Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2019, 35100Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 21 juni 2019, nummer WBN 2019/2, houdende wijziging van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 en de Circulaire Buitenland

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Gelet op de Rijkswet op het Nederlanderschap, het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BvvN), het Besluit Naturalisatietoets, de Regeling naturalisatietoets Nederland (RnN), de Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN);

Besluit:

ARTIKEL I

De Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf 1/8-1-d Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, komt te luiden:

Paragraaf 1. Algemeen

Het begrip inburgering is tweeledig: enerzijds moet de verzoeker beschikken over kennis van de Nederlandse taal en anderzijds moet hij zich hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving.

Historie

Sinds 1 april 2003 geldt dat er een diploma moet worden overgelegd als bewijs dat de verzoeker als ingeburgerd kan worden beschouwd. Per die datum is de naturalisatietoets geïntroduceerd (zie de toen geldende handleiding voor een nadere uitleg van die bepaling). Sinds 1 april 2007 is geregeld dat de naturalisatietoets het inburgeringsexamen is.

Verzoekers die op of na 1 april 2007 een verzoek om naturalisatie hebben ingediend, moeten het in 2007 ingevoerde inburgeringsexamen hebben afgelegd. In sommige gevallen kan verzoeker in aanmerking komen voor een (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing van het inburgeringsexamen. Op basis van een advies van de burgemeester stelt Onze Minister vast of verzoeker (gedeeltelijk) vrijgesteld is en beoordeelt hij of de verzoeker in aanmerking komt voor ontheffing.

Situatie na 1 januari 2013

Op 1 januari 2013 is de Wet inburgering gewijzigd. Kort komt het erop neer dat het Elektronisch Praktijkexamen (EPE) en het decentraal praktijkexamen zijn vervallen. Tot 1 januari 2015 was er een overgangstermijn waarin kandidaten gebruik konden maken van de oude examens. In plaats van deze twee examens zijn er drie nieuwe examenonderdelen bij gekomen. De vaardigheden lezen, luisteren en schrijven in de Nederlandse taal op niveau A2 van het Gemeenschappelijk Europees Referentiekader voor Moderne Vreemde Talen van de verzoeker worden getoetst. De onderdelen Toets Gesproken Nederlands (TGN) en Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) blijven bestaan.

Verzoekers die op 1 januari 2013 al bezig waren met het inburgeringsexamen zoals dit luidde tot 1 januari 2013, krijgen 2 jaar de tijd om het inburgeringsexamen oude stijl af te maken. Deze verzoekers konden er ook voor kiezen om het inburgeringsexamen oude stijl niet af te maken, maar het inburgeringsexamen nieuwe stijl af te leggen. Zie voor uitgebreidere informatie over het examen zoals dat tussen april 2007 en tot 1 januari 2015 werd afgenomen in oudere teksten van de Handleiding.

Verzoekers die na 1 januari 2013 zijn begonnen met het afleggen van het inburgeringsexamen, zullen dus zowel het inburgeringsexamen oude stijl als nieuwe stijl kunnen doen.

Dit betekent dat in ieder geval vanaf 1 januari 2013 twee verschillende inburgeringsdiploma’s overgelegd kunnen worden.

De taken met betrekking tot de uitvoering van de Wet inburgering zijn op 1 januari 2013 overgegaan van de gemeente naar de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel. De Dienst Uitvoering Onderwijs van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (DUO) voert deze taken in mandaat namens de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel uit. Het gaat hier om handhaving van de inburgeringsplicht van inburgeringsplichtige vreemdelingen die op of na 1 januari 2013 rechtmatig verblijf krijgen in Nederland. De gemeente blijft de handhaving verzorgen van vreemdelingen die voor 1 januari 2013 al rechtmatig verblijf hadden in Nederland.

Situatie vanaf 1 januari 2015

Aan het inburgeringsexamen is aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving vanaf 1 januari 2015 het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt toegevoegd. Voor meer toelichting op het nieuwe examenonderdeel, zie de nota van Toelichting bij het Besluit van 16 oktober 2014 tot wijziging van het Besluit inburgering en het Vreemdelingenbesluit 2000 in verband met de toevoeging van een praktijkexamen ten behoeve van de oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt aan het onderdeel kennis van de Nederlandse samenleving en enkele andere wijzigingen (Stb 2014, 404).

