Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2019, 52724Onteigeningen

Besluit van 16 september 2019,nr. 2019001862 tot aanwijzing een onroerende zaak ter onteigening in de gemeente Westerkwartier krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden, met bijkomende werken in de gemeente Westerkwartier).

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van de onteigeningswet kan onteigening van onroerende zaken plaatsvinden onder meer voor aanleg en verbetering van wegen, bruggen, spoorwegwerken en kanalen, alsmede daarop rustende zakelijke rechten. Daaronder wordt mede begrepen werken ter uitvoering van een tracébesluit als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

ProRail B.V. (hierna: verzoeker) heeft Ons bij brief van 4 januari 2019, kenmerk Z002-002059, verzocht, om ten name van ProRail B.V. over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van een onroerende zaak in de gemeente Westerkwartier. De onteigening wordt verzocht om het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden, gedeelte tussen km 70.850 en km 71.100 mogelijk te maken, dat onder meer voorziet in spoorverdubbeling en de aanpassing van de huidige overweg aan de Hogeweg, met bijkomende werken, in de gemeente Westerkwartier.

Planologische grondslag

De onroerende zaak waarop het verzoek betrekking heeft, ligt in de gemeente Westerkwartier. De grondslag voor de planologische uitvoerbaarheid van het werk waarin de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaak is gelegen wordt gevormd door het Tracébesluit Extra Sneltrein Groningen – Leeuwarden (ESGL) dat op 16 november 2017 door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is vastgesteld. Tegen dit besluit zijn beroepen ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna de Afdeling). Hierop is op 20 februari 2019 kenmerk 2017097272/1/ (ECLI:NL:RVS:2019:53) door de Afdeling een tussen uitspraak gedaan met de opdracht om uiterlijk 12 juni 2019 een aantal gebreken te herstellen. Daarmee is het tracébesluit nog niet onherroepelijk.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 28 februari 2019 tot en met 10 april 2019 in de gemeente Westerkwartier en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft onze Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (Onze Staatssecretaris) van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in Westerkwartier en in de Staatscourant van 27 februari 2019, nr. 10396.

Verder heeft Onze Staatssecretaris het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De huidige spoorcapaciteit tussen Groningen en Leeuwarden is onvoldoende om de totale reizigersstroom afdoende af te wikkelen. Doordat er slechts één spoor is tussen Zuidhorn en Hoogkerk, kunnen treinen elkaar niet passeren en moeten zij op elkaar wachten. Dat leidt tot een lagere betrouwbaarheid van de dienstregeling, vertragingen en te korte overstaptijden of gemiste aansluitingen. Deze problemen zullen in de toekomst alleen maar groter worden, omdat de verwachting is dat het aantal treinreizigers de komende jaren zal toenemen. Om deze problemen op te lossen en de verwachte toename van het aantal reizigers in goede banen te leiden, wordt uitvoering gegeven aan het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden.

Het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden bestaat uit de verdubbeling van het spoor tussen Zuidhorn en Hoogkerk, het opheffen en aanpassen van overwegen en de verlenging van perrons op alle stations tussen Leeuwarden en Groningen (behalve Groningen). Door de aanleg van het extra spoor zal de huidige en de te verwachten hoeveelheid reizigers op een betere manier kunnen worden afgewikkeld. Doordat treinen elkaar kunnen passeren, worden vertragingen die momenteel op het enkele spoor ontstaan, voorkomen. Verder worden de spoorwegveiligheid en de verkeersveiligheid verbeterd, doordat overwegen worden opgeheven of doordat de inrichting van overwegen, waaronder de bestaande overweg aan de Hogeweg, wordt aangepast.

Het onderhavige onteigeningsverzoek heeft betrekking op het gedeelte van het project dat wordt gerealiseerd tussen km 70.850 en km 71.100 in de gemeente Westerkwartier.

