Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2019, 52426Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, van 30 september 2019, nr. IENW/BSK-2019/201145, tot wijziging van de Regeling lozen buiten inrichtingen in verband met eisen aan een zuiveringsvoorziening voor het lozen van toiletwater vanaf een pleziervaartuig

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op artikel 3.9, tweede lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Regeling lozen buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.2, eerste lid, worden in de alfabetische rangschikking de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

NEN-EN-ISO 7899-1:

NEN-EN-ISO 7899-1:1998/C1:2000: Europese norm voor Water - Detectie en telling van enterococcen - Deel 1: Geminiaturiseerde methode (meest waarschijnlijke aantal) voor oppervlaktewater en afvalwater, mei 2005;

NEN-EN-ISO 7899-2:

NEN-EN-ISO 7899-2:2000: Europese norm voor Water - Detectie en telling van enterococcen - Deel 2: Membraanfiltratiemethode, juni 2000;

NEN-EN-ISO 9308-1:

NEN-EN-ISO 9308-1:2014/A1:2017: Europese norm voor Water - Telling van Escherichia coli en bacteriën van de coligroep - Deel 1: Methode met membraanfiltratie voor water met een lage achtergrondconcentratie aan bacteriën, januari 2017;

NEN-EN-ISO 9308-3:

NEN-EN-ISO 9308-3:1999/C1:2000: Europese norm voor Water - Detectie en telling van Escherichia coli en bacteriën van de coligroep in oppervlaktewater en afvalwater - Deel 3: Geminiaturiseerde methode (meest waarschijnlijke aantal) door enting in een vloeibaar medium, mei 2000;

NEN-EN-ISO/IEC 17025:

NEN-EN-ISO/IEC 17025:2018: Europese norm voor Algemene eisen voor de competentie van test- en kalibratielaboratoria, januari 2018;

NEN-EN-ISO/IEC 17065:

NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012: Conformiteitsbeoordeling - Eisen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan producten, processen en diensten;

B

In hoofdstuk 2 worden na artikel 2.26 twee paragrafen ingevoegd, luidende:

§ 2.5. Lozen van gezuiverd toiletwater door een pleziervaartuig

Artikel 2.27

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

fabrikant:

degene die verantwoordelijk is de conformiteit van de productie;

technische dienst:

onderneming of dienst die testen als bedoeld in de bijlage bij deze regeling kan verrichten;

typegoedkeuring:

goedkeuring van een tot een bepaald type horende voorziening;

zuiveringsvoorziening:

zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 3.9, tweede lid, van het besluit.

Artikel 2.28
  • 1. Een zuiveringsvoorziening heeft een zodanige werking dat het te lozen toiletwater, na door de zuiveringsvoorziening te zijn geleid:

    • a. van de parameter Intestinale enterokokken maximaal 330 kolonievormende eenheden per 100 ml bevat, gebaseerd op een beoordeling van het 90-percentiel en geanalyseerd overeenkomstig NEN-EN-ISO 7899-1 of NEN-EN-ISO 7899-2;

    • b. van de parameter Escherichia coli maximaal 900 kolonievormende eenheden per 100 ml bevat, gebaseerd op een beoordeling van het 90-percentiel en geanalyseerd overeenkomstig NEN-EN-ISO 9308-3 of NEN-EN-ISO 9308-1.

  • 2. Uitgaande van een beoordeling van de normale waarschijnlijkheidsverdeling van log10van de microbiologische gegevens van het gezuiverde toiletwater wordt de in het eerste lid, onder a of b, bedoelde percentielwaarde als volgt afgeleid:

    • a. neem de log10-waarde van alle bacterietellingen in de te beoordelen gegevensreeks. Indien het resultaat een nulwaarde is, neem dan de log10-waarde van de minimum detectielimiet van de gebruikte analytische methode;

    • b. bepaal het rekenkundig gemiddelde van de log10-waarden (μ);

    • c. bepaal de standaardafwijking van de log10-waarden (σ);

    waarbij het hoogste 90-percentielpunt van de waarschijnlijkheidsverdeling van de gegevens wordt berekend met de volgende vergelijking: hoogste 90-percentiel = antilog (μ + 1,282 σ).

  • 3. Geborgd is dat via de zuiveringsvoorziening geen onbehandeld toiletwater kan worden geloosd als deze uitgeschakeld is of niet in bedrijf is.

Artikel 2.29
  • 1. Met een certificaat van typegoedkeuring, afgegeven door een erkende instantie, wordt aangetoond dat een zuiveringsvoorziening volgens één van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen testen voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.28.

  • 2. Bij een zuiveringsvoorziening is een kopie van het certificaat van typegoedkeuring aanwezig die kan worden getoond aan de toezichthouder.

  • 3. Een certificaat van typegoedkeuring kan door de instantie worden ingetrokken als:

    • a. na afgifte blijkt dat het certificaat is afgegeven op grond van onjuiste aangeleverde gegevens en het niet zou zijn afgegeven als de juiste gegevens ten tijde van de afgifte bekend zouden zijn geweest;

    • b. het certificaat, anders dan de reden genoemd onder a, ten onrechte is verleend;

    • c. in het certificaat onbevoegd wijzigingen zijn aangebracht; of

    • d. na afgifte blijkt dat er significante risico’s zijn aan het gebruik van de zuiveringsvoorziening ten aanzien van de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

Artikel 2.30
  • 1. De instantie, bedoelt in artikel 2.29, eerste lid, verleent een certificaat van typegoedkeuring als de zuiveringsvoorziening:

    • a. overeenstemt met de aangeleverde gegevens;

    • b. na demonstratie van het prototype zuiveringsvoorziening door de fabrikant volgens één van de in de bijlage opgenomen testen voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 2.28; en

    • c. als tijdens het testen niet gebleken is dat aan het gebruik van de zuiveringsvoorziening significante risico’s zijn ten aanzien van de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

  • 2. Ten behoeve van het verlenen van het certificaat van typegoedkeuring stelt de instantie een aanvraagprocedure vast waarmee in ieder geval wordt gevraagd om gegevens met betrekking tot ontwerp, kenmerken en prestaties van de zuiveringsvoorziening, de onderdelen en afstellingen die van invloed zijn op het niveau van de toiletwaterzuivering, evenals de wijzigingen daarvan.

  • 3. De instantie neemt in het certificaat eventuele beperkende voorwaarden aan het functioneren van de zuiveringsvoorziening op die vervuld moeten zijn voordat een zuiveringsvoorziening voldoet aan de eisen bedoeld in artikel 2.28.

Artikel 2.31
  • 1. De instantie, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, is erkend door Onze Minister.

  • 2. Een instantie wordt erkend als naar het oordeel van Onze Minister is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. de instantie is geaccrediteerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17065; en

    • b. de instantie is in staat een deskundig en onafhankelijk oordeel te vellen of de zuiveringsvoorziening aan de eisen, bedoeld in artikel 2.28 voldoet.

