Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 22 november 2019, nr. MINBUZA.2019.4593-20, tot vaststelling van beleidsregels voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (SRGR Partnerschap Fonds)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;

Gelet op de artikelen 4.1 tot en met 4.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van afdeling 4. Mensenrechten, SDG’s; strategische partnerschappen, van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 in het kader van SRGR Partnerschap Fonds gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2025 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Artikel 2

Aanvragen om in aanmerking te komen voor een strategisch partnerschap in het kader van SRGR Partnerschap fonds worden ingediend in de periode vanaf 16 december 2019 tot en met 12 maart 2020 12:00 uur CET, aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.1

Artikel 3

De selectie van de strategische partners vindt plaats op grond van een beoordeling overeenkomstig de maatstaven die in de bijlage bij dit besluit zijn neergelegd, met dien verstande dat uit alle aanvragen die voldoen aan de maatstaven, de aanvragen die het beste voldoen aan die maatstaven het eerst voor een strategisch partnerschap in aanmerking komen, binnen het raam van een evenwichtige spreiding als bedoeld in artikel 8, derde lid, sub d, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2026, met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage, met uitzondering van de annexen bij de bijlage, in de Staatscourant worden geplaatst. Annexen bij de bijlage worden via internet bekend gemaakt.2

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, namens deze, de Directeur-Generaal Internationale samenwerking, K. van der Heijden

Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld

Subsidie-instrument SRGR Partnerschap Fonds

Een kader voor financiering van maatschappelijke organisaties voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2025

Inhoudsopgave

Beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld

2

1.

Versterking Maatschappelijk Middenveld – inleiding

2

2.

Beleidsdoelstelling, uitgangspunten en kernelementen Versterking Maatschappelijk Middenveld (Strengthening Civil Society)

4

 

2.1

Beleidsdoelstelling

4

 

2.2

Uitgangspunten

5

 

2.3

Kernelementen

5

   

A.

Ruimte voor het maatschappelijk middenveld (civic space)

5

   

B.

Pleiten en beïnvloeden

6

   

C.

Meer zeggenschap van lokale organisaties

7

   

D.

Gendergelijkheid en inclusie

8

   

E.

Strategisch partnerschap

8

   

F.

Flexibiliteit

9

   

G.

Wederzijdse capaciteitsversterking

9

   

H.

Innovatie

10

3.

SRGR Partnerschap Fonds

10

 

A.

Inleiding

10

 

B.

Beoordelings- en selectieprocedure en criteria

12

 

C.

Tijdpad

22

Annexen (losse documenten op de website)

Annex 1

Begrippenlijst

Annex 2

 

2a

ORIA formulier

2b

Integrity update formulier

2c

Vragenlijst actualisering ORIA

Annex 3

OECD landenlijst

Annex 4

Corporate rates

Annex 5

Executive summary Theory of Change Versterking Maatschappelijk Middenveld

Annex 6

Beleidsdocument Vrouwenrechten en Gendergelijkheid: Power of Women

Annex 7

Beleidsdocument Women, Peace and Security

Annex 8

Theory of Change SRGR

1. Versterking Maatschappelijk Middenveld – inleiding

Een sterk maatschappelijk middenveld3 vormt, samen met een legitieme en effectieve overheid en een verantwoord opererend bedrijfsleven, de basis voor een goed functionerende, inclusieve samenleving. Het zijn vaak maatschappelijke organisaties die de stemmen van burgers versterken en laten weerklinken en hen daarin, ook buiten het politieke proces, vertegenwoordigen. Door pleiten en beïnvloeden roepen maatschappelijke organisaties4 overheden en het bedrijfsleven op hun verantwoordelijkheid te nemen voor het op een inclusieve manier bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen (Sustainable Development Goals (SDG’s)), het naleven van internationale mensenrechtenstandaarden en het verstevigen van het sociaal contract tussen burgers en de overheid. In veel gevallen kaarten maatschappelijke organisaties onrecht en ongelijke machtsverhoudingen aan en roepen zij politieke en economische instituties ter verantwoording over hun beleid. Versterking van het maatschappelijk middenveld draagt bij aan de openheid van samenlevingen en versterking van democratie en rechtsstaat.

Ondersteuning van het maatschappelijk middenveld blijft onverminderd van belang, zeker nu de ruimte voor het maatschappelijke middenveld in veel landen onder druk staat. In meer dan honderd landen worden de vrijheden van vereniging, vergadering en meningsuiting sterk ingeperkt, bijvoorbeeld door middel van bureaucratische restricties of door openlijk geweld.5 Dit raakt niet alleen maatschappelijke organisaties zelf, maar ook datgene waar zij zelf voor staan, zoals inzet op gendergelijkheid, corruptiebestrijding, schoon drinkwater of milieubescherming. Het verlichten van de toenemende druk op maatschappelijke organisaties vraagt om een aanpak die nauw aansluit bij de lokale situatie en waarin de lokale maatschappelijke organisaties meer zeggenschap hebben over de manier waarop Nederland daaraan kan bijdragen.

De uitgangspunten van de nota ‘Investeren in Perspectief. Goed voor de wereld, goed voor Nederland’6 vormen de basis voor dit nieuwe beleidskader. In deze nota is specifieke aandacht voor het maatschappelijk middenveld en de rol die het heeft in het behalen van de 17 SDG’s in 2030. Het maatschappelijk middenveld geeft hier invulling aan door zich te richten op armoedebestrijding en het vertegenwoordigen en versterken van de stem van burgers, zowel in (post-)conflict-, als in meer stabiele contexten. Het maatschappelijk middenveld heeft een onafhankelijke rol en kan vanuit die rol overheden en het bedrijfsleven aanspreken op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van een duurzaam, coherent en inclusief beleid. Daarmee kan het maatschappelijk middenveld de communicatie en relatie tussen de burger, de overheid en het bedrijfsleven bevorderen.

Binnen de brede SDG-agenda, die leidend is voor de Nederlandse regering, richt de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking zich in het bijzonder op SDG 5, omdat investeren in vrouwen gelijk staat aan investeren in ontwikkeling en groei. De Minister zet zich daarom in voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen en meisjes en hanteert dit als doel in alle onderdelen van het Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS-)beleid en daarmee in alle onderdelen van dit beleidskader. De focus op SDG 5 is noodzakelijk om een effectief en inclusief buitenlandbeleid te kunnen realiseren. Gendergelijkheid is niet alleen een doel op zichzelf, maar ook een middel en een voorwaarde voor het realiseren van de overige SDG’s.

Het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld (Strengthening Civil Society) vormt het overkoepelende beleidskader voor subsidie-instrumenten onder beleidsartikel 3 van hoofdstuk XVII van de Rijksbegroting, die in dit kader vervolgens hieronder aan de orde komen. De nadruk ligt in dit beleid op de ruimte voor maatschappelijke organisaties (civic space) om hun rol te kunnen vervullen en de bijdrage die zij leveren aan het behalen van de SDG’s. Op deze wijze wordt vanuit een gemeenschappelijke visie en doelstelling krachtiger en met meer samenhang ingezet op het versterken van het maatschappelijk middenveld als pleiter en beïnvloeder voor het naleven van mensenrechten en daarmee de realisatie van de SDG’s.

Onder dit beleidskader vallen twee fondsen, namelijk Power of Voices en SDG 5 fonds. Het eerst genoemde fonds kent een drietal instrumenten, te weten: Power of Voices Partnerschappen, het verlengde beleidskader voor Voice (voor drie jaar tot en met 31 december 2023) en het Accountability Fonds (een instrument specifiek voor ondersteuning van activiteiten van lokale maatschappelijke organisaties via de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen7 waaraan binnen dit beleidskader een vervolg wordt gegeven). Het SDG 5 fonds bestaat uit de subsidie-instrumenten voor Power of Women; Women, Peace and Security; SRHR Partnership Fund alsmede Leading from the South. Om de inzet van de Nederlandse regering op vrouwenrechten en gendergelijkheid extra te benadrukken, vormen deze instrumenten samen het nieuwe SDG 5 fund.

Het nieuwe kader geeft een vervolg aan bestaande subsidie-instrumenten ter ondersteuning van programma’s die het maatschappelijk middenveld versterken en die per 31 december 2020 aflopen: Samenspraak en Tegenspraak (opgevolgd door Power of Voices partnerschappen); Funding Leadership Opportunities for Women (opgevolgd door Power of Women); Vrouwen, Vrede en Veiligheid (opgevolgd door Women, Peace and Security) en SRGR partnerschappen (opgevolgd door SRHR Partnership Fund).8

De overige drie financieringsinstrumenten, Voice, het Accountability Fonds en Leading from the South worden in bestaande vorm gecontinueerd, onder meer vanwege behaalde resultaten en type doelstellingen. Voor Voice en Leading from the South liggen hier de respectievelijke mid-term reviews aan ten grondslag. Voor het Accountability Fonds geldt dat in 2020 een review aanleiding kan geven tot bijstelling. Om de samenhang tussen de verschillende instrumenten te benadrukken, zijn alle genoemde instrumenten samengebracht in dit beleidskader9. In schema:

In hoofdstuk 2 worden de overkoepelende beleidsdoelstelling, de beleidsuitgangspunten en de kernelementen van het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld (Strengthening Civil Society) toegelicht.

De Theory of Change Versterking Maatschappelijk Middenveld (annex 5 bij dit beleidskader) beschrijft het overkoepelende kader. Deze Theory of Change is ook geldend voor Power of Voices Partnerschappen en maakt daarmee deel uit van de beleidsregels voor Power of Voices Partnerschappen. Daarnaast zijn er separate beleidsdocumenten/Theory of Change voor de subsidie-instrumenten Power of Women; Women, Peace and Security en SRHR Partnership Fund. Deze passen uiteraard binnen de Theory of Change Versterking Maatschappelijk Middenveld en kunnen daar niet los van worden gezien. Deze beleidsdocumenten worden steeds als annex bij het desbetreffende subsidie-instrument opgenomen en maken deel uit van de in die subsidie-instrumenten opgenomen beleidsregels.

Voor dit beleidskader en de daaronder vallende subsidiebeleidskaders is een vertaling in Engelse taal beschikbaar. In geval van discrepanties of interpretatieverschillen geldt dat de Nederlandse versie leidend is.

2. Beleidsdoelstelling, uitgangspunten en kernelementen Versterking Maatschappelijk Middenveld (Strengthening Civil Society)

2.1 Beleidsdoelstelling

Het hoofddoel van dit beleidskader is het versterken van maatschappelijke organisaties in hun rol van pleiten en beïnvloeden. Hiermee wordt bijgedragen aan een krachtiger maatschappelijk middenveld dat opkomt voor de behoeften en rechten van burgers en hiermee zowel bijdraagt aan verbetering van het sociaal contract tussen burgers en overheid als aan een inclusieve en duurzame samenleving.

Het sociaal contract bepaalt de mate waarin de staat ruimte schept (of juist beperkingen aanbrengt) voor de individuele en maatschappelijke ontwikkeling van burgers, waarbij de staat rekenschap aflegt over zijn handelen. De rol die het maatschappelijk middenveld kan spelen binnen het verbeteren van het sociaal contract zal van land tot land verschillen. Binnen een meer gesloten samenleving zullen maatschappelijke organisaties uiteraard andere strategieën en interventies moeten hanteren dan binnen meer open samenlevingen.

Het kader beoogt bij te dragen aan sociale, politieke en economische ontwikkeling in die landen waar de verschillende programma’s actief worden. Daarvoor is het nodig dat maatschappelijke organisaties onderling samenwerken, onder andere via netwerken. Dit kan op lokaal, nationaal, regionaal en internationaal niveau, waarbij het van belang is een link tussen die niveaus te hebben.

