Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van FinanciënStaatscourant 2019, 11214Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Financiën van 21 februari 2019, nr. 2019-0000028428, directie Financiële Markten, tot wijziging van de Vrijstellingsregeling Wft in verband met de aanpassing van het Nationaal regime naar aanleiding van de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (Wijzigingsregeling Nationaal regime MiFID II)

De Minister van Financiën,

Gelet op de artikelen 2:104, eerste en tweede lid, en 4:7 van de Wet op het financieel toezicht;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Vrijstellingsregeling Wft wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘; en’ aan het slot van onderdeel b vervangen door een punt en vervalt onderdeel c.

2. Het tweede lid vervalt onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot tweede tot en met vierde lid.

3. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 3. Andere personen dan bedoeld in het eerste lid, indien zij voldoen aan het tweede lid, zijn vrijgesteld van artikel 2:99, eerste lid, onderdelen d, e, g, h, j tot en met m, van de wet. Het ingevolge de artikelen 4:11, tweede en derde lid, 4:15, eerste en tweede lid, en 4:83 van de wet bepaalde is van overeenkomstige toepassing.

B

Artikel 35a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste, tweede en derde lid komen te luiden:

  • 1. Personen die zijn vrijgesteld op grond van artikel 11 zijn vrijgesteld van hetgeen ingevolge de afdelingen 4.2.1, 4.2.2, 4.2.3 en 4.3.7. van de wet met betrekking tot beleggingsondernemingen is bepaald, met uitzondering van het bepaalde ingevolge:

    • a. artikel 4:9, eerste lid, van de wet, met betrekking tot de geschiktheid van de in dat artikel bedoelde personen;

    • b. artikel 4:9.0a van de wet, met betrekking tot de samenstelling en het functioneren van het bestuur en, indien van toepassing, van het orgaan dat is belast met toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken;

    • c. artikel 4:10 van de wet, met betrekking tot de betrouwbaarheid van de in dat artikel bedoelde personen;

    • d. artikel 4:13 van de wet met betrekking tot de zeggenschapsstructuur;

    • e. de artikelen 32b, 32c, 35 en 35.0a van het besluit en de artikelen 72, 74 en 76 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014;

    • f. de artikelen 4:16, eerste lid, en 4:17, eerste lid, van de wet en artikel 37 van het besluit;

    • g. artikel 4:19 van de wet en artikel 44 gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen;

    • h. artikel 4:20 van de wet, de artikelen 58, 58a en 68c, eerste en tweede lid, van het besluit en de artikelen 46, 47, 48, 50 tot en met 53 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen;

    • i. artikel 4:22, eerste lid, van de wet en de artikelen 51a en 68c, derde lid, van het besluit;

    • j. artikel 4:23, eerste, derde en vijfde lid, van de wet en de artikelen 54 en 55 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen;

    • k. de artikelen 81 en 82, eerste lid, van het besluit;

    • l. artikel 4:24, eerste tot en met vijfde en zevende lid, van de wet, artikel 80d van het besluit en de artikelen 55 tot en met 57 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen;

    • m. artikel 4:88 van de wet, artikel 167 van het besluit en de artikelen 33, 34 en 35 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen;

    • n. artikel 4:89, eerste en vijfde lid, van de wet;

    • o. artikel 4:90 van de wet en artikel 168a van het besluit.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid voldoen personen als bedoeld in artikel 11, derde lid, aan het bepaalde ingevolge artikel 4:9, derde lid, van de wet, en voor zover het betreft de vakbekwaamheid van werknemers en andere personen als bedoeld in artikel 4:9, derde lid, aan artikel 5a van het besluit en de artikelen 2 en 3 van de Regeling vakbekwaamheid werknemers van beleggingsondernemingen Wft.

  • 3. De artikelen 4:9, tweede lid, 4:11, tweede en derde lid, en 4:15, eerste en tweede lid, van de wet, en de artikelen 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, 28, en 29 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op personen als bedoeld in artikel 11, eerste lid, alsmede voor zover het betreft de vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de wet, de eindtermen van bijlage 5 van de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft.

2. Onder vernummering van het vierde lid tot vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. De artikelen 4:11, tweede en derde lid, 4:15, eerste en tweede lid, en 4:83 van de wet en de artikelen 28 en 29 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op personen als bedoeld in artikel 11, derde lid.

3. In het vijfde lid (nieuw) vervallen de onderdelen c en d onder verlettering van onderdeel e tot onderdeel c.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 april 2019.

