Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
GeertruidenbergStaatscourant 2019, 65607Instelling gemeenschappelijke regelingen



Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie CJG Drimmelen Geertruidenberg

Logo Geertruidenberg

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Drimmelen en Geertruidenberg, ieder voor zover door de eigen gemeente bevoegd

 

gelet op

 

hoofdstuk I van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de toestemming van de gemeenteraden van de gemeenten Drimmelen en Geertruidenberg als bedoeld in artikel 1 lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen,

 

hebben besloten

 

de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

 

Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Centrum Jeugd en Gezin Drimmelen Geertruidenberg, hierna te noemen ‘CJG Drimmelen Geertruidenberg’

 

 

 

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1: Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    artikel: een artikel in deze regeling;

  • b.

    bedrijfsvoeringsorganisatie: CJG Drimmelen Geertruidenberg;

  • c.

    bestuur: het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • d.

    boekjaar: periode van 1 januari tot en met 31 december van elk kalenderjaar;

  • e.

    colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;

  • f.

    deelnemer: een aan deze regeling deelnemende gemeente;

  • g.

    deelnemende gemeenten: de gemeenten Drimmelen en Geertruidenberg;

  • h.

    regeling: de gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Centrum Jeugd en Gezin Drimmelen Geertruidenberg.

  •  

Artikel 2: Belang

Deze regeling wordt getroffen ter ondersteuning en uitvoering van taken van de colleges in het kader van de Jeugdwet, in het bijzonder toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van hulp voor ouders en jeugdigen door middel van:

  • a.

    het bieden van informatie en advies over opvoeden en opgroeien;

  • b.

    het bieden van ambulante jeugdhulp en gezinsbegeleiding op alle leefgebieden gericht op:

    ˚1. het veranderen of te leren hanteren van gedrag;

    ˚2. het versterken van opvoedvaardigheden van ouders;

    ˚3. het versterken van de zelfredzaamheid en weerbaarheid;

    ˚4. het creëren van goede pedagogische omstandigheden in het gezin;

    ˚5. het voorkomen van onveiligheid.

  • c.

    Coördinatie van jeugdhulp en arrangeren van passende zorg;

  • d.

    Participatiebevordering door het stimuleren en faciliteren van informele netwerken.

 

Artikel 3: Bevoegdheden

  • 1.

    De colleges verstrekken, voor zover nodig, ter uitvoering van de taken als bedoeld in Artikel 2 mandaat respectievelijk machtiging of volmacht aan het bestuur omtrent:

    a. Het beslissen op aanvragen om een individuele (jeugdhulp) voorziening in natura of als pgb;

    b. Het ontvangen van hulpvragen;

    c. Het verrichten van (voor-)onderzoek, al dan niet op basis van een ondersteuningsplan naar de hulpvraag, het gewenste resultaat en mogelijke oplossingsrichtingen;

    d. Het in overleg met de jeugdige/ouders afzien van een gesprek;

    e. Het opstellen van een ondersteuningsplan als bedoeld in de verordeningen jeugdhulp van de betreffende deelnemers en het verstrekken hiervan aan de jeugdige/ouders;

    f. Het wijzen van jeugdigen, ouders of pleegouders op de mogelijkheid dat zij een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon;

    g. Het ontvangen van aanvragen voor individuele voorzieningen in natura of in de vorm van een pgb;

    h. Het ontvangen van notificaties ten behoeve van de regiefunctie via de Collectieve opdrachtrouteervoorziening (CORV);

    i. Het versturen van berichten en ontvangen van notificaties in het kader van kinderbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregelen via de Collectieve opdrachtrouteervoorziening (CORV);

    j. Inwinnen van advies bij specialisten ten behoeve van de beoordeling aanvraag individuele voorziening of de voortgang hiervan;

    k. Beslissingen aangaande een persoonsgebonden budget herzien dan wel intrekken als bedoeld in artikel 8.1.4 van de Jeugdwet;

    l. Het nemen van een besluit tot toepassing hardheidsclausule als bedoeld in de verordeningen jeugdhulp van de betreffende deelnemers;

    m. Het bij het treffen van een individuele voorziening zo nodig in overleg treden met het bevoegd gezag van de school waar de jeugdige schoolgaand is;

    n. Het zo spoedig mogelijk treffen van een passende tijdelijke maatregel in spoedeisende gevallen;

    o. Pgb zorgovereenkomsten inhoudelijk goedkeuren;

    p. Informatie uitwisselen met de sociale verzekeringsbank (SVB) over pgb-cliënten via de webportal “mijn pgb voor gemeenten” van de SVB of enige andere daarvoor op enige moment beschikbare voorziening;

    q. Het vooraf inlichten van de jeugdige en zijn ouder(s) over de keuze voor een pgb dan wel een individuele voorziening in natura;

    r. Doen van een verzoek tot onderzoek of een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen moet worden bij de raad voor de kinderbescherming (RvdK);

    s. Voeren van overleg met de gecertificeerde instelling (GI) over de wijze van verlening van jeugdhulp ter uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering;

    t. Het nemen van een besluit dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf, niet zijnde verblijf bij een pleegouder, nodig is als bedoeld in artikel 6.1.2 lid 5 Jeugdwet;

    u. Doen van een verzoek aan de kinderrechter tot het verkrijgen van een machtiging, spoedmachtiging of voorwaardelijke machtiging tot het opnemen van een jeugdige in een gesloten accommodatie;

    v. Overleggen van bescheiden als bedoeld in artikel 6.1.9 lid 1 Jeugdwet;

    w. Gehoord worden door de kinderrechter in geval van het verlenen van een machtiging, spoedmachtiging of voorwaardelijke machtiging of in geval van een vervallenverklaring als bedoeld in artikel 6.1.7 Jeugdwet;

    x. Doen van mededeling aan de RvdK van het vervallen van de machtiging als bedoeld in artikel 6.1.12, lid 4, Jeugdwet, alsmede van het besluit om geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging;

    y. Richten van een verzoek aan de rechter om in zijn beschikking inzake de machtiging (ex art. 6.1.2, 6.1.3, 6.1.4 Jeugdwet) te bepalen dat deze in plaats van in een geregistreerde gesloten accommodatie ten uitvoer wordt gelegd in een inrichting als bedoeld in artikel 1 Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

    z. Het nemen van besluiten over verlengen of opschorten van beslistermijnen in verband met aanvragen om individuele voorzieningen en, naar aanleiding van ingebrekestellingen, vaststellen van eventuele dwangsommen op grond van artikel 4:18 van de Algemene wet bestuursrecht;

    aa. Het verwerken van persoonsgegevens in het kader van de uitvoering van artikel 7.4.0 van de Jeugdwet. Voor zover nodig wordt (het bestuur van) CJG Drimmelen Geertruidenberg door beide colleges aangewezen als persoon als bedoeld in artikel 7.4.0 van de Jeugdwet.

  • 2.

    Het bestuur is bevoegd om de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van het personeel van CJG Drimmelen Geertruidenberg vast te stellen.

  • 3.

    De colleges kunnen bij gezamenlijk besluit andere dan de in het eerste en tweede lid genoemde bevoegdheden aan het bestuur overdragen respectievelijk dienaangaande mandaat, volmacht of machtiging verlenen.

  • 4.

    Het bestuur is bevoegd om ten aanzien van de bevoegdheden waarvoor aan haar ingevolge het eerste of derde lid van dit Artikel mandaat, volmacht of machtiging is verleend, ondermandaat, ondermachtiging of ondervolmacht te verlenen aan een of meer door het bestuur aan te wijzen personen.

  • 5.

    Alle bevoegdheden bij of krachtens enige wet die van toepassing is op de bedrijfsvoeringsorganisatie, komen toe aan het bestuur.

 

Artikel 4: Kaders voor de taak- en bevoegdheidsuitoefening

  • 1.

    Het bestuur dient bij de uitoefening van de taken als bedoeld in Artikel 2 en de bevoegdheden als bedoeld in Artikel 3 met betrekking tot jeugdigen en ouders met woonplaats in de gemeente Drimmelen te handelen in overeenstemming met de door het gemeentebestuur van de gemeente Drimmelen vastgestelde regels bij en krachtens de Jeugdwet en het door het gemeentebestuur met betrekking tot die taken en bevoegdheden vastgestelde beleid.

