Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
RijkswaterstaatStaatscourant 2019, 40766Onteigeningen

Besluit van 3 juli 2019, nr. 2019001316 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Overbetuwe, Lingewaard, Duiven, Zevenaar en Montferland krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor het project ViA15 met bijkomende werken, dat wordt gerealiseerd in de gemeenten Overbetuwe, Nijmegen, Lingewaard, Duiven, Zevenaar en Montferland)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van de onteigeningswet kan onteigening van onroerende zaken plaatsvinden onder meer voor aanleg en verbetering van wegen, bruggen, spoorwegwerken en kanalen, alsmede daarop rustende zakelijke rechten. Daaronder wordt mede begrepen werken ter uitvoering van een tracébesluit als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Tracéwet.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: verzoeker) heeft Ons bij brief van 14 september 2018, kenmerk RWS-2018/7270, verzocht, om ten name van de Staat over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van de onroerende zaken in de gemeenten Overbetuwe, Lingewaard, Duiven, Zevenaar en Montferland.

De onteigening wordt verzocht om de realisatie van het project ViA15 mogelijk te maken. Het project omvat de volgende werken in de gemeenten Overbetuwe, Nijmegen, Lingewaard, Duiven, Zevenaar en Montferland, met bijkomende werken:

  • de wijziging en doortrekking van de Rijksweg A15;

  • de aanleg van een nieuw knooppunt in de aansluiting van de Rijksweg A15 met de Rijksweg A12 (knooppunt Oudbroeken);

  • de wijziging van de Rijksweg A12;

  • de aanpassing van de aansluitingen Elst, Bemmel en Duiven/Zevenaar;

  • de aanleg van nieuwe aansluitingen Duiven en Zevenaar-Oost (project ViA15), vanaf ongeveer 350 meter voor de kruising van de Rijksweg A50 met de N836/Tielsestraat ten zuiden van het knooppunt Valburg (A50 km. 153.514) en Rijksweg A15 in het knooppunt Valburg (A15 km. 154.500) tot ongeveer 500 meter oostelijk van de kruising van de Rijksweg A12 met de N338/Rivierweg (A12 km. 136.300), de Rijksweg A12 in het knooppunt Oud-Dijk (A12 km. 147.680) en de kruising van de Rijksweg A18 met de weg Landeweer ten noorden van het knooppunt Oud-Dijk (A18 km. 18.987).

Bij brief van 8 april 2019 heeft verzoeker Ons te kennen gegeven wegens minnelijke eigendomsverkrijging niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure voor de daarbij betrokken onroerende zaken met de grondplannummers 15.16, 15.22, 15.25, 15.23, 15.28, 15.33, 16.2, 22.23, 22.25, 22.26, 22.27, 60.5, 76.14, 121.20, 121.23, 140.17, 140.20, 140.25, 140.26, 185.8 en 255.4. Om andere voor verzoeker moverende redenen heeft hij Ons tevens te kennen gegeven niet langer prijs te stellen op voortzetting van de onteigeningsprocedure voor de onroerende zaken met grondplannummers 58.8wt en 179.8. Omdat de noodzaak van onteigening voor deze grondplannummers hiermee is komen te vervallen, zullen Wij deze niet ter onteigening aanwijzen. In de bij dit besluit behorende lijst van te onteigenen onroerende zaken is hiermee rekening gehouden.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat naar Ons oordeel voor de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 de noodzaak tot aanwijzing ter onteigening van een oppervlakte van 00.46.70 ha waarop het onderhavige onteigeningsverzoek betrekking heeft, slechts gedeeltelijk vaststaat. Wij hebben de ter onteigening aan te wijzen oppervlakte van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 teruggebracht naar 18.11 ha. De bij dit besluit behorende lijst is dienovereenkomstig aangepast en verzoeker heeft aan Ons bij e-mail van 5 april 2019 met betrekking tot dit grondplannummer een met dit besluit overeenstemmende gewijzigde grondtekening overgelegd.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, liggen in de gemeenten Overbetuwe, Lingewaard, Duiven, Zevenaar en Montferland. De grondslag voor de planologische uitvoerbaarheid van het werk waarin de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken zijn gelegen, wordt gevormd door het Tracébesluit A12/A15 Ressen – Oudbroeken (hierna: Tracébesluit ViA15-2017) dat is vastgesteld op 7 maart 2017. Tegen dit besluit zijn beroepen ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Hierna de Afdeling).

Dit besluit is voor wat betreft het aspect stikstofdepositie gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De Afdeling heeft de behandeling van de ingestelde beroepen tegen het Tracébesluit aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de toepasbaarheid van het PAS. In november 2018 heeft het Hof uitspraak gedaan.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat wil echter voorkomen dat het project ViA15 door juridische procedures langer op zich laat wachten dan noodzakelijk. Daarom heeft de Minister besloten tot een project-specifieke onderbouwing van het aspect stikstofdepositie. Deze is opgenomen in het Tracébesluit A12/A15 Ressen – Oudbroeken (ViA15) 2019 (hierna: Tracébesluit ViA15-2019) dat is vastgesteld op 18 februari 2019. Dit tracébesluit voorziet in een wijziging van ondergeschikte aard van het Tracebesluit ViA15-2017. Dit tracébesluit blijft voor het overige onverminderd van kracht. Met het Tracébesluit ViA15-2019 is vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming voor het aspect stikstofdepositie niet langer gekoppeld aan het PAS.

Het Tracébesluit ViA15-2019 brengt geen wijziging in het grondbeslag van de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken en de grenzen ten opzichte van het Tracébesluit ViA15-2017.

Het gewijzigde Tracébesluit ViA15- 2019 heeft vanaf 28 februari tot en 11 april 2019 ter inzage gelegen. In deze periode konden belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling. De Afdeling zal deze beroepen naar verwachting samen met de tegen het Tracébesluit ViA15-2017 ingestelde beroepen in één keer behandelen en daarop uitspraak doen.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken in eerste instantie vanaf 8 november 2018 tot en met 19 december 2018 in de gemeenten Overbetuwe, Montferland, Duiven, Zevenaar en Lingewaard en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen. Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Onze Minister) van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in De Betuwe, Het Gemeentenieuws, Montferland nieuws, Duiven Post en Zevenaar Post en in de Staatscourant van 7 november 2018, nr. 61876.

Ons is nadien gebleken dat niet alle stukken ter inzage zijn gelegd, zodat niet is voldaan aan de voorschriften van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Om deze vormfout te herstellen hebben Wij de termijn van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken en de hieraan gekoppelde termijn waarbinnen zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht opnieuw vastgesteld. En de stukken nogmaals ter inzage gelegd. Dientengevolge hebben overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 17 januari 2019 tot en met 27 februari 2019 in de gemeenten Overbetuwe, Montferland, Duiven, Zevenaar en Lingewaard en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht nogmaals ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Onze Minister) van het ontwerp koninklijk besluit en van de tweede terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in De Betuwe, Het Gemeentenieuws, Montferland nieuws, Duiven Post en Zevenaar Post en in de Staatscourant van 16 januari 2019, nr. 61876-n1.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De Rijksweg A15 (hierna: A15) is een belangrijke wegverbinding tussen Rotterdam, het oosten van Nederland en Duitsland. De weg eindigt ten zuiden van Arnhem als enkelbaans rijksweg en sluit aan op de provinciale weg N839 Bemmel-Huissen. Tussen deze aansluiting en de Rijksweg A12 (hierna: A12) ten oosten van Duiven en Zevenaar ontbreekt een belangrijke schakel in de A15 en het rijkswegennet. Dit leidt tot de nodige verkeersproblemen in de regio.

De structurele overbelasting van de A12, als oost-west verbinding die ter plaatse tevens dient als draaischijf voor noord-zuidverkeer, en het feit dat de A15 bij de provinciale weg N839 Bemmel-Huissen ophoudt, maken het netwerk kwetsbaar voor verstoringen. De beide factoren veroorzaken ook dat de route via de A325/N325 (de zogeheten Pleijroute, vanaf het knooppunt Ressen naar en door Arnhem) onnodig zwaar belast wordt met doorgaand (vracht)verkeer. De beschikbare capaciteit op deze route is echter hard nodig voor het afwikkelen van verkeer met een lokale bestemming. Het gevolg is dat (bestemmings-)verkeer alternatieve routes door Arnhem zoekt via de bruggen in het centrum. Dit wordt versterkt in het geval van calamiteiten. Door het gebrek aan alternatieve routes met voldoende capaciteit en een beperkt aantal beschikbare rivierkruisingen is het verkeerssysteem rond Arnhem extra gevoelig voor verkeersinfarcten.

De kwetsbaarheid van het wegennet in de regio Arnhem en Nijmegen zal naar verwachting nog verder toenemen als gevolg van de verwachte groei van de automobiliteit. De verkeersprognoses geven aan dat er naar 2030 verdere groei van het autoverkeer optreedt. Naast de al bestaande problemen op de A12 en de Pleijroute zal dit ook op de A50 leiden tot structurele overbelasting van wegvakken. De ingezette economische ontwikkeling zal de bestaande verkeersproblematiek snel verbreden en versterken.

Een aspect dat verder nog een rol speelt is, dat het centrale deel van de regio Arnhem en Nijmegen gelegen is tussen de rivieren de Waal, de Nederrijn en het Pannerdensch kanaal. In 1995 is dit gebied samen met andere grote delen van het rivierengebied geëvacueerd vanwege gevaarlijk hoge rivierwaterstanden. Evacuatie kan in de toekomst opnieuw nodig zijn. Een robuust wegennetwerk vanuit het oogpunt van een effectieve en snelle ontruiming bij hoogwater is dan ook van belang. In het huidige wegennetwerk zijn snelle evacuatieroutes niet voorhanden. Ook dit maakt het netwerk erg kwetsbaar.

Tot slot is van belang dat een goede regionale bereikbaarheid en de beschikbaarheid van voldoende bedrijventerreinen van de juiste kwaliteit essentieel is voor het stedelijke vestigingsklimaat en voor de kracht van steden. De bereikbaarheidsproblemen op de belangrijke hoofdtransport-assen als de A12 en A15 hebben niet alleen een ongunstig effect op de internationale aantrekkelijkheid van de regio Arnhem en Nijmegen maar ook, in bredere zin, op de internationale aantrekkelijkheid van de rest van Nederland, zoals de Randstad met de mainports Rotterdam en Schiphol.

Om genoemde knelpunten op te lossen heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in samenspraak met de regio besloten om de A15 vanaf de aansluiting met de provinciale weg N839 Bemmel-Huissen door te trekken tot de A12 tussen Duiven en Zevenaar. De doortrekking leidt tot een verbetering van de doorstroming van het verkeer tussen de Randstad en het oosten van Nederland en Duitsland in het algemeen, maar heeft de grootste positieve invloed op de bereikbaarheid in de regio Arnhem en Nijmegen. Het nieuwe weggedeelte zal de filedruk op het bestaande wegennet verminderen en zorgen voor kortere en snellere verbindingen tussen vele bestemmingen. Hierdoor neemt de betrouwbaarheid en robuustheid van het wegennet toe, hetgeen ook de verkeersveiligheid ter plaatse ten goede zal komen.

Om de werken en werkzaamheden tijdig te kunnen realiseren wenst de Staat de eigendom te verkrijgen, vrij van lasten en rechten, van de onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verzoek ingediend tot aanwijzing ter onteigening van deze onroerende zaken, om de tijdige verwezenlijking van het plan van het werk zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de aanbestedingsprocedure van het werk is gestart. De gunning zal naar verwachting in februari 2020 plaatsvinden. In 2020 start de realisatie van het project. Openstelling van de ontbrekende schakel in de A15 vindt uiterlijk in 2023 plaats. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen, zijn daarover zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. H.J. Sweers, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 267.3, verder te noemen: reclamant 1;

  • 2. T.J. van Ditshuizen, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 86.3, en M.J. van Ditshuizen-Derksen, verder te noemen: reclamanten 2;

  • 3. C.M.M. Koning, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 88.13, 88.14, 88.15 en voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 88.23 en M.W.F. van Ditshuizen, voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 88.23, en pachters van de onroerende zaken met de grondplannummers 182.3 en 182.6, verder te noemen: reclamanten 3;

  • 4. H.M.J. Gies, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 72.7wt en 72.8, verder te noemen: reclamant 4;

  • 5. Pluimveebedrijf Jansen Groessen B.V., eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 147.13 en T.A.M. Jansen en A.M.A.J. Hooijman, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 184.14 en 184.16, verder te noemen: reclamanten 5;

  • 6. R.G.H. Braam, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 87.8, en A.C.E, Braam-Jansen, verder te noemen: reclamanten 6;

  • 7. A.H.C.A. van der Meer en J.E.M.M. de Roeper, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 245.6, verder te noemen: reclamanten 7:

  • 8. J.O.L. van Boetzelaer en de erven van H.L.W.J. Six, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10, verder te noemen: reclamanten 8;

  • 9. Huissenswaard Onroerende Zaak B.V., eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 3.20, 3.21wt, 3.23wt, 3.27 en 3.28; B.V. Steenfabriek Huissenswaard, rechthebbende op de onroerende zaken met de grondplannummers 3.20, 3.21wt, 3.23wt, 3.27 en 3.28 en Beheermaatschappij H. Sluiter BV, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 7.31, 7.32wt, 7.33wt, 7.34, 7.35wt, 7.36wt, 7.37, 7.38wt, 7.39, 7.41wt, 7.42, 7.47wt, 7.46 en 7.48wt, verder te noemen: reclamanten 9;

  • 10. Macin Holding B.V., eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 199.5, verder te noemen: reclamante 10;

  • 11. J.H.G.M. Peters en K.W. Aaldering, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummers 58.8wt, verder te noemen: reclamanten 11;

  • 12. M.J.W. Damen, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 56.15wt, 56.17wt, 56.19wt, 56.29wt, 56.30, 56.23, 56.24wt, 56.25, 56.26wt, 56.27wt en 56.28, verder te noemen: reclamante 12;

  • 13. H.T.W. Uffing, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 93.11 en 93.15 en voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 93.8 en D.M.H. Berndsen, voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 93.8, verder te noemen: reclamanten 13;

  • 14. T.G.A.M. Holleman, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 243.14, 243.16 en 243.18, verder te noemen: reclamant 14;

  • 15. E.R.J. Otten, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 260.8, verder te noemen: reclamant 15;

  • 16. E.J.F. Alderkamp en A. Voogt, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 69.11, verder te noemen: reclamanten 16;

  • 17. R.J.M. Weenink en J.G.F. van Keulen, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 179.8 en 179.10, verder te noemen: reclamanten 17;

  • 18. M.J.G. Koster, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 252.11, 252.15 en 252.17, verder te noemen: reclamant 18;

  • 19. W.C.J. Bosman, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 47.9, verder te noemen: reclamante 19;

  • 20. H.T.J. Wolters, eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 139.12, verder te noemen: reclamant 20;

  • 21. T.J.W. van Haeren en I.T.M. Janssen, elk voor de helft eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 141.9 en 141.10, verder te noemen: reclamanten 21;

  • 22. Th.G.M. Bomers eigenaar van de onroerende zaak met grondplannummer 192.10, verder te noemen: reclamant 22.

Overeenkomstig artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 13 maart 2019 te Duiven gehouden hoorzitting.

Reclamanten 1 tot en met 6, 8, 9 en 11 tot en met 22 hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Wij hebben hetgeen reclamanten in hun zienswijzen naar voren brengen samengevat in de hierna volgende passages. Daarbij hebben wij tevens Onze overwegingen bij de zienswijzen weergegeven.

De zienswijze van reclamant 1

1.1

De verzoekbrief is ondertekend door een gemachtigde van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Reclamant betoogt, onder verwijzing naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016, dat er een mandaatbesluit of machtiging bij het verzoek had moeten worden gevoegd. Uit de ter inzage gelegde dossierstukken blijkt niet dat het verzoek hiervan is voorzien. Zonder mandaatbesluit of machtiging kan de Kroon niet beoordelen of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze onteigening heeft willen inleiden.

Ad 1.1

De ter inzage te leggen onteigeningsstukken voor onteigeningen op grond van de Titels II, IIa en IIc van de onteigeningswet worden opgesteld overeenkomstig de bepalingen in artikel 63, tweede lid van de onteigeningswet en de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van Rijkswaterstaat Corporate Dienst 16-01-2016 (hierna: de Handreiking). Het door reclamant bedoelde mandaatbesluit maakt hier geen deel van uit. Of de gemachtigde van de Minister bevoegd is om onteigeningsverzoek bij de Kroon in te dienen wordt door Ons wel bij de ambtshalve beoordeling van het onteigeningsverzoek betrokken. Op basis van deze ambtshalve beoordeling hebben Wij vastgesteld dat het onteigeningsverzoek bevoegd is ingediend.

