede lid, van de WIB).

  • 2. De in artikel 11, eerste lid, van de WIB bedoelde vergrijpboete bedraagt, in geval van grove schuld, 25 procent van het wettelijk maximum van artikel 11, eerste lid, van de WIB en, in geval van opzet, 50 procent van dit maximum.

  • 3. De hoogte van de in artikel 11, tweede lid, van de WIB bedoelde vergrijpboete wordt, onverminderd de toepassing van § 6 tot en met 8, in overleg met de vaktechnisch coördinator formeel recht bepaald.

  • 4. Er wordt terughoudend omgegaan met het opleggen van een vergrijpboete op grond van artikel 11, tweede lid, van de WIB voor meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies waarvan de eerste stap van de implementatie is gezet vóór 1 juli 2020.

J

§ 28h komt te luiden:

  • 1. Indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de in artikel 29h, eerste lid, van de Wet Vpb bedoelde verplichtingen niet, niet tijdig, niet volledig of niet juist zijn of worden nagekomen, legt de inspecteur een vergrijpboete op (artikel 29h, eerste lid, van de Wet Vpb).

  • 2. De hoogte van de vergrijpboete wordt, onverminderd de toepassing van § 6 tot en met 8, in overleg met de vaktechnisch coördinator formeel recht bepaald.

K

§ 33 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. Het eerste lid komt te luiden:

    • 1. Als de verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de betaaltermijn is betaald, vormt dit een verzuim als bedoeld in artikel 67c van de AWR (betalingsverzuim).

  • 2. Het vijfde lid wordt vervangen door:

    • 5. (Vervallen.)

L

§ 37 komt te luiden:

§ 37. Verzuimboete artikel 102a van de Wet op de accijns

  • 1. Degene die een in artikel 95a van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreedt, pleegt een verzuim waarvoor de inspecteur hem een verzuimboete kan opleggen (artikel 102a van de Wet op de accijns).

  • 2. De verzuimboete bedraagt € 5.514 of, indien dit bedrag hoger is, 1,5 keer het bedrag van de accijns dat geheven zou zijn indien de verpakking voorzien was geweest van het per ingangsdatum van de nieuwe accijnstarieven, bedoeld in artikel 95a van de Wet op de accijns, bij de uitslag tot verbruik voor het desbetreffende tabaksproduct voorgeschreven accijnszegel.

  • 3. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in geval van recidive, kan de in het vorige lid bedoelde verzuimboete worden verhoogd tot 2 keer het bedrag van de accijns dat geheven zou zijn indien de verpakking voorzien was geweest van het per ingangsdatum van de nieuwe accijnstarieven, bedoeld in artikel 95a van de Wet op de accijns, bij de uitslag tot verbruik voor het desbetreffende tabaksproduct voorgeschreven accijnszegel.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2020, met dien verstande dat artikel I, onderdeel I, in werking treedt met ingang van 1 juli 2020.

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 20 december 2019

De Minister van Financiën, namens deze, J. de Blieck Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken

TOELICHTING

Artikel I, onderdeel A, voegt aan § 1 een zesde lid toe met een passage ter toelichting van de wijzigingen via dit besluit.

Artikel I, onderdeel B, wijzigt § 2. Het zesde lid is aangepast aan de nieuwe topstructuur van de Belastingdienst. Daarnaast is een zevende lid toegevoegd dat regelt dat het toestemmingsvereiste (zesde lid) en de paragraaf over kennisgeving en hoorplicht (§ 12) van overeenkomstige toepassing zijn op een besluit tot het openbaar maken van een bestuurlijke boete die is opgelegd aan beroepsbeoefenaren (artikel 67r van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; hierna: AWR).

Artikel I, onderdeel C, wijzigt § 5. De wijziging is redactioneel van aard. Een dubbele verwijzing naar de aangiftebelastingen wordt geschrapt. De gewijzigde volzin komt te luiden: De vrijwillige verbetering voor vergrijpboeten bij aangiftebelastingen is beleidsmatig in § 25 geregeld.