  • 2.

    Het bestuur dient bij de uitoefening van de taken als bedoeld in Artikel 2 en de bevoegdheden als bedoeld in Artikel 3 met betrekking tot jeugdigen en ouders met woonplaats in de gemeente Geertruidenberg te handelen in overeenstemming met de door het gemeentebestuur van de gemeente Geertruidenberg vastgestelde regels bij en krachtens de Jeugdwet en het door het gemeentebestuur met betrekking tot die taken en bevoegdheden vastgestelde beleid.

     

Hoofdstuk 2: Structuur bedrijfsvoeringsorganisatie

 

Artikel 5: Bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1.

    Het CJG Drimmelen Geertruidenberg is een bedrijfsvoeringsorganisatie in de zin van artikel 8, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2.

    Het CJG Drimmelen Geertruidenberg is gevestigd te Geertruidenberg.

 

Artikel 6: Samenstelling en benoeming bestuur

  • 1.

    Het bestuur bestaat uit twee leden.

  • 2.

    De colleges wijzen uit hun midden ieder één lid van het bestuur aan.

  • 3.

    De colleges wijzen voor ieder door hen aangewezen lid tevens een plaatsvervangend lid uit hun midden aan, dat het lid bij afwezigheid in het bestuur kan vervangen.

  • 4.

    De aanwijzing van de eerste bestuursleden van de bedrijfsvoeringsorganisatie geschiedt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden na inwerkingtreding van deze regeling.

  • 5.

    De aanwijzing als bedoeld in lid 2 en lid 3 van dit Artikel geschiedt, behoudens de situatie als bedoeld in lid 4 van dit Artikel, binnen twee maanden na het moment dat ten minste de helft van het aantal wethouders van de colleges is benoemd en deze benoemingen zijn aangenomen.

  • 6.

    Indien een zetel van een lid van het bestuur tussentijds vacant komt, wordt deze tijdelijk vervuld door het plaatsvervangend lid, en wijst het college van de betreffende deelnemer zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan.

 

Artikel 7: Vertegenwoordiging

  • 1.

    Het bestuur vertegenwoordigt gezamenlijk de bedrijfsvoeringsorganisatie in en buiten rechte.

  • 2.

    Het bestuur kan één of meer leden van het bestuur of andere personen een doorlopende vertegenwoordigingsbevoegdheid of procuratie verlenen.

 

Artikel 8: Beëindiging bestuurslidmaatschap

  • 1.

    Het lidmaatschap van een lid van het bestuur eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop dat lid ophoudt wethouder van de desbetreffende deelnemende gemeente te zijn.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 14a jo. 13, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen blijft het lid nadat zijn lidmaatschap van het bestuur is geëindigd als bedoeld in lid 1 van dit Artikel de bestuursfunctie waarnemen totdat er een nieuw bestuurslid is aangewezen.

  • 3.

    Een lid van het bestuur kan worden ontslagen door het college dat hem aangewezen heeft indien hij niet meer het vertrouwen van dat college bezit. Dit ontslag gaat per direct in, het plaatsvervangend lid neemt de bestuursfunctie waar tot er een nieuw bestuurslid is aangewezen.

  • 4.

    Een lid van het bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Van dit ontslag stelt het lid het bestuur, alsmede het college van de desbetreffende deelnemende gemeente die hem heeft aangewezen, schriftelijk op de hoogte. Het ontslag gaat in per direct of per de door het ontslag nemende lid aangegeven datum. Het plaatsvervangend lid neemt de bestuursfunctie waar tot er een nieuw bestuurslid is aangewezen.

 

Artikel 9: Directie

  • 1.

    Er is een directie die belast is met de dagelijkse en feitelijke leiding van de bedrijfsvoeringsorganisatie. De uitvoering van de dagelijkse en feitelijke leiding zal mede worden belegd bij de manager CJG. De manager CJG valt daarbij onder de directe verantwoordelijkheid van de directie.

  • 2.

    De directie bestaat uit twee leden. Per deelnemende gemeente wordt er één lid in de directie benoemd. De leden worden benoemd, geschorst en ontslagen door het bestuur.

  • 3.

    Als lid van de directie kunnen uitsluitend personen worden benoemd die een dienstverband bij één van de deelnemende gemeenten hebben. De leden van de directie worden door de deelnemende gemeenten kosteloos ter beschikking gesteld aan de bedrijfsvoeringsorganisatie.

  • 4.

    Een lid van de directie is geen lid van de colleges of de raden van de deelnemers.

  • 5.

    Het lidmaatschap van een lid van de directie eindigt van rechtswege op het tijdstip waarop het dienstverband bij één van de deelnemende gemeenten eindigt.

  •  

Artikel 10: Directiestatuut

  • 1.

    Het bestuur stelt een statuut vast waarin een beschrijving wordt gegeven van de taken en verantwoordelijkheden van de directie.

  • 2.

    In het statuut wordt vastgelegd ten aanzien van welke bevoegdheden aan de directie (onder)mandaat, (onder)volmacht en (onder)machtiging wordt verleend.

  • 3.

    Het directiestatuut kan worden gewijzigd door het bestuur bij unanimiteit van stemmen.

 

Hoofdstuk 3: Werkwijze bedrijfsvoeringsorganisatie

 

Artikel 11: Vergaderingen van het bestuur

  • 1.

    Het bestuur vergadert zo vaak als zij dat nodig acht, doch minimaal tweemaal per kalenderjaar.

  • 2.

    Het bestuur kan slechts vergaderen als alle leden van het bestuur aanwezig of vertegenwoordigd zijn.

  • 3.

    De directeuren nemen aan de vergadering van het bestuur deel.

 

Artikel 12: Besluiten van het bestuur

  • 1.

    De leden van het bestuur hebben ieder één stem.

  • 2.

    Het bestuur beslist bij unanimiteit van stemmen van haar leden. Bij staking van stemmen vindt er een bestuurlijk overleg tussen de burgemeesters van de deelnemende gemeenten plaats teneinde tot een oplossing te komen.

  • 3.

    Wanneer het bestuurlijk overleg tussen de burgemeesters van de deelnemende gemeenten als bedoeld in het vorige lid van dit Artikel niet tot overeenstemming leidt, kan de kwestie ter bemiddeling worden voorgelegd aan een door de beide burgemeesters gezamenlijk aan te wijzen bemiddelaar.

  • 4.

    De directeuren hebben een adviserende stem, welke niet meegeteld wordt in de besluitvorming.

  • 5.

    De besluiten van het bestuur worden door of namens beide leden ondertekend.

  •  

Artikel 13: Inlichtingen en verantwoording

  • 1.

    Een lid van het bestuur legt aan het college dat hem heeft aangewezen verantwoording af over het door hem in het bestuur gevoerde beleid. Het lid moet minimaal eenmaal per kalenderjaar schriftelijk verantwoording afleggen.

  • 2.

    Een lid van het bestuur verstrekt het college dat hem heeft aangewezen alle door een of meer leden van dat college gevraagde inlichtingen.

  • 3.

    Een lid van het bestuur verstrekt alle door de (leden van de) raad van de deelnemende gemeente waartoe het college behoort dat hem heeft aangewezen gevraagde inlichtingen.

  • 4.

    Een lid van het bestuur legt verantwoording af omtrent het door hem in dat bestuur gevoerde beleid aan de raad van de deelnemende gemeente waartoe het college behoort dat hem heeft aangewezen. Er wordt minimaal eenmaal per jaar schriftelijk verantwoording afgelegd.

  • 5.

    Het bestuur is verplicht om aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen zo spoedig mogelijk schriftelijk te verstrekken.

 

Hoofdstuk 4: Financiën

 

 

Artikel 14: Bijdragen

  • 1.

    De deelnemers dragen ieder 50% van de vaste kosten zoals opgenomen en beschreven in de begroting die per boekjaar gepaard gaan met de uitvoering van deze regeling.

  • 2.

    In de eerste twee boekjaren, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze regeling, dragen de deelnemers ieder 50% van de totale personele kosten zoals opgenomen en beschreven in de begroting voor het aankomend boekjaar die gepaard gaan met de uitvoering van deze regeling.

