Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en WaterstaatStaatscourant 2019, 16040Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 25 maart 2019, nr. IENW/BSK-2019/23214, tot wijziging van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector (uitbreiding subsidieaanvragers, nieuwe subsidiethema’s en nieuw project)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, onderdeel b, 4, eerste en tweede lid, en 5 van de Kaderwet subsidies I en M en de artikelen 2, eerste lid, 4, 6, zesde lid, 8, eerste lid, en 13 van het Kaderbesluit subsidies I en M;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De volgende begrippen met bijbehorende begripsomschrijvingen worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

brancheorganisatie:

organisatie met rechtspersoonlijkheid die de belangen van de branche behartigt;

kmo:

kleine en middelgrote ondernemingen als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

omgevingsdienst:

omgevingsdienst als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

omgevingsveiligheid:

veiligheidssituatie in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen;

project d:

project inzake advies voor een kmo als bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarbij extern advies wordt gevraagd voor de versterking van de interne veiligheidscultuur of de interne borging van de veiligheid van de kmo;

projectdeelnemers:

een of meer deelnemers aan een project die activiteiten uitvoeren binnen dat project en daarmee aanspraak maken op subsidie;

veiligheidsregio:

veiligheidsregio als bedoeld in artikel 1 van de Wet veiligheidsregio’s;.

2. De begripsomschrijving van branche komt te luiden:

groep ondernemingen die soortgelijke activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen;.

3. De begripsomschrijving van branchesamenwerkingsverband komt te luiden: samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen uit dezelfde branche;.

4. De begripsomschrijving van clustersamenwerkingsverband komt te luiden: locatiegericht samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen die activiteiten verrichten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen;.

5. De begripsomschrijving van keten komt te luiden:

twee of meer ondernemingen in een toe- of afleveringsketen die activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen verrichten;.

6. De begripsomschrijving van ketensamenwerkingsverband komt te luiden: samenwerkingsverband bestaande uit in ieder geval twee ondernemingen in een keten;.

7. De begripsomschrijving van Minister komt te luiden:

Minister van Infrastructuur en Waterstaat;.

8. Het begrip ‘BRZO-ondernemingen’ met de daarbij behorende begripsomschrijving vervalt.

B

Voor de punt aan het slot van artikel 2 wordt toegevoegd: ‘of risicovolle processen’.

C

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3 Verstrekken van subsidie

De Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken voor de uitvoering van projecten die beogen het in artikel 2 genoemde doel te bereiken en die betrekking hebben op een of meer van de volgende thema’s:

  • a. veiligheidscultuur;

  • b. ketenverantwoordelijkheid;

  • c. duurzaam assetmanagement;

  • d. transparante sector;

  • e. veilige bedrijventerreinen en veilige clusters;

  • f. hoogwaardige kennis.

D

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste tot en met derde lid komen te luiden:

  • 1. Het subsidieplafond voor project a, project b en project c bedraagt in 2019 € 1.800.000,–.

  • 2. Het subsidieplafond voor project d bedraagt in 2019 € 200.000,–.

  • 3. De Minister stelt de subsidieplafonds voor de daaropvolgende jaren vast en maakt die bekend in de Staatscourant voor aanvang van het tijdvak waarvoor ze worden vastgesteld.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Indien één van de subsidieplafonds, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet volledig wordt benut in het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, kan de Minister het resterende bedrag beschikbaar stellen voor aanvragen vallend onder het andere subsidieplafond wanneer dit reeds voor het aflopen van het tijdvak volledig is uitgeput.

E

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt ’uitsluitend worden ingediend door’ vervangen door: ’worden ingediend door een brancheorganisatie of’.

2. In het derde lid wordt na ’een onderzoeksorganisatie’ ingevoegd ’, een omgevingsdienst en een veiligheidsregio’ en wordt ’kan’ vervangen door ’kunnen’.

3. Onder vernummering van het vierde tot zevende lid worden na het derde lid drie leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Deelname van omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s aan een samenwerkingsverband is slechts toegestaan indien de deelname in ieder geval bijdraagt aan de kwaliteit van de uitvoering van hun wettelijke taak, zij hiermee geen staatssteun verstrekken aan deelnemende ondernemingen, waardoor strijd met de algemene groepsvrijstellingsverordening zou ontstaan en zij geen penvoerder zijn van een samenwerkingsverband.

  • 5. Voor de uitvoering van een project d kan een aanvraag uitsluitend worden ingediend door een kmo waarvan industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen onderdeel van de bedrijfsvoering zijn.