  • 3. Een instantie kan een aanvraag tot erkenning indienen bij Onze Minister.

  • 4. Onze Minister houdt een lijst bij van erkende instanties en stelt deze beschikbaar.

Artikel 2.32

Op een zuiveringsvoorziening zijn, op een voor de toezichthouder goed zichtbare plaats, de volgende gegevens aanwezig:

  • a. handelsmerk of handelsnaam van de fabrikant;

  • b. naam en serienummer van de zuiveringsvoorziening;

  • c. bouwjaar van de zuiveringsvoorziening; en

  • d. naam van de instantie, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, en het nummer van het verleende certificaat.

Artikel 2.33
  • 1. De zuiveringsvoorziening wordt overeenkomstig de instructies van de fabrikant geïnstalleerd, gebruikt en onderhouden om zeker te stellen dat de zuiveringsvoorziening overeenkomstig de daaraan gestelde eisen functioneert.

  • 2. De in het tweede bedoelde instructies van de fabrikant moeten getoond kunnen worden aan de toezichthouder.

Artikel 2.34
  • 1. De instantie, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, kan een technische dienst machtigen voor het verrichten van een test als bedoeld in de bijlage bij deze regeling, mits deze technische dienst:

    • a. voldoet aan NEN-EN-ISO/IEC 17025; en

    • b. niet ook fabrikant is van zuiveringsvoorzieningen.

§ 2.6. Lozen van uitsluitend urine door een pleziervaartuig

Artikel 2.35

In afwijking van paragraaf 2.5 gelden er geen eisen aan een zuiveringsvoorziening als bedoeld in artikel 2.27 als uitsluitend urine wordt geloosd.

C

Aan de regeling wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE

Testen voor zuiveringsvoorzieningen

(bijlage als bedoeld in artikel 2.29 van de Regeling lozen buiten inrichtingen)

I. Test voor zuiveringsvoorzieningen met biologische zuivering
  • 1. Bij de test wordt naar de zuiveringsvoorziening toegevoerd: toiletpapier, feces, urine en drinkwater in een gewichtsverhouding van respectievelijk 1, 3, 25 en 100.

  • 2. Bij een zuiveringsvoorziening zonder voorgeschakelde verzameltank wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a. van dag 1 tot en met 6 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 1, 2 en 3 ingesteld is op 125% en op dag 4, 5 en 6 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 3, 4 en 6;

    • b. van dag 7 tot en met 13 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C;

    • c. van dag 14 tot en met 33 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld, waarbij op dag 14 tot en met 27 de omgevingstemperatuur 15 °C is en de hydraulische belasting ingesteld is op 100%, en op dag 28 tot en met 33 de omgevingstemperatuur 40 °C is en de hydraulische belasting op dag 28, 29 en 30 125% bedraagt, en op dag 31, 32 en 33 50% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 14, 16, 19, 23, 27, 28, 30, 31 en 33;

    • d. van dag 34 tot en met 54 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C; en

    • e. van dag 55 tot en met 68 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C, waarbij de hydraulische belasting ingesteld is op 100%, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 55, 57, 60, 64 en 68.

  • 3. Bij een zuiveringsvoorziening met voorgeschakelde verzameltank wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a. van dag 1 tot en met 13 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 1 en 13 is ingesteld is op 50%, en op dag 2 tot en met 12 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 2, 4, 7, 10 en 13;

    • b. van dag 14 tot en met 20 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C;

    • c. van dag 21 tot en met 34 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld, waarbij de omgevingstemperatuur op dag 21 tot en met 27 15 °C bedraagt en op dag 28 tot en met 35 40 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 21 en 34 ingesteld is op 50%, en op dag 22 tot en met 33 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 21, 22, 24, 27, 28, 30, 33 en 34;

    • d. van dag 35 tot en met 55 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C; en

    • e. van dag 56 tot en met 68 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C, waarbij de hydraulische belasting op dag 56 en 68 ingesteld is op 50% en op dag 57 tot en met 68 100% bedraagt, en monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 56, 57, 59, 62, 65 en 68.

  • 4. De monsters van het effluent worden onderzocht op de parameters, genoemd in artikel 2.28, eerste lid, overeenkomstig de aldaar genoemde analysemethoden.

II. Test voor zuiveringsvoorzieningen met niet-biologische zuivering
  • 1. Bij de test wordt naar de zuiveringsvoorziening toegevoerd: toiletpapier, feces, urine en drinkwater in een gewichtsverhouding van respectievelijk 1, 3, 25 en 100.

  • 2. Bij de zuiveringsvoorziening wordt het volgende testprogramma uitgevoerd:

    • a. van dag 1 tot en met 7 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C, waarbij monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 1, 2, 4 en 7;

    • b. op dag 8 is de zuiveringsvoorziening uitgeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 40 °C; en

    • c. van dag 9 tot en met 15 is de zuiveringsvoorziening ingeschakeld en bedraagt de omgevingstemperatuur 15 °C, waarbij monsternames van het effluent plaatsvinden op dag 9, 10, 12 en 15.

  • 3. De monsters van het effluent worden onderzocht op de parameters, genoemd in artikel 2.28, eerste lid, overeenkomstig de aldaar genoemde analysemethoden.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

TOELICHTING

Algemeen

Inleiding

Deze regeling wijzigt de Regeling lozen buiten inrichtingen (hierna: Rlbi). De Rlbi wordt daardoor aangevuld met regels met betrekking tot eisen aan een zuiveringsvoorziening voor toiletwater aan boord van pleziervaartuigen. Toiletwater dat door een zuiveringsvoorziening aan boord is geleid die voldoet aan de gestelde eisen mag daardoor voortaan worden geloosd. Indien er geen zuiveringsvoorziening aan boord is die aan de eisen voldoet verandert er niets; dat toiletwater mag zoals voorheen niet worden geloosd.

Zuivering van toiletwater aan boord

Het lozen van ongezuiverd toiletwater op een oppervlaktewater is al sinds 2009 verboden op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, welke wet in de Waterwet is opgegaan. Echter, omdat de lozing via een afsluitklep onder het wateroppervlak plaatsvindt, is dit vrijwel onzichtbaar en is het verbod nauwelijks te handhaven. Op dit moment wordt daarom veel toiletwater van pleziervaartuigen nog ongezuiverd in het oppervlaktewater geloosd. Dit blijkt uit metingen in het oppervlaktewater, maar ook uit het feit dat de daarvoor bestemde ontvangstinstallaties weinig gebruikt worden; in Friesland slechts gemiddeld 3,5 keer per week.