De verschillende nieuwe subsidie-instrumenten die vallen onder dit beleidskader hebben elk aparte subdoelstellingen, die worden verwoord in de specifieke subsidiebeleidskaders die gelden voor deze instrumenten.

Organisaties en/of personen die op de internationale sanctielijsten staan, zijn uitgesloten van financiering. Tevens wordt in geval van financiering onder dit kader door de Minister de verplichting opgelegd actief uit te sluiten dat Nederlandse steun in welke vorm dan ook (indirect, direct, deelname aan workshops, etc.) terechtkomt bij dergelijke organisaties en/of personen. Deze verplichting zal de aard van een kettingbeding krijgen, zodat zij doorwerkt in afspraken met derden.

2.2 Uitgangspunten

Leidend voor het nieuwe beleidskader zijn de mensenrechtenbenadering en de SDG’s. Mensenrechten vormen het fundament voor menselijke waardigheid en vrijheid. Zij vormen de basis voor een open en vrije samenleving. Een goed functionerende en inclusieve samenleving is een basis voor welvaart, stabiliteit, economische groei en ontwikkeling. De ambitie die spreekt uit de SDG’s is verbetering te realiseren voor hen die het meest zijn achtergesteld. Het behalen van de SDG’s is een wereldwijd doel, waarbij samenwerking tussen landen en regio’s noodzakelijk is. Immers, veel van de problemen spelen zowel op lokaal, nationaal, regionaal als mondiaal niveau. Voor het verdedigen van mensenrechten en het behalen van de SDG’s wereldwijd is een krachtig maatschappelijk middenveld van belang. Dit is cruciaal voor het versterken van en luisteren naar de stemmen van mensen die niet of nauwelijks gehoord worden, niet of ongelijk kunnen participeren in de samenleving en niet of nauwelijks aanspraak kunnen maken op hun rechten.

De inzet zal zich via dit beleidskader voor een belangrijk deel richten op de landen in de focusregio’s, en de overige in de BHOS-nota genoemde landen waar Nederland een OS-relatie mee heeft.10 Daarnaast blijft inzet in andere lage-, lage midden- en hoge middeninkomenslanden beperkt mogelijk. Zie voor een overzicht van alle lage-, lage midden- en hoge middeninkomenslanden annex 3. Een uitzondering wordt hierbij gemaakt voor de thema’s Klimaatmitigatie en -adaptatie en Handel en/of verduurzaming waardeketens onder Power of Voices Partnerschappen die ingezet kunnen worden in alle lage-, lage midden- en hoge middeninkomenslanden. Dit wordt verder uitgewerkt in hoofdstuk 3 van Power of Voices Partnerschappen.

Het is van belang dat de programma’s in meerdere landen plaatsvinden om de verbinding, samenwerking en het elkaar versterken tot stand te kunnen brengen. De inzet kan verschillen per land en/of regio. Daar waar de ruimte voor het maatschappelijk middenveld klein is, zal vooral ingezet worden op het behouden, verbeteren of vergroten van de ruimte. In andere contexten zal veel meer ingezet kunnen worden op de rol van het maatschappelijk middenveld als pleiter en beïnvloeder. In sommige hoge middeninkomenslanden is veel ervaring opgedaan met pleiten en beïnvloeden en is een sterk maatschappelijk middenveld opgebouwd, waardoor het een belangrijke rol kan spelen in de uitwisseling van ervaringen met organisaties uit landen waar dat niet of minder het geval is.

Dit kader omvat een aantal kernelementen die de uitgangspunten vormen voor het beleid en die gelden voor alle instrumenten die onder dit beleidskader vallen. Deze kernelementen zijn:

  • A. Ruimte voor het maatschappelijk middenveld (civic space);

  • B. Pleiten en beïnvloeden;

  • C. Meer zeggenschap vanuit lokale organisaties;

  • D. Gendergelijkheid en inclusie;

  • E. Strategisch partnerschap;

  • F. Flexibiliteit;

  • G. Wederzijdse capaciteitsversterking;

  • H. Innovatie.

2.3 Kernelementen

A. Ruimte voor het maatschappelijk middenveld (civic space)

Ruimte voor het maatschappelijk middenveld verwijst naar het gebruik kunnen maken van democratische rechten van vrijheid van vereniging, van vergadering en van meningsuiting. Als deze rechten zijn verankerd in wetgeving en worden gerespecteerd, kan er worden gesproken van een open ruimte. Maatschappelijke organisaties hebben deze ruimte nodig om als pleiters en beïnvloeders deel te kunnen nemen aan politieke, sociale en economische besluitvormingsprocessen en aan debatten/discussie/opinie om zo op te komen voor de rechten en belangen van hun achterban.

Op dit moment staat in meer dan de helft van de landen ter wereld deze ruimte sterk onder druk. Dit uit zich volgens Civicus (2018) zowel online als offline onder andere in:

  • Polarisatie van het politieke landschap;

  • Ondermijning van democratische instituties door autoritair leiderschap;

  • Toenemende aanvallen op journalisten die corruptie en maatschappelijk ongenoegen aan de kaak stellen;

  • Toenemende aanvallen op mensenrechtenverdedigers, activisten, natuur- en milieubeschermers;

  • Toenemende onvrijheid en manipulatie op het internet en op sociale media;

  • Restrictieve wetgeving en zware administratieve lasten voor maatschappelijke organisaties;

  • Verdringing van maatschappelijke organisaties, vaak met steun van de overheid.11

Daarom staat in dit nieuwe beleidskader het belang van ruimte voor het maatschappelijk middenveld centraler dan in vorige kaders.

In landen waar de ruimte onder druk staat, zal het behouden, verbeteren of vergroten hiervan onderdeel moeten zijn van de te financieren programma’s. Dit is niet alleen van belang voor versterking van het maatschappelijk middenveld als doel op zich, maar ook voor het behalen van de SDG’s. Afnemende ruimte heeft namelijk niet alleen negatieve gevolgen voor maatschappelijke organisaties zelf, maar ook voor alles waar zij voor staan en waar zij aan werken. Door nationaal en internationaal goed samen te werken, kunnen maatschappelijke organisaties elkaar steun en rugdekking bieden onder moeilijke omstandigheden en pleiten voor verbetering van de ruimte voor maatschappelijke organisaties. Regionale netwerken en mondiale bewegingen zijn daarbij van betekenis. Diplomatiek kan Nederland hieraan bijdragen middels de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordigingen en het versterken van internationale netwerken die pleiten voor meer democratie en ruimte. Daarnaast wil de Minister zich samen met de strategische partners12 inzetten om ook de digitale ruimte te verdedigen en mensenrechten online te waarborgen.

Het blijft niet bij de constatering dat ruimte kleiner wordt en onder druk staat. De ruimte en erkenning die het maatschappelijk middenveld heeft om te pleiten en beïnvloeden, verschillen namelijk per land, per thema waarop actie wordt gevoerd en per soort organisatie. Zo kan er sprake zijn van een verschuiving van de ruimte, waarbij voor sommige groepen de ruimte kleiner wordt en voor andere groter. Om de ruimte die er in een specifieke context is in kaart te kunnen brengen, is een analyse nodig van de beschikbare ruimte voor het voorgestelde programma en de wijze waarop deze ruimte wordt behouden en/of vergroot.

Sociale bewegingen13 spelen in het kader van de ruimte voor het maatschappelijk middenveld een speciale rol. Door hun netwerkstructuur en informele karakter kunnen zij in contexten waar deze ruimte klein is gemakkelijk opereren. Sociale bewegingen zijn veranderlijk qua omvang en samenstelling en hebben veelal geen sterke centrale leiding en zijn daarom ook moeilijker te onderdrukken. De kracht van sociale bewegingen ligt in het mobiliseren van groepen mensen achter een gezamenlijk doel. Door het ondernemen van collectieve actie kan een beweging bepaalde rechten opeisen, onderdrukkende machtsstructuren bevragen of hervormen en denkbeelden uitdagen die ten grondslag liggen aan ongelijkheid. Sociale bewegingen kunnen actief zijn op verschillende niveaus, van lokaal tot internationaal.

B. Pleiten en beïnvloeden

Pleiten en beïnvloeden is een samenvattende noemer voor verschillende instrumenten en strategieën die kunnen worden ingezet om invloed uit te oefenen op politiek, het bedrijfsleven en sociale actoren. Dit heeft als doel de belangen van een bepaalde groep, beweging, organisatie of netwerk te behartigen om zo structurele oorzaken van armoede, ongelijkheid en onrecht aan te pakken en beleid duurzaam te verbeteren.

Het gaat hier om het beïnvloeden van de agenda van besluitvormers, van maatschappelijke of politieke debatten, van besluitvormingsprocedures, van beleid en wetten, van normen en waarden en van bestaande praktijken om te komen tot sociale verandering. Op deze manier vervult het maatschappelijk middenveld een politieke rol. De wijze waarop het maatschappelijk middenveld werkt aan pleiten en beïnvloeden, is sterk afhankelijk van het soort organisatie, de lokale, nationale, regionale en/of mondiale context en de ruimte die er is om beleid te kunnen beïnvloeden en te kunnen samenwerken met andere actoren. De inzet op pleiten en beïnvloeden, kan plaatsvinden op verschillende niveaus: lokaal, nationaal – ook in Nederland – regionaal en internationaal. Vaak is een verbinding tussen deze niveaus nodig om een duurzaam effect te behalen. Pleitbezorging en beïnvloeding zijn geen lineaire processen en het bereiken van resultaten vergt vaak een lange adem. Voor groepen die ongelijke kansen hebben in de samenleving, uitgesloten zijn van participatie en/of onderdrukt worden, is het van belang om bestaande machtsrelaties te bevragen en te veranderen. Het gaat dan om het aan de kaak stellen van de grondoorzaken van uitsluiting en marginalisering en het in gang zetten van een politiek, sociaal en economisch veranderingsproces.

Het hebben van enige mate van legitimiteit is cruciaal voor pleiten en beïnvloeden. Maatschappelijke organisaties die dit niet of onvoldoende hebben, zullen bij besluitvormers, de achterban of het brede publiek moeite hebben om de gewenste veranderingen te bewerkstelligen. Maatschappelijke organisaties kunnen legitimiteit ontlenen aan verschillende bronnen, zoals hun achterban, expertise, onafhankelijkheid, dienstverlening, geloofsovertuiging, maar ook aan normatieve kaders, zoals internationale mensenrechtenverdragen. Binnen dit beleidskader is het in eerste instantie van belang dat maatschappelijke organisaties een duidelijke visie hebben over legitimiteit in het vertegenwoordigen van hun achterban.

C. Meer zeggenschap van lokale organisaties

Machtsrelaties spelen een rol op verschillende niveaus en manieren. Zij zijn aanwezig in de allianties14, tussen de allianties en lokale partners, maar ook tussen de lokale partners onderling. Machtsrelaties hebben binnen een alliantie te maken met wie beslissingen neemt, wie financiering ontvangt en beheert, wie programmeert, wie betrokken is bij de formulering van het programma en hoe participatie wordt vormgegeven. Binnen de alliantie is de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de Nederlandse partners en de alliantiepartners van belang. Ook in de wijze waarop wordt samengewerkt met lokale partners buiten de alliantie spelen machtsrelaties een rol. De vraag is hier welke rol deze partners spelen en in welke mate zij zeggenschap hebben over de vormgeving, uitvoering, monitoring, evaluatie en eventuele bijstellingen van het programma.

Machtsrelaties op het niveau van de alliantie en met de lokale partners kunnen grotendeels door de alliantie worden veranderd en aangepast; zij zijn dan ook onderdeel van de machtsanalyse. Machtsrelaties die deel uitmaken van de samenleving of de context waar het programma wordt uitgevoerd, liggen daarentegen veelal buiten de controle van de alliantiepartners, maar zijn wel van invloed op het programma en daarom noodzakelijk om te benoemen.