Om de werken en werkzaamheden tijdig te kunnen realiseren wenst ProRail B.V. de eigendom te verkrijgen, vrij van lasten en rechten, van de onroerende zaak die in het onteigeningsplan is begrepen.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaak minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, heeft ProRail B.V. een verzoek ingediend tot aanwijzing ter onteigening van deze onroerende zaak, om de tijdige verwezenlijking van het plan van het werk zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de aanbesteding voor het grootste deel van de werkzaamheden voor het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden in oktober 2017 is afgerond. De voorbereidende werkzaamheden zijn in oktober 2018 gestart. De daadwerkelijke bouwwerkzaamheden worden gestart nadat verzoeker de nog benodigde grond in eigendom heeft verkregen. In geval daarvoor een onteigeningsprocedure moet worden doorlopen, is verzoeker ervan uitgegaan dat de administratieve onteigeningsprocedure circa negen maanden in beslag zal nemen (vanaf moment indiening van het onteigeningsverzoek). De periode vanaf het koninklijk besluit tot aan de inschrijving van het vonnis zal ongeveer acht maanden duren, zodat er uiterlijk in mei 2020 zal worden begonnen met de werkzaamheden. De afronding daarvan wordt verwacht in 2022. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen, zijn daarover zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. J.C. Hendriks en J. Hendriks-Mulder elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 1247, verder te noemen: reclamanten 1;

  • 2. Loonbedrijf Hendriks B.V., beweerdelijk rechthebbende ten aanzien van de onroerende zaak met grondplannummer 1247, verder te noemen: reclamante 2;

  • 3. Hendriks lntegrity Monitoring Agency, beweerdelijk rechthebbende ten aanzien van de onroerende zaak met grondplannummer 1247, verder te noemen: reclamante 3;

  • 4. Evangelische Maranatha gemeente, beweerdelijk rechthebbende ten aanzien van de onroerende zaak met grondplannummer 1247, verder te noemen: reclamante 4;

Overeenkomstig artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Staatssecretaris reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 24 april 2019 te Zuidhorn gehouden hoorzitting.

Reclamanten 1 tot en met 4 hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Wij hebben hetgeen reclamanten in hun zienswijzen naar voren brengen samengevat in de hierna volgende passages. Daarbij hebben wij tevens Onze overwegingen bij de zienswijzen weergegeven.

De zienswijze van reclamanten 1

1.1

Reclamanten wonen in een historisch en uniek spoorhuis dat ligt aan de spoorlijn Leeuwarden-Groningen, nabij een spoorwegovergang in Den Horn. Reclamanten hebben dit spoorhuis ongeveer 25 jaar geleden gekocht, omdat zij de locatie, de ligging en de woning als zeer uniek ervaren. Het is de bedoeling van reclamanten om samen in dit bijzondere huis oud te worden. Het spoorhuis moet echter ten gevolge van het onderhavige plan van het werk geamoveerd worden. Reclamanten richten zich in het eerste deel van hun zienswijze met name tegen de gang van zaken van de gevolgde procedure bij de totstandkoming van het Tracébesluit. Reclamanten betogen dat de besluitvorming hierover zeer onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat door verzoeker is gehandeld in strijd met de zorgvuldigheidsnorm. Verzoeker heeft in april 2014 aan reclamanten twee tekeningen en twee opties voorgelegd. Bij optie 1 diende de woning te worden geamoveerd en bij optie 2 niet. Reclamanten hebben destijds aan verzoeker kenbaar gemaakt dat hun voorkeur uitgaat naar optie 2. Reclamanten betogen dat verzoeker zonder hen hierin te betrekken en zonder overleg hierover met hen te voeren heeft gekozen voor optie 1. Reclamanten zijn van deze keuze niet vooraf in kennis gesteld maar hebben pas op 27 oktober 2016 tijdens een inloopavond over het ontwerptracébesluit gehoord. Reclamanten hebben voortdurend aan verzoeker om opheldering gevraagd waarom deze zonder enig overleg voor deze optie heeft gekozen. Reclamanten hebben pas in het Tracébesluit gelezen wat de beweegreden is geweest om te kiezen voor optie 1.