ARTIKEL III

Deze regeling wordt aangehaald als: Wijzigingsregeling Nationaal regime MiFID II.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Deze regeling wijzigt het in de Vrijstellingsregeling Wft opgenomen Nationaal regime. Dit Nationaal regime is geïntroduceerd in 2008 in het kader van de richtlijn markten in financiële instrumenten (MiFID I). Deze richtlijn is vervangen door de richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014 (MiFID II) die per 3 januari 2018 van toepassing is geworden. Het Nationaal regime wordt door middel van deze regeling in lijn gebracht met de nieuwe artikelen die in de Wet op het financieel toezicht (Wft) zijn opgenomen ter implementatie van MiFID II. Personen die adviseren over producten met een beleggingscomponent in de vorm van transacties in financiële instrumenten die direct voor rekening en risico van de cliënt komen, vallen onder de regels van MiFID II. Hierbij kan worden gedacht aan dienstverlening in het kader van effectenhypotheken, pensioenproducten en andere vermogensopbouwproducten. Indien deze personen adviseren over financiële instrumenten of voor hun cliënten orders ontvangen en doorgeven met betrekking tot financiële instrumenten verlenen zij beleggingsdiensten en zijn de regels in de Wft ter uitvoering van MiFID II van toepassing. Artikel 3 van MiFID II biedt lidstaten echter de mogelijkheid om personen die beperkt beleggingsdiensten verlenen onder voorwaarden vrij te stellen van de ter uitvoering van de MiFID II vastgestelde nationale regels. Een van de voorwaarden die artikel 3 van MiFID II stelt, is dat vrijgestelde personen nationaal gereglementeerd zijn. In de artikelen 11 en 35a van de Vrijstellingsregeling Wft is het zogenaamde Nationaal regime geregeld. In artikel 35a van de Vrijstellingsregeling is vastgelegd aan welke voorschriften personen als bedoeld in artikel 11 van de Vrijstellingsregeling doorlopend moeten voldoen om vrijgesteld te zijn van de in de Wft opgenomen voorschriften die voortvloeien uit MiFID II. Onder het Nationaal regime vallen personen als bedoeld in artikel 11 van de Vrijstellingsregeling Wft. Het gaat daarbij om personen die beschikken over een vergunning of ontheffing voor het adviseren over levensverzekeringen of een hypothecair krediet. Deze personen vallen onder het Nationaal regime indien zij in het kader van hun dienstverlening adviseren over of orders ontvangen en doorgeven met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe). Bijvoorbeeld in het kader van een beleggingsrecht eigen woning, een pensioenopbouwproduct of hypothecair krediet (hypotheek gecombineerd met een effectenportefeuille). Deze personen mogen overigens ook adviseren over losse rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe. Daarnaast vallen onder het toepassingsbereik van het Nationaal regime personen die beleggingsdiensten als bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 Wft verlenen met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe en die niet beschikken over een vergunning of ontheffing op grond van artikel 2:75 Wft. Deze tweede categorie van personen vallen onder een ‘lichter’ vergunningregime dan het vergunningregime voor beleggingsondernemingen op grond van artikel 2:96 Wft (zie artikel 11, derde lid, Vrijstellingsregeling Wft).

Het adviseren over een verzekering met een beleggingscomponent of een beleggingshypotheek kwalificeert als het adviseren over verzekeringsproducten en valt daarom niet onder de regels die voortvloeien uit MiFID II. In deze situaties belegt de verzekeraar het geld van de cliënt en geeft de inleg de verzekeringnemer recht op een uitkering waarvan de hoogte afhankelijk is van het door de verzekeraar behaalde rendement. Er is dan geen sprake van het verlenen van beleggingsdiensten aan een cliënt. In artikel 35a van de Vrijstellingsregeling is opgenomen welke organisatorische vereisten, vakbekwaamheidseisen en gedragsregels van toepassing zijn op de beleggingsondernemingen die vallen onder het Nationaal regime. Hierbij is aangesloten bij artikel 3, tweede lid, van MiFID II.

2. Gevolgen voor het bedrijfsleven

2.1. Inleiding

In deze paragraaf worden de administratieve lasten en nalevingskosten beschreven die voortvloeien uit MiFID II voor personen die onder het Nationaal regime vallen. Het gaat om beperkte aanvullende eisen zoals informatieverplichtingen, transparantievereisten omtrent de kosten van dienstverlening en het product en het invoeren van een productontwikkelingsproces. Aan de andere kant hoeven de personen die onder het Nationaal regime vallen niet te voldoen aan de prudentiële eisen voor beleggingsondernemingen. Voor de berekening van de omvang van de administratieve lasten en nalevingskosten is aangesloten bij de handleiding voor het definiëren en meten van administratieve lasten voor het bedrijfsleven (‘Meten is Weten II’). Aan de in deze regeling opgenomen wijzigingen van de Vrijstellingsregeling Wft zijn geen administratieve lasten of nalevingskosten verbonden voor burgers, alleen voor het bedrijfsleven.