  • 6. Een aanvraag voor project d gaat vergezeld van een offerte of een overeenkomst met betrekking tot het voorgenomen project die op het moment van indiening van de aanvraag nog geen onherroepelijke verplichtingen bevat.

F

In artikel 6 wordt onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Als subsidiabele kosten voor een project d worden uitsluitend de kosten, bedoeld in artikel 18, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening beschouwd.

G

In de artikelen 7, eerste lid, 8, eerste lid, en 9, eerste lid, wordt ‘artikel 6, vierde lid, vervangen door ‘artikel 6, vijfde lid’.

H

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt na het derde lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De subsidie voor een project d bedraagt ten hoogste het percentage van de subsidiabele kosten dat is opgenomen in artikel 18, tweede lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening met een maximum van € 5.000.

2. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘Ten aanzien van’ vervangen door ‘Voor’.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Voor een omgevingsdienst of een veiligheidsregio bedraagt de subsidie voor een project ten hoogste 15% van de subsidiabele kosten, onder aftrek van een andere ontvangen overheidsbijdrage voor hetzelfde project.

I

In artikel 11, eerste lid, wordt ’Een project voldoet’ vervangen door ‘Een project a, project b en project c voldoen’.

J

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1’ geplaatst.

2. Het eerste lid, aanhef, komt te luiden:

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van het kaderbesluit, wordt een subsidieaanvraag voor een project a, project b of project c, in ieder geval afgewezen, indien:.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 11 en 12 van het kaderbesluit, wordt een subsidieaanvraag voor een project d, in ieder geval afgewezen, indien:

    • a. sprake is van een omstandigheid als genoemd in het eerste lid, onderdelen a, e of f; of

    • b. op grond van deze regeling al eerder een subsidie is verstrekt voor project d aan dezelfde aanvrager.

K

Onder vernummering van artikel 15 tot artikel 16 wordt na artikel 14 een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 15 Overgangsrecht

Op een subsidieaanvraag die is ingediend voor 1 april 2019 en waarop voor die datum nog niet is beslist, is deze regeling van toepassing zoals die luidde op 31 maart 2019.

L

Artikel 16 (nieuw) komt te luiden:

Artikel 16 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid industriële activiteiten.

M

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘BRZO-sector’ vervangen door ‘industriële activiteiten’.

2. Voor de puntkomma aan het slot van het eerste gedachtestreepje wordt toegevoegd ‘of, bij een aanvraag door een brancheorganisatie, de vermelde brancheleden en andere ondernemingen die blijkens de aanvraag specifiek baat hebben bij het halen van de projectdoelstelling’.

3. Voor de puntkomma aan het slot van het vierde gedachtestreepje wordt toegevoegd ‘, bij vermelde leden of segmenten van brancheorganisaties en ondernemingen of organisaties uit andere branches, clusters of ketens blijkens de aanvraag’.

4. Voor de puntkomma aan het slot van het vijfde gedachtestreepje wordt toegevoegd ‘bij projectdeelnemers, overige betrokken of belanghebbende ondernemingen en organisaties of leden of segmenten van brancheorganisaties blijkens de aanvraag’.

5. In het zesde gedachtestreepje wordt na ‘projectdeelnemers’ toegevoegd ‘en andere betrokkenen’.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2019. Indien de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 maart 2019, treedt deze regeling in werking op de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze wijzigingsregeling strekt tot aanpassing van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector. Het doel van deze subsidieregeling (hierna: regeling) is het versterken van de omgevingsveiligheid ten aanzien van industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen de BRZO-sector. Van deze sector maken onder meer ondernemingen deel uit waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing is.

2. Doel wijzigingsregeling

De wijzigingsregeling heeft tot doel de effectiviteit van de regeling te vergroten door deze niet meer expliciet te koppelen aan BRZO-ondernemingen, maar toegankelijk te maken voor alle ondernemingen die met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen werken. Risicovolle processen worden specifiek benoemd, om duidelijk te maken dat ook processen waar geen gevaarlijke stoffen worden toegepast, maar die wel risicovol zijn, vooral door het werken met hoge drukken en hoge temperaturen, onder deze regeling vallen. De doelgroep van deze regeling wordt verder vergroot door het mogelijk te maken dat omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s deelnemen aan een samenwerkingsverband1 en door een brancheorganisatie als zelfstandige subsidieaanvrager toe te staan. Daarnaast is een nieuw project d toegevoegd waarvoor subsidie kan worden verstrekt aan een kleine of middelgrote onderneming (hierna: kmo). Tevens is met de wijziging beoogd aan te sluiten bij het ‘Programma Duurzame Veiligheid 2030’, waarin overheid, bedrijfsleven en wetenschap programmatisch samenwerken met als doel de veiligheid in de (petro)chemische sector in 2030 duurzaam significant te hebben verbeterd. Daartoe worden drie nieuwe thema’s toegevoegd waarop de subsidieverlening betrekking kan hebben.

