Besluit van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 5 september 2019, Min-BuZa.2019.4266-30, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Vrouwen, vrede en veiligheid 2020)

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking;

Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken1;

Gelet op artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 20062;

Besluit:

Artikel 1

Voor subsidieverlening op grond van artikel 5.1 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 op het terrein van gelijke rechten en kansen voor vrouwen in het kader van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2020 gelden voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2020 de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels en geldt een subsidieplafond van EUR 3.750.000.

Artikel 2

  • 1. Voor subsidieverlening komen uitsluitend organisaties in aanmerking waaraan subsidie op grond van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 is verleend.

  • 2. De subsidie bedraagt per organisatie ten hoogste 25% van het op grond van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 beschikbaar gestelde en in de beschikking genoemde bedrag.

  • 3. Subsidie wordt uitsluitend verleend voor activiteiten die aansluiten op de activiteiten waarvoor subsidie op grond van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019 is verleend.

Artikel 3

Aanvragen om in aanmerking te komen voor een subsidie worden ingediend in de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 7 oktober 2019 aan de hand van het daartoe door de minister vastgestelde aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden.3

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en vervalt met ingang van 1 januari 2021 met dien verstande dat het van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Dit besluit zal met de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, namens deze, de waarnemend Directeur-Generaal Internationale Samenwerking, B. Tazelaar

BIJLAGE

I. Achtergrond

Op 3 mei 2016 heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een besluit genomen waarmee beleidsregels en een subsidieplafond voor Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019 zijn vastgesteld.4

Vrouwen Vrede Veiligheid 2016–2019 is gericht op financiering van activiteiten van maatschappelijke organisaties die programma’s uitvoeren in het kader van het derde Nederlandse Nationaal Actieplan 1325 (NAP1325). Dit is onderdeel van de Nederlandse opvolging en implementatie van VN Veiligheidsraad Resolutie 1325 (UNSCR1325). Het maximale subsidiebedrag van EUR 15 miljoen onder Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019 is op 31 oktober 2016 toegekend aan een achttal consortia in acht focuslanden, met de volgende penvoerders:

  • Afghanistan: Oxfam Novib

  • Colombia: ICCO

  • DRC: Stichting CMC - Mensen met een Missie

  • Jemen: CARE Nederland

  • Syrië: HIVOS

  • Libië: Cordaid

  • Irak: PAX

  • Zuid-Soedan: PLAN

II. Additionele subsidies Vrouwen, vrede en Veiligheid 2016–2019

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de afgelopen jaren middelen ter beschikking gesteld voor het maatschappelijke middenveld voor activiteiten op het terrein van het thema Vrouwen, Vrede en Veiligheid. Deze subsidiëring vindt plaats binnen het kader van twee verschillende subsidiebeleidskaders: Vrouwen, Vrede Veiligheid 2016–2019 (zie hiervoor onder I) en Peace and Security 4 All (PS4A)5.Uit het oogpunt van doelmatigheid en beleidscoherentie, heeft de Minister besloten om de opvolger van het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019, getiteld SDG5: Women, Peace and Security (SDG5:WPS) onder te brengen onder het overkoepelende beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld.6 Onder dit overkoepelende kader vallen verder de opvolgers van de subsidiebeleidskaders Samenspraak & Tegenspraak (S&T), Funding Leadership Opportunities for Women (FLOW) en de Seksuele en de Reproductieve Gezondheid en Rechten- partnerschappen (SRGR). De subsidies die in het kader van deze subsidiebeleidskaders zullen worden verstrekt en de daarmee te financieren programma’s zullen per januari 2021 van start gaan.

In tegenstelling tot de andere hiervoor genoemde nog lopende subsidiebeleidskaders, die eind 2020 aflopen, eindigt het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 eind 2019. Om de beëindiging van het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019 synchroon te laten lopen met de andere subsidiebeleidskaders heeft de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten tot een overbrugging tusssen Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 en het nieuwe subsidiebeleidskader SDG5: Women, Peace and Security (SDG5:WPS), door € 3,75 miljoen beschikbaar te stellen voor additionele subsidieverlening in 2020 in het verlengde van de subsidieverlening in het kader van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019. Met deze additionele subsidiemogelijkheid wordt de acht consortia de kans geboden hun succesvolle programma’s naar een hoger plan te tillen door hun activiteiten te verdiepen of te verbreden. Voor de goede orde zij opgemerkt dat dit geen waarborg vormt voor subsidieverstrekking in het kader van SDG5: Women, Peace and Security.

Het onderhavige subsidiebeleidskader sluit aan op het kader Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 en heeft een werkingsduur van een jaar. Met ingang van 1 januari 2021 zal het nieuwe subsidiebeleidskader SDG5: Women, Peace and Security van toepassing zijn. Het onderhavige kader strekt ertoe om de periode tussen de einddatum van Vrouwen, vrede en veiligheid 2016–2019, op 31 december 2019, en de start van het nieuwe kader te overbruggen.