2.2. Betrokken ondernemingen

Uit het door de AFM op grond van artikel 1:107 van de Wft aangehouden openbaar register blijkt dat op 31 december 2018 circa 6.200 ondernemingen beschikken over een vergunning voor het adviseren over hypotheken of levensverzekeringen, waarvan er circa 5.700 geregistreerd staan in het register onder het Nationaal regime. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Vrijstellingsregeling Wft maken op dit moment 230 ondernemingen daadwerkelijk gebruik van het Nationaal regime. Voorts zijn er 15 ondernemingen die beschikken over een op grond van artikel 11, derde lid, van de Vrijstellingsregeling Wft verleende vergunning. Er zijn derhalve (230 + 15=) 245 ondernemingen actief onder het Nationaal regime.

2.3. Informatieverplichtingen

Een adviseur die adviseert over levensverzekeringen of hypothecair krediet en die tevens een cliënt adviseert over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe dient voorafgaand aan het advies aan een cliënt, de cliënt mede te delen of het advies (i) op onafhankelijke basis wordt verstrekt en (ii) op een brede dan wel beperktere analyse van de markt is gebaseerd. Tevens dient de adviseur de cliënt te informeren of periodiek de geschiktheid van de beleggingsfondsen wordt beoordeeld die de adviseur de cliënt heeft geadviseerd. Een hoogopgeleide medewerker zal 6 uur nodig hebben om de bestaande documenten aan te passen aan de nieuwe informatieverplichtingen. De eenmalige nalevingskosten ten aanzien van die informatieverplichtingen zullen € 324 (€ 54 (uurtarief) * 6) per adviseur bedragen. Er zijn 245 ondernemingen die adviseren over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe. In totaal bedragen de eenmalige nalevingskosten € 79.380 (245 * € 324).

2.4. Transparantie kosten dienstverlening en product

Een adviseur die adviseert over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe dient de kosten van de beleggingsdienstverlening en de kosten van de beleggingsinstelling of icbe samen te voegen, zodat de cliënt inzicht heeft in (i) de totale kosten en (ii) het cumulatief effect van de kosten op het rendement. De informatie over de kosten van de beleggingsdienstverlening en de kosten van de beleggingsinstelling of icbe dient nu al te worden verstrekt, zij het niet op geaggregeerd niveau. Een hoogopgeleide medewerker zal 30 uur nodig hebben om de hiervoor bedoelde informatie in kaart te brengen. De eenmalige nalevingskosten voor het verzamelen en verstrekken van deze informatie aan niet-professionele beleggers worden geschat op € 1.620 (€ 54 * 30 uur) en de doorlopende nalevingskosten zullen naar verwachting € 540 (€ 54 * 10 uur) per adviseur bedragen. Ervan uitgaande dat 245 ondernemingen adviseren over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe, worden de totale eenmalige nalevingskosten geschat op € 369.900 (245 * € 1.620) en de totale structurele nalevingskosten op € 132.300 (245 * € 540).

2.5. Productontwikkelingsproces

Een onderneming die rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe distribueert, dient (net als een onderneming die dergelijke rechten van deelneming aanbiedt) de doelgroep en de distributiestrategie te bepalen. De onderneming dient daartoe te beschikken over adequate procedures en maatregelen om de informatie over het ontwikkelingsproces van de beleggingsinstelling of icbe te verkrijgen van de beleggingsonderneming die het product heeft ontwikkeld. Tevens dient de onderneming als distributeur periodiek te evalueren of het product nog steeds passend is voor de doelgroep. Relevante informatie voor het productontwikkelingsproces (bijvoorbeeld indien wordt geconstateerd dat de rechten van deelneming niet langer passend zijn voor de doelmarkt) dient te worden gedeeld met de onderneming die het financieel instrument heeft ontwikkeld. Hiertoe dient de distributeur interne processen te hebben. Een hoogopgeleide medewerker zal 20 uur nodig hebben om dit proces goed in te richten voor de distributeur. De eenmalige nalevingskosten per onderneming worden geschat op € 1.080 (20 * € 54 (uurtarief). De totale structurele nalevingskosten per onderneming worden geschat op € 540 (10 * € 54). Ervan uitgaande dat 245 ondernemingen rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe distribueren die zij niet zelf hebben ontwikkeld, worden de totale eenmalige nalevingskosten geschat op € 264.600 (245 * € 1.080) en de totale structurele nalevingskosten op € 132.300 (245 * € 540).