In het kader van de naturalisatietoets zijn twee categorieën vreemdelingen vrijgesteld van het afleggen van het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Zie hiervoor paragraaf 2.2.1 over gedeeltelijke vrijstelling.

Situatie vanaf 1 oktober 2017

Aan het inburgeringsexamen is op 1 oktober 2017 het participatieverklaringstraject toegevoegd.

Door middel van het participatieverklaringstraject maken inburgeringsplichtigen (vreemdelingen op wie de wet inburgering van toepassing is) nader kennis met de belangrijkste waarden, sociale regels en grondrechten in Nederland. Ze worden geïnformeerd over thema’s als democratie en rechtsstaat, maken kennis met waarden zoals het recht op zelfbeschikking, de vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardige behandeling en het verbod op discriminatie en met sociale rechten zoals het recht op medische zorg en onderwijs. Daarnaast worden inburgeringsplichtigen gewezen op hun rechten en plichten, wat de samenleving van hen verwacht en hoe in Nederland met elkaar wordt omgegaan.

Door de opgedane kennis over de Nederlandse kernwaarden ontstaat een beter begrip van en voor de Nederlandse samenleving. Bovendien wordt het snel opdoen van kennis van de kernwaarden en basisprincipes van de Nederlandse samenleving noodzakelijk geacht voor inburgeringsplichtigen om te kunnen participeren.

Inburgeringsplichtigen moeten het participatieverklaringstraject zo spoedig mogelijk (uiterlijk binnen een jaar na reguliere vestiging in een gemeente) afronden. De gemeente biedt het participatieverklaringstraject zodanig aan alle inburgeringsplichtigen in haar gemeente aan, dat zij het participatieverklaringstraject binnen de verplichte termijn van een jaar kunnen volgen.

Dit geldt alleen voor vreemdelingen die inburgeringsplichtig zijn.

Verzoekers van wie de inburgeringsplicht uiterlijk is gestart op 30 september 2017 zijn vrijgesteld van het participatieverklaringstraject. Op grond van artikel 2, vijfde lid, Regeling Naturalisatietoets, hebben zij de naturalisatietoets behaald, als zij het inburgeringsexamen met goed gevolg hebben afgelegd.

Verzoekers die niet-inburgeringsplichtig zijn op grond van de Wet inburgering, zijn gelet op artikel 4, negende lid, Regeling Naturalisatietoets Nederland, vrijgesteld van het afleggen van het participatieverklaringstraject. Zie hiervoor paragraaf 2.2.1 over gedeeltelijke vrijstelling. Zij moeten wel andere onderdelen van het inburgeringsexamen (of een daarmee gelijk gesteld diploma) nog behalen.

Situatie vanaf 1 juli 2018

Per 1 juli 2018 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In de Regeling zijn wijzigingen opgenomen met betrekking tot de examenpogingen, die een verzoeker moet hebben gedaan als bewijs dat hij aantoonbaar voldoende inspanningen heeft verricht om het inburgeringsexamen te halen. Ook is opgenomen dat een alfabetiseringscursus mee kan tellen bij het aantal benodigde uren dat een verzoeker moet hebben deelgenomen aan een inburgeringscursus. Deze wijzigingen worden verder toegelicht in paragraaf 2.3.4 bij artikel 8, eerste lid, onder d HRWN.

Situatie vanaf 28 mei 2019

Per 28 mei 2019 is de Regeling naturalisatietoets Nederland gewijzigd. In artikel 4, achtste lid, onder c, Regeling naturalisatietoets Nederland is een gedeeltelijke vrijstelling opgenomen, voor het onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (zie verder paragraaf 2.2.1 bij de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN).

B

Paragraaf 2.2.1/8-1-d Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, komt te luiden:

Paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling

De verzoeker kan een beroep doen op de gedeeltelijke vrijstellingsgronden als genoemd in artikel 4 van de Regeling naturalisatietoets Nederland. Als de verzoeker voor gedeeltelijke vrijstelling van het inburgeringsexamen in aanmerking wil komen moet hij het volgende overleggen dan wel aan de volgende voorwaarden voldoen:

1. Certificaat Oudkomers (vrijstelling van vier taalvaardigheden)

De verzoeker die een certificaat oudkomers overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau A2 en de bijbehorende verklaring onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:

  • de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (Toets Gesproken Nederlands (verder: TGN)) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of

  • de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:

  • certificaat oudkomers (alle taalonderdelen ten minste op niveau 2); en

  • bijbehorende verklaring onderwijsinstelling; en

  • resultatenbrief ‘geslaagd’ voor onderdeel KNS.