  • 3.

    De deelnemers verstrekken in de eerste week van januari en de eerste week van juli van elke boekjaar een voorschot op de vaste kosten als bedoeld in het eerste lid van dit Artikel en van de personele kosten als bedoeld in het tweede lid van dit Artikel op basis van de begroting met betrekking tot dat boekjaar.

  • 4.

    Na afloop van de eerste twee boekjaren, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze regeling en daarna na afloop van iedere vijf boekjaren te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, wordt de verdeling van de kosten als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit Artikel aan de hand van een analyse op basis van nader vast te stellen objectieve indicatoren geëvalueerd als bedoeld in artikel 30 van deze regeling.

  • 5.

    Met betrekking tot het derde boekjaar blijft de verdeling van de kosten als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit Artikel gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien. Met betrekking tot ieder zesde boekjaar, te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, blijft de direct daaraan voorafgaande verdeling van kosten gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien.

  • 6.

    Voor zover de evaluatie als bedoeld in het vierde lid van dit Artikel leidt tot een gewijzigde wijze om de kosten te verdelen, geldt die wijziging met ingang van de eerste dag van het boekjaar waarin de evaluatie die tot de wijziging heeft geleid heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 15: Financiële verantwoordelijkheid

  • 1.

    De colleges dragen er, onverminderd het bepaalde in artikel 14, zorg voor dat de bedrijfsvoeringsorganisatie te allen tijde beschikt over voldoende middelen om aan zijn verplichtingen te voldoen.

  • 2.

    Wanneer de verplichtingen van de bedrijfsvoeringsorganisatie gedurende het boekjaar redelijkerwijs niet meer voldaan kunnen worden uit de liquide middelen van de bedrijfsvoeringsorganisatie, dragen de deelnemers de kosten van de verplichtingen ieder voor de helft. Het bepaalde in dit artikellid geldt met betrekking tot de eerste twee boekjaren te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de regeling.

  • 3.

    Na afloop van de eerste twee boekjaren, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze regeling en daarna na afloop van iedere vijf boekjaren te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, wordt de verdeling van de kosten als bedoeld in het tweede lid van dit Artikel aan de hand van een analyse op basis van nader vast te stellen objectieve indicatoren geëvalueerd als bedoeld in Artikel 30 van deze regeling.

  • 4.

    Met betrekking tot het derde boekjaar blijft de verdeling van de kosten als bedoeld in het tweede lid van dit Artikel gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien. Met betrekking tot ieder zesde boekjaar te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, blijft de direct daaraan voorafgaande verdeling van kosten gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien.

  • 5.

    Voor zover de evaluatie als bedoeld in het derde lid van dit Artikel leidt tot een gewijzigde wijze om de kosten te verdelen, geldt die wijziging met ingang van de eerste dag van het boekjaar waarin de evaluatie die tot de wijziging heeft geleid heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 16: Tekorten en overschotten

  • 1.

    Indien na afloop van het boekjaar de verstrekte voorschotten als bedoeld in Artikel 14 lid 3 niet geheel aangewend zijn, zal het resterende bedrag terugvloeien naar de deelnemende gemeenten, waarbij iedere deelnemer met betrekking tot de eerste 2 boekjaren gerechtigd is tot 50% van het resterende bedrag.

  • 2.

    Indien het boekjaar afgesloten wordt met een negatief bedrijfsresultaat, zullen de deelnemers met betrekking tot de eerste 2 boekjaren dit tekort ieder voor de helft aanvullen.

  • 3.

    Na afloop van de eerste twee boekjaren, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze regeling en daarna na afloop van iedere vijf boekjaren te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, wordt het verdelen van de resterende bedragen als bedoeld in het eerste lid respectievelijk het aanvullen van tekorten als bedoeld in het tweede lid van dit Artikel aan de hand van een analyse op basis van nader vast te stellen objectieve indicatoren geëvalueerd als bedoeld in Artikel 30 van deze regeling.

  • 4.

    Met betrekking tot het derde boekjaar blijft de verdeling van de resterende bedragen als bedoeld in het eerste lid respectievelijk het aanvullen van de tekorten als bedoeld in het tweede lid gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien. Met betrekking tot ieder zesde boekjaar te rekenen vanaf het derde boekjaar na inwerkingtreding van deze regeling, blijft de direct daaraan voorafgaande verdeling van de resterende bedragen respectievelijk het aanvullen van de tekorten gelden indien en voor zover in de regeling niet in een andersluidende verdeling is voorzien.

  • 5.

    Voor zover de evaluatie als bedoeld in het derde lid van dit Artikel leidt tot een gewijzigde wijze om de tekorten en overschotten te verdelen, geldt die wijziging met ingang van de eerste dag van het boekjaar waarin de evaluatie die tot de wijziging heeft geleid heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 17: Begroting

  • 1.

    Het bestuur zendt vóór 1 februari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het bestuur zendt de ontwerpbegroting, opgesteld conform het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, uiterlijk op 15 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient en ten minste acht weken voordat deze wordt vastgesteld aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door het bestuur voor een ieder ter inzage gelegd en is algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennisgegeven.

  • 4.

    De raden kunnen vóór 1 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient hun zienswijze op de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 5.

    Het bestuur stelt de begroting vast vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient en betrekt daarbij de zienswijzen zoals bedoeld in lid 4 van dit Artikel. Het bestuur zendt de begroting na vaststelling zo spoedig mogelijk aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 6.

    Het bestuur zendt de begroting vóór 1 augustus, aan gedeputeerde staten.

  • 7.

    Het bestuur rapporteert vóór 1 maart en vóór 1 september van elk lopend boekjaar aan de colleges van de deelnemende gemeenten over de voortgang van de uitvoering van de begroting inclusief te verwachten ontwikkelingen voor het resterende gedeelte van het desbetreffende jaar.

  • 8.

    Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen door het bestuur eerst worden genomen nadat door het bestuur een ontwerpbesluit aan de raden van de deelnemende gemeenten is gezonden en de raden gedurende een termijn van tenminste acht weken de mogelijkheid is geboden een zienswijze over het ontwerpbesluit bij het bestuur naar voren te brengen. Nadat de begrotingswijziging is vastgesteld, zendt het bestuur de gewijzigde begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten.

 

Artikel 18: Jaarrekening vaststellen

  • 1.

    Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het bestuur voegt bij de voorlopige jaarrekening een controleverklaring en een verslag van bevindingen van een accountant als bedoeld in artikel 393 van boek 2 BW die door het bestuur is aangewezen.

  • 3.

    De raden kunnen binnen acht weken, nadat de in het eerste en tweede lid bedoelde stukken zijn toegezonden, bij het bestuur een zienswijze indienen.

  • 4.

    Het bestuur stelt de jaarrekening vast en zendt deze toe aan de raden van de deelnemende gemeenten en aan gedeputeerde staten vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

 

Artikel 19: Financieel beheer

  • 1.

    De geldmiddelen van CJG Drimmelen Geertruidenberg worden zelfstandig beheerd.

  • 2.

    Het bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast als bedoeld in artikel 212 van de Gemeentewet.

 

Hoofdstuk 5: Geschillenbeslechting

 

 

Artikel 20: Klachten

  • 1.

    Voor de behandeling van klachten als bedoeld in titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht alsmede de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 4.2.1 lid 1 van de Jeugdwet, treft het bestuur een klachtenregeling.

 

Artikel 21: Geschillen

  • 1.

    Indien tussen deelnemers of tussen één of meer deelnemers en het bestuur een geschil ontstaat over de interpretatie of uitvoering van de regeling, spant het bestuur zich in om het geschil minnelijk op te lossen, alvorens gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen over het geschil te laten beslissen.

 

 

Hoofdstuk 6: Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

 

 

Artikel 22: Toetreding

  • 1.

    Toetreding van een college van een gemeente kan plaatsvinden naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van die gemeente aan het bestuur.

  • 2.

    Het bestuur zendt het verzoek tot toetreding onverwijld door aan de deelnemers.

  • 3.

