Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2019, 23546Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 13 mei 2019, nr. IENW/BSK-2019/86195, tot wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer en de Regeling omgevingsrecht in verband met aanpassingen van enkele technische normen en de actualisatie van enkele bijlagen

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 1.1, derde lid, 2.3b, tweede lid, 1.7, 1.11, tiende lid, 2.9, tweede lid, 2.10, 2.12, vijfde lid, 3.14, vijfde lid, 3.15, 3.23b, eerste lid, 3.26a, 3.30, 3.54d, 3.71, derde lid, 3.83 lid 4, 3.125, derde lid, 4.1, eerste en zevende lid, 4.5, eerste lid, 4.6, 4.103h van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Activiteitenregeling milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Aan artikel 1.1 wordt in de alfabetische rangschikking het volgende begrip met de daarbij behorende begripsomschrijving ingevoegd:

aaneengesloten bodemvoorziening:

vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht;.

B

Artikel 1.2, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel ‘MP40-21’ wordt ‘nr. 18609, 18 oktober 2011’ vervangen door ‘nr. 21309, 28 november 2011’.

2. Het onderdeel ‘NEN-EN 1825-1’ komt te luiden:

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004+C1:2006: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, september 2004;.

3. Het onderdeel ‘NEN-EN 13284-1’ komt te luiden:

NEN-EN 13284-1:

NEN-EN 13284-1:2017, Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, november 2017;.

4. Het onderdeel ‘NEN-EN 13284-2’ komt te luiden:

NEN-EN 13284-2:

NEN-EN 13284-2:2017, Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, november 2017;.

5. Het onderdeel ‘NEN-EN 16321-1’ komt te luiden:

NEN-EN 16321-1:

NEN-EN 16321-1:2013: Terugwinning van bezinedamp tijdens het vullen van motorvoertuigen bij tankstations – deel 1: Beproevingsmethoden voor efficiënte goedkeuring van terugwinningssystemen van bezinedampen;.

6. Het onderdeel ‘NEN-EN 16321-2’ komt te luiden:

NEN-EN 16321-2:

NEN-EN 16321-2:2013: Terugwinning van bezinedamp tijdens het vullen van motorvoertuigen bij tankstations – deel 2: Beproevingsmethoden voor de controle van dampwinningssytemen bij tankstations;.

7. Het onderdeel ‘NEN-EN-ISO 16852’ komt te luiden:

NEN-EN-ISO 16852:

NEN-EN-ISO 16852:2016 Europese norm voor Vlamdovers – Prestatie-eisen, beproevingsmethoden en begrenzingen bij gebruik, november 2016;.

8. Het onderdeel ‘NEN-EN-ISO/IEC 17025’ komt te luiden:

NEN-EN-ISO/IEC 17025:

NEN-EN-ISO/IEC 17025:2018 Europese norm voor Algemene eisen voor de competentie van beproevings- en kalibratielaboratoria, januari 2018.

9. Het onderdeel ‘NEN-ISO 9096: NEN-ISO 9096:2003+C1:2007: Emissie van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan vaste deeltjes;’ vervalt.

10. In het onderdeel NPR 7601 wordt ‘koolstofdioxide’ vervangen door ‘kooldioxide’.

11. In het onderdeel PGS 7 wordt ‘(2-2009)’ vervangen door ‘(oktober 2007)’.

C

Aan artikel 2.2, vierde lid, wordt een zin toegevoegd, luidende:

Bij bemonstering van grondwaterpeilbuizen bij een ondergrondse opslagtank met stoffen waarvoor geen NEN of ISO is vastgesteld voor het onderzoek naar de aanwezigheid daarvan, worden de monsters onderzocht volgens een methode die daarvoor geschikt is.

D

Aan artikel 2.22 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 8. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 5, kunnen tot en met 31 december 2020 NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004, worden toegepast.

E

Artikel 3.4n wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘NEN-EN 9096’ vervangen door ‘NEN-EN 13284-1.’

2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het derde en vierde lid kan tot en met 31 december 2020 NEN-ISO 9096:2003+C1:2007: Emissie van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan vaste deeltjes, worden toegepast.

F

Artikel 3.4p wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt ‘NEN-EN 9096’ vervangen door ‘NEN-EN 13284-1.’

2. Er wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het vierde lid kan tot en met 31 december 2020 NEN-ISO 9096:2003+C1:2007: Emissie van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan vaste deeltjes, worden toegepast.

G

Aan artikel 3.7a wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 7. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, onder 4, kunnen tot en met 31 december 2020 NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004, worden toegepast.

H

In artikel 3.17a wordt na ‘NEN-EN-16321-1’ ingevoegd ‘en NEN-EN-16321-2’.

I

Aan artikel 3.27 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid is het toegestaan om motorvoertuigen en werktuigen voor agrarische activiteiten, uitwendig te wassen boven een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij geen directe afvoer voor afvalwater en hemelwater van de aaneengesloten bodemvoorziening naar een oppervlaktewaterlichaam aanwezig is. De bij het wassen vrijkomende vloeistoffen lopen niet over de rand van de aaneengesloten bodemvoorziening.

J

Artikel 3.27c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, aanhef, wordt ‘Het tweede lid, onderdeel a’ vervangen door ‘Onderdeel a van het eerste en tweede lid’.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt na ‘de wrakken’ ingevoegd ‘of onderdelen van wrakken’.

K

In tabel 3.35, behorende bij artikel 3.35, tweede lid wordt ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 of BRL K779’ vervangen door ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 en BRL K779’.

L

Artikel 3.71d wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor het opslaan van gasolie is geïnstalleerd en wordt onderhouden en gerepareerd overeenkomstig BRL K903 door een persoon of instelling die is gecertificeerd overeenkomstig die BRL. De opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903 door een persoon of instelling die is gecertificeerd overeenkomstig dat document.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot en met zestiende lid tot vierde lid tot en met achttiende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Ondergrondse leidingen inclusief appendages worden beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig AS 6800 door een persoon of instelling die beschikt over een erkenning overeenkomstig dat document.

  • 3. De opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages wordt gecontroleerd overeenkomstig AS 6800 door een persoon of instelling die beschikt over een erkenning overeenkomstig dat document.

3. In tabel 3.71d, behorende bij het achtste lid (nieuw), wordt ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 of BRL K779’ telkens vervangen door ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 en BRL K779’.

4. In het tiende lid (nieuw), onderdeel b, wordt ‘van de dubbelwandige leidingen’ vervangen door ‘van de lekdetectie van de dubbelwandige leidingen.’

5. In het twaalfde lid (nieuw) wordt ‘het derde lid’ vervangen door ‘het vijfde lid’.

6. In het dertiende lid (nieuw) wordt ‘het tiende lid’ vervangen door ‘het twaalfde lid’.

7. In het veertiende lid (nieuw) wordt ‘het achtste lid’ vervangen door ‘het tiende lid’.

8. In het vijftiende lid (nieuw) wordt ‘het achtste lid’ vervangen door ‘het tiende lid’.

9. In het zestiende lid (nieuw) wordt ‘het negende en dertiende lid’ vervangen door ‘het elfde en vijftiende lid’.

10. In het zeventiende lid (nieuw) wordt ‘het derde lid’ vervangen door ‘het vijfde lid’.

11. In het achttiende lid (nieuw) wordt ‘het vijftiende lid’ vervangen door ‘het zeventiende lid’.

M

In artikel 3.71f, zevende lid, wordt ‘Een opslagtank’ vervangen door ‘Een stalen opslagtank’.

N

In tabel 3.77a, behorende bij artikel 3.77, eerste lid, wordt in de rij ‘Lisianthus belicht en onbelicht’ ‘2500’ vervangen door ‘3250’.

O

Artikel 3.91 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘zesde lid’ vervangen door ‘achtste lid’.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Een drukregistratievoorziening bevat een druksensor waarvan de afwijking van de nauwkeurigheid ten hoogste 0,1 bar bedraagt, bij een drukbereik van 0 tot 10 bar.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Gedurende een tijdsduur van tenminste het laatste uur van een bespuiting vindt een actuele drukregistratie in de tijd plaats, met ten minste een waarneming per tien seconden.

4. Onder vernummering van het vierde tot en met zesde lid tot zesde tot en met achtste lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. De drukregistratievoorziening treedt automatisch in werking bij het starten van de bespuiting en kan niet handmatig worden uitgezet.

  • 5. Registratie van de spuitdruk vindt alleen plaats op het moment van spuiten.

5. Het achtste lid (nieuw) komt te luiden:

  • 8. De gegevens, bedoeld in het zesde lid, kunnen in het veld worden afgelezen.

P

Artikel 3.98 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vijfde lid tot en met zesde lid tot zesde lid tot en met zevende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen ten aanzien van de afstand, bedoeld in het derde lid.

2. In het zevende lid (nieuw) wordt ‘Het eerste tot en met vijfde lid’ vervangen door ‘Het eerste tot en met zesde lid’.

Q

Artikel 4.3, eerste lid, onderdeel e komt te luiden:

  • e. de paragrafen 3.6, 3.7, 3.11 en 3.12;

R

De voetnoot in tabel 4.6, behorende bij artikel 4.6, tweede lid, onderdeel h, komt te luiden:

Voor spuitbussen en gaspatronen (UN 2037) die samen met andere gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening worden opgeslagen geldt een ondergrens van 1 kg.

S

Artikel 4.9a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt na ‘in afwijking van artikel’ ingevoegd ‘4.3 tot en met’.

2. In tabel 4.9a, behorende bij het vijfde lid, wordt ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 of BRL K779’ telkens vervangen door ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 en BRL K779’.

T

In artikel 4.13, eerste lid, wordt ‘4.19’ vervangen door ‘4.19b’.

U

Artikel 4.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Een stationaire bovengrondse opslagtank met de daarbij behorende leidingen en appendages voor het opslaan van halfzware olie, polyesterhars of stoffen van de klasse 8 van het ADR, verpakkingsgroepen II en III zonder bijkomend gevaar, is geïnstalleerd en wordt onderhouden en gerepareerd overeenkomstig BRL K903, door een bedrijf dat op grond van die BRL daartoe is gecertificeerd. De opslagtank, bedoeld in de eerste volzin wordt beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig BRL K903, door een persoon of instelling die is gecertificeerd overeenkomstig dat document.

2. Onder vernummering van het tweede lid tot en met elfde lid tot derde lid tot en met twaalfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Ondergrondse leidingen inclusief appendages worden beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig AS 6800 door een persoon of instelling die beschikt over een erkenning overeenkomstig dat document.

3. In tabel 4.15, behorende bij het zesde lid (nieuw), wordt ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 of BRL K779’ vervangen door ‘Volledig gecoat overeenkomstig BRL K790 en BRL K779’.

4. In het zevende lid (nieuw) wordt ‘het derde lid’ vervangen door ‘het vierde lid’.

5. In het achtste lid (nieuw) wordt ‘het zesde lid’ vervangen door ‘het zevende lid’.

6. In het elfde lid (nieuw) wordt ‘het derde lid’ vervangen door ‘het vierde lid’.

7. In het twaalfde lid (nieuw) wordt ‘het tiende lid’ vervangen door ‘het elfde lid’.

V

De titel van § 4.1.3.2. komt te luiden:

§ 4.1.3.2. Opslaan van zuurstof, kooldioxide, argon, helium of stikstof in een bovengrondse opslagtank

W

In artikel 4.20.2, achtste lid, wordt ‘PGS 9:1983 (2-2009)’ vervangen door ‘PGS 9:1983 (7-2005)’.