De totale eenmalig nalevingskosten worden geschat op ongeveer € 713.880 (€ 79.380 (informatieverplichtingen) + € 369.900 (kostentransparantie) + € 264.600 (productontwikkelingsproces)) en de totale structurele nalevingskosten op € 264.600 (€ 132.300 (kostentransparantie) + € 132.300 (productontwikkelingsproces)).

Overzicht totale eenmalige nalevingskosten en totale structurele nalevingskosten per onderneming
 

Eenmalige nalevingskosten

Structurele nalevingskosten

Kosten informatieverplichtingen

€ 324

Transparantie kosten dienstverlening en beleggingsfonds

€ 1.620

€ 540

Kosten productontwikkelingsproces

€ 1.080

€ 540

Totaal

€ 3.024

€ 1.080

3. Consultatiereacties

Op 30 augustus 2018 is de concept-Regeling Nationaal regime MiFID II formeel ter consultatie voorgelegd. De consultatie liep van 30 augustus 2018 tot en met 12 oktober 2018. Reacties zijn ontvangen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM), Adfiz, Dutch Fund and Asset Management Association (DUFAS), HVG Law LLP, Vereniging Federatie Vermogens Planners (FVP), de Vereniging van Vermogensbeheerders & Adviseurs (VV&A) en enkele adviseurs. Naar aanleiding van de opmerkingen van DUFAS en HVG Law LLP is de reikwijdte van de vrijstelling onder het Nationaal regime verduidelijkt. In de toelichting is aangegeven dat het gaat om personen die beschikken over een vergunning of ontheffing voor het adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet. Deze personen kunnen in het kader van hun dienstverlening adviseren over of orders ontvangen en doorgeven met betrekking tot rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe (bijvoorbeeld in het kader van een effectenhypotheek). Deze personen mogen overigens ook adviseren over losse rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe. Daarnaast vallen onder het Nationaal regime andere personen die uitsluitend orders ontvangen en doorgeven en adviseren over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe en die niet beschikken over een vergunning of ontheffing op grond van artikel 2:75 Wft. Verder zijn er door diverse partijen opmerkingen gemaakt over de vakbekwaamheidseisen die zullen gaan gelden voor personen die beschikken over een vergunning of ontheffing voor het adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet en tevens adviseren over losse beleggingsfondsen. Een aantal partijen geeft aan dat het huidige niveau van het Wft diploma Adviseur Vermogen onvoldoende is om over losse beleggingsfondsen te adviseren. De eind- en toetstermen voor het diploma Adviseur Vermogen zijn onlangs aangescherpt en in lijn gebracht met de regels die voortvloeien uit MiFID II. Op deze manier wordt een kennisniveau bereikt dat een adviseur in staat stelt om op adequate wijze te adviseren over losse beleggingsfondsen.

Artikelsgewijs

Artikel I

A (artikel 11)

Op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel a, zijn personen die beschikken over een vergunning als bedoeld in artikel 2:75 Wft voor het adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet vrijgesteld van de vergunningplicht voor het verlenen van beleggingsdiensten (artikel 2:96 Wft). Deze personen kunnen orders van cliënten ontvangen en doorgeven en adviseren over deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen of icbe’s. Deze beleggingsdiensten kunnen zij verlenen in het kader van bijvoorbeeld een effectenhypotheek, pensioenopbouwproduct of een beleggingsrecht eigen woning of met betrekking tot losse deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling of icbe. Er dient wel te worden voldaan aan de voorschriften in artikel 11, tweede lid.

Op grond van het nieuwe derde lid van artikel 11 geldt voor andere personen dan de hiervoor genoemde, die geen vergunning hebben voor het adviseren over levensverzekeringen of een hypothecair krediet als bedoeld in het eerste lid en die adviseren over losse deelnemingsrechten in beleggingsinstellingen of icbe’s een lichter vergunningregime wat de vergunningvoorwaarden betreft. Deze andere personen kunnen beleggingsdiensten verlenen binnen het Nationaal regime indien zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 11, tweede lid, en bij de vergunningverlening aantonen dat zij voldoen aan de eisen opgenomen in artikel 2:99, eerste lid, onderdelen a tot en met c, f en i, Wft. Dit betekent dat door de Autoriteit Financiële Markten (AFM) wordt getoetst aan de geschiktheidseisen en betrouwbaarheidseisen die in artikel 4:9, eerste lid, respectievelijk artikel 4:10 Wft zijn opgenomen. Voorts dienen zij te voldoen aan artikel 4:9.0a Wft met betrekking tot de samenstelling en het functioneren van het bestuur en het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken, artikel 4:13, eerste en tweede lid, Wft met betrekking tot de zeggenschapsstructuur en artikel 4:88 Wft met betrekking tot het voeren van een adequaat beleid ter zake van het voorkomen en beheersen van belangenconflicten tussen de beleggingsonderneming en haar cliënten en tussen haar cliënten onderling.