1.2

Reclamanten voeren aan dat zij vraagtekens zetten bij de rechtmatigheid van de onteigening en zij kwalificeren het in gang zetting van de onteigening op grond van de uitspraak van de Raad van State als zijnde in strijd met het recht. Dit omdat de Afdeling rechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 29 november 2018 duidelijk kennis heeft kunnen nemen dat er wel degelijk een optie 2 bestaat, die geheel voldoet aan de Uitwerking Maatregelen Overwegen. Het is in de beleving van reclamanten onbegrijpelijk dat de Afdeling, die toch verklaart alles grondig onderzocht te hebben, in februari 2019 aangeeft dat het (hoger) beroep van reclamanten ongegrond is.

1.3

Reclamanten betogen dat de vereiste noodzaak tot onteigening niet is aangetoond. Verzoeker heeft nooit echt bekeken of er (andere) mogelijkheden bestaan (bijvoorbeeld door de spoorwegovergang 100 meter verderop te plaatsen) zodat de woning van reclamanten kan blijven staan.

Ad 1.1, 1.2 en 1.3

Deze onderdelen zien op de noodzaak tot de aanleg van het werk ter plaatse van de onroerende zaak van reclamanten en de keuze uit mogelijke alternatieven. Daarmee zijn deze onderdelen planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Tracéwet aan de orde gesteld worden. Reclamanten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De noodzaak van het onderhavige plan van het werk is in het kader van die procedure al bepaald en vastgesteld en staat ons derhalve niet meer ter beoordeling.

1.4

Reclamanten betogen dat verzoeker niet heeft geprobeerd om er met reclamanten uit te komen of te bespreken welke opties er allemaal mogelijk zouden zijn. Uit de gesprekken tussen reclamanten en verzoeker had het duidelijk moeten zijn dat reclamanten in hun huis willen blijven wonen. Verzoeker heeft niet onderzocht, noch uitgewerkt op welke wijze dit zou kunnen. Verzoeker heeft ingezet op de meest voordelige optie en heeft vanaf het begin ingezet op het slopen van de woning van reclamanten.

Reclamanten voeren aan dat verzoeker in september 2017 uiteindelijk met het plan kwam om te onderzoeken of de woning verplaatst zou kunnen worden. Reclamanten hebben gedurende dit gehele plan in al wat mogelijk was het minnelijk overleg in ere gehouden en zijn daar niet vanaf geweken. Uiteindelijk kon verzoeker eind 2017 de daarvoor benodigde gronden niet verwerven. Verzoeker heeft enkel een (onduidelijk) aanbod gedaan in geld en daarbij niet duidelijk vermeld dat het haar doel was de woning te slopen.

Reclamanten merken verder op dat er nog geen sprake is van een impasse, dan wel dat het voldoende aannemelijk is dat het minnelijk overleg niet tot verwerving zal leiden. Partijen zijn nog niet uit onderhandeld. Alle mogelijkheden zijn nog niet besproken en/of uitgewerkt. Deze moeten in het minnelijk overleg aan de orde komen. Reclamanten zijn beiden op leeftijd en zijn amper de schok te boven dat het tracébesluit onherroepelijk is (20 februari 2019). Zij hebben tot die tijd hoop en vertrouwen gehad dat Afdeling hun bezwaren ter harte zou nemen. Reclamanten hebben aan verzoeker kenbaar gemaakt dat zij tijd hebben en iedere gerechtelijke stap zorgvuldig willen doorlopen. Nu nog maar korte tijd duidelijk is dat het tracébesluit vastligt, begint voor reclamanten de procedurele volgende fase (minnelijke verwerving).