1.2

Het verzoek om onteigening is prematuur. Reclamant heeft tegen het Tracébesluit ViA15-2017 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eén van de beroepsgronden ziet op het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De Afdeling heeft de behandeling van het beroep aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het PAS. Op 7 november 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen en de vragen van de Afdeling beantwoord. De argumenten van reclamant ten aanzien van het PAS hebben betrekking op de feitelijke uitvoerbaarheid van het werk. Reclamant voert aan dat de Kroon de uitvoerbaarheid van het werk behoort te onderzoeken alvorens tot onteigening kan worden overgegaan en te beoordelen of er voldoende zekerheid bestaat over de vraag of het werk ook feitelijk gerealiseerd kan worden en wel binnen de grenzen van het Tracébesluit. Reclamant betoogt dat hierover gerede twijfel bestaat, waardoor het werk feitelijk niet worden gerealiseerd. Reclamant is derhalve van oordeel dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op basis hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 1.2

Voor het starten van de administratieve onteigeningsprocedure op grond van artikel 72a van de onteigeningswet geldt niet de eis dat het tracébesluit onherroepelijk dient te zijn. Voor de start van de procedure geldt in het algemeen, dat een aanvang moet zijn genomen met de planologische inpassing van het werk waarvoor onteigening wordt verzocht. Hierbij geldt voor de procedure op grond van de Tracéwet, dat er ten minste sprake moet zijn van een in ontwerp ter inzage gelegd tracébesluit, waarbij belanghebbenden bovendien de mogelijkheid moeten hebben gehad tot het naar voren brengen van zienswijzen van planologische aard in de planologische procedure voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure. Daaraan is in dit geval voldaan. Ten tijde van de start van de onteigeningsprocedure was het Tracébesluit ViA15-2017 vastgesteld.

Het gestelde over het verloop, de duur en de mogelijke afloop van de procedure gericht op de totstandkoming van het Tracébesluit is planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Tracéwet aan de orde gesteld worden. Reclamant heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. De noodzaak van het onderhavige plan van het werk is in het kader van die procedures al bepaald en vastgesteld. Zoals Wij hiervoor onder Planologische grondslag al hebben opgemerkt, is het Tracébesluit vastgesteld, waarmee ook het publiek belang van de onteigening ter uitvoering van dat plan gegeven is. Het is aan de bestuursrechter om te bepalen of dit plan, in aanmerking nemend het daartegen door onder meer reclamant ingestelde beroep, onherroepelijk zal worden. In deze procedure dient het vastgestelde plan als gegeven te worden beschouwd.

Ten aanzien van de urgentie van het onderhavige verzoek overwegen Wij het volgende. Verzoeker heeft desgevraagd kenbaar gemaakt dat met het gewijzigde Tracébesluit ViA15-2019 de vergunningverlening op grond van de Wet natuurbescherming voor het aspect stikstofdepositie niet langer is gekoppeld aan het PAS, wat de weg vrijmaakt voor de Afdeling om een uitspraak te doen op de beroepen over het project ViA15. Met de in dit besluit opgenomen maatregelen op het gebied van stikstofdepositie, wordt aldus verzoeker voldaan aan de vereisten op dat gebied en is er geen aanleiding om te twijfelen aan de uitvoerbaarheid van het besluit. Verzoeker heeft kenbaar gemaakt dat overeenkomstig het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport 2019 het uitgangspunt blijft dat de realisatie van het project ViA15 start in 2020. Daarmee is de noodzaak en urgentie tot onteigening in beginsel gegeven.

Het betoog van reclamant dat door het vaststellen van het wijzigingsbesluit de rechtsbescherming onvoldoende gewaarborgd is kunnen Wij niet volgen. Het Tracébesluit ViA15- 2019 brengt geen wijziging in het grondbeslag. Reclamanten hebben beroep ingesteld tegen het Tracébesluit ViA15-2017. De ingediende beroepen hebben ingevolge artikel 6:19 van de Awb van rechtswege mede betrekking op het wijzigingsbesluit. Daarnaast kunnen belanghebbenden ook tegen het gewijzigde Tracébesluit ViA15-2019 beroep instellen. Hiermee is de rechtsbescherming naar Ons oordeel voldoende gewaarborgd

Het is overigens niet ongebruikelijk dat er in verband met de urgentie een wijzigingsbesluit genomen wordt. Met betrekking tot de aanleg van de Blankenburgverbinding heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een vergelijkbare procedure gevolgd. Ook daar heeft de Afdeling aanvankelijk de uitspraak op de beroepen tegen het Tracébesluit Blankenburgverbinding aangehouden. Na een wijziging van het Tracébesluit door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft de Afdeling alsnog uitspraak gedaan, zowel op de beroepen tegen het oorspronkelijke Tracébesluit als op de beroepen tegen het gewijzigde Tracébesluit. De Afdeling zag gelet op het wijzigingsbesluit geen aanleiding meer om de uitspraak op de beroepen aan te houden in vanwege de prejudiciële vragen.

Voor het overige merken Wij op dat de wetgever in de Tracéwet de mogelijkheid heeft opengesteld om in afwachting van een uitspraak van de Afdeling op beroepen tegen een Tracébesluit, door verzoeker kan worden overgegaan tot de start van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Artikel 21a van de Tracéwet bepaalt dat de in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het Tracébesluit is vastgesteld. Artikel 21b van de Tracéwet bepaalt dat, onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de onteigeningswet, het vonnis van onteigening van de rechtbank niet eerder in de openbare registers kan worden ingeschreven dan nadat het Tracébesluit onherroepelijk is geworden. Mocht de Afdeling lopende de administratieve dan wel gerechtelijke procedure het Tracébesluit vernietigen, dan zijn de belangen van rechthebbenden door genoemd artikel 21b voldoende gewaarborgd.

1.3

Onder verwijzing naar de zakelijke beschrijving wijst reclamant op de compenserende maatregel die ziet op de compensatie van bomen en beplanting binnen het Maatregelenvlak landschappelijke inpassing. Wanneer dit niet volledig binnen het maatregelvlak mogelijk is, zal er compensatie gerealiseerd worden in de aangewezen zoekgebieden daarbuiten. Deze zoekgebieden staan niet aangegeven op de situatietekeningen. Ook uit de zakelijke beschrijving kan niet worden afgeleid waar deze zoekgebieden liggen. Wel is duidelijk dat de zoekgebieden niet binnen de grenzen van het Tracébesluit liggen en daarom geen onderdeel van deze onteigening zijn. Hierdoor is de noodzakelijke compensatie van 28,3 ha aan bomen en beplanting niet verzekerd en kan het werk niet worden gerealiseerd. Reclamant betoogt dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op grond hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Reclamant merkt aanvullend nog op dat de zakelijke beschrijving van het kroonbesluit niet overeenkomt met het gewijzigde Tracébesluit. In paragraaf 2.3 van de zakelijke beschrijving staat dat het fysieke ruimtebeslag vastligt conform het Tracébesluit. Dit is niet juist omdat het ruimtebeslag wel wijzigt. Het werk kan in de ogen van reclamant feitelijk niet gerealiseerd worden binnen de grenzen van het Tracébesluit. Volgens artikel 4.2 van het gewijzigde Tracébesluit ViA15-2019 komt de benodigde watergang ten zuiden van de A15 tussen km 162.7 en 163.8 buiten het Tracébesluit te liggen.

Ad 1.3

Wij kunnen reclamant niet volgen in zijn betoog dat de herplant/compensatie van 28,3 hectare niet verzekerd is en dat dit welllicht de uitvoerbaarheid van het project in de weg staat.

Verzoeker heeft desgevraagd met betrekking tot de uitvoerbaarheid kenbaar gemaakt dat het voor de uitvoering van het Tracébesluit nodig is dat voldoende zekerheid kan worden gegeven aan de compensatieverplichting zoals die in dat besluit voor de doortrekking van de A15 is vastgelegd in artikel 11. De wijze waarop hieraan invulling wordt gegeven is opgenomen in de Toelichting bij het Tracébesluit. De locaties waar dit mogelijk is, zijn weergegeven in het bij het Tracébesluit behorende Landschapsplan. Ook zijn twee zoekgebieden aangewezen in de binnendijkse Oude Rijnstrangen en Groenlanden. In deze zoekgebieden wordt beoogd om zachthoutooibos tot ontwikkeling te brengen ter versterking van de Natura 2000 opgave. Hierover zal, aldus de toelichting, afstemming plaatsvinden met de provincie om hiervoor aan te sluiten bij de voornemens in het kader van het concept ontwerpbeheerplan Rijntakken. De beschikbare ruimte voor herplant binnen de grenzen van het Tracébesluit geven samen met de zoekgebieden ruimschoots voldoende mogelijkheden om de compensatietaakstelling te verwezenlijken. De compensatie vindt binnen 10 jaar plaats. Dit komt Ons niet onaannemelijk voor.

Ten aanzien van de opmerking dat de zakelijke beschrijving niet overeenkomt met het gewijzigde Tracébesluit en dat het werk door het gewijzigde Tracébesluit niet binnen de grenzen van het Tracébesluit gerealiseerd kan worden overwegen Wij het volgende. Uit de overgelegde stukken en door verzoeker verstrekte informatie is Ons het volgende gebleken. In de Zakelijke Beschrijving staat onder 11.1 vermeld: “Voor eventuele aanpassingen die tot de behandeling van de beroepen door de Raad van State mogelijkerwijs doorgevoerd zouden kunnen worden, wordt als uitgangspunt gehanteerd dat het ruimtebeslag van de in de onteigening betrokken onroerende zaken geen wijziging zal ondergaan; het genoemde Tracébesluit blijft de basis voor de onteigening”. Hieruit volgt dat het ruimtebeslag van de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken vastligt. Daarnaast wijzigen de grenzen van het Tracébesluit ViA15-2019 niet ten opzichte van de grenzen van het Tracébesluit ViA15-2017.

Dat de watergang door de aanpassing buiten de huidige tracégrens wordt gerealiseerd, maakt niet dat dit werk niet gerealiseerd kan worden. In de toelichting van het gewijzigde tracébesluit is in paragraaf 5.3 opgenomen dat afspraken hierover met het Waterschap Rivierenland (waterbeheerder) en Park Lingezegen (grondbeheerder) in een Bestuursovereenkomst bevestigd worden. In de bestuursovereenkomst “Watergang en natuurcompensatie Lingezegen” van 13 december 2018 zijn over de realisatie van de watergang buiten de grenzen van het Tracébesluit afspraken gemaakt waarmee de realisering is verzekerd.

1.4

Reclamant voert aan dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt, omdat er in de aanbieding van verzoeker geen rekening is gehouden met de ontsluiting van het resterende perceel van reclamant. Reclamant kan thans vanuit beide rijrichtingen gebruik maken van de ontsluiting. In het Tracébesluit is de ontsluiting vanuit één rijrichting komen te vervallen. In het aanbod is geen rekening gehouden met de nadelige gevolgen hiervan. Verzoeker heeft weliswaar kenbaar gemaakt dat de oplossing hiervoor geboden wordt in de vorm van een parallelweg, maar deze parallelweg is niet opgenomen in het Tracébesluit noch in een bestemmings- of inpassingsplanprocedure. Eerst onlangs is reclamant door een verwerver van de provincie Gelderland over de ontsluiting benaderd. Zolang er geen zekerheid over de ontsluiting bestaat dient reclamant verzekerd te zijn van de vergoeding van de daardoor optredende schade. Nu verzoeker daarmee in zijn bod geen rekening heeft gehouden, dient dit aanbod als onvolledig te worden beschouwd. Daarmee concludeert reclamant dat verzoeker onvoldoende getracht heeft de gronden op minnelijke wijze in eigendom te verkrijgen. Op grond hiervan dient het verzoek tot aanwijzing ter onteigening te worden afgewezen.

Reclamant merkt aanvullend nog op, dat het door verzoeker bij het verzoek om onteigening overgelegde logboek ten onrechte geen melding maakt van het feit dat de problematiek van de ontsluiting in diverse gesprekken aan de orde is gekomen en dat de verwerver namens verzoeker telkens heeft bericht dat de provincie Gelderland met reclamant contact zou opnemen over de aankoop van extra grond voor de realisering van een nieuwe ontsluiting. Volgens het logboek zou reclamant vanwege een lage bieding niet in onderhandeling willen treden. Dit is niet juist. Reclamant heeft telkens bericht eerst duidelijkheid te willen hebben over de ontsluiting van zijn perceel, alvorens hij verder in onderhandeling zal treden. Het logboek geeft daarmee een eenzijdig en onjuist beeld.

Ad 1.4

Ten aanzien van de ontsluiting overwegen Wij het volgende. De onroerende zaak van reclamant ligt aan de N810/Arnhemseweg, die de verbinding vormt tussen Zevenaar en Duiven. Het Tracébesluit ViA15-2017 voorziet in een gedeeltelijke reconstructie van de N810/Arnhemseweg. De A15 zal deze weg doorsnijden. Ter plaatse zal ook een aansluiting worden gerealiseerd tussen de A15 en de N810/Arnhemseweg (aansluiting 40 Duiven/Zevenaar). De reconstructie van de N810/Arnhemseweg houdt in dat de weg ter plaatse van de onroerende zaak van reclamant uit twee rijbanen met elk twee rijstroken gaat bestaan. De rijbanen zullen door een middenberm van elkaar worden gescheiden. Als gevolg daarvan kan reclamant zijn onroerende zaak alleen direct vanuit de richting van Zevenaar bereiken. Vanuit de richting Duiven dient reclamant richting Zevenaar te rijden en daar om te draaien. Vervolgens kan hij dan via de N810/Arnhemseweg richting Duiven zijn onroerende zaak weer bereiken.

Tijdens de hoorzitting heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat dat de onroerende zaak van reclamant op grond van het Tracébesluit hoe dan ook bereikbaar blijft. De provincie Gelderland hoeft voor de ontsluiting van de onroerende zaak van reclamant in beginsel niets te regelen. De provincie Gelderland geeft er echter met het oog op de verkeersveiligheid de voorkeur aan om de onroerende zaak van reclamant en enkele andere onroerende zaken niet direct op de N810/Arnhemseweg te ontsluiten, maar op een langs de N810/Arnhemseweg aan te leggen parallelweg. Dit staat los van onderhavige onteigeningsprocedure en los van het Tracébesluit.

Het al dan niet opnemen van het vanuit één richting vervallen van de ontsluiting in het aanbod, heeft betrekking op de hoogte en de samenstelling van de aangeboden schadeloosstelling en is daarmee financieel van aard en heeft voor het overige betrekking op het minnelijk overleg.

Wij merken hierover op dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. Artikel 41 van de onteigeningswet ziet daarnaast op de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende. De samenstelling en de hoogte van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen. Ook dit aspect komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Wel kan de geboden schadeloosstelling als onderdeel van de toetsing van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg bezien worden.

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterst middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op de voet van de titels II en IIa van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoek om onteigening met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoek aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoek al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

Wij overwegen verder dat in een proces gericht op de minnelijke verwerving van gronden vooreerst van een onteigenende partij mag worden verwacht dat deze een aanbod tot schadeloosstelling doet dat is gericht op deze verwerving. Van de te onteigenen partij mag echter ook worden verwacht dat deze daartegenover zijn eis wat betreft de hoogte van de schadeloosstelling kenbaar maakt. Op basis van wederzijdse taxaties, die in het verdere overleg kunnen worden ingebracht en uitgewisseld, kan vervolgens verder worden onderhandeld, in welk kader beide partijen eventueel tot wijziging van hun standpunten met betrekking tot de schadeloosstelling kunnen komen.

Uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie is Ons gebleken dat verzoeker er niet in is geslaagd om voorafgaand aan de indiening van het verzoek om onteigening met reclamant of zijn adviseur inhoudelijk overleg te voeren over de hoogte van de schadeloosstelling. Verzoeker heeft reclamant voorafgaand aan de indiening van het onderhavige verzoek om onteigening op 14 september 2018, bij brieven van 27 september 2017 en 22 mei 2018 biedingen gedaan gericht op de aankoop van het benodigde gedeelte van de onroerende zaak. Deze biedingen zijn gesplitst en, na voorafgaande taxatie, op onteigeningsbasis gedaan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de adviseur van reclamant de biedingen van verzoeker tijdens een overleg op 5 februari 2018 en telefonisch op 2 mei 2018 en 29 augustus 2018 heeft afgewezen. Daarnaast heeft de adviseur voor de indiening van het verzoek om onteigening geen tegenvoorstel gedaan of verzoeker gewezen op het ontbreken van een schadepost met betrekking tot de vermeende omrijschade, zodat dit verzoeker niet tegengeworpen kan worden.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende pogingen heeft ondernomen om met reclamant tot overeenstemming te komen. Ten tijde van het onteigeningsverzoek was het naar Ons oordeel aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden.

In dat licht mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Na de indiening van het verzoek heeft op 22 november 2018 nogmaals overleg plaatsgevonden tussen de namens verzoeker optredende deskundige en de adviseur van reclamant. De adviseur vraagt zich af of de ontsluiting goed is geregeld, wat volgens verzoeker het geval is. In het volgende overleg op 14 februari 2019 blijkt dat er sprake is van een misverstand omdat de adviseur van reclamant vermoedde dat er geen ontsluiting was en de provincie Gelderland daarin zou voorzien. Omdat bleek dat er wel in een ontsluiting is voorzien maar dat reclamant deze niet meer vanuit twee richtingen kan bereiken, heeft de adviseur van reclamant de hierdoor mogelijk door reclamant te lijden schade aan de orde gesteld. In een e-mailbericht van 26 februari 2019 heeft de namens verzoeker optredende verwerver de adviseur van reclamant er op gewezen dat de mogelijke omrijschade geen onteigeningsgevolg is. Reclamant kan de schade die hij meent te lijden, claimen door een verzoek om nadeelcompensatie in te dienen. Partijen hebben nog geen overeenstemming kunnen bereiken.

Het overleg met reclamant zal worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.

De vraag of de omrijschade al dan niet in de berekening van de schadeloosstelling moet worden betrokken staat Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komt bij het uitblijven van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure.

