Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 7 november 2019, kenmerk 1606399-197872-DMO, houdende een wijziging van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 om regels te stellen over de uitwisseling van gegevens en de controle daarvan om stapelfacturen te voorkomen

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

Gelet op artikel 2.6.7a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

Besluit:

ARTIKEL I

In de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 worden na artikel 2e een opschrift en drie artikelen ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 2a. Uitwisseling van gegevens voor de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage

Artikel 2f

De gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling en de inning, bedoeld in artikel 2.1.4b, eerste lid, van de wet, worden door het college uiterlijk binnen één maand na de dag waarop de voorziening is verstrekt of, indien de leveringsvorm een persoonsgebonden budget betreft, uiterlijk binnen vier maanden na de ingangsdatum van de toekenning van dat budget door het college, aan het CAK verstrekt.

Artikel 2g
  • 1. Indien de gegevens door het college onjuist of onvolledig zijn ingediend bij het CAK, stuurt het CAK zo spoedig mogelijk na indiening een uitnodiging tot herstel aan het college.

  • 2. Het college dient zo spoedig na ontvangst van de uitnodiging, bedoeld in het eerste lid, het herstelde bericht bij het CAK in.

Artikel 2h
  • 1. Ten behoeve van de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor beschermd wonen, vergelijken het college en het CAK ten minste elke twee maanden hun administraties houdende de gegevens van de cliënten die noodzakelijk zijn voor de juiste uitvoering van hun taken.

  • 2. Indien naar aanleiding van de in het eerste lid genoemde vergelijking blijkt dat sprake is van onvolledige of onjuiste gegevens in de administraties, corrigeert het CAK of het college zo spoedig mogelijk na die vergelijking de gegevens in hun administratie.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, onderdeel A, van de Wet van 24 april 2019 tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening (Stb. 2019, 185) in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Via deze regeling zijn twee maatregelen op het terrein van de eigen bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning vastgelegd. Allereerst is de aanlevertermijn van cliëntgegevens van gemeenten aan het CAK aangepast van 28 dagen naar één maand. Dit is een technische wijziging waardoor de termijn aansluit bij het aangepaste berichtenverkeer dat ingevoerd wordt als gevolg van het abonnementstarief. Ten tweede is een periodiek uit te voeren bestandsvergelijking van cliëntgegevens voor beschermd wonen tussen het CAK en gemeenten ingevoerd.

Deze twee maatregelen zijn onderdeel van een breder pakket aan maatregelen om (hoge) stapelfacturen te verminderen. Stapelfacturen zijn facturen die twee of meer bijdrageperioden aan ondersteuning bevatten, wat voor cliënten kan leiden tot betalingsproblemen. Deze stapelfacturen komen zowel voor bij de inning van de eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) als bij de inning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo 2015). Stapelfacturen ontstaan onder andere door late gegevensuitwisseling tussen gemeenten, CAK en aanbieders. Een aanlevertermijn bewerkstelligt dat stapelfacturen die het gevolg zijn van een late aanlevering van cliënt- en zorggegevens, in principe niet meer voor kunnen komen. Het uitvoeren van bestandsvergelijkingen zorgt ervoor dat fouten in de ketenadministratie vroegtijdig aan het licht komen, zodat de kans op stapelfacturen afneemt.

2. Aanlevertermijn cliëntgegevens van één maand

Tot 1 januari 2020 gold, tussen gemeenten en CAK, voor de aanlevering van cliënt- en zorggegevens die nodig zijn voor – kort gezegd – de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen (exclusief beschermd wonen en opvang), een verplichte uiterste aanlevertermijn van 28 dagen na afloop van de bijdrageperiode waarin de Wmo-ondersteuning geleverd is.1

Naar aanleiding van de verdere doorvoering van het abonnementstarief voor maatschappelijke ondersteuning, is besloten om de aanlevering van voornoemde gegevens met ingang van 1 januari 2020 onder te brengen in de Uitvoeringsregeling Wmo 2015.2 Voorliggende regeling geeft hier uitvoering aan.

Met deze regeling is de aanlevertermijn veranderd van 28 dagen na afloop van de bijdrageperiode waarin de ondersteuning is geleverd, naar één maand na het verstrekken van de voorziening. Deze aanpassing is een technische wijziging. De aanlevertermijn van één maand geldt vanaf 1 januari 2020 ook voor beschermd wonen.3 Voor beschermd wonen is de aanlevertermijn een nieuwe maatregel. Met de aanlevertermijn van één maand is aangesloten bij het Wmo-abonnementstarief (dat per maand geldt) en het hierdoor veranderende berichtenverkeer tussen gemeenten en CAK.