Ad 1.4

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterst middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op de voet van de titels II en IIa van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoek om onteigening met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoek aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoek al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

Verder overwegen Wij dat de onteigeningswet de onteigenende partij niet verplicht tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegrond of andere oplossingen. Uitgangspunt is dat de onteigeningswet de belanghebbenden een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. De mogelijkheden tot schadeloosstelling in een andere vorm dan in geld zullen langs minnelijke weg en veelal in samenwerking met andere overheden, of met particuliere eigenaren van gronden onderzocht moeten worden. Desondanks kunnen vragen om compensatiegrond of andere oplossingen aan de orde komen in het kader van de toetsing van het gevoerde minnelijk overleg over de verwerving van de benodigde gronden. Indien een belanghebbende in het minnelijk overleg immers duidelijk maakt de voorkeur te geven aan vervangende grond of een andere oplossing, dan moet de verzoeker nagaan of hieraan tegemoet gekomen kan worden. Omdat onteigening een uiterste middel is, is de noodzaak tot onteigening immers ook afhankelijk van de wijze waarop dat minnelijk overleg is en zal verlopen. Hierbij geldt dat de verzoeker gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk, toegesneden planning.

Anders dan reclamanten stellen zien Wij gelet op de overgelegde stukken en de verstrekte informatie, geen reden om te oordelen dat de verzoeker geen serieuze onderhandelingen met hen heeft gevoerd. Verzoeker heeft enerzijds getracht om de onroerende zaak die nodig is voor de aankoop van het tracé minnelijk te verwerven. Anderzijds heeft verzoeker samen met reclamanten en andere overheden de mogelijkheid van andere oplossingen in de vorm van verplaatsing van hun woning naar een andere locatie en voortgezet gebruik bij een gefaseerde uitvoering onderzocht. Reclamanten hebben zowel de biedingen in geld alsmede de door verzoeker aangedragen alternatieven afgewezen, omdat er in hun beleving nog andere opties waren in de wijze van planuitvoering waarbij hun woning behouden zou kunnen blijven.

Verzoeker heeft vanaf januari 2015 regelmatig met reclamanten of hun adviseurs overleg gevoerd en partijen hebben hierover gecorrespondeerd. Van de besprekingen zijn verslagen gemaakt. Verzoeker heeft reclamanten voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoek om onteigening bij brieven van 7 november 2017 en 23 november 2018 biedingen gedaan gericht op de aankoop van de onroerende zaak. Deze biedingen zijn gesplitst en, na voorafgaande taxatie, op onteigeningsbasis gedaan. Reclamanten hebben deze biedingen afgewezen zonder met een tegenvoorstel te komen.

Verzoeker heeft daarnaast gezocht naar alternatieve oplossingen om met reclamanten tot overeenstemming te komen. Verzoeker heeft vanaf de zomer van 2017 met reclamanten gesproken over de verplaatsing van de woning naar een aangrenzend perceel. Verzoeker heeft dit ook voorgelegd aan de gemeente Zuidhorn. Op 22 januari 2018 heeft de gemeenteraad van Zuidhorn (thans Westerkwartier) het voorstel tot verplaatsing van de woning behandeld. De raad heeft ingestemd met het voorstel en tevens besloten opdrachtgever en risicodrager te worden van de verplaatsing. Daarnaast zou de gemeente ook financieel bijdragen aan de verplaatsing. Reclamant J.C Hendriks heeft tijdens een overleg van 1 februari 2018 kenbaar gemaakt dat deze optie niet meer aan de orde is omdat ze op de huidige locatie een unieke binding met het spoor hebben, dat zij grond en steen gebonden zijn en op deze plek willen blijven wonen. Reclamanten hebben bij e-mail van 3 april 2018 bevestigd dat ze in hun huis willen blijven wonen en de optie van een mogelijke verplaatsing van de woning hiermee is komen te vervallen. Verzoeker heeft vervolgens nog voorgesteld dat reclamanten hun woning verkopen aan verzoeker en dat deze de woning dan in gebruik geeft aan reclamanten waarbij deze dan door een gefaseerde uitvoering nog een aantal jaren in de woning kunnen blijven wonen. Reclamanten hebben ook deze optie afgewezen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende en serieuze pogingen heeft ondernomen om met reclamanten tot overeenstemming te komen. Ten tijde van het onteigeningsverzoek was het naar Ons oordeel aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden. Hierbij nemen Wij in aanmerking dat reclamanten blijven vasthouden aan de gedachte dat zij in het spoorhuis op de bestaande locatie willen blijven wonen. Dientengevolge hebben reclamanten ieder voorstel in geld of voorstellen om te komen tot andere oplossingen afgewezen. Reclamanten wilden alleen praten over een andere wijze van planuitvoering waarbij zij in hun woning op de huidige locatie kunnen blijven wonen. In dat licht mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Het overleg met reclamanten zal worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.