X

Artikel 4.104h komt te luiden:

Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico wordt bij het inwendig reinigen en ontsmetten van vrachtwagens en andere transportmiddelen het afvalwater van de vrachtwagen naar het afvoerpunt afgevoerd via een vloeistofkerende vloer of verharding, waarbij ervoor wordt gezorgd dat geen afvalwater buiten de vloer of voorziening terecht kan komen.

Y

Aan artikel 5.5 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het eerste lid, inzake bekwaamheid laboratoria en totaalstof kunnen tot en met 31 december 2020 onderstaande normbladen worden toegepast:

    • a. NEN-EN-ISO/IEC 17025, 2005: Europese norm voor Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, juni 2005 en C1:2007, januari 2007.

    • b. NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004.

Z

Aan artikel 5.18 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het eerste lid, inzake bekwaamheid laboratoria en totaalstof kunnen tot en met 31 december 2020 onderstaande normbladen worden toegepast:

    • a. NEN-EN-ISO/IEC 17025, 2005: Europese norm voor Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, juni 2005 en C1:2007, januari 2007.

    • b. NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004.

AA

Aan artikel 5.35 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij het uitvoeren van handelingen als bedoeld in het eerste lid, inzake totaalstof kunnen tot en met 31 december 2020 NEN-EN 13284-1, 2001: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 1: Manuele gravimetrische methode, december 2001 of NEN-EN 13284-2, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van massaconcentratie van stof in lage concentraties – Deel 2: Geautomatiseerde meetsystemen, september 2004 worden toegepast.

BB

§3.4.3 van Bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer komt te luiden:

‘De windsnelheidsverdeling voor de dag-, avond- en nachtperiode is in tabellen beschikbaar op vaste roosterpunten in Nederland. De gegevens zijn afkomstig van het KNMI en zijn gebaseerd op langjarige windstatistiek van 2004 tot en met 2013.

De windverdelingen zijn beschikbaar in tabellen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de dag- (07–19 uur), avond- (19–23 uur) en nachtperiode (23–07 uur). De informatie heeft de vorm van frequentieverdelingen, waarbij per klasse wordt aangegeven hoe groot de waarschijnlijkheid van die klasse in de betreffende beoordelingsperiode is. De getalswaarden zijn gegeven in procenten, afgerond op twee decimalen. De windverdelingen zijn opgedeeld in 25 klassen. De middenwaarden van de klassen komen overeen met gehele waarden van de windsnelheid. De klassenbreedte bedraagt 1 m/s.

Door het KNMI geleverde data is gegeven in tabellen op vaste gridpunten. De gridpunten liggen op een equidistant en orthogonaal rooster. De afstand tussen de gridpunten is 2.5 km in beide richtingen. De coördinaten in het horizontale vlak zijn gedefinieerd volgens het Amersfoortse coördinatenstelsel (RDnew). Per roosterpunt zijn de histogrammen beschikbaar voor 14 hoogtes (10, 20, 40, 60, 80, 100, 120, 140, 160, 180, 200, 220, 240, 260). De hoogte (z in meters) is relatief ten opzichte van de gemiddelde maaiveldhoogte. Indien de voet van de turbinemast uitsteekt boven het omringende terrein, dient dit te worden verdisconteerd in de ashoogte z.’

CC

De tabel in Bijlage 11 inzake ‘Categorieën van afvalstoffen’, behorende bij de Activiteitenregeling wordt vervangen door Bijlage I behorende bij deze regeling.

DD

De tabel in Bijlage 12a wordt als volgt gewijzigd:

1. De rij die begint met ‘104-40-5’ komt te luiden:

104-40-5

p-nonylfenol; 4-(para)-nonylfenol

ZZS

MVP 1

2. De rij die begint met ‘1321-65-9’ komt te luiden:

1321-65-9

trichloornaftaleen

ZZS

ERS

3. De rij die begint met ‘1420-07-1’ komt te luiden:

1420-07-1

dinoterb; 2-tert-butyl-4,6-dinitrofenol; zouten en esters van dinoterb

ZZS

MVP 1

4. De rij die begint met ‘68515-42-4’ komt te luiden:

68515-42-4

1,2-benzeendicarboxylzuur

ZZS

MVP 1

5. De rij die begint met ‘78-87-5’ komt te luiden:

78-87-5

1,2-dichloorpropaan

ZZS

MVP 2

6. De rij die begint met ‘80-05-7’ komt te luiden:

80-05-7

bisfenol A

ZZS

MVP 2

7. De rij die begint met ‘50-00-0’ komt te luiden:

50-00-0

formaldehyde

ZZS

MVP 2

8. De rij die begint met ‘9016-45-9’ komt te luiden:

9016-45-9

nonylfenolethoxylaten en verwante verbindingen; NPEs

ZZS

MVP 1

9. De rij die begint met ‘91-20-3’ komt te luiden:

91-20-3

naftaleen; naftaline

ZZS

MVP 1

10. De rij die begint met ‘83-32-9’ komt te luiden:

83-32-9

acenafteen

ZZS

MVP 1

11. De rij die begint met ‘208-96-8’ komt te luiden:

208-96-8

acenaftyleen

ZZS

MVP 1

12. De rij die begint met ‘7784-42-1’ komt te luiden:

7784-42-1

arceenwaterstof (arsine)

ZZS

MVP 1

13. De rij die begint met ‘541-02-6’ komt te luiden:

541-02-6

Decamethylcyclopentasiloxaan (d5)

ZZS

MVP 2

14. De rij die begint met ‘107-15-3’ komt te luiden:

107-15-3

1,2-diaminoethaan

ZZS

MVP 2

15. De rij die begint met ‘85-01-8’ komt te luiden:

85-01-8

fenantreen

ZZS

MVP 1

16. De rij die begint met ‘556-67-2’ komt te luiden:

556-67-2

octamethyltetra-siloxaan (d4)

ZZS

MVP 2

17. De rij die begint met ‘75-07-0’ komt te luiden:

75-07-0

ethanal

ZZS

MVP 2

18. Aan de tabel in Bijlage 12a worden in de numerieke rangschikking de volgende rijen toegevoegd:

68515-51-5

1,2-benzeendicarbonzuur, di-C6-10-alkyl esters

ZZS

MVP 1

68648-93-1

1,2-benzeendicarbonzuur, mengsel van decyl en hexyl en octyl diesters

ZZS

MVP 1

68515-50-4

1,2-benzeendicarbonzuur, dihexyl ester, vertakte en lineaire alkylesters

ZZS

MVP 1

25973-55-1

2-(2H-benzotriazol-2-yl)-4,6-ditertpentylfenol

ZZS

MVP 1

36437-37-3

2-(2H-benzotriazool-2-yl)-4-(tert-butyl)-6-(sec-butyl)fenol

ZZS

MVP 1

3864-99-1

2,4-di-tert-butyl-6-(5-chloorbenzotriazool-2-yl)fenol

ZZS

MVP 1

3846-71-7

2-benzotriazol-2-yl-4,6-di-tert-butylfenol

ZZS

MVP 1

5146-66-7

3,7-dimethylocta-2,6-dieennitril

ZZS

MVP 1

 

5-sec-butyl-2-(2,4-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5-methyl-1,3-dioxaan

ZZS

MVP 1

 

5-sec-butyl-2-(4,6-dimethylcyclohex-3-en-1-yl)-5-methyl-1,3-dioxaan

ZZS

MVP 1

7784-44-3

ammoniumarsenaat

ZZS

MVP 1

3830-45-3

ammonium perfluordecaanzuur

ZZS

MVP 1

4149-60-4

ammoniumzouten van perfluornonaanzuur

ZZS

MVP 2

7440-38-2

arseen

ZZS

MVP 1

7784-33-0

arseenbromide

ZZS

MVP 1

7784-34-1

arseentrichloride

ZZS

MVP 1

 

arseenverbindingen, anorganische

ZZS

MVP 1

 

arseenverbindingen, organische

ZZS

MVP 1

56073-10-0

brodifacoum

ZZS

MVP 1

28772-56-7

bromadiolon

ZZS

MVP 1

3691-35-8

chloorfacinon

ZZS

MVP 1

5836-29-3

cumatetralyl

ZZS

MVP 1

84-61-7

dicyclohexylftalaat

ZZS

MVP 1

56073-07-5

difenacum

ZZS

MVP 1

578-94-9

difenylaminochloorarsine

ZZS

MVP 1

712-48-1

difenylchloorarsine

ZZS

MVP 1

104653-34-1

difethialon

ZZS

MVP 1

12280-03-4

dinatriumoctaboraat tetrahydraat

ZZS

MVP 1

12008-41-2

dinatriumoctaboraat watervrij

ZZS

MVP 1

 

e-glas microvezels met een representatieve samenstelling

ZZS

MVP 1

598-14-1

ethyldichloorarsine

ZZS

MVP 1

74499-35-7

fenol, (tetrapropenyl)- derivaten

ZZS

MVP 1

 

fenol, 2-dodecyl-, vertakt

ZZS

MVP 1

 

fenol, 3-dodecyl-, vertakt

ZZS

MVP 1

210555-94-5

fenol, 4-dodecyl-, vertakt

ZZS

MVP 1

121158-58-5

fenol, dodecyl-, vertakt

ZZS

MVP 1

90035-08-8

flocumafen

ZZS

MVP 1

 

hexachloorcyclohexanen

ZZS

MVP 1

288-32-4

imidazool

ZZS

MVP 1

10102-50-8

ijzer(II)arsenaat

ZZS

MVP 1

10102-49-5

ijzer(III)arsenaat

ZZS

MVP 1

63989-69-5

ijzer(III)arseniet

ZZS

MVP 1

75-60-5

kakodylzuur

ZZS

MVP 1

7784-41-0

kaliumarsenaat

ZZS

MVP 1

10124-50-2

kaliumarseniet

ZZS

MVP 1

12002-03-8

koperacetoarseniet

ZZS

MVP 1

10290-12-7

koperarseniet

ZZS

MVP 1

10103-50-1

magnesiumarsenaat

ZZS

MVP 1

91-20-3

naftaleen

ZZS

MVP 1

7631-89-2

natriumarsenaat

ZZS

MVP 1

15120-17-9

natriumarseniet

ZZS

MVP 1

124-65-2

natriumkakodylaat

ZZS

MVP 1

3108-42-7

natrium perfluordecaanzuur

ZZS

MVP 1

21049-39-8

natriumzouten van perfluornonaanzuur

ZZS

MVP 2

80-46-6

p-(1,1-dimethylpropyl)fenol

ZZS

MVP 1

335-76-2

perfluordecaanzuur

ZZS

MVP 1

375-95-1

perfluornonaanzuur

ZZS

MVP 2

15195-06-9

strontiumarseniet

ZZS

MVP 1

97-99-4

tetrahydro-2-furylmethanol

ZZS

MVP 2

68694-11-1

triflumizool

ZZS

MVP 1

7784-08-9

zilverarseniet

ZZS

MVP 1

 

4-heptylfenol, vertakt en lineair

ZZS

MVP 1

 

zinkarsenaat of zinkarseniet of zinkarsenaat en zinkarseniet, mengsel

ZZS

MVP 1

 

zouten van arseenzuur, niet in water oplosbaar

ZZS

MVP 1

 

zouten van arseenzuur, in water oplosbaar

ZZS

MVP 1

EE

Aan de tabel in Bijlage 13 worden in de numerieke rangschikking de volgende rijen toegevoegd:

872-50-4

N-methyl-2-pyrrolidon

71

 

116-13

tetrafluoretheen

30

 

ARTIKEL II

In de Regeling omgevingsrecht wordt de Bijlage behorende bij artikel 9.2 als volgt gewijzigd:

De verwijzing naar het informatiedocument ‘Handreiking (co-)vergisting van mest’ in rij 1 van de Bijlage vervalt.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

BIJLAGE I

Bijlage 11. Categorieën van afvalstoffen.