III. Organisaties die voor subsidieverlening in aanmerking komen

Voor additionele subsidieverlening uit de middelen die voor Vrouwen, Vrede en Veiligheid in 2020 beschikbaar zijn komen alleen in aanmerking de acht consortia waaraan reeds subsidie is verleend uit het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019 (zie paragraaf I). Aan de penvoerders van deze organisaties kunnen additionele subsidies worden verstrekt in aanvulling op de reeds aan hen verleende subsidies. Voor deze additionele subsidieverlening gelden in aanvulling op de bepalingen van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 de hiernavolgende criteria.

Voor additionele subsidieverlening komen alleen activiteiten in aanmerking die specifiek gericht zijn op minimaal één van de drie onderling samenhangende subdoelstellingen uit het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019, te weten:

  • 1. Bescherming van vrouwen en meisjes in conflict- en postconflictsituaties;

  • 2. Het bestrijden van gender normen, die obstakels voor duurzame vrede zijn;

  • 3. Het creëren van gelijke deelname van vrouwen aan conflictpreventie en -oplossing, vredesopbouw, hulpverlening en wederopbouw.

Alleen activiteiten die een vervolg dan wel uitbreiding zijn van de bestaande activiteiten binnen het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019, komen in aanmerking voor deze additionele subsidie. Het gaat daarbij om activiteiten in de vorm van (i) een vervolg van bestaande interventies in 2020 en/of (ii) het opnemen van aanvullende activiteiten die doelbereiking kunnen verbeteren. Activiteiten waarvoor reeds subsidie is verstrekt en activiteiten die bij aanvraag van de subsidie reeds zijn gestart komen uitdrukkelijk niet in aanmerking.7

IV. Doelstelling, subdoelstellingen en benaderingen

Met het verstrekken van de additionele subsidies in het kader van de verlenging van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 in 2020 wordt de volgende doelstelling nagestreefd, namelijk het stimuleren van structurele verandering van normen, wetten en instituties, zodat vrouwen en mannen gelijke kansen en rechten hebben en volwaardig kunnen deelnemen aan het voorkomen van conflicten, conflictresolutie, vredesopbouw en wederopbouw. De inspanningen dragen bij aan het realiseren van de voorwaarden voor vrouwen in conflictgebieden om zelf hun belangen te behartigen.

Om voor additionele subsidieverlening in aanmerking te komen dienen activiteiten zich te richten op minimaal één van de volgende drie subdoelstellingen:

  • 1. Bescherming van vrouwen en meisjes in conflict- en postconflictsituaties;

  • 2. Het bestrijden van gender normen, die obstakels voor duurzame vrede zijn;

  • 3. Het creëren van gelijke deelname van vrouwen aan conflictpreventie en -oplossing, vredesopbouw, hulpverlening en wederopbouw

Tevens dienen activiteiten betrekking te hebben op minimaal één van de drie benaderingen waaronder verschillende activiteiten mogelijk zijn:

  • 1. Het faciliteren van capaciteitsontwikkeling8 en het bieden van middelen om de emancipatie en participatie van vrouwen en mannen die streven naar genderbewuste benaderingen van vredesprocessen te ondersteunen;

  • 2. Het bestrijden van attitudes en overtuigingen die uitsluiting van vrouwen bestendigen;

  • 3. Het beïnvloeden van de uitvoering van wetten en beleid die belemmeringen voor de participatie en de bescherming van vrouwen vergroten.

V. Verdeling van de middelen

Om voor additionele subsidieverlening in aanvulling op de reeds verleende subsidie in het kader van Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019 in 2020 in aanmerking te komen zal moeten worden voldaan aan de drempelcriteria en in voldoende mate aan de beoordelingscriteria (opgenomen in paragraaf VI). Aanvragers wier aanvraag hieraan voldoet komen in aanmerking voor een subsidie van maximaal 25% van het bedrag waarvoor aan hen in het kader van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 subsidie is verleend.