1.5

Reclamanten geven aanvullend op het gestelde onder 1.1 en 1.2, in een zeer uitgebreid persoonlijk schrijven een schets van de gang van zaken over de wijze waarop het Tracébesluit EGSL tot stand is gekomen en waarom in hun ogen de Afdeling bij haar bij besluit van 20 februari 2019, hun beroep tegen het Tracébesluit ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Reclamanten overleggen daarbij aanvullende stukken die ook als nadere stukken zijn ingediend naar aanleiding van hun beroep tegen het Tracébesluit. De Afdeling heeft deze stukken voor zover deze nieuwe beroepsgronden bevatten, buiten beschouwing gelaten, omdat deze ruim na afloop van de termijn voor het instellen van beroep door reclamanten zijn aangevoerd. Reclamanten betogen dat een door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aangeleverd stuk van 16 november 2018 dan ook buiten beschouwing gelaten dient te worden.

Ad. 1.5

Het gestelde over het verloop, en de afloop van de procedure gericht op de totstandkoming van het Tracébesluit is zoals wij onder Ad 1.1 en 1.2 hebben overwogen planologisch van aard. De Afdeling is in haar (tussen) uitspraak van 20 februari 2019 tot de conclusie gekomen dat in redelijkheid kon worden gekozen voor de uitvoeringsvariant zoals is vastgelegd in het onderhavige plan van het werk. De Afdeling heeft in genoemde (tussen) uitspraak van 20 februari 2019 onder overweging 53.2 overwogen dat de Staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de geringe afstand tussen de woning van reclamanten en het spoor, het belang van de veiligheid zich ertegen verzet dat reclamanten in de woning blijven wonen. Het beroep van reclamanten is ongegrond verklaard. Dat reclamanten zich hierbij niet kunnen neerleggen, maakt dit niet anders. Wij zijn niet bevoegd om zelfstandig uitspraken te doen over de door reclamanten aangedragen optie 2 of over de uitspraak van de Afdeling.

1.6

Reclamanten voeren aan dat in het aan hen verstrekte logboek grondverwerving de data van het onderliggende besluitvormingsproces tot sloop van de woning, de periode 2013-2014 niet zijn opgenomen.

Ad 1.6

Wij kunnen reclamanten niet volgen in hun stelling dat het logboek niet compleet is. Zoals Wij eerder in Ons besluit van 29 januari 2015, nr. 2015000164 (Staatscourant 20 maart 2015, nr. 3997 – onteigening in de gemeente Assen) hebben overwogen geeft het logboek dat door de verzoeker is opgesteld een samenvatting van het onderhandelingsproces, met daarbij een verzameling brieven, en/of e-mails en contactmomenten aangaande het minnelijk overleg. Het is geen vereiste dat in het logboek het onderliggende besluitvormingsproces over de totstandkoming van het tracébesluit wordt opgenomen.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamante 2

2.1

Het loonbedrijf, is statutair gevestigd aan de Hogeweg 14 in Den Horn. Het loonbedrijf ontvangt op dit adres haar post(stukken), het archief is hier opgeslagen en de administratie wordt (gedeeltelijk) vanuit dit adres gedaan. Verzoeker is voornemens het vestigingsadres van het Loonbedrijf te onteigenen. Reclamante betoogt dat zij in de fase van de (administratieve onteigenings-) procedure als belanghebbende dient te worden aangemerkt, omdat zij schade lijdt als gevolg van de onteigening. Verzoeker is ten onrechte van mening dat reclamante geen derde belanghebbende is.