Ten aanzien van de opmerking van reclamant over het logboek overwegen Wij dat Wij dit noch uit de overgelegde stukken en hetgeen in de hoorzitting naar voren is gebracht hebben kunnen staven, zodat Wij hieraan voorbij gaan.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 2

2.1

De verzoekbrief is ondertekend door een gemachtigde van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Reclamant betoogt, onder verwijzing naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016, dat er een mandaatbesluit of machtiging bij het verzoek had moeten worden gevoegd. Uit de ter inzage gelegde dossierstukken blijkt niet dat het verzoek hiervan is voorzien. Zonder mandaatbesluit of machtiging kan de Kroon niet beoordelen of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze onteigening heeft willen inleiden.

Ad 2.1

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1. Wij wijzen dan ook op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1.

2.2

Het verzoek om onteigening is prematuur. Reclamanten hebben tegen het Tracébesluit ViA15-2017 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eén van de beroepsgronden ziet op het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De Afdeling heeft de behandeling van het beroep aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het PAS. Op 7 november 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen en de vragen van de Afdeling beantwoord. De argumenten van reclamant ten aanzien van het PAS hebben betrekking op de feitelijke uitvoerbaarheid van het werk. Reclamanten voeren aan dat de Kroon de uitvoerbaarheid van het werk behoort te onderzoeken alvorens tot onteigening kan worden overgegaan en te beoordelen of er voldoende zekerheid bestaat over de vraag of het werk ook feitelijk gerealiseerd kan worden en wel binnen de grenzen van het Tracébesluit. Reclamanten betogen dat hierover gerede twijfel bestaat, waardoor het werk feitelijk niet worden gerealiseerd. Reclamanten zijn derhalve van oordeel dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op basis hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 2.2

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

2.3

Onder verwijzing naar de zakelijke beschrijving wijzen reclamanten op de compenserende maatregel die ziet op de compensatie van bomen en beplanting binnen het Maatregelenvlak landschappelijke inpassing. Wanneer dit niet volledig binnen het maatregelvlak mogelijk is, zal er compensatie gerealiseerd worden in de aangewezen zoekgebieden daarbuiten. Deze zoekgebieden staan niet aangegeven op de situatietekeningen. Ook uit de zakelijke beschrijving kan niet worden afgeleid waar deze zoekgebieden liggen. Wel is duidelijk dat de zoekgebieden niet binnen de grenzen van het Tracébesluit liggen en daarom geen onderdeel van deze onteigening zijn. Hierdoor is de noodzakelijke compensatie van 28,3 ha aan bomen en beplanting niet verzekerd en kan het werk niet worden gerealiseerd. Reclamanten betogen dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op grond hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 2.3

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 3

3.1

De verzoekbrief is ondertekend door een gemachtigde van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Reclamanten betogen, onder verwijzing naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016, dat er een mandaatbesluit of machtiging bij het verzoek had moeten worden gevoegd. Uit de ter inzage gelegde dossierstukken blijkt niet dat het verzoek hiervan is voorzien. Zonder mandaatbesluit of machtiging kan de Kroon niet beoordelen of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze onteigening heeft willen inleiden.

Ad 3.1

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1. Wij wijzen dan ook op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1.

3.2

Het verzoek om onteigening is prematuur. Reclamanten hebben tegen het Tracébesluit ViA15-2017 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eén van de beroepsgronden ziet op het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De Afdeling heeft de behandeling van het beroep aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het PAS. Op 7 november 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen en de vragen van de Afdeling beantwoord. De argumenten van reclamant ten aanzien van het PAS hebben betrekking op de feitelijke uitvoerbaarheid van het werk. Reclamanten voeren aan dat de Kroon de uitvoerbaarheid van het werk behoort te onderzoeken alvorens tot onteigening kan worden overgegaan en te beoordelen of er voldoende zekerheid bestaat over de vraag of het werk ook feitelijk gerealiseerd kan worden en wel binnen de grenzen van het Tracébesluit. Reclamanten betogen dat hierover gerede twijfel bestaat, waardoor het werk feitelijk niet worden gerealiseerd. Reclamanten zijn derhalve van oordeel dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op basis hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 3.2

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

3.3

Onder verwijzing naar de zakelijke beschrijving wijzen reclamanten op de compenserende maatregel die ziet op de compensatie van bomen en beplanting binnen het Maatregelenvlak landschappelijke inpassing. Wanneer dit niet volledig binnen het maatregelvlak mogelijk is, zal er compensatie gerealiseerd worden in de aangewezen zoekgebieden daarbuiten. Deze zoekgebieden staan niet aangegeven op de situatietekeningen. Ook uit de zakelijke beschrijving kan niet worden afgeleid waar deze zoekgebieden liggen. Wel is duidelijk dat de zoekgebieden niet binnen de grenzen van het Tracébesluit liggen en daarom geen onderdeel van deze onteigening zijn. Hierdoor is de noodzakelijke compensatie van 28,3 ha aan bomen en beplanting niet verzekerd en kan het werk niet worden gerealiseerd. Reclamanten betogen dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op grond hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 3.3

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 3 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamant 4

4.1

De verzoekbrief is ondertekend door een gemachtigde van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Reclamant betoogt, onder verwijzing naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016 (hierna: de handreiking), dat er een mandaatbesluit of machtiging bij het verzoek had moeten worden gevoegd. Uit de ter inzage gelegde dossierstukken blijkt niet dat het verzoek hiervan is voorzien. Zonder mandaatbesluit of machtiging kan de Kroon niet beoordelen of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze onteigening heeft willen inleiden.

Ad 4.1

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1. Wij wijzen dan ook op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1.

4.2

Het verzoek om onteigening is prematuur. Reclamant heeft tegen het Tracébesluit ViA15-2017 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eén van de beroepsgronden ziet op het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De Afdeling heeft de behandeling van het beroep aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het PAS. Op 7 november 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen en de vragen van de Afdeling beantwoord. De argumenten van reclamant ten aanzien van het PAS hebben betrekking op de feitelijke uitvoerbaarheid van het werk. Reclamant voert aan dat de Kroon de uitvoerbaarheid van het werk behoort te onderzoeken alvorens tot onteigening kan worden overgegaan en te beoordelen of er voldoende zekerheid bestaat over de vraag of het werk ook feitelijk gerealiseerd kan worden en wel binnen de grenzen van het Tracébesluit. Reclamant betoogt dat hierover gerede twijfel bestaat, waardoor het werk feitelijk niet worden gerealiseerd. Reclamant is derhalve van oordeel dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op basis hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 4.2

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

4.3

Onder verwijzing naar de zakelijke beschrijving wijst reclamant op de compenserende maatregel die ziet op de compensatie van bomen en beplanting binnen het Maatregelenvlak landschappelijke inpassing. Wanneer dit niet volledig binnen het maatregelvlak mogelijk is, zal er compensatie gerealiseerd worden in de aangewezen zoekgebieden daarbuiten. Deze zoekgebieden staan niet aangegeven op de situatietekeningen. Ook uit de zakelijke beschrijving kan niet worden afgeleid waar deze zoekgebieden liggen. Wel is duidelijk dat de zoekgebieden niet binnen de grenzen van het Tracébesluit liggen en daarom geen onderdeel van deze onteigening zijn. Hierdoor is de noodzakelijke compensatie van 28,3 ha aan bomen en beplanting niet verzekerd en kan het werk niet worden gerealiseerd. Reclamant betoogt dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op grond hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 4.3

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 4 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 5

5.1

De verzoekbrief is ondertekend door een gemachtigde van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Reclamanten betogen, onder verwijzing naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016 (hierna: de handreiking), dat er een mandaatbesluit of machtiging bij het verzoek had moeten worden gevoegd. Uit de ter inzage gelegde dossierstukken blijkt niet dat het verzoek hiervan is voorzien. Zonder mandaatbesluit of machtiging kan de Kroon niet beoordelen of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze onteigening heeft willen inleiden.

Ad 5.1

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1. Wij wijzen dan ook op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1.

5.2

Het verzoek om onteigening is prematuur. Reclamanten hebben tegen het Tracébesluit ViA15-2017 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eén van de beroepsgronden ziet op het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De Afdeling heeft de behandeling van het beroep aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het PAS. Op 7 november 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie arrest gewezen en de vragen van de Afdeling beantwoord. De argumenten van reclamant ten aanzien van het PAS hebben betrekking op de feitelijke uitvoerbaarheid van het werk. Reclamanten voeren aan dat de Kroon de uitvoerbaarheid van het werk behoort te onderzoeken alvorens tot onteigening kan worden overgegaan en te beoordelen of er voldoende zekerheid bestaat over de vraag of het werk ook feitelijk gerealiseerd kan worden en wel binnen de grenzen van het Tracébesluit. Reclamanten betogen dat hierover gerede twijfel bestaat, waardoor het werk feitelijk niet worden gerealiseerd. Reclamanten zijn derhalve van oordeel dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op basis hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 5.2

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

5.3

Onder verwijzing naar de zakelijke beschrijving wijzen reclamanten op de compenserende maatregel die ziet op de compensatie van bomen en beplanting binnen het Maatregelenvlak landschappelijke inpassing. Wanneer dit niet volledig binnen het maatregelvlak mogelijk is, zal er compensatie gerealiseerd worden in de aangewezen zoekgebieden daarbuiten. Deze zoekgebieden staan niet aangegeven op de situatietekeningen. Ook uit de zakelijke beschrijving kan niet worden afgeleid waar deze zoekgebieden liggen. Wel is duidelijk dat de zoekgebieden niet binnen de grenzen van het Tracébesluit liggen en daarom geen onderdeel van deze onteigening zijn. Hierdoor is de noodzakelijke compensatie van 28,3 ha aan bomen en beplanting niet verzekerd en kan het werk niet worden gerealiseerd. Reclamanten betogen dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op grond hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 5.3

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 5 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 6

6.1

De verzoekbrief is ondertekend door een gemachtigde van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat. Reclamanten betogen, onder verwijzing naar de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure van 16 januari 2016 (hierna: de handreiking), dat er een mandaatbesluit of machtiging bij het verzoek had moeten worden gevoegd. Uit de ter inzage gelegde dossierstukken blijkt niet dat het verzoek hiervan is voorzien. Zonder mandaatbesluit of machtiging kan de Kroon niet beoordelen of de Minister van Infrastructuur en Waterstaat deze onteigening heeft willen inleiden.

Ad 6.1

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1. Wij wijzen dan ook op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1.

6.2

Het verzoek om onteigening is prematuur. Reclamanten hebben tegen het Tracébesluit ViA15-2017 beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Eén van de beroepsgronden ziet op het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). De Afdeling heeft de behandeling van het beroep aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over het PAS. Op 7 november 2018 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie gewezen en de vragen van de Afdeling beantwoord. De argumenten van reclamant ten aanzien van het PAS hebben betrekking op de feitelijke uitvoerbaarheid van het werk. Reclamanten voeren aan dat de Kroon de uitvoerbaarheid van het werk behoort te onderzoeken alvorens tot onteigening kan worden overgegaan en te beoordelen of er voldoende zekerheid bestaat over de vraag of het werk ook feitelijk gerealiseerd kan worden en wel binnen de grenzen van het Tracébesluit. Reclamanten betogen dat hierover gerede twijfel bestaat, waardoor het werk feitelijk niet worden gerealiseerd. Reclamanten zijn derhalve van oordeel dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op basis hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 6.2

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

6.3

Onder verwijzing naar de zakelijke beschrijving wijzen reclamanten op de compenserende maatregel die ziet op de compensatie van bomen en beplanting binnen het Maatregelenvlak landschappelijke inpassing. Wanneer dit niet volledig binnen het maatregelvlak mogelijk is, zal er compensatie gerealiseerd worden in de aangewezen zoekgebieden daarbuiten. Deze zoekgebieden staan niet aangegeven op de situatietekeningen. Ook uit de zakelijke beschrijving kan niet worden afgeleid waar deze zoekgebieden liggen. Wel is duidelijk dat de zoekgebieden niet binnen de grenzen van het Tracébesluit liggen en daarom geen onderdeel van deze onteigening zijn. Hierdoor is de noodzakelijke compensatie van 28,3 ha aan bomen en beplanting niet verzekerd en kan het werk niet worden gerealiseerd. Reclamanten betogen dat het verzoek tot aanwijzing ter onteigening op grond hiervan prematuur is en dient te worden afgewezen.

Ad 6.3

Deze zienswijze is gelijkluidend aan de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.3.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 6 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 7

7.1

Reclamanten betogen dat de aanduiding Wonen Terrein (akkerbouw) op de lijst van de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken niet juist is. In het vigerende bestemmingsplan heeft de hele kavel de bestemming wonen met als bijzonderheid dat de woning wordt aangemerkt als karakteristiek in overeenstemming met de provinciale aanduidingen daarvoor. Het in de onteigening betrokken gedeelte van het perceel maakt deel uit van de voortuin en is dus geen akker.

Ad 7.1

Met betrekking tot het gestelde over de omschrijving van de onroerende zaak in de bij ontwerpbesluit gevoegde lijst van te onteigenen onroerende zaken merken Wij op, dat deze lijst is opgesteld overeenkomstig de gegevens uit de kadastrale registratie. De gegevens uit deze registratie zijn leidend.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 7 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 8.

8.1

Reclamanten betogen dat er gerede twijfel is over de uitkomst van de procedure van het aan de onteigening ten grondslag liggende Tracébesluit. Gelet op de uitspraak die het Hof van Justitie van de Europese Unie op verzoek van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gedaan, is het de vraag of het huidig voorliggende Tracébesluit in beroep stand zal houden. Door deze onzekerheid en het feit dat door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geen uitsluitsel gegeven kan worden over de procedurele voortgang, leiden ertoe dat de noodzaak en urgentie voor de onteigening vooralsnog ontbreken.

Ad 8.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

Uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat reclamanten een deel van de ter onteigening aan te wijzen zaak in pacht hebben uitgegeven. Reclamanten hebben met verzoeker in het kader van het minnelijk overleg de afspraak gemaakt dat verzoeker de onroerende zaak in verpachte staat zal aankopen. In dat geval moet de verzoeker ook de pachter, gelet op diens belang, tijdig een aanbod doen. Reclamanten hebben in 2016 de pachtovereenkomst aan verzoeker verstrekt met de naam van de pachter. Reclamanten hebben daarbij aangegeven dat een indeplaatsstelling heeft plaatsgevonden ten gunste van de zoon van de pachter. Ons is echter gebleken dat verzoeker weliswaar een aanbod heeft uitgebracht voor de ontbinding van de pacht maar dit aanbod niet aan de juiste pachter heeft uitgebracht. In aanmerking nemend dat verzoeker op de hoogte was van de wijziging in de pachtconstructie staat naar Ons oordeel voor de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 de noodzaak tot aanwijzing ter onteigening van een oppervlakte van 00.46.70 ha waarop het onderhavige onteigeningsverzoek betrekking heeft, slechts vast voor het deel dat niet in pacht is uitgegeven. Wij hebben de ter onteigening aan te wijzen oppervlakte van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 teruggebracht naar 18.11 ha.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 8 op zich Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening van de onroerende zaak van reclamanten af te wijzen, echter het ingestelde onderzoek geeft Ons wel aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening ten aanzien van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 9

9.1

Reclamanten betogen dat het, gelet op de uitspraak die Hof van Justitie van de Europese Unie op verzoek van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de toepasbaarheid van de PAS heeft gedaan, het de vraag is of het huidig voorliggende Tracébesluit stand zal houden. Reclamanten betogen dat het Tracébesluit zal worden vernietigd of dat de Minister nieuwe aanvullende onderzoeken zal moeten doen. Dit zal jaren in beslag nemen en daarmee ontbreekt de urgentie voor de onteigening.

Ad 9.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

9.2

Reclamanten betogen dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt, omdat niet vaststaat dat er voldoende is onderhandeld over de minnelijke verwerving van de aan te wijzen gronden. Reclamanten hebben de contacten als chaotisch ervaren en in de loop van de tijd hebben reclamanten verschillende concept contracten ontvangen die niet op elkaar aansloten en waarvan de samenhang niet duidelijk was. Hoewel er thans sprake is van een meer structurele aanpak en reclamanten en verzoeker daarover serieus in gesprek zijn en op hoofdlijnen mondeling overeenstemming hebben bereikt, is er eerst tien maanden voor de terinzagelegging van de onteigeningsstukken een bod door verzoeker gedaan. Er is slechts één aanbieding uitgebracht op de in de onteigening betrokken gronden. Deze aanbieding dateert van maart 2018. In de daarop volgende onderhandelingen is gebleken dat deze aanbieding niet op deze manier uitgebracht had moeten worden en partijen zijn daarover in overleg. Gelet hierop is verzoeker te laat gestart met constructief overleg en heeft verzoeker zelf de noodzaak tot onteigening gecreëerd door pas in een zeer laat stadium serieus te gaan onderhandelen. Het staat bepaald niet vast dat het minnelijk overleg voorlopig niet in de gewenste vorm tot overeenstemming zal leiden.

In de hoorzitting heeft de vertegenwoordiger van reclamanten nog opgemerkt dat er nu, een jaar later, op hoofdlijnen overeenstemming is bereikt tussen partijen. Op zich is dat goed nieuws, maar dit betekent eens te meer dat er dus geen aanleiding was om al tot terinzagelegging van het ontwerp koninklijk besluit over te gaan. Er was totaal geen grond voor de veronderstelling dat partijen het niet eens zouden worden.

Ad 9.2

Dit onderdeel van de zienswijze heeft betrekking op het gevoerde overleg. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.4.