Cat.

ga/nga [1]

beschrijving

noot

1

ga

autowrakken die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

2

nga

autowrakken die op basis van de Eural als niet-gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

3

nga

banden afkomstig van voertuigen als bedoeld in artikel 1, sub a, van het Besluit beheer autobanden alsook banden die daarmee qua samenstelling vergelijkbaar zijn

 

4

nga

tanks voor vloeibaar autogas (LPG- en CNG-tanks)

 

5

nga

opgegraven ondergrondse tanks

 

6A

ga

brandblussers groter dan 1 kilogram en/of met gassen gevulde gasflessen, voor zover deze brandblussers respectievelijk gasflessen en overige drukhouders op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

6B

nga

brandblussers groter dan 1 kilogram en/of met gassen gevulde gasflessen en overige drukhouders voor zover deze brandblussers respectievelijk gasflessen en overige drukhouders op basis van de Eural als niet-gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

7A

ga

papier- en kunststofgeïsoleerde kabels en/of oliedrukkabels en gepantserde papier-loodkabels en/of restanten van deze kabels, dit alles voor zover deze op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

[2]

7B

nga

papier- en kunststofgeïsoleerde kabels en/of oliedrukkabels en gepantserde papier-loodkabels en/of restanten van deze kabels, dit alles voor zover deze op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

[2]

8

nga

deelstromen van grof huishoudelijk afval van milieustraten die op basis van art. 3.115, lid 6 en lid 7 van de Activiteitenregeling milieubeheer in één opslagvoorziening mogen worden opgeslagen

 

9

nga

grof huishoudelijk restafval dat gemengd is aangeboden of bij inzameling niet naar soort gescheiden is gehouden (denk aan route-inzameling)

 

10

nga

procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen dat

• op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt, en

• niet valt onder één van de andere categorieën uit deze tabel

[3], [4]

11

ga

procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen dat

• op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt, en

• niet valt onder één van de andere categorieën uit deze tabel

[3], [4]

12

nga

groenafval

[5]

13

nga

gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval van huishoudens (gft-afval) en daarmee naar aard en samenstelling vergelijkbaar bij handel, diensten en overheden, veilingen, agrarische bedrijven en industriële bedrijven gescheiden ingezameld organisch bedrijfsafval

 

14

nga

afval dat vrijkomt bij het vegen van openbare straten, terreinen, en overige openbare ruimten niet zijnde stranden (veegafval)

 

15

nga

afval dat vrijkomt bij het reinigen van riolen, kolken en gemalen (RKG-slib)

 

16

nga

slib dat vrijkomt bij de biologische zuivering van afvalwater uit de voedings- en genotmiddelenindustrie

 

17

nga

reststoffen van drinkwaterbereiding met een maximaal gehalte aan arseen van 500mg/kg droge stof die

• geschikt zijn voor gebruik als hulpstof bij de productie van meststoffen of in een rioolwaterzuivering en/of

• binnen geldende wet- en regelgeving geschikt zijn voor andere vormen van recycling

 

18

nga

reststoffen van drinkwaterbereiding die bedoeld zijn om in te zetten als, of voor de productie van een bouwstof én daarvoor geschikt zijn volgens de bepalingen van het Bbk.

 

19

nga

A- en B-hout, niet zijnde houten verpakkingen

[5], [6]

20

nga

Houten verpakkingen die voldoen aan de definitie van A- of B-hout

[6]

21

ga

hout dat, teneinde zo de duurzaamheid te verbeteren, is behandeld met middelen die koper en chroom (CC-hout) of koper, chroom en arseen (CCA-hout) bevatten

 

22

nga

gemengd kunststofafval (inclusief mengsels van kunststof en rubber) dat, of partijen thermoplastische kunststoffen die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet(en) worden aangemerkt

[7]

23

nga

kunstgras

 

24

nga

metalen

 

25A

nga

grotendeels (>50 gew.%) uit metalen bestaand vast afval dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

25B

ga

grotendeels (>50 gew.%) uit metalen bestaand vast afval dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

26

nga

papier en karton niet zijnde 'niet ontwikkeld fotopapier' (categorie 27)

 

27

nga

niet ontwikkeld fotopapier

 

28

nga

textiel, niet zijnde tapijt

 

29

nga

matrassen

 

30

nga

geëxpandeerd polystyreenschuim (EPS) met een concentratie aan HBCDD van minder dan 1.000 mg/kg

[8]

31

nga

steenwol

 

32

ga

verpakkingen van verf, lijm, kit en hars, voor zover verontreinigd met niet volledig uitgeharde restanten en die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

33

nga

verpakkingsglas

 

34

nga

vlakglas dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

35

nga

afval dat valt onder de werkingssfeer van de Verordening EG 1069/2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten

 

36

ga

infectieuze afvalstoffen, niet-infectieuze lichaamsdelen en organen en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen, afkomstig van de gezondheidszorg voor mens of van verwant onderzoek

 

37

nga

afval afkomstig van de gezondheidszorg voor mens of dier of van verwant onderzoek, waarvoor – middels decontaminatie conform de ‘richtlijn decontaminatie’ van RIVM – het infectierisico is verwijderd

[9]

38

ga

infectieuze afvalstoffen, en cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen van gezondheidszorg bij dieren of verwant onderzoek

 

39A

ga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) asfalt dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

[10]

39B

nga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) asfalt dat op basis van de Eural als niet-gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

[10]

40

nga

PAK-arm (≤ 75 mg/kg) asfalt dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

[10]

41

nga

PAK-rijk (> 50 mg/kg) zeefzand ontstaan bij

• het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval, of bij

• het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties,

EN

• dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval hoeft te worden aangemerkt

[11]

42

nga

PAK-arm (≤ 50 mg/kg) zeefzand ontstaan bij

• het afzeven van het fijne materiaal in sorteerinstallaties voor bouw- en sloopafval, of bij

• het voorzeven van steenachtige fracties uit bouw- en sloopafval in puinbreekinstallaties,

EN

• dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval hoeft te worden aangemerkt

[11]

43A

ga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) dakafval dat

• op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt, en

• niet valt onder de categorieën 45, 46, 47, 48, 90 en 91

[12]

43B

nga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) dakafval dat

• op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt, en

• niet valt onder de categorieën 45, 46, 47, 48, 90 en 91

[12]

44

nga

PAK-arm(≤ 75 mg/kg) dakafval

• op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt, en

• niet valt onder de categorieën 45, 46, 47, 48, 90 en 91

[12]

45A

ga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) composiet dakafval met minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

[13]

45B

nga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) composiet dakafval met minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

[13]

46A

ga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) composiet dakafval met meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

[13]

46B

nga

PAK-rijk (> 75 mg/kg) composiet dakafval met meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

[13]

47

nga

PAK-arm (≤ 75 mg/kg) composiet dakafval met minder dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

[13]

48

nga

PAK-arm (≤ 75 mg/kg) composiet dakafval met meer dan 10% dakbedekkingvreemd materiaal dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

[13]

49A

ga

verkleefd dakgrind dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

49B

nga

verkleefd dakgrind dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

50

nga

gips, gipsblokken, gipsplaat

 

51

nga

cellenbeton

 

52A

ga

met gips of cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

52B

nga

met gips- en cellenbeton verontreinigd bouw- en sloopafval dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

53

nga

PAK-rijk (> 50 mg/kg) steenachtig materiaal dat

• in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind, en

• niet valt onder één van de categorieën 39 t/m 52, 90 en 91 van deze lijst en

• op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval hoeft te worden aangemerkt.

[11]

54

nga

PAK-arm (≤ 50 mg/kg) steenachtig materiaal dat

• in hoofdzaak bestaat uit beton- en metselwerk, tegels, dakpannen, stenen en steengruis en ballastgrind, en

• niet valt onder één van de categorieën 39 t/m 52, 90 en 91 van deze lijst en

• op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval hoeft te worden aangemerkt.

[11]

55A

ga

gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, alles voor zover het op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

55B

nga

gemengd bouw- en sloopafval, met bouw- en sloopafval vergelijkbaar afval van bedrijven en particulier gemengd verbouwingsafval, alles voor zover het op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

56

nga

bouwstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit, voor zover niet vallend onder één van de categorieën 39 t/m 55 van deze lijst

 

57

ga

oliefilters afkomstig uit vaartuigen, voertuigen en machines

 

58

ga

zwart/wit-fixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte groter dan 50 mg/l

 

59

ga

bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte groter dan 100 mg/l

 

60

ga

zwart-witfixeer, zwart-witontwikkelaar en mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte kleiner dan 50 mg/l en bleekfixeer, kleurontwikkelaar en mengsels van deze afvalstoffen met een zilvergehalte kleiner dan 100 mg/l en slibben en andere residuen die ontstaan bij de eerste stap in de verwerking van ontwikkelaar en fixeer

 

61

ga

hardingszouten

 

62

ga

afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong (inclusief mengsels) met de volgende kenmerken:

• het gehalte aan polychloorbifenylen is kleiner dan of gelijk aan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; en

• het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor is kleiner dan of gelijk is aan 1.000 mg/kg (as received); en

• de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bestemd, niet vermengd met andere stoffen; en

• de olie is na het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk was bestemd, separaat afgetapt/verzameld en opgeslagen/opgebulkt

 

63

ga

afgewerkte olie van minerale of synthetische oorsprong (inclusief mengsels) met de volgende kenmerken:

• het gehalte aan polychloorbifenylen is kleiner dan of gelijk aan 0,5 mg/kg (as received) per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 of 180; en

• het gehalte aan organische halogeenverbindingen, berekend als chloor is groter dan 1.000 mg/kg (as received)

 

64

ga

oplosmiddelen en glycolen met maximaal 0,5% fluor en maximaal 4% chloor en maximaal 4% broom en maximaal 4% jood, voor zover het gaat om één partij, afkomstig van één ontdoener en waarvan de hoeveelheidsgrens van 1.000 liter per partij wordt overschreden

 

65

ga

olie/water mengsels (ow-mengsels) en olie/water/slib mengsels (ows-mengsels)

• die vrijkomen bij olie- en slibafscheiders,

• die ontstaan bij schoonmaakactiviteiten,

• afkomstig uit de scheepvaart (bijvoorbeeld oliehoudende ladingrestanten, oliehoudend afval van lading, oliehoudend waswater, ballastwater, bilgewater en slops),

alsmede

• overige oliehoudende slibben voor zover zij qua aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met de slibfractie van olie- en slibafscheiders.