2.2

Verzoeker heeft geen minnelijk overleg gevoerd met reclamante dan wel een redelijk aanbod gedaan om de schade te vergoeden. Verzoeker heeft, hoewel zij van mening is dat reclamante geen derde belanghebbende is, toch – ter voorkoming van onteigening- bij brief van 20 december 2018 een schadeloosstelling van € NIHIL aangeboden. Reclamante voert aan dat het € NIHIL aanbod onbegrijpelijk is. In het geval het perceel Hogeweg 14 ter onteigening zou worden aangewezen, heeft dat financiële gevolgen voor het Loonbedrijf. Het Loonbedrijf zal een vervangend postadres moeten hebben, de huisstijl zal moeten worden aangepast (o.a. website, briefpapier, visitekaartjes en dergelijke) en de huidige belettering op de machines moeten worden verwijderd en vervangen. Daarnaast lijdt het Loonbedrijf schade in het geval het niet langer een postadres in Den Horn heeft omdat Loonbedrijf Den Horn een begrip is in de regio en het veranderen van de naam zal klantenverlies opleveren.

Ad 2.1 en 2.2

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of reclamante gelet op haar gebruiksrecht is aan te merken als derde belanghebbende en of zij in aanmerking komt voor een schadeloosstelling. Wij overwegen dat deze vraag Ons in het kader van de onderhavige procedure niet ter beoordeling staat, maar aan de orde dient te komen in de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Reclamante kan als beweerdelijk derde belanghebbende ten aanzien van de onroerende zaak met grondplannummer 1247 beroep doen op artikel 3, tweede lid, onteigeningswet indien het tot een gerechtelijke procedure zal komen. Uit dit artikel volgt dat een ieder die beweert eigenaar of rechthebbende te zijn op een recht als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de wet en die niet is gedagvaard, aan rechter kan verzoeken om in het geding van onteigening te mogen tussenkomen. Het is aan de rechter om in het kader van deze procedure te bepalen of een partij is aan te merken als rechthebbende op een schadevergoeding in de zin van de onteigeningswet en of deze op grond daarvan in aanmerking komt voor een volledige schadeloosstelling.

Tot slot merken Wij op, dat het reclamante vrij staat om een beroep te doen op de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 indien zij meent schade te lijden die niet voor vergoeding op grond van de onteigeningswet in aanmerking komt.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamante 3

3.1

De onderneming Hendriks Integrity Monitoring Agency, is statutair gevestigd aan de Hogeweg 14 in Den Horn. Dit bedrijf stelt zich ten doel het integriteitsbeleid van de overheid te toetsen en signalen door te geven van mogelijke schendingen van integriteit. Verzoeker is voornemens het vestigingsadres van reclamante te onteigenen. Reclamante wil haar unieke locatie van werken en wonen in de natuur in Den Horn, haar postadres (Hogeweg 14), zijn goede bereikbaarheid en bekendheid niet verliezen.

Ad 3.1

Dit zienswijzeonderdeel is in feite planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld. De afweging van het algemeen belang tegen het belang van reclamante dient plaats te vinden in de procedure op grond van de Tracéwet. Reclamante kon dit aan de orde stellen in de procedure op grond van de Tracéwet. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben overwogen bij reclamanten 1 onder Ad 1.1, 1.2 en 1.3.