Anders dan reclamanten stellen zien Wij gelet op de overgelegde stukken en de verstrekte informatie, geen reden om te oordelen dat de verzoeker geen serieuze onderhandelingen met hen heeft gevoerd.

Meer in het bijzonder overwegen Wij dat Ons is gebleken dat verzoeker al gedurende een groot aantal jaren met reclamanten in contact en overleg is over onder andere de aankoop van de benodigde gronden. Op 18 april 2012 is er een kennismakingsgesprek tussen vertegenwoordigers van verzoeker en reclamanten. In 2012 hebben partijen nog drie keer contact en overleg, het laatst op 3 december 2012, waarbij ook een concept van een ontwerptekening van de op het terrein van reclamanten aan te leggen brug op tafel komt en partijen het terrein van reclamanten bekijken.

Verzoeker zet de gesprekken in 2013, 2014 en 2015 op diverse momenten voort. Daaruit blijkt dat een kleidepot wordt geraakt en (een gedeelte van) het terrein van reclamanten opnieuw ingericht moet worden. Er is sprake van een complexe materie waarbij raakvlakken zijn met het bestemmingsplan Huissensche Waard en diverse partijen betrokken zijn. Voor de verplaatsing van het kleidepot en de herinrichting van het terrein wordt in 2014 gekeken naar de haalbaarheid van een wijziging van het bestemmingsplan en wordt in 2015 opdracht gegeven tot het opstellen van een ontwerpbestemmingsplan. De verdere contacten en overleggen leiden in mei en juni 2016 tot de ondertekening van een intentie-overeenkomst door partijen, waarin zaken worden vastgelegd met betrekking tot de gewenste reconstructie en herinrichting van het terrein van de steenfabriek Huissenswaard in verband met de aanleg van een brug voor de doortrekking van de A15.

Nadien wordt het overleg voortgezet en wordt verder gewerkt aan het ontwerpbestemmingsplan. Op 4 januari 2017 vindt een taxatie van de gronden van reclamanten plaats. Op 12 april 2017, 18 mei 2017, 3 augustus 2017 en 21 december 2017 voeren partijen overleg. De verwerver van verzoeker voert op 12 maart 2018 overleg met de adviseur van reclamanten waarbij het aanbod namens verzoeker wordt besproken. Verzoeker doet reclamanten uiteindelijk in maart 2018 verschillende biedingen. Reclamante Huissenswaard Onroerende Zaak B.V. ontvangt bij brief van 21 maart 2018 een aanbod gericht op aankoop van de gedeelten die permanent nodig zijn voor de realisering van het werk en op de huur dan wel aankoop van de gedeelten die daar tijdelijk voor nodig zijn. Bij brief van 26 maart 2018 deelt verzoeker aan reclamante Steenfabriek Huissenswaard B.V. mee hoe hij zal omgaan met de rechten van opstal indien het tot gerechtelijke onteigening van de onroerende zaken komt. Tot slot ontvangt reclamante Beheermaatschappij H. Sluiter B.V. bij brief van 19 maart 2018 een aanbod gericht op aankoop van de gedeelten die van haar permanent nodig zijn voor de realisering van het werk en op de huur dan wel aankoop van de gedeelten die daar tijdelijk voor nodig zijn.

Verzoeker heeft het contact en overleg met reclamanten nadien voortgezet. Bij brief van 7 mei 2018 reageren reclamanten op een aantal aspecten van het onderhandelingsproces, waarbij zij hun ongenoegen uiten over de wijze waarop dit verloopt. Verzoeker reageert hierop bij brief van 15 juni 2018 en maakt kenbaar dat voor het geval geen minnelijke overeenstemming kan worden bereikt, de juiste stappen met het oog op een onteigeningsprocedure moeten worden gezet. Nadien wordt op 28 juli 2018 en 23 augustus 2018 overleg gevoerd over de inhoud van een Spoorwegwet vergunning die nodig is. Op 24 juli 2018 en 28 augustus 2018 spreken partijen over de hoogte van de vergoeding en op 5 september en 18 september over de invulling van de uitvoeringsovereenkomst. Gebruikelijk daarbij is dat tijdens die gesprekken argumenten worden uitgewisseld over (de mogelijke aanpassingen van) de hoogte van de aanbieding tot schadeloosstelling met als doel om tot overeenstemming te komen. Partijen hebben echter ten tijde van het verzoek op 14 september 2018 nog geen overeenstemming kunnen bereiken.

Het bovenstaande in aanmerking nemend kan naar Ons oordeel worden gesteld dat verzoeker voldoende pogingen heeft ondernomen om de benodigde onroerende zaken minnelijk te verwerven. In ieder geval stond op het moment van de start van de procedure voldoende vast dat nog niet met reclamanten overeenstemming kon worden bereikt. Hierbij nemen Wij in aanmerking dat er sprake is van een complexe overlegsituatie waarin zaken als de herinrichting van het terrein van reclamanten en onder meer het verkrijgen van vergunningen een rol spelen. In dat licht mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Het overleg met reclamanten is na de start van de onteigeningsprocedure voortgezet. Dit overleg heeft alsnog tot overeenstemming tussen partijen geleid. Thans werkt verzoeker deze overeenstemming uit in een koopovereenkomst. Hierbij merken Wij op, dat blijkens de onteigeningspraktijk het bereiken van een grote mate van overeenstemming niet in alle gevallen automatisch tot spoedige ondertekening van een overeenkomst en probleemloze eigendomsoverdracht leidt. De urgentie van de uitvoering van het werk laat evenwel geen vertraging toe in de aanwijzing ter onteigening van de benodigde onroerende zaken. Dientengevolge blijft deze aanwijzing noodzakelijk.

9.3

In de aanbieding van verzoeker is duidelijk onderscheid gemaakt tussen permanent en tijdelijk benodigde gronden. Uit de onteigeningslijst blijkt dit onderscheid niet.

Ad 9.3

Reclamanten hebben dit zienswijzeonderdeel naar aanleiding van nadere uitleg tijdens de hoorzitting ingetrokken, zodat Wij hieraan voorbij gaan.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 9 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamante 10

10.1

Reclamante betoogt dat er 13% van haar perceel in de onteigening betrokken is. Het resterende deel van het perceel kan waarschijnlijk geen andere bestemming krijgen. Reclamante ondervindt hier grote financiële gevolgen van. Reclamante stelt voor dat verzoeker haar schadeloos stelt en ook het resterende deel van het perceel aankoopt.

Ad 10.1

In de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure op grond van de titels II en IIa van de onteigeningswet kunnen alleen die gronden ter onteigening worden aangewezen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het werk. Deze onteigeningstitel waarborgt daarmee de realisatie van het werk met een zo beperkt mogelijk grondbeslag. Onroerende zaken die slechts gedeeltelijk voor de realisatie van het werk nodig zijn, kunnen dan ook alleen voor dat gedeelte ter onteigening worden aangewezen. Ingevolge artikel 38 van de onteigeningswet hebben eigenaren in bepaalde omstandigheden de mogelijkheid om gehele overname te vorderen van onroerende zaken waarvan slechts een gedeelte wordt onteigend. Deze mogelijkheid komt echter pas in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Voordien kan aankoop van overige gedeelten dan wel gehele aankoop van de betrokken onroerende zaken in het minnelijk overleg tussen de verzoeker en belanghebbenden betrokken worden. De verzoeker kan echter niet verplicht worden om tot totale uitkoop over te gaan, buiten het hiervoor gestelde. Overigens is Ons uit de overlegde stukken gebleken dat verzoeker op 17 mei 2018 telefonisch en bij brief van 17 mei 2018 kenbaar heeft gemaakt dat deze gelet op artikel 38 van de onteigeningswet geen reden ziet om tot volledige aankoop over te gaan.

Voor zover reclamante meent schade te lijden door het niet volledig aankopen van haar onroerende zaak heeft dit betrekking op de hoogte van de schadeloosstelling. De hoogte staat Ons echter in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.4.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 10 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 11

Bij eerdergenoemde brief van 8 april 2019, heeft verzoeker Ons te kennen gegeven dat hij de onteigeningsprocedure voor de onroerende zaak die in eigendom is bij reclamanten 11 niet wil doorzetten. Omdat hiermee de noodzaak van onteigening van de onroerende zaak van reclamanten is komen te vervallen, zullen Wij deze niet ter onteigening aanwijzen. Om die reden overwegen Wij dat de zienswijze van reclamanten thans geen verdere bespreking behoeft.

De zienswijze van reclamante 12

12.1

Reclamante betoogt dat er vooralsnog allerminst sprake is van een deugdelijke planologische grondslag. Reclamante heeft beroep ingesteld tegen het Tracébesluit ViA15-2017 en ook de uitspraak die het Hof van Justitie van de Europese Unie op verzoek van de Raad van State heeft gedaan, zijn in het nadeel van de haalbaarheid van het Tracébesluit. De urgentie voor de onteigening ontbreekt hiermee.

Ad 12.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

12.2

Reclamante betoogt dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt. Reclamante vraagt zich af of de permanent van haar benodigde gronden wel echt nodig zijn voor de uitvoering van het werk en of onteigening niet kan worden voorkomen met een lichte ingreep in het plan. Ook heeft reclamante onvoldoende zicht op de noodzaak voor het onteigenen de gronden die nodig zijn als werkterrein. Het past niet als deze gronden alleen nodig zijn om de aannemer te faciliteren om zo een financieel voordeel te behalen.

Ad 12.2

Dit onderdeel ziet op de noodzaak tot de aanleg van het werk ter plaatse van de onroerende zaak van reclamant en de keuze uit mogelijke alternatieven. Daarmee is dit onderdeel planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Tracéwet aan de orde gesteld worden. Reclamante heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Verzoeker heeft tijdens de hoorzitting kenbaar gemaakt dat de onroerende zaken van reclamante niet kunnen worden gemist. Van reclamante zijn enkele gedeelten tijdelijk nodig als werkterrein. Ter plaatse van de onroerende zaken van reclamanten schuift de A12 iets in noordelijke richting op. Het werkterrein is nodig om de A12 aan te kunnen leggen. Naast de A12 liggen tevens een parallelweg en een watergang die eveneens in noordelijke richting verschuiven. Het werkterrein is ook nodig om de parallelweg en watergang aan te kunnen leggen.

12.3

Reclamante betoogt dat de onderhandelingen nog onvoldoende zijn afgerond. Reclamante heeft ook een volledige uitkoop-optie ter sprake gebracht en deze is door verzoeker als optie serieus genomen. Doordat met name deze optie nog niet in beeld is qua financiële afwikkeling, kan reclamante nog geen keuze maken tussen gedeeltelijke of volledige uitkoop.

Ad 12.3

Het betoog van reclamante ziet in hoofdzaak op het gevoerde overleg. Wij wijzen vooreerst op hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben opgemerkt bij reclamant 1 onder 1.4.

Anders dan reclamante stelt, zien Wij gelet op de overgelegde stukken en de verstrekte informatie, geen reden om te oordelen dat de verzoeker geen serieuze onderhandelingen met haar heeft gevoerd. Verzoeker heeft enerzijds getracht om de onroerende zaken die nodig zijn voor de aankoop van het tracé minnelijk te verwerven of te huren. Anderzijds heeft verzoeker zich in het kader van het minnelijk overleg met reclamante ingespannen om tegemoet te komen aan haar wens tot aankoop van de niet voor het tracé benodigde gedeelten van de onroerende zaken.

Partijen zijn vanaf eind 2015 in contact en voeren vanaf eind 2016 regelmatig overleg. Verzoeker heeft reclamante bij brieven van 21 december 2017, 22 februari 2018 en 7 juni 2018 aanbiedingen gedaan, enerzijds gericht op de aankoop van die delen van de onroerende zaken die permanent nodig zijn voor de realisering van het werk, anderzijds voor de huur dan wel aankoop van de delen die daarvoor tijdelijk nodig zijn (werkterreinen). Bij brief van 7 juni 2018 heeft verzoeker reclamante een bijkomend aanbod gedaan om de overhoeken (de niet benodigde gedeelten van de onroerende zaken) eveneens in eigendom over te nemen. Partijen hebben hierover vanwege een verschil van inzicht over de hoogte van de aangeboden vergoeding geen overeenstemming kunnen bereiken.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende pogingen heeft ondernomen om met reclamant tot overeenstemming te komen. Ten tijde van het onteigeningsverzoek was het naar Ons oordeel aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden. In dat licht mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Het overleg is na de indiening van het verzoek voorgezet maar partijen hebben nog geen overeenstemming kunnen bereiken. Het overleg met reclamante zal worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.

12.4

Reclamante ziet zich door de cumulatie van gevolgen van het voorliggende Tracébesluit onevenredig benadeeld ten opzichte van het door de ontneming te dienen algemeen belang.

Ad 12.4

Dit zienswijzeonderdeel is in feite planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld.De afweging van het algemeen belang tegen het persoonlijke belang van reclamante dient plaats te vinden in de procedure op grond van de Tracéwet. Reclamante kon dit aan de orde stellen in de procedure op grond van de Tracéwet.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 12 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 13

13.1

Reclamanten betogen dat niet kan worden volstaan met de thans gevoerde rectificatieprocedure en dat verzoeker een nieuw verzoek had moeten indienen met actuele stukken. Reclamanten voeren hiertoe aan dat het ontwerp koninklijk besluit met de bijbehorende stukken gebaseerd op het verzoek van 14 september 2018 opnieuw ter inzage is gelegd. Reclamanten betogen dat deze stukken onvoldoende actueel zijn en vinden dit in strijd met de zorgvuldigheid die een dergelijke procedure met zich meebrengt. Reclamanten wijzen daarbij met name op het laatst gedane aanbod dat dateert van juni 2018 en de kadastrale bescheiden die ouder zijn dan een half jaar.

Ad 13.1

Wij kunnen reclamanten niet volgen in de stelling dat verzoeker een nieuw verzoek had moeten indienen. Zoals Wij hiervoor onder Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure hebben overwogen, is het aangepaste ontwerpbesluit naar aanleiding van het verzoek van 14 september 2018 samen met de bijbehorende stukken opnieuw ter inzage gelegd. Dit is gebeurd omdat er bij de eerste terinzagelegging sprake was van een vormfout. De in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken lagen wel ter inzage, maar het ontwerpbesluit ontbrak. De stukken, inclusief het ontwerpbesluit, zijn daarom nogmaals ter inzage gelegd. Het ontwerp koninklijk besluit en het op de nieuwe ter inzage termijn aangepaste ontwerpbesluit, zijn wel overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan beide terinzageleggingen toegezonden aan belanghebbenden waaronder reclamanten. Noch in de Awb, noch in de onteigeningswet valt steun te vinden voor de stelling dat verzoeker eerst een nieuw verzoek had moeten indienen alvorens de stukken opnieuw ter inzage konden worden gelegd. De stelling van reclamanten dat de stukken en het bod onvoldoende actueel zijn delen Wij niet. Het verzoek van 14 september 2018 met de bijbehorende stukken voldoet aan de vereisten van de Handreiking, waarbij het tijdstip van het verzoek het uitgangspunt is inzake de actualiteit van de stukken. Daarnaast is Ons uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie gebleken dat het minnelijk overleg met reclamanten ook na het verzoek van 14 september 2018 is voortgezet en dat partijen in gesprek zijn over de hoogte van de schadeloosstelling. Naar Ons oordeel zijn reclamanten dan ook niet benadeeld of in hun belangen geschaad.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 13 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamant 14

14.1

Reclamant betoogt dat niet kan worden volstaan met de thans gevoerde rectificatieprocedure procedure en dat verzoeker een nieuw verzoek had moeten indienen met actuele stukken. Reclamant voert hiertoe aan dat het ontwerp koninklijk besluit met de bijbehorende stukken gebaseerd op het verzoek van 14 september 2018 opnieuw ter inzage is gelegd. Reclamant is van mening dat deze stukken onvoldoende actueel zijn en vind dit in strijd met de zorgvuldigheid die een dergelijke procedure met zich meebrengt Reclamant wijst daarbij met name op het laatst gedane aanbod dat dateert van juni 2018 en de kadastrale bescheiden die ouder zijn dan een half jaar.

Ad 14.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamanten 13 onder 13.1. Voor het overige is Ons uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie gebleken dat het minnelijk overleg met reclamant na het verzoek van 14 september 2018 is voortgezet. Partijen zijn in gesprek over de hoogte van de schadeloosstelling. Naar Ons oordeel is reclamant dan ook niet benadeeld of in zijn belangen geschaad.

14.2

Reclamant betoogt dat hij vanaf het eerste overleg kenbaar heeft gemaakt dat de bereikbaarheid van zijn bedrijf gedurende de werkzaamhedenvoor hem het belangrijkst is. In november 2017 heeft verzoeker laten weten dat er hiervoor een tijdelijke ontsluitingsweg zal worden aangelegd en dat daarvoor binnen enkele weken concrete voorstellen worden gedaan. Inmiddels is gebleken dat deze tijdelijke ontsluitingsweg een harde noodzaak is om het werk te kunnen realiseren en dat deze over de grond van reclamant zal moeten lopen. Een concreet voorstel over de wijze van aanleg en de financiële gevolgen hiervan is nog niet gedaan. Reclamant stelt zich op het standpunt dat nu er onvoldoende zicht is hierop, de onteigening prematuur is en dat verzoeker niet kan volhouden dat er voldoende pogingen zijn ondernomen om tot een minnelijk akkoord te komen.