    Het bestuur kan besluiten tot het laten toetreden van een college van een gemeente tot de bedrijfsvoeringsorganisatie, mits ter vergadering van het bestuur blijkt dat het college van elke deelnemende gemeente een daartoe strekkend besluit heeft genomen met toestemming van hun raden.

  • 4.

    Voordat het bestuur een besluit kan nemen tot het laten toetreden van een college van een gemeente tot de bedrijfsvoeringsorganisatie, dient er een evaluatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie plaats te vinden als bedoeld in het eerste lid van Artikel 30 van de regeling.

  • 5.

    Het bestuur kan voorwaarden verbinden aan de toetreding, voordat over de toetreding wordt besloten.

  • 6.

    De toetreding treedt in werking op de datum die in het besluit van het bestuur is bepaald.

 

Artikel 23: Uittreding

  • 1.

    Een college richt een verzoek tot uittreding aan het bestuur.

  • 2.

    Het bestuur zendt het verzoek tot uittreding onverwijld door aan de colleges en de raden van de deelnemers.

  • 3.

    Het bestuur neemt het verzoek tot uittreding in behandeling en stelt de voorwaarden voor uittreding vast. Het bestuur spant zich in binnen zes maanden na het verzoek tot uittreding deze voorwaarden te hebben vastgesteld.

  • 4.

    De voorwaarden die aan de uittreding verbonden worden, kunnen onder meer betrekking hebben op de financiële gevolgen, waaronder begrepen maar niet beperkt tot de verdeling van de kosten en de activa van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Als uitgangspunt bij het stellen van deze voorwaarden geldt dat de kosten en de activa van de bedrijfsvoeringsorganisatie verdeeld zullen worden overeenkomstig de op dat moment tussen de deelnemers geldende regeling voor de verdeling van de benodigde financiële middelen als bedoeld in Artikel 14 e.v. van deze regeling.

  • 5.

    Als er op het moment dat het verzoek tot uittreding het bestuur heeft bereikt twee gemeenten aan de bedrijfsvoeringsorganisatie deelnemen, wordt het verzoek tot uittreding in beginsel beschouwd als een verzoek om opheffing van de bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in Artikel 26 lid 1 van deze regeling.

  • 6.

    Het bestuur kan besluiten tot het laten uittreden van een deelnemer uit de bedrijfsvoeringsorganisatie, mits ter vergadering van het bestuur blijkt dat het college van elke deelnemende gemeente een daartoe strekkend besluit, waarvan de door het bestuur vastgestelde voorwaarden voor uittreding onderdeel uitmaken, heeft genomen met toestemming van hun raden.

  • 7.

    De uittreding kan niet eerder plaatsvinden dan op 1 januari van het tweede jaar volgend op dat waarin het in het eerste lid bedoelde verzoek is ingediend.

  •  

Artikel 24: Wijziging

  • 1.

    Het bestuur kan een voorstel voor wijziging van de regeling aan de colleges en raden van de deelnemers zenden.

  • 2.

    De regeling is gewijzigd indien de raden van de deelnemers goedkeuring voor de wijziging hebben gegeven en de colleges van de deelnemers unaniem tot de wijziging besluiten.

  • 3.

    Het bestuur zal in ieder geval in beginsel een voorstel tot wijziging van de regeling aan de colleges en raden zenden voorafgaande aan het nemen van een besluit tot het laten toetreden van een college van een gemeente aan de regeling als bedoeld in het derde lid van Artikel 23 van de regeling. Door het bestuur wordt het besluit omtrent toetreding eerst genomen nadat de raden van de deelnemers omtrent goedkeuring van het voorstel tot wijziging en de colleges van de deelnemers omtrent het voorstel tot wijziging hebben besloten.

 

Artikel 25: Opheffing

  • 1.

    De colleges van de deelnemende gemeenten kunnen een verzoek tot opheffing van de bedrijfsvoeringsorganisatie indienen bij het bestuur.

  • 2.

    Het bestuur zendt het verzoek tot opheffing onverwijld door naar de colleges en raden van de deelnemers.

  • 3.

    De bedrijfsvoeringsorganisatie wordt opgeheven wanneer de raden daarvoor goedkeuring hebben gegeven en alle colleges daartoe besloten hebben.

  • 4.

    In het geval de colleges hebben besloten tot opheffing van de bedrijfsvoeringsorganisatie en de raden daarvoor goedkeuring hebben gegeven als bedoeld in het derde lid van dit Artikel, besluit het bestuur tot opheffing en stelt het bestuur een vereffeningsplan op. In het liquidatieplan worden de financiële gevolgen en de overige gevolgen van de opheffing geregeld. In het liquidatieplan kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

  • 5.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers tot bijdragen in de financiële gevolgen van de beëindiging van de regeling.

  • 6.

    Een na vereffening resterend batig of een negatief saldo, zal overeenkomstig de op dat moment tussen de deelnemers geldende regeling voor de verdeling van de benodigde financiële middelen als bedoeld in Artikel 14 van deze regeling tussen de deelnemers verdeeld worden.

  • 7.

    Het bestuur blijft in functie, totdat de vereffening is voltooid.

  • 8.

    De opheffing gaat in op een door het bestuur te bepalen ingangsdatum.

 

Hoofdstuk 7: Slotbepalingen

 

 

Artikel 26: Archiefbescheiden

  • 1.

    Het bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Archiefwet en een door het bestuur op te stellen nadere regeling.

  • 2.

    De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemende gemeenten gemandateerde, gevolmachtigde en gemachtigde taken berust bij deze gemeenten.

  • 3.

    De directie is belast met het beheer van de archiefbescheiden als bedoeld in het eerste lid van dit Artikel.

  • 4.

    De directie maakt met de deelnemende gemeenten nadere afspraken over het beheer van de archiefbescheiden die voortkomen uit de gemandateerde taken en de archiefbewaarplaats voor deze archiefbescheiden.

 

Artikel 27: Duur

  • 1.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  •  

Artikel 28: Omstandigheden waarin de regeling niet voorziet

  • 1.

    In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bestuur na voorafgaande raadpleging van de colleges van de deelnemers.

 

Artikel 29: Inzenden regeling en bekendmaking

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders van de in Artikel 5 lid 2 van deze regeling genoemde gemeente zendt deze regeling aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het college, bedoeld in het eerste lid van dit Artikel, draagt zorg voor de bekendmaking van de regeling in de gemeenten, conform het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

 

Artikel 30: Evaluatie

  • 1.

    De colleges en de raden van de deelnemende gemeenten evalueren periodiek het functioneren van de Bedrijfsvoeringsorganisatie, waaronder in ieder geval begrepen de werking van de financiële bepalingen uit hoofdstuk 4 van de regeling. De evaluatie omvat ten minste een analyse op basis van objectieve indicatoren van de (kosten)verdeling als bedoeld in het vierde lid van Artikel 14 van deze regeling, het derde lid van Artikel 15 van deze regeling en het derde lid van Artikel 16 van deze regeling.

  • 2.

    Het bestuur zendt tijdig voorafgaand aan de start van de evaluatie een voorstel omtrent de opzet van de evaluatie aan de colleges. Het voorstel omvat in ieder geval de objectieve indicatoren voor de analyse aan de hand waarvan de verdeling van de kosten tussen partijen kan worden geëvalueerd.

  • 3.

    De evaluatie als bedoeld in het eerste lid van dit Artikel wordt gestart nadat de colleges van de deelnemers hebben ingestemd met het voorstel als bedoeld in het tweede lid.

  • 4.

    De evaluatie als bedoeld in het eerste lid van dit Artikel zal voor het eerst in het kalenderjaar 2022 en nadien om de 5 kalenderjaren plaatsvinden.

  •  

Artikel 31: Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2020.

 

Artikel 32: Citeerwijze

  • 1.

    De regeling wordt aangehaald als BVO CJG Drimmelen Geertruidenberg.

 

 

 

 

Aldus besloten door het college van de gemeente Drimmelen op 29 oktober 2019, nadat toestemming is verleend door de gemeenteraad op 12 september 2019.

De secretaris, de burgemeester,

Mevrouw E. Delissen, de heer drs. G.L.C.M. de Kok

Aldus besloten door het college van de gemeente Geertruidenberg op 22 oktober 2019 nadat toestemming is verleend door de gemeenteraad op 26 september 2019.