De lozing van ongezuiverd toiletwater in oppervlaktewater levert een gezondheidsrisico op voor de mensen die daarin zwemmen. Er zijn in Nederland zo’n 200.000 pleziervaartuigen die in het water liggen. Daarvan zijn er naar schatting 50.000 die geen toilet aan boord hebben of bijvoorbeeld alleen een chemisch toilet of droogtoilet, waarbij de opvarenden gebruik maken van voorzieningen op de wal. Een deel van de resterende 150.000 pleziervaartuigen heeft een toilet zonder opvangtank; na gebruik wordt het toiletwater direct via de afsluitklep – illegaal – onder water geloosd. Een deel van de pleziervaartuigen heeft een toilet met opvangtank. Die opvangtank kan via een slang worden leeggepompt bij een ontvangstinstallatie. Volgens de ANWB Wateralmanak deel II (2018) zijn er 493 van zulke installaties bij de (jacht)havens in Nederland. Maar de opvangtank kan op een gegeven moment ook – illegaal worden geleegd via de afsluitklep onder water.

Vanwege het nog ontbreken van eisen aan de zuivering was tot nu toe ook lozing van wél aan boord gezuiverd toiletwater niet toegestaan. Wel bevat artikel 3.9, tweede lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen een wettelijke grondslag om eisen te stellen aan een zuiveringsvoorziening. Indien een zuiveringsvoorziening aan de eisen voldoet mag het toiletwater na zuivering worden geloosd op het oppervlaktewater.

Voor veel eigenaren van pleziervaartuigen heeft een installatie waarbij het toiletwater aan boord wordt gezuiverd en vervolgens wordt geloosd, de voorkeur boven een opvangtank. Dit is gebleken uit onderzoek dat de Hiswa in 2012 en 2013 heeft uitgevoerd, onder meer door middel van een enquête.

Belangrijk knelpunt is dat een opvangtank – in vergelijking met de internationaal meest gangbare zuiveringsvoorzieningen voor pleziervaartuigen – relatief veel volume inneemt. Bovendien kan een volle opvangtank geuren gaan verspreiden en zorgt deze voor extra ballast. Daarnaast zijn de ontvangstinstallaties niet altijd snel en gemakkelijk te gebruiken.

Met de onderhavige wijziging van de Rlbi wordt lozing van aan boord gezuiverd toiletwater mogelijk, mits de zuiveringsvoorziening zodanig functioneert dat het gezuiverde toiletwater na lozing geen risico voor de volksgezondheid vormt. Om die reden wordt uitgegaan van de microbiologische eisen van de Zwemwaterrichtlijn (2006/7/EG) aan oppervlaktewater waarin gezwommen wordt. Die eisen gelden voor aangewezen zwemwaterlocaties. Omdat in Nederland ook veel buiten die locaties gezwommen wordt en dat doorgaans ook toegestaan is (tenzij er bijvoorbeeld veiligheidsrisico’s zijn) is het ter bescherming van de volksgezondheid gewenst dat die kwaliteitseisen ook buiten die locaties zoveel mogelijk worden toegepast en derhalve wordt aangesloten bij het minimum beschermingsniveau van de Zwemwaterrichtlijn. Hierbij speelt mee dat de pleziervaart en het zwemmen in oppervlaktewater ‘s zomers vaak in elkaars nabijheid plaatsvinden. Daarnaast wordt in de onderhavige regeling via het instrument van typegoedkeuring met certificaat en onderhoudsvoorschriften zo goed mogelijk geborgd dat de installatie goed functioneert en bestendig blijft functioneren tijdens het gebruik, onder meer door de apparatuur gedurende langere tijd te testen. Bij het toezicht kan dan getoetst worden op de aanwezigheid van het bij de typegoedkeuring behorende certificaat en het voldoen aan de installatie-, gebruiks- en onderhoudsvoorschriften.

Bij het opstellen van de voorschriften voor de typegoedkeuring is – op een sterk vereenvoudigde en voor pleziervaart aangepaste wijze (zodat uitvoeringslasten en nalevingskosten zoveel mogelijk worden beperkt) – aangesloten bij de systematiek van hoofdstuk 18 (boordzuiveringsinstallaties) van de Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (verder: de Europese standaard1). Daarnaast is ook gekeken naar de voorschriften die de United States Coast Guard heeft ontwikkeld voor pleziervaartuigen op binnenwateren in de Verenigde Staten. Het systeem van typegoedkeuring met certificaat dient de rechtszekerheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid en biedt zo eenvoudig mogelijke nalevingsmogelijkheden voor de eigenaren van pleziervaartuigen.

Eigenaren van pleziervaartuigen krijgen met deze regelgeving de mogelijkheid om in plaats van een opvangtank een zuiveringsvoorziening in te bouwen. Dit zal naar verwachting leiden tot een vermindering van lozingen van ongezuiverd toiletwater in oppervlaktewater, hetgeen weer positief is voor de gezondheid van degenen die in dat oppervlaktewater zwemmen. De eigenaren zijn hier, voor alle duidelijkheid, overigens niet toe verplicht. Indien zij geen zuiveringsvoorziening inbouwen en gebruiken mag het toiletwater (zoals voorheen) niet worden geloosd.

Daarnaast wordt in deze regelgeving bepaald dat indien geborgd is dat via het toilet uitsluitend urine wordt geloosd, dit niet gezuiverd hoeft te worden. Dit om de reden dat normaliter in urine geen relevante hoeveelheden bacteriën aanwezig zijn.

Normstelling

Lozingen van ongezuiverd toiletwater door pleziervaartuigen leveren met name voor zwemmers een risico op, omdat deze activiteiten zoals opgemerkt vaak in elkaars nabijheid plaatsvinden. Om die reden zijn de lozingseisen zoals hiervoor toegelicht geënt op de microbiologische normen van de Zwemwaterrichtlijn en niet op de eisen van hoofdstuk 18 van de Europese standaard voor binnenschepen. Hoofdstuk 18 van de Europese standaard heeft betrekking op afvalwaterlozingen door de binnenvaart en is met name gericht op bescherming van milieu en natuur. Die zuiveringseisen betreffen daarom het biochemisch zuurstofverbruik, het chemisch zuurstofverbruik en de totaal organisch gebonden koolstof. Hoofdstuk 18 is ook niet van toepassing op pleziervaartuigen. Het voor pleziervaartuigen stellen van zuiveringseisen aan biochemisch zuurstofverbruik, chemisch zuurstofverbruik en totaal organisch gebonden koolstof zou enerzijds geen bescherming bieden voor de gezondheid van de zwemmers en anderzijds grote barrières opwerpen voor de ontwikkeling van de kleine en compacte zuiveringsvoorzieningen die in deze situatie wenselijk zijn.

Juridisch kader

De wijzigingsregeling is gebaseerd op artikel 3.9, tweede lid, van het Blbi. Het eerste lid van dat artikel bepaalt dat het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van huishoudelijk afvalwater, met uitzondering van toiletwater, vanaf een pleziervaartuig als bedoeld in artikel 1 van de Wet pleziervaartuigen 2016 is toegestaan. Onder “pleziervaartuig” wordt verstaan: voor sport- en vrijetijdsdoeleinden bedoeld vaartuig, niet zijnde een waterscooter, ongeacht het type of de wijze van voortstuwing, met een romplengte van 2,5 tot 24 meter (artikel 1 van de Wet pleziervaartuigen 2016). Het lozen van bijvoorbeeld douchewater of (af)waswater is dus toegestaan, maar het lozen van toiletwater niet.