2. Certificaat Naturalisatietoets (deel I), zoals die luidde tot 1 april 2007)

De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:

  • certificaat Naturalisatietoets waaruit blijkt dat deel I is behaald;

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg hebben afgelegd. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:

  • certificaat Naturalisatietoets waaruit blijkt dat deel I is behaald; en

  • resultaatbrief ‘geslaagd’ voor onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of

  • de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.

3. Certificaat Inburgering Nieuwkomers (WIN-certificaat), maatschappij oriëntatie

De verzoeker is vrijgesteld van het onderdeel Kennis Nederlandse Samenleving (KNS) als hij de volgende documenten overlegt:

  • WIN-certificaat met voldoende niveau voor maatschappij oriëntatie KSE-niveau 2 (tot 1 september 2001 tenminste 85%, na 31 augustus 2001 80%) + bijbehorende verklaring onderwijsinstelling. De datum van deze verklaring is bepalend voor de vaststelling van het percentage.

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl, of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl met goed gevolg hebben afgelegd. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor de hiervoor genoemde examenonderdelen.

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:

  • WIN-certificaat met voldoende voor maatschappij oriëntatie KSE-niveau 2; en

  • resultaatbrief ‘geslaagd’ voor onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of

  • de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.

4. Certificaat Inburgering Nieuwkomers (WIN-certificaat), taalonderdelen

De verzoeker die een WIN-certificaat overlegt met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 en de bijbehorende verklaring van de onderwijsinstelling, is vrijgesteld van:

  • de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of

  • de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:

  • WIN-certificaat (alle taalonderdelen ten minste op niveau 2); en

  • bijbehorende verklaring onderwijsinstelling; en

  • resultaatbrief ‘geslaagd’ voor onderdeel KNS.

5. Verklaring Educatie van het ROC, taalonderdelen

De verzoeker die een Verklaring Educatie ROC met alle taalonderdelen ten minste op niveau 2 overlegt, is vrijgesteld van:

  • de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl; of

  • de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl.

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultaatbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:

  • verklaring educatie ROC (alle taalonderdelen ten minste op niveau 2); en

  • resultaatbrief ‘geslaagd’ voor onderdeel KNS.

Let op! Verklaringen die zijn afgegeven zonder dat de deelnemers zijn getoetst, bijvoorbeeld als een deelnemer (door ziekte) niet aanwezig is op het moment van toetsing, leiden niet tot vrijstelling van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl. Deze verklaringen worden veelal ‘bewijzen van deelname’ genoemd.

De burgemeester beoordeelt of het door de verzoeker getoonde document voldoet aan de criteria. Bij twijfel of het document tot vrijstelling leidt, kan de burgemeester in eerste instantie de eventueel beschikbare eigen registratie van afgegeven Verklaringen educatie raadplegen, of de DUO raadplegen. De DUO geeft een advies af aan de burgemeester, dan wel eventueel later aan de IND, op basis van de modelverklaringen die door de ROC’s aan de DUO zijn geleverd en die zijn opgenomen in het door de DUO beheerde modellenboek. De burgemeester verwijst een verzoeker die niet over een origineel document beschikt, of een document toont dat niet alle benodigde gegevens ter beoordeling bevat, naar het ROC dat de verklaring heeft afgegeven, ten einde een document te verkrijgen dat aan de gestelde eisen voldoet.

De verklaring moet ieder geval de volgende gegevens bevatten:

  • a. de naam van het document;

  • b. de naam en handtekening van de verantwoordelijke van het regionaal opleidingencentrum;

  • c. de echtheidskenmerken van het regionaal opleidingencentrum;

  • d. de naam en geboortedatum van de deelnemer aan het NT2-taaltraject die overeenkomen met de naam en geboortedatum zoals vermeld op zijn identiteitsdocument;

  • e. de behaalde taalniveaus uitgesplitst naar de vier taalvaardigheden Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken;

  • f. de datum waarop de toetsresultaten zijn behaald.

Ad a.

De meeste ROC’s noemen de Verklaring educatie een ‘schoolverklaring’, ‘certificaat’ of ‘diploma’. Daarnaast komen benamingen voor als ‘niveauoverzicht NT2’ of ‘scorelijst NT2’, ‘(toets)rapport’, ‘verklaring leerresultaten’, of ‘verklaring Trajecttoets/NIVOR-toets’.

Ad c.

Met echtheidskenmerken wordt een logo of een stempel van het ROC bedoeld. De naam en de handtekening van de verantwoordelijke van het ROC zijn relevant om de herkomst van het document te kunnen achterhalen en om bij twijfel over de echtheid van het document de toner te kunnen verwijzen naar het opleidingencentrum dat verantwoordelijk is geweest voor afgifte van het document. De verantwoordelijke kan de directeur of een mentor van een ROC zijn.

Ad f.

Alleen als alle toetsonderdelen voor 1 januari 2007 zijn behaald kan er vrijstelling worden verleend. Let op! Deze verklaring educatie kan nimmer vrijstelling verlenen voor het onderdeel KNS van het inburgeringsexamen.

6. Certificaat Nederlands als Vreemde Taal (CnaVT)

De verzoeker is vrijgesteld van het afleggen van de onderdelen leesvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid en spreekvaardigheid (TGN) van het inburgeringsexamen nieuwe stijl of de onderdelen EPE, TGN en het praktijkexamen van het inburgeringsexamen oude stijl, als hij één van de volgende documenten overlegt:

  • 1. Certificaat Profiel Toeristische en Informele Taalvaardigheid (ERK-niveau A2);

  • 2. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Praktische Beroepen (ERK-niveau A2);

  • 3. Certificaat Profiel Maatschappelijke Taalvaardigheid (ERK-niveau B1);

  • 4. Certificaat Profiel Professionele Taalvaardigheid (ERK-niveau B2);

  • 5. Certificaat Profiel Taalvaardigheid Hoger Onderwijs (ERK-niveau B2);

  • 6. Certificaat Profiel Academische Taalvaardigheid (ERK-niveau C1).

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel het onderdeel Kennis van de Nederlandse Samenleving (KNS) met goed gevolg afleggen. Dit toont hij aan door het overleggen van de resultatenbrief ‘geslaagd’ voor het examenonderdeel KNS.

Bij de indiening van het verzoek om naturalisatie overlegt de verzoeker het volgende:

  • één van hiervoor genoemde certificaten Nederlands als Vreemde taal; en

  • resultaatbrief ‘geslaagd’ voor onderdeel KNS.

7. Onderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt (artikel 4, lid 8, Regeling naturalisatietoets Nederland)

Van het afleggen van het onderdeel van het inburgeringsexamen oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn vrijgesteld:

  • a. de verzoeker die de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt;

  • b. de verzoeker die zich voor 1 januari 2015 bij DUO heeft aangemeld voor de naturalisatietoets of een onderdeel van die toets en van wie DUO voor 1 februari 2015 het verschuldigde examengeld heeft ontvangen;

  • c. de verzoeker die gedurende een periode van twaalf maanden voorafgaande aan het verzoek tot vrijstelling in tenminste zes maanden minimaal 48 uur per maand werkzaamheden in loondienst heeft verricht (geldig vanaf 28 mei 2019).

In het kader van de naturalisatieprocedure moet de verzoeker nog wel de overige onderdelen van het inburgeringsexamen met goed gevolg afleggen (Participatieverklaringstraject, Mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse Taal en Kennis van de Nederlandse maatschappij). De verzoeker die inburgeringsplichtig was voor 1 oktober 2017 is vrijgesteld van het participatieverklaringstraject.

Ad a:

De leeftijd van de naturalisatieverzoeker op de datum van de beslissing op het naturalisatieverzoek is bepalend voor het zijn vrijgesteld of niet. Op het moment van indiening van het naturalisatieverzoek hoeft de verzoeker dus nog niet pensioengerechtigd te zijn.

Ad b:

Om in aanmerking te komen hiervoor moet de verzoeker:

  • i. zich voor 1 januari 2015 hebben aangemeld voor het hele examen of een onderdeel daarvan; en

  • ii. moet DUO voor 1 februari 2015 het verschuldigde examengeld hebben ontvangen.

Voorbeeld van 2:

De Japanse Sonia woont sinds 2004 in Nederland en heeft sindsdien een reguliere verblijfsvergunning met de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Zij is niet inburgeringsplichtig en valt dus niet onder de Wet inburgering. Om te naturaliseren moet zij het inburgeringsexamen/naturalisatietoets halen. In 2008 heeft zij de toenmalige Toets Gesproken Nederlands gedaan. Die heeft zij toen niet gehaald. Als zij zich in 2015 weer aanmeldt voor het inburgeringsexamen, heeft zij niet de verplichting om het onderdeel ‘oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’ af te leggen. Haar aanmelding in 2015 wordt gezien als voortzetting van het examen waaraan zij in 2008 is begonnen.

De verwachting bij 2 is dat het hier voornamelijk zal gaan om vreemdelingen die voor 1 januari 2015 al bezig zijn met (onderdelen van) het examen. Dit sluit natuurlijk niet uit dat ook vreemdelingen zich nog voor 1 januari 2015 voor het eerst zullen aanmelden voor het examen en tijdig een bedrag overmaken zodat zij het nieuwe examenonderdeel niet hoeven te doen.

Dit betekent ook dat vreemdelingen die voor 1 januari 2015 al in het bezit zijn van een inburgeringsdiploma met alle onderdelen op niveau A2, maar pas na 1 januari 2015 een verzoek om naturalisatie indienen, niet alsnog het examenonderdeel oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt hoeven te doen. Zij kunnen met hun ‘oude’ inburgeringsdiploma een naturalisatieverzoek indienen.

Ter informatie: vreemdelingen die vanaf 1 januari 2015 inburgeringsplichtig worden, zijn niet vrijgesteld van dit examenonderdeel.

Ad c:

Het onderdeel ‘Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’ is een verplicht onderdeel van de naturalisatietoets. Een verzoeker, die niet voldoet aan de voorwaarden voor dit onderdeel (en ook niet voldoet aan een van de vrijstellingen onder ad a of ad b) heeft van DUO geen inburgeringsdiploma ontvangen.

DUO toetst vanaf 28 mei 2019 of een verzoeker in aanmerking komt voor een vrijstelling voor het onderdeel ‘Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’ op grond van c. Indien dit het geval is ontvangt de verzoeker een inburgeringsdiploma, als hij aan de overige voorwaarden voor het inburgeringsexamen voldoet.

Indien een verzoeker bij de burgemeester of bij de IND aangeeft dat hij in aanmerking komt voor vrijstelling van het onderdeel ‘Oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’, dan wordt de verzoeker doorverwezen naar DUO. Door DUO wordt dan getoetst of de verzoeker in aanmerking komt voor de vrijstelling en of verzoeker in het bezit gesteld kan worden van een inburgeringsdiploma.

8. Onderdeel participatieverklaringstraject
  • a. De niet-inburgeringsplichtige naturalisatieverzoeker is vrijgesteld van het examenonderdeel ‘participatieverklaringstraject’ dat is ingevoerd op 1 oktober 2017. Dit betekent dat voor niet-inburgeringsplichtige vreemdelingen dit geen onderdeel van hun examenprogramma is. In het kader van de naturalisatieprocedure overlegt de verzoeker het inburgeringsdiploma of daarmee gelijkgestelde diploma of de stukken waaruit een gedeeltelijke vrijstelling blijkt aangevuld met de andere noodzakelijke stukken (zie de nrs. 1–6).(Artikel 4, negende lid, Regeling naturalisatietoets Nederland).

  • b. De inburgeringsplichtige naturalisatieverzoeker, van wie de inburgeringsplicht uiterlijk is gestart op 30 september 2017, heeft op grond van artikel 2, vijfde lid Regeling Naturalisatietoets, de naturalisatietoets behaald, als hij het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd zonder het participatieverklaringstraject. In het kader van de naturalisatieprocedure overlegt de verzoeker het inburgeringsdiploma of daarmee gelijkgestelde diploma of de stukken waaruit een gedeeltelijke vrijstelling blijkt aangevuld met de andere noodzakelijke stukken (zie de nrs. 1–6). (Artikel 2, vijfde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland).

C

Paragraaf 2 Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d), HRWN Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland komt te luiden:

Paragraaf 2. Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d)

Voor een gedetailleerde beschrijving van de voorwaarden en procedure behorende bij onderhavig artikellid wordt hier in eerste instantie verwezen naar de toelichting onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d van de Handleiding voor Nederland. In beginsel biedt deze toelichting de Minister van Buitenlandse Zaken voldoende houvast om dit artikellid toe te passen.

Enkele procedurele stappen verschillen echter met de situatie in Nederland zoals de wijze waarop het inburgeringsexamen wordt afgenomen en de manier waarop een ontheffingsadvies aan de verzoeker wordt gegeven.

Voor dit onderdeel van de Handleiding voor de diplomatieke of consulaire post wordt deze procedure nader beschreven.

D

Paragraaf 2.1 Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d), HRWN Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland komt te luiden:

Paragraaf 2.1. Voorlichtingsfase (paragraaf 2.1.1)

Om een naturalisatieverzoek in het buitenland te kunnen indienen moet de aspirant-verzoeker (vóór indiening van het verzoek) kunnen aantonen het inburgeringsexamen met goed gevolg te hebben afgelegd. Indien het inburgeringsexamen nog niet werd behaald en dit op de post wordt afgelegd dient betrokkene de volgende vijf onderdelen af te leggen:

  • 1. Kennis Nederlandse Maatschappij (KNM);

  • 2. Schrijfvaardigheid;

  • 3. Leesvaardigheid;

  • 4. Luistervaardigheid;

  • 5. Spreekvaardigheid.

Indien de verzoeker het inburgeringsexamen dient af te leggen, deelt de Minister van Buitenlandse Zaken dit aan hem mee en wordt in overleg met verzoeker en de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een plaats en datum bepaald waarop het examen afgelegd kan worden. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt de aspirant-verzoeker op de hoogte van de onderdelen van het examen die afgelegd dienen te worden, het te behalen niveau, de wijze waarop het examen is ingericht, de volgorde en de kosten die betaald dienen te worden (€ 350). De Minister van Buitenlandse Zaken deelt aan de verzoeker mee dat de beoordeling van het inburgeringsexamen zal geschieden door DUO. De DUO informeert kandidaat over de examenuitslag. Ook wordt verzoeker in dit stadium gewezen op de mogelijkheid in aanmerking te komen voor (gedeeltelijke) vrijstelling of ontheffing. Voor de procedure hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende paragrafen hieronder.

Indien verzoeker het inburgeringsexamen wenst af te leggen, laat de Minister van Buitenlandse Zaken hem een aanmeldingsformulier invullen, dat door verzoeker dient te worden ondertekend. Verzoeker voldoet het daarvoor geldende tarief aan de Minister van Buitenlandse Zaken. De Minister van Buitenlandse Zaken handelt overeenkomstig het examenreglement naturalisatietoets in het buitenland (artikel 3, vijfde lid, Regeling naturalisatietoets Nederland).

Op de dag dat verzoeker het examen aflegt, stelt de Minister van Buitenlandse Zaken de ruimte aan hem ter beschikking, alsook de andere middelen die voor het afleggen van het examen benodigd zijn (hoofdtelefoon, microfoon, computer). De verzoeker identificeert zich bij deelname aan het examen door middel van een geldig nationaal paspoort.

De examenleider legt uit welke examenonderdelen aan bod komen en geeft uitleg over het gebruik van de apparatuur. Indien betrokkene de instructies heeft begrepen vangt het examen aan.

In geval betrokkene niet alle onderdelen heeft behaald wordt betrokkene ontraden een verzoek om naturalisatie in te dienen. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt verzoeker in kennis van die onderdelen die niet zijn behaald en wijst hem op de mogelijkheid om het examen of onderdelen daarvan opnieuw af te leggen. Staat betrokkene er in dit stadium toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wordt verzoeker door de Minister van Buitenlandse Zaken erop gewezen dat zijn verzoek om naturalisatie door de IND zal worden afgewezen, en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. De Minister van Buitenlandse Zaken kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21a HRWN. De Minister van Buitenlandse Zaken neemt in zijn advies op dat hij in geval van betrokkene negatief adviseert inzake de verlening van het Nederlanderschap. Zie verder paragraaf 2.1.2 onder artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN.

Het diploma inburgering of de negatieve resultatenbrief wordt door de Dienst Uitvoering Onderwijs aan de examenkandidaat uitgereikt door tussenkomst van de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de examenkandidaat toegezonden. Betrokkene wordt als hij in het bezit is van het inburgeringsdiploma in de gelegenheid gesteld een naturalisatieverzoek in te dienen. Het verzoek dient -in beginsel- te worden ingediend op de diplomatieke of consulaire post waar verzoeker het inburgeringsexamen met goed gevolg heeft afgelegd.

Overgangsrecht

Voor 1 juli 2019 behaalde examenonderdelen gelden als behaald voor de overeenkomstige onderdelen van de vanaf 1 juli 2019 afgenomen naturalisatietoets. De niet eerder behaalde examenonderdelen moeten nog wel behaald worden volgens de nieuwe werkwijze.

In onderstaande tabel zijn de oude en overeenkomstige nieuwe onderdelen van het inburgeringsexamen buitenland opgenomen.

Oud:

Nieuw:

KNS

KNM

Spreken A2

Spreken A2

EPE

Lezen A2 en Luisteren A2

Schrijven A2

Voorbeeld

Een verzoeker heeft voor 1 juli 2019 alleen het onderdeel EPE gehaald. Verzoeker hoeft de overeenkomstige onderdelen Lezen en Luisteren dus niet te doen. De (nieuwe) onderdelen KNM, Spreken, en Schrijven moet de verzoeker nog wel behalen, voordat hij zijn inburgeringsdiploma kan ontvangen.

E

Paragraaf 2.2 Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d), HRWN Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland komt te luiden:

Paragraaf 2.2. Vrijstelling van het examen (paragraaf 2.2)

Om voor vrijstelling in aanmerking te kunnen komen, dient betrokkene het document over te leggen op grond waarvan hij stelt te zijn vrijgesteld (zie paragraaf 2.2 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, RWN). De Minister van Buitenlandse Zaken onderzoekt of het document recht op vrijstelling geeft. Is dit niet het geval, dan licht hij betrokkene hierover in.

Het is in eerste instantie aan betrokkene zelf om te onderzoeken of het document recht op vrijstelling geeft. Bij twijfel aan de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens kan de Minister van Buitenlandse Zaken contact opnemen met de DUO.

In geval betrokkene slechts een kopie van een getuigschrift of diploma overlegt, dient hij tevens een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut over te leggen waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. Ter verificatie neemt de Minister van Buitenlandse Zaken contact op met het instituut waar het getuigschrift of diploma is uitgereikt en dat de verklaring heeft afgelegd. Indien een recente verklaring van de leiding van het betrokkene onderwijsinstituut niet overgelegd kan worden, dient betrokkene het inburgeringsexamen af te leggen.

F

Paragraaf 2.3 Toelichting bij procedure inburgeringsexamen en (gedeeltelijke) vrijstellingen (artikel 8.1.d), HRWN Circulaire voor Optie/Naturalisatieverzoeken in het buitenland komt te luiden:

Paragraaf 2.3. Belemmering

Op grond van artikel 4 Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is een verzoeker om naturalisatie ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen, als de verzoeker heeft aangetoond:

  • a. door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet binnen vijf jaar in staat te zijn het inburgeringsexamen te halen; of

  • b. dat op grond van door hem geleverde inspanningen het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen.

Ad. a

Een verzoeker om naturalisatie wordt ontheven van het afleggen van het inburgeringsexamen als de verzoeker heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, niet in staat is het inburgeringsexamen te halen.

Bij de medische belemmering geldt dat als te verwachten is dat betrokkene niet binnen vijf jaren op reguliere wijze of met bijzondere examenomstandigheden het inburgeringsexamen kan afleggen, reden tot ontheffing bestaat. Eenzelfde termijn van vijf jaren wordt gehanteerd bij de beoordeling of het voor betrokkene redelijkerwijs mogelijk is om het inburgeringsexamen te behalen.

Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de voorwaarden voor ontheffing van de naturalisatietoets wordt voldaan. Betrokkene moet zelf aantonen dat hij in aanmerking komt voor ontheffing. In alle gevallen moet ervan uitgegaan worden dat ontheffing alleen in uitzonderlijke gevallen wordt verleend. Voordat hij het verzoek om naturalisatie in behandeling neemt, onderzoekt de Minister van Buitenlandse Zaken of aan de voorwaarden voor ontheffing wordt voldaan.

Hij doet dit in het geval van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel verstandelijke handicap aan de hand van een gemotiveerde verklaring van een arts of deskundige, die op de dag van indiening van het naturalisatieverzoek niet ouder is dan zes maanden. Uit die verklaring moet blijken dat er sprake is van een belemmering of een handicap op grond waarvan betrokkene niet in staat is binnen vijf jaar het inburgeringsexamen te behalen. De Minister van Buitenlandse Zaken baseert zich bij zijn oordeel op vorengenoemde verklaring en neemt dit op in zijn advies aan de IND. Bij twijfel kan hij het advies, door tussenkomst van Onze Minister – en alvorens het verzoek in behandeling te nemen - door de IND laten controleren. De IND neemt in dat geval onmiddellijk een beslissing op het ontheffingsberoep en stelt de post hiervan in kennis.

Ad b

Hoewel in artikel 4 van het Besluit naturalisatietoets juncto artikelen 5 en 6 van de Regeling naturalisatietoets Nederland is opgenomen dat ook een verzoeker om naturalisatie in het buitenland een beroep kan doen op ontheffing van het inburgeringsexamen wegens aantoonbaar geleverde inspanningen, zijn vanaf 1 juli 2013 voor verzoekers in het buitenland geen beleidsregels hiervoor opgesteld. Mocht een verzoeker in het buitenland vanaf 1 juli 2013 een beroep doen op deze ontheffing, dan zal dit per geval worden beoordeeld.

G

Het model 1.13a HRWN behorende bij de Circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland komt te vervallen.

H

Het model 1.28a HRWN behorende bij de Circulaire optie/naturalisatieverzoeken in het buitenland komt te vervallen.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2019.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 21 juni 2019

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, A. van Dijk directeur-generaal Migratie

TOELICHTING

ALGEMEEN

In de Regeling naturalisatietoets Nederland is per 28 mei 2019 een vrijstelling van het examenonderdeel ‘oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’ toegevoegd voor in het Europese deel van Nederland woonachtige vreemdelingen die verzoeken om verlening van het Nederlanderschap en in loondienst werken dan wel recentelijk hebben gewerkt. De reden van deze vrijstelling is dat die vreemdeling op grond van dat werk voldoende op de hoogte is van de Nederlandse arbeidsmarkt. In dat geval is het niet nodig dat de aanvrager om verlening van het Nederlanderschap aantoont zelfstandig op de Nederlandse arbeidsmarkt te kunnen functioneren door een examen of een verplichte deelname aan een cursus ‘oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’. De Handleiding voor de toepassing van de RWN is hierop aangepast. De implementatietermijn is minder dan drie maanden vanwege de inwerkingtreding per 28 mei 2019 van Regeling naturalisatietoets Nederland, waarop de aanpassing in de Handleiding gebaseerd is.

Verder treedt per 1 juli 2019 een wijziging in werking van de Regeling naturalisatietoets Nederland voor de naturalisatietoets in het buitenland. In artikel 3 en de bijlage ‘Examenreglement naturalisatietoets buitenland’ van de Regeling naturalisatietoets Nederland is een actualisatie opgenomen van de inhoud van het examen. Om de inhoud van de naturalisatietoets in het buitenland te vernieuwen en actueel te maken, worden daarvoor de huidige onderdelen van het inburgeringsexamen gebruikt. De naturalisatietoets bestaat immers uit onderdelen van het inburgeringsexamen in Nederland.

ARTIKELSGEWIJS

A, B

In paragraaf 1 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN is in het kader van het historisch overzicht van wijzigingen in de hogere regelgeving, een tekst toegevoegd over de wijzigingen in de Regeling naturalisatietoets Nederland. In paragraaf 2.2.1 van de toelichting op artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN is uitgewerkt in welk geval een verzoeker, die arbeid in loondienst verricht of verricht heeft, is vrijgesteld van het onderdeel van het inburgeringsexamen ‘oriëntatie op de Nederlandse arbeidsmarkt’.

C, D, E, F, G, H

In de paragrafen 2, 2.1, 2.2 en 2.3 van de Circulaire Buitenland zijn de nieuwe onderdelen van het inburgeringsexamen buitenland opgenomen, waaronder ook de nieuw vastgelegde examengelden voor de nieuwe examenonderdelen. Tevens is overgangsrecht opgenomen: voor 1 juli 2019 behaalde examenonderdelen gelden als behaald voor de overeenkomstige onderdelen van de vanaf 1 juli 2019 afgenomen naturalisatietoets. De niet eerder behaalde examenonderdelen moeten natuurlijk nog wel afgelegd en behaald worden volgens de nieuwe werkwijze.

Verder zijn enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

De modellen 1.13a en 1.18a, die niet meer gebruikt worden, zijn met dit wijzigingsbesluit komen te vervallen.

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, namens deze, A. van Dijk directeur-generaal Migratie