Ongelijke machtsrelaties kunnen veroorzaakt worden door een verschil in capaciteit, waarbij de ene organisatie kennisoverdrager is en de andere kennisontvanger. Dit is in het verleden vaak het geval geweest bij relaties van organisaties uit hoge inkomenslanden met organisaties in lage-, lage midden- en hoge middeninkomenslanden. Echter, de capaciteit van organisaties en bewegingen in lage-, lage midden- en hoge middeninkomenslanden is de afgelopen decennia toegenomen. De activiteiten binnen de diverse door de Minister gefinancierde programma’s van de afgelopen jaren hebben daar ook aan bijgedragen (zie resultatenrapportage 2017–201815).

Meer zeggenschap van lokale maatschappelijke organisaties is een belangrijke stap voor gelijkwaardige relaties en het bevorderen van de rol van het maatschappelijke middenveld. Het vergroot de legitimiteit en daarmee de kracht om in hun specifieke context een onafhankelijke(re) rol te vervullen. Daarnaast zorgt meer zeggenschap en eigenaarschap van lokale organisaties voor een effectievere en duurzame inbedding van de programma’s in de lokale context. Zo worden lokale veranderingsprocessen ondersteund die bijdragen aan het behalen van de SDG’s en het naleven van afspraken uit mensenrechtenverdragen. Het beleidskader moedigt daarom samenwerkingsverbanden aan waarin lokale organisaties zeggenschap hebben.

Zeggenschap van lokale maatschappelijke organisaties uit lage-, lage midden- en hoge middeninkomenslanden moet zichtbaar worden gemaakt met een beschrijving van de rollen en verantwoordelijkheden van die partners in de formulering en uitvoering van het programma en besluitvormingsprocessen binnen de alliantie. Immers, daadwerkelijke zeggenschap is vaak alleen mogelijk als deze vanaf het begin gewaarborgd is. Dit betekent dat besluitvorming over doelen, verantwoordelijkheden, uitvoering, financiering en verdeling van middelen een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid is, waar organisaties in het samenwerkingsverband op gelijkwaardige wijze invulling aan geven. Dit kan in de samenwerking tussen Nederlandse en lokale organisaties betekenen dat de Nederlandse organisaties een andere rol gaan vervullen, meer gericht op innovatie, verbinding en beïnvloeding op internationaal niveau.

De Nederlandse organisaties werkzaam met steun van dit beleidskader kunnen in die opzet complementair en ondersteunend zijn aan bredere wereldwijde veranderingsprocessen, omdat zij ook actief zijn binnen internationale fora en de internationale agenda daarmee kunnen beïnvloeden. Zij houden contact met het Nederlandse en internationale beleid en met andere (inter)nationale maatschappelijke organisaties om die rol te kunnen invullen. Zij hebben een functie in het versterken van de capaciteit op het gebied van monitoring en evaluatie, financiële verantwoording en inhoudelijke rapportage.

D. Gendergelijkheid en inclusie

Vrouwenrechten en gendergelijkheid zijn een dwarsdoorsnijdend thema in dit beleidskader. Het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid beoogt gelijke rechten, kansen en uitkomsten voor vrouwen en mannen en meisjes en jongens. Duurzame inclusieve ontwikkeling is alleen mogelijk als iedereen de kans heeft ervan te profiteren en eraan mee te doen (Leave no one behind). Dit betekent ook het actief betrekken van bijvoorbeeld mensen met een beperking, LHBTI’ers en religieuze en etnische minderheden.

Gendergelijkheid, vrouwenrechten en inclusie zijn dus sterk met elkaar verbonden. Het gaat in al deze gevallen om het recht van eenieder op gelijkwaardige participatie in de samenleving op sociaal, economisch en politiek terrein. Hiertoe moet een samenleving gelijke toegang mogelijk maken voor iedereen tot goederen, kansen, hulpmiddelen en beloningen. Dit betekent niet dat er geen verschillen bestaan tussen individuen, maar wel dat elk individu, onafhankelijk van sekse, seksuele geaardheid, etniciteit, vermogen, familie, leeftijd, sociale positie, en handicap, gelijke kansen en rechten heeft en kan gebruiken. Soms zijn specifieke maatregelen nodig of moet zeker gesteld zijn dat geplande interventies geen negatieve gevolgen hebben voor vrouwen en meisjes.

Inclusie gaat over het bij besluitvormingsprocessen betrekken van die groepen die structureel zijn uitgesloten van participatie. In de probleemanalyse van elk in te dienen programmavoorstel moet daarom zowel aandacht zijn voor de dimensies van ongelijkheid en discriminatie van groepen die structureel zijn uitgesloten als voor de consequenties van de beoogde interventies voor deze groepen. Daarnaast moet altijd expliciet aandacht worden gegeven aan de specifieke positie van vrouwen, meisjes en jongeren in het algemeen, onafhankelijk van het thema of de doelgroep. De wijze waarop wordt bijgedragen aan het garanderen van de rechten van uitgesloten groepen is eveneens onderdeel van deze analyse. Gendergelijkheid en inclusie zijn een integraal onderdeel van dit beleidskader en moeten als zodanig onderdeel zijn van de aanvraag, alsmede hoe wordt zeker gesteld en verantwoord hoe de aanvrager of alliantie daar in de praktijk invulling aan geeft.

Verschillende identiteitsaspecten kunnen samenkomen, zoals vrouw zijn én gehandicapt of behoren tot een inheemse groep én homoseksueel zijn. Om die reden hebben gendergelijkheid en inclusie een duidelijke relatie met intersectionaliteit. Bij dit begrip wordt ervan uitgegaan dat individuen die deel uitmaken van belangengroepen, bewegingen en organisaties veelal te maken hebben met verschillende problemen en uitdagingen. Hun positie in de samenleving is niet ééndimensionaal. Aandacht voor alleen één aspect kan beperkend werken en de effectiviteit van de interventie in de weg staan.

E. Strategisch partnerschap
Partnerschap

Een partnerschap betreft een samenwerkingsrelatie met als belangrijkste elementen: wederkerigheid, complementariteit, autonomie en het hebben van gedeelde doelen. Bewezen kwaliteiten van de organisaties, in het verleden behaalde resultaten en strategisch potentieel dienen als basis voor de selectie van een alliantie als partner van de Minister en de invulling van het partnerschap. Zowel de geselecteerde allianties als de Minister hebben eigen netwerken, ervaringen, kwaliteiten en instrumenten. Binnen het partnerschap behoudt ieder dan ook een eigen verantwoordelijkheid, identiteit en autonomie van handelen. Het hebben van een partnerschap betekent niet dat er altijd sprake zal zijn van overeenstemming, maar houdt ook in dat de allianties en de Minister elkaar kunnen aanspreken en vragen om bepaalde interventies, of juist terughoudendheid zijn als daartoe aanleiding is. Binnen een partnerschap is samenwerking niet altijd op alle punten mogelijk (cooperative conflict), noch noodzakelijk. Tegenspraak is onderdeel van een partnerschap in dialoog; dit houdt scherp en waar het schuurt, ontstaat energie die kan leiden tot verandering. Het uitgangspunt blijft de inhoud van de samenwerkingsrelaties waarvoor beide partijen zich inzetten, maar daarbij kunnen zich ook situaties voordoen waarin niet samen wordt opgetrokken.

Strategisch

Een partnerschap tussen een alliantie en de Minister in het kader van de onder dit beleidskader hangende subsidie-instrumenten betreft meer dan alleen een subsidierelatie. De geselecteerde allianties gaan samen met de Minister werken aan het bereiken van een gezamenlijk gedefinieerd, strategisch doel. Het strategische van een partnerschap is met name gelegen in de aard van de concrete samenwerking en in de wijze waarop het partnerschap hier meerwaarde biedt om gedeelde doelen te behalen. Het strategisch karakter van de partnerschappen veronderstelt dat door het gezamenlijk doel, zowel bij de formulering als bij de uitvoering, samenwerking leidt tot het behalen van resultaten die de partners afzonderlijk niet zouden kunnen behalen. Het gezamenlijk leren en benutten van elkaars kwaliteiten vergroot de kans op het behalen van de gestelde doelen. Ook het bundelen van de ingebrachte expertise en capaciteit kan een effectief middel zijn om meerwaarde te creëren. Het ministerie van Buitenlandse Zaken kan naast haar rol als financier de volgende toegevoegde waarde hebben binnen een partnerschap:

  • 1) Diplomatieke steun via het postennet zowel bilateraal als multilateraal (uitdragen Nederlandse politieke en/of beleidsprioriteiten, (ministeriele) missies, toegang tot overheden en (multilaterale) instellingen/fora, faciliteren/organiseren/bijwonen bijeenkomsten, advisering (bijvoorbeeld over lokale wetgeving), troubleshooting);

  • 2) Inzet en toegang tot (inter)nationale netwerken;

  • 3) Toegang verlenen tot kennis, expertise en (overheids)informatie (inclusief Meerjarige Landenstrategieën);

  • 4) Faciliteren van monitoring (inclusief veldbezoeken), leren en evalueren (intern en extern);

  • 5) Faciliteren jaarlijkse strategische beleidsdialogen.

De betrokkenheid van verschillende directies van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waar mogelijk aangevuld met de betrokkenheid van Nederlandse ambassades, is daarmee een cruciaal onderdeel van het partnerschap. De mate waarin dat plaatsvindt, zal per partnerschap verschillen en is afhankelijk van bijvoorbeeld capaciteit, aansluiting bij de Meerjarige Landenstrategieën of andere thematische prioriteiten. Precieze invulling hiervan zal gezamenlijk tussen de alliantie en het ministerie van Buitenlandse Zaken plaatsvinden.

F. Flexibiliteit

Flexibiliteit is een belangrijk uitgangspunt van dit beleidskader en kent verschillende dimensies. Het is sterk gelieerd aan werken met een Theory of Change, omdat dit een flexibel planningsinstrument is. Hierin worden de outcomes van het voorgenomen programma en het proces om die te bereiken, beschreven, inclusief de aannames die eraan ten grondslag liggen. Als gedurende de uitvoering van het programma blijkt dat bepaalde assumpties niet kloppen, bepaalde interventies niet tot de beoogde resultaten leiden of contexten sterk veranderen, moeten de interventies of strategieën worden aangepast, waarbij de in de Theory of Change beschreven outcomes en doelstellingen leidend blijven. Flexibiliteit vereist daarnaast een goede risicoanalyse die, gezien de sterk veranderende context waarin het maatschappelijk middenveld opereert, regelmatig moet worden herzien om veranderende en nieuwe risico’s op tijd te kunnen signaleren en mitigeren. De flexibiliteit die geldt voor de relatie tussen de Minister en de strategische partners moet eveneens doorwerken in de relatie tussen alliantiepartners en hun partnerorganisaties.

G. Wederzijdse capaciteitsversterking

Capaciteitsversterking is een leerproces waar alle partners hun expertise en kennis inbrengen en verder ontwikkelen. Het doel is het realiseren van empowerment: het in staat stellen van individuen en groepen om voor hun eigen rechten en belangen op te komen. Dit gezamenlijke proces is enerzijds gericht op het verbeteren van de samenwerking en anderzijds op bijvoorbeeld versterking van de alliantie en de lokale partners op het gebied van pleiten en beïnvloeden en het verbeteren van concrete capaciteiten en vaardigheden, zoals (financieel) management. Idealiter zijn de eisen ten aanzien van financiële verantwoording en monitoring en evaluatie vanuit de alliantie richting de partnerorganisaties niet strikter of anders dan de eisen die de Minister hanteert ten aanzien van haar strategische partners. Indien lokale partners niet of maar gedeeltelijk kunnen voldoen aan de eisen voor financiële verantwoording en rapportageverplichtingen, moet gezocht worden naar een goed alternatief, dat wordt afgestemd met de Minister. Capaciteitsversterking kan hierbij bijdragen aan het vinden van oplossingen.