3. Inhoud wijzigingen

3a. Verruiming doelgroep (subsidieaanvragers)

Om de toegankelijkheid van de regeling te vergroten zijn de regels voor de samenstelling van een samenwerkingsverband gewijzigd. Het vereiste dat tenminste een BRZO-onderneming moet deelnemen aan een samenwerkingsverband dat een aanvraag om subsidie kan indienen, vervalt. In de praktijk is gebleken dat ook vruchtbare initiatieven kunnen worden ontplooid zonder deelname van een BRZO‑onderneming. Daarnaast worden brancheorganisaties in staat gesteld aanvragen om subsidie in te dienen zonder dat zij deel uitmaken van een samenwerkingsverband. In de regeling was bepaald dat alleen een aanvraag kon worden ingediend door een samenwerkingsverband van ondernemingen. Een brancheorganisatie kon niet worden aangemerkt als een samenwerkingsverband in de zin van de regeling. Brancheorganisaties hebben rechtspersoonlijkheid en artikel 1 van het Kaderbesluit subsidies I en M (hierna: Kaderbesluit) bepaalt dat een samenwerkingsverband een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband is. Brancheorganisaties konden daarom niet zelfstandig subsidie aanvragen, maar uitsluitend als deelnemer aan een samenwerkingsverband. De regeling is op dit punt gewijzigd, zodat brancheorganisaties zelfstandig subsidie kunnen aanvragen en daarmee initiatieven voor hun leden kunnen ontwikkelen.

De regeling sloot tot dusver deelname uit van overheden, in het bijzonder omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s, aan een samenwerkingsverband als ontvanger van subsidie. Ze konden wel betrokken worden bij een samenwerkingsverband. De achterliggende reden hiervoor was dat voor omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s andere specifieke financieringsinstrumenten bestaan om initiatieven op het gebied van uitvoering binnen de BRZO-sector te faciliteren, zoals het Programma Impuls Omgevingsveiligheid2. In de praktijk is echter gebleken, dat deze financieringsinstrumenten geen mogelijkheden bieden voor samenwerking tussen omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s enerzijds en het bedrijfsleven anderzijds terwijl de mogelijkheid van samenwerking kan leiden tot nieuwe projectvoorstellen die bijdragen aan het doel van de regeling. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan systemen voor informatie-uitwisseling tussen ondernemingen en overheden. Daarom wordt de regeling met deze wijziging opengesteld voor omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s. Om te voorkomen dat de deelname van omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s in strijd is met de algemene groepsvrijstellingsverordening3, is in deze wijzigingsregeling bepaald dat deelname niet mag leiden tot het verstrekken van staatssteun.

De mogelijkheid van deelname van een brancheorganisatie, omgevingsdienst of veiligheidsregio aan een samenwerkingsverband laat onverlet de eis dat aan een samenwerkingsverband ten minste twee ondernemingen moeten deelnemen.

Om mede invulling te geven aan het beleid met betrekking tot ondernemingen die met relatief kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen of risicovolle processen werken, de net niet-BRZO bedrijven4, wordt de regeling met een nieuw project ook opengesteld voor individuele kmo-ondernemingen.

3b. Nieuw project

Om kmo’s te stimuleren een extern advies te vragen over de versterking van de interne veiligheidscultuur of de interne borging van de veiligheid, is aan de regeling een nieuw project d toegevoegd dat betrekking heeft op het verkrijgen van dat externe advies. De voorwaarden die zijn verbonden aan de subsidieverstrekking voor deze projectsoort zorgen ervoor dat wordt voldaan aan het bepaalde in de algemene groepsvrijstellingsverordening, waardoor sprake is van geoorloofde staatssteun. Het moet gaan om een advies dat is onderbouwd en uitgebracht door externe consultants specifiek voor kmo’s als bedoeld in artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. In dat artikel is een maximum subsidiepercentage is opgenomen. De subsidie zal worden afgewezen als voor het overige niet aan die verordening wordt voldaan. Met een kennisgeving op basis van artikel 11 van de algemene groepsvrijstellingsverordening wordt de Europese Commissie op de hoogte gesteld van deze wijzigingsregeling.