Ad 14.2

De zienswijze ziet in hoofdzaak op het gevoerde overleg en de mogelijkheid van alternatieve oplossingen in de vorm van een tijdelijke ontsluitingsweg.

Wij wijzen vooreerst op hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben opgemerkt brij reclamant 1 onder 1.4.

Verder overwegen Wij dat de onteigeningswet de onteigenende partij niet verplicht tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegrond of andere oplossingen. Uitgangspunt is dat de onteigeningswet de belanghebbenden een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. De mogelijkheden tot schadeloosstelling in een andere vorm dan in geld zullen langs minnelijke weg en veelal in samenwerking met andere overheden, of met particuliere eigenaren van gronden onderzocht moeten worden. Desondanks kunnen vragen om compensatiegrond of andere oplossingen aan de orde komen in het kader van de toetsing van het gevoerde minnelijk overleg over de verwerving van de benodigde gronden. Indien een belanghebbende in het minnelijk overleg immers duidelijk maakt de voorkeur te geven aan vervangende grond of een andere oplossing, dan moet de verzoeker nagaan of hieraan tegemoet gekomen kan worden. Omdat onteigening een uiterste middel is, is de noodzaak tot onteigening immers ook afhankelijk van de wijze waarop dat minnelijk overleg is en zal verlopen. Hierbij geldt dat de verzoeker gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk, toegesneden planning.

Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie gebleken dat verzoeker reclamant, na daaraan voorafgaand gevoerd overleg, bij brief van 18 juli 2017 een eerste aanbod heeft gedaan. In de overleggen tussen partijen van 10 oktober 2017, 31 januari 2018 en 18 mei 2018 komt de tijdelijke ontsluiting aan de orde. In het overleg van 18 mei 2018 geeft de verwerver informatie over de stand van zaken van de besluitvorming en laat hij weten dat er intern bij verzoeker nog een discussie loopt over de tijdelijke ontsluitingsweg. Bij brief van 3 juli 2018 herhaalt verzoeker zijn aanbod en deelt mee dat hij de zorg van reclamant met betrekking tot de bereikbaarheid van zijn bedrijf tijdens de realisatie van het project heeft onderkend. Verzoeker merkt op dat hij aan een voorstel werkt dat hopelijk de zorg van reclamant zal wegnemen. De oplossing voorziet in het tijdelijk aanbrengen van een parallelroute (als terugvaloptie voor het gebruik van het Hazenpad) waarmee tijdens de periode waarin daadwerkelijk op het gedeelte tussen de Ravenstraat en de onroerende zaken van reclamant wordt gewerkt de toegang tot zijn bedrijf ook geborgd is bij eventuele (on)voorziene beperkingen in het gebruik van het Hazenpad.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende pogingen heeft ondernomen om met reclamant tot overeenstemming te komen. Daarnaast is de wens van reclamanten met betrekking tot een tijdelijke ontsluitingsweg onderkend en onderzocht, maar omdat een dergelijke oplossing in overleg met andere overheden of particulieren nader onderzocht moet worden, kon hierover niet op afzienbare termijn overeenstemming worden verwacht en mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Het minnelijk overleg is na de start van de administratieve onteigeningsprocedure voortgezet. Hierin is verder gesproken over de tijdelijke ontsluiting. Een en ander heeft echter nog niet tot overeenstemming geleid.Het overleg met reclamant zal worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 14 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamant 15

15.1

Reclamant betoogt dat niet kan worden volstaan met de thans gevoerde rectificatieprocedure procedure en dat verzoeker een nieuw verzoek had moeten indienen met actuele stukken. Reclamant voert hiertoe aan dat het ontwerp koninklijk besluit met de bijbehorende stukken gebaseerd op het verzoek van 14 september 2018 opnieuw ter inzage is gelegd. Reclamant is van mening dat deze stukken onvoldoende actueel zijn en vind dit in strijd met de zorgvuldigheid die een dergelijke procedure met zich meebrengt Reclamant wijst daarbij met name op het laatst gedane aanbod dat dateert van juni 2018 en de kadastrale bescheiden die ouder zijn dan een half jaar.

Ad 15.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamanten 13 onder 13.1. Voor het overige is Ons uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie gebleken dat het minnelijk overleg met reclamant na het verzoek van 14 september 2018 is voortgezet. Partijen zijn in gesprek over de hoogte van de schadeloosstelling. Naar Ons oordeel is reclamant dan ook niet benadeeld of in zijn belangen geschaad.

15.2

Reclamant betoogt dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt. De onteigeningsprocedure die is ingezet voor de verkrijging van een gedeelte van het perceel van reclamant, is nodig voor het aanleggen/verleggen van een watergang. Reclamant heeft steeds uitgesproken dat onteigening niet noodzakelijk is, omdat er alternatieven zijn die ook technisch beter zijn. Verzoeker heeft meerdere malen toegezegd die alternatieven te bekijken en erop terug te komen. Reclamant heeft daarop nog steeds geen reactie ontvangen. Reclamant stelt zich op het standpunt dat verzoeker onvoldoende pogingen heeft ondernomen om in der minne tot een regeling te komen.

Ad 15.2

Uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie is Ons gebleken dat het ter onteigening aan te wijzen gedeelte van de onroerende zaak nodig is om een langs deze onroerende zaak aan te leggen watergang, genaamd de Zevenaarse Wetering, aan te kunnen sluiten op een bestaande watergang. Voor zover de zienswijze van reclamant handelt over de noodzaak tot de aanleg van deze watergang en de keuze tussen al dan niet bestaande alternatieven, is dit planologisch van aard. In dit verband verwijzen Wij naar hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben overwogen bij reclamant 1 onder 1.2. Zoals Wij al eerder hebben overwogen kunnen de planologische aspecten van het te maken werk het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld. Reclamant kan dit aan de orde stellen in de procedure op grond van de Tracéwet.

Wij kunnen reclamant niet volgen in zijn betoog dat hij geen reactie van verzoeker heeft ontvangen over het bekijken van een alternatief en daarmee onvoldoende pogingen heeft ondernomen om in der minne tot een regeling te komen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen in de hoorzitting naar voren is gebracht, kunnen Wij niet afleiden dat verzoeker aan reclamant over het door hem aangedragen alternatief een concrete toezegging heeft gedaan. Verzoeker heeft reclamant wel meerdere malen uitleg gegeven over de reden waarom de watergang op de gekozen locatie moet worden aangelegd.

Reclamant heeft zijn bezwaar tegen de aanleg van de watergang al in april 2016 aan de verwerver kenbaar gemaakt. De verwerver heeft reclamant hier in een e-mailbericht van 16 november 2016 duidelijkheid over verschaft. Nadien is de ligging van de watergang meerdere keren onderwerp van gesprek en overleg geweest. Bij brief van 22 augustus 2017 heeft verzoeker reclamant een aanbod gedaan gericht op de aankoop van het benodigde gedeelte van zijn onroerende zaak. Verzoeker heeft reclamant bericht kennis te hebben genomen van het bezwaar tegen de ligging van de watergang en heeft aangeboden dat een technisch medewerker desgewenst hierover nadere toelichting kan geven. Bij brief van 12 juni 2018 heeft verzoeker de bieding herhaald en reclamant daarbij bericht dat het plan van het werk tot stand is gekomen op basis van een belangenafweging en na overleg met het waterschap. Op 18 februari 2019 heeft verzoeker nogmaals contact gehad met reclamant, waarbij bleek dat zijn standpunt met betrekking tot de ligging van de watergang nog ongewijzigd is. Op 20 februari 2019 hebben partijen overleg gevoerd, over onder meer de ligging van de watergang. Verzoeker heeft toegezegd dat een technisch manager van het project reclamant nogmaals een nadere toelichting zal geven over de ligging van de watergang. Op 12 maart 2019 hebben partijen nogmaals overleg gevoerd en zijn de wederzijdse standpunten over de watergang toegelicht. Een en ander heeft echter nog niet tot overeenstemming geleid.

Het overleg met reclamant zal worden voortgezet. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing leiden.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 15 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 16

16.1

Reclamanten betogen dat niet kan worden volstaan met de thans gevoerde rectificatieprocedure en dat verzoeker een nieuw verzoek had moeten indienen met actuele stukken. Reclamanten voeren hiertoe aan dat het ontwerp koninklijk besluit met de bijbehorende stukken gebaseerd op het verzoek van 14 september 2018 opnieuw ter inzage is gelegd. Reclamanten betogen dat deze stukken onvoldoende actueel zijn en vinden dit in strijd met de zorgvuldigheid die een dergelijke procedure met zich meebrengt. Reclamanten wijzen daarbij met name op het laatst gedane aanbod dat dateert van juni 2018 en de kadastrale bescheiden die ouder zijn dan een half jaar.

Ad 16.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamanten 13 onder 13.1. Voor het overige is Ons uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie gebleken dat het minnelijk overleg met reclamanten na het verzoek van 14 september 2018 is voortgezet. Partijen zijn in gesprek over de hoogte van de schadeloosstelling. Naar Ons oordeel zijn reclamanten dan ook niet benadeeld of in hun belangen geschaad.

16.2

Recent is aan reclamanten verzocht om meer grond af te staan aan de provincie Gelderland in samenspraak met Rijkswaterstaat. In het kader van de uitvoering van het werk is dit nodig omdat de in de eerste overleggen geschetste ontsluitingsmogelijkheden niet voldoen. Dit zal planologisch geregeld moeten worden, maar hiertoe zijn nog geen concrete stappen gezet. Reclamanten betogen dat hierdoor de uitvoering van het werk door Rijkswaterstaat niet mogelijk is en er derhalve geen sprake is voldoende noodzaak en urgentie.

Ad 16.2

Ten aanzien van de ontsluiting overwegen Wij het volgende. Uit de overgelegde stukken en hetgeen in de hoorzitting naar voren is gebracht is Ons gebleken dat de onroerende zaak van reclamanten, net als de onroerende zaak van reclamant 1, is gelegen aan de N810/Arnhemseweg. De onroerende zaak van reclamanten is gedeeltelijk nodig voor de aanleg van een carpoolplaats. Om deze carpoolplaats te ontsluiten wordt een ontsluitingsweg aangelegd die tevens voorziet in een verbinding van en naar de Helhoek. Tijdens de hoorzitting heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat dat de onroerende zaak van reclamant op grond van het Tracébesluit hoe dan ook bereikbaar blijft. Het besluit voorziet in een aansluiting van de onroerende zaak vanaf de ontsluitingsweg rond de carpoolplaats. De provincie Gelderland geeft er met het oog op de verkeersveiligheid echter de voorkeur aan om de onroerende zaak van reclamanten en enkele andere onroerende zaken op een andere manier te ontsluiten, namelijk via een langs de N810/Arnhemseweg aan te leggen parallelweg. Dit staat echter los van onderhavige onteigeningsprocedure en los van het Tracébesluit.

Hetgeen reclamanten aanvoeren over de uitvoerbaarheid van het werk omdat de plannen van de provincie Gelderland nog planologisch geregeld moeten worden, kunnen Wij niet volgen. In de administratieve onteigeningsprocedure kunnen geen zelfstandige uitspraken worden gedaan over het verloop en de uitkomst van toekomstige planologische procedures. De onroerende zaak van reclamanten is nodig voor de uitvoering van het Tracébesluit. In het Tracébesluit is in een ontsluiting van de onroerende zaak van reclamanten voorzien.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 16 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 17

17.1

Reclamanten betogen dat niet kan worden volstaan met de thans gevoerde rectificatieprocedure en dat verzoeker een nieuw verzoek had moeten indienen met actuele stukken. Reclamanten voeren hiertoe aan dat het ontwerp koninklijk besluit met de bijbehorende stukken gebaseerd op het verzoek van 14 september 2018 opnieuw ter inzage is gelegd. Reclamanten betogen dat deze stukken onvoldoende actueel zijn en vinden dit in strijd met de zorgvuldigheid die een dergelijke procedure met zich meebrengt. Reclamanten wijzen daarbij met name op het laatst gedane aanbod dat dateert van juni 2018 en de kadastrale bescheiden die ouder zijn dan een half jaar.

Ad 17.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamanten 13 onder 13.1.

Naar aanleiding van het betoog van reclamanten over de biedingen overwegen Wij dat Ons uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie is gebleken dat verzoeker vanaf een overleg met reclamanten op 7 juni 2016 (waarbij hun zoon aanwezig was), te vergeefs getracht heeft om een afspraak te maken voor een taxatieopname op de onroerende zaak van reclamanten door de taxatiecommissie. De taxatiecomissies heeft daarom een zichttaxatie verricht vanaf de openbare weg. Verzoeker heeft vervolgens bij brieven van 12 januari 2018 en 25 juni 2018 een aanbieding uitgebracht gebaseerd op deze zichttaxatie vanaf de openbare weg. Eerst onlangs hebben reclamanten toestemming gegeven voor een taxatieopname. Deze opname heeft op 14 maart 2019 plaatsgevonden. Op 15 maart 2019 heeft de adviseur aanvullende bedrijfsinformatie verstrekt. Partijen hebben op 8 mei 2015 overleg gevoerd en verzoeker heeft een geactualiseerd bod uitgebracht. De adviseur van reclamanten heeft vervolgens het bod ter beoordeling voorgelegd aan reclamanten. Naar Ons oordeel zijn reclamanten dan ook niet benadeeld of in hun belangen geschaad.

17.2

Reclamanten betogen dat in de aanbieding een bedrag is opgenomen voor de beëindiging van de pacht voor de onroerende zaak met grondplannummer 233,10. Dit perceel is echter in pacht bij hun zoon en niet bij reclamanten. Verzoeker had hiermee bekend kunnen zijn. Daarnaast is de pachter niet separaat in kennis gesteld van de onderhavige onteigeningsprocedure.

Ad 17.2

Met betrekking tot het overleg met de pachters overwegen Wij in het algemeen dat op de verzoeker de plicht rust om in beginsel in eerste aanleg overleg te voeren met de eigenaar van de te onteigenen zaak. Het belang van een derde gerechtigde op de te onteigenen zaak kan echter met zich brengen dat het in de rede ligt ook met deze derde in onderhandeling te treden. Daartoe is aanleiding indien de verzoeker met de eigenaar van de onroerende zaak geen afspraak heeft kunnen maken over het vrij van pacht opleveren van de onroerende zaak. In dat geval moet de verzoeker ook de pachter, gelet op diens belang, tijdig een aanbod doen, dit met inachtneming van hetgeen Wij in het algemeen bij de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1 onder 4 hebben opgemerkt over het voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure te voeren overleg. Alleen in die gevallen waarin met de eigenaar van een onroerende zaak is afgesproken dat deze de eigendom vrij van pacht aan verzoeker zal overdragen en waarbij de eigenaar vervolgens zelf de beëindiging van de pacht met de pachter regelt, hoeft de verzoeker de pachter geen aanbod te doen. In dat geval moet de afspraak met de eigenaar wel controleerbaar zijn vastgelegd. De verzoeker moet in die situatie de pachter benaderen en hem informeren over de voorbereiding van de onteigeningsprocedure en de start daarvan. Als de verzoeker zelf al eigenaar is van een onroerende zaak en deze is verpacht, dan zal de verzoeker met de pachter in onderhandeling moeten treden en deze tijdig een aanbod moeten doen.

Dit in aanmerking nemend overwegen Wij het volgende. Verzoeker heeft in eerste instantie onderhandeld met reclamanten 8, juridisch eigenaren van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10. De eigenaren hebben met verzoeker in het kader van het minnelijk overleg de afspraak gemaakt dat verzoeker de onroerende zaak in verpachte staat zal aankopen. In dat geval moet de verzoeker ook de pachter, gelet op diens belang, tijdig een aanbod doen. Reclamanten hebben in 2016 de pachtovereenkomst aan verzoeker verstrekt. Deze overeenkomst stond op naam van reclamant R.J.M. Weenink. De eigenaren hebben daarbij mondeling en schriftelijk kenbaar gemaakt dat een indeplaatsstelling heeft plaatsgevonden ten gunste van de zoon van reclamant R.J.M. Weenink, te weten W.T.R. Weenink.

Uit de aan Ons overgelegde stukken is Ons – zoals reclamanten terecht stellen – gebleken dat verzoeker er in de aanbiedingsbrieven aan reclamanten ten onrechte vanuit is gegaan dat reclamant R.J.M. Weenink nog altijd regulier pachter was van een deel van ter grootte van 28.59 ha, van het gedeelte van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10. Verzoeker had echter de bieding voor het gepachte gedeelte met een oppervlakte van 28.59 ha, moeten uitbrengen aan W.T.R. Weenink en niet aan reclamant R.J.M. Weenink. Omdat hierdoor de noodzaak van onteigening van het gepachte gedeelte van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 met een oppervlakte van 28.59 ha onvoldoende vaststaat, zullen Wij dit deel niet ter onteigening aanwijzen. Hierbij nemen Wij in aanmerking dat verzoeker op de hoogte was van de gewijzigde pachtconstructie en zich ervan had kunnen vergewissen dat W.T.R. Weenink en niet reclamant R.J.M. Weenink de pachter van het betreffende deel is. Wij hebben de ter onteigening aan te wijzen oppervlakte van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 teruggebracht naar 18.11 ha. Om die reden overwegen Wij dat het overige gedeelte van dit zienswijzeonderdeel thans geen verdere bespreking behoeft.

17.3

Reclamanten voeren aan dat de onroerende zaak met grondplannummer 179.8 belast is met erfdienstbaarheden en overleggen een akte van levering van 9 november 2018 waaruit dit blijkt. Door titelonderzoek zou verzoeker van deze erfdienstbaarheden en beperkte rechten op de hoogte kunnen zijn. Niet is gebleken dat de rechthebbenden van de heersende erven in kennis zijn gesteld van onteigeningsprocedure.