Wederzijdse capaciteitsversterking kan op verschillende niveaus plaatsvinden. Intern binnen de (lokale) partnerorganisatie en/of alliantie, in samenspraak met de Minister, in samenspraak met de lokale partners en doelgroepen, of met andere actoren op nationaal, regionaal of mondiaal niveau. Een leeragenda moet een integraal onderdeel vormen van het onder dit beleidskader te financieren programma en daarmee de monitoring.

H. Innovatie

Innovatie wordt in dit beleidskader gezien als het inzetten van nieuwe manieren van werken, bestaande werkwijzen toepassen in nieuwe contexten, maar ook het doorvoeren van verbeteringen/ aanpassingen op basis van nieuwe inzichten. Dit betekent dat de organisaties adaptief zijn ten aanzien van een veranderende context, bijvoorbeeld toenemende digitalisering16. Innovatie gaat daarmee hand in hand met flexibiliteit en aanpassingsvermogen.

Innovatie is ook het investeren in sociale verandering en inclusie door toepassing van nieuwe (digitale) technologieën, nieuwe vormen van samenwerking en nieuwe financieringsvormen. Innovatie kan daarnaast gelegen zijn in het aangaan van relaties met bedrijven, of juist met meer informele groepen, bewegingen en organisaties die vaak buiten beeld blijven. Experimenteren met nieuwe manieren van werken en daarvan leren wordt aangemoedigd.

3. SRGR Partnerschap Fonds

A. Inleiding

Het subsidie-instrument SRGR Partnerschap Fonds heeft een budget van EUR 315 miljoen17 en een looptijd van 5 jaar, startend op 1 januari 2021. Het SRGR Partnerschap Fonds is bedoeld voor capaciteitsversterking op het gebied van pleiten en beïnvloeden ten behoeve van het bevorderen van de universele verwezenlijking van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR).

SRGR, inclusief hiv/aids, behoort al lange tijd tot de prioriteiten van Nederlands buitenlands beleid. De International Conference on Population and Development (ICPD) uit 1994 – en de daarop volgende conferenties – vormen hiervoor een belangrijke basis18. Daarnaast is de door de Verenigde Naties gelanceerde 2030 Agenda met duurzame ontwikkelingsdoelen inmiddels een belangrijk kader, in het bijzonder SDG 319 en SDG 520.

Het Nederlandse SRGR-beleid heeft goede resultaten geboekt. De Nederlandse inzet heeft onder meer bijgedragen aan: verbetering van kennis over SRGR, met name onder jongeren; grotere beschikbaarheid van moderne voorbehoedsmiddelen en SRGR-gerelateerde medicijnen, zoals aidsremmers; toename in het gebruik van SRGR-diensten; en een daling in moedersterfte en sterfte aan aids21. Ook de Nederlandse inzet op harm reduction en het werken met key populations, en de expertise van Nederlandse organisaties op deze thema’s, heeft positief effect. Nederland vervult hierin een voortrekkers- en aanjagersrol. Toch is er nog veel werk te verrichten om bijvoorbeeld moedersterfte door onveilige abortus verder omlaag te brengen, te voldoen aan de grote vraag naar moderne voorbehoedsmiddelen en het verder tegengaan van kindhuwelijken. Dit alles vindt plaats binnen een context waarin de rechten van vrouwen, meisjes en jongeren – met name hun seksuele en reproductieve gezondheid en rechten – enerzijds nog niet zijn gerealiseerd en anderzijds onder druk staan.

Het Nederlandse SRGR-beleid richt zich op vier samenhangende, maar ook op zichzelf staande, resultaatgebieden, zoals ook vastgelegd in de Theory of Change SRGR van 8 november 201822. Deze is bijgevoegd in annex 8.

  • 1. Jongeren hebben meer kennis van en zijn daardoor beter in staat gezondere keuzes te maken over hun seksualiteit;

  • 2. Meer mensen hebben toegang tot en kunnen gebruikmaken van voorbehoedsmiddelen, condooms, aidsremmers en andere essentiële middelen voor seksuele en reproductieve gezondheid;

  • 3. Publieke en private klinieken bieden kwalitatief goede seksuele en reproductieve gezondheidszorg aan die door een stijgend aantal mensen wordt gebruikt;

  • 4. Meer respect voor seksuele en reproductieve rechten van mensen aan wie deze rechten wordt onthouden.

Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidieverstrekking in het kader van dit instrument dient een aanvraag zich te richten op SDG 3, SDG 5 en ten minste één van deze SRGR-resultaatsgebieden.

Aanvragers worden gestimuleerd zich te richten op de focusregio’s, alsmede de landen genoemd in de BHOS-nota, waar Nederland een OS-relatie mee heeft.23 Hiermee wordt meer synergie beoogd tussen de versterking van het maatschappelijk middenveld ter plaatse en de uitvoering van het BHOS-beleid.

Het SRGR Partnerschap Fonds richt zich op de vier hierboven genoemde resultaatgebieden. Daarbij is een gedeeltelijke inzet op service delivery niet per definitie uitgesloten van subsidie, mits deze ten dienste staat van de primaire inzet op pleiten en beïnvloeden en ten gunste komt van de groepen genoemd onder resultaatgebieden 1 en/of 4 (jongeren en mensen wiens seksuele en reproductieve rechten worden onthouden). De penvoerder dient in dat geval in de Theory of Change een extra toelichting te geven, waarin wordt uitgelegd hoe de voorgestelde inzet op service delivery zich verhoudt tot de primaire inzet op pleiten en beïnvloeden. In de derde fase (zoals beschreven onder B. Beoordelings- en selectieprocedure en criteria) zal de mate van inzet op service delivery in gezamenlijkheid tussen de alliantie en het ministerie van Buitenlandse Zaken worden afgestemd.

Wie kunnen in aanmerking komen als strategisch partner?

Alleen allianties van maatschappelijke organisaties komen in aanmerking om strategisch partner te worden van de Minister in het kader van het SRGR Partnerschap Fonds. Een alliantie bestaat uit alliantiepartners, waaronder één penvoerder en één of meerdere andere alliantiepartners.

Alliantiepartners kunnen zijn:

  • Maatschappelijke organisaties met een hoofdkantoor in lage-, lage-midden- en hoge-middeninkomenslanden, al dan niet als penvoerder van een alliantie of als andere alliantiepartner, met bewezen kwaliteit en aantoonbaar Track Record op het gebied van SRGR en/of pleiten en beïnvloeden op het gebied van SRGR;

  • Nederlandse maatschappelijke organisaties, al dan niet als penvoerder van een alliantie of als andere alliantiepartner, met bewezen kwaliteit en aantoonbaar Track Record op het gebied van SRGR en/of pleiten en beïnvloeden op het gebied van SRGR;

  • Internationale non-gouvernementele organisaties (INGO’s) gevestigd in een hoge-inkomensland anders dan Nederland, als alliantiepartner, niet zijnde penvoerder, met bewezen kwaliteit en aantoonbaar Track Record op het gebied van SRGR en/of pleiten en beïnvloeden op het gebied van SRGR.

Elke alliantiepartner moet beschikken over rechtspersoonlijkheid.

Van elke alliantie dient ten minste één alliantiepartner uit een lage-, lage-midden- of hoge-middeninkomensland en één Nederlandse partner deel uit te maken.

Aanvragen van een alliantie worden door de penvoerder namens de alliantie ingediend. Zowel een Nederlandse alliantiepartner als een alliantiepartner uit een lage-, lage-midden- of hoge-middeninkomensland kan de rol van penvoerder vervullen. In geval de aanvraag van de alliantie in aanmerking komt voor subsidie, is de penvoerder de subsidieontvanger en als zodanig geheel verantwoordelijk voor de uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend en voor de naleving van de aan de subsidieverlening en de partnerschapsovereenkomst verbonden verplichtingen.

Een maatschappelijke organisatie komt maximaal tweemaal in aanmerking voor een strategisch partnerschap onder het SRGR Partnerschap Fonds, waarvan slechts éénmaal in de rol van penvoerder. Indien meerdere aanvragen worden ingediend met dezelfde organisatie als penvoerder, wordt enkel de eerst ontvangen aanvraag in behandeling genomen. De later ontvangen aanvraag/aanvragen wordt/worden terzijde gelegd en afgewezen. Indien een organisatie in geen enkele aanvraag als penvoerder optreedt, kan zij tweemaal alliantiepartner zijn. In totaal kan een organisatie dus in twee allianties namens welke aanvragen worden ingediend, deelnemen. Indien een organisatie in meer dan twee allianties namens welke aanvragen worden ingediend, deelneemt, wordt enkel de eerste twee ontvangen aanvragen in behandeling genomen en wordt/worden de later ingediende aanvraag/aanvragen terzijde gelegd en afgewezen.

Deelname van een maatschappelijke organisatie aan een alliantie, hetzij als penvoerder, hetzij als andere alliantiepartner, in een strategisch partnerschap onder het SRGR Partnerschap Fonds beperkt niet de mogelijkheid tot deelname van deze maatschappelijke organisatie in allianties, hetzij als penvoerder, hetzij als andere alliantiepartner onder de overige subsidie-instrumenten onder het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld24, mits voldaan wordt aan de daarvoor geldende vereisten onder deze subsidie- instrumenten.

Aanvragen voor deelname in een strategisch partnerschap onder het SRGR Partnerschap Fonds worden uiterlijk 12 maart 2020 12.00 uur CET online gedaan, aan de hand van het daartoe door de Minister vastgestelde en beschikbaar gestelde online aanvraagstramien en voorzien van de daarin vermelde bescheiden.25 Aanvragen die later dan 12 maart 2020 12.00 uur CET worden ontvangen, worden afgewezen en niet in behandeling genomen.

B. Beoordelings- en selectieprocedure en criteria

De bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2016 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen in het kader van SRGR Partnerschap Fonds. Aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de in dit subsidiebeleidskader opgenomen criteria.

De beoordeling van aanvragen voor een strategisch partnerschap, en daarmee een subsidie, vindt plaats in drie fasen, resulterend in een besluit over de selectie van allianties die in aanmerking komen voor het aangaan van een strategisch partnerschap en over de toekenning van subsidie.

  • 1. De eerste fase bestaat uit een toets op drempelcriteria;

  • 2. De tweede fase bestaat uit de beoordeling van de kwaliteit van de Theory of Change van de alliantie, de visie van de alliantie op de samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt en de kwaliteit van het Track Record van de alliantie en alliantiepartners;

  • 3. De derde fase bestaat uit de beoordeling van het volledige programmavoorstel en budget.

De aanvragen worden in fase 1 beoordeeld op de in de drempeltoets vermelde drempelcriteria. De drempelcriteria zijn criteria waaraan een aanvraag in elk geval moet voldoen om in aanmerking voor subsidie te kunnen komen.

Indien aan alle drempelcriteria wordt voldaan, wordt de aanvraag verder beoordeeld op basis van de onder Criteria kwalitatieve toets fase 2 in dit hoofdstuk genoemde kwaliteitscriteria. Indien aan één of meer van de drempelcriteria niet wordt voldaan, wordt de aanvraag terzijde gelegd en afgewezen.