3c. Nieuwe thema’s

In 2016 is het programma Duurzame Veiligheid 2030 gestart. In het programma werken overheid, bedrijfsleven en wetenschap samen om de veiligheid in de chemische en petrochemische industrie verder te versterken. Hiermee wordt specifiek beoogd de projectmatige opvolging van kansrijke ideeën en initiatieven die voortkomen uit de activiteiten van dat programma samen met belanghebbende ondernemingen en organisaties te versnellen door middel van financiële ondersteuning vanuit de regeling.

Om aan te sluiten bij het programma en daarmee tegemoet te komen aan de financieringsbehoefte van concrete projectvoorstellen binnen het programma zijn drie extra thema’s toegevoegd. Het betreft ‘duurzaam assetmanagement’, ‘transparante sector’ en ‘hoogwaardige kennis’ waarop de projecten a, b of c betrekking kunnen hebben. Daarnaast sluiten ook de eerder vastgestelde thema’s: veiligheidscultuur, ketenverantwoordelijkheid en veilige bedrijventerreinen en veilige clusters aan bij het programma. Project d zal meestal alleen of vooral over het verbeteren en borgen van de veiligheidscultuur van een kmo gaan. Enige vorm van beschouwing van een veiligheidsketen kan ook sterk wenselijk zijn bij een net niet-BRZO-onderneming met veel (opslag of distributie) ketenactiviteiten.

‘Duurzaam asset management’ heeft betrekking op inspectie, onderhoud en vervanging van (petro-)chemische productie- en opslaginstallaties met als doel het effect van veroudering op de veiligheid te beheersen.

Onder ‘transparante sector’ wordt verstaan een sector die bestaat uit ondernemingen die kennis uitwisselen over best practices en (bijna-)incidenten om daarvan te leren en die naar hun omgeving, burgers en overheden transparant zijn over hun prestaties op het gebied van veiligheid.

‘Hoogwaardige kennis’ omvat zowel onderwijs als de ontwikkeling en borging van kennis. Het gaat daarbij om de ontwikkeling en invoering van veiligheidscurricula voor opleidingen op elk niveau voor de omgang met gevaarlijke stoffen en risicovolle processen en om de ontwikkeling en toepassing van kennis die leidt tot het gebruik van minder gevaarlijke of ongevaarlijke stoffen en van minder risicovolle of niet-risicovolle processen.

4. Uitvoering en handhaving

De regeling wordt uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO), een onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

De uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van deze regeling zijn getoetst door RVO en positief beoordeeld. De door RVO voorgestelde verhelderingen vanwege de verruiming van de potentiële subsidieaanvragers, een nieuw project type d en drie nieuwe thema’s zijn verwerkt in de regeling. Zo is bijvoorbeeld een begripsomschrijving van ‘omgevingsveiligheid’ opgenomen omdat de regeling niet langer beperkt is tot de BRZO-sector, waardoor BRZO als kader van de regeling is vervallen. Daarnaast is bijlage 1 aangevuld om te verduidelijken wie naast de projectdeelnemers ook moeten worden betrokken bij de beoordeling van de subsidieaanvraag.

5. Administratieve lasten

De totale lasten voor de projecten a, b en c zijn bij het opstellen van de regeling geschat op 5,7 procent van het beschikbare subsidieplafond. Voor het voor 2019 beschikbare subsidieplafond voor de projecten a, b en c van € 1.800.000 bedragen de lasten € 102.600. De totale lasten voor project d zijn geschat op € 8.000. Dat is 4 procent van het voor 2019 beschikbare subsidieplafond voor project d van € 200.000,–.

De ontwerpregeling is vanwege de beperkte gevolgen voor de regeldruk niet aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk voorgelegd.

De wijzigingsregeling is zodanig vormgegeven dat deze tot zo min mogelijk administratieve lasten voor aanvragers zal leiden. In de toelichting bij de regeling5 is aangegeven waaruit de administratieve lasten bestaan.

6. Advisering en consultatie

Er is sprake van een ministeriële regeling die geen significante verandering brengt in de rechten en plichten van burgers, bedrijven en instellingen of grote gevolgen heeft voor de uitvoeringspraktijk. Op grond van het kabinetsstandpunt internetconsultatie wetgeving6 kon internetconsultatie daarom achterwege blijven. Wel kunnen penvoerders van samenwerkingsverbanden en brancheorganisaties een subsidieaanvraag indienen. De eisen om voor toekenning in aanmerking te komen vloeien grotendeels voort uit de algemene groepsvrijstellingsverordening en het Kaderbesluit. Deze wijzigingsregeling is een nadere uitwerking en invulling daarvan. Door RVO zijn in 2018 diverse bijeenkomsten georganiseerd, waarin het bedrijfsleven en overheidsorganisaties zoals omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s, zijn geconsulteerd in samenwerking met Veiligheid Voorop, het samenwerkingsverband voor veiligheid van branches in de BRZO-sector en het programma Impuls Omgevingsveiligheid dat is gericht op toezichthoudende overheden:

  • In mei 2018 heeft een consultatiebijeenkomst plaatsgevonden met doelgroepen uit het bedrijfsleven die activiteiten uitvoeren met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen of hierbij betrokken zijn.