Het tweede lid van artikel 3.9 van het Blbi bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, het lozen van toiletwater is toegestaan vanaf een pleziervaartuig, indien het toiletwater voordat het geloosd wordt door een zuiveringsvoorziening wordt geleid, die voldoet aan bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Deze wijzigingsregeling bevat de (output)eisen die aan de zuiveringsvoorziening worden gesteld. De eisen zijn gesteld in de vorm van kwaliteitseisen van het afvalwater na de zuivering (het effluent). De zuiveringsvoorziening moet zodanig functioneren dat bestendig aan deze eisen wordt voldaan. Indien aan de eisen wordt voldaan is het lozen van het door middel van de zuiveringsvoorziening gezuiverde toiletwater vanaf een pleziervaartuig toegestaan.

De eisen gelden in Nederland voor ieder pleziervaartuig dat toiletwater na zuivering wil lozen. Op Europees niveau zijn dergelijke eisen niet gesteld. Richtlijn 2013/53/EU betreffende pleziervaartuigen en waterscooters is geïmplementeerd in de Wet pleziervaartuigen 2016. Op basis van die richtlijn worden momenteel in Europees verband technische voorschriften ontwikkeld. Een van die voorschriften is ISO 8099-2 (Small craft - Waste systems - Part 2: Sewage treatment systems). Van dit document is in maart 2019 een concept uitgebracht in de vorm van een Draft ISO Standaard (DIS). Het document heeft betrekking op zuiveringsvoorzieningen in pleziervaartuigen, waarbij uitdrukkelijk is vermeld dat het document niet tot doel heeft om emissie-eisen te stellen aan het gezuiverde water, mede omdat daarvoor regels op nationaal niveau gesteld (kunnen) zijn. Voor zover geen geharmoniseerde eisen op EU-niveau worden vastgesteld kunnen (mede gelet op de verplichtingen van de Kaderrichtlijn water en het VWEU-verdrag) op nationaal niveau eisen aan lozingen worden gesteld.

Het genoemde ISO 8099-2 zal dus leiden tot een aantal technische eisen aan de zuiveringsvoorziening in een pleziervaartuig, zoals de toepassing van afsluiters en ontluchting, de bereikbaarheid van onderdelen en eisen aan onder meer de vloeistofdichtheid en de mate waarin de gebruikte materialen bestand zijn tegen chemische stoffen. Dat laat onverlet dat er op nationaal niveau, nu en in de toekomst, ruimte is om eisen te stellen aan de prestaties van de zuiveringsvoorziening met het oog op het te lozen toiletwater. Artikel 3.9, tweede lid, van het Blbi biedt de basis voor het stellen van eisen aan de zuiveringsvoorziening aan boord van pleziervaartuigen met het oog op de zuivering van het toiletwater. Deze bepaling biedt echter geen mogelijkheden om andere eisen te stellen, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de verzegeling van de afsluiter ter voorkoming van het lozen van ongezuiverd toiletwater. Dergelijke voorschriften zullen daarom pas in het hierna genoemde vervolgtraject aan de orde komen.

Op weg naar handhaafbare regelgeving

De wijzigingsregeling is een eerste stap in de aanpak van het probleem. De tweede stap vindt plaats via een wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) onder de Omgevingswet. Daarbij worden onderhavige voorschriften rond de zuivering in gebouwd in het Bal, omdat de Rlbi met inwerkingtreding van de Omgevingswet zal vervallen. Daarnaast is het de bedoeling om in dat wijzigingsbesluit ook voorschriften op te nemen die gericht zijn op verbetering van de handhaafbaarheid. Voorschriften die niet in de onderhavige wijziging van de Rlbi konden worden opgenomen omdat de Wet milieubeheer daar geen wettelijke basis voor biedt. Daarbij wordt op dit moment aan het volgende gedacht. In het geval er aan boord geen zuiveringsinstallatie aanwezig is, maar wel een toilet (eventueel met opslagtank) dient de afsluiter, via welke het toiletwater illegaal onder water geloosd kan worden, in gesloten stand verzegeld te zijn. Zo wordt bevorderd dat men gebruik maakt van de ontvangstinstallaties die in tal van jachthavens aanwezig zijn. Bij motie 35 000-J nr. 13 heeft het lid van de Tweede Kamer De Groot (D66) verzocht om een dergelijke verzegeling in regelgeving te verankeren. Deze motie is aangenomen. Het ligt in de rede dat in plaats van een verzegeling, ook gekozen kan worden voor een gelijkwaardige oplossing. Daarbij gaat het er uiteindelijk om dat de toezichthouder kan controleren op welke locatie de afsluiter geopend is geweest. Dit kan met name een oplossing zijn voor pleziervaartuigen die regelmatig vanuit de binnenwateren de zee op gaan, waar het lozingsverbod niet geldt. Uiteraard kunnen deze pleziervaartuigen ook kiezen voor een zuiveringsinstallatie aan boord, in plaats van een opvangtank. Dan is een verzegeling (of gelijkwaardige oplossing) natuurlijk niet aan de orde.

Het aldus gewijzigde Bal zal volgens planning op 1 januari 2021 in werking treden. Daarbij kan eventueel een nog nader te bepalen overgangstermijn vastgesteld worden.

Om toezicht uit te oefenen op de naleving van de regelgeving is het noodzakelijk om bij het pleziervaartuig binnen te kunnen treden. Daarbij is relevant dat pleziervaartuigen soms worden beschouwd als woning, waardoor op dit moment de Algemene wet op het binnentreden van toepassing is. Dit betekent dat als de toezichthouder van de schipper geen toestemming krijgt om aan boord te gaan, hij bij de betreffende burgemeester voor het uitvoeren van een inspectie eerst een machtiging moet verkrijgen.

Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gepland op 1 januari 2021) verandert die situatie. In de artikelen 18.6 en 18.7 van die wet wordt bepaald dat het bevoegd gezag (zoals het dagelijks bestuur van het waterschap) bij de aanwijzing van personen die belast zijn met het toezicht op naleving, kan bepalen dat zij bevoegd zijn een woning (zijnde een pleziervaartuig) te betreden zonder toestemming van de bewoner, mits aan de in artikel 18.7, tweede lid, van de genoemde wet gestelde voorwaarden wordt voldaan. Op dat moment is het totaalpakket dus compleet.

De mogelijkheid van zuivering aan boord is in het geheel een belangrijke stap, zeker met het perspectief op verplichte verzegeling van de opslagtank (of gelijkwaardige oplossing). Vanuit dat perspectief zullen mensen wellicht al vóór 1 januari 2021 kiezen voor zuivering aan boord ter vervanging van de opslagtank, om verplichte verzegeling te voorkomen.