Voor de beoordeling van aanvragen in fase 1 en 2 worden de volgende vier onderdelen gevraagd in de aanvraag:

  • 1. Theory of Change die voor de alliantie de basis vormt in het realiseren van het beoogde doel van de alliantie in het beoogde strategische partnerschap. De Theory of Change bevat een (voorgestelde) landenkeuze en een onderbouwing hiervan;

  • 2. Beschrijving van de visie van de alliantie op de samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt, inclusief de wijze waarop zeggenschap van deze lokale organisaties is geïntegreerd en gegarandeerd;

  • 3. Track Record waarin de alliantie de ervaring op het voorgestelde thema en in de landen waar de aanvraag zich op richt, beschrijft;

  • 4. Een getekende samenwerkingsovereenkomst tussen de penvoerder en alle andere alliantiepartners.

Aanvragen van allianties van maatschappelijke organisaties die in aanmerking willen komen als partner voor een strategisch partnerschap met de Minister moeten (in voldoende mate) voldoen (minimaal 650 punten) aan de volgende criteria:

  • 1. Drempelcriteria;

  • 2. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de Theory of Change van de alliantie; voor de Theory of Change kunnen maximaal 550 punten behaald worden, de Theory of Change van een aanvraag wordt als voldoende beoordeeld vanaf 355 punten26;

  • 3. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van de visie van de alliantie op de samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt; voor de beschrijving van de visie van de alliantie op samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt kunnen maximaal 175 punten behaald worden, de visie op samenwerking met lokale organisaties van een aanvraag wordt als voldoende beoordeeld vanaf 120 punten;

  • 4. Criteria met betrekking tot de kwaliteit van het Track Record van de alliantie; voor het Track Record kunnen maximaal 275 punten behaald worden), het Track Record van een aanvraag wordt als voldoende beoordeeld vanaf 175 punten27.

Om in aanmerking te kunnen komen als strategisch partner, zal de kwaliteit van elk van deze onderdelen, dus zowel de Theory of Change, als de visie van de alliantie ten aanzien van de samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt en het Track Record, minimaal als voldoende moeten zijn beoordeeld. Indien één of meer van de onderdelen van onvoldoende kwaliteit blijkt te zijn, wordt het voorstel terzijde gelegd en afgewezen.

Ook indien een aanvraag in de kwalitatieve beoordeling in totaal minder dan 650 punten28 behaalt, zal het voorstel terzijde gelegd worden en afgewezen.

Op de aanvragen die in de kwalitatieve beoordeling minimaal 650 punten behaald hebben, zullen na deze kwalitatieve beoordeling punten toegekend worden aan de inzet in landen in de focusregio’s en de overige landen genoemd in de BHOS-nota waar een OS-relatie mee bestaat.29 De toekenning zal plaatsvinden naar rato van de mate waarin een aanvraag zich richt op landen in de focusregio’s en de overige landen genoemd in de BHOS-nota.

De eindscore van een aanvraag wordt bepaald door de score op de kwalitatieve beoordeling en de punten op de geografische inzet.

Er zullen maximaal zeven aanvragen geselecteerd worden voor fase 3. Indien er minder dan zeven aanvragen voldoen aan de kwaliteitscriteria, worden er dus minder dan zeven aanvragen geselecteerd. Bij meer dan zeven aanvragen die voldoen aan de kwaliteitscriteria, zullen de zeven hoogst scorende aanvragen worden geselecteerd. Hierbij wordt gelet op het bepaalde in artikel 8, derde lid, onder c, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken rekening gehouden met een evenwichtige spreiding van het aantal geselecteerde aanvragen over de verschillende resultaatgebieden.

De aanvragen van niet-geselecteerde allianties worden afgewezen.

Een externe adviescommissie ziet toe op de kwaliteit, consistentie en objectiviteit van de beoordelingsprocessen van vier van de onder het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld vallende subsidie-instrumenten.30

Fase 1: Drempeltoets

De drempelcriteria zijn criteria waaraan een aanvraag in elk geval moet voldoen om in aanmerking voor subsidie te kunnen komen. De toets op de drempelcriteria vindt plaats door medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Indien er niet aan alle drempelcriteria wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen en niet verder beoordeeld.

Let op: statuten en/of jaarverslagen dienen in de Nederlandse, Engelse, Franse en/of Spaanse taal ingeleverd te worden. Indien statuten en/of jaarverslagen niet in bovengenoemde talen opgesteld zijn, dient de penvoerder zorg te dragen voor een gecertificeerde vertaling.

D.1.a: De aanvraag wordt ingediend namens een alliantie door één penvoerder zijnde een maatschappelijke organisatie gevestigd in Nederland of in een lage-, lage-midden-, of hoge-middeninkomensland (zie de landenlijst in annex 3 bij deze beleidsregels).

Onder een maatschappelijke organisatie wordt verstaan: een niet op winst gerichte, niet aan een overheidsinstantie statutair of feitelijk verbonden organisatie met een maatschappelijk oogmerk, beschikkend over rechtspersoonlijkheid naar burgerlijk recht, die niet door een overheidsinstantie is opgericht, dan wel die na oprichting door een overheidsinstantie geheel verzelfstandigd is.

Onder een in Nederland gevestigde organisatie wordt verstaan: een organisatie opgericht in Nederland volgens Nederlands recht en statutair minimaal drie jaar in Nederland gevestigd, waarbij de peildatum 1 januari 2019 is.

Onder een in een lage-, lage midden- of hoge middeninkomensland gevestigde organisatie wordt verstaan: een organisatie die statutair is gevestigd in een van de landen opgenomen in annex 3 en daar is opgericht volgens het aldaar geldende recht.

Toelichting:

Dit blijkt uit de statuten van de penvoerder en een namens de penvoerder en alle andere alliantiepartners getekende samenwerkingsovereenkomst die is gesloten met het oog op het aangaan van een strategisch partnerschap met de Minister in het kader van het SRGR Partnerschap Fonds en de met behulp van deze subsidie uit te voeren activiteiten.

D.1.b: De alliantie namens welke de penvoerder de aanvraag indient, bestaat uit maatschappelijke organisaties waarvan ten minste één maatschappelijke organisatie gevestigd in een lage-, lage midden- of hoge middeninkomensland, opgenomen op de landenlijst van annex 3 bij deze beleidsregels, en ten minste één in Nederlandse gevestigde maatschappelijke organisatie deel uitmaken.

Toelichting:

Dit wordt aangetoond door overlegging van de statuten van de penvoerder en alle andere alliantiepartners.

Internationale Non-Gouvernementele Organisaties (INGO’s) gevestigd in een hoge-inkomensland anders dan Nederland, kunnen in een alliantie deelnemen als alliantiepartner, niet zijnde de penvoerder.

D.1.c: Elke maatschappelijke organisatie participeert ten hoogste in twee allianties, namens welke aanvragen voor een strategisch partnerschap in het kader van het SRGR Partnerschap Fonds worden ingediend, waarvan ten hoogste eenmaal als penvoerder.

Toelichting:

Elke maatschappelijke organisatie kan ten hoogste eenmaal als penvoerder en eenmaal als alliantiepartner, niet zijnde penvoerder, van een alliantie deel uitmaken namens welke een aanvraag voor een strategisch partnerschap onder het SRGR Partnerschap Fonds wordt ingediend óf tweemaal als alliantiepartner, niet zijnde penvoerder. Als een organisatie als alliantiepartner participeert in meer dan twee allianties of meer dan één keer als penvoerder, zal/zullen enkel de eerst(e) (twee) ingediende aanvraag/aanvragen in behandeling worden genomen. De daarna ontvangen aanvraag/aanvragen wordt/worden afgewezen.

D.2: De aanvraag omvat een namens de penvoerder en alle andere alliantiepartners getekende samenwerkingsovereenkomst die is gesloten met het oog op het aangaan van een strategisch partnerschap met de Minister in het kader van het SRGR Partnerschap Fonds en de met behulp van deze subsidie uit te voeren activiteiten, waarin in ieder geval afspraken zijn neergelegd over:

  • de wijze waarop elk van de alliantiepartners bijdraagt aan de werkzaamheden van de alliantie (rollen, taken en verantwoordelijkheden);

  • de wijze waarop de besluitvorming in de alliantie plaatsvindt;

  • de wijze waarop de kosten en de risico’s worden verdeeld over de alliantiepartners;

  • de wijze waarop de alliantiepartners naleving door de penvoerder van de aan een subsidie verbonden verplichtingen jegens de Minister waarborgen, inclusief de zorg voor gezamenlijke geaggregeerde rapportages (inclusief IATI-rapportages).

Toelichting:

Dit wordt aangetoond door overlegging van een namens de penvoerder en alle andere alliantiepartners getekende samenwerkingsovereenkomst die aan bovenstaande vereisten voldoet.

D.3: Zowel de penvoerder als zijn alliantiepartners zetten zich in voor universele toegang tot SRGR in lage-, lage midden- en/of hoge middeninkomenslanden (zie annex 3) in samenwerking met de in die landen gevestigde maatschappelijk organisatie(s).

Toelichting:

Dit wordt aangetoond door overlegging van de doelstellingen van de penvoerder en alliantiepartners, zoals vermeld in de statuten en/of jaarverslagen. Geef de passage/bladzijde aan waarnaar wordt verwezen.

D.4: De penvoerder heeft binnen het onder D.3 genoemde werkterrein ten minste de afgelopen drie jaar gewerkt aan capaciteitsversterking van maatschappelijke organisaties op het gebied van pleiten en beïnvloeden in minimaal drie van de landen waar de aanvraag zich op richt. Peildatum is 1 januari 2019.

Toelichting:

Dit wordt aangetoond door overlegging van de statuten en/of jaarverslagen van de penvoerder. Geef de passage/bladzijde aan waarnaar wordt verwezen.

D.5: De penvoerder toont aan dat in de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 jaarlijks ten minste 25% van de totale jaarlijkse inkomsten van de alliantie afkomstig was uit bronnen anders dan directe subsidies en/of bijdragen van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Toelichting:

Gedurende de periode 2016–2018 was jaarlijks ten minste 25% van de totale jaarlijkse inkomsten van de alliantie afkomstig uit bronnen anders dan directe subsidies en/of bijdragen van het ministerie van Buitenlandse Zaken (inclusief ambassades/posten). Dit criterium geldt voor de gehele alliantie. Dat wil zeggen dat indien de penvoerder of één van de andere alliantiepartners jaarlijks minder dan 25% van de totale jaarlijkse inkomsten uit andere dan subsidies en/of bijdragen van het ministerie van Buitenlandse Zaken verwierf, dit kan worden gecompenseerd door (een) andere partner(s) in de alliantie. Dit wordt aangetoond door overlegging van de laatste drie jaarrekeningen (2016–2018) van de alliantiepartners of verwijzing naar de relevante pagina’s uit de jaarverslagen over deze jaren indien de jaarrekeningen in deze verslagen zijn opgenomen.

Jaarlijkse totale inkomsten in 2016: EUR......, waarvan niet afkomstig van BZ: EUR.........

Jaarlijkse totale inkomsten in 2017: EUR......, waarvan niet afkomstig van BZ: EUR.........

Jaarlijkse totale inkomsten in 2018: EUR......, waarvan niet afkomstig van BZ: EUR.........

D.6:

A. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van een in Nederland gevestigde penvoerder of alliantiepartner (niet zijnde de penvoerder) bedraagt, uiterlijk met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, per kalenderjaar ten hoogste EUR 189.000 (bruto) bij een dienstverband van een 36-urige werkweek.

Genoemd bedrag bestaat uit:

  • 1. de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen);

  • 2. de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen;

  • 3. beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage, etc.

B. Deze eis is ook van toepassing voor alliantiepartners (niet zijnde de penvoerder) die zijn gevestigd in een EU-lidstaat, waarbij voor alliantiepartners (niet zijnde de penvoerder) uit EU-lidstaten die niet zijn aangesloten bij de euro geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de corporate rates (annex 4) die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2020.