  • In november 2018 is een interactieve botsproefsessie georganiseerd met enkele tientallen vertegenwoordigers van omgevingsdiensten, veiligheidsregio’s en enkele vertegenwoordigers vanuit het bedrijfsleven.

  • In de tweede helft van 2018 zijn in een groot aantal verkenningsgesprekken met vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en toezichthoudende overheden de reacties gepeild over de verruimde mogelijkheden om subsidie aan te vragen voor de versterking van de omgevingsveiligheid.

Het draagvlak voor de verruiming was vrijwel unaniem. De toegevoegde waarde van internetconsultatie is daarom als gering in te schatten. Gelet hierop is afgezien van internetconsultatie van het ontwerp van deze regeling.

7. Inwerkingtreding

Met de inwerkingtreding van de wijzigingsregeling op 1 april 2019 wordt aangesloten bij een voor ministeriële regelingen geldend vast verandermoment. Er wordt afgeweken van de vaste invoeringstermijn van twee maanden, zoals vastgelegd in aanwijzing 4.17 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Deze afwijking is gerechtvaardigd omdat het in het publieke belang is dat potentiële subsidieaanvragers zo snel mogelijk van de verruimde reikwijdte van de regeling gebruik kunnen gaan maken waardoor eerder met de uitvoering van projecten kan worden begonnen die de omgevingsveiligheid versterken. Zie aanwijzing 4.17, punt 5, onderdeel a, van de Aanwijzingen voor de regelgeving.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

In artikel 1 is een aantal begripsomschrijvingen aangepast omdat de reikwijdte van de regeling niet meer is gekoppeld aan de BRZO-sector. Het gaat om de begripsomschrijvingen van branche, branchesamenwerkingsverband, clustersamenwerkingsverband, keten en ketensamenwerkingsverband. Voorbeelden van ondernemingen in een keten zijn: productieondernemingen, onderhoudsondernemingen, tankopslagondernemingen, logistieke dienstverleners en havenondernemingen waarbij een keten bijvoorbeeld bestaat uit een of meer tankopslagondernemingen, een productiebedrijf en een of meer onderhoudsondernemingen. Toegevoegd is het begrip ‘omgevingsveiligheid’ omdat de regeling niet langer beperkt is tot de BRZO-sector, waardoor BRZO als kader van de regeling is vervallen. Het begrip ‘brancheorganisatie’ is toegevoegd opdat een brancheorganisatie zelfstandig een subsidieaanvraag kan indienen. Ook toegevoegd zijn de begrippen ‘veiligheidsregio’ en ‘omgevingsdienst’, die ook kunnen deelnemen aan een samenwerkingsverband.

Verder is in artikel 1 een begripsomschrijving opgenomen voor kmo. Hierbij is verwezen naar artikel 2, onderdeel 2, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, waarin wordt verwezen naar bijlage I. In artikel 2, eerste lid, van bijlage I bij de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo's) ondernemingen behoren waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

Tevens is de begripsomschrijving voor een nieuw project, ‘project d’, in dit artikel opgenomen. Dit project ziet op het vragen van extern advies voor de versterking van de interne veiligheidscultuur of de interne borging van de veiligheid van de kmo. In de toelichting bij de regeling is opgemerkt dat onder veiligheidscultuur wordt verstaan een hoog veiligheidsbewustzijn binnen alle gelederen van een onderneming dat veilig gedrag zeker stelt.

Ter verduidelijking is ook een begripsomschrijving opgenomen van ‘projectdeelnemers’, een begrip dat in de bijlage bij de regeling voorkomt. Als projectdeelnemers worden aangemerkt de brancheorganisatie wanneer die zelfstandig subsidie aanvraagt en de deelnemers van een samenwerkingsverband, inclusief de penvoeder die namens dat samenwerkingsverband subsidie aanvraagt. Alle projectdeelnemers voeren activiteiten uit binnen het project en maken daarmee aanspraak op subsidie.

Het begrip BRZO-onderneming en de bijbehorende begripsomschrijving zijn vervallen.