Verwacht wordt dat met de hierboven beschreven toekomstige aanpassingen van de regelgeving en het uitvoeren van toezicht op naleving daarvan, de problematiek van ongezuiverde toiletlozingen van de pleziervaart voor een belangrijk deel kan worden verminderd.

Uitvoerbaarheid

Er zijn in Nederland nog geen zuiveringsinstallaties voor toiletwater aan boord van pleziervaartuigen op de markt verkrijgbaar, omdat er momenteel geen vraag vanuit de markt is; vanwege het ontbreken van eisen heeft het momenteel geen zin om zo’n installatie te gebruiken. Vanwege het ontbreken van eisen zou het momenteel ook na zuivering door een zuiveringsvoorziening nog steeds niet toegestaan zijn te lozen. In het buitenland zijn wel zuiveringsinstallaties op de markt en in gebruik, maar zover bekend is het gezuiverde water daarvan niet getest op de aanwezigheid van Intestinale enterokokken en Escherichia coli.

Aan enkele leveranciers is voorgesteld dat zij hun zuiveringsinstallaties hierop onderzoeken, maar hieraan is nog geen gevolg gegeven. De indruk bestaat dat gewacht wordt op meer duidelijkheid over de aan een zuiveringsinstallatie te stellen eisen en inhoud van de regelgeving. De wijzigingsregeling bevat deze eisen. Deze lijken technisch haalbaar, zodat er geen reden is om te wachten met de ontwikkeling van een zuiveringsinstallatie en het op de markt brengen daarvan. Gezien de stand van de techniek en de voortdurende ontwikkelingen daarin, is het naar verwachting technisch gezien mogelijk om zuiveringsinstallaties te ontwikkelen die aan de in artikel 2.28 opgenomen eisen kunnen voldoen, om de volgende redenen:

  • de eisen aan het effluent worden beperkt tot twee microbiologische parameters, in casu twee soorten bacteriën;

  • de normen zijn gesteld als een 90-percentiel (dit houdt in dat niet alle metingen volledig aan de gestelde waarden moeten voldoen), en

  • er zijn veel technieken op de markt om genoemde bacteriën te doden of weg te vangen, zoals biologische zuivering, anodische oxidatie, UV-licht, microfiltratie, ultrafiltratie, waterstofperoxide, ozon en Advanced Oxydation Technology (AOT), inclusief mogelijke combinaties van deze technieken.

Handhaafbaarheid

De mogelijkheid om een zuiveringsvoorziening te plaatsen en te gebruiken, zou ertoe kunnen leiden dat er minder – illegale – lozingen van ongezuiverd toiletwater plaatsvinden, waarmee de naleving van het lozingsverbod dus verbetert. Als echter uitsluitend naar de handhaafbaarheid wordt gekeken vormt de onderhavige regeling op zichzelf beschouwd alleen een eerste stap naar verdere verbetering, zoals ook Rijkswaterstaat constateert in de HUF-toets die ze heeft uitgevoerd. De hiervoor beschreven toekomstige aanpassingen van de regelgeving zullen de handhaafbaarheid naar verwachting sterk verder verbeteren.

Daarnaast geeft Rijkswaterstaat aan dat de uitvoerbaarheid van deze regeling niet gegarandeerd is, omdat de te testen zuiveringsvoorzieningen nog niet in Nederland verkrijgbaar zijn. Dit is te verklaren doordat tot op heden het gebruik van deze apparatuur aan boord van pleziervaartuigen verboden is, want volgens de bestaande regelgeving is ook het lozen van gezuiverd water niet toegestaan. In andere landen is deze zuiveringsapparatuur echter wel ontwikkeld en verkrijgbaar. De onzekere factor is of het effluent ervan voldoet aan de twee microbiologische kwaliteitseisen die in de onderhavige regeling zijn opgenomen. Het staat de leveranciers uiteraard vrij om daar zelf onderzoek naar te doen, en de – eventueel aangepaste – apparatuur vervolgens voor een typegoedkeuring aan te bieden. En ook aan ontwikkelaars van zuiveringssystemen wordt met onderhavige regeling de mogelijkheid geboden om een nieuwe markt aan te boren.

Effecten op de gezondheid van zwemmers

Los van de handhaafbaarheid, vormt een gezuiverde lozing van toiletwater voor zwemmers een veel kleiner risico dan een – illegale maar niet te controleren – ongezuiverde toiletlozing.

Voorbereidingsprocedure, internetconsultatie, notificatie

De wijzigingsregeling is voorbereid in een overleg waarin onder meer vertegenwoordigers van de Hiswa, Waterrecreatie Nederland, de ANWB, het Watersportverbond, het platform Waterrecreatie, de Nederlandse Jachtbouw Industrie, Rijkswaterstaat en de Unie van Waterschappen hebben geparticipeerd.

Naar aanleiding van de internetconsultatie zijn ruim 100 reacties ontvangen. Een verslag op hoofdlijnen is te downloaden via deze link: https://www.internetconsultatie.nl/regeling_zuivering_toiletwater_pleziervaart/berichten

Daarnaast zijn er in het kader van de bestuurlijke consultatie reacties ontvangen van het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen. Onder meer Hiswa, het Watersportverbond, de Nederlandse Vereniging van Toerzeilers, de Nederlandse Jachtbouw Industrie, het Verbond Nederlandse Motorbootsport, de Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg zijn positief over de voorgestelde regeling.

In diverse reacties van vooral particulieren werd er – op basis van berichten in de media – van uitgegaan dat zuivering verplicht zou worden, en dat de opslagtank vervangen zou moeten worden door een zuiveringsvoorziening. Dit is echter een misvatting: er wordt met onderhavige regeling uitsluitend een extra mogelijkheid geboden om op legale wijze van het toiletwater af te komen. Men kan dus kiezen voor een zuivering, maar ook een opslagtank of andere voorziening aan boord (zoals chemisch toilet of droogtoilet) behoort tot de mogelijkheden. En uiteraard kan men ook gebruik blijven maken van voorzieningen op de wal. Wat wel overeind blijft, is het sinds 2009 geldende verbod om ongezuiverd toiletwater te lozen.

Daarnaast hadden veel reacties betrekking op het – in de toelichting beschreven – voornemen om een verzegeling van de afsluiter (of gelijkwaardig alternatief daarvoor) verplicht te stellen. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat de onderhavige regelgeving geen voorschriften bevat over de verzegeling. De op dit punt ingebrachte opmerkingen zullen worden betrokken bij het opstellen van de wijziging van het Besluit activiteiten leefomgeving, waarin dit volgens planning geregeld zal worden.

Regelmatig werd opgemerkt dat passagiersschepen en hotelschepen met maximaal 49 passagiers op grond van internationale regelgeving (het CDNI) het afvalwater ongezuiverd mogen lozen. In dat verband is van belang dat naar verwachting eind 2019 zal worden ingestemd met het voorstel om die grens aanzienlijk te verlagen, naar maximaal 12 passagiers. Ook bij die schepen is er dus toenemende aandacht voor vermindering van de ongezuiverde lozingen.