Artikel I, onderdeel D, wijzigt § 7. Het tweede lid is geactualiseerd vanwege de gewijzigde inkeerregeling. Na inkeer voor een aanslagbelasting kan in bepaalde situaties een vergrijpboete worden opgelegd (artikel 67n, tweede of derde lid, van de AWR). Als de inspecteur na inkeer een vergrijpboete oplegt, dan neemt hij de omstandigheid dat is ingekeerd in aanmerking als strafverminderende omstandigheid. De mate waarin dit gebirt is, net als bij de overige strafverminderende omstandigheden, afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Artikel I, onderdeel E, wijzigt § 8. Het eerste lid biedt de mogelijkheid om in bijzondere gevallen de op grond van § 25 tot en met § 28 bepaalde vergrijpboete hoger vast te stellen. De verwijzing naar § 25 tot en met § 28 is vervangen door een verwijzing naar hoofdstuk 3. Hiermee komt tot uitdrukking dat verhoging wegens bijzondere omstandigheden mogelijk is voor alle in dit hoofdstuk geregelde vergrijpboeten (paragrafen 25 tot en met 28h).

Artikel I, onderdeel F, laat § 9 vervallen. Deze paragraaf is achterhaald en kan daarom vervallen. Het tijdstip van betaling is geregeld in de Leidraad invordering (zie artikel 7.1 van de Leidraad invordering).

Artikel I, onderdeel G, laat § 25, negende lid, vervallen. Het negende lid beschreef de gevolgen van inkeer. Het lid vervalt, omdat een en ander volgt uit gewijzigd § 7, tweede lid.

Artikel I, onderdeel H, wijzigt § 28b en § 28c. De bedragen in § 28b, vierde en vijfde lid, en § 28c, zesde en zevende lid, worden verhoogd. Dit is in lijn met de indexatie van de verzuimboeten per 1 januari 2020 (zie artikel 67cb van de AWR en de Bijstellingsregeling directe belastingen 2020).

Artikel I, onderdeel I, wijzigt § 28f. De paragraaf wordt per 1 juli 2020 aangepast vanwege de uitbreiding van artikel 11 van de WIB met een boetegrondslag voor het niet voldoen aan de nieuwe informatieverplichting voor meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (nieuw artikel 11, tweede lid, van de WIB). Het opleggen van de vergrijpboete is maatwerk. Om de kwaliteit te borgen is bepaald dat de hoogte van de vergrijpboete in overleg met de vaktechnisch coördinator formeel recht wordt bepaald. Er zal terughoudend worden omgegaan met het opleggen van een vergrijpboete voor meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies waarvan de eerste stap van de implementatie is gezet vóór 1 juli 2020 (zie Kamerstukken II 2019/20, 35 255, nr. 6, p. 26-27).

Artikel I, onderdeel J, wijzigt § 28h. In het eerste lid is de boetegrondslag aangepast conform de Wet aanvullende regels uitwisseling landenrapporten. Ook hier is opgenomen dat de hoogte van de vergrijpboete in overleg met de vaktechnisch coördinator formeel recht wordt bepaald.

Artikel I, onderdeel K, wijzigt § 33. In het eerste en vijfde lid zijn beschrijvingen van het aangifte- en betalingsproces van de motorrijtuigenbelasting geschrapt. Deze informatie was hier overbodig en gaf aanleiding tot onduidelijkheid. De informatie is voor zover nodig vastgelegd in de betreffende wet- en regelgeving (o.a. in artikel 17 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994). Met de wijziging is § 33 teruggebracht tot de kern, het betalingsverzuim. Er is sprake van een betalingsverzuim als de verschuldigde motorrijtuigenbelasting (gedeeltelijk) niet of niet op tijd is betaald (artikel 67c van de AWR).

Artikel I, onderdeel L, wijzigt § 37. Uit artikel 102a, eerste lid, van de Wet op de accijns volgt dat als een verzuimboete wordt opgelegd, deze minimaal € 5.278 bedraagt (bedrag voor 2019). Deze ondergrens was abusievelijk niet opgenomen in § 37. Deze omissie wordt nu hersteld. In de wijziging is verwerkt dat de ondergrens per 1 januari 2020 wordt geïndexeerd en verhoogd naar € 5.514 (artikel 102a, tweede lid, van de Wet op de accijns en de Bijstellingsregeling indirecte belastingen 2020). De verzuimboete is voor het overige gehandhaafd op 75 procent van het wettelijk maximum. In uitzonderlijke gevallen, zoals bij recidive, kan de boete worden verhoogd tot het wettelijk maximum.

Artikel II regelt de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijzigingen. Deze datum wordt gesteld op 1 januari 2020, mer dien verstande dat artikel I, onderdeel I, in werking treedt met ingang van 1 juli 2020. Dit besluit is na de inwerkingtreding terstond uitgewerkt en bevat daarom geen vervalbepaling (zie Aanwijzing 6.25 van de Aanwijzingen voor de regelgeving).

De Minister van Financiën, namens deze, J. de Blieck Hoofddirecteur Fiscale en Juridische Zaken