Verder dienen deze beleggingsondernemingen te voldoen aan artikel 4:11, tweede en derde lid, Wft met betrekking tot het beleid inzake de integere bedrijfsuitoefening, artikel 4:15, eerste en tweede lid, Wft met betrekking tot de inrichting van de bedrijfsvoering en artikel 4:83, eerste lid, Wft met betrekking tot het minimum aantal personen dat het dagelijks beleid bepaalt.

B (artikel 35a)

Artikel 35a is gebaseerd op artikel 4:7 Wft. In artikel 35a is een aantal organisatorische vereisten en gedragsregels van toepassing verklaard op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11. Zij dienen op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdelen a en c, te voldoen aan de eisen die zijn opgenomen in de artikelen 4:9 (geschiktheid) en 4:10 (betrouwbaarheid) Wft. Dit betekent dat de dagelijks beleidsbepalers en medebeleidsbepalers geschikt en betrouwbaar dienen te zijn. Voor werknemers van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11, derde lid, die informeren of adviseren over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe geldt dat deze werknemers dienen te voldoen aan de vakbekwaamheidseisen van de artikelen 2 en 3 van de Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft (artikel 35a, tweede lid). Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel b, zijn tevens regels van toepassing met betrekking tot de samenstelling en het functioneren van het bestuur (artikel 4:9.0a Wft). Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel d, is artikel 4:13 Wft van toepassing. De beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 11 mag niet met personen in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur zijn verbonden in een zodanige mate dat het een belemmering vormt of kan vormen voor het toezicht. Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel e, zijn de artikelen 32b en 32c Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) van toepassing op de personen als bedoeld in artikel 11. Zij dienen op grond van artikel 32b te beschikken over adequate procedures en maatregelen die waarborgen dat bij het bepalen van de range van financiële instrumenten die zij wensen te distribueren wordt voldaan aan de behoeften, kenmerken en doelstellingen van de doelgroep en de distributiestrategie aansluit bij de desbetreffende doelgroep. Op grond van artikel 32b, derde lid, BGfo dienen zij bovendien te beschikken over adequate procedures en maatregelen om informatie over de kenmerken en risico’s van het financieel instrument, de kenmerken en doelstellingen van de beoogde doelgroep en de distributiestrategie te verkrijgen zodat zij het financieel instrument kunnen distribueren aan de beoogde doelgroep. Verder zijn de artikelen 35 en 35.0a BGfo van toepassing op personen als bedoeld in artikel 11. Op grond van artikel 35 dienen gegevens met betrekking tot gegeven beleggingsadviezen en de ontvangen en doorgegeven orders vijf jaar te worden bewaard. Artikel 72 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen schrijft voor welke gegevens moeten worden bewaard en op welke wijze. Artikel 74 van de gedelegeerde verordening werkt verder uit hoe gegevens over ontvangen en doorgegeven orders met betrekking tot financiële instrumenten dienen te worden bijgehouden. Artikel 35.0a BGfo bevat regels met betrekking tot de opname en opslag van telefoongesprekken en elektronische communicatie met cliënten die zijn gericht op het verrichten van transacties in financiële instrumenten. In artikel 76 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 is dit nader uitgewerkt. Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel f, zijn de artikelen 4:16 (uitbesteden van werkzaamheden) en 4:17 (inrichten van een interne klachtenprocedure) Wft en artikel 37 BGfo van toepassing op personen als bedoeld in artikel 11. De beleggingsonderneming die werkzaamheden uitbesteedt blijft verantwoordelijk voor de naleving van de regels door de derde en vormt het enige aanspreekpunt voor de toezichthouder. Het uitbesteden van werkzaamheden mag geen belemmering vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van de Wft en het BGfo.