VI. Drempel- en beoordelingscriteria van de aanvraag

De aanvraag wordt beoordeeld op de volgende criteria:

VI.1 Drempelcriteria

Om in aanmerking te kunnen komen voor een additionele subsidie in aanvulling op de reeds verleende subsidie in het kader van Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019 in 2020 dienen voorstellen in elk geval te voldoen aan de volgende vereisten:

  • 1. De additionele activiteiten hebben betrekking op minimaal één van de in paragraaf IV genoemde subdoelstellingen en op minimaal één van de drie daar genoemde benaderingen. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

  • 2. De subsidieaanvraag bedraagt maximaal 25% van de in het kader van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 beschikbaar gestelde en het in de beschikking genoemde bedrag. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

  • 3. De looptijd van de additionele activiteiten start niet eerder dan 1 januari 2020 en eindigt uiterlijk op 31 december 2020. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

  • 4. De additionele activiteiten vormen een vervolg op, dan wel een uitbreiding van de activiteiten waarvoor reeds subsidie is verleend in het kader van het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019, in de vorm van (i) een vervolg van bestaande interventies in 2020 en/of (ii) het opnemen van aanvullende activiteiten die doelbereiking van de lopende activiteiten kunnen verbeteren. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting. Voor Syrië geldt daarbij dat gezien de situatie in Syrië activiteiten die fysiek binnen Syrië plaatsvinden niet in aanmerking komen voor additionele subsidie. Activiteiten gericht op de situatie in Syrië dienen plaats te vinden buiten Syrië.

  • 5. De aanvraag betreft geen activiteiten waarvoor reeds subsidie is verleend of die al zijn gestart op het moment waarop de subsidie wordt aangevraagd.9

  • 6. De penvoerder ontvangt subsidie in het kader van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019.

Indien niet aan alle bovengenoemde criteria wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen.

VI.2 Beoordelingscriteria

  • 1. Bijdrage aan doelstellingen Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019: De mate waarin de voorgenomen (additionele) activiteiten bijdragen aan minimaal één van de in paragraaf IV van deze beleidsregels genoemde subdoelstellingen en minimaal één van drie genoemde benaderingen. De relatie tussen de subdoelstellingen en de benaderingen dient te worden toegelicht. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

  • 2. Analyse van het lopende programma: De mate waarin het voorstel waarvoor organisaties financiering aanvragen een aanvulling is op een al lopend programma dat wordt gefinancierd onder het subsidiebeleidskader Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019. De penvoerder dient aan de hand van een analyse van de voortgang van het programma, inzicht te geven in de behaalde resultaten, eventuele moeilijkheden in de uitvoering, een korte risicoanalyse (inclusief mitigerende maatregelen), bijgewerkte contextanalyse, en de uitvoeringscapaciteit. Indien eerder een verzoek tot budgetneutrale verlenging is ingediend, dient dat in de analyse ook duidelijk terug te komen.

  • 3. Uitwerking van Outcomes en Outputs: De mate waarin de additionele activiteiten de doelbereiking van de in het kader van Vrouwen, Vrede en Veiligheid 2016–2019 reeds gesubsidieerde activiteiten zullen vergroten. De penvoerder dient aan de hand van het lopende programma, de verschillen in outcomes en outputs die het additionele programmavoorstel zal bewerkstelligen toe te lichten, door op kwalitatieve en kwantitatieve wijze aan te geven hoe, waar en voor hoeveel meer mensen de additionele activiteiten de doelbereiking van het lopende programma zullen vergroten.

  • 4. Uitwerking van het verband tussen outputs, activiteiten en additionele subsidies: De mate waarin een logisch verband bestaat tussen outputs, activiteiten en de additionele subsidie die in wordt aangevraagd. De penvoerder beschrijft in een budget welke middelen nodig zijn om de voorgenomen outputs te realiseren. In dit budget onderbouwt de penvoerder het verband tussen de te bereiken outputs en de daarvoor benodigde activiteiten en middelen.

  • 5. Uitwerking van beoogde outputs en middelen in SMART-systematiek: De mate waarin de outputs en middelen van de additionele activiteiten Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch en Tijdgebonden zijn uitgewerkt. Dit blijkt uit het voorstel en bijbehorende begroting.

  • 6. Duurzaamheid: Aangezien de additionele financiering slechts beschikbaar is voor maximaal 12 maanden, maakt de penvoerder aannemelijk dat het programmavoorstel zodanig aansluit op een lopend programma dat het (i) in korte tijd kan worden vervolgd en/of opgeschaald, (ii) een blijvend effect voor de uiteindelijke doelgroep heeft en (iii) bijdraagt aan de institutionele duurzaamheid van de lokale partnerorganisaties. De penvoerder dient ook aandacht te besteden aan de wijze waarop resultaten worden gedocumenteerd en beschikbaar worden gesteld.

VII. Aanvraag- en beoordelingsprocedure

Aanvragen voor een subsidie in aanvulling op de reeds verstrekte subsidie in het kader van het subsidiekader Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019 dienen uiterlijk 7 oktober 2019 rechtsgeldig ondertekend te zijn ontvangen op het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Inhoudelijke voorstellen dienen in het Engels (bij voorkeur) of in het Nederlands ingediend te worden. Er is een aanvraagformulier vastgesteld dat voor het indienen van de aanvraag moet worden gebruikt. Dit formulier kan worden gevonden opgevraagd via tfvg@minbuza.nl. Aanvragen worden bij voorkeur ingediend via de mail10 via e-mailadres tfvg@minbuza.nl. Aanvragen per post11 kunnen worden gestuurd naar Ministerie van Buitenlandse Zaken, Directie Sociale Ontwikkeling, Taskforce Vrouwenrechten en Gendergelijkheid, Postbus 20061, 2500 EB Den Haag. Als u de aanvraag persoonlijk of per koerier wilt aanleveren, dan kunt u de aanvraag (laten) afgeven bij het afgifteloket voor poststukken (expeditie) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, Rijnstraat 8, 2515 XP ’s-Gravenhage.