 

66

ga

niet-gebruikte oliën en partijen olie en brandstof die niet aan de specificaties voldoen (off-spec partijen)

 

67

ga

boorspoeling op oliebasis (obm), met obm verontreinigd boorgruis en de oliefractie van met obm verontreinigde stoffen

 

68

ga

oliehoudende vloeistof die bij de bewerking van metalen en kunststoffen is toegepast, waaronder boor-, snij-, slijp- en walsolie

 

69A

ga

bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven binnen een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

69B

nga

bodemas die resteert na verbranding in een roosteroven of wervelbedoven binnen een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

70

ga

arseensulfideslib en arseensulfide-filterkoek

 

71

ga

as die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

72

nga

as die resteert na verbranding van afvalstoffen in een slibverbrandingsinstallatie (SVI) en die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

73

ga

reststoffen van kolengestookte energiecentrales die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

74

nga

reststoffen van kolengestookte energiecentrales die op basis van de Eural als niet-gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

75A

ga

afvalwaterstromen en baden waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water de hierna genoemde concentratiegrenswaarde overschrijdt voor:

• som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink) ≥ 25 mg/l; en/of

• cyanide (vrij cyanide) ≥ 1 mg/l; en/of

• zeswaardig chroom ≥ 0,1 mg/l; en/of

• cadmium ≥ 0,1 mg/l; en/of

• kwik ≥ 0,01 mg/l;

EN

• waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor iedere individuele zeer zorgwekkende organische stof < 0,1 mg/l; en

• het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) < 15 mg/l;

EN

• het betreft op basis van de Eural gevaarlijk afval

 

75B

nga

afvalwaterstromen en baden waarvan de concentratie opgeloste stoffen in water de hierna genoemde concentratiegrenswaarde overschrijdt voor:

• som metalen (arseen, chroom, kobalt, koper, molybdeen, lood, nikkel, tin, vanadium en zink) ≥ 25 mg/l; en/of

• cyanide (vrij cyanide) ≥ 1 mg/l; en/of

• zeswaardig chroom ≥ 0,1 mg/l; en/of

• cadmium ≥ 0,1 mg/l; en/of

• kwik ≥ 0,01 mg/l;

EN

• waarvan het gehalte aan organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stof voor iedere individuele zeer zorgwekkende organische stof < 0,1 mg/l; en

• het gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) < 15 mg/l;

EN

• het betreft op basis van de Eural geen gevaarlijk afval

 

76A

ga

• afvalwaterstromen en baden met stoffen die niet aantoonbaar aanwezig mogen zijn, of

• niet snel afbreekbare afvalwaterstromen en baden met organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen indien de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ≥ 0,1 mg/l, of

• afvalwaterstromen en baden met een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) ≥ 15 mg/l

EN

• het betreft op basis van de Eural gevaarlijk afval

[14] [15]

76B

nga

• afvalwaterstromen en baden met stoffen die niet aantoonbaar aanwezig mogen zijn, of niet snel afbreekbare afvalwaterstromen en baden met organische verontreinigingen die worden aangemerkt als zeer zorgwekkende stoffen indien de concentratie voor een organische zeer zorgwekkende stof ≥ 0,1 mg/l, of

• afvalwaterstromen en baden met een gehalte aan adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (uitgedrukt als AOX) ≥ 15 mg/l

EN

• het betreft op basis van de Eural geen gevaarlijk afval

[14] [15]

77

ga

ONO-filterkoek die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

78A

ga

afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt en voor zover niet vallend onder enige andere categorie van deze lijst

 

78B

nga

afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die valt onder de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt en voor zover niet vallend onder enige andere categorie van deze lijst

 

79A

nga

onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

• niet zijnde beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen of restanten van dit beeldbuisglas, en

• die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt, en

• voor zover niet vallend onder enige andere categorie van deze lijst

[16]

79B

ga

onderdelen en fracties die vrijkomen bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

• niet zijnde beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen of restanten van dit beeldbuisglas, en

• die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt, en

• voor zover niet vallend onder enige andere categorie van deze lijst

[16]

80A

ga

straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

80B

nga

straalgrit dat op grond van de Regeling niet-reinigbaar straalgrit reinigbaar is en dat die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

81

ga

loodzuur batterijen en accu’s

 

82A

ga

batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 voor zover niet zijnde loodzuur batterijen en accu’s (categorie 81) en voor zover zij op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

82B

nga

batterijen en accu’s als bedoeld in de Regeling beheer batterijen en accu’s 2008 voor zover niet zijnde loodzuur batterijen en accu’s (categorie 81) en voor zover zij op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

83

ga

gasontladingslampen

 

84A

ga

fluorescentiepoeder met een kwikgehalte van minder dan 0,1 mg/kg droge stof dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

84B

nga

fluorescentiepoeder met een kwikgehalte van minder dan 0,1 mg/kg droge stof dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

85

ga

kwikhoudende voorwerpen

 

86A

ga

amalgaam, grond, baggerspecie, sludges, slibben (niet zijnde slib van biologische zuivering van afvalwater), actief kool, rookgasreinigingsresiduen, filterkoeken en fluorescentiepoeders met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof, niet zijnde toepasbare grond of baggerspecie (categorie 97 tot en met 101) en voor zover zij op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

86B

nga

amalgaam, grond, baggerspecie, sludges, slibben (niet zijnde slib van biologische zuivering van afvalwater), actief kool, rookgasreinigingsresiduen, filterkoeken en fluorescentiepoeders met een gehalte aan kwik van 0,1 tot 10 mg/kg droge stof, niet zijnde toepasbare grond of baggerspecie (categorie 97 tot en met 101) en voor zover zij op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

87A

ga

amalgaam, grond, baggerspecie, sludges, slibben (niet zijnde slib van biologische zuivering van afvalwater), actief kool, rookgasreinigingsresiduen, filterkoeken en fluorescentiepoeders met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof, niet zijnde toepasbare grond en baggerspecie (categorie 97 tot en met 101) en voor zover zij op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

87B

nga

amalgaam, grond, baggerspecie, sludges, slibben (niet zijnde slib van biologische zuivering van afvalwater), actief kool, rookgasreinigingsresiduen, filterkoeken en fluorescentiepoeders met een gehalte aan kwik van 10 tot 50 mg/kg droge stof, niet zijnde toepasbare grond en baggerspecie (categorie 97 tot en met 101) en voor zover zij op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

88A

ga

amalgaam, grond, baggerspecie, sludges, slibben (niet zijnde slib van biologische zuivering van afvalwater), actief kool, rookgasreinigingsresiduen, filterkoeken en fluorescentiepoeders met een gehalte aan kwik van meer dan 50 mg/kg droge stof en voor zover zij op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

88B

nga

amalgaam, grond, baggerspecie, sludges, slibben (niet zijnde slib van biologische zuivering van afvalwater), actief kool, rookgasreinigingsresiduen, filterkoeken en fluorescentiepoeders met een gehalte aan kwik van meer dan 50 mg/kg droge stof en voor zover zij op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

89

ga

metallisch kwik (kwikafval zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/852)

 

90A

ga

asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen niet zijnde asbesthoudende (bulk)stoffen (categorie 91) voor zover

• de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een in de Productenregeling asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof

EN

• de totale concentratie aan asbest gelijk is aan of hoger is dan 1.000 mg/kg

 

90B

nga

asbest, asbestcementplaten, asbesthoudende voorwerpen en andere met asbest verontreinigde afvalstoffen niet zijnde asbesthoudende bulkstoffen (categorie 91) voor zover

• de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een in de Productenregeling asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof

EN

• de totale concentratie aan asbest lager is dan 1.000 mg/kg

 

91A

ga

grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbesthoudende afvalstoffen of materialen, niet ontstaan bij selectieve sloop of verwijdering van asbest bevattende materialen uit gebouwen, apparaten, installaties, transportmiddelen en constructies met uitzondering van wegen, waterkeringen, dijken, ophogingen van geluids(wallen) e.d. voor zover

• de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een in de Productenregeling asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof

EN

• de totale concentratie aan asbest gelijk is aan of hoger dan 1.000 mg/kg

 

91B

nga

grond, bagger, puin, puingranulaat, water of asbesthoudende afvalstoffen of materialen, niet ontstaan bij selectieve sloop of verwijdering van asbest bevattende materialen uit gebouwen, apparaten, installaties, transportmiddelen en constructies met uitzondering van wegen, waterkeringen, dijken, ophogingen van geluids(wallen) e.d. voor zover

• de concentratie serpentijnasbest, vermeerderd met tien maal de concentratie amfiboolasbest, bepaald overeenkomstig een in de Productenregeling asbest vastgestelde methode, hoger is dan 100 mg/kg droge stof

EN

• de totale concentratie aan asbest lager is dan 1.000 mg/kg

 

92A

ga

reststroom van het shredderen van (onderdelen van) autowrakken [autoschredderafval] en dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

92B

nga

reststroom van het shredderen van (onderdelen van) autowrakken [autoschredderafval] en dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

93A

ga

reststroom van het shredderen van (onderdelen van) afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en ander metaalafval [overig shredderafval] en dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

93B

nga

reststroom van het shredderen van (onderdelen van) afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en ander metaalafval [overig shredderafval] en dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

94

ga

PCB-houdende afvalstoffen voor zover niet vallende onder categorie 95 en voorzover geen sprake is van baggerspecie en waarvan het PCB-gehalte groter is dan 0,5 mg/kg per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180

 

95

ga

apparaten waarvan de in het apparaat aanwezige vloeistof een PCB-gehalte heeft groter dan 0,5 mg/kg per congeneer 28, 52, 101, 118, 138, 153 en 180, betrokken op deze in het apparaat aanwezige vloeistof

 

96

ga

metaalafvalstoffen met aanhangende olie of emulsie

[17]

97

nga

grond en baggerspecie die in het afvalstadium is beland en voldoet aan de achtergrondwaarden als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

[18]

98

nga

verontreinigde grond en baggerspecie die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt èn voldoet aan de maximale waarden voor kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

[18]

99

nga

verontreinigde grond en baggerspecie die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt èn voldoet aan de maximale waarden voor bodemkwaliteitsklasse A als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

[18]

100

nga

verontreinigde grond en baggerspecie die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt èn voldoet aan de maximale waarden voor kwaliteitsklasse industrie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

[18]

101

nga

verontreinigde grond en baggerspecie die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt èn voldoet aan de maximale waarden voor bodemkwaliteitsklasse B als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, niet zijnde grond vallend onder categorie 94.

[18]

102A

ga

niet toepasbare grond en baggerspecie die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt, tenzij het gaat om partijen waarvoor een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid als bedoeld in de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 is afgegeven.

 

102B

nga

niet toepasbare grond en baggerspecie die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt, tenzij het gaat om partijen waarvoor een verklaring van niet-reinigbaarheid en niet-immobiliseerbaarheid als bedoeld in de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 is afgegeven.

 

103A

ga

grond die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt, waarvan het gehalte aan stoffen vermeld in bijlage IV van Verordening EG/850/2004, met uitzondering van PCB, gelijk aan of hoger is dan de in die bijlage genoemde grenswaarde

 

103B

nga

grond die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt, waarvan het gehalte aan stoffen vermeld in bijlage IV van Verordening EG/850/2004, met uitzondering van PCB, gelijk aan of hoger is dan de in die bijlage genoemde grenswaarde

 

104A

ga

baggerspecie waarvan het gehalte aan stoffen vermeld in bijlage IV van Verordening EG/850/2004 gelijk aan of hoger is dan de in die bijlage genoemde grenswaarde en die op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

 

104B

nga

baggerspecie waarvan het gehalte aan stoffen vermeld in bijlage IV van Verordening EG/850/2004 gelijk of hoger is dan de in die bijlage genoemde grenswaarde en die op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt.