3.2

Reclamante betoogt dat verzoeker geen minnelijk overleg heeft gevoerd dan wel een redelijk aanbod gedaan om de schade te vergoeden. Het € NIHIL aanbod dat ProRail op 20 december 2018 heeft gedaan is voor reclamante onbegrijpelijk.

Ad 3.2

Deze zienswijze wordt ingegeven door het feit dat partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag of reclamante gelet op haar gebruiksrecht is aan te merken als derde belanghebbende en of zij in aanmerking komt voor een schadeloosstelling.

Dit zienswijzeonderdeel is naar haar aard nagenoeg gelijkluidend aan de zienswijze van reclamante 2 onder 2.1 en 2.2. Wij wijzen dan ook op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamante 2 onder 2.1 en 2.2

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 3 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamante 4

4.1

De Evangelische Maranatha gemeente, is statutair gevestigd aan de Hogeweg 14 in Den Horn. Verzoeker is voornemens het vestigingsadres van reclamante te onteigenen. Daarmee is reclamante het niet eens, zij wil haar statutaire zetel in Den Horn en het postadres (Hogeweg 14) niet verliezen. Volgens reclamante zou erover nagedacht moeten worden hoe dit verlies kan worden opgevangen. Een wijziging heeft ook gevolg voor aanpassing van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de statuten.

Ad 4.1

Dit zienswijzeonderdeel is in feite planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld. De afweging van het algemeen belang tegen het belang van reclamante dient plaats te vinden in de procedure op grond van de Tracéwet. Reclamante kon dit aan de orde stellen in de procedure op grond van de Tracéwet. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben overwogen bij reclamanten 1 onder Ad 1.1, 1.2 en 1.3.

4.2

Reclamante betoogt dat verzoeker geen minnelijk overleg heeft gevoerd dan wel een redelijk aanbod gedaan om de schade te vergoeden. Het € NIHIL aanbod dat ProRail op 20 december 2018 heeft gedaan is voor reclamante onbegrijpelijk.

Ad 4.2

Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of reclamante gelet op haar gebruiksrecht is aan te merken als derde belanghebbende en of zij in aanmerking komt voor een schadeloosstelling.

Deze zienswijze is naar haar aard nagenoeg gelijkluidend aan de zienswijze van reclamante 2 onder 2.1 en 2.2. Wij wijzen dan ook op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamante 2 onder 2.1 en 2.2.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 4 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaak bij de uitvoering van het overgelegde plan van het werk niet kan worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een vlotte en veilige doorstroming van het spoorwegverkeer en de bevordering van het openbaar vervoer noodzakelijk worden geacht dat ProRail B.V. de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaak verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van ProRail B.V. tot het nemen van een besluit krachtens artikel 72a van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 12 juni 2019, nr. RWS-2019/19215, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het verzoek van ProRail B.V. bij brief van 4 januari 2019, kenmerk Z002-002059;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 14 augustus 2019, no. W17.19.0148/IV;

gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 6 september 2019, nr. RWS-2019/30616, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de realisatie van het project Extra Sneltrein Groningen-Leeuwarden, gedeelte tussen km 70.850 en km 71.100, dat onder meer voorziet in spoorverdubbeling en de aanpassing van de huidige overweg aan de Hogeweg, met bijkomende werken, in de gemeente Westerkwartier, ten name van ProRail B.V. ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaak in de gemeente Westerkwartier aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeente Westerkwartier en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die is vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Den Haag, 16 september 2019

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: Extra Sneltrein Groningen – Leeuwarden

VERZOEKENDE INSTANTIE: ProRail B.V.

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Aduard

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

   

m2

 

m2

 

1247

GEHEEL

Wonen

Erf –– tuin

1.000

   

E 624

Eigendom belast met Opstalrecht Nutsvoorzieningen:

De heer Johannes Christiaan Hendriks, DEN HORN;

Mevrouw Janna Mulder, DEN HORN;

Opstalrecht Nutsvoorzieningen: gemeente Zuidhorn, ZUIDHORN.