C. Gelet op de koopkrachtgegevens gepubliceerd door EUROSTAT (comparative price levels 2018)31 geldt voor alliantiepartners (niet zijnde de penvoerder) gevestigd in één van de volgende landen een aangepaste norm, op grond van het algemene inkomensniveau in de betreffende landen:

• Noorwegen

NOK 2.490.214;

• Zwitserland

CHF 278.675;

• Japan

YEN 20.617.531;

• VS/Canada

USD 205.350.

D. De maximale bezoldiging van de individuele leden van het management en bestuur van een penvoerder of alliantiepartner (niet zijnde de penvoerder) gevestigd in overige landen, staat met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

Toelichting:

Ad A/B/C/D

De penvoerder specificeert de hoogte van de bezoldiging (inclusief toeslagen) van elk van de leden van het management (inclusief CEO) en bestuur van de eigen organisatie en alle overige alliantiepartners per de datum van de ingang van het subsidietijdvak:

Functie

Beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen)

Belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen

Beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel pensioenbijdrage e.a.

Omvang aanstelling (in uren per week)

         
         
         
         
         
         

Voor alliantiepartners (niet zijnde de penvoerder) uit EU-lidstaten die niet zijn aangesloten bij de euro en voor penvoerders en overige alliantiepartners uit landen buiten de EU, anders dan de landen onder C., geldt dat omrekening van de lokale valuta naar de euro geschiedt op grond van de corporate rates (annex 4) die door het ministerie worden gehanteerd met ingang van 1 januari 2020.

Ad A/B/C

De penvoerder specificeert de hoogte van de bezoldiging (beloning, belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn) van de individuele leden van het management en bestuur van de eigen organisatie en overige alliantiepartners voor zover in de EU, Noorwegen, Zwitserland, Japan en/of VS/Canada gevestigd.

Geef daarbij ook de omvang van de aanstelling aan waaraan de bezoldiging is verbonden (zie ook hieronder onder NB).

Voor (Nederlandse) organisaties die vallen onder de reikwijdte van de Wet normering topinkomens (WNT) hoeft geen specificatie te worden gegeven, maar mag worden volstaan met een verwijzing naar diens elektronische melding van de WNT-gegevens bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tenzij deze informatie per 1 januari 2019 in verband met een wijziging in de bezoldiging niet meer geldig is.

Ad D

De penvoerder specificeert de hoogte van de bezoldiging (beloning, belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn) van de individuele leden van het management en bestuur van de eigen organisatie en overige alliantiepartners voor zover buiten de EU en Noorwegen, Zwitserland, Japan en/of VS/Canada gevestigd. De penvoerder licht de verhouding tussen deze hoogte en het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie(s) toe.

NB:

Toelichting op criterium:

Het bezoldigingsmaximum is afgeleid van de bezoldiging van de Directeur-Generaal Internationale Samenwerking (DGIS) van het ministerie van Buitenlandse Zaken. DGIS valt onder de cao voor Rijksambtenaren waarin een 36-urige werkweek als voltijds dienstverband wordt aangemerkt. Indien het dienstverband van een managementlid of bestuurder bij de betrokken organisatie minder dan 36 uur per week betreft, wordt het bezoldigingsmaximum van EUR 189.000 pro-rato verlaagd en gerelateerd aan de deeltijdfactor van het dienstverband (omvang aanstelling/36*EUR 189.000). Bij een dienstverband van meer dan 36 uur blijft het bezoldigingsmaximum EUR 189.000. Wanneer de organisatie de deeltijdfactor verstrekt in de subsidieaanvraag, is dit het uitgangspunt voor de berekening van het verlaagde bezoldigingsmaximum. Wanneer de deeltijdfactor niet wordt verstrekt, wordt uitgegaan van een omvang van een voltijds dienstverband van 36 uur.

D.7.a: De penvoerder is in staat tot een adequaat financieel beheer en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot activiteiten als waarvoor subsidie wordt gevraagd, een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen.

Toelichting:

Dit blijkt uit:

  • Geldige PARTOS ISO-9001 certificering; of

  • In geval de organisatie een positief beoordeelde Organisational Risk and Integrity Assessment (ORIA) heeft: Ingevulde Vragenlijst Actualisering ORIA (annex 2c) met verwijzing naar het activiteitennummer van de verkregen subsidie of naar de aanvraag afgekeurd op andere gronden dan de organisatorische capaciteit; of

  • In geval de organisatie een geldige (vanaf 1 april 2017) positief beoordeelde COCA heeft: een ingevulde Vragenlijst Actualisering ORIA (annex 2c) met verwijzing naar het activiteitennummer van de verkregen subsidie of naar de aanvraag afgekeurd op andere gronden dan de organisatorische capaciteit; of

  • Volledige ingevulde ORIA (annex 2a).

D.7.b: De penvoerder toont aan dat hij en alle andere alliantiepartners een integriteitsbeleid hebben, en procedures om dit beleid te implementeren. Dit integriteitsbeleid en deze procedures zijn er om ernstige vormen van grensoverschrijdend gedrag, daaronder begrepen seksuele misdragingen jegens medewerkers en derden, bij de uitvoering van de activiteiten waarop de aanvraag betrekking heeft door de penvoerder, de alliantiepartners en de door hen ingeschakelde partijen, zoveel mogelijk te voorkomen, in voorkomend geval te onderzoeken, met passende maatregelen zo spoedig mogelijk te doen beëindigen en de gevolgen daarvan te mitigeren. De procedures zijn zodanig ingericht dat een tijdige melding van incidenten aan de Minister is gewaarborgd.

Toelichting:

Dit blijkt uit:

  • De penvoerder en alliantiepartners die een positief beoordeelde ORIA hebben: verwijzing naar het activiteitennummer van de verkregen subsidie of naar de aanvraag afgekeurd op andere gronden dan de organisatorische capaciteit; of

  • De penvoerder en alliantiepartners zonder ORIA: een volledig ingevulde ORIA integrity update formulier (annex 2b), aan te leveren in de Engelse taal.

D.8: De aanvraag is gericht op SDG 3, SDG 5 en ten minste één van de SRGR-resultaatgebieden:

  • 1. Jongeren hebben meer kennis van en zijn daardoor beter in staat gezondere keuzes te maken over hun seksualiteit;

  • 2. Meer mensen hebben toegang tot en kunnen gebruikmaken van voorbehoedsmiddelen, condooms, aidsremmers en andere essentiële middelen voor seksuele en reproductieve gezondheid;

  • 3. Publieke en private klinieken bieden kwalitatief goede seksuele en reproductieve gezondheidszorg aan die door een stijgend aantal mensen wordt gebruikt;

  • 4. Meer respect voor seksuele en reproductieve rechten van mensen aan wie deze rechten wordt onthouden.

Toelichting:

Dit blijkt uit de Theory of Change.

Fase 2: Beoordeling van de kwaliteit van de ‘Theory of Change’, de visie van de alliantie op de samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt en het Track Record

Strategische partners die door de drempelcriteria heen zijn, worden geselecteerd aan de hand van de inhoudelijke criteria, zoals opgesteld in deze paragraaf, voor de beoordeling van de kwaliteit van de Theory of Change, de visie van de alliantie ten aanzien van de samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt en het Track Record.

Deze beoordeling wordt uitgevoerd door een beoordelingscommissie bestaande uit medewerkers van het ministerie van Buitenlandse Zaken en (een) externe expert(s).

Criteria kwalitatieve toets fase 2

De kwalitatieve toets in fase 2 bestaat uit drie onderdelen:

  • 1. Criteria voor toetsing van de Theory of Change;

  • 2. Criteria voor toetsing van de visie van de alliantie op de samenwerking met lokale organisaties in de landen waar de aanvraag zich op richt;

  • 3. Criteria voor toetsing van het Track Record.

1. Theory of Change
1.1 Theory of Change

Om de kwaliteit van de Theory of Change te kunnen beoordelen, dient de penvoerder met de andere alliantiepartner(s) een Theory of Change uit te werken die bestaat uit een grafische weergave en een narratief van maximaal 4.000 woorden in lettertype Verdana 9, regelafstand 1. De Theory of Change dient opgesteld en ingediend te worden in de Engelse of Nederlandse taal.

De Theory of Change laat overtuigend zien dat de alliantie een visie heeft op het wederzijds versterken van maatschappelijke organisaties ten behoeve van pleiten en beïnvloeden, gerelateerd aan SDG 3 en SDG 5 en ten minste één van de SRGR-resultaatgebieden.

De Theory of Change integreert de genoemde kernelementen en uitgangspunten uit hoofdstuk 2, de thematiek rondom het SRGR Partnerschap Fonds, de Theory of Change Versterken Maatschappelijk Middenveld (annex 5) en de Theory of Change SRGR (annex 8), alsmede de internationale consensus, zoals verwoord in de betreffende aandachtsgebieden uit het actieprogramma van de ICPD32.

De Theory of Change bevat:

  • Een heldere probleemanalyse die uitmondt in een strategische doelstelling voor het programma, gericht op SDG 3 en SDG 5 en ten minste één van de SRGR-resultaatgebieden genoemd in criterium D.8, en de verschillende tussenliggende stappen om dit doel te bereiken vanuit een mensenrechtenbenadering;

  • Een strategie van pleiten en beïnvloeden en de hiervoor noodzakelijke capaciteitsversterking bij maatschappelijke organisaties om bovenstaande doelstelling te behalen, waarbij er een link wordt gelegd met deze processen zoals omschreven in de executive summary Theory of Change van Versterking Maatschappelijk Middenveld (annex 5);

  • Een analyse van de achterliggende aannames die de tussenliggende stappen om de strategische doelstelling voor het programma te bereiken met elkaar verbinden;

  • Een beperkt aantal proces-, outcome- en impactindicatoren (kwantitatief) en/of omschrijvingen (kwalitatief);

  • Een vanuit de probleemanalyse beredeneerde regio-, landen- of gebiedskeuze (minimaal drie landen per aanvraag);

  • Een dwarsdoorsnijdende gender- en inclusie-analyse;

  • Een analyse van de beschikbare ruimte (civic space) voor het voorgestelde programma en de wijze waarop deze ruimte wordt bewaakt en/of vergroot, hierbij rekening houdend met:

    • politieke/sociale/economische (risico)factoren;

    • conflictsensitiviteit.

  • Een analyse van de belangrijkste (partner)organisaties en groepen die voor het programma van belang zijn;

  • Een omschrijving van de wijze waarop de Nederlandse alliantiepartner de verbinding met de Nederlandse samenleving vormgeeft;

  • De hoogte van de subsidie die de penvoerder voor de alliantie vraagt om voorgestelde interventies uit te voeren alsmede een onderbouwing33;

  • Indien gedeeltelijk wordt ingezet op service delivery: een toelichting hoe de voorgestelde gedeeltelijke inzet op service delivery zich verhoudt tot de primaire inzet op pleiten en beïnvloeden en ten gunste komt van de groepen genoemd onder resultaatgebied 1 en/of 4 (jongeren en mensen wiens seksuele en reproductieve rechten wordt onthouden).

1.2 Criteria

De kwaliteit van de Theory of Change wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • 1.