Ad. 17.3

Bij de eerder genoemde brief van 8 april 2019, heeft verzoeker Ons te kennen gegeven dat hij de onteigeningsprocedure voor het betrokken gedeelte van de onroerende zaak met het grondplannummer 179.8 niet wil doorzetten. Omdat hiermee de noodzaak van onteigening van het gedeelte van de onroerende zaak met het grondplannummer 179.8 is komen te vervallen, zullen Wij deze niet ter onteigening aanwijzen. Om die reden overwegen Wij dat dit gedeelte van de zienswijze van reclamanten thans geen verdere bespreking behoeft.

Gelet op het vorenstaande geeft zienswijzeonderdeel 17. 2 van reclamanten 17 Ons aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening ten aanzien van de onroerende zaak met grondplannummer 233.10 gedeeltelijk af te wijzen. Voor het overige geeft de zienswijze van reclamanten 17 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening van de onroerende zaak met grondplannummer 179.10 geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamant 18

18.1

Reclamant betoogt dat niet kan worden volstaan met de thans gevoerde rectificatieprocedure procedure en dat verzoeker een nieuw verzoek had moeten indienen met actuele stukken. Reclamant voert hiertoe aan dat het ontwerp koninklijk besluit met de bijbehorende stukken gebaseerd op het verzoek van 14 september 2018 opnieuw ter inzage zijn gelegd. Reclamant is van mening dat deze stukken onvoldoende actueel zijn en vind dit in strijd met de zorgvuldigheid die een dergelijke procedure met zich meebrengt Reclamant wijst daarbij met name op het laatst gedane aanbod dat dateert van juni 2018 en de kadastrale bescheiden die ouder zijn dan een half jaar.

Ad 18.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamanten 13 onder 13.1. Voor het overige is Ons uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie gebleken dat het minnelijk overleg met reclamant na het verzoek van 14 september 2018 is voortgezet. Partijen zijn in gesprek over de hoogte van de schadeloosstelling. Naar Ons oordeel is reclamant dan ook niet benadeeld of in zijn belangen geschaad.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 18 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamante 19

19.1

Reclamante stelt zich op het standpunt dat verzoeker onvoldoende pogingen heeft ondernomen om de benodigde gronden in der minne te verwerven. Er zijn weliswaar gesprekken gevoerd en er zijn een aantal biedingsbrieven uitgebracht, maar hieruit blijkt niet dat verzoeker zich in de positie van reclamante heeft verdiept. Verzoeker houdt vast aan het standpunt dat reclamante geen aanspraak kan maken op inkomensschade (op basis van reconstructie). Er is geen sprake geweest van enige onderhandelingen. Dit geldt ook voor het door verzoeker ingenomen standpunt ten aanzien van de vermogensschade en het niet toekennen van een aantal door reclamante met name genoemde schadeposten.

Dit klemt temeer omdat het project ViA15 in nauw overleg met de provincie Gelderland tot stand is gekomen. In verband met het project ViA15 moeten ook aanpassingen plaatvinden aan het provinciale wegennet waaronder de N839 waarvoor ook gronden van reclamante benodigd zijn. Een van deze benodigde onroerende zaken betreft een gedeelte van de onroerende zaak met grondplannummer 47.9 die ook in de onderhavige onteigening betrokken is. Reclamante heeft hierover nagenoeg overeenstemming bereikt met de provincie, waarbij deze wel een vergoeding aan reclamante toekent voor onder andere inkomensschade (op basis van reconstructie) en een hogere vermogensschade die wel recht doet aan de werkelijke waarde. Doordat verzoeker steeds hetzelfde standpunt herhaalt, dat geen recht doet aan de belangen van reclamante, blijkt dat er onvoldoende pogingen zijn gedaan om het perceelsgedeelte in der minne te verwerven.

Ad 19.1

Dit onderdeel van de zienswijze wordt ingegeven door een groot verschil van inzicht tussen partijen over de hoogte en de samenstelling van de aangeboden schadeloosstelling en is daarmee financieel van aard. Voor zover reclamanten in dit onderdeel van de zienswijze aanvoeren dat hierdoor het minnelijk overleg onvoldoende en niet serieus is, overwegen Wij dat ook dit deel van de zienswijze wordt ingegeven door het verschil van inzicht over de hoogte en de samenstelling van de schadeloosstelling. Daarmee is ook dit aspect financieel van aard. In dit verband verwijzen Wij naar hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben overwogen bij reclamant 1 onder 1.4.

Gelet hierop kan in deze procedure evenmin een oordeel worden gegeven over het standpunt dat de verzoeker om onteigening heeft ingenomen, om geen vergoeding voor een aantal door reclamante aangedragen schadeposten toe te kennen in het kader van het onderhavige verzoek tot onteigening.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen in de hoorzitting naar voren is gebracht is Ons gebleken dat partijen verdeeld zijn over de waardering van de boomgaard (kersen-bongerd) die op de onroerende zaak van reclamante aanwezig is. Verzoeker is van mening dat er geen sprake is van een productieboomgaard. Reclamante daarentegen stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een waardevolle boomgaard met productiecapaciteit. In verband daarmee wenst reclamante een navenant hogere schadeloosstelling te ontvangen dan door verzoeker is aangeboden. Partijen hebben het overleg hierover na de start van de onderhavige procedure voortgezet, maar ook dit overleg heeft niet tot overeenstemming geleid. Bij brief van 25 januari 2019 heeft verzoeker reclamante bericht dat hij zich (nogmaals) heeft beraden over de hoogte van de schadeloosstelling, maar dat ook dit beraad hem niet tot de overtuiging heeft gebracht dat het aanbod in voor reclamante gunstige zin moet worden aangepast. Verzoeker heeft dit ook nader in de brief toegelicht.

Gelet hierop blijven partijen verdeeld over de uitgangspunten voor de berekening van de schadeloosstelling. Dit maakt echter niet dat het minnelijk overleg met reclamante als onvoldoende moet worden aangemerkt en dat het verzoek om onteigening moet worden afgewezen. Daaraan doet evenmin af de omstandigheid dat reclamante, op basis van de door haar gehanteerde uitgangspunten, wel met de provincie tot overeenstemming is gekomen. In de hoorzitting heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat hij hierover contact heeft opgenomen met de provincie. De provincie dient voor de reconstructie van de N839 zowel een gedeelte van de onderhavige onroerende zaak van reclamante met de daarop aanwezige boomgaard te verwerven als een gedeelte van een ongeveer 100 meter verder gelegen grotere onroerende zaak met een boomgaard. Bij de begroting van de schadeloosstelling is de provincie uitgegaan van deze laatste boomgaard en heeft daarbij de boomgaard op de onderhavige onroerende zaak in het geheel betrokken. Verzoeker heeft hierin geen aanleiding gezien om zijn bieding (op onteigeningsbasis) bij te stellen. Zoals Wij hiervoor hebben overwogen kunnen Wij over de hoogte en samenstelling van de bieding in de onderhavige procedure geen zelfstandige uitspraken doen.

Dat reclamante het niet eens is met de uitgangspunten die verzoeker in dat kader hanteert en dat zij van mening is dat zij wel een vergoeding moet ontvangen maakt naar Ons oordeel echter nog niet dat er geen serieus minnelijk overleg is gevoerd.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante 19 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamant 20

20.1

Reclamant betoogt dat het uiterst onzeker is of de aanleg en het doortrekken van de A15 wel doorgaat. Het Tracébesluit ViA15-2017 is nog steeds in procedure bij de Raad van State. Gebleken is dat, bij uitspraak van 7 november 2018 die het Hof van Justitie van de Europese Unie op verzoek van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft gedaan, het voorliggende Tracébesluit (reclamant noemt dit bestemmingsplan) in strijd is met de Europese wetgeving op het gebied van uitstoot van stikstof. Reclamant heeft tegen het Tracébesluit ViA15-2017 beroep ingesteld en vraagt om de onteigeningsprocedure pas door te zetten nadat de Raad van State hierover een uitspraak heeft gedaan.

Ad 20.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

20.2

Reclamant betoogt dat al meerdere malen is gemotiveerd dat het hele bedrijf inclusief de privéwoning van reclamant aangekocht moeten worden en niet slechts een gedeelte daarvan. Het kan niet zo zijn dat de helft van het bedrijf wordt aangekocht en reclamant achterblijft met een woning pal aan de snelweg, een paardenstal en een deel van de landbouwgronden. Reclamant meent dat in het kader van de onderhavige onteigeningsprocedure bepaald moet worden dat het totale bedrijf inclusief de privéwoning door verzoeker moet worden aangekocht.

20.3

Reclamant voert aan dat het minnelijk overleg over de uitkoop van het bedrijf zeer stroef verloopt. Er is al anderhalf jaar niet meer onderhandeld over de uitkoop van het bedrijf. Reclamant heeft minimaal 3 jaar nodig voor het verplaatsen en hervestigen van het manegebedrijf. Bij een gedwongen verkoop is er onvoldoende tijd om het bedrijf in de omgeving te hervestigen en zal reclamant forse schade lijden. Reclamant verwijst naar het arrest Betuweroute waarin eveneens is bepaald dat een onteigende partij de tijd en ruimte moet krijgen om zijn bedrijf op normale wijze elders te kunnen hervestigen. Reclamant verzoekt om de onteigeningsprocedure voor hem op te schorten, dan wel een termijn te bepalen waarbij reclamant nog minimaal 3 jaar de tijd krijgt om het bedrijf te verplaatsen

Ad 20.2 en 20.3.

Dit onderdeel van de zienswijze ziet gedeeltelijk op de noodzaak tot de aanleg van de werken en op de keuze om daarbij mede en gedeeltelijk gebruik te maken van de onroerende zaak die reclamant in eigendom heeft. Daarmee is dit onderdeel planologisch van aard. Zoals Wij hiervoor hebben overwogen bij reclamanten 10 onder 1 kunnen in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure alleen die gronden ter onteigening kunnen worden aangewezen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het werk. Deze onteigeningstitel waarborgt daarmee de realisatie van het werk met een zo beperkt mogelijk grondbeslag. Onroerende zaken die slechts gedeeltelijk voor de realisatie van het werk nodig zijn kunnen dan ook alleen voor dat gedeelte ter onteigening worden aangewezen. Ingevolge artikel 38 van de onteigeningswet hebben reclamanten in bepaalde omstandigheden de mogelijkheid om gehele overname te vorderen van onroerende zaken waarvan slechts een gedeelte wordt onteigend. Deze mogelijkheid komt echter pas in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Voordien kan aankoop van overige gedeelten dan wel gehele aankoop van de betrokken onroerende zaken in het minnelijk overleg tussen de verzoeker en belanghebbenden betrokken worden.

Ten aanzien van het gevoerde minnelijk overleg verwijzen Wij vooreerst naar hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben overwogen bij reclamant 1 onder 1.4.

Dit in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken, de verstrekte informatie en hetgeen in de hoorzitting naar voren is gebracht gebleken dat de aankoop van het gehele bedrijf van reclamant wel degelijk in het minnelijk overleg aan de orde is geweest en dat verzoeker hiervoor een bijkomend aanbod heeft uitgebracht. Zo volgt uit een e-mail van 19 maart 2018 aan de adviseur van reclamant dat verzoeker in het kader van het minnelijk overleg bereid is om als bijkomend aanbod het gehele manegebedrijf aan te kopen. De aankoop van het bedrijf is op 24 april 2018 aan de orde geweest in het overleg dat de verwerver van verzoeker met de adviseur van reclamant voerde. De verwerver heeft mondeling een bod uitgebracht voor het ter onteigening aan te wijzen deel en voor het geheel. Verzoeker bevestigt dit in een e-mail van 7 mei 2018. In de bieding van 9 juli 2018 aan reclamanten wordt gerefereerd aan het feit dat in het op 24 april 2018 gevoerd overleg met de adviseur van reclamant is gesproken over de bereidheid aan de kant van verzoeker tot aankoop van het gehele bedrijf van reclamant in de minnelijke fase. In de brief van 9 juli 2018 wordt verder duidelijk opgemerkt dat, om te voldoen aan de te volgen procedure in het kader van de onteigeningswet, een formele bieding dient te worden uitgebracht voor uitsluitend het ter onteigening aan te wijzen gedeelte. De adviseur van reclamant heeft de biedingen op 18 september 2018 afgewezen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende pogingen heeft ondernomen om met reclamant tot overeenstemming te komen. Ten tijde van het onteigeningsverzoek was het naar Ons oordeel aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden. Wij nemen hierbij in aanmerking dat in de onderhavige procedure op grond van titel IIa van de onteigeningswet alleen een gedeelte van de onroerende zaak van reclamant is betrokken en dat alleen dit gedeelte ter onteigening kan worden aangewezen. Voor de vaststelling van de noodzaak tot onteigening is van belang dat verzoeker tijdig aanbiedingen heeft gedaan gericht op de aankoop van dit gedeelte. Vaststaat dat over de aankoop van dat gedeelte in ieder geval ten tijde van het verzoek om onteigening geen overeenstemming met reclamant kon worden bereikt. In dat licht mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Het overleg minnelijk overleg met reclamant na de start van de administratieve procedure voortgezet. In dit voortgezette overleg is in eerste instantie gesproken over de historie, de onderlinge misverstanden en verschillen van inzicht. Partijen hebben vanaf maart 2019 het inhoudelijk overleg over de ter onteigening aan te wijzen oppervlakte en de mogelijke minnelijke aankoop van het geheel als bijkomend aanbod weer hervat. Dit overleg, dan wel het overleg dat op grond va artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf moet gaan, kan alsnog tot een voor partijen aanvaarbare oplossing leiden.

Ten aanzien van het door reclamant genoemde arrest Betuweroute overwegen Wij dat reclamant geen nadere uitleg geeft over het genoemde arrest. Reclamant doelt waarschijnlijk op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State kader van het tracébesluit Betuweroute waaruit volgt dat voorafgaand aan de vaststelling van een tracébesluit de belangen van bestaande bedrijven goed in beeld moeten zijn gebracht. Nadat deze belangen in beeld zijn gebracht kan blijken dat er een inspanningsverplichting geldt, inhoudend dat ondersteuning wordt verleend danwel dat geholpen wordt bij het zoeken naar een alternatieve locatie waar nieuwe bedrijfsbebouwing en eventueel een nieuwe bedrijfswoning kan worden opgericht. Dit punt is echter planologisch van aard en kan aan de orde komen in de procedure op grond van de Tracéwet

Het verzoek van reclamant om de onteigeningsprocedure voor hem op te schorten, dan wel een termijn te bepalen waarbij reclamant nog minimaal 3 jaar de tijd krijgt om het bedrijf te verplaatsen kunnen Wij niet honoreren, omdat de onteigeningswet hierin niet voorziet. Op grond van artikel 64a wordt het koninklijk besluit genomen binnen 6 maanden na afloop van de termijn van de terinzagelegging van de stukken. Reclamant kan echter wel in het minnelijk overleg met verzoeker vragen om hem meer tijd te gunnen. Wij kunnen hier echter geen uitspraak over doen.

20.4

Reclamant betoogt dat het door verzoeker overgelegde logboek incompleet is en zodanig gekleurd dat het geschrevene in het voordeel van verzoeker kan worden uitgelegd. Zo blijkt uit het logboek niet dat verzoeker heeft aangeboden om alle eigendommen van reclamanten aan te kopen. In het logboek wordt slechts gesproken over de prijs die is geboden voor het deel dat onder het tracé valt.

Ad 20.4

Ten aanzien van het zienswijzepunt dat het logboek niet compleet is, overwegen Wij het volgende. Zoals Wij eerder in Ons besluit van 29 januari 2015, nr. 2015000164 (Staatscourant 20 maart 2015, nr. 3997 – onteigening in de gemeente Assen) hebben overwogen geeft het logboek dat door de verzoeker is opgesteld een samenvatting van het onderhandelingsproces, met daarbij een verzameling brieven, en/of e-mails en contactmomenten aangaande het minnelijk overleg. Het feit dat het logboek niet compleet is, wil niet zeggen dat het onderhandelingsproces onzorgvuldig is verlopen. Het door reclamant aangeleverde overzicht is, zo constateren Wij, enerzijds terug te vinden in het bestaande logboek en anderzijds betreft het een nadere aanvulling daarop. Ook geeft het inzicht in de wijze waarop reclamant het minnelijk overleg heeft ervaren. Nieuwe gezichtspunten zijn daaruit evenwel niet voortgekomen. Overigens merken Wij op dat niet alleen het logboek bij de beoordeling van het minnelijk overleg wordt betrokken maar ook de onderliggende stukken zoals de biedingsbrieven. Zoals hiervoor onder 202 en 20.3 is opgemerkt, blijkt onder meer uit de brief van 9 juli 2018 dat in het overleg van 24 april 2018 met de adviseur van reclamant is gesproken over de bereidheid van verzoeker tot aankoop van het gehele bedrijf in de minnelijke fase. Dat deze bereidheid niet expliciet in het logboek is vermeld, maakt het overleg nog niet onvoldoende. Bovendien betreft het een bijkomend aanbod.