De secretaris, de burgemeester,

R.C.J. Nagtzaam, mevrouw M. Witte

Toelichting

 

Vanaf 2010 functioneert in Drimmelen en Geertruidenberg het Centrum Jeugd en Gezin (CJG). Binnen het CJG werken vanaf de inwerkingtreding van de Jeugdwet per 1 januari 2015 de beide gemeenten en een aantal samenwerkingspartners samen om een aantal uit de Jeugdwet voortvloeiende taken uit te voeren. Het gaat dan in essentie om het verstrekken van informatie en advies over opvoeden en opgroeien, het in voorkomend geval toeleiden van de ouders en/of de jeugdigen naar de noodzakelijke jeugdhulp, het verlenen van een aantal vormen van ambulante jeugdhulp en gezinsbegeleiding, de coördinatie van de jeugdhulp en het arrangeren van passende zorg en participatiebevordering.

 

Hoewel het CJG naar buiten toe als een zelfstandige organisatie optreedt, is er feitelijk sprake van een samenwerking tussen verschillende partijen op grond van een overeenkomst (netwerkorganisatie) zonder dat er sprake is van een formele organisatie.

 

Over de taken en het functioneren van het CJG bestaat grote tevredenheid. De afgelopen jaren is echter onderkend dat de netwerkorganisatie ook een aantal organisatorische aandachtspunten heeft. Onder meer is er geen gemeenschappelijke begroting, is er sprake van verschillen in arbeidsvoorwaarden tussen de zorgprofessionals en is er sprake van een beperkte meerjarige continuïteit. Om deze organisatorische aandachtspunten te ondervangen is Keygroep gevraagd een advies uit te brengen omtrent de keuze voor een toekomstbestendige organisatievorm van het CJG die past bij de situatie en cultuur van beide gemeenten en die aansluiting vindt bij de andere domeinen binnen het sociaal domein. De Keygroep is op basis van een weging van alle betrokken belangen tot de conclusie gekomen dat een zogenoemde bedrijfsvoeringsorganisatie het best passende organisatiemodel is voor het CJG. De raden van de beide gemeenten hebben er in 2018 mee ingestemd om het huidige organisatiemodel (netwerkorganisatie) van het CJG te wijzigen naar een bedrijfsvoeringsorganisatie. Deze regeling strekt ter uitvoering van die besluiten.

 

Met deze regeling wordt de bedrijfsvoeringsorganisatie CJG Drimmelen Geertruidenberg opgericht. Deze bedrijfsvoeringsorganisatie gaat enkele taken uitvoeren die berusten bij de colleges van de gemeenten Drimmelen en Geertruidenberg op grond van de Jeugdwet.

 

Voorbeelden van bedrijfsvoeringsorganisaties voor het sociaal domein

Het CJG Drimmelen Geertruidenberg is niet de eerste bedrijfsvoeringsorganisatie die taken binnen het sociaal domein (gedeeltelijk) uit zal voeren. Zo bestaan er landelijk meerdere bedrijfsvoeringsorganisaties op het terrein van de Participatiewet en de Wet Sociale Werkvoorziening [1] en hebben de colleges van een aantal gemeenten in de provincie Overijssel een bedrijfsvoeringsorganisatie opgericht voor de uitvoering van verschillende taken uit de jeugdwet. [2]

 

  • [1]

    Bijvoorbeeld de ‘Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Zuid-Kennemerland’ (Staatscourant 2016, 1711), ‘Gemeenschappelijke Regeling Intergemeentelijke Werkvoorziening Gennep, Mook en Middelaar’ (Staatscourant 2017, 36648), ‘Gemeenschappelijke regeling Werkplein Drentsche Aa 2019’ (Staatscourant 2018, 60036) en de Gemeenschappelijke regeling participatiebedrijf Zaanstad Purmerend (Staatscourant 2017, 60753).

  • [2]

    Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Regionaal Serviceteam Jeugd IJsselland (Staatscourant 2017, 75403).

 

Gelet op de eerdere ervaringen van deze gemeenten met het overhevelen van taken uit het sociaal domein in combinatie met het advies van Keygroep, hebben de colleges van de gemeenten Drimmelen en Geertruidenberg het vertrouwen dat de bedrijfsvoerings-organisatie een geschikte regeling is voor het uitvoeren van een aantal taken uit hoofde van de Jeugdwet.

 

Uitgevoerde taken

Door een bedrijfsvoeringsorganisatie kunnen taken van het college van burgemeester en wethouders op het gebied van bedrijfsvoering en uitvoeringstaken zonder of met geringe beleidsruimte worden uitgevoerd. Het CJG voert op dit moment een aantal uitvoeringstaken zonder of met geringe beleidsruimte uit in het kader van de Jeugdwet. Dergelijke taken lenen zich bij uitstek voor uitvoering door een bedrijfsvoeringsorganisatie.

 

Organisatie bedrijfsvoeringsorganisatie

De op te richten bedrijfsvoeringsorganisatie heeft alleen een bestuur als orgaan. Het bestuur bestaat (uitgaande van twee deelnemende gemeenten) uit twee wethouders die uit de colleges van de deelnemende gemeenten zijn aangewezen. Om er voor te zorgen dat het bestuur op hoofdlijnen kan sturen en de operationele leiding is gewaarborgd, wordt er een directie aangewezen die de feitelijke leiding heeft over de bedrijfsvoeringsorganisatie. Deze directie wordt gevormd door twee ambtenaren van de deelnemende gemeenten. De directie heeft geen doorslaggevende, maar alleen een adviserende stem in de vergadering van het bestuur. Daarmee kan zij het bestuur adviseren over het reilen en zeilen binnen de bedrijfsvoeringsorganisatie. De directie fungeert daarmee ook als deskundige bij de bestuursvergaderingen.

 

Betrokkenheid raden en colleges

Om voldoende checks and balances te hebben, worden de colleges en raden op meerdere momenten bij besluiten van het bestuur betrokken. Bij de meest ingrijpende veranderingen voor de bedrijfsvoeringsorganisatie (het toetreden, uittreden, wijzigen en opheffen van de bedrijfsvoeringsorganisatie) spelen de colleges en de raden een hoofdrol. Hiermee blijft de controle op de bedrijfsvoeringsorganisatie behouden.

 

 

 

 

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1

Dit artikel bevat een aantal definities. Deze definities spreken voor zich en behoeven geen toelichting.

 

Artikel 2

Colleges kunnen enkel een gemeenschappelijke regeling treffen ten aanzien van de taken en bevoegdheden die het zelf voor de eigen gemeente heeft en voor de gezamenlijke behartiging van één of meer belangen die aan de colleges zijn toevertrouwd.[3] Er moet in de regeling een duidelijke omschrijving worden gegeven van het/de belang(en) die met de regeling gediend zijn.[4] De verplichting om een expliciete omschrijving van het te behartigen belang op te nemen moet waarborgen dat de aan bedrijfsvoeringsorganisatie overgedragen bevoegdheden begrensd blijven.[5] In dit geval is ook een specifieke taakomschrijving gegeven in Artikel 2, zodat duidelijk is dat de gehele regeling in het licht moet worden gezien van de uitvoering van het benoemde belang en de uit te voeren taken. De taakomschrijving sluit aan bij de taken die het CJG al vanaf 1 januari 2015 verricht en zoals nader omschreven in de Verordeningen jeugdhulp van de gemeenten Drimmelen en Geertruidenberg en in de ter zake bestaande mandaatregelingen.

 

  • [3]

    Art. 1 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [4]

    Art. 10 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [5]

    ABRvS 20 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI1217.

 

Artikel 3

Om duidelijk te hebben welke bevoegdheden exact toekomen aan de bedrijfsvoeringsorganisatie, is het verplicht om in de regeling te expliciteren welke bevoegdheden er precies worden uitgevoerd door de bedrijfsvoeringsorganisatie.[6] Ook bevoegdheden die worden gemandateerd aan de bedrijfsvoeringsorganisatie moeten voldoende concreet worden omschreven.[7] In dit geval gaat het overigens uitsluitend om gemandateerde bevoegdheden (voor zover het betreft de bevoegdheid tot het nemen van besluiten) respectievelijk bevoegdheden ter zake waarvan een machtiging (voor zover het betreft de bevoegdheid tot het verrichten van feitelijke handelingen) of volmacht (voor zover het betreft de bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen) wordt verleend). Aan het bestuur is de bevoegdheid verleend om ondermandaat, ondermachtinging en ondervolmacht te verlenen. Door het opnemen van deze bevoegdheid in de regeling hebben de colleges het verlenen van ondermandaat, ondermachtiging en ondervolmacht toegestaan als bedoeld in het bepaalde in artikel 10:9 jo. artikel 10:12 van de Awb.