Het blijft voor gemeenten mogelijk om de inning van de eigen bijdrage – via het startbericht aan het CAK – te laten starten op (bijvoorbeeld) het moment dat de ondersteuning daadwerkelijk geleverd wordt, de datum van de beschikking of de datum van het intakegesprek bij de aanbieder. De startdatum kan daarnaast ook per productsoort verschillen. Gemeenten kunnen bij hun keuze voor de startdatum van de bijdrage in overweging nemen dat het Rijk onderzoekt of het mogelijk is de startdatum per 2021 te uniformeren, waarbij het moment van levering van de ondersteuning als startdatum wordt gekozen.

Bij het persoonsgebonden budget (hierna: pgb) bestaat voornoemde keuze niet. Hier wordt altijd de ingangsdatum van de pgb-beschikking als startmoment van de eigen bijdrage gehanteerd. Voor pgb’s blijft de aanlevertermijn voor de noodzakelijke gegevens gelijk aan de huidige vier maanden na de ingangsdatum die genoemd is in de toekenningsbeschikking van het college.

3. Bestandsvergelijking tussen CAK en gemeenten voor beschermd wonen

Bestandsvergelijking tussen zorgkantoren en het CAK gebeurt al voor zover het de vaststelling en inning van de eigen bijdrage op grond van de Wlz betreft.4 Met deze regeling is vastgelegd dat ook voor de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor beschermd wonen bestandsvergelijking door het CAK en gemeenten wordt uitgevoerd. Het CAK en gemeenten hebben beiden een verantwoordelijkheid in het vergelijken en corrigeren van gegevens. De gemeente is primair leidend bij het doorgeven van correcties. Gemeenten beschikken over informatie over het type en de hoeveelheid ondersteuning die cliënten ontvangen en kunnen hierdoor de juistheid van deze gegevens controleren. Het CAK heeft ten aanzien van deze gegevens een gebruikersverantwoordelijkheid.

Er is besloten om de bestandsvergelijking alleen voor beschermd wonen in te voeren. Dit omdat voor een groot deel van de overige Wmo-voorzieningen het abonnementstarief is ingevoerd en stapelfacturen dus relatief beperkte financiële gevolgen hebben voor cliënten.5 Voor beschermd wonen ligt bestandsvergelijking wel voor de hand, omdat er – naast de mogelijk grotere financiële gevolgen voor de cliënt – relatief gezien meer stapelfacturen voorkomen dan bij de overige Wmo-voorzieningen.

4. Uitvoerbaarheid

Het aanpassen van de aanlevertermijn naar één maand na het verstrekken van de voorziening is getoetst door de VNG en uitvoerbaar bevonden. In eerste instantie was de beoogde maatregel om de gegevensaanlevering binnen een maand na de datum dat de ondersteuning is aangevangen plaats te laten vinden. Dit bleek niet uitvoerbaar voor gemeenten. Om deze reden is dit aangepast naar de huidige termijn, waarin gemeenten meer flexibiliteit hebben in welke datum zij als startdatum hanteren. Het CAK heeft aangegeven dat de maatregel uitvoerbaar is.

De bestandsvergelijking tussen gemeenten en het CAK voor beschermd wonen is door de VNG uitvoerbaar bevonden. Mede ingegeven door de uitvoeringstoets van de VNG is besloten om, vanwege de hoge administratieve lasten en beperkte effecten voor de cliënt, de bestandsvergelijking niet voor andere Wmo-voorzieningen in te voeren. In de uitvoeringstoets geeft VNG verder aan dat duidelijkheid over de rolverdeling tussen het CAK en gemeenten, randvoorwaarden zijn voor de uitvoering. Hierover zijn afspraken gemaakt met het CAK. Uit de uitvoeringstoets van VNG blijken ook de zorgen van gemeenten met betrekking tot de administratieve lasten die de bestandsvergelijking met zich meebrengt. Om deze lasten te beperken, gaat het CAK in overleg met gemeenten op zoek naar een proces dat tegemoetkomt aan het minimaliseren van de administratieve lasten voor gemeenten. Het CAK heeft aangegeven dat de maatregel uitvoerbaar is.

5. Financiële gevolgen

Er zijn geen financiële gevolgen door het aanpassen van de aanlevertermijn van 28 dagen naar één maand. Doordat het CAK in overleg met gemeenten op zoek gaat naar een proces dat tegemoetkomt aan het minimaliseren van de administratieve lasten voor gemeenten, worden de financiële gevolgen voor gemeenten voor de bestandsvergelijking als verwaarloosbaar beschouwd. Voor cliënten hebben beide maatregelen geen financiële gevolgen.