Het commentaar heeft geleid tot aanvulling van artikel 2.28 met een derde lid. Daarin is vastgelegd dat de zuiveringsvoorziening zodanig moet zijn ontworpen dat er geen ongezuiverd toiletwater kan worden geloosd op het moment dat de zuivering uitgeschakeld is of niet in bedrijf is.

Er was ook commentaar op artikel 2.29, eerste lid. Daar was een mogelijkheid gecreëerd voor het uitvoeren van een gelijkwaardige test, zonder dat duidelijk was aan welke criteria die test zou moeten voldoen. Vanwege het belang van eenduidigheid en vergelijkbaarheid van de testresultaten is deze optie geschrapt. Alleen volgens één van de in de bijlage opgenomen testen kan worden aangetoond dat aan de zuiveringsvoorziening voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.28.

Naar aanleiding van het commentaar is artikel 2.33 aangevuld met een extra lid, inhoudende dat de installatie-, gebruiks- en onderhoudsvoorschriften aan de toezichthouder moeten kunnen worden getoond. Dit om de uitoefening van toezicht en de handhaving te vergemakkelijken.

Van diverse kanten is opgemerkt dat het mogelijk zou moeten zijn om enkel urine op het oppervlaktewater te lozen, zonder dat dit gezuiverd hoefde te worden. Urine bevat namelijk – zeker vergelijken met feces – normaliter nauwelijks relevante hoeveelheden bacteriën. Naar aanleiding hiervan is in paragraaf 2.6 een artikel toegevoegd.

Ook is opgemerkt dat deel I van de bijlage gericht is op het testen van een biologische zuivering, maar dat het denkbaar is dat ook niet-biologische zuiveringen voor een test worden aangeboden. Daarom is de bijlage is uitgebreid met een deel II over testen van niet-biologische zuiveringsinstallaties.

Daarnaast zijn naar aanleiding van het commentaar enkele onjuiste artikelverwijzingen gecorrigeerd. Waar dat zinvol en relevant was zijn de overige ontvangen suggesties en opmerkingen zoveel mogelijk verwerkt in deze toelichting.

In de geconsulteerde tekst werd uitgegaan van een bevoegde autoriteit, die was gedefinieerd als Minister van Infrastructuur en Waterstaat of een door de minister aangewezen instantie. Deze bevoegde instantie zou de typegoedkeuring verrichten en een certificaat afgeven aan de aanvrager. Nadat de conceptregeling ter consultatie was aangeboden bleek dat er meerdere instanties geïnteresseerd zijn in het afgeven van certificaten voor typegoedkeuring. Om dit te faciliteren is de regelgeving aangepast. Ook vanuit het oogpunt van een aanvrager is het positief dat het mogelijk wordt gemaakt dat meer instanties een certificaat van typegoedkeuring kunnen verlenen. Een aanvrager krijgt daarmee immers de mogelijkheid uit meerdere instanties te kiezen. Een certificaat moet worden afgegeven door een erkende instantie. Een instantie die aan de voorwaarden voldoet kan daartoe een aanvraag doen conform artikel 2.31 van de regeling. Aangezien deze aanpassing geen ingrijpende veranderingen teweegbrengt in de rechten en plichten van burgers of bedrijven, is niet opnieuw geconsulteerd.

De ontwerpregeling is op 26 maart 2019 ingevolge artikel 5 van richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie)(PbEU 2015, L 241) voorgelegd aan de Europese Commissie en andere lidstaten. Hierop zijn geen reacties gekomen. De technische voorschriften in artikelen 2.28 tot en met 2.35, waarin de technische eisen aan de zuiveringsvoorziening, de type(goed)keuring en het certificaat zijn opgenomen, zijn verenigbaar met de artikelen 34 tot en met 36 van het werkingsverdrag van de Europese Unie (vrij verkeer van goederen), omdat het gaat om eisen die, via de kwaliteit van het zwemwater, de volksgezondheid beschermen.

Administratieve lasten en nalevingskosten, toetsing ATR

Op dit moment is het verboden om ongezuiverd toiletwater te lozen, dat verandert niet met de voorliggende wijziging. Wel biedt de wijziging nieuwe mogelijkheden, namelijk om in plaats van een opvangtank (of bijvoorbeeld een chemisch toilet of droogtoilet) een zuiveringsinstallatie in te bouwen. Dat is een vrijwillige keuze, die uiteraard ook financieel gezien positieve of negatieve effecten kan hebben. Wel is te verwachten dat door deze mogelijkheid te bieden, de kosten van zuiveringsinstallaties zullen dalen naarmate de vraag stijgt.

De kosten van inbouw van een opvangtank (doorgaans maatwerk, vanwege de beperkte ruimte aan boord) of van een zuiveringsinstallatie lijken niet ver uiteen te liggen. Afhankelijk van de specifieke situatie kost een opvangtank enige honderden tot 1.500 euro, en zou een zuiveringsinstallatie op ongeveer 2.500 euro kunnen uitkomen. De specifieke kosten van de typegoedkeuring (die voor rekening komen van de fabrikant) zijn (mede omdat voor dit specifieke type nog geen typegoedkeuringen zijn afgegeven) nog niet bekend. Als indicatie kunnen worden genoemd de kosten van typegoedkeuringen voor zuiveringsinstallaties aan boord van binnenvaartschepen, met betrekking tot onder meer chemisch en biologisch zuurstofverbruik. Met een dergelijke typegoedkeuring is een bedrag van 40.000 tot 50.000 euro gemoeid. ATR heeft besloten geen formeel advies uit te brengen, maar deelt de analyse dat er geen (omvangrijke) gevolgen zijn voor de regeldruk.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I

A

Aan artikel 1.2, eerste lid, zijn een aantal begrippen toegevoegd. Het gaat om normdocumenten waarin analysemethoden zijn opgenomen voor de parameters Intestinale enterokokken en Escherichia coli. Daarnaast is een normdocument toegevoegd waarin eisen voor certificatie-instellingen zijn opgenomen en een normdocument toegevoegd waarin eisen zijn vastgelegd ten aanzien van de competentie van test- en kalibratielaboratoria.

B
Artikel 2.27

In dit artikel wordt een aantal begrippen gedefinieerd die in de nieuwe paragraaf 2.5 worden gehanteerd. Met name betreft het begrippen in verband met de typegoedkeuring. Deze zijn voor een belangrijk deel ontleend aan artikel 18.00 van de eerdergenoemde Europese standaard.

Een fabrikant kan derden machtigen om een aanvraag namens hem in te dienen maar blijft zelf verantwoordelijk voor de te verstrekken gegevens en de conformiteit van de productie. In gevallen waarin de zuiveringsvoorziening na haar oorspronkelijke fabricage door veranderingen en aanvullingen wordt aangepast voor gebruik op een pleziervaartuig, is de fabrikant degene die verantwoordelijk is voor het eindproduct.