 

105

ga

zwavelzuur

 

106A

ga

zuurteer en overig afval met een zwavelgehalte van minimaal 5 gewichtsprocent, niet zijnde zwavelzuur (categorie 105) dat op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

106B

nga

zuurteer en overig afval met een zwavelgehalte van minimaal 5 gewichtsprocent, niet zijnde zwavelzuur (categorie 105) dat op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moeten worden aangemerkt

 

107

ga

overig afval dat gestort mag worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het LAP, voor zover het op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

[4], [19]

108

nga

overig afval dat gestort mag worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het LAP, voor zover het op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

[4], [19]

109A

ga

overig afval dat niet gestort mag worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het LAP, voor zover het op basis van de Eural als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

109B

nga

overig afval dat niet gestort mag worden volgens het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen of een minimumstandaard uit het LAP, voor zover het op basis van de Eural niet als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt

 

noten bij de tabel

[1] ga betreft gevaarlijk afval conform de Eural, nga betreft niet-gevaarlijk afval conform Eural

[2] Indien oliedrukkabels en/of gepantserde papier-loodkabels aanwezig zijn zal op basis van de aanwezige koolteer en/of PAK in het algemeen sprake zijn van gevaarlijk afval en dus van categorie 7A en niet van categorie 7B.

[3] Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen betreft zowel gevaarlijke als niet-gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij industriële productieprocessen. De afvalstoffen zijn divers van samenstelling en omvang. Voorbeelden van procesafhankelijk industrieel afval zijn (niet limitatief): afval van voedselproductie, assen en ander afval van thermische en verbrandingsprocessen, glasafval, katalysatoren, mineraal afval, gebruikte chemicaliën en chemische baden, metaalzouten, residuen en sludges, filtermateriaal, etc.

[4] Voor deze categorie is ook mengen binnen een categorie niet toegestaan voordat middels vergunningverlening is getoetst of dit in overeenstemming is met het mengbeleid uit dit LAP. Zie hiervoor ook paragraaf B.7.5.3 van het LAP (www.LAP3.nl).

[5] Het mengen van de categorieën 12 en 19 ten behoeve van inzet in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 15 megawatt of kleiner, waarbij de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt, en de verbranding recycling niet belemmert is toegestaan zonder omgevingsvergunning.

[6] Hout kent drie categorieën:

• A-hout: ongeverfd en onbehandeld hout

• B-hout: niet onder A- en C-hout vallend hout waaronder geverfd, gelakt en verlijmd hout

• C-hout: geïmpregneerd hout, zijnde behandeld hout waar stoffen al dan niet onder druk zijn ingebracht om de gebruiksduur te verlengen:

○ gecreosoteerd hout (met koolwaterstoffen en teren bewerkt).

○ gewolmaniseerd hout (CC- en CCA-hout); CCA-hout bevat naast koper en chroom ook arseen; CC-hout bevat wel koper en chroom, maar geen arseen.

○ hout dat met andere middelen (fungiciden, insecticiden, boorhoudende verbindingen, quaternaire ammoniumverbindingen) is behandeld teneinde de gebruiksduur te verlengen.

[7] Het gaat niet om

• partijen die uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit geëxpandeerd polystyreenschuim (categorie 30)

• partijen die uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit rubber (categorie 109).

• kunststofafval dat, vanwege de aanwezigheid van weekmakers, bepaalde pigmenten of andere additieven, als gevaarlijk afval wordt aangemerkt (categorie 109).

• voor kunststof laminaatverpakkingen omdat die in praktijk niet voor recycling geschikt zijn (categorie 109).

• thermohardende kunststoffen, elastomeren en biologisch afbreekbare kunststoffen (categorie 109).

[8] In praktijk betreft het hier met name verpakkingsafval. Het EPS uit de bouw bevat op dit moment heel vaak te veel HBCDD dat in het verleden veel als brandvertrager is toegepast.

[9] Zie ook sectorplan E.19. De richtlijn en de bijbehorende erratum zijn onder meer te vinden op (www.LAP3.nl).

[10] Voor asfalt is het gehalte aan koolteer in het algemeen bepalend voor het onderscheid tussen gevaarlijk afval en niet-gevaarlijk afval. Beleidsmatig wordt echter onderscheid gemaakt op basis van het gehalte aan PAK (PAK10 meer of minder dan 75 mg/kg). Dit betekent dat asfalt in 4 categorieën kan worden onderverdeeld.

• Voor de gevaarlijke variant (meer dan 1.000 mg/kg koolteer) zal ook sprake zijn van meer dan 75 mg/kg aan PAK (PAK-rijk). Hiervoor is vernietiging van de PAK de inzet.

Voor de niet-gevaarlijke variant wordt onderscheid gemaakt in 2 subcategorieën.

• De PAK-rijke stroom is weliswaar niet gevaarlijk, maar bevat toch te veel PAK om voor recycling in aanmerking te komen en voor die stroom is de inzet ook het vernietigen van de PAK. Het gaat dan bijvoorbeeld om niet-teerhoudend asfalt verontreinigd met teerhoudende asfalt.

• Voor de PAK-arme stroom is de inzet recycling en die wordt daarom apart verwerkt van de PAK-rijke variant. Het zal in dit geval gaan om niet-teerhoudend asfalt.

De vierde combinatie – PAK-arm en toch gevaarlijk – komt niet apart voor in de tabel. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen waarin het asfalt niet vanwege de aanwezigheid van teer maar vanwege heel specifieke verontreinigingen als gevaarlijk moet worden aangemerkt. Deze uitzonderlijke partijen vallen onder categorie 107.

[11] Zeefzand respectievelijk steenachtig materiaal kunnen worden ingedeeld op basis van het al dan niet gevaarlijk zijn volgens de Eural. Dit kan in principe door allerlei componenten komen (olie, metalen, etc.). Daarnaast wordt het beleidsmatig ingedeeld in PAK-rijk en PAK-arm zeefzand respectievelijk steenachtig materiaal waarbij voor de eerste reiniging verplicht is en voor de tweede niet. Beide indelingen lopen niet synchroon waardoor in theorie 4 combinaties kunnen voorkomen.

In praktijk zal het niet snel voorkomen dat zeefzand vanwege het PAK-gehalte als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt. Zeefzand dat gevaarlijk afval is zal dat dan zijn vanwege specifieke verontreinigingen die niet eenvoudig zijn te verwijderen (zware metalen bijvoorbeeld). Deze uitzonderlijke situaties komen niet apart voor in de tabel en vallen onder de categorie 107.

[12] Het gaat hier, doordat de categorieën 45, 46, 47, 48, 90 en 91 worden uitgesloten, met name om teermastiek en bitumineus dakafval.

• Voor de gevaarlijke variant zal het in vrijwel alle gevallen gaan om teerhoudende stromen met heel hoge PAK-gehalten waarvoor de inzet is: vernietiging van de PAK.

• Voor de niet-gevaarlijke variant wordt onderscheid gemaakt in 2 subcategorieën:

○ De PAK-rijke stroom is weliswaar niet-gevaarlijk, maar bevat toch te veel PAK om voor recycling in aanmerking te komen en voor die stroom is de inzet ook het vernietigen van de PAK.

○ Voor de PAK-arme stroom is de inzet recycling. Die wordt daarom apart verwerkt van de PAK-rijke variant. Het zal in dit laatste geval gaan om bitumineuze dakbedekking.

In praktijk zal het niet snel voorkomen dat PAK-arm dakafval als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt. PAK-arm dakafval dat gevaarlijk afval is zal dat dan zijn vanwege specifieke verontreinigingen die niet eenvoudig zijn te verwijderen (zware metalen bijvoorbeeld). Deze uitzonderlijke situatie komt niet apart voor in de tabel en valt onder de categorie 107.

[13] Onder composiet dakafval wordt verstaan:

• mengsels van teerhoudend- of bitumineus dakafval, bijvoorbeeld omdat tijdens dak onderhoud één van beide vormen op de ander is aangebracht, en

• bitumineus dakafval vermengd/verkleefd met ‘dakbedekking vreemd’ materiaal (zoals beton, hout, metaal, isolatiemateriaal, etc.), en

• teerhoudend dakafval vermengd/verkleefd met ‘dakbedekking vreemd’ materiaal (zoals beton, hout, metaal, isolatiemateriaal, etc.), en

• mengsels van teerhoudend- en bitumineus dakafval vermengd/verkleefd met ‘dakbedekking vreemd’ materiaal (zoals beton, hout, metaal, isolatiemateriaal, etc.)

Composiet dakafval kan worden ingedeeld op basis van het al dan niet gevaarlijk zijn volgens de Eural. Dit kan in principe door allerlei componenten komen (olie, metalen, etc.). Daarnaast wordt het beleidsmatig ingedeeld in PAK-rijk en PAK-arm en wordt ook onderscheid gemaakt in stromen met meer dan wel minder dan 10% dakafvalvreemd materiaal. Hier kunnen in totaal 8 combinaties voorkomen.

In praktijk zal het niet snel voorkomen dat PAK-arm composiet afval als gevaarlijk afval moet worden aangemerkt. PAK-arm composiet dakafval dat gevaarlijk afval is zal dat dan zijn vanwege specifieke verontreinigingen die niet eenvoudig zijn te verwijderen (zware metalen bijvoorbeeld). Deze uitzonderlijke situaties komen niet apart voor in de tabel en vallen onder de categorie 109.

[14] Met stoffen die niet aantoonbaar aanwezig mogen zijn worden bedoeld PCB’s, dioxines (‘dirty 17’), bestrijdingsmiddelen, organotinverbindingen en/of gebromeerde difenylethers in concentraties die tenminste gelijk zijn aan de rapportagegrens.

[15] Indien in afvalwaterstromen of baden uitsluitend snel afbreekbare stoffen voorkomen, dan is geen sprake van ‘niet snel afbreekbare afvalwaterstromen’. Een stof is snel afbreekbaar als:

– wordt voldaan aan de criteria van ready biodegradable (70% van de stof is afgebroken binnen 28 dagen conform OECD-301 testen. Stoffen die in de zogenaamde inherenty testen (OECD-302 testen) afbreekbaar zijn, hoeven dat in screeningstesten (OECD-301) niet per se te zijn); èn

– CZV/BZV5- verhouding <4; èn

– stoffen bij verwerking op de zuivering geen respiratieremming veroorzaken.

[16] Beeldbuisglas van CRT-beeldbuizen of restanten van dit beeldbuisglas vallen onder categorie 107 of 108.

[17] Metalen met aanhangende olie of emulsie zijn verspaningen (zoals draaisels en boorsels) van verschillende metalen met aanhangende vloeistoffen zoals boor-, snij-, slijp-, walsolie of koelemulsies, maar ook fijn metaalbewerkingsafval zoals hamerslagslib en oliehoudend fijn slijpafval. Dit metaalafval komt voornamelijk vrij bij de metaalbewerkende industrie.