 

In lid 2 van dit Artikel is buiten twijfel gesteld dat het bestuur bevoegd is om, uiteraard met inachtneming van de relevante wet- en regelgeving, de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van het personeel vast te stellen. Deze bevoegdheid omvat in ieder geval de vaststelling van de Cao die wordt toegepast respectievelijk wordt gevolgd.

 

  • [6]

    Kamerstukken II 1980/81, 16538, 3, p. 36.

  • [7]

    ABRvS 14 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2635.

     

Artikel 4

De bedrijfsvoeringsorganisatie is een gemeenschappelijke regeling die in hoofdzaak opgericht is om uitvoerende taken op zich te nemen zonder of met een geringe beleidsmatige component.[8] Gelet daarop, zullen de gemeenten Drimmelen en Geertruidenberg hun eigen beleid en regels met betrekking tot de Jeugdwet blijven vaststellen. Het wordt vervolgens als wenselijk beschouwd om het bestuur te laten handelen jegens jeugdigen en ouders conform de regels en het beleid zoals die gelden in de gemeente waar zij hun woonplaats hebben.

 

  • [8]

    Kamerstukken II 2012/13, 33597, 3, p. 16.

 

Artikel 5

De regeling benoemt de vestigingsplaats van de bedrijfsvoeringsorganisatie. De vestigingsplaats is onder meer van belang om te bepalen welke rechter bevoegd is bij geschillen over (bijvoorbeeld) overeenkomsten die de bedrijfsvoeringsorganisatie is aangegaan en die niet voorzien in een bepaling daaromtrent.[9] De bedrijfsvoerings-organisatie is in Geertruidenberg gevestigd.

 

  • [9]

    Art. 99 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

 

Artikel 6

Het bestuur van deze bedrijfsvoeringsorganisatie bestaat uit leden van de colleges van de deelnemende gemeenten.[10] Logischerwijs zal het bestuur van CJG Drimmelen Geertruidenberg bestaan uit twee leden. Het aanwijzen van een voorzitter onder deze twee leden, is dan ook niet noodzakelijk. Het aanwijzen van de bestuursleden en hun plaatsvervangers dient te geschieden binnen twee maanden nadat de helft van de wethouders van de nieuw verkozen colleges is benoemd. Door het moment waarop de helft van de wethouders is benoemd als ijkpunt te kiezen, wordt aangesloten bij het bepaalde in artikel 42 lid 1 van de Gemeentewet. Een periode van twee maanden wordt gegeven zodat (de helft van de wethouders van) de colleges enige tijd hebben om een bestuurslid te kiezen. Een periode van twee maanden om een bestuurslid te kiezen wordt in de praktijk bij gemeenschappelijke regelingen (bedrijfsvoeringsorganisaties in het bijzonder) wel vaker aangehouden.[11] Wanneer bestuursleden voor de eerste maal aangewezen moeten worden, zullen de colleges uit hun midden zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee maanden, na inwerkingtreding van deze regeling gekozen worden. Wanneer een bestuurslidmaatschap gedurende de zittingsperiode van de colleges vacant wordt, is er voor gekozen om niet een periode van twee maanden aan te houden. Het betreffende college is in dat geval verplicht zo spoedig mogelijk een nieuw bestuurslid aan te wijzen.

 

  • [10]

    Artikel 14a van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [11]

    Zie o.a. artikel 4 lid 6 van Gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Regionaal Serviceteam Jeugd IJsselland, vgl. art. 8 lid 1 van de Gemeenschappelijke Regeling Stark (Staatscourant 2018, 57126).

 

Artikel 7

De voorzitter vertegenwoordigt normaal gesproken het openbaar lichaam (art. 33d Wgr). Nu er geen sprake is van een openbaar lichaam en er een voorzitter ontbreekt, is er een specifieke vertegenwoordigingsregeling opgenomen. Het bestuur vertegenwoordigt de bedrijfsvoeringsorganisatie, tenzij zij aan een of meer leden van het bestuur en/of aan andere personen een procuratie of vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft verleend.

 

Artikel 8

Het moment van het eindigen van het bestuurslidmaatschap loopt gelijk met het eindigen van het lidmaatschap van het college. Het lidmaatschap van de burgemeester aan een college van burgemeester en wethouders loopt af zes jaren na diens benoeming.[12] Voor wethouders ligt het moment van het eindigen van het wethouderschap op grond van artikel 42 lid 1 van de Gemeentewet op het moment dat de helft van de nieuwe wethouders benoemd zijn en deze benoemingen zijn aangenomen. Tot dat moment blijven de “oude wethouders” hun functie waarnemen, zodat er geen bestuursvacuüm ontstaat. Indien er sprake is van ontslag van een lid van bestuur neemt het plaatsvervangend lid de bestuursfunctie waar tot een nieuw bestuurslid is aangewezen.

 

  • [12]

    Art. 61 lid 1 van de Gemeentewet.

 

Artikel 9

De uitvoering van en ondersteuning bij de taken van de colleges uit de Jeugdwet, vergt een hoge mate van deskundigheid. Het is daarom wenselijk geacht een directie aan te wijzen die geen onderdeel uitmaakt van de colleges of de raden en die als deskundig leidinggevende van het CJG Drimmelen Geertruidenberg kan fungeren. Zodoende bestaat er een structuur die vergelijkbaar is met die van een raad van toezicht (hier vervuld door het bestuur) en een directie in een onderneming.[13] Ten aanzien van de dagelijkse en feitelijke leiding zal de manager CJG tevens een belangrijke rol vervullen. Om die reden is de manager CJG expliciet ook benoemd in dit artikel. De manager CJG werkt onder de directe verantwoordelijkheid van de directie.

 

De directie zal uit twee leden bestaan, waarbij er per deelnemende gemeente een directielid zal worden benoemd.

 

De leden van de directie zullen niet in dienst treden bij de bedrijfsvoeringsorganisatie, maar blijven in dienstverband werken bij de deelnemende gemeenten. De deelnemende gemeenten stellen de personen die tot directielid worden benoemd als werknemer kosteloos ter beschikking aan de bedrijfsvoeringsorganisatie.

 

De functie van een directeur loopt door wanneer de zittingsperiode van de colleges afloopt en er een wisseling van de bestuursleden plaatsvindt. De directie is aan het bestuur verantwoording verschuldigd over het door hem gevoerde beleid, welke verantwoording potentieel tot de consequentie kan leiden dat een directeur geschorst of ontslagen wordt door het bestuur.

 

  • [13]

    Zie R.J.M.H. de Greef, ‘De bedrijfsvoeringsorganisatie in de Wet gemeenschappelijke regelingen: een nieuwe vorm van samenwerking’, Gst. 2013/125.

 

Artikel 10

In het directiestatuut wordt een algemene beschrijving gegeven van de taken en verantwoordelijkheden van het bestuur en is ook vastgelegd ten aanzien van welke bevoegdheden aan de directie (onder)mandaat, (onder)volmacht en (onder)machtiging wordt verleend. Bevoegdheden kunnen niet aan de directie gedelegeerd worden, omdat de directie niet op eigen naam en voor eigen verantwoordelijkheid de bevoegdheden van het bestuur zal uitoefenen. Het directiestatuut wordt vastgesteld bij besluit van het bestuur, welk besluit wordt genomen met unanimiteit van stemmen (zie Artikel 10 lid 3 van deze regeling). Het directiestatuut kan vervolgens ook weer worden gewijzigd door het bestuur bij unanimiteit van stemmen.