20.5

Reclamant heeft Ons in het kader van de Algemene Verordening Gegevensverwerking (hierna: AVG) verzocht om geen vertrouwelijke gegevens ter inzage te leggen. Desondanks zijn zowel eigendomsgegevens als persoonlijke gegevens ter inzage gelegd. In het kader van de AVG heeft reclamant laten weten dat hij hier niet mee instemt en Ons verzocht om alle gegevens te verwijderen, zodat men niet kan zien wat in eigendom is bij reclamant en wat de overheid wenst te onteigenen. Hieraan is geen gehoor gegeven en de eigendomsgegevens en zijn persoonlijke gegevens zijn bij de rectificatie nogmaals ter inzage gelegd. Reclamant maakt hier nogmaals bezwaar tegen.

Ad 20.5

Anders dan reclamant kennelijk veronderstelt is voor de verwerking van persoonsgegevens van belanghebbenden in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure geen toestemming (als bedoeld art. 6 lid 1 sub a AVG) nodig. De grondslag voor deze verwerking is een wettelijke verplichting (als bedoeld in art. 6 lid 1 sub c AVG), te weten artikel 63 van de onteigeningswet. In artikel 63, eerste lid, van deze wet is bepaald dat op de voorbereiding van de beslissing tot onteigening afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. Ingevolge artikel 63, tweede lid, onder 2 sub b worden de namen van de eigenaars van de te onteigenen onroerende zaken (zoals vermeld in de Basisregistratie Kadaster) ter inzage gelegd samen met het ontwerp van het koninklijk besluit. De persoonsgegevens die in deze documenten zijn opgenomen zijn openbare gegevens uit de Basisregistratie Kadaster. De openbaarheid van de Basisregistratie Kadaster is wettelijk vastgelegd. Overige persoonsgegevens van reclamant zijn niet ter inzage gelegd. De verwerking van de persoonsgegevens van reclamanten is hiermee in lijn met de AVG.

20.6

In de ogen van reclamant kenmerken de onderhandelingen zich door een aaneenschakeling van manipulatieve en frauduleuze handelingen aan de kant van verzoeker. Reclamant heeft hier eerder op gewezen en verzoeker zou het logboek direct aanpassen en aan reclamant toezenden, maar dit is tot de datum van de zienswijze niet gebeurd. Reclamant heeft verzoeker verzocht om vervanging van de verwerver, aangezien hij de indruk heeft dat deze verwerver en/of andere medewerkers van verzoeker hebben getracht om de WOZ-gegevens van het object van reclamant te wijzigen. Vastgesteld is volgens reclamant dat er een zeer warme en hechte band is tussen de betrokkenen aan de kant van verzoeker en de medewerkers van de gemeente Duiven. Reclamant heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-gegevens en deze zijn thans gecorrigeerd.

Ad 20.6

Wij merken op dat ons uit de stukken en hetgeen op de hoorzitting is behandeld niet is gebleken dat er sprake zou zijn van fraude of manipulatie aan de kant van verzoeker. Het komt ons voor dat deze opmerkingen van reclamant zijn ingegeven vanuit zijn persoonlijke beleving. Wij gaan hieraan dan ook voorbij.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 20 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 21

21.1

Reclamanten betogen dat het thans veel te vroeg is om een onteigeningsprocedure in gang te zetten. Tegen het Tracébesluit ViA15 lopen nog beroepen en de beroepsprocedure is nog niet afgerond. Verzoeker is ermee bekend dat het plan in strijd is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018. Het is niet rechtvaardig om al een onteigeningsprocedure te starten en reclamanten onder druk te zetten.

Ad 21.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

21.2

Reclamanten hebben er moeite mee dat slechts een klein deel van het perceel wordt onteigend en dat de hele woning en tuin met bijbehorende gronden niet worden aangekocht. Dit terwijl er toch een forse verzwaring van de overlast is te verwachten. Er is sprake van een aanzienlijke toename van het geluid, trilling en fijnstof bij de woning van reclamanten. Met een eerdere melding hierover is niets gedaan, hetgeen uiterst ongepast is. Reclamanten betogen dat met een andere reclamant wel wordt gesproken over totale uitkoop en zij wensen op een gelijkwaardige manier te worden behandeld.

Ad 21.2

Zoals Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze bij reclamanten 10 onder 1 kunnen in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure alleen die gronden ter onteigening kunnen worden aangewezen die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het werk. Aankoop van overige gedeelten dan wel gehele aankoop van de betrokken onroerende zaken kan niettemin in het minnelijk overleg tussen de verzoeker om onteigening en belanghebbenden betrokken worden. De verzoeker kan echter niet verplicht worden om tot totale aankoop over te gaan, buiten het hiervoor gestelde. Overigens is Ons uit de overlegde stukken gebleken dat verzoeker tijdens overleggen op 5 april 2017, 19 maart 2018, telefonisch op 9 januari 2018 en bij brief van 14 juni 2018, kenbaar heeft gemaakt dat hij gelet op 38 van de onteigeningswet geen reden ziet om tot volledige aankoop over te gaan.

Voor zover reclamanten menen schade te lijden door het niet volledig aankopen van de onroerende zaak heeft dit betrekking op de hoogte van de schadeloosstelling. Dit staat Ons echter in de onderhavige procedure niet ter beoordeling. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.4.

Het betoog van reclamanten over de aanzienlijke toename van het geluid, trilling en fijnstof bij hun woning is planologisch van aard en staat Ons in het kader van de onderhavige procedure niet ter beoordeling.

21.3

Reclamanten laten weten dat er in het kader van de AVG geen goedkeuring is verleend voor het ter inzage leggen van persoonlijke en eigendomsgegevens. Desondanks zijn zowel eigendomsgegeven als persoonlijke gegevens in 2019 wederom ter inzage gelegd, terwijl reclamanten daar geen toestemming voor hebben gegeven. Het ter inzage leggen van de stukken is in strijd met de AVG en Europese wetgeving. Ook in Europees verband worden onteigeningsstukken niet meer gepubliceerd. Zeker niet in een voorfase waarin nog niet zeker is of het plan met betrekking tot de doortrekking A15 wel wordt goedgekeurd.

Ad 21.3

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 20 onder 20.5.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 21 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamant 22

22.1

Reclamant betoogt dat het thans veel te vroeg is om een onteigeningsprocedure in gang te zetten. Tegen het Tracébesluit ViA15-2017 lopen nog beroepen en de beroepsprocedure is nog niet afgerond. Verzoeker is ermee bekend dat het plan in strijd is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 november 2018. Het is niet rechtvaardig om al een onteigeningsprocedure te starten en reclamant onder druk te zetten.

Ad 22.1

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.2.

22.2

Verzoeker heeft reclamant laten weten dat met de pachter al een schriftelijke overeenkomst is gesloten tot beëindiging van de pacht en dat de pachter de grond laat liggen per datum dat het notarieel transport van de grond van reclamant plaatsvindt. Reclamant is als verpachter hier nimmer in gekend. De pachtovereenkomst is al enige tijd terug opgezegd wegens dringend eigen gebruik.

Ad 22.2

Uit de overgelegde stukken en verstrekte informatie is Ons gebleken dat verzoeker reclamant bij brieven van 14 december 2017 en 25 juni 2018 aanbiedingen heeft gedaan, gericht op de aankoop van de benodigde oppervlakte. De brief van 25 juni 2018 bevat zowel een aanbod voor aankoop van het benodigde gedeelte in verpachte staat als een aanbod voor aankoop daarvan vrij van pacht. Verzoeker heeft desgevraagd en in de hoorzitting kenbaar gemaakt dat reclamant in ieder geval tot op het moment van de start van de onderhavige onteigeningsprocedure verzoeker geen duidelijkheid heeft verschaft over de vraag of hij de grond in verpachte dan wel niet verpachte staat kan en zal leveren. Verzoeker heeft daarom, anticiperend op verwerving in verpachte staat, met de huidige pachter een pachtontbindingsovereenkomst gesloten. De hierin opgenomen schadeloosstelling komt pas tot uitbetaling aan de pachter zodra verzoeker de eigendom van reclamant in verpachte staat aankoopt. Mocht verzoeker de eigendom in onverpachte staat aankopen, dan vindt deze uitbetaling niet aan de pachter plaats. In dat geval geldt de aanbieding aan reclamant zoals gedaan bij de brief van 25 juni 2018 op basis van aankoop in onverpachte staat. Dit is door de verwerver van verzoeker te kennen gegeven aan de adviseur van reclamant naar aanleiding van telefonische vragen op 25 januari 2019. Op 1 maart 2019 heeft de verwerver dit nogmaals bevestigd in een overleg met de adviseur. Tijdens dit laatste overleg meldt de adviseur dat reclamant de pacht pas per 1 januari 2020 heeft opgezegd, waarbij de verwachting bestaat dat de pachter hiertegen in beroep zal gaan. Daarom is vooralsnog niet bekend of de grond al dan niet in verpachte staat zal worden opgeleverd. Gelet op het vorenstaande komt het Ons niet onlogisch voor dat verzoeker met de pachter in overleg is getreden.

22.3

Reclamant wil de overblijvende grond, welke uiteenvalt in twee percelen, in eigendom houden. Hij wil echter wel de zekerheid dat deze percelen met landbouwverkeer bereikbaar blijven als het ter onteigening aan te wijzen gedeelte wordt afgescheiden. Verzoeker heeft verzuimd de ontsluiting van het overblijvende op een adequate manier te regelen.

Ad 22.3

Uit de overgelegde stukken is Ons gebleken dat reclamant dit pas in de zienswijze naar voren heeft gebracht. Verzoeker heeft desgevraagd kenbaar gemaakt dat de bereikbaarheid van de overblijvende gedeelten hoe dan ook gewaarborgd zal worden. Er zal worden voorzien in een adequate ontsluiting van de beide gedeelten die reclamant in eigendom behoudt.

22.4

Reclamant betoogt dat in geval het Tracébesluit vernietigd wordt en verzoeker ten onrechte de onteigeningsprocedure in gang heeft gezet alle schade die daaruit voortvloeit voor rekening van verzoeker komt.

Ad 22.4

De verzoeker heeft desgevraagd kenbaar gemaakt dat gemaakte kosten op basis van de dubbele redelijkheidstoets worden vergoed als om wat voor reden dan ook het werk niet wordt uitgevoerd. Dit is conform het Besluit vergoeding deskundigenkosten. De opstelling en wijze van benadering zal dan gelijk zijn als in de situatie waarin aankoop zou hebben plaatsgevonden.

22.5

Reclamant laat weten dat er in het kader van de AVG geen goedkeuring is verleend voor het ter inzage leggen van persoonlijke en eigendomsgegevens. In een eerder stadium is dit ook door andere eigenaren naar voren gebracht. Desondanks zijn zowel eigendomsgegeven als persoonlijke gegevens in 2019 wederom ter inzage gelegd. Het ter inzage leggen van de stukken is in strijd met de AVG en Europese wetgeving. Ook in Europees verband worden onteigeningsstukken niet meer gepubliceerd. Zeker niet in een voorfase waar nog niet onzeker is of het plan met betrekking tot de doortrekking A15 wel wordt goedgekeurd.

Ad. 22.5

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 20 onder 20.5.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 22 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het overgelegde plan van het werk niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer en de verbetering van de infrastructuur noodzakelijk worden geacht dat de Staat de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van de Staat tot het nemen van een besluit krachtens artikel 72a van de onteigeningswet gedeeltelijk toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 17 april 2019, nr. RWS-219/13253, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het verzoek van Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij brief van 14 september 2018, kenmerk RWS-2018/7270;

gelezen de brief van verzoeker van 8 april 2019 kenmerk RWS-2019/11926;

gelezen de e-mail van verzoeker van 5 april 2019;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 5 juni 2019, no.W17.19.0108/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat 28 juni 2019, nr. RWS-2019/22053, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de wijziging en doortrekking van de Rijksweg A15, voor de aanleg van een nieuw knooppunt in de aansluiting van de Rijksweg A15 met de Rijksweg A12 (knooppunt Oudbroeken) en voor de wijziging van de Rijksweg A12, alsmede voor aanpassing van de aansluitingen Elst, Bemmel en Duiven/Zevenaar en voor de aanleg van nieuwe aansluitingen Duiven en Zevenaar-Oost (project ViA15), vanaf ongeveer 350 meter voor de kruising van de Rijksweg A50 met de N836/Tielsestraat ten zuiden van het knooppunt Valburg (A50 km. 153.514) en Rijksweg A15 in het knooppunt Valburg (A15 km. 154.500) tot ongeveer 500 meter oostelijk van de kruising van de Rijksweg A12 met de N338/Rivierweg (A12 km. 136.300), de Rijksweg A12 in het knooppunt Oud-Dijk (A12 km. 147.680) en de kruising van de Rijksweg A18 met de weg Landeweer ten noorden van het knooppunt Oud-Dijk (A18 km. 18.987), met bijkomende werken, in de gemeenten Overbetuwe, Nijmegen, Lingewaard, Duiven, Zevenaar en Montferland, ten name van de Staat ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken in de gemeenten Overbetuwe, Lingewaard, Duiven, Zevenaar en Montferland aangeduid op de grondtekeningen die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in de gemeenten Overbetuwe, Lingewaard, Duiven, Zevenaar, Montferland en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage hebben gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Den Haag, 3 juli 2019

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: VIA15

VERZOEKENDE INSTANTIE: MINISTERIE VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT

 

Kadastraal bekend als gemeente Elst

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

208.5

5

Terrein (akkerbouw)

25.395

N 2019

Gerardus Johannes Maria Knuiman, Elst (Gld.).

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem.

208.6

518

     
 

Kadastraal bekend als gemeente Ressen

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

268.7

1.832

Terrein (teelt – kweek)

12.115

C 2

Edwin Florès, Arnhem.

 

Kadastraal bekend als gemeente Bemmel

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

47.9

5.204

Terrein (akkerbouw)

170.155

L 887

Wilhelmina Catharina Johanna Bosman, Bemmel.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

De Staat (Rijksvastgoedbedrijf), ‘s-Gravenhage.

           
 

Kadastraal bekend als gemeente Angeren

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

2.18wt

468

Water

3.940

A 889

Eigendom belast met erfpacht:

De Staat (Infrastructuur en Waterstaat), ’s-Gravenhage.

Erfpacht:

Huissenswaard Onroerende Zaak B.V., Angeren.

Einddatum recht: 30-07-2009.

2.19

784

     

2.20wt

399

     
           

3.20

163

Terrein (industrie)

250

A 1091

Eigendom belast met opstal:

Huissenswaard Onroerende Zaak B.V., Angeren.

Opstal:

B.V. Steenfabriek Huissenswaard, Angeren.

Einddatum recht: 01-07-2031.

3.21wt

87

     
           

3.23wt

5.757

Bedrijvigheid (industrie)

Terrein (industrie)

40.735

A 1242

Eigendom belast met opstal:

Huissenswaard Onroerende Zaak B.V., Angeren.

Opstal:

B.V. Steenfabriek Huissenswaard, Angeren.

Einddatum recht: 01-07-2031.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Vitens N.V., Zwolle.

3.27

9.506

   
           

3.28

495

Bedrijvigheid (industrie)

Terrein (industrie)

19.580

A 1087

Eigendom belast met opstal:

Huissenswaard Onroerende Zaak B.V., Angeren.

Opstal:

B.V. Steenfabriek Huissenswaard, Angeren.

Einddatum recht: 01-07-2031.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

7.31

404

Terrein (grasland)

4.830

A 1300

Beheermaatschappij H. Sluiter Bv, Angeren, zetel: Nijmegen.

7.32wt

1.683

       
           

7.33wt

2.126

Terrein (grasland)

17.930

A 1254

Beheermaatschappij H. Sluiter Bv, Angeren, zetel: Nijmegen.

7.34

3.970

       

7.35wt

2.299

       
           

7.36wt

3.970

Terrein (grasland)

47.765

A 1251

Beheermaatschappij H. Sluiter Bv, Angeren, zetel: Nijmegen.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

7.37

6.640

     

7.38wt

3.332

     
           

7.39

5.192

Terrein (grasland)

17.530

A 1237

Beheermaatschappij H. Sluiter Bv, Angeren, zetel: Nijmegen.

7.41wt

4.533

       
           

7.42

2.812

Terrein (akkerbouw)

37.225

A 1115

Beheermaatschappij H. Sluiter Bv, Angeren, zetel: Nijmegen.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

7.47wt

4.430

     
           

7.46

107

Terrein (grasland)

950

A 1088

Beheermaatschappij H. Sluiter Bv, Angeren, zetel: Nijmegen.

7.48wt

311

       
           

9.42wt

1.715

Terrein (grasland)

11.315

A 1228

Bureau Beheer Landbouwgronden (RVO.nl), Utrecht, zetel:

’s-Gravenhage.

9.43

2.668

     
           

26.10

12.953

Terrein (grasland)

28.590

E 498

Elk 1/2 eigendom:

Theodorus Gerardus Maria van Alst, Angeren, gehuwd met Johanna Everdina Theodora Hofs;

Johanna Everdina Theodora Hofs, Angeren, gehuwd met Theodorus Gerardus Maria van Alst.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (5x).

           

26.13

107

Wonen (agrarisch)

Terrein (grasland)

13.475

E 380

Elk 1/2 eigendom:

Theodorus Gerardus Maria van Alst, Angeren, gehuwd met Johanna Everdina Theodora Hofs;

Johanna Everdina Theodora Hofs, Angeren, gehuwd met Theodorus Gerardus Maria van Alst.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

28.10

7.030

Terrein (grasland)

9.155

E 499

Elk 1/2 eigendom:

Everardus Hendrikus Gerardus van Alst, Oosterbeek;

Gerardus Johannes Maria van Alst, Venray.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

 

Kadastraal bekend als gemeente Groessen en Loo

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

9.44wt

1.029

Terrein (natuur)

50.500

D 454

Bureau Beheer Landbouwgronden (RVO.nl), Utrecht, zetel:

’s-Gravenhage.

9.45

1.847

     

9.46wt

1.392

       

9.50wt

156

       

9.51

309

       

9.52wt

341

       
           

9.47wt

6.911

Terrein (natuur)

132.900

D 452

Eigendom belast met opstal:

Bureau Beheer Landbouwgronden (RVO.nl), Utrecht, zetel:

’s-Gravenhage.

Opstal:

Railinfratrust B.V., Utrecht.

9.48

12.876

     

9.49wt

6.963

     
 

Kadastraal bekend als gemeente Duiven

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

1.365

Geheel

Wegen

122.590

I 199

De Staat (Infrastructuur en Waterstaat), ’s-Gravenhage.

           

25.1

Geheel

Bedrijvigheid (nutsvoorziening)

102

H 108

Liander Infra N.V., Arnhem.

           

69.11

13.645

Terrein (akkerbouw)

55.035

I 395

Elk 1/2 eigendom:

Evert Johan Frederik Alderkamp, Zevenaar, gehuwd met Annemarie Voogt;

Annemarie Voogt, Zevenaar, gehuwd met Evert Johan Frederik Alderkamp.

Verkregen namens maatschap:

Maatschap E.J.F. Alderkamp en A. Voogt, Zevenaar.

           

86.3

8.231

Wonen

Terrein (grasland)

16.190

H 13

Theodorus Jacobus van Ditshuizen, Groessen, gehuwd met Maria Johanna Derksen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Vitens N.V., Zwolle;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

           

87.8

14.582

Terrein (grasland)

23.040

H 16

Richard Gerhardus Henricus Braam, Groessen, gehuwd met Anouk Catharina Elisabeth Jansen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Vitens N.V., Zwolle;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

88.13

4.017

Terrein (akkerbouw)

15.170

H 1488

Clemens Martinus Maria Koning, Groessen, gehuwd met Maria Wilhelmina Francisca van Ditshuizen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem (2x);

Vitens N.V., Zwolle (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (3x).

           

88.14

Geheel

Terrein (grasland)

11.610

H 19

Clemens Martinus Maria Koning, Groessen, gehuwd met Maria Wilhelmina Francisca van Ditshuizen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Vitens N.V., Zwolle.

           

88.15

14.901

Wonen (agrarisch)

Terrein (akkerbouw)

45.755

H 18

Clemens Martinus Maria Koning, Groessen, gehuwd met Maria Wilhelmina Francisca van Ditshuizen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Vitens N.V., Zwolle (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (3x).

           

88.23

4.963

Terrein (grasland)

8.430

H 17

Elk 1/2 eigendom:

Clemens Martinus Maria Koning, Groessen, gehuwd met Maria Wilhelmina Francisca van Ditshuizen;

Maria Wilhelmina Francisca van Ditshuizen, Groessen, gehuwd met Clemens Martinus Maria Koning.

           

93.8

111

Terrein (natuur)

21.683

H 1493

Elk 1/2 eigendom:

Henricus Theodorus Wilhelmus Uffing, Groessen, gehuwd met Dorothea Maria Hendrina Berndsen;

Dorothea Maria Hendrina Berndsen, Groessen, gehuwd met Henricus Theodorus Wilhelmus Uffing.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Gemeente Duiven, Duiven;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

93.11

15.141

Terrein (akkerbouw)

140.025

H 49

Henricus Theodorus Wilhelmus Uffing, Groessen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (5x).

           

93.15

53

Erf – Tuin

2.940

H 91

Henricus Theodorus Wilhelmus Uffing, Groessen.

           

95.7

8.053

Wonen (agrarisch)

Terrein (akkerbouw)

23.715

H 67

Henricus Hermanus Johannes Bisseling, Groessen, overleden.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

           

111.15

1.049

Terrein (grasland)

4.345

H228

Jacobus Gerardus Maria Aaldering, Groessen.

           

133.10

3.308

Terrein (grasland)

22.400

H 598

Gerrit Jan Hendrik Heijting, Groessen, gehuwd met Maria Flora Liefferink.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem (2x).

           

139.12

17.350

Wonen (agrarisch) Terrein (grasland)

36.085

H 1177

Hermanus Theodorus Josephus Wolters, Groessen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

141.9

544

Wonen Terrein (akkerbouw)

5.660

H 1197

Elk 1/2 eigendom:

Theodorus Johannes Wilhelmus van Haeren, Groessen, gehuwd met Ingrid Theodora Maria Janssen;

Ingrid Theodora Maria Janssen, Groessen, gehuwd met Theodorus Johannes Wilhelmus van Haeren.

141.10

227

   
           

144.14

269

Terrein (grasland)

6.365

H 1229

Elk 1/2 eigendom:

Louis Karel Willem Gerritsen, Groessen, gehuwd met Antonia Johanna Maria Leijting;

Antonia Johanna Maria Leijting, Groessen, gehuwd met Louis Karel Willem Gerritsen.

           

147.13

26.174

Bedrijvigheid (agrarisch)

Terrein (grasland)

200.495

H 1478

Pluimveebedrijf Jansen Groessen B.V., Groessen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem (2x);

Vitens N.V., Zwolle (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

151.5

380

Terrein (akkerbouw)

21.300

I 134

Elk 1/2 eigendom:

Bernardus Johannes Antonius Steentjes, Duiven, gehuwd met Johanna Geertruida Petronella Maria Peters;

Johanna Geertruida Petronella Maria Peters, Duiven, gehuwd met Bernardus Johannes Antonius Steentjes.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem.

           

157.7

16.480

Terrein (grasland)

61.375

I 147

Elk 1/3 eigendom:

Susanne Mary Antoinette Willemsen, Huissen;

Christel Margareth Willemsen, Ochten;

Bjorg Gerhard Bernard Willemsen, Gendt.

Opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem (2x);

Vitens N.V., Zwolle;

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem (2x).

           

173.9

9.788

Terrein (akkerbouw)

70.380

I 226

Elk 1/5 eigendom:

Reynout Anthony Kornelis Gideon Kwint, Cannich, Invernesshire (Groot-Brittannië);

Sheila Reina Ingrid Rebecca Kwint, ’s-Gravenhage;

Esther Andrea Titia Tamara Kwint, Rotterdam;

Gideon Hendrik Menzo Mattheus Kwint, Amsterdam;

Elisabeth Tatiana Henriëtte Deborah Kwint, Londen (Groot-Brittannië).

           

177.6

267

Terrein (akkerbouw)

34.705

I 209

Jacob Lorvenstein, Arnhem, overleden.

           

179.10

14.008

Terrein (akkerbouw)

50.885

I 212

Elk 1/2 eigendom:

Robertus Johannes Maria Weenink, Zevenaar, gehuwd met Johanna Geertruida Francisca van Keulen;

Johanna Geertruida Francisca van Keulen, Zevenaar, gehuwd met Robertus Johannes Maria Weenink.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

           

182.3

Geheel

Terrein (akkerbouw)

635

I 215

De protestantse gemeente te Zevenaar, Zevenaar.

           

182.6

Geheel

Terrein (akkerbouw)

22.685

I 214

De protestantse gemeente te Zevenaar, Zevenaar.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Vitens N.V., Zwolle;

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

184.14

1.233

 

20.055

I 221

Elk 1/2 eigendom:

Theodorus Antonius Maria Jansen, Groessen, gehuwd met Anna Maria Aleida Jacoba Hooijman;

Anna Maria Aleida Jacoba Hooijman, Groessen, gehuwd met Theodorus Antonius Maria Jansen.

Verkregen namens Vennootschap onder firma: V.O.F.

Pluimveebedrijf Jansen Groessen, Groessen.

           

184.16

3.117

 

68.715

I 220

Elk 1/2 eigendom:

Theodorus Antonius Maria Jansen, Groessen, gehuwd met Anna Maria Aleida Jacoba Hooijman;

Anna Maria Aleida Jacoba Hooijman, Groessen, gehuwd met Theodorus Antonius Maria Jansen.

Verkregen namens Vennootschap onder firma: V.O.F.

Pluimveebedrijf Jansen Groessen, Groessen.

           

191.8

9.209

Terrein (akkerbouw)

17.200

I 245

Bernard Willem Wijers, Didam, gehuwd met Jantje Katharina Gerritsen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

191.14

145

     
           

192.10

30.512

Terrein (akkerbouw)

38.755

I 246

Theodorus Gerardus Maria Bomers, Duiven, gehuwd met Francisca Josephina van der Linde.

Opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

193.5

145

Terrein (grasland)

1.000

I 361

Grond Obligatie Fonds I B.V., Zaandam, zetel: Zaanstad.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem;

Verizon Nederland B.V., Amsterdam (2x)

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

194.5

318

Terrein (nieuwbouw – wonen)

3.000

I 362

Elk 1/2 eigendom:

Jan van der Stoep, Pijnacker, gehuwd met Ingje Rijneveld;

Ingje Rijneveld, Pijnacker, gehuwd met Jan van der Stoep.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem;

Verizon Nederland B.V., Amsterdam (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

196.5

381

Terrein (nieuwbouw – wonen)

4.045

I 363

Franciscus Cornelis Maria Hereijgers, Zundert, gehuwd met Yvonne Maria Lucia Roelands.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem;

Verizon Nederland B.V., Amsterdam (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

197.5

102

Terrein (nieuwbouw – wonen)

1.015

I 364

Adriana Theodora Maria van der Zanden, De Lier, overleden.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem;

Verizon Nederland B.V., Amsterdam (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

198.5

113

Terrein (nieuwbouw – wonen)

1.000

I 365

Jan Willemse Kwestro, Warmond, gehuwd met Pieternella Jannie Arina van Bergeijk.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem;

Verizon Nederland B.V., Amsterdam (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

199.5

130

Terrein (nieuwbouw – wonen)

1.000

I 366

Macin Holding B.V., Vijfhuizen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem;

Verizon Nederland B.V., Amsterdam (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

252.17

2.853

Terrein (akkerbouw)

46.605

I 141

Marchel Johannes Gerardus Koster, Zevenaar, gehuwd met Angélique Elisabeth Johanna Meurs.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle;

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem (2x).

           

260.8

217

Wonen (agrarisch) Terrein (akkerbouw)

60.485

I 225

Emiel René Jan Otten, Groessen.

           

267.3

2.804

Terrein (grasland)

31.370

I 240

Hendricus Johannes Sweers, Zevenaar.

 

Kadastraal bekend als gemeente Oud-Zevenaar

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

231.68

Geheel

Bouwwerken – Waterwerken

570

C 3510

Eigendom belast met opstal:

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

Opstal:

De Staat (Infrastructuur en Waterstaat), ’s-Gravenhage.

           

231.69

Geheel

Bouwwerken – Waterwerken

480

M 337

Eigendom belast met opstal:

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

Opstal:

De Staat (Infrastructuur en Waterstaat), ’s-Gravenhage.

           

231.102

Geheel

Terrein (natuur)

600

C 4118

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.103

214

Terrein (natuur)

2.650

C 4119

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

231.165

14

       
           

231.104

8

Terrein (grasland)

9.175

C 4124

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.141

1.098l

Wegen

1.100

C 3511

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.158

225

Wegen

3.670

K 4598

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.160

699

Wegen

15.894

K 4605

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle;

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem.

           

231.163

61

Wegen

9.410

C 4122

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem.

           

231.167

15.007

Terrein (akkerbouw)

66.832

C 4126

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.168

7.447

Terrein (grasland)

7.460

C 4158

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.173

1.552

Terrein (akkerbouw)

4.550

C 3497

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.175

1.798

Terrein (grasland)

9.210

C 3498

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.177

1.950

Terrein (grasland)

7.410

C 3499

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.178

141

Wegen

96.035

C 4223

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

231.208

279

       

231.209

286

       

231.222

5.523

       

231.231

1.802

       
           

231.181

1.241

Terrein (natuur)

8.930

C 4157

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.198

Geheel

Terrein (akkerbouw)

10.500

C 3506

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.199

370

Wegen

11.000

M 360

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.201

10.625

Wegen

12.380

M 388

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.202

6.549

Wegen

15.285

M 389

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.212

840

Parken – Plantsoenen

5.854

G 1397

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.215

1.611

Wegen

6.400

K 3063

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem.

           

231.219

2.234

Bedrijvigheid (industrie) Erf – Tuin

3.400

C 3503

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.220

2.512

Parken – Plantsoenen

7.170

C 3504

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.223

20.356

Parken – Plantsoenen

21.980

C 3505

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.224

3.354

Terrein (akkerbouw)

4.200

C 3509

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.226

2.232

Terrein (grasland)

2.500

C 3508

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

           

231.228

7.225

Wonen Erf – Tuin

7.310

C 3507

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Liander Infra N.V., Arnhem (2x).

           

231.232

1.341

Wonen Erf – Tuin

89.211

K 4858

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

231.234

3.280

 

Voorlopig

 
           

231.236

212

Wegen

50.850

K 4823

Gemeente Zevenaar, Zevenaar.

231.237

2.524

       
           

232.8

1.973

Terrein (grasland)

10.000

C 3500

Gerardus Cornelius Bernardus Kraaijvanger, Didam.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem.

232.11

516

     
           

233.10

1.811

Terrein (akkerbouw)

127.150

K 22

Elk 1/2 eigendom:

Jan Otto Lodewijk van Boetzelaer, Tigne Sliema (Malta);

Jonkvrouw Henriette Louise Wilhelmine Jacqueline Six, Renswoude, overleden.

           

243.14

541

Terrein (grasland)

5.190

M 959

Theodorus Gerardus Arnoldus Maria Holleman, Babberich, gehuwd met Yvonne Aleida Wilhelmina Maria Kemperman.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem.

           

243.16

64

Terrein (akkerbouw)

200

M 376

Theodorus Gerardus Arnoldus Maria Holleman, Babberich.

           

243.18

1.466

Terrein (akkerbouw)

7.055

M 377

Theodorus Gerardus Arnoldus Maria Holleman, Babberich, gehuwd met Yvonne Aleida Wilhelmina Maria Kemperman.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen:

Verizon Nederland B.V., Amsterdam.

           

244.9

9.040

Terrein (akkerbouw)

28.580

M 393

Reinerus Theodorus Arnoldus Johannes Derksen, Didam.

           

245.6

190

Wonen

Terrein (akkerbouw)

22.440

M 441

Elk 1/2 eigendom:

Adrianus Hubertus Christiaan Antonius van der Meer, Zevenaar;

Johanna Elisabeth Maria Margreta de Roeper, Zevenaar.

           

252.11

4.730

Terrein (akkerbouw)

56.370

O 53

Marchel Johannes Gerardus Koster, Zevenaar, gehuwd met Angélique Elisabeth Johanna Meurs.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Liander Infra N.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle;

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem (2x).

           

252.15

12.339

Terrein (akkerbouw)

50.990

O 38

Marchel Johannes Gerardus Koster, Zevenaar.

Opstalrecht nutsvoorzieningen:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Saranne B.V., Arnhem;

Liander Infra N.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle (3x);

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem (2x);

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

           

254.9

3.168

Wonen

Terrein (grasland)

18.850

O 54

Gerhardus Theodorus Antonius Koster, Zevenaar, gehuwd met Josephina Maria Martina Verwaaijen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem;

Vitens N.V., Zwolle;

Waterschap Rijn en IJssel, Doetinchem (2x).

 

Kadastraal bekend als gemeente Didam

Grondplan nr.

Te onteigenen grootte (m2)

Omschrijving

Kadastrale grootte (m2)

Sectie en nr.

Ten name van

56.15wt

163

Terrein (akkerbouw)

2.700

N 370

Maria Johanna Wilhelmina Damen, Didam.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Verizon Nederland B.V., Amsterdam.

           

56.17wt

513

Terrein (akkerbouw)

12.140

N 369

Maria Johanna Wilhelmina Damen, Didam.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Verizon Nederland B.V., Amsterdam.

           

56.19wt

639

Terrein (akkerbouw)

18.940

N 371

Maria Johanna Wilhelmina Damen, Didam.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen (2x).

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht op gedeelte van perceel:

Liander Infra N.V., Arnhem.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Verizon Nederland B.V., Amsterdam.

56.29wt

9

     

56.30

9

     
           

56.23

55

Terrein (akkerbouw)

115

N 374

Maria Johanna Wilhelmina Damen, Didam.

56.24wt

60

       
           

56.25

197

Terrein (akkerbouw)

610

N 373

Maria Johanna Wilhelmina Damen, Didam.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder g, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Liander Infra N.V., Arnhem.

56.26wt

413

     
           

56.27wt

662

Terrein (natuur)

1.355

N 776

Maria Johanna Wilhelmina Damen, Didam.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

56.28

693

     
           

72.7wt

554

Berging – Stalling (garage-schuur) Terrein (grasland)

75.560

R 652

Hermanus Maria Jozef Gies, Didam.

Zakelijk recht als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht:

Gasunie Transport Services B.V., Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel:

Verizon Nederland B.V., Amsterdam;

Ziggo Services B.V., Utrecht.

72.8

328

   
           

77.5

11

Bedrijvigheid (kantoor)

Parkeren

3.175

R 819

Zevog B.V., Arnhem, zetel: Zevenaar.

           

78.4

50

Bedrijvigheid (kantoor)

Erf – Tuin

1.120

R 836

Florentia Johanna Jozepha Maria van Pul, Wehl.