[18] Tenzij samenvoegen met andere categorieën grond en/of baggerspecie op grond van het Bbk en BRL9335 is toegestaan

[19] Een te storten afvalstof mag pas worden gemengd met een of meer andere afvalstoffen indien vaststaat – eventueel na bemonstering en analyse – dat de afvalstof kan worden gestort en dat alle te mengen afvalstoffen op hetzelfde type stortplaats mogen worden gestort. Zie hiervoor verder het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen en paragraaf B.7.5.2.

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Deze regeling bevat een wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) en de Regeling omgevingsrecht (hierna: Mor), waarbij deze twee regelingen worden aangepast naar aanleiding van de actualisatie van een aantal normalisatiedocumenten van het Nederlands Normalisatie Instituut (hierna: NEN-normen), de actualisatie van een aantal Bijlagen bij de Activiteitenregeling en de Mor, alsmede enkele aanpassingen van technische aard.

2. Inhoud van de regeling

De Activiteitenregeling bevat algemene milieunormen waaraan inrichtingen zich moeten houden. De onderhavige regeling voert met name een aantal technische wijzigingen door op de algemene milieunormen waaraan inrichtingen moeten voldoen. De Activiteitenregeling verwijst op diverse plekken naar NEN-normen. NEN-normen bevatten afspraken die marktpartijen vrijwillig met elkaar maken over de kwaliteit en veiligheid van producten, diensten en processen. Met het aanpassen van enkele NEN-normen in deze regeling wordt tegemoetgekomen aan de toezeggingen aan het parlement en het bedrijfsleven om in de regelgeving de verwijzingen naar documenten met betrekking tot de beste beschikbare technieken (BBT) zo actueel mogelijk te houden. De NEN-normen die in deze regeling worden geactualiseerd raken met name aan de werkwijzen van de diverse laboratoria in Nederland. Hen wordt dan ook door middel van een overgangstermijn de tijd geboden de processen aan te passen.

Andere inhoudelijke wijzigingen betreffen de onderwerpen: wasplaatsen, drukregistratievoorziening, inwendig reinigen van veewagens, windturbines en het mengen van afval.

Wasplaatsen

In deze wijzigingsregeling is opgenomen dat het wassen van motorvoertuigen en werktuigen voor agrarische activiteiten is toegestaan op een aaneengesloten bodemvoorziening.

Drukregistratievoorziening

Voor eenduidige registratie en controle van de spuitdruk is nadere invulling van de specificaties van de drukregistratievoorziening in de uitvoeringspraktijk nodig gebleken. Daarin wordt met deze wijzigingsregeling voorzien.

Inwendig reinigen veewagens

Met deze wijziging wordt de bodembeschermende voorziening van het waswater van vloeistofdicht aangepast naar vloeistofkerend.

Windturbines

In onderhavige regeling wordt Bijlage 4 bij de Activiteitenregeling gewijzigd. Daarin is een reken- en meetvoorschrift opgenomen voor het bepalen van de geluidsbelasting in de omgeving van windturbines en windturbineparken. De onderhavige regeling voorziet in de wijziging van het bovengenoemde reken- en meetvoorschrift vanwege de actualisatie van de windsnelheidsverdeling in ons land die door het KNMI is ontwikkeld voor de berekening van de geluidsbelasting van een of meerdere windturbines. Hiermee wordt zeker gesteld dat de meest recente windgegevens in het kader van het akoestisch onderzoek worden gebruikt.

Mengen afval

Deze regeling wijzigt Bijlage 11 bij de Activiteitenregeling waarin is aangegeven voor welke afvalcategorieën het ongewenst is om deze te mengen met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet-afvalstoffen of materialen. Op de inhoudelijke gevolgen van deze wijziging wordt nader ingegaan in het desbetreffende deel van de artikelsgewijze toelichting.

Overige wijzigingen

Bijlage 12a is geactualiseerd door enkele wijzigingen aan te brengen in de daarin opgenomen stoffen. Aan de Bijlagen 12a en 13 zijn enkele nieuwe stoffen toegevoegd.

De bijlage bij het Mor bevat een lijst met documenten die als BBT-documenten worden beschouwd en die bij de verlening van vergunningen in acht moeten worden genomen. Met deze wijzigingsregeling wordt die lijst geactualiseerd.

Daarnaast worden enkele reparaties en technische aanpassingen doorgevoerd. Het merendeel van de actualisaties brengt in de praktijk geen grote aanpassingen of kosten met zich mee. In de artikelsgewijze toelichting wordt nader ingegaan op de specifieke wijzigingen.

3. Gevolgen voor het milieu

Door in deze wijzigingsregeling – naast een aantal inhoudelijke wijzigingen – aanpassingen aan recente normdocumenten, redactionele correcties en verduidelijkingen op te nemen, wordt de Activiteitenregeling verbeterd. De gevolgen voor het milieu zijn daarmee naar verwachting positief. Ook de inhoudelijke wijzigingen dragen bij aan deze positieve gevolgen.

4. Effecten voor het bedrijfsleven, burgers en overheden

Gevolgen voor bedrijven

Door in deze wijzigingsregeling naast een aantal inhoudelijke wijzigingen aanpassingen aan recente normdocumenten, redactionele correcties en verduidelijkingen op te nemen, wordt de Activiteitenregeling verbeterd. De meeste wijzigingen zijn gericht op het actueel houden van de Activiteitenregeling en daarmee op het behoud van een goede uitvoerbaarheid en naleefbaarheid van de Activiteitenregeling. De meest in het oog springende wijzigingen betreffen wasplaatsen, drukregistratievoorziening, inwendig reinigen van veewagens, windturbines en het mengen van afval. Op de gevolgen hiervan voor bedrijven wordt hieronder ingegaan.

Wasplaatsen

In deze wijzigingsregeling is opgenomen dat het wassen van motorvoertuigen en werktuigen voor agrarische activiteiten is toegestaan op een aaneengesloten bodemvoorziening. Dit geldt voor motorvoertuigen en werktuigen die worden gebruikt bij agrarische activiteiten voor agrarische voertuigen. Door het toestaan van een lichtere vorm van bodembeschermende voorziening nemen de nalevingskosten bij de aanleg van een wasplaats af. Aangezien er geen nieuwe verplichting wordt toegevoegd, nemen de administratieve lasten niet toe.

Drukregistratievoorziening

Voor eenduidige registratie en controle van de spuitdruk is nadere invulling van de specificaties van de drukregistratievoorziening in de uitvoeringspraktijk nodig gebleken. De desbetreffende aanpassing van de Activiteitenregeling leidt niet tot een toename van de administratieve lasten of nalevingskosten aangezien er geen nieuwe verplichting wordt voorgeschreven maar de reeds geldende voorschriften worden verduidelijkt.

Inwendig reinigen veewagens

Met deze wijziging wordt de bodembeschermende voorziening van het waswater van vloeistofdicht aangepast naar vloeistofkerend. Dit houdt in dat de vloer niet over een certificaat vloeistofdicht hoeft te beschikken en er ook geen zes-jaarlijkse keuring van de vloer nodig is. Dit brengt een lastenverlichting voor de ondernemer met zich. De ondernemer kan volstaan met een vloer of verharding van beton of asfalt. Dit wordt als vloeistofkerend gezien.

Windturbines

Vanwege de actualisatie van de windsnelheidsverdeling, ontwikkeld door het KNMI, is in de wijzigingsregeling een reken- en meetvoorschrift opgenomen. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat bij het akoestisch onderzoek voor het bepalen van de geluidsbelasting in de omgeving van windturbines en windturbineparken de meest recente windgegevens worden gebruikt. De berekeningsmethode voor de overdracht van het geluid naar de omgeving wijzigt echter niet. Dit reken- en meetvoorschrift leidt dan ook niet tot wijzigingen in de huidige uitvoeringspraktijk en heeft geen effect op de inhoudelijke nalevingskosten.

Mengen afval

In de wijzigingsregeling is opgenomen voor welke afvalcategorieën het ongewenst is om deze te mengen met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet-afvalstoffen of materialen.

Op grond van de actualisatieplicht van het Besluit omgevingsrecht dient een aantal omgevingsvergunningen te worden geactualiseerd wat betreft het mengen van afval. De desbetreffende aanpassing in deze wijzigingsregeling brengt als zodanig geen extra last met zich. De verhoging van de administratieve lasten is immers gelegen in de actualisatieplicht van de vergunning op grond van het Besluit omgevingsrecht.

Overige wijzigingen

Voor het overige heeft deze wijzigingsregeling geen gevolgen voor de administratieve lasten of de inhoudelijke nalevingkosten van bedrijven aangezien het daarnaast slechts onderhoud en reparaties bevat.

Gevolgen voor overheden en burgers

Wat betreft de bestuurlijke lasten voor overheden kan ervan worden uitgegaan dat de lasten voor de noodzakelijke kennisname van dit besluit beperkt zijn, omdat gemeenten en waterschappen al bekend zijn met de Activiteitenregeling. De verbeteringen en reparaties maken een betere uitvoering en handhaving mogelijk. De veranderingen die deze wijzigingsregeling aanbrengt, zijn niet van toepassing op burgers en zullen dan ook geen gevolgen hebben voor hun administratieve lasten.

5. Uitvoering en handhaving

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de voorschriften beoordeeld, vanuit haar rol als deskundige instantie, met kennis en ervaring over de uitvoering en handhaving van regels over de onderwerpen die in dit wijzigingsbesluit aan de orde komen. Deze wijzigingsregeling brengt geen wijzigingen met zich mee wat betreft de verantwoordelijkheid voor het toezicht op en de handhaving van de naleving van algemene regels.

De Inspectie Leefomgeving en Transport heeft aangegeven dat de ontwerpregeling geen aanleiding geeft opmerkingen te maken over de uitvoerbaarheid. De regeling heeft geen financiële gevolgen voor de Inspectie Leefomgeving en Transport, of gevolgen voor de capaciteit van de Inspectie Leeomgeving en Transport.

6. Consultatie en inspraak

De regeling is van 21 november 2018 tot 19 december 2018 op internet gedurende vier weken ter consultatie aangeboden om één ieder de gelegenheid te geven op de voorgestelde wijzigingen te reageren. De internetconsultatie heeft geleid tot 9 reacties.

De meerderheid van de reacties zagen op Bijlage 11 bij de ontwerpregeling en hadden betrekking op onder meer het mengen van afval met niet-gevaarlijk afval en het mengen van afval bij afvalverbrandingsinstallaties.

Als afvalstoffen, afkomstig van buiten de inrichting, tot verschillende categorieën van Bijlage 11 behoren, mogen zij niet zonder vergunning worden gemengd. Dit geeft de vergunningverlener de mogelijkheid om te toetsen of in een specifiek geval mengen kan worden toegestaan en om eventueel door middel van het opnemen van sturingsvoorschriften zeker te stellen dat verwerking volgens de minimumstandaard plaatsvindt. Voor veel van de in Bijlage 11 genoemde afvalstoffen is dit nu ook al zo en verandert er met deze onderhoudswijziging niets ten opzichte van de oude situatie.

Voor afval met als minimumstandaard verbranden geldt dat het overgrote deel van het afval dat in een afvalverbrandingsinstallatie wordt verbrand, mag worden gemengd. Voor afval met als minimumstandaard recycling, is mengen bij een afvalverbrandingsinstallatie alleen mogelijk wanneer dat in een vergunning is toegestaan. Dit geeft de vergunningverlener de mogelijkheid per stroom vast te leggen in welke gevallen acceptatie voor verbranden alsnog is toegestaan en op welke wijze dient te worden aangetoond dat verwerking volgens de minimumstandaard van die afvalstoffen in specifieke gevallen niet mogelijk is.