Onderdeel B

Aan artikel 2 zijn ‘risicovolle processen’ toegevoegd. Bij BRZO-ondernemingen zijn risicovolle processen onderdeel van het bedrijfsproces en werden die processen niet expliciet in de regeling genoemd. Bij niet-BRZO-ondernemingen is dat niet altijd het geval. Omdat deelname van een BRZO-onderneming niet langer vereist is, wordt met deze aanvulling van artikel 2 expliciet geregeld dat ook processen die risicovol zijn, vooral door het werken met hoge drukken en hoge temperaturen, onder deze regeling vallen.

Onderdeel C

Artikel 3 (nieuw) bevat drie nieuwe thema’s, waarop de projecten a, b of c betrekking kunnen hebben: ‘duurzaam assetmanagement’, ‘transparante sector’ en ‘hoogwaardige kennis’. Zie hierover punt 3c. van het algemeen deel van deze toelichting.

Onderdeel D

De wijziging van artikel 4 houdt in dat jaarlijks twee subsidieplafonds worden vastgesteld, namelijk een gezamenlijk plafond voor project a, project b en project c en een plafond voor project d. Indien één van deze plafonds in de periode waarvoor het plafond is vastgesteld niet is uitgeput, kan het resterende bedrag worden toegevoegd aan het andere plafond als dat wel is uitgeput.

Voor project a, project b en project c is voor de periode vanaf 1 januari tot en met 31 december 2019 het subsidieplafond bij besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat7 vastgesteld op € 1.800.000.

Onderdeel E

De wijziging van artikel 5, eerste lid, houdt in dat niet alleen door een samenwerkingsverband een subsidieaanvraag kan worden ingediend maar ook door een brancheorganisatie. Brancheorganisaties kunnen zelf subsidie aanvragen voor projecten die ten goede komen aan hun leden. Wanneer leden van de brancheorganisatie in deze projecten een actieve rol vervullen, wordt de subsidieaanvraag ingediend door een samenwerkingsverband van brancheorganisatie en ondernemingen. Een brancheorganisatie kan geen subsidie ontvangen voor haar leden. Om aanspraak te maken op subsidie voert een partij activiteiten uit binnen het project en sluit een samenwerkingsovereenkomst met de andere projectdeelnemers. Alle projectdeelnemers voeren activiteiten uit binnen het project en maken daarmee aanspraak op subsidie.

Aan het derde lid zijn omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s toegevoegd, zodat zij ook kunnen deelnemen aan een samenwerkingsverband.

In het vierde lid (nieuw) zijn de voorwaarden opgenomen waaronder omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s deel kunnen nemen aan een samenwerkingsverband, waarvoor de penvoerder een subsidieaanvraag kan indienen voor project a, project b en project c. Met het opnemen van de voorwaarde dat deelname bijdraagt aan de kwaliteit van de uitvoering van hun wettelijke taak, is beoogd te voorkomen dat deelname van omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s aan een samenwerkingsverband bestaat uit het uitvoeren van economische activiteiten en daarmee tot concurrentie met ondernemingen kan leiden. Daarnaast is hiermee beoogd te bewerkstelligen dat deze deelname leidt tot een verhoging van de kwaliteit van de projecten waarvoor subsidie kan worden verstrekt. De voorwaarde dat omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s door deelname geen staatssteun verstrekken aan deelnemende ondernemingen is opgenomen om ervoor te zorgen dat kan worden voldaan aan de voorwaarden die in de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gesteld aan het verstrekken van steun. Wanneer omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s wel steun verstrekken, zouden de drempelbedragen en steunpercentages van de algemene groepsvrijstellingsverordening overschreden kunnen worden. Steun kan gegeven worden in de vorm van geld, maar ook in natura. Van het verstrekken van staatssteun in natura is sprake wanneer de omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s activiteiten voor ondernemingen zouden verrichten die normaliter door deze ondernemingen zelf worden uitgevoerd. Dat het niet de bedoeling is dat omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s steun verstrekken aan deelnemende ondernemingen blijkt ook uit artikel 5, eerste lid, van het Kaderbesluit subsidies IenM:’ Indien reeds door een bestuursorgaan (of de Commissie van de Europese Unie) subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt het bedrag dat door deze bestuursorganen is verstrekt in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager krachtens (dit besluit of) ministeriële regeling in aanmerking komt’.