Artikel 2.28

In artikel 2.28 zijn eisen aan de zuiveringsvoorziening opgenomen in de vorm van eisen aan het effluent van de installatie (eisen aan de kwaliteit van het toiletwater na zuivering, zoals dat wordt geloosd). In het artikel zijn normwaarden en analysemethoden voor de kwaliteit van het gezuiverde toiletwater opgenomen. Vanwege de focus op bescherming van de gezondheid van de zwemmers in het oppervlaktewater is daarbij (zoals in het algemeen deel toegelicht) gekozen voor het hanteren van de parameters uit bijlage I van de Europese Zwemwaterrichtlijn (2006/07/EG), zijnde Intestinale enterokokken en Escherichia coli (binnenwateren, aanvaardbare kwaliteit), met onderbouwing van die keuze. Bij de typegoedkeuring door een erkende instantie wordt beoordeeld of aan de gestelde kwaliteitseisen wordt voldaan.

In het derde lid is bepaald dat geborgd moet zijn dat niet via de zuiveringsvoorziening kan worden geloosd in situaties waarbij die voorziening uitgeschakeld is of niet in bedrijf is. Op het moment dat de zuiveringsvoorziening niet functioneert, mag het dus niet zo zijn dat er ongezuiverd toiletwater wordt geloosd.

Artikel 2.29

Uit het eerste lid van artikel 2.29 volgt dat ten behoeve van een typegoedkeuring één van de in de bijlage bij de regeling opgenomen tests moet worden uitgevoerd, afhankelijk van de zuiveringstechniek. Uit de test moet voldoende aannemelijk worden dat bestendig (dat wil zeggen in ieder geval gedurende een seizoen, als aan de onderhoudsvoorschriften wordt voldaan) aan de eisen wordt voldaan. Dat is in elk geval het geval bij een test die gericht is op een aantal relevante situaties aan boord van een pleziervaartuig. Voor een verdere toelichting op de testen wordt verwezen naar de toelichting op de bijlage.

Dat een zuiveringsvoorziening volgens de in de bijlage opgenomen testen voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 2.28, volgt uit een door een instantie afgegeven certificaat. Met het oog op het toezicht en de handhaafbaarheid moet een kopie van dit certificaat van typegoedkeuring kunnen worden getoond aan de toezichthouder. Het aan boord bewaren is met het oog daarop wenselijk, tezamen met de onderhoudsgegevens. De tekst is deels ontleend aan artikel 18.05, vijfde lid, van de eerdergenoemde Europese standaard.

Als een type zuiveringsvoorziening wijzigt of wordt uitgebreid, zal opnieuw moeten worden aangetoond dat aan de eisen wordt voldaan. Met een certificaat moet immers te allen tijde kunnen worden aangetoond dat een zuiveringsvoorziening voldoet aan de in artikel 2.28 gestelde eisen. Een certificaat van typegoedkeuring kan worden ingetrokken door de instantie als blijkt dat het certificaat ten onrechte is afgegeven, als wijzigingen aan het certificaat zijn aangebracht anders dan door de instantie die het certificaat afgeeft, of als blijkt dat ingebruikname van de zuiveringsvoorziening leidt tot significante risico’s voor de gezondheid, de veiligheid of het milieu.

Artikel 2.30

In dit artikel wordt het verlenen van een certificaat van typegoedkeuring geregeld. Een certificaat wordt alleen verleend, als aan de voorwaarden in het eerste lid wordt voldaan.

In het tweede lid is bepaald dat de instantie een aanvraagprocedure instelt. Het is aan de instantie om te bepalen op welke manier de aanvraagprocedure wordt ingericht, er kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt van een aanvraagformulier maar er zijn ook andere aanvraagprocedures mogelijk. Van belang is dat in elk geval de gegevens worden aangeleverd, die zijn opgenomen in het tweede lid. Bij de door een aanvrager te overleggen gegevens behoren in elk geval de gegevens en documenten waarin de kenmerken van de zuiveringsvoorziening, met inbegrip van de onderdelen (componenten) en afstellingen die van invloed zijn op het niveau van de toiletwaterzuivering, evenals de wijzigingen daarvan, vastgelegd zijn.

In het derde lid komt de situatie aan de orde waarbij het goed functioneren van de zuiveringsvoorziening afhankelijk is van andere onderdelen van het pleziervaartuig. De tekst is ontleend aan artikel 18.03 van de Europese standaard. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de gebruiks- en onderhoudsvoorschriften van de fabrikant worden nageleefd. Als daaromtrent geen gegevens voorhanden zijn of de toezichthouder vermoedt dat de voorziening wegens onjuist gebruik of gebrekkig onderhoud niet naar behoren functioneert kan deze niettemin aangeven dat maatregelen zoals onderhoudsmaatregelen moeten worden genomen.

Artikel 2.31

Dit artikel betreft de erkenning van de instantie die een certificaat van typegoedkeuring verleent. De instantie wordt door de minister erkend als aan de voorwaarden in het tweede lid wordt voldaan. In NEN-EN-ISO/IEC 17065 zijn eisen opgenomen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan (onder andere) producten.

Een instantie kan een aanvraag tot erkenning indienen. Op de aanvraag zijn de regels van afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht onverminderd van toepassing. Er is geen formulier vastgesteld voor het indienen van de aanvraag, een schriftelijke aanvraag kan worden gericht aan de minister, ter attentie van de Directie Waterkwaliteit, Ondergrond en Marien, Postbus 20901, 2500 EX te Den Haag.

Artikel 2.32

Dit artikel regelt het aanbrengen van merktekens op de zuiveringsvoorziening. De tekst is ontleend aan artikel 18.05 van de Europese standaard.

Artikel 2.33

Dit artikel gaat over de installatie, het gebruik en onderhoud van de zuiveringsvoorziening, teneinde te waarborgen dat deze goed blijft functioneren. De tekst is ontleend aan artikel 18.01, negende lid, van de Europese standaard. Het moge duidelijk zijn dat de werking van de zuivering mede afhankelijk is van de installatie, het gebruik en het onderhoud van de zuiveringsvoorziening. In situaties waarbij evident is dat niet aan deze verplichting wordt voldaan, zou dit voor een toezichthouder een handvat kunnen bieden om handhavend op te treden. Mede in dat licht is in het tweede lid bepaald dat de installatie-, gebruiks- en onderhoudsvoorschriften moeten kunnen worden getoond aan de toezichthouder.

Artikel 2.34

Dit artikel stelt eisen aan de technische dienst die door de erkende instantie kan worden ingeschakeld bij de typegoedkeuring. De tekst is ontleend aan artikel 18.10 van de Europese standaard.