De Minister zal besluiten over de ingediende aanvragen uiterlijk op 25 oktober 2019.

In het kader van de aanvraagprocedure wordt met nadruk gewezen op artikel 7, derde lid, van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken. Mocht een aanvraag onvolledig worden ingediend, dan kan de Minister vragen om een aanvulling. Als datum van ontvangst van de aanvraag zal vervolgens gelden de datum waarop de aanvraag is aangevuld. Indien een aanvraag pas in de laatste twee weken voor het verstrijken van de deadline wordt ingediend, loopt de penvoerder het risico dat de Minister geen toepassing zal geven aan haar bevoegdheid om de indiener om een aanvulling te vragen aangezien een dergelijke aanvulling niet meer mogelijk is zonder de deadline te overschrijden. In dat geval zal de aanvraag derhalve niet meer kunnen worden aangevuld, maar zal deze worden beoordeeld zoals hij primair was ingediend.

VIII. Bij de aanvraag te voegen stukken

  • 1. Ingevuld aanvraagformulier

  • 2. Inhoudelijk voorstel met daarin een overzicht van activiteiten, naar aard, omvang, fasering en onderling verband, in relatie tot de daarmee beoogde doelstellingen en resultaten en verwachte effecten voor de periode waarin de activiteiten worden uitgevoerd.

  • 3. Een gedetailleerde en sluitende begroting, in hetzelfde format als de huidige programma’s, behorende bij het inhoudelijke voorstel voor de periode waarvoor de additionele financiering wordt gevraagd.

  • 4. Liquiditeitsprognose voor de gehele activiteitenperiode


X Noot
1

Stb. 2005, 137.

X Noot
3

Het aanvraagformulier kan worden opgevraagd via tfvg@minbuza.nl

X Noot
4

Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 3 mei 2016, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Vrouwen, Vrede, Veiligheid 2016–2019), Stcrt 2016, nr. 2450.

X Noot
5

Besluit van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 14 augustus 2017, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Peace and Security for All), nr. MINBUZA-2017 4000000581

X Noot
7

Zie artikel 9 Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken.

X Noot
8

Capaciteitsontwikkeling richt zich enerzijds op het versterken van partnerorganisaties in termen van expertise, management en financieel beheer. Anderzijds richt deze zich op het ontwikkelen van kernbekwaamheden en vaardigheden die nodig zijn om ook op termijn in een veranderende context relevant te blijven en resultaten te blijven behalen. Deze kernbekwaamheden zijn: zich verbinden aan een bepaald doel en daarnaar handelen, resultaten behalen, relaties aangaan met externe stakeholders, zich aanpassen wanneer nodig en coherent handelen.

X Noot
9

Indien eerder een verzoek tot budget neutrale verlenging is ingediend, dient in het voorstel een duidelijk onderscheid te worden gemaakt voor activiteiten die in 2020 worden gefinancierd met budget van de reeds verstrekte subsidie en additionele activiteiten te financieren met de aangevraagde additionele subsidie.

X Noot
10

Als moment van indiening geldt het tijdstip waarop de e-mail door het systeem voor gegevensverwerking van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen. Houd er rekening mee dat bestanden groter dan 14MB niet kunnen worden ontvangen. E‑mails groter dan 14MB dienen in kleinere e-mails te worden verdeeld. Hierbij geldt dat het moment waarop de gehele aanvraag, inclusief de laatste e-mail, is ontvangen geldt als tijdstip waarop de aanvraag is ingediend. Daarbij dienen de e-mails genummerd te worden in de onderwerp regel, waarbij duidelijk is hoeveel e-mails de aanvraag in totaal behelst. Bijvoorbeeld: e-mail 1 van 5, e-mail 2 van 5 etc. tot ‘e-mail 5 van 5’. NB: Eventuele technische problemen bij verzending komen voor rekening en risico van penvoerder.

X Noot
11

Als moment van indiening geldt het moment waarop de aanvraag op het Ministerie van Buitenlandse Zaken is ontvangen. NB: Indien de aanvraag niet aangetekend wordt verzonden berust het risico dat de aanvraag niet of te laat wordt ontvangen door het Ministerie bij de penvoerder.

Naar boven