Het mengen van gevaarlijk afval met niet gevaarlijk afval blijft mogelijk, mits de vergunningverlener heeft geoordeeld dat dit vanuit doelmatige verwerking kan worden toegestaan. Wanneer het accepteren van integraal afval op basis van de vergunning is toegestaan, verandert deze regeling daar niets aan.

Er is verzocht om de NEN-norm in artikel 2.2, vierde lid, niet te laten vervallen. Aan dit verzoek is gevolg gegeven. De vluchtige aromaten (BTEX) worden weliswaar niet genoemd in artikel 3.29 van het Activiteitenbesluit, maar deze NEN-norm wordt wel gebruikt voor het analyseren van vloeibare brandstof en afgewerkte olie. NEN-EN-ISO 15680 blijft daarom staan in artikel 2.2, vierde lid.

Voor het commentaar dat is geleverd ten aanzien van de artikelen 3.43 en 3.44 inzake de bodembeschermende voorziening wordt verwezen naar de voorliggende wijziging van artikel 3.27c, derde lid. Daarin is de aanpassing in een lichtere bodembeschermende voorziening geregeld.

Naar aanleiding van diverse commentaren zijn enkele redactionele correcties doorgevoerd.

Enkele verzoeken waren te beschouwen als een wens tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer en niet als een commentaar op de voorliggende ontwerpregeling. De wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer is thans niet aan de orde. Deze verzoeken hebben dan ook niet tot aanpassing van de voorliggende ontwerpregeling geleid.

Tevens is de regeling in overeenstemming met de Code interbestuurlijke verhoudingen aangeboden aan de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Dit heeft niet geleid tot een formele reactie van deze partijen.

7. Notificatie

Het ontwerp van deze wijzigingsregeling is op 21 december 2018 gemeld aan de Commissie van de Europese Unie (2017/0238/NL)) ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241).

8. Inwerkingtreding

Het streven is deze regeling in werking te laten treden met ingang van 1 juli 2019. Hiermee wordt aangesloten bij het kabinetsbeleid inzake vaste verandermomenten voor de regelgeving.

Artikelsgewijs

Artikel I, wijziging Activiteitenregeling

Onderdeel A, artikel 1.1

De definitie wordt toegevoegd in verband met wijziging van artikel 3.27 van deze regeling.

Onderdeel B, artikel 1.2

De verwijzing naar een aantal NEN-normen is geactualiseerd. De aanpassingen in NEN-EN 13284-1, NEN-EN 13284-2, NEN-EN ISO/IEC 17025 en NEN-EN ISO 16852 zijn doorgevoerd zodat naar de meest actuele versie van de NEN-normen wordt verwezen. Daarnaast is NEN-ISO 9096 komen te vervallen, omdat deze bepalingsmethode afdoende wordt geregeld in NEN-EN 13284-1. Daarnaast zijn er aanpassingen doorgevoerd van redactionele aard.

Met deze wijziging is tevens een foutieve verwijzing naar de vindplaats in de Staatscourant van het Voorschrift opslag en behandeling ontplofbare stoffen en voorwerpen Defensie, de zogenaamde ‘MP40-21’ gecorrigeerd.

Onderdeel C, artikel 2.2

Peilbuizen moeten worden bemonsterd en geanalyseerd op de stoffen die in een ondergrondse opslagtank worden opgeslagen. Niet voor al deze stoffen bestaat een gestandaardiseerde analysemethode, vastgelegd in een NEN, NEN-EN of ISO, waarnaar kan worden verwezen in artikel 2.2, vierde lid. Op grond van het nieuwe vierde lid moet voor stoffen waarvoor geen gestandaardiseerde analysemethode is vastgesteld, gebruik worden gemaakt van een methode die geschikt is om de aanwezigheid daarvan vast te stellen. Het laboratorium dat de analyse heeft verricht geeft in het analyserapport een verantwoording over de gebruikte methode. Dat is een verplichting die voortvloeit uit AS SIKB 3000 waarvoor het laboratorium moet beschikken over een erkenning bodemkwaliteit. Op grond van het Besluit bodemkwaliteit is het laboratorium verplicht om bij het verrichten van analyses te voldoen aan AS SIKB 3000.

Onderdelen D, E, F en G, artikelen 2.22, 3.4n, 3.4p en 3.7a

Door de actualisatie van deze regeling verwijst de Activiteitenregeling naar de meest actuele versie van NEN-EN ISO/IEC 17025, NEN-EN 13284-1 en NEN-EN 13284-2. Daarnaast kan NEN-ISO 9096 worden geschrapt. Deze bepalingsmethode wordt afdoende geregeld in NEN-EN 13284-1. Bedrijven moeten voldoen aan NEN-EN 13284-1. Het daarnaast voorschrijven van NEN-ISO 9096, veroorzaakt extra administratieve lasten voor de laboratoria die 2 normen die hetzelfde beschrijven onder de accreditatie moeten houden.

Het is mogelijk dat de analyselaboratoria op het moment dat deze wijzigingsregeling van kracht wordt nog volgens de vervangen norm werken. In de artikelen 2.22, 3.4n, 3.4p en 3.7a is daarom een overgangsbepaling opgenomen. Deze bepaling geeft bedrijven die nog niet volgens de geactualiseerde norm werken 18 maanden de tijd om de werkwijze aan te passen.

Onderdeel H, artikel 3.17a

Er wordt bij de gebruiksfase test alleen naar NEN-EN-167321-1 verwezen terwijl dat naar NEN-EN16321-1 en NEN-EN-16321-2 moet zijn.

Onderdeel I, artikel 3.27

Met de toevoeging van een derde lid aan artikel 3.27 is het toegestaan om motorvoertuigen en werktuigen die gebruikt worden bij agrarische activiteiten te wassen op een aaneengesloten bodemvoorziening. Dit geldt voor motorvoertuigen en werktuigen die worden gebruikt bij agrarische activiteiten waarmee al dan niet gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast.

Onderdeel J, artikel 3.27c

Autowrakken en wrakken van tweewielige motorvoertuigen worden volgens het derde lid opgeslagen boven een vloeistofdichte vloer of lekbak. Voor de onderdelen uit deze wrakken was onder deze activiteit niets geregeld, waardoor de opslag van onderdelen van wrakken waaruit bodembedreigende stoffen kunnen lekken volgens artikel 3.43, eerste lid, boven een vloeistofdichte vloer of verharding moest worden opgeslagen. Het is van de wetgever echter altijd de bedoeling geweest om de opslag voor de onderdelen van wrakken ook boven een lekbak toe te staan. Met deze wijziging is hersteld dat de onderdelen ook boven een lekbak mogen worden opgeslagen.

Onderdelen K en S, artikelen 3.35 en 4.9a

De BRL K779 geeft eisen aan de inwendige bekleding (coating, verfsystemen) voor stalen opslagtanks en de BRL K790 geeft eisen aan het appliceren (stralen, reinheid en ruwheid bepalen) van het aanbrengen van deze coating/verfsystemen op een stalen oppervlak. Alleen een inwendige bekleding (coating) volgens de BRL K779 die is aangebracht volgens de BRL K790 kan de integriteit van de tankinstallatie zodanig verhogen waardoor een verruiming van de keurings- en herkeuringstermijn gerechtvaardigd is.

Onderdeel L, artikel 3.71d

Aan artikel 3.71d zijn twee leden toegevoegd. De BRL K903 regelt wel de beoordeling en keuring van de bovengrondse opslagtank met daarbij behorende leidingen en appendages, maar niet de ondergrondse delen (ondergrondse leidingen en appendages) indien deze aanwezig zijn bij een bovengrondse tankinstallatie. Daarvoor moet verwezen worden naar het normdocument AS 6800. De controles genoemd in het derde lid worden uitgevoerd volgens het normdocument AS 6800.

De tabel behorende bij het artikel is aangepast om de volgende reden. De BRL K779 geeft eisen aan de inwendige bekleding (coating, verfsystemen) voor stalen opslagtanks en de BRL K790 geeft eisen aan het appliceren (stralen, reinheid en ruwheid bepalen) van het aanbrengen van deze coating/verfsystemen op een stalen oppervlak. Alleen een inwendige bekleding (coating) volgens de BRL K779 die is aangebracht volgens de BRL K790 kan de integriteit van de tankinstallatie zodanig verhogen waardoor een verruiming van de keurings- en herkeuringstermijn gerechtvaardigd is.

Onderdeel M, artikel 3.71f

De eis om stalen bovengrondse opslagtanks met afgewerkte olie jaarlijks te legen komt voort uit de verplichting om stalen bovengrondse tanks jaarlijks te controleren op water zoals gesteld in art 3.71d eerste lid (volgens AS 6800) want water kan de tank van binnen corroderen. Wanneer de tank afgewerkte olie bevat hoeft de controle op water hiervoor niet plaats te vinden want deze wordt jaarlijks geleegd (indien de tank water zou bevatten wordt dit jaarlijks verwijderd). Voor bovengrondse tanks van kunststof geldt de controle op water niet (kunnen niet corroderen) en hoeft dus ook niet jaarlijks geleegd te worden maar kan er worden aangesloten bij de regels voor het verwijderen van afvalstoffen.

Onderdeel N, artikel 3.77

De aanpassing betreft een aanpassing van de ten hoogste toegestane verbruiksnorm van stikstof voor de gewas/gewasgroep Lisianthus belicht en onbelicht.

Onderdeel O, artikel 3.91

Artikel 3.91 wordt gewijzigd, omdat voor een eenduidige registratie en controle van de spuitdruk aanvulling van de specificaties van de drukregistratievoorziening noodzakelijk is. Op verzoek van fabrikanten en importeurs van spuitmachines is ten behoeve van de ontwikkeling van de drukregistratievoorziening een notitie opgesteld op welke manier invulling gegeven kan worden aan de eisen uit artikel 3.91. De notitie ‘Specificaties drukregistratievoorziening voor spuitmachines’ (versie 4 december 2018) kan worden geraadpleegd op www.helpdeskwater.nl.

Onderdeel P, artikel 3.98

In het derde lid van artikel 3.98 is opgenomen dat de afstand tussen ventilatoren en het filterpakket ten minste drie meter moet zijn. Het doel van deze eis is om een optimale verdeling van de lucht over het gehele aanstroomoppervlak van het filterpakket of de filterwand te krijgen. Dit doel blijkt ook op een andere manier te kunnen worden gegarandeerd, waarbij de afstand korter kan zijn. In de nieuwste versie van het ‘Technisch informatiedocument luchtwassystemen voor de veehouderij’ (versie 2.2, november 2017) is informatie hierover opgenomen. Door de introductie van een nieuw vijfde lid, kan met maatwerkvoorschriften worden afgeweken van de afstandseis in het derde lid.

Onderdeel Q, artikel 4.3

In artikel 4.3 is een aantal kleine taalkundige correcties aangebracht.