6. Gevolgen voor regeldruk

Voor aanbieders heeft de aanpassing van de aanlevertermijn geen gevolgen voor de regeldruk. Als gevolg van de invoering van het abonnementstarief, moeten aanbieders en gemeenten afspraken over gegevensuitwisseling herzien. De aanlevertermijn kan meelopen in deze herziening.

De bestandsvergelijking voor beschermd wonen heeft wel gevolgen voor de regeldruk van aanbieders. Een aantal gemeenten vraagt mogelijk aanbieders om de bestanden bij het CAK aan te leveren. In principe hebben aanbieders deze bestanden al beschikbaar, en vraagt slechts de aanlevering extra tijd. In financiële termen worden deze kosten als verwaarloosbaar beschouwd.

Voor cliënten neemt de regeldruk als gevolg van beide maatregelen af. Er ontstaan minder stapelfacturen, die voor cliënten veelal gepaard gaan met uitzoekwerk. Wel moet cliënten vaker kennisnemen van een factuur. In financiële termen worden deze kosten als verwaarloosbaar beschouwd.

Het Adviescollege toetsing regeldruk is akkoord met dit oordeel over de gevolgen voor de regeldruk.

7. Gevolgen voor fraude

De fraudetoets is uitgevoerd in samenwerking met de VNG en het CAK. De conclusie van de fraudetoets is dat de maatregelen geen mogelijkheden tot fraude bieden. De aanlevertermijn biedt geen mogelijkheden tot fraude voor cliënten of aanbieders, omdat de aanlevering van de cliëntgegevens bij het CAK door gemeenten wordt gedaan. De bestandsvergelijking voor beschermd wonen biedt ook geen mogelijkheden tot fraude voor cliënten, omdat gemeenten en het CAK hiervoor verantwoordelijk zijn. De bestandsvergelijking ligt hiermee buiten de beïnvloedingssfeer van de cliënt. Voor de aanbieder heeft de bestandsvergelijking geen effect op de mogelijkheden tot fraude, er is geen financieel gewin te behalen met de bestandsvergelijking.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Artikel 2f

In de Wmo 2015 is vastgelegd dat eigen bijdragen onder het abonnementstarief en voor beschermd wonen vastgesteld en voor de gemeenten geïnd worden door het CAK. Het abonnementstarief bedraagt doorgaans € 19 per maand (dit tarief geldt niet voor beschermd wonen).6

In voorliggend artikel is bepaald dat de noodzakelijke gegevens voor de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage door het college binnen een maand aan het CAK worden verstrekt. Het gaat dan bijvoorbeeld om de datum van verstrekking van de Wmo-voorziening. Met een volledige, juiste, set gegevens kan het CAK vervolgens het proces starten om de eigen bijdrage voor de cliënt vast te stellen.

Bij een pgb geldt er een alternatieve (reeds bestaande) aanlevertermijn, namelijk van vier maanden na de ingangsdatum van de verlening van het pgb door het college (met andere woorden: de ingangsdatum van de toekenningsbeschikking).

Artikel 2g

Indien de gegevens door het college onjuist of onvolledig zijn ingediend, onderzoekt het CAK waarom het bericht niet goed verwerkt kan worden. Het CAK verzendt zo spoedig mogelijk een volledig en eenduidig retourbericht waarin wordt uitgenodigd tot herstel door middel van een nieuwe aanlevering (eerste lid). Vervolgens levert het college eveneens zo spoedig mogelijk het herstelde bericht aan met de juiste of volledige gegevens (tweede lid).

Artikel 2h

In dit artikel is bepaald dat het college en het CAK ten minste elke twee maanden hun administraties vergelijken ten behoeve van de vaststelling en inning van de eigen bijdrage voor beschermd wonen (eerste lid). Gebleken onvolledige of onjuiste gegevens in die administraties worden door het college of het CAK zo spoedig mogelijk na de vergelijking gecorrigeerd (tweede lid).

Artikel II

Deze regeling treedt in werking op het moment dat de Wet van 24 april 2019 tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening (Stb. 2019, 185) in werking treedt.

De beoogde inwerkingtreding van voornoemde wet, en daarmee ook van voorliggende regeling, is 1 januari 2020.7

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

Artikel 3.3, vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, zoals dat luidde tot 1 januari 2020.

X Noot
2

Stb. 2019, 319, p. 25.

X Noot
3

Artikel 2.1.4b, eerste lid, van de Wmo 2015

X Noot
4

Artikel 7.14 van de Regeling langdurige zorg.

X Noot
5

Artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015.

X Noot
6

Artikel 2.1.4b, eerste lid, in samenhang met artikel 2.1.4a, vierde en zevende lid, van de Wmo 2015.

X Noot
7

Kamerstukken II 2018/19, 35 093, nr. 3, p. 16.

Naar boven