De voorwaarde dat omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s geen penvoerder van het samenwerkingsverband kunnen zijn is opgenomen om te voorkomen dat zij een leidende rol krijgen bij de aanvraag van subsidie voor een project. Dit is niet wenselijk omdat met de verlening van subsidie in de eerste plaats is beoogd om ondernemingen aan te moedigen activiteiten uit te voeren om de omgevingsveiligheid te versterken. Deelname van omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s aan een samenwerkingsverband is mogelijk gemaakt omdat samenwerking tussen omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s en ondernemingen kan leiden tot nieuwe of verbeterde projectvoorstellen van ondernemingen.

In het vijfde lid (nieuw) is bepaald dat een subsidieaanvraag voor een project d alleen kan worden ingediend door een kmo waarvan industriële activiteiten met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen onderdeel van de bedrijfsvoering zijn. Dat alleen een aanvraag kan worden ingediend door een kmo is in lijn met het doel van het opnemen van dit project in de regeling. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt betreft dit doel het versterken van de omgevingsveiligheid bij ondernemingen die met relatief kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen of met kleinschalige risicovolle processen werken. Daarnaast wordt hiermee voldaan aan één van de voorwaarden die in de algemene groepsvrijstellingsverordening worden gesteld voor het brengen van consultancysteun onder deze verordening. Op grond van artikel 18, eerste lid, van de verordening kan namelijk alleen subsidie worden verstrekt voor consultancysteun aan kmo’s.

Een andere voorwaarde uit de algemene groepsvrijstellingsverordening is dat de steun een stimulerend effect dient te hebben. Van een stimulerend effect wordt uitgegaan indien de subsidieaanvraag is ingediend voordat met de werkzaamheden is aangevangen, dus voordat een onherroepelijke verplichting daartoe is aangegaan (artikel 6 juncto artikel 2, onderdeel 23, van de algemene groepsvrijstellingsverordening). De aanvrager die ervoor kiest bij de aanvraag al een overeenkomst te voegen, moet ervoor zorgen dat de overeenkomst op dat moment nog niet definitief is. Dit kan bijvoorbeeld door in de overeenkomst een voorwaarde op te nemen dat de overeenkomst eerst na de indiening van de subsidieaanvraag in werking treedt. Een andere mogelijkheid is dat de aanvrager in de overeenkomst bedingt dat het doorgaan van de overeenkomst afhankelijk is van het ontvangen van subsidie.

Voor project a, project b en project c geldt eveneens dat voorafgaand aan de uitvoer van de activiteiten een aanvraag om subsidieverstrekking moet zijn ingediend. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 24, eerste lid, van het Kaderbesluit moet binnen 13 weken na het verricht zijn van de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt een aanvraag om subsidievaststelling zijn ingediend.

Onderdeel F

De op grond van artikel 18, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening in aanmerking komende kosten voor een project d zijn de kosten van door externe consultants verrichte consultancydiensten. De betrokken diensten mogen, gelet op artikel 18, vierde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, niet van permanente of periodieke aard zijn en ook niet behoren tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming, zoals routinematig belastingadvies, gangbare juridische dienstverrichting of reclame.

Onderdeel G

Als gevolg van de vernummering van artikel 6, vierde tot vijfde lid, worden de verwijzingen naar artikel 6, vierde lid, in het eerste lid van de artikelen 7, 8 en 9 aangepast.

Onderdeel H

Op grond van artikel 10, vierde lid (nieuw) geldt voor project d een maximum van € 5.000. De voor dit project verleende subsidie blijft daarom in ieder geval onder de grens van € 25.000. De regels voor subsidies tot € 25.000 staan in artikel 15 van het Kaderbesluit. Bij de verstrekking wordt toepassing gegeven aan artikel 15, tweede lid, onderdeel a, van het Kaderbesluit. Er zal direct een beschikking tot subsidievaststelling worden gegeven.

Hieronder zijn de subsidiepercentages voor een project d opgenomen zoals die uit de algemene groepsvrijstellingsverordening voortvloeien.

% subsidie

grote onderneming

middelgrote onderneming

kleine onderneming

project d

0

+50

+50

Op grond van het zesde lid (nieuw) is, gelet op de beschikbaarheid van middelen en de relatie tot andere partijen in een project het subsidiepercentage voor omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s gemaximeerd tot 15% van de subsidiabele kosten. Die maximering heeft ook als reden dat omgevingsdiensten en veiligheidsregio’s voor het uitvoeren van hun wettelijke taak ook geld ontvangen van de Rijksoverheid, provincies en gemeenten. Het subsidiepercentage is daarom lager dan het subsidiepercentage voor ondernemingen en onderzoeksorganisaties die deel kunnen uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband. Hierbij kan gedacht worden aan een bijdrage vanuit het Programma Impuls Omgevingsveiligheid. Een overheidsbijdrage voor hetzelfde project als waarvoor op grond van deze regeling subsidie wordt aangevraagd, zal op de subsidie in mindering worden gebracht om cumulatie te voorkomen.