 

Artikel 11

De vergaderfrequentie van het bestuur is op een minimum van tweemaal per kalenderjaar vastgesteld, zoals het tweede lid van artikel 20 van de Wet gemeenschappelijke regelingen vereist. De directie is aanwezig bij de vergaderingen van het bestuur maar heeft uitsluitend een adviserende stem (zie Artikel 12 lid 3 van deze regeling). Uit hoofde van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn de vergaderingen van het bestuur van een bedrijfsvoeringsorganisatie niet verplicht openbaar. De vergaderingen van het bestuur vinden daarom, mede uit efficiëntieoverwegingen, in beginsel besloten plaats.

 

Artikel 12

Het bestuur van CJG Drimmelen Geertruidenberg bestaat uit twee bestuursleden, gekozen uit de deelnemende colleges. Er is in deze regeling gekozen om deze twee leden een gelijkwaardige stem te geven en besluiten bij unanimiteit plaats te laten vinden. Op die manier wordt de gelijkwaardige positie van de beide deelnemende gemeenten in de organisatie benadrukt. Bij staking van stemmen vindt er een bestuurlijk overleg tussen de burgemeesters plaats om na te gaan of er een oplossing is. Mocht er naar aanleiding van dit bestuurlijk overleg geen oplossing bereikt worden, dan kan de kwestie ter bemiddeling voorgelegd worden aaneen door de beide burgemeesters gezamenlijk aan te wijzen bemiddelaar.

 

Artikel 13

De leden van het bestuur zijn inlichtingen en verantwoording verschuldigd aan het college dat hen heeft aangewezen.[14] Tevens geven de leden van het bestuur inlichtingen aan de raad van de gemeente waar hij of zij in het college zit en legt hij ook aan die raad verantwoording af.[15] De verantwoording wordt minimaal eenmaal per jaar schriftelijk gegeven. Voor wat betreft het moment waarop er schriftelijke verantwoording wordt afgelegd zal logischerwijs zoveel als mogelijk aangesloten worden bij de Planning & Control-cyclus van beide gemeenten. De verantwoordingsregeling omtrent het bestuur uit dit Artikel laat overigens onverlet dat bestuursleden in hun hoedanigheid van lid van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen of de gemeente Geertruidenberg ter verantwoording kunnen worden geroepen op grond van artikel 169 van de Gemeentewet.

 

  • [14]

    Art. 18 jo art. 16 van de Wet gemeenschappelijke regeling

  • [15]

    Art. 19 lid 1 jo. art. 16 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze verantwoordingsrelatie werd door de Raad van State van groot belang geacht, zie Kamerstukken II 2012/13, 33597, 4, p. 2 (advies RvS).

     

Artikel 14

De gemeenten zullen jaarlijks beiden ieder voor de helft bijdragen in de vaste kosten die gepaard gaan met de uitvoering van deze regeling alsmede ieder voor de helft in de personele kosten. De deelnemers storten daartoe tweemaal per jaar een voorschot op het rekeningnummer van het CJG ten behoeve van de dekking van de (vaste en personele) kosten van dat boekjaar. De hoogte van het te betalen voorschot wordt bepaald op basis van een vastgestelde en goedgekeurde begroting. Nadat de eerste 2 begrotingsjaren zijn afgelopen, wordt dit fiftyfifty-verdelingsmodel geëvalueerd conform het bepaalde in Artikel 30 van deze regeling. De kostenverdelingsregeling wordt vervolgens steeds na iedere 5 jaar boekjaren geëvalueerd. Met betrekking tot het jaar waarin de evaluatie plaatsvindt is in de regeling bepaald dat voor dat jaar de direct daaraan voorafgaande kostenverdeling blijft gelden totdat (eventueel) een nieuwe regeling is overeengekomen. Op die manier wordt voorkomen dat er opeens geen regeling over de verdeling van kosten meer zou bestaan. Voor zover naar aanleiding van de evaluatie de wijze waarop de kosten worden verdeeld wordt gewijzigd, treedt die wijziging (met terugwerkende kracht) in werking met ingang van de eerste dag van het boekjaar waarin de evaluatie die tot de wijziging aanleiding heeft gegeven heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 15

De liquide middelen van de bedrijfsvoeringsorganisatie worden onder meer gevormd uit de voorschotten uit Artikel 14 lid 1. Er kan zich de situatie voordoen dat lopende het boekjaar de liquide middelen uitgeput zijn, terwijl er nog wel facturen betaald zullen moeten worden in het resterende gedeelte van het boekjaar. In dat geval zullen de verplichtingen die nog voldaan moeten worden in de rest van het boekjaar met betrekking tot de eerste vijf begrotingsjaren ieder voor de helft gedragen worden door de deelnemende gemeenten. Nadat de eerste 2 begrotingsjaren zijn afgelopen, wordt dit fiftyfifty-verdelingsmodel op basis van een analyse op grond van nader vast te stellen objectieve indicatoren geëvalueerd conform het bepaalde in Artikel 30 van deze regeling. Een dergelijke evaluatie vindt daarna vervolgens steeds na iedere vijf boekjaren plaats. Met betrekking tot het jaar waarin de evaluatie plaatsvindt is in de regeling bepaald dat voor dat jaar de direct daaraan voorafgaande kostenverdeling blijft gelden totdat (eventueel) een nieuwe regeling is overeengekomen. Op die manier wordt voorkomen dat er opeens geen regeling over de verdeling van kosten meer zou bestaan.

 

Artikel 16

Indien er na afloop van een boekjaar een positief saldo resteert, zal dit bedrag met betrekking tot de eerste twee boekjaren in gelijke delen terugvloeien naar de deelnemende gemeenten. Elke deelnemende gemeente zal dus een even groot deel van het batig saldo ontvangen.

 

Ook een negatief bedrijfsresultaat zal met betrekking tot de eerste twee boekjaren in gelijke delen verdeeld worden over de deelnemende gemeenten. Elke deelnemende gemeente zal dus een even groot deel van het negatieve bedrijfsresultaat dragen.

 

Na afloop van de eerste twee boekjaren, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze regeling, wordt het verdelen van de overschotten respectievelijk het aanvullen van eventuele tekorten als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit Artikel aan de hand van een analyse op grond van nader vast te stellen objectieve indicatoren geëvalueerd als bedoeld in Artikel 30 van deze regeling. Een dergelijke evaluatie vindt daarna steeds na iedere vijf boekjaren plaats. Met betrekking tot het jaar waarin de evaluatie plaatsvindt is in de regeling bepaald dat voor dat jaar de direct daaraan voorafgaande regeling met betrekking tot het verdelen van overschotten respectievelijk het aanvullen van tekorten blijft gelden totdat (eventueel) een nieuwe regeling is overeengekomen. Op die manier wordt voorkomen dat er opeens geen regeling over de verdeling van kosten meer zou bestaan.

 

Artikel 17

Gelet op het begrotingsrecht voor de deelnemende gemeenten [16], worden aan de raden van deelnemende gemeenten de algemene financiële en beleidsmatige kaders en ontwerpbegroting voor de bedrijfsvoeringsorganisatie toegezonden [17] en wordt de ontwerpbegroting voor een ieder ter inzage gelegd [18]. De gemeenteraden kunnen vervolgens hun zienswijzen indienen op de ontwerpbegroting [19]. Het bestuur stelt vervolgens zelf de begroting vast [20] en stuurt deze zo spoedig mogelijk aan de raden van de deelnemende gemeenten opdat die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen [21]. Uiterlijk 31 juli dient de begroting van de bedrijfsvoeringsorganisatie vervolgens aan gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant verzonden te worden [22]. Bij het formuleren van deze bepaling is rekening gehouden met de Nota verbonden partijen van de deelnemende gemeenten.

 

In het artikel is onder meer bepaald dat vóór 1 februari van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de begroting dient de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten dienen te worden toegezonden. Deze verplichting geldt het eerste jaar na inwerkingtreding van de regeling nog niet. Het wordt niet realistisch geacht indien de bedrijfsvoeringsorganisatie direct in de eerste maand na haar oprichting dergelijke algemene financiële en beleidsmatige kaders dient op te stellen.

 

In het artikel is een verplichting voor het bestuur opgenomen om twee keer per jaar aan de colleges van de deelnemende gemeenten te rapporteren over de voortgang van de uitvoering van de begroting (en de nog te verwachten ontwikkelingen). Op die manier worden de colleges in de gelegenheid gesteld om desgewenst bij te kunnen sturen.