    • a. De mate waarin er een heldere probleemanalyse is op het gebied van SDG 3 en SDG 5 en het/de gekozen resultaatgebied(en) (zie criterium D.8) die uitmondt in één strategische doelstelling;

    • b. Indien de aanvraag zich richt op meerdere resultaatgebieden: de mate waarin er een duidelijke en logische samenhang tussen de beoogde resultaten bestaat;

  • 2. Indien ook wordt ingezet op service delivery: de mate waarin de voorgestelde gedeeltelijke inzet op service delivery bijdraagt aan de primaire inzet op pleiten en beïnvloeden en ten gunste komt van de groepen genoemd onder resultaatgebied 1 en/of 4 (jongeren en mensen wiens seksuele en reproductieve rechten wordt onthouden);

  • 3. De mate waarin er een heldere uitwerking is van de strategie van pleiten en beïnvloeden en de hiervoor noodzakelijke capaciteitsversterking bij maatschappelijke organisaties, en de mate waarin hier een duidelijke link wordt gelegd met deze processen zoals omschreven in de executive summary van de Theory of Change Versterking Maatschappelijk Middenveld (annex 5) en Theory of Change SRGR (zie annex 8);

  • 4. De mate waarin een logisch en onderbouwd verband bestaat tussen de beoogde interventies, de aannames en resultaten, en hoe deze bijdragen aan de strategische doelstelling;

  • 5. De mate waarin de Theory of Change een bijdrage levert aan bewustwording ten aanzien van de rechten van de groepen waarop zij zich richt en aan versterking van de stem van deze groepen, zodat zij voor hun rechten kunnen opkomen;

  • 6. De mate waarin het behalen van de beoogde resultaten realistisch is in de periode van vijf jaar en de mate waarin duurzaamheid van deze resultaten wordt nagestreefd;

  • 7. De mate waarin de keuze voor regio’s, landen of specifieke gebieden binnen deze landen logisch voortvloeit uit de probleemanalyse;

  • 8. De mate waarin de Theory of Change gendergelijkheid en inclusie integraal heeft opgenomen en specifieke aandacht heeft voor benodigde interventies om barrières voor uitgesloten groepen, vrouwen en meisjes, en jongeren in het algemeen weg te nemen;

  • 9. De mate waarin er een heldere analyse is van de beschikbare ruimte (civic space) voor het voorgestelde programma en van de (innovatieve) wijze waarop deze ruimte wordt bewaakt en/of vergroot, hierbij rekening houdend met:

    • a. politieke/sociale/economische (risico) factoren;

    • b. conflictsensitiviteit.

  • 10. De mate waarin de alliantie kennis heeft van de belangrijkste organisaties en groepen die voor het programma van belang zijn en dit laat zien aan de hand van een actoranalyse;

  • 11. De mate waarin er een heldere argumentatie is waarom er juist met deze organisaties en groepen wordt samengewerkt om het strategisch doel te bereiken, reflecterend op:

    • a. legitimiteit;

    • b. meerwaarde;

    • c. complementariteit.

  • 12. De mate waarin de Nederlandse alliantiepartner in staat is de thematiek waar het actief op is binnen de Nederlandse samenleving onder de aandacht te brengen en op de politieke en/of maatschappelijke agenda te krijgen en/of te behouden.

2. Visie alliantie op samenwerking met lokale organisaties
2.1 Visie

Om de kwaliteit van de visie van de alliantie op de samenwerking met lokale organisaties en groepen in de landen waar de aanvraag zich op richt te kunnen beoordelen, dient de penvoerder met de andere alliantiepartner(s) de visie hierop uit te werken in de vorm van een narratief van maximaal 1.200 woorden in lettertype Verdana 9, met regelafstand 1, en dit in te dienen. De visie dient opgesteld en ingediend te worden in de Engelse of Nederlandse taal.

Deze visie bevat:

  • Een analyse van de belangrijkste machtsrelaties op verschillende niveaus tussen alliantiepartners en lokale partners en groepen, daarbij rekening houdend met gender en inclusie;

  • Een beschrijving van de wijze waarop deze machtsrelaties worden geadresseerd, zodat lokale partners en groepen uit de landen waar de aanvraag zich op richt zeggenschap krijgen in het programmaontwerp en in de uitvoering;

  • Een omschrijving van de wijze waarop gezamenlijk leren en innovatie onderdeel uitmaakt van de samenwerking.

2.2 Criteria

De kwaliteit van de visie van de alliantie op de samenwerking met lokale organisaties en groepen in de landen waar de aanvraag zich op richt wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • 1. De mate waarin er een heldere analyse is van de belangrijkste machtsrelaties op voor het programma relevante niveaus tussen alliantiepartners en lokale partners en groepen;

  • 2. De mate waarin gelijkwaardigheid en inbreng van de verschillende lokale partners en doelgroepen is gewaarborgd in besluitvormingsprocessen over:

    • rollen en verantwoordelijkheden;

    • onderlinge rechten en plichten;

    • selectie van partners;

    • verdeling van budget;

    • vormgeving van het programma (Theory of Change, Monitoring en Evaluatie);

    • implementatie van het programma.

  • 3. De mate waarin leren en innovatieve manieren van werken binnen de alliantie en met de lokale partners een structureel onderdeel uitmaakt van de samenwerking.

3. Track Record
3.1 Track Record

Om de kwaliteit van het Track Record te kunnen beoordelen, dient de penvoerder met de andere alliantiepartner(s) een Track Record uit te werken in de vorm van een narratief van maximaal 2.500 woorden in lettertype Verdana 9, regelafstand 1, en dit in te dienen. Het Track Record dient opgesteld en ingediend te worden in de Engelse of Nederlandse taal.

Het Track Record beschrijft kort twee casussen, met waar mogelijk verifieerbare bronnen toegevoegd, uit de laatste drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019 van verschillende individuele alliantiepartners, van de alliantie en/of van delen van de alliantie. Elke casus bevat:

  • Aantoonbare resultaten die zijn geboekt op 1) keuzevrijheid rondom seksualiteit en toegang tot informatie, middelen en diensten op het gebied van SRGR, en 2) (wederzijdse) capaciteitsversterking op het terrein van pleiten en beïnvloeden rondom de thematiek van keuzevrijheid en toegang tot informatie, middelen en diensten op het gebied van SRGR in de afgelopen drie jaar (peildatum 1 januari 2019);

  • De landen waarin de penvoerder en overige alliantiepartners actief waren die relevant zijn voor de aanvraag;

  • De kennis van de penvoerder en de overige alliantiepartners van de thematiek waarop de Theory of Change van de alliantie betrekking heeft;

  • De wijze waarop is samengewerkt met de relevante actoren;

  • De wijze waarop de penvoerder en/of de alliantiepartners de Theory of Change of een ander planningsinstrument regelmatig hebben getoetst en hoe dit al dan niet heeft geleid tot aanpassingen in het programma;

  • Gendergelijkheid en inclusie als integraal onderdeel van de programma’s;

  • De aandacht in de uitwerking van programma’s en gedurende de implementatie daarvan voor de specifieke behoeften van voor de programma’s relevante (uitgesloten) groepen en bij die behoeften behorende interventies;

  • Het waarborgen van duurzaamheid van de resultaten van de programma’s;

  • Het leren van lessen op het terrein van pleiten en beïnvloeden en het gebruiken daarvan.

3.2 Criteria

De kwaliteit van het Track Record wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

  • 1. De mate waarin de alliantie en/of de alliantiepartners laat/laten zien dat zij beschikt/beschikken over aantoonbare expertise op het gebied van de SRGR thematiek en de mate waarin de alliantie en/of de alliantiepartners in staat is/zijn de beoogde resultaten te behalen;

  • 2. De mate waarin de penvoerder laat zien dat zij beschikt over aantoonbare expertise betreffende capaciteitsversterking op het terrein van pleiten en beïnvloeden rondom de thematiek van het SRGR Partnerschap Fonds en de mate waarin de alliantie en/of de alliantiepartners in staat is/zijn op effectieve wijze de beoogde resultaten te behalen;

  • 3. De mate waarin de alliantie en/of alliantiepartners kennis heeft/hebben van relevante actoren in de landen waarop de aanvraag zich richt (overheid, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en sociale bewegingen) en de mate waarin hij/zij daarmee effectief heeft/hebben samengewerkt;

  • 4. De mate waarin de alliantie en/of alliantiepartners aandacht had(den) voor leren en waarin hij/zij was/waren gericht op het uitwisselen van kennis en ervaringen met betrokkenen;

  • 5. De mate waarin gendergelijkheid en inclusie op een effectieve wijze waren geïntegreerd in de analyse, de implementatie en de beoogde resultaten en terugkomen in de inzet van de financiële middelen;

  • 6. De mate waarin uit de Track Record blijkt dat de werkwijze van alle alliantiepartners aansluit bij de internationale consensus, zoals verwoord in de betreffende aandachtsgebieden uit het actieprogramma van de ICPD34;

  • 7. De mate waarin uit de Track Record blijkt dat de definitie en aanbevelingen betreffende seksuele en reproductieve rechten, zoals neergelegd in het Guttmacher-Lancet Commission rapport on SRHR d.d. 9 mei 201835, door alle alliantiepartners worden onderschreven;

  • 8. De mate waarin barrières voor het optimaal kunnen participeren in de samenleving van uitgesloten groepen en vrouwen en meisjes en jongeren in het algemeen in kaart zijn gebracht, zijn geadresseerd en/of zijn weggenomen;

  • 9. De mate waarin de alliantie en/of alliantiepartners transparantie over het handelen heeft/hebben gewaarborgd en de mate waarin verantwoording over het handelen aan lokale partners, overheden, achterban, financiers en eventueel andere relevante actoren werd afgelegd;

  • 10. De mate waarin de duurzaamheid van de resultaten werd gewaarborgd;

  • 11. Indien gedeeltelijke inzet op service delivery: de mate waarin de alliantie en/of de alliantiepartners ervaring en expertise heeft/hebben op het gebied van service delivery op het gebied van SRGR.

Fase 3: Proces na selectie en uitwerking programmavoorstel

Uitwerking strategisch partnerschap en aansluiting bij MLS-en en resultaatkaders

Een overzicht van de allianties die zijn geselecteerd als potentiële strategische partner zal met de bijbehorende landenkeuze direct na fase 2 gedeeld worden met de regiodirecties van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de betreffende ambassades. Tegelijkertijd kunnen allianties de Meerjarige Landenstrategieën opvragen voor die landen waarvoor zo’n strategie is opgesteld. Deze zullen via de regiodirecties beschikbaar gesteld worden. Via deze informatiedeling kunnen verwachtingen ten aanzien van betrokkenheid bij deze strategische partnerschappen in een zo vroeg mogelijk stadium in kaart worden gebracht. Deze informatie is van belang voor het verder invulling geven aan de uitwerking van de programmavoorstellen.

Tijdens de start van de derde fase zal de mate van inzet op service delivery in gezamenlijkheid tussen de alliantie en het ministerie van Buitenlandse Zaken worden afgestemd. De activiteiten op het gebied van service delivery dienen altijd ter ondersteuning van het pleiten en beïnvloeden op het gebied van SRGR te zijn en bij te dragen aan de lange termijn doelstelling, en kunnen niet enkel een op zichzelf staande activiteit zijn. Daarbij dienen de begunstigden van de te leveren diensten de in de resultaatgebieden beschreven doelgroepen zijn: jongeren en/of mensen wiens seksuele en reproductieve rechten worden onthouden.

Allianties die zijn geselecteerd als potentiële strategische partner worden uitgenodigd om in samenspraak met de Directie Sociale Ontwikkeling, regiodirectie en ambassades nadere invulling te geven aan het strategische partnerschap, een gezamenlijk strategisch doel te formuleren en afspraken te maken over rollen, verantwoordelijkheden, verwachtingen en ambities. In gezamenlijk overleg zullen afspraken gemaakt worden over de aansluiting van de verschillende Theories of Change, resultaatkaders en de inzet in de in de aanvraag voorgestelde landen. Het aanbrengen van wijzigingen in deze voorgestelde landenlijst is in gezamenlijk overleg mogelijk.

De mate van intensiteit van samenwerking tussen de strategische partners en het ministerie is afhankelijk van de actuele (beleids)agenda en wordt mede bepaald door pragmatische overwegingen, zoals beschikbare capaciteit van de strategische partners en het ministerie en het aantal partnerschappen per land.