In artikel 35a, eerste lid, onderdelen g tot en met o, zijn de gedragsregels opgenomen die van toepassing zijn op de dienstverlening die onder het toepassingsbereik van het Nationaal regime kan worden verleend. Op grond van artikel 35a, eerste en tweede lid, onderdelen g en h, gelden voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 de algemene informatieverplichtingen van de artikelen 4:19 en 4:20 Wft. Dit betekent dat beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 altijd feitelijk juiste, begrijpelijke en niet misleidende informatie dienen te verstrekken (artikel 4:19 Wft) en dienen te voldoen aan de aanvullende voorwaarden van artikel 44 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen. Deze beleggingsondernemingen dienen de cliënt op grond van artikel 4:20 Wft informatie te verstrekken over de beleggingsdienst of financieel instrument (recht van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe) voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van de beleggingsdienst of het financieel instrument. Tevens dienen de beleggingsondernemingen te voldoen aan de artikelen 58 en 58a BGfo. Zo dient aan een cliënt informatie te worden verstrekt over de beleggingsonderneming en haar dienstverlening, financiële instrumenten en voorgestelde beleggingsstrategieën, de plaatsen van uitvoering en alle kosten en bijbehorende lasten. De beleggingsonderneming dient cliënten voorafgaand aan het advies te informeren of zij afhankelijk of onafhankelijk adviseert en of het advies op een brede dan wel beperktere analyse van verschillende soorten icbe’s of beleggingsinstellingen is gebaseerd (artikel 58a BGfo). In de artikelen 46 tot en met 48 en 50 tot en met 53 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 zijn nadere voorschriften opgenomen over de informatieverstrekking. Tevens dient de beleggingsonderneming de cliënt te informeren of zij periodiek de geschiktheid van de financiële instrumenten beoordeelt die zij heeft geadviseerd. Verder dienen de beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 periodiek rapporten aan de cliënt te verstrekken over de verleende beleggingsdiensten (artikel 68c, eerste en tweede lid, BGfo).

Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel i, dienen beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 te voldoen aan artikel 4:22, eerste lid, Wft en de artikelen 51a en 68c, derde lid, BGfo. Beleggingsondernemingen verlenen geen beleggingsdiensten aan een cliënt (het kan gaan om zowel een nieuwe als bestaande cliënt) dan nadat de desbetreffende cliënt ervan in kennis is gesteld dat telefoongesprekken, elektronische communicatie of andere gesprekken tussen de beleggingsonderneming en de cliënt die gericht zijn op het verrichten van transacties, zullen worden opgenomen of vastgelegd. Tevens verstrekken beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 jaarlijks informatie over alle gemaakte kosten en lasten die verbonden zijn aan de financiële instrumenten en de verleende beleggingsdiensten indien gedurende het jaar diensten zijn verleend aan de desbetreffende cliënt (artikel 68c, derde lid, Wft). Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel j, zijn de ken-uw-cliënt bepalingen van toepassing binnen het Nationaal regime. Beleggingsondernemingen die beleggingsadvies verlenen dienen informatie in te winnen bij de cliënt over diens financiële positie, kennis, ervaring, beleggingsdoelstellingen en risicobereidheid van de cliënt op beleggingsgebied (artikel 4:23, eerste lid, Wft). De regels met betrekking tot deze zogenaamde geschiktheidstoets en de daarbij behorende rapportageverplichtingen zijn opgenomen in de artikelen 54 en 55 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen.

Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel k, zijn de artikelen 81 en 82, eerste lid, BGfo van toepassing. Dit betekent dat de regels inzake coldcalling en colportage ook voor beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 gelden.

Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdeel l, dienen beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 een passendheidstoets uit te voeren. Dit betekent dat zij moeten beoordelen of de dienst en het financieel instrument passend zijn voor de desbetreffende cliënt. Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 dienen dan op grond van artikel 56 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen vast te stellen of de cliënt beschikt over voldoende kennis en ervaring om te begrijpen welke risico’s aan het betrokken recht van deelneming en de betreffende beleggingsdienst verbonden zijn. In artikel 55 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen is aangegeven hoe de kennis en ervaring van de cliënt dient te worden beoordeeld. In artikel 56 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische vereisten is tevens voorgeschreven welke informatie over de passendheidstoets dient te worden bijgehouden. Op grond van artikel 4:24, vijfde lid, Wft geldt een uitzondering op de passendheidstoets. De beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 hoeven bij het ontvangen en doorgeven van orders geen informatie in te winnen en de passendheidstoets van artikel 4:24, eerste lid, Wft niet uit te voeren indien aan de voorwaarden van artikel 4:24, vijfde lid, Wft en artikel 80d BGfo wordt voldaan en sprake is van een niet-complex financieel instrument op grond van artikel 57 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen.

Een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 11 dient op grond van artikel 4:88 Wft een adequaat beleid te voeren ter zake van het voorkomen en beheersen van belangenconflicten tussen haar en haar cliënten en tussen haar cliënten onderling (artikel 35a, eerste en tweede lid, onderdeel m). Ingeval een dergelijk belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn, zorgt de beleggingsonderneming ervoor dat haar cliënten op billijke wijze worden behandeld. In dat geval worden de cliënten via een duurzame drager op de hoogte gesteld van het belangenconflict. Op grond van de verstrekte informatie dient de cliënt in staat te zijn om met kennis van zaken een beslissing te nemen ten aanzien van de beleggingsdiensten in verband waarmee het belangenconflict is gerezen (zie artikel 167 BGfo). De beleggingsonderneming dient onder meer beleid te hebben ten aanzien van het beheersen van belangenconflicten (zie de artikelen 33, 34 en 35 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen).

Op grond van het eerste lid, onderdeel n, dienen personen als bedoeld in artikel 11 te voldoen aan artikel 4:89, eerste en vijfde lid, Wft. Zij dienen een dossier aan te leggen waarin documenten worden bewaard waaruit blijkt welke rechten, plichten en overige voorwaarden zijn overeengekomen met de cliënt.

Op grond van het eerste lid, onderdeel o, geldt de algemene zorgplicht van artikel 4:90, eerste lid, Wft voor personen die beleggingsdiensten verlenen binnen het Nationaal regime. Dit betekent dat de beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 zich op een eerlijke, billijke en professionele wijze dienen in te zetten voor de belangen van de cliënt en in het belang van de cliënt moeten handelen. De reikwijdte van de zorgplicht wordt bepaald door de aard van de dienstverlening die door het Nationaal regime wordt gereguleerd. Dit betekent dat de zorgplicht enkel betrekking heeft op het adviseren over rechten van deelneming in beleggingsinstellingen en icbe’s en het ontvangen en doorgeven van orders in verband met die deelnemingsrechten. De reikwijdte van de zorgplicht wordt ingekaderd door de afspraken die met de cliënt zijn gemaakt en die in de overeenkomst met de cliënt zijn vastgelegd. In deze overeenkomst zijn immers de wederzijdse rechten en verplichtingen van de cliënt en de beleggingsonderneming vastgelegd. Personen die adviseren over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe of orders doorgeven en ontvangen met betrekking tot rechten van deelneming, dienen te voldoen aan de provisieregels zoals opgenomen in de artikelen 168a BGfo. De provisieregels zijn enkel van toepassing op de dienstverlening die verband houdt met de rechten van deelneming in de beleggingstelling of icbe.

(tweede en derde lid)

De vakbekwaamheidseisen die van toepassing zijn op werknemers van de personen die adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet en beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 Wft (personen als bedoeld in artikel 11, eerste en tweede lid) verschillen van de vakbekwaamheidseisen die van toepassing zijn op personen die geen vergunning hebben voor het adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet en uitsluitend beleggingsdiensten verlenen als bedoeld in onderdeel a of d van de definitie van verlenen van een beleggingsdienst in artikel 1:1 Wft met betrekking tot losse rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe (artikel 11, derde lid). Artikel 4:9, tweede lid, van de Wft en artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, BGfo zijn op grond van artikel 35a, derde lid, van overeenkomstige toepassing verklaard op personen die beschikken over een vergunning voor het adviseren over levensverzekeringen of hypothecair krediet en tevens adviseren over rechten van deelneming in een beleggingsinstelling of icbe. Deze personen dienen hun bedrijfsvoering zodanig in te richten dat een vakbekwame beleggingsdienstverlening aan cliënten voldoende is gewaarborgd. Zij dienen er door middel van hun bedrijfsvoering zorg voor te dragen dat alle medewerkers te allen tijde vakbekwaam en op de hoogte zijn van de laatste actuele ontwikkelingen. Dat betekent dat het bedrijfsvoeringsmodel van de beleggingsonderneming erop moet zijn ingericht dat nieuwe kennis snel en adequaat binnen de onderneming wordt verspreid. Op welke manier dat wordt vormgegeven is aan de beleggingsonderneming. Te denken valt bijvoorbeeld aan een intern kennissysteem waarin actualiteiten worden opgenomen en interne informatiebijeenkomsten of cursussen. Werknemers die cliënten adviseren over deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling of icbe al dan niet in het kader van bijvoorbeeld een effectenhypotheek, een beleggingsrecht eigen woning of een pensioenopbouwproduct dienen te voldoen aan de eindtermen van bijlage 5 ‘Eindtermen en toetstermen Module Vermogen’ van de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft.

Personen als bedoeld in artikel 11, derde lid, dienen op grond van artikel 35a, tweede lid, te voldoen aan de vakbekwaamheidseisen zoals opgenomen in artikel 5a BGfo jo. artikelen 2 en 3 van de Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft (zie artikel 35a, tweede lid). Deze vakbekwaamheidseisen komen voort uit MiFID II.

Personen die vallen onder het Nationaal regime

Vergunning

Vakbekwaamheidseisen

1. Personen die beschikken over een vergunning voor het adviseren over levensverzekeringen en hypothecair krediet + adviseren over rechten van deelneming in beleggingsinstellingen en icbe’s in het kader van bijvoorbeeld een effectenhypotheek, een beleggingsrecht eigen woning of een pensioenopbouwproduct

Artikel 2:75 Wft (vergunning adviseren)

Wft diploma Adviseur hypothecair krediet resp. Wft diploma adviseur vermogen

2. Personen die beschikken over een vergunning voor het adviseren over levensverzekeringen en hypothecair krediet + apart adviseren over rechten van deelneming in beleggingsinstellingen en icbe’s

Artikel 2:75 Wft

Wft diploma Adviseur hypothecair krediet /adviseur vermogen

3. Personen die geen vergunning hebben op grond van artikel 2:75 maar wel adviseren over rechten van deelneming in beleggingsinstellingen en icbe’s

Artikel 2:96 Wft (‘lichte’ vergunning voor het verlenen van beleggingsdiensten)

Artikelen 2 en 3 Regeling vakbekwaamheid werknemers beleggingsondernemingen Wft

(derde en vierde lid)

Een aantal artikelen dat geldt voor financiëledienstverleners zijn van overeenkomstige toepassing verklaard op beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11, eerste en derde lid. Het gaat om de artikelen 4:11, tweede en derde lid, en 4:15, eerste en tweede lid, Wft en de artikelen 28 en 29 BGfo.

In artikel 35a, derde en vierde lid, is artikel 4:11, tweede en derde lid, Wft van overeenkomstige toepassing verklaard. Beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 dienen een adequaat beleid te voeren dat een integere uitoefening van hun bedrijf waarborgt. Artikel 28 BGfo bepaalt dat de betrouwbaarheid van de werknemers buiten twijfel dient te staan en de beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 11 dienen op grond van artikel 29 BGfo incidenten vast te leggen en passende maatregelen te nemen naar aanleiding van een incident. Het van overeenkomstige toepassing verklaren van artikel 4:15, eerste en tweede lid, Wft bewerkstelligt dat de hiervoor bedoelde beleggingsondernemingen over een bedrijfsvoering dienen te beschikken die zodanig is ingericht dat daarmee een beheerste of integere uitoefening van het bedrijf is gewaarborgd. De inrichting van de bedrijfsvoering moet gericht zijn op integriteit en de zorgvuldige behandeling van de cliënt. Daarnaast dienen ten minste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid te bepalen van een beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 11, derde lid. De AFM kan hiervan op aanvraag ontheffing verlenen.

(vijfde lid)

In het vijfde lid van artikel 35a vervallen de onderdelen c en d. Onderdeel c bepaalde dat indien een belangenconflict onvermijdelijk blijkt te zijn een persoon als bedoeld in artikel 11 de cliënt op een billijke wijze dient te behandelen. Deze verplichting is geregeld in artikel 4:88, tweede lid, Wft daarom kan artikel 35a, vijfde lid, onderdeel c, vervallen. Onderdeel d bepaalde dat een persoon als bedoeld in artikel 11 de gegevens vastlegt die betrekking hebben op de verleende diensten waarbij een belangenconflict is ontstaan. Dit is opgenomen in artikel 35 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 inzake organisatorische eisen en daarom vervalt onderdeel d. In artikel 35a, eerste lid, onderdeel m, zijn artikel 4:88 Wft en artikel 35 van de gedelegeerde verordening markten voor financiële instrumenten 2014 opgenomen zodat deze artikelen op deze manier van toepassing zijn op de personen als bedoeld in artikel 11.

Artikel II

Deze regeling treedt op 1 april 2019 in werking zodat de wijzing van het Nationaal regime gelijktijdig in werking treedt met de wijziging van de Regeling eindtermen en toetstermen examens financiële dienstverlening Wft in verband met de PE-examens van 2019 (Stcrt. 2018, 68352) waarin ook de aangepaste eind- en toetstermen voor het diploma adviseur vermogen zijn opgenomen.

De Minister van Financiën, W.B. Hoekstra