 

  • [16]

    Art. 191 lid 1 van de Gemeentewet.

  • [17]

    Art. 35 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [18]

    Art. 35 lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [19]

    Art. 35 lid 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [20]

    Art. 34 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [21]

    Art. 35 lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [22]

    Art. 34 lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

 

Artikel 18

De voorlopige jaarrekening wordt vergezeld van een controleverklaring [23] en een verslag van bevindingen [24] van de door het bestuur aangewezen accountant toegezonden aan de raden. Het bestuur stelt de jaarrekening vast [25] en zendt deze aan gedeputeerde staten vóór 15 juli [26]. De artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing. [27]

 

  • [23]

    Waarbij aangesloten kan worden bij artikel 213 lid 3 van de Gemeentewet.

  • [24]

    Waarbij aangesloten kan worden bij artikel 213 lid 4 van de Gemeentewet.

  • [25]

    Art. 34 lid 3 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [26]

    Art. 34 lid 4 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • [27]

    Art. 35 lid 6 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

     

Artikel 19

Aangezien de bedrijfsvoeringsorganisatie rechtspersoonlijkheid bezit, zal zij de geldmiddelen zelfstandig beheren. Artikel 35 lid 6 van de Wgr verklaart voorts de artikelen 186 tot en met 213 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing op de bedrijfsvoerings-organisatie. In het tweede lid van Artikel 20 van de regeling is daarom aangesloten bij artikel 212 van de Gemeentewet

 

Artikel 20

De bedrijfsvoeringsorganisatie kan aangemerkt worden als bestuursorgaan en dient daarom zorg te dragen voor een behoorlijke behandeling voor ingediende klachten [28]. In de op te stellen klachtenregeling zal tevens een hoofdstuk opgenomen moeten worden voor de behandeling van klachten als bedoeld in artikel 4.2.1 lid 1 van de Jeugdwet.

 

  • [28]

    Art. 9:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 21

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om uiteindelijk over geschillen over de regeling te beslissen , maar de deelnemers zullen eerst proberen het geschil in der minne op te lossen. Wanneer (één van de) deelnemers redelijkerwijs tot de conclusie komt dat een minnelijke oplossing niet bereikt zal worden, zal het geschil doorgezonden worden naar gedeputeerde staten.

 

  • [29]

    Art. 28 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

     

Artikel 22

De regeling moet bepalingen bevatten over de wijziging, opheffing, toetreding en uittreding uit de regeling. De Artikelen 23 – 26 voorzien daarin. Het bestuur besluit tot toetreding van een college van een andere gemeente, maar eerst nadat een evaluatie van het functioneren van de bedrijfsvoeringsorganisatie heeft plaatsgevonden en nadat de colleges hebben besloten tot die toetreding en de raden daarvoor toestemming hebben gegeven.

 

Artikel 23

Een deelnemende gemeente kan uit de regeling treden. Het college van die gemeente dient een daartoe strekkend verzoek in bij het bestuur. Wanneer een gemeente uit de bedrijfsvoeringsorganisatie treedt en er nog maar één gemeente zou deelnemen aan de regeling, is er van samenwerking geen sprake meer en kan de bedrijfsvoeringsorganisatie evengoed opgeheven worden. Een verzoek om uittreding wordt daarom in beginsel beschouwd als een verzoek om opheffing. Het bestuur besluit tot uittreding, maar eerst nadat de colleges hebben besloten tot die uittreding en de raden daartoe toestemming hebben gegeven. Wanneer een deelnemende gemeente uittreedt geldt als uitgangspunt dat de kosten en activa van de bedrijfsvoeringsorganisatie verdeeld worden overeenkomstig de op dat moment gelende verdelingssystematiek met betrekking tot de jaarlijkse financiële bijdragen van de gemeenten als bedoeld in Artikel 14 van de regeling (in ieder geval gedurende de eerste twee boekjaren betekent dat in ieder geval een 50/50-verdeling). Het gaat hier voor de goede orde om een uitgangspunt. Indien de bedrijfsvoeringsorganisatie na het uittreden van een deelnemer blijft voortbestaan kan het met het oog op de continuïteit van de organisatie bijvoorbeeld aangewezen zijn indien een deel van de bestaande activa niet worden verdeeld.

 

Artikel 24

Een bestuur kan verzoeken om wijziging van de regeling en daartoe een voorstel doen. Deze wijziging moet goedgekeurd worden door de raden en de colleges moeten daartoe positief besluiten. Een logisch moment voor een wijziging van de regeling betreft in ieder geval de situatie waarop een andere gemeente tot de regeling toe zou wensen te treden. Om die reden schrijft het derde lid voor dat het bestuur in beginsel een voorstel tot wijziging van de regeling aan de colleges zendt indien een gemeente tot de regeling wenst toe te treden.

 

Artikel 25

Deelnemende gemeenten kunnen ook verzoeken de bedrijfsvoeringsorganisatie op te heffen. De bedrijfsvoeringsorganisatie zal worden opgeheven nadat de raden daarvoor toestemming hebben gegeven en de colleges daartoe hebben besloten. De bedrijfsvoeringsorganisatie zal vervolgens geliquideerd moeten worden. Het na de vereffening resterende positieve of negatieve saldo zal verdeeld worden overeenkomstig de op dat moment gelende verdelingssystematiek met betrekking tot de jaarlijkse financiële bijdragen van de gemeenten als bedoeld in Artikel 14 van de regeling (in ieder geval gedurende de eerste twee boekjaren betekent dat in ieder geval een 50/50-verdeling).

 

Artikel 26

In dit artikel is de zorg en het beheer van archiefbescheiden geregeld. De zorg voor de archiefbescheiden is (overeenkomstig het bepaalde in artikel 41 Archiefwet 1995) neergelegd bij het bestuur. De zorg voor archiefbescheiden dient overeenkomstig het bepaalde in de Archiefwet 1995 en de daarop gebaseerde besluiten plaats te vinden. Tevens dient het bestuur omtrent de zorg voor de archiefbescheiden een nadere regeling vast te stellen.

 

In het artikel is verduidelijkt dat de zorg voor de archiefbescheiden die verband houden met door de bedrijfsvoeringsorganisatie krachtens mandaat, volmacht of machtiging uitgeoefende taken bij de betreffende gemeenten blijft berusten.

 

Het feitelijke beheer van de archiefbescheiden berust bij de directie. De directie maakt omtrent het beheer van de archiefbescheiden die verband houden met de gemandateerde, gemachtigde of gevolmachtigde taken afspraken met de deelnemende gemeenten.

 

Artikel 27

Deze regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

 

Artikel 28

Voor alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het bestuur met in achtneming van geldende wet- en regelgeving. Het bestuur neemt pas een dergelijk besluit nadat de colleges geraadpleegd zijn.

 

Artikel 29

Ingevolge het bepaalde in artikel 26 lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, zendt het college van de gemeente waar de bedrijfsvoeringsorganisatie is gevestigd de regeling naar gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. Dit college dient ook zorg te dragen voor bekendmaking. [30]

 

  • [30]

    Art. 26 lid 2 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

 

Artikel 30

Het functioneren van de bedrijfsvoeringsorganisatie en de regeling zal voor het eerst in 2022, en daarna om de 5 jaar, geëvalueerd worden. De evaluaties zullen in ieder geval betrekking dienen te hebben op de werking van de financiële bepalingen uit de regeling. Het bestuur zal voorafgaande aan de evaluatie een voorstel doen over de opzet van de evaluatie. De evaluatie van de regeling omtrent de verdeling van kosten, het aanvullen van tekorten en het verdelen van overschotten zal plaatsvinden aan de hand van een analyse op basis van vast te stellen objectieve criteria. Nadat de colleges met dat voorstel hebben ingestemd zal de evaluatie worden uitgevoerd.

 

Artikel 31

Zoals artikel 26 lid 3 van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen voorschrijft, is in de regeling een moment bepaald waarop de regeling in werking treedt, namelijk op 1 januari 2020, mits de regeling voor dat moment bekend is gemaakt.