Zo zal de betrokkenheid van ambassades en intensiteit van samenwerking per strategisch partnerschap en per land worden gedefinieerd en zal deze onder andere afhankelijk zijn van de aansluiting van de aanvraag bij de betreffende Meerjarige Landenstrategie en/of de aanwezige capaciteit op de ambassade(s).

Daar waar de aanvraag beleidsmatig aansluit bij de Meerjarige Landenstrategie kan de betrokkenheid van de ambassade tijdens de implementatie een meer strategisch karakter krijgen. Daar waar geen of in mindere mate aansluiting is bij de prioriteiten van de desbetreffende ambassade, zal de samenwerking met de ambassade minimaal zijn, maar zal de ambassade wel geïnformeerd worden over de werkzaamheden van de alliantie.

Financiële middelen

Binnen een maand nadat de potentiële strategische partners zijn geselecteerd (zie hierna onder C. Tijdpad) zal het definitieve totale subsidieplafond bekend worden gemaakt en de wijze van verdeling van de middelen over de verschillende allianties. Daaruit vloeit voort welk maximale budget elke alliantie krijgt toegewezen, uiteraard onder voorbehoud van een positieve uitkomst van de beoordeling van het door de alliantie uit te werken volledige programmavoorstel en begroting.

Bij de verdeling van de middelen zullen de kwaliteit van de aanvraag en de omzet die de alliantie heeft gehad over de afgelopen drie jaar een rol spelen. Dit kan betekenen dat de hoogst scorende aanvraag niet het hoogste budget toegewezen krijgt.

Het minimumbudget per alliantie is EUR 5 miljoen per jaar en het maximumbudget is EUR 15 miljoen per jaar. De looptijd van de subsidies, en daarmee de programma’s, is vijf jaar. De partners stellen op basis van het toegewezen budget een definitief programmavoorstel en begroting op. Na fase 2 wordt met de potentiële strategische partners een budgetformat en criteria voor de beoordeling van de kwaliteit van de volledige programmavoorstellen gedeeld.

Programmavoorstel

De verantwoordelijkheid voor het opstellen van het programmavoorstel en voor de implementatie ligt in alle gevallen bij de geselecteerde alliantie. Het programmavoorstel wordt uiterlijk ingediend op 16 oktober 2020 12.00 uur CEST. In het programmavoorstel dient een globaal eerste jaarplan te worden opgenomen, inclusief budget en liquiditeitsprognose, een meerjarenplan en een meerjarenbegroting. Indien van toepassing, kan de ingevulde vragenlijst achter de Partos ISO 9001 certificering worden opgevraagd.

Selectie als potentieel strategisch partner biedt geen garantie op subsidie. Subsidie wordt alleen toegekend indien het programmavoorstel van voldoende kwaliteit blijkt te zijn (in voldoende mate voldoen aan de criteria voor de beoordeling van de kwaliteit van deze voorstellen). De kwaliteit van het programmavoorstel wordt getoetst aan de hand van nog vast te stellen criteria; in elk geval op het gebied van de uitwerking van de in de aanvraag gepresenteerde Theory of Change, een adequate risicoanalyse en mitigerende maatregelen, een resultatenkader inclusief IATI en het logische verband tussen resultaten en budget. Indien een uitgewerkt programmavoorstel niet van voldoende kwaliteit blijkt te zijn, wordt deze afgewezen. Dit heeft overigens geen gevolgen voor de in fase 2 reeds afgewezen aanvragen.

C. Tijdpad

Voor aanvragen, selectie van de SRGR Partnerschap Fonds partnerschappen en de subsidieverlening wordt het volgende tijdpad gehanteerd:

  • Mochten er vragen ontstaan naar aanleiding van deze beleidsregels of andere zaken die samenhangen met het opstellen van de aanvraag, dan kunnen deze uitsluitend worden ingediend via SDG 5-SRGR@minbuza.nl tot uiterlijk op 11 december 2019, 17.00 uur CET, waarna de vragen geanonimiseerd beantwoord worden, uiterlijk op 18 december 2019, 17.00 uur CET door middel van publicatie via internet op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ontwikkelingssamenwerking/documenten/beleidsnotas/2019/11/28/beleidskader-versterking-maatschappelijk-middenveld;

  • Aanvragen voor een strategisch partnerschap in het kader van het SRGR Partnerschap Fonds kunnen worden ingediend vanaf 16 december 2019 tot en met 12 maart 2020 12.00 uur CET via het door de Minister beschikbaar gestelde online aanvraagstramien;

  • Eerst worden de aanvragen voor het SRGR Partnerschap Fonds op de drempelcriteria getoetst. Bij het niet voldoen aan alle drempelcriteria volgt een afwijzing en wordt de aanvraag niet verder beoordeeld;

  • De aanvragen die voldoen aan alle drempelcriteria worden verder in behandeling genomen en beoordeeld op grond van de criteria van de kwalitatieve toets fase 2;

  • Besluitvorming over de selectie van de potentiële strategische partners op basis van de beoordeling van de aanvragen aan de criteria van de kwalitatieve toets vindt plaats op 29 mei 2020;

  • Tussen de bekendmaking van de selectie en 16 oktober 2020 werken de potentiële strategische partners hun programmavoorstellen uit; deze dienen uiterlijk 16 oktober 2020 12:00 uur CEST te zijn ontvangen door het ministerie van Buitenlandse Zaken;

  • Indien de programmavoorstellen van voldoende kwaliteit blijken te zijn, worden de strategische partnerschapsovereenkomsten uiterlijk in december 2020 getekend en worden in die maand eveneens de subsidieverleningsbeschikkingen gegeven. Zowel de strategische partnerschapsovereenkomsten en de subsidieverleningsbeschikking worden aan de penvoerder van de alliantie gericht waarbij de penvoerder optreedt voor de gehele alliantie;

  • De nieuwe programma’s starten 1 januari 2021 en hebben een looptijd van vijf jaar tot en met 31 december 2025.


X Noot
3

Zie begrippenlijst annex 1: Maatschappelijk Middenveld.

X Noot
4

Zie begrippenlijst annex 1: Maatschappelijke Organisaties.

X Noot
5

Civicus State of Civil Society Report 2019.

X Noot
6

Kamerstukken II 2017/18, 34 952, nr. 1.

X Noot
7

Hierna ook te noemen ambassades of posten.

X Noot
8

Zie Kamerstukken II 2018/19, 34 952, nr.66 (Kamerbrief 20 juni 2019).

X Noot
9

Voor meer informatie: http://voice.global en www.leadingfromthesouth.org.

X Noot
10

De focusregio’s zijn West-Afrika/Sahel, Hoorn van Afrika, Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA). De landen in de focusregio’s, alsmede de landen genoemd in de BHOS-nota zijn: Afghanistan; Algerije; Bangladesh; Benin; Burkina Faso; Burundi; Egypte; Ethiopië; Ghana; Irak; Indonesië; Jemen; Jordanië; Kenia; Libanon; Libië; Mali; Marokko; Mauritanië; Mozambique; Niger; Nigeria; Oeganda; Palestijnse gebieden; Rwanda; Senegal; Soedan; Somalië; Tunesië; Tsjaad; Zuid-Soedan.

X Noot
12

Zie begrippenlijst annex 1.

X Noot
13

Zie begrippenlijst annex 1.

X Noot
14

Zie begrippenlijst annex 1.

X Noot
15

Zie www.osresultaten.nl.

X Noot
16

Zie: Digitale Agenda voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (juni, 2019).

X Noot
17

Het formele besluit tot vaststelling van het exacte subsidieplafond en de wijze van verdeling ervan wordt na selectie van de potentiële strategische partners gepubliceerd.

X Noot
21

IOB (2012): Balancing ideals with practice: Policy evaluation of Dutch involvement in sexual and reproductive health and rights 2007-2012: http://www.iob-evaluatie.nl/sites/iob-evaluatie.nl/files/B85-619492_IOB%20381_WEB.pdf.

X Noot
23

De focusregio’s zijn West-Afrika/Sahel, Hoorn van Afrika, Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA). De landen in de focusregio’s, alsmede de landen genoemd in de BHOS-nota zijn: Afghanistan; Algerije; Bangladesh; Benin; Burkina Faso; Burundi; Egypte; Ethiopië; Ghana; Irak; Indonesië; Jemen; Jordanië; Kenia; Libanon; Libië; Mali; Marokko; Mauritanië; Mozambique; Niger; Nigeria; Oeganda; Palestijnse gebieden; Rwanda; Senegal; Soedan; Somalië; Tunesië; Tsjaad; Zuid-Soedan.

X Noot
24

Power of Voices Partnerschappen, Power of Women en Women, Peace and Security.

X Noot
25

Aanvragen per e-mail worden niet in behandeling genomen. Indiening per post wordt afgeraden. Aanvragen per post mogen in geval het indienen van de aanvragen online niet mogelijk is, worden gezonden naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Postbus 20061, 2500 EB Den Haag ter attentie van DSO/GA. Indien de aanvraag niet aangetekend wordt verzonden, berust het risico dat de aanvraag niet of te laat wordt ontvangen door het ministerie bij de aanvrager. Indien de aanvraag per post wordt ingediend (anders dan met de aanduiding ‘port betaald’), wordt de aanvraag nog als tijdig ingediend beschouwd indien de aanvraag voor het einde van de termijn ter post is bezorgd (waarbij de datumstempel van de post doorslaggevend is) en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Bij gebruikmaking van een enveloppe met de aanduiding ‘port betaald’, is de datum van ontvangst bepalend bij het vaststellen of de aanvraag tijdig is ingediend. Houd hierbij rekening met de omstandigheid dat de datum van ontvangst wordt vastgesteld aan de hand van het tijdstip van inschrijving en dat ’s avonds en op zaterdag en zondag geen post wordt ingeschreven.

X Noot
26

Indien de aanvraag gedeeltelijk inzet op service delivery, zijn er onder het onderdeel Theory of Change 30 additionele punten te behalen. Om het verschil in het maximaal aantal te behalen punten tussen aanvragen zonder en met gedeeltelijke inzet op service delivery te compenseren, zal er gebruik worden gemaakt van een verrekenfactor.

X Noot
27

Indien de aanvraag gedeeltelijk inzet op service delivery, zijn er onder het onderdeel Track Record 20 additionele punten te behalen. Om het verschil in het maximaal aantal te behalen punten tussen aanvragen zonder en met gedeeltelijke inzet op service delivery te compenseren, zal er gebruik worden gemaakt van een verrekenfactor.

X Noot
28

Indien de aanvraag gedeeltelijk inzet op service delivery, zijn er in totaal 50 additionele punten te behalen. Om het verschil in het maximaal aantal te behalen punten tussen aanvragen zonder en met gedeeltelijke inzet op service delivery te compenseren, zal er gebruik worden gemaakt van een verrekenfactor.

X Noot
29

De focusregio’s zijn West-Afrika/Sahel, Hoorn van Afrika, Midden-Oosten en Noord-Afrika (MENA). De landen in de focusregio’s, alsmede de landen genoemd in de BHOS-nota zijn: Afghanistan; Algerije; Bangladesh; Benin; Burkina Faso; Burundi; Egypte; Ethiopië; Ghana; Irak; Indonesië; Jemen; Jordanië; Kenia; Libanon; Libië; Mali; Marokko; Mauritanië; Mozambique; Niger; Nigeria; Oeganda; Palestijnse gebieden; Rwanda; Senegal; Soedan; Somalië; Tunesië; Tsjaad; Zuid-Soedan.

X Noot
30

Dit betreft Power of Voices Partnerschappen, Power of Women, SRGR Partnerschap Fonds en Women, Peace and Security.

X Noot
33

Dit bedrag is een indicatie waaraan geen rechten kunnen worden ontleend.

Naar boven