Artikel 2.35

Voor situaties waarbij geborgd is dat er uitsluitend urine wordt geloosd via het toilet is in dit artikel bepaald dat zuivering niet vereist is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als er aan boord alleen een urinoir aanwezig is, of als er een droogtoilet is met aparte opvang en afvoer van de urine. Er hoeft in die situaties dus geen zuiveringsvoorziening aanwezig te zijn en de urine kan zonder verdere behandeling op het oppervlaktewater worden geloosd. Urine bevat namelijk – zeker vergeleken met feces – weinig bacteriën. Indien de urine eerst in contact komt met feces, is deze bepaling niet van toepassing.

C
Bijlage

De bijlage bevat de beschrijving van een test voor biologische zuiveringsvoorzieningen (onderdeel I) en een test voor niet-biologische zuiveringsvoorzieningen (onderdeel II).

Test voor biologische zuiveringsvoorzieningen

In het eerste onderdeel de omschrijving van de samenstelling van het toiletwater dat naar de te testen zuiveringsvoorziening moet worden toegevoerd. De verhouding tussen de verschillende stoffen is gebaseerd op het te verwachten gemiddelde dagelijkse gebruik van het boordtoilet door één persoon: 50 gram toiletpapier, 150 gram feces, 1,25 liter urine en in totaal 5 liter water om door te spoelen.

Bij dat laatste wordt opgemerkt dat in de praktijk vooral oppervlaktewater wordt gebruikt, maar in het algemeen niet te verwachten is dat de kwaliteit daarvan een belangrijke invloed zal hebben op het zuiveringsrendement van de voorziening. Teneinde de testcondities zoveel mogelijk gelijk te houden en uit praktische overwegingen is er daarom voor gekozen dat het water van drinkwaterkwaliteit moet zijn. Er mag vanuit worden gegaan dat het door een drinkwaterbedrijf geleverde water deze kwaliteit heeft.

Voor zover volgens de gebruiksvoorschriften van de fabrikant naast zoet oppervlaktewater ook brak water of zeewater kan worden gebruikt voor de doorspoeling, wordt dit beschouwd als een uitbreiding van de typegoedkeuring in de zin van artikel 2.31, en zal daar beschreven procedure doorlopen moeten worden.

Bij de test van een zuiveringsvoorziening een biologische werking wordt een aantal situaties nagebootst die bij zo’n zuiveringsvoorziening aan boord van een pleziervaartuig relevant kunnen zijn voor de effectiviteit van de zuivering. Met name gaat het om de mate waarin de zuiveringsvoorziening al dan niet continu gebruikt wordt, de heersende temperatuur benedendeks (variërend van 15 tot 40 °C) en de hydraulische belasting. Met dat laatste wordt bedoeld de mate waarin toiletwater naar de zuiveringsvoorziening wordt toegevoerd. Daarbij komt een percentage van 100 overeen met de maximale hydraulische belasting die door de fabrikant is aangegeven. Bij 125% is er dan dus sprake van overbelasting, bij 50% is er sprake van een onderbelasting.

In theorie zouden ook aspecten zoals beweging en trillingen relevant kunnen zijn, maar mede omdat die factoren ook niet meegenomen zijn in de testen die in de Europese standaard zijn beschreven, wordt het niet nodig geacht om hierop te onderzoeken. Bij het opstellen van de testprogramma’s is mede gekeken naar de aanpak in de Europese standaard.

Het testprogramma duurt 68 dagen en omvat een aantal fasen, waaronder een gebruiksfase bij een omgevingstemperatuur van 15 ° C, een fase waarin de voorziening een week lang niet gebruikt wordt, een gebruiksfase bij een omgevingstemperatuur van 40 °C en een fase waarin de voorziening drie weken lang niet gebruikt wordt.

Het is uiteraard ook mogelijk dat een pleziervaartuig – en dus ook de zuiveringsvoorziening – bij lagere temperaturen (in de winter) gebruikt wordt. Hierop hoeft echter niet getest te worden. Reden hiervoor is dat relatief weinig pleziervaartuigen in de winter het water opgaan, de bacteriegroei in het oppervlaktewater gering zal zijn en er dan bovendien maar zeer weinig mensen in het water zwemmen.

In de praktijk zouden twee situaties kunnen voorkomen: er is een tank waarin het te behandelen toiletwater wordt verzameld voordat het de zuiveringsvoorziening ingaat, en de situatie dat er geen verzameltank is.

Onderdeel 2 beschrijft het testprogramma voor de situatie dat er geen sprake is van een verzameltank. In dat geval zou in de praktijk een overbelasting kunnen plaatsvinden, wat de reden is waarom hier in het testprogramma aandacht aan besteed wordt. In onderdeel 3 is het testprogramma beschreven voor de situatie dat er sprake is van een voorgeschakelde verzameltank. Daar is geen hydraulische overbelasting te verwachten, zodat dit ook niet onderzocht hoeft te worden. Bij een situatie met verzameltank moeten er in totaal 20 monsters genomen worden, bij een situatie zonder verzameltank zijn dat er 18.

Test voor niet-biologische zuiveringsvoorzieningen

Dit onderdeel beschrijft de uit te voeren test voor een zuiveringsvoorziening die geen gebruik maakt van biologische zuivering. Mede omdat het continu gebruik bij een niet-biologische zuivering minder relevant is voor de werking van de zuivering, is de testperiode korter.

Artikel II

Overeenkomstig aanwijzing 4.17, vijfde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving wordt afgeweken van de minimale invoeringstermijn van twee maanden. Het is niet noodzakelijk een voorbereidingstijd te bieden voor de regeling in werking treedt, omdat met de wijzigingsregeling een versoepeling optreedt ten opzichte van eerdere regelgeving. Waar het eerder niet was toegestaan toiletwater van een pleziervaartuig te lozen, wordt het met deze wijziging toegestaan toiletwater van een pleziervaartuig te lozen als dit door een zuiveringsvoorziening wordt geleid die aan technische voorschriften voldoet. Zowel de fabrikant van zuiveringsvoorzieningen als de eigenaar van een pleziervaartuig die een dergelijke zuiveringsvoorziening wil aanschaffen worden benadeeld als met het oog op een voldoende voorbereidingstijd een termijn van ten minste twee maanden moet worden afgewacht. Door het afwijken van de minimale invoeringstermijn worden dus ongewenste private nadelen voor de doelgroep voorkomen. Er wordt geen uitzondering gemaakt op de vaste verandermomenten.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga


X Noot
1

De Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TRIN) wordt sinds 2015 door het Comité CESNI regelmatig geactualiseerd en gepubliceerd. In deze standaard staan uniforme technische voorschriften die tot doel hebben de veiligheid van de binnenschepen te waarborgen. De voorschriften, die vroeger vervat waren in de Richtlijn 2006/87/EG en het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn (ROSR), zijn nu in geharmoniseerde vorm ondergebracht in de ES-TRIN. In het regelgevingskader van de EU en de CCR wordt verwezen naar de ES-TRIN (respectievelijk in Richtlijn (EU) 2016/1629 en in het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn).