Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2019, 36800Besluiten van algemene strekking

Belastingen op milieugrondslag

Belastingdienst/Corporate Dienst Vaktechniek

Besluit van 28 juni 2019, nr. 2019-98996

De Staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een herziening van het besluit van 3 april 2015, nr. BLKB2015/370M, dat hiermee wordt ingetrokken.

Er is een aantal aanleidingen voor de herziening. Voor de afvalstoffenbelasting is in onderdeel 2.2. (nieuw) vooruitlopend op wetgeving voorzien in een goedkeuring ter zake van het storten van verbrandingsresten binnen de eigen inrichting.

Daarnaast zijn de onderdelen 4.1.1. tot en met 4.1.4. (oud) over de toepassing van de zogenaamde complexbepaling voor de energiebelasting vervallen. Door het vervallen van deze onderdelen is ook onderdeel 4.1 gewijzigd. Het vervallen gedeelte betreft uitleg van de wet en bevat geen goedkeurend beleid. Bovendien is de tekst van dit gedeelte sinds 2017 integraal opgenomen in het Handboek Milieubelastingen, zodat opname in dit besluit niet langer noodzakelijk is. De formulering van de passages over openbare infrastructurele voorzieningen en evenementen in de onderdelen 4.1.1. (nieuw) en 4.1.2. (nieuw) is gewijzigd ter verduidelijking.

In onderdeel 4.2. (nieuw) is een tegemoetkoming opgenomen voor de afdracht van energiebelasting bij levering aan tuinders.

Voorts is voor de energiebelasting in onderdeel 4.4.3. (nieuw) voorzien in een goedkeuring bij postcodewijziging.

Tenslotte vervalt de goedkeuring ter zake van teruggaaf wegens oninbaarheid in onderdeel 4.5 (oud). Als gevolg van een wetswijziging heeft deze goedkeuring geen belang meer voor vorderingen die de ondernemer na 31 december 2016 overneemt.

1. Inleiding

In dit besluit zijn beleidsregels opgenomen voor de afvalstoffenbelasting, de kolenbelasting en de energiebelasting.

1.1. Gebruikte begrippen en afkortingen

AWR

Algemene wet inzake rijksbelastingen

besluit

Uitvoeringsbesluit belastingen op milieugrondslag

wet

Wet belastingen op milieugrondslag

wet WOZ

Wet waardering onroerende zaken

2. Afvalstoffenbelasting

2.1. Bovenafdichtingsconstructie

Materiaal dat wordt gebruikt voor het realiseren van een bovenafdichtingsconstructie wordt niet tot afvalstoffen gerekend (artikel 22, tweede lid, van de wet en artikel 4, onderdeel c, van het besluit). De bovenafdichtingsconstructie wordt boven op de egalisatie-/steunlaag aangebracht en bestaat uit een minerale en een synthetische component. De minerale component is veelal een zand/bentoniet mengsel en de synthetische component een HDPE-folie.

Hierbij kan het zogenoemde Hydrostab een vervanger voor het zand/bentoniet mengsel zijn. Indien de Advieskamer Stortbesluit heeft aangegeven dat een bovenafdichtingsconstructie van Hydrostab met een synthetische laag gelijkwaardig is aan een bovenafdichtingsconstructie van een zand/bentoniet mengsel met een synthetische laag, wordt de Hydrostab beschouwd als een onderdeel van de bovenafdichtingsconstructie. In dat geval is het redelijk dat het gebruik van componenten in de Hydrostab niet beschouwd wordt als het storten van afvalstoffen. Het is hierbij niet van belang dat enkele componenten afvalstoffen waren voordat zij werden toegepast in de bovenafdichtingsconstructie.

2.2. Storten van verbrandingsresten binnen de eigen inrichting

Op grond van artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van de wet wordt afvalstoffenbelasting geheven ter zake van de verwijdering van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan.

Per 1 januari 2015 wordt afvalstoffenbelasting geheven ter zake van zowel afvalstoffen die aan een inrichting ter storting worden afgegeven als afvalstoffen die aan een inrichting ter verbranding worden afgegeven (artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet). Hierdoor wordt geheven over de afvalstoffen die aan een inrichting zijn afgegeven ter verbranding en over de verbrandingsresten die door verbranding van afvalstoffen binnen de inrichting zijn ontstaan en die binnen die inrichting worden gestort. Wanneer de verbrandingsresten de eigen inrichting verlaten om in een andere inrichting te worden gestort kan in beginsel op grond van artikel 27, eerste lid, van de wet de zogenaamde in-/uit-methode worden toegepast op die verbrandingsresten. Vervolgens is de afgifte ter storting bij de andere inrichting belast. Hierdoor treedt een ongelijkheid op ten opzichte van het storten van verbrandingsresten binnen de eigen inrichting.

Goedkeuring

Afvalstoffen die ter verbranding worden afgegeven aan een inrichting zijn onderworpen aan afvalstoffenbelasting, evenals de verbrandingsresten die binnen de eigen inrichting worden gestort. Vooruitlopend op wijziging van de wet keur ik goed dat artikel 23, eerste lid, onderdeel b, van de wet niet wordt toegepast voor verbrandingsresten die zijn ontstaan door verbranding binnen de inrichting, mits over de ter verbranding afgegeven afvalstoffen afvalstoffenbelasting is geheven. De goedkeuring geldt niet voor verbrandingsresten die afkomstig zijn van zuiveringsslib of van afvalstoffen waarvoor de uitzondering in artikel 23, eerste lid, onderdeel a, van de wet geldt (hierna: buitenlandse afvalstoffen). Zuiveringsslib en buitenlandse afvalstoffen zijn namelijk niet eerder onderworpen geweest aan afvalstoffenbelasting.

2.3. Verhoudingsgetal

De strikte toepassing van het verhoudingsgetal (artikel 27, derde en vierde lid, van de wet) kan bij bepaalde discontinue productieprocessen tot een financieringsnadeel leiden. Het betreft processen met sterk wisselende intensiteit, waarbij zich tussen het begin en het eind van het kalenderjaar relatief grote voorraadmutaties voordoen. Bij dergelijke processen zullen niet alle afvalstromen die in enig kalenderjaar in de heffing van de afvalstoffenbelasting zijn betrokken ook in datzelfde kalenderjaar de stortinrichting weer verlaten in een andere verschijningsvorm of in de vorm van een ander product. Het financieringsnadeel ontstaat omdat bij de toepassing van het verhoudingsgetal de herrekening op basis van de werkelijke cijfers moet plaatsvinden na afloop van het kalenderjaar.

Goedkeuring

Om dit financieringsnadeel te voorkomen keur ik met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed, dat bij de herrekening na afloop van het kalenderjaar in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de toe- en afnamen van voorraden tussen het begin en het eind van het kalenderjaar. De Belastingdienst levert bij de toepassing van deze goedkeuring zoveel mogelijk maatwerk. Hij houdt hierbij rekening met de feiten en omstandigheden zoals die zich in de praktijk zullen voordoen.

3. Kolenbelasting

3.1. Vervoersopdracht

Het brengen van kolen die zijn geplaatst onder een EU-douaneregeling naar een inrichting wordt niet als invoer aangemerkt (zie artikel 35, tweede lid, onderdeel c, van de wet), mits een vervoersopdracht is afgegeven door of in opdracht van de vergunninghouder van de inrichting waarnaar de kolen worden overgebracht (zie artikel 14, eerste lid, van het besluit). De vraag is gesteld, of de vervoersopdracht achterwege kan blijven als de kolen bij het in het vrije verkeer brengen fysiek niet worden verplaatst.

Goedkeuring

Op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) keur ik goed dat de vervoersopdracht, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het besluit, onder de volgende voorwaarden achterwege blijft:

  • de kolen worden niet fysiek verplaatst;

  • alle relevante gegevens, vereist voor de vervoersopdracht, zijn vastgelegd zowel in de administratie van degene die de kolen in het vrije verkeer brengt als in die van de ontvangende inrichting.

4. Energiebelasting

4.1. Begrip aansluiting; onroerende zaak

Onder een aansluiting wordt verstaan een aansluiting van een in Nederland gelegen onroerende zaak op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd (artikel 47, eerste lid, onderdeel f, van de wet). Voor het begrip onroerende zaak wordt verwezen naar artikel 16, onderdelen a tot en met e, van de wet WOZ. Als uit een door de gemeente afgegeven WOZ-beschikking blijkt dat sprake is van één onroerende zaak, wordt daar in de energiebelasting bij aangesloten. Dat is slechts anders wanneer vanwege de toepassing van artikel 16, onderdeel f, van de wet WOZ sprake is van WOZ-beschikkingen van twee of meer aaneengesloten gemeenten. Bij openbare infrastructurele voorzieningen en bij evenementen kan het voorkomen dat een WOZ-beschikking ontbreekt, waardoor onduidelijkheid bestaat over de berekening van de energiebelasting.

4.1.1. Openbare infrastructurele voorzieningen

In een aantal gevallen wordt op basis van een contract elektriciteit rechtstreeks door het distributiebedrijf afgeleverd aan vele afleveringspunten, die in een bepaald gebied (stad, gemeente, regio) in beheer zijn bij een bepaalde (rechts)persoon aan wie de geleverde elektriciteit in rekening wordt gebracht en die betrekking hebben op openbare infrastructurele voorzieningen. Het betreft bijvoorbeeld de levering van elektriciteit aan een gemeente voor straatverlichting, aan telefoonbedrijven voor de verlichting van telefooncellen en aan busondernemingen voor bushokjes. Voor deze voorzieningen is in het algemeen geen beschikking voor de wet WOZ afgegeven. De (rechts)persoon die deze voorzieningen beheert, ontvangt in de praktijk per gemeente of per regio veelal één factuur voor het totaal van het – al dan niet forfaitair bepaalde – elektriciteitsverbruik van die voorzieningen.

Goedkeuring

Hierbij keur ik op grond van een redelijke wetstoepassing goed dat voor de heffing van de energiebelasting voor openbare infrastructurele voorzieningen wordt aangesloten bij de facturering per gemeente of per regio door de elektriciteitsleverancier. Het betreft de volgende voorzieningen:

  • straatverlichting

  • verkeersregelinstallaties

  • telefooncellen

  • bus- en tramhokjes

  • reizigersinformatieborden (vervoersbedrijven)

  • bewegwijzering

Als de factuur betrekking heeft op elektriciteit die verbruikt wordt ten behoeve van meerdere openbare infrastructurele voorzieningen, wordt de objectafbakening voor de energiebelasting per voorziening toegepast.

4.1.2. Evenementen

Bij evenementen wordt de elektriciteit veelal geleverd via een mobiele meetkast (een zogenoemde kermiskast) waarop verschillende attracties zijn aangesloten, dan wel via een rechtstreekse aftap van de kabel. Voor deze voorzieningen is in het algemeen geen beschikking voor de wet WOZ afgegeven. In een aantal gevallen worden de kosten voor de aansluiting en de elektriciteit niet rechtstreeks aan de daadwerkelijke verbruiker in rekening gebracht maar aan een tussenpersoon (bijvoorbeeld de gemeente of een installatiebedrijf), die ook het verzoek tot de aansluiting heeft gedaan. Deze tussenpersoon rekent vervolgens af met de individuele afnemers.

Praktische werkwijze

Ten behoeve van de uitvoeringspraktijk sta ik uit doelmatigheidsoogpunt (artikel 64 AWR) toe dat voor de heffing van de energiebelasting bij evenementen wordt aangesloten bij de facturering door de elektriciteitsleverancier. Dat betekent dat in voorkomend geval de tussenpersoon (de gemeente, het installatiebedrijf) voor het distributiebedrijf als verbruiker wordt aangemerkt en dat in de tarieven die in rekening worden gebracht de energiebelasting is verwerkt.

4.2. Afdracht energiebelasting bij tuinders

Voor de levering van aardgas gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten (hierna: tuinbouwgas) geldt een verlaagd tarief. Dit verlaagde tarief vindt slechts toepassing indien de leverancier per aansluiting een verklaring kan overleggen die is ondertekend door de tuinbouwer. Tuinbouwers die niet beschikken over een afzonderlijke aansluiting voor tuinbouwgas, geven in de tuinbouwverklaring aan welk deel van het geleverde gas wordt gebruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten. De leverancier kan pas na afloop van de verbruiksperiode (meestal het kalenderjaar) de definitieve berekening maken.

Bij de maandelijkse facturering is de berekening van het juiste bedrag aan verschuldigde energiebelasting complex, aangezien de tariefschijven per verbruiksperiode van 12 maanden (meestal het kalenderjaar) moeten worden toegepast en in deze situatie voor dezelfde schijf twee verschillende tarieven moeten worden toegepast. Een verplichting tot aanpassing van het factureringssysteem voor deze situatie zou een onevenredige administratieve last betekenen voor de energieleveranciers.

Praktische werkwijze

Ten behoeve van de uitvoeringspraktijk sta ik uit doelmatigheidsoogpunt (artikel 64 AWR) toe dat bij tuinders zonder afzonderlijke aansluiting voor tuinbouwgas, bij de maandelijkse facturering de energiebelasting over de volledige levering mag worden berekend op grond van het verlaagde tarief. Na afloop van de verbruiksperiode, als de levering bekend is, wordt het juiste bedrag aan energiebelasting in rekening gebracht en afgedragen.

4.3. Samenloop vrijstelling en belaste levering (aard)gassen

Op productielocaties kan gebruik worden gemaakt van zowel gassen die van buiten de locatie afkomstig zijn, als van gassen die op de locatie zelf zijn geproduceerd. Deze gassen worden vervolgens voor verschillende doeleinden op de locatie gebruikt alsook doorgeleverd aan derden. Op dat moment gaan verschillende regelingen die in de wet zijn opgenomen door elkaar lopen, omdat de verschillende bestemmingen soms belast zijn en soms zijn vrijgesteld van de heffing van energiebelasting. Een redelijke wetstoepassing brengt met zich mee de verschillende gassen op basis van de herkomst naar voorkeur toe te rekenen aan de diverse bestemmingen.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed dat de verschillende gassen op basis van de herkomst naar voorkeur worden toegerekend aan de diverse bestemmingen. Deze toerekening moet op de volgende wijze gebeuren. De hoeveelheden gas die de locatie worden binnengebracht, de hoeveelheden gas die op de locatie zelf worden geproduceerd en de hoeveelheden gas die op de verschillende bestemmingen afzonderlijk worden gebruikt, moeten worden gemeten. Ook de hoeveelheden die eventueel worden doorgeleverd aan derden moeten worden gemeten. Op basis van deze gegevens kunnen de op de verschillende bestemmingen verbruikte hoeveelheden – waarvoor aanspraak op vrijstelling bestaat – worden toegerekend aan de hoeveelheden gas die op de locatie zelf zijn geproduceerd of die de locatie zijn binnengebracht.

4.4. Verlaagd tarief

4.4.1. Financial leasing en erfpacht

Op grond van artikel 59a, tweede lid, onderdeel b, van de wet moet de productie-installatie van een coöperatie waarvan de leden in aanmerking willen komen voor toepassing van het verlaagde tarief, bedoeld in artikel 59a van de wet, juridisch en economisch eigendom van de coöperatie zijn.

De voorwaarde dat de productie-installatie juridisch eigendom van de coöperatie moet zijn, sluit onder meer uit, dat de coöperatie de installatie gebruikt op basis van een overeenkomst van huur of lease. Bij zulke overeenkomsten kan in het algemeen niet gezegd worden, dat de installatie aan de coöperatie toebehoort. Dat is echter anders als de juridische eigendom enkel dient als zekerheid voor de financiering van de installatie en de coöperatie zowel de economische eigendom van de installatie heeft als de feitelijke macht om als eigenaar over de installatie te beschikken. Dit kan zich onder bepaalde voorwaarden voordoen bij overeenkomsten van financial lease. Als de juridische eigendom bovendien niet nodig is om de heffing en invordering van de energiebelasting te verzekeren, leidt een strikte toepassing van de wet in zulke situaties tot een onbedoelde beperking van de mogelijkheid om voor het verlaagde tarief in aanmerking te komen.

Goedkeuring

Om aan het vorenstaande tegemoet te komen keur ik op grond van artikel 63 van de AWR (hardheidsclausule) goed, dat een productie-installatie voor de toepassing van artikel 59a, tweede lid, onderdeel b, van de wet geacht kan worden juridisch eigendom van de coöperatie te zijn, als de coöperatie de installatie heeft verkregen krachtens een overeenkomst van financial lease, mits:

  • de leaseperiode is aangegaan voor een periode die overeenkomt met de geschatte economische levensduur van de installatie;

  • de economische eigendom van de installatie gedurende die periode geheel bij de coöperatie berust;

  • de coöperatie de macht heeft om als eigenaar over de installatie te beschikken in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968; en

  • de heffing en invordering van eventueel door de coöperatie verschuldigde energiebelasting naar het oordeel van de inspecteur en de ontvanger in voldoende mate verzekerd zijn.

Of in concrete gevallen sprake is van financial lease, moet van geval tot geval aan de hand van het contract worden beoordeeld. Leaseovereenkomsten die voldoen aan de criteria van het besluit van 15 november 1999, AFZ99/3262M (de leaseregeling) worden in ieder geval niet aangemerkt als overeenkomsten van financial lease.

Ik keur voorts goed, dat hetgeen hiervoor is vermeld met betrekking tot installaties die zijn verkregen krachtens een overeenkomst van financial lease, voor zover mogelijk op overeenkomstige wijze wordt toegepast op installaties die door de coöperatie krachtens erfpacht worden gehouden en gebruikt.

Deze goedkeuring geldt ook voor verenigingen van eigenaars als bedoeld in artikel 59b van de wet.

4.4.2. Tijdstip toepassing verlaagd tarief

Op grond van artikel 21b, eerste lid, van het besluit kan het verlaagde tarief, bedoeld in artikel 59a van de wet, alleen worden toegepast bij de vaststelling van de belasting die verschuldigd wordt op het tijdstip van de uitreiking van de eindfactuur over de verbruiksperiode waarin de coöperatie aan de elektriciteitsleverancier een opgaaf heeft verstrekt van de hoeveelheid door haar opgewekte elektriciteit die zij aan het betrokken lid heeft toegerekend. De verlaging van het tarief wordt daarbij toegepast op de elektriciteit die over de gehele verbruiksperiode geleverd is, voor zover die elektriciteit voor de verlaging in aanmerking komt.

Deze regeling strekt ertoe te voorkomen, dat het tarief ook toegepast zou moeten worden op de hoeveelheden die geacht worden geleverd te zijn op de tijdstippen waarop voorschotnota's worden uitgereikt of voorschotbedragen worden ontvangen. De regeling heeft echter mede tot gevolg, dat de elektriciteitsleverancier het verlaagde tarief per lid slechts kan toepassen in de aangifte over het tijdvak waarin hij aan het desbetreffende lid de eindfactuur uitreikt over de verbruiksperiode waarin de coöperatie hem de opgaaf heeft verstrekt van de aan het lid toegerekende hoeveelheid elektriciteit. Dit is niet alleen omslachtig, maar kan er ook toe leiden dat leden pas na lange tijd het voordeel van het verlaagde tarief kunnen incasseren.

Goedkeuring

Om praktische redenen keur ik goed, dat de belastingplichtige het verlaagde tarief toepast in de aangifte over het tijdvak waarin hij de opgaaf van de coöperatie ontvangen heeft, indien dit eerder is dan de aangifte over het tijdvak waarin de eindfactuur wordt uitgereikt. Daarbij moet de volgende gedragslijn in acht genomen worden:

  • 1. De belastingplichtige past het verlaagde tarief, voor zover aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, bij elk lid aan wie hij elektriciteit levert toe over de totale hoeveelheid elektriciteit die door de coöperatie aan het betrokken lid is toegerekend.

  • 2. De belastingplichtige betaalt de verlaging van het belastingbedrag als gevolg van de toepassing van het verlaagde tarief, in hetzelfde tijdvak als waarin het verlaagde tarief in de aangifte wordt toegepast, geheel aan de betrokken leden door.

  • 3. De belastingplichtige past het verlaagde tarief niet tevens toe in de aangiften over de tijdvakken waarin de eindfacturen worden uitgereikt over de verbruiksperioden waarin de opgaaf van de coöperatie ontvangen is.

Deze goedkeuring geldt ook voor de leden van verenigingen van eigenaars als bedoeld in artikel 59b van de wet.

4.4.3. Postcodewijziging

Wanneer de inspecteur een beschikking afgeeft aan een coöperatie voor een bepaald postcodegebied, vermeldt hij hierin de viercijferige postcodes waarvoor de beschikking geldt. De leden van de coöperatie die in dit postcodegebied wonen komen in aanmerking voor het verlaagde energiebelastingtarief van artikel 59a van de wet. Het kan voorkomen dat door een herindeling van postcodes het oorspronkelijke postcodegebied, waarvoor de beschikking is afgegeven, wijzigt en niet meer aan de wettelijke eisen voldoet. Dit doet zich bijvoorbeeld voor wanneer een viercijferige postcode wordt gesplitst en een bepaald gebied dat voorheen tot het postcodegebied behoorde, niet langer direct aangrenzend is aan de andere oorspronkelijke viercijferige gebieden. Dit zou betekenen dat door een wijziging van postcodes de aanspraak op het verlaagde tarief van artikel 59a van de wet verloren kan gaan. Deze consequentie is niet beoogd door de wetgever. De wet gaat uit van een vaste postcode-indeling die niet wordt gewijzigd. Nu in de praktijk is gebleken dat wijziging van postcodes kan leiden tot onduidelijkheid over de toepassing van het verlaagde tarief van artikel 59a van de wet, brengt een redelijke wetstoepassing mee dat dit tarief blijft gelden voor het oorspronkelijk door de inspecteur vastgestelde postcodegebied. Wanneer in een postcodegebied, waarvoor een beschikking is afgegeven, een of meer postcodes worden gesplitst blijft het verlaagde tarief toepasbaar voor de leden van de coöperatie die in het oorspronkelijk vastgestelde postcodegebied wonen.

Goedkeuring

Het verlaagde tarief van artikel 59a van de wet is van toepassing voor leden van een door de inspecteur bij beschikking aangewezen coöperatie. In de beschikking is het postcodegebied vastgesteld. Hierbij keur ik op grond van een redelijke wetstoepassing goed dat bij een postcodewijziging de aanspraak op het verlaagde tarief blijft gelden voor de leden van de coöperatie die in het oorspronkelijk vastgestelde postcodegebied wonen.

4.5. Teruggaaf energiebelasting bij meerdere onroerende zaken achter één aansluiting

Energiebelasting is verschuldigd voor de levering van aardgas en elektriciteit via een aansluiting aan een verbruiker (artikel 50, eerste lid, van de wet). Onder aansluiting wordt verstaan een aansluiting van een onroerende zaak op een Nederlands distributienet waaruit elektriciteit of aardgas aan de verbruiker wordt geleverd. Er wordt een belastingvermindering toegepast per aansluiting (artikel 63, eerste lid, van de wet).

De wettelijke regeling roept problemen op als op één aansluiting meer dan één onroerende zaak is aangesloten. Dit kan het geval zijn als een huis is gesplitst in twee of meer zelfstandige onroerende zaken, zonder dat afzonderlijke aansluitingen zijn aangelegd. In deze gevallen kan het energiebedrijf slechts één keer de belastingvermindering toepassen. Het is de bedoeling om zo veel mogelijk de uiteindelijke verbruiker, die beschikt over een zelfstandige onroerende zaak, als verbruiker aan te merken. Daarom is het redelijk dat voor de toepassing van de belastingvermindering rekening wordt gehouden met het aantal zelfstandige onroerende zaken "achter één aansluiting". Dit gebeurt in de vorm van een teruggaafregeling. Op verzoek kent de Belastingdienst, na afloop van de verbruiksperiode van 12 maanden, de belastingvermindering toe in de vorm van een teruggaaf.

Met de hantering van het criterium "zelfstandige onroerende zaak" wordt aangesloten bij de praktijk van de onroerende zaakbelasting. Dit houdt in dat het feit dat meer "huishoudens" of meer gezinnen in één onroerende zaak gevestigd zijn niet van belang is en dan ook geen basis vormt voor deze tegemoetkomende regeling. Daardoor mist zij toepassing voor woongroepen, studentenhuizen, hospita's die een kamer verhuren e.d. Basis voor deze regeling blijft het in de wet neergelegde uitgangspunt dat er sprake moet zijn van een zelfstandige onroerende zaak. Daarnaast moet er binnen die onroerende zaak sprake zijn van verbruik van elektriciteit.

Op verzoek kan teruggaaf van energiebelasting worden verleend voor een bedrag van de belastingvermindering per elektriciteitsaansluiting per kalenderjaar per onroerende zaak die zich bevindt achter de elektriciteitsaansluiting via welke het energiebedrijf de elektriciteit levert en waarop de eindafrekening betrekking heeft. Hierbij worden alleen onroerende zaken in aanmerking genomen waarin elektriciteit wordt verbruikt. Uiteraard wordt geen teruggaaf verleend van de belastingvermindering waarmee het energiebedrijf al rekening heeft gehouden. Op het bedrag van de teruggaaf wordt in voorkomend geval in mindering gebracht de te weinig in rekening gebrachte energiebelasting op leveringen van elektriciteit en aardgas als wordt uitgegaan van het verbruik per onroerende zaak. Aangezien het doel van de teruggaaf is het wegnemen van de ongelijkheid met de situatie waarin iedere onroerende zaak een eigen aansluiting heeft, wordt ook de te weinig in rekening gebrachte opslag duurzame energie op de teruggaaf in mindering gebracht. In de teruggaaf kan tevens worden begrepen een bedrag gelijk aan de omzetbelasting die is berekend over dat deel van de energiebelasting waarvoor tot teruggaaf is besloten. Degene die voor de teruggaaf van omzetbelasting in aanmerking komt mag geen recht op aftrek van de omzetbelasting hebben op grond van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

5. Ingetrokken regeling

Het besluit van 3 april 2015, nr. BLKB2015/370M, Stcrt. nr. 10101, is met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.

6. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

Den Haag, 28 juni 2019

De Staatssecretaris van Financiën, namens deze, J. de Blieck Hoofddirecteur Concerndirectie Fiscale en Juridische Zaken