Onderdeel I

De beoordelingscriteria in bijlage 1 zijn vormgegeven met het oog op een aanvraag door een samenwerkingsverband. In geval van een aanvraag voor een project a, project b of project c door enkel een brancheorganisatie zullen de twee beoordelingscriteria worden toegepast op de brancheorganisatie.

Zodra een aanvraag voor een project d voldoet aan de regeling kan de subsidie worden verleend zonder beoordeling aan de hand van criteria, zoals die in bijlage 1 zijn opgenomen. Zo moet sprake zijn van een aanvraag die voldoet aan de omschrijving van ‘project d’, moet de aanvraag voldoen aan het doel van de regeling en mag niet een van de afwijzingsgronden van toepassing zijn.

Onderdeel J

Uit artikel 12, tweede lid, (nieuw) volgt dat de afwijzingsgrond in onderdeel b niet geldt voor een project d, omdat een extern advies over veiligheid bedrijfsgevoelige informatie kan bevatten. De afwijzingsgrond in onderdeel c geldt evenmin voor deze projectsoort, omdat voor een project d sprake kan zijn van soortgelijke projecten. Bij project d is het juist de bedoeling aan meerdere ondernemingen subsidie te verstrekken voor soortgelijke projecten die tot doel hebben de interne veiligheidscultuur of de interne borging van de veiligheid van die ondernemingen te verbeteren. Tot slot geldt de afwijzingsgrond van onderdeel d ook niet, omdat de in artikel 11 genoemde beoordelingscriteria niet gelden voor een project d. Daarnaast is in dit lid bepaald dat op grond van de regeling slechts één keer subsidie kan worden verstrekt voor een extern advies over veiligheid aan een kmo.

Onderdeel K

In dit onderdeel is overgangsrecht opgenomen voor subsidieaanvragen voor project a, project b of project c die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling en waarover voor die datum niet is beslist. De beslissing op de aanvraag zal worden genomen op grond van de regeling zoals die luidde voordat de wijzigingen van deze wijzigingsregeling in werking zijn getreden. Deze wijzigingsregeling heeft overigens voor die subsidieaanvragen nauwelijks gevolgen. Toch is ervoor gekozen wel overgangsrecht op te nemen om geen verwarring te veroorzaken nu de criteria in bijlage 1 zijn aangepast. De aanpassingen van bijlage 1 zijn ingegeven door het feit dat een brancheorganisatie zelfstandig een subsidieaanvraag kan indienen.

Onderdeel L

De reden voor een nieuwe citeertitel is dat bij een subsidieaanvraag geen BRZO-onderneming meer betrokken hoeft te zijn. Een subsidieaanvraag kan ook gedaan worden door andere ondernemingen met industriële activiteiten die met gevaarlijke stoffen of risicovolle processen werken en als gevolg daarvan een risico vormen voor de omgevingsveiligheid. In de citeertitel is het begrip ‘BRZO-sector’ derhalve vervallen.

Onderdeel M

De beschrijving van de twee beoordelingscriteria in bijlage 1 is aangepast, omdat een brancheorganisatie ook zonder samenwerkingsovereenkomst, dus zelfstandig zonder andere projectdeelnemers, een subsidieaanvraag kan indienen. Indien er geen sprake is van een samenwerkingsverband van subsidieaanvragers dient de aanvragende brancheorganisatie zo mogelijk specifiek in het projectplan aan te geven welke ondernemingen en organisaties additioneel meewerken of bijdragen aan het halen van de projectdoelstelling, met betrekking tot de versterking van de omgevingsveiligheid en het blijvende effect hiervan.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

Met ‘samenwerkingsverband’ wordt bedoeld een branchesamenwerkingsverband, een clustersamenwerkingsverband of een ketensamenwerkingsverband.

X Noot
3

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 26.6.2014, L 187/1).

X Noot
4

Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 20 november 2018, Kamerstukken II 2018/19, 28 089, nr. 95

X Noot
5

Staatscourant. 2016, nr. 49302, bladzijde 8, onder 6. Gevolgen.

X Noot
6

Kamerstukken II 2010/11, 29 279, nr. 121

X Noot
7

Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 19 december 2018, nr. IENW/BSK-2018/267262, houdende vaststelling van het subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling versterking omgevingsveiligheid BRZO-sector voor het jaar 2019 (Stcrt. 2018, 69762)