Onderdeel R, artikel 4.6

In de voetnoot bij tabel 4.6 werd niet duidelijk dat het om de gezamenlijke opslag van spuitbussen/gaspatronen met andere gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening ging. Om deze reden is, in aansluiting op hoofdstuk 7 van de PGS 15, ‘opslagvoorziening’ toegevoegd. Omwille van de duidelijkheid wordt in de voetnoot nu ook naar UN 2037 verwezen.

Onderdeel T, artikel 4.13

Door de wijziging van artikel 4.13, eerste lid, wordt gewaarborgd dat ook aan de standaarden in de artikelen 4.19a en 4.19b moet worden voldaan.

Onderdeel U, artikel 4.15

Aan artikel 4.15 is een lid toegevoegd. De BRL K903 regelt wel de beoordeling en keuring van de bovengrondse opslagtank met daarbij behorende leidingen en appendages, maar niet de ondergrondse delen (ondergrondse leidingen en appendages) indien deze aanwezig zijn bij een bovengrondse tank. Daarvoor moet verwezen worden naar het normdocument AS SIKB 6800

De tabel behorende bij het artikel is aangepast om de volgende reden. De BRL K779 geeft eisen aan de inwendige bekleding (coating, verfsystemen) voor stalen opslagtanks en de BRL K790 geeft eisen aan het appliceren (stralen, reinheid en ruwheid bepalen) van het aanbrengen van deze coating/verfsystemen op een stalen oppervlak. Alleen een inwendige bekleding (coating) volgens de BRL K779 die is aangebracht volgens de BRL K790 kan de integriteit van de tankinstallatie zodanig verhogen waardoor een verruiming van de keurings- en herkeuringstermijn gerechtvaardigd is.

Onderdeel V, § 4.1.3.2.

Het vervangen van het begrip koolzuur door het begrip kooldioxide in de titel van de paragraaf sluit beter aan bij de inhoud van de bepalingen in de paragraaf.

Onderdeel W, artikel 4.20.2

Betreft een aanpassing van een verwijzing naar de juiste PGS-norm.

Onderdeel X, artikel 4.104

Het inwendig reinigen van transportmiddelen waarin dieren zijn vervoerd verloopt meestal als volgt. Het transportmiddel wordt eerst uitgespoten met warm water en vervolgens handmatig (met sproeimiddel) ontsmet met ontsmettingsmiddelen. Het ontsmettingsmiddel wordt niet nagespoeld, omdat anders de werking van het middel teniet wordt gedaan. Pas na het volgende transport worden de ontsmettingsmiddelen weggespoten. De hoeveelheid afvalwater met ontsmettingsmiddelen is dus zeer beperkt, aangezien er dan reeds verdamping heeft plaatsgevonden. Daarnaast mag volgens artikel 4.104b, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer het afvalwater, afkomstig van het inwendig reinigen of ontsmetten van vrachtwagens of andere transportmiddelen waarin dieren zijn vervoerd, op of in de bodem worden geloosd indien het afvalwater gelijkmatig wordt verspreid over de onverharde bodem. De milieu hygiënische belasting op de bodem is dus beperkt, waardoor het wassen op een vloeistofkerende vloer of verharding een voldoende bodembeschermende voorziening is.

Onderdelen Y, Z en AA, artikelen 5.5, 5.18 en 5.35

Door de actualisatie van deze regeling verwijst de Activiteitenregeling naar de meest actuele versie van NEN-EN ISO/IEC 17025, NEN-EN 13284-1 en NEN-EN 13284-2. Daarnaast kan NEN-ISO 9096 worden geschrapt. Deze bepalingsmethode wordt afdoende geregeld in NEN-EN 13284-1. Bedrijven moeten voldoen aan NEN-EN 13284-1. Het daarnaast voorschrijven van NEN-ISO 9096, veroorzaakt extra administratieve lasten voor de laboratoria die 2 normen die hetzelfde beschrijven onder de accreditatie moeten houden.

Het is mogelijk dat de analyselaboratoria op het moment dat deze wijzigingsregeling van kracht wordt nog volgens de vervangen norm werken. In de artikelen 5.5, 5.18 en 5.35 is daarom een overgangsbepaling opgenomen. Deze bepaling geeft bedrijven die nog niet volgens de geactualiseerde norm werken 18 maanden de tijd om de werkwijze aan te passen.

Onderdeel BB, §3.4.3 van Bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer

In bijlage 4 bij de Activiteitenregeling is een reken- en meetvoorschrift voor het bepalen van de geluidsbelasting in de omgeving van windturbines en windturbineparken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in de wijziging van het bovengenoemde reken- en meetvoorschrift vanwege de actualisatie van de windsnelheidsverdeling in ons land die door het KNMI is ontwikkeld voor de berekening van de geluidsbelasting van een of meerdere windturbines.

Deze windsnelheidsverdeling is gebaseerd op een langjarige windstatistiek tot en met het jaar 2009. Op basis van de landelijke windgegevens van 2004 tot en met 2013 heeft het KNMI een nieuwe, actuelere windsnelheidsverdeling ontwikkeld. Met deze wijziging wordt in paragraaf 3.4.3 van bijlage 4 expliciet naar deze nieuwe windsnelheidsverdeling verwezen en toegelicht.

Hiermee wordt zeker gesteld dat door de exploitant de meeste recente windgegevens in het kader van het akoestisch onderzoek worden gebruikt.

Deze wijziging leidt niet tot wijzigingen in de huidige uitvoeringspraktijk voor het oprichten van windturbines en heeft geen effect op de inhoudelijke nalevingskosten. Er wordt met een andere windsnelheidsverdeling gewerkt, maar de berekeningsmethode voor de overdracht van het geluid naar de omgeving wijzigt niet. De nieuwe invoergegevens kunnen in individuele situaties wel leiden tot veranderingen in berekende geluidniveaus. De resulterende geluidniveaus kunnen beperkt hoger of lager zijn dan bij gebruikmaking van de oude gegevens het geval was. De wijziging leidt daarmee niet tot nadelige effecten voor de omvang van geluidhinder in Nederland. Immers, ook nu vindt toetsing aan de geldende normering bij handhaving plaats op basis van de werkelijke windgegevens zoals deze in de praktijk optreden.

De onderhavige regeling richt zich tot de drijver van de inrichting (exploitant van de windturbine of een combinatie van windturbines) die onder het Activiteitenbesluit vallen. Degene die de windturbine in gebruik wenst te nemen dan wel in werking heeft, is ervoor verantwoordelijk dat juiste gegevens voor de berekening van de geluidsbelasting worden gebruikt. Ook moet de drijver van de windturbine ervoor zorgen dat de geluidnormen niet worden overschreden. De gemeente is het bevoegd gezag, en heeft op grond van artikel 18.2, eerste lid, van de Wm onder andere tot taak zorg te dragen voor de bestuursrechtelijke handhaving van de voor degene die de inrichting drijft op grond van de Wm geldende voorschriften.

Onderdeel CC, Bijlage 11

Deze regeling wijzigt bijlage 11 bij de Activiteitenregeling waarin is aangegeven voor welke afvalcategorieën het ongewenst is om deze te mengen met elkaar, met andere afvalstoffen of met niet-afvalstoffen of materialen. Die categorieën zijn ook opgenomen in Bijlage F.5 van het Landelijk Afvalbeheerplan 3 (hierna LAP3). Op 28 december 2017 is het LAP3 inwerking getreden. Bijlage F.5 is daarin gewijzigd ten opzichte van het Landelijk Afvalbeheerplan 2 en komt daardoor nu niet meer overeen met bijlage 11 bij de Activiteitenregeling. In verband met de komende eerste wijziging van LAP3 zijn tevens een aantal categorieomschrijvingen in Bijlage F.5 aangepast (categorie 89 en categorie 107, 108 en 109.

Voor inrichtingen is in de omgevingsvergunning of in de voorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer uitgewerkt welke afvalstoffen gescheiden moeten worden gehouden of bij elkaar mogen. Bijlage F.5 van het Landelijk Afvalbeheerplan en bijlage 11 van de Activiteitenregeling milieubeheer zijn hierbij bepalend. Deze bijlagen zijn van toepassing op inrichtingen type a, b en c in de gehele afvalbeheerketen, dus ook op ontdoeners en bedrijven die zich alleen met op- en overslag bezighouden. Voor inzamelaars is in het Besluit inzamelen afvalstoffen vastgelegd dat ook zij de in bijlage 11 van de Activiteitenregeling milieubeheer genoemde afvalstoffen gescheiden moeten houden.

Met deze wijziging wordt bijlage 11 van de Activiteitenregeling milieubeheer overeenkomstig bijlage F.5 uit het LAP3 aangepast. De onderscheiden categorieën die in beide bijlagen zijn opgesomd en in bijlage F5 van het LAP3 van een toelichting voorzien, zijn gebaseerd op de inhoud van de minimumstandaarden van de sectorplannen uit het LAP3. De minimumstandaarden geven aan wat de minimale hoogwaardigheid is van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Ze zijn bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is en vormen op die manier een referentieniveau bij de vergunningverlening voor afvalbeheer. Om te voldoen aan die minimale hoogwaardigheid van verwerking zijn sommige minimumstandaarden gewijzigd. Als gevolg daarvan zijn de omschrijvingen in bijlage 11 ook aangepast. Conform de actualisatieplicht in artikel 5.10 tweede lid van het Besluit omgevingsrecht dient daarom een aantal omgevingsvergunningen te worden geactualiseerd op basis van de gewijzigde minimumstandaard in samenhang met de gewijzigde categorie.

Hieruit volgt tegelijkertijd dat de wijziging van bijlage 11 als zodanig geen extra last met zich brengt. De verhoging van de administratieve lasten is immers met name gelegen in de actualisatieplicht van de vergunning op grond van het Besluit omgevingsrecht. De wijziging van categorieën in bijlage 11 van de Activiteitenregeling milieubeheer en bijlage F.5 van het LAP3 kunnen voor vergunningplichtige bedrijven ertoe leiden dat de vergunningvoorschriften over mengen niet meer aansluiten op de mengverboden en uitzonderingen daarop op grond van artikel 10.54a van de Wet milieubeheer en artikel 2.12 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Die vergunningen moeten dan overeenkomstig Bijlage 11 van de Activiteitenregeling milieubeheer en bijlage F5 van het LAP3 worden aangepast voor zover er een uitzonderingsmogelijkheid bestaat voor de menghandeling.

Onderdeel DD, Bijlage 12a

De wijziging van Bijlage 12a betreft de actualisatie van een aantal bestaande stoffen en een toevoeging van enkele nieuwe stoffen.

Onderdeel EE, Bijlage 13

Aan bijlage 13 zijn twee nieuwe stoffen toegevoegd.

Artikel II, wijziging Regeling omgevingsrecht

In de bijlage was de Handreiking (co-)vergisting van mest van september 2010 aangewezen als informatiedocument over BBT. Deze handreiking is inmiddels geactualiseerd en bevat vooral een uitleg van de (afvalstoffen)wetgeving in relatie tot covergisting. Het gaat niet om het vaststellen van BBT-technieken. De voorschriften voor kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen zijn ook BBT voor covergisting. Deze voorschriften staan in paragraaf 3.5.10 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.5.8 van de Activiteitenregeling. Om de informatie over co-vergisting actueel te kunnen houden is ervoor gekozen om de informatie via de website van InfoMil te ontsluiten en niet als apart document. Omdat de handreiking daarmee een dynamisch document is, is de handreiking niet meer aangewezen als informatiedocument over BBT.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer