Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2018, 68805Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van 29 november 2018, nr. PO/1435528, houdende regels voor de subsidiëring van een regionale aanpak lerarentekort primair onderwijs en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs (Subsidieregeling regionale aanpak lerarentekort)

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media,

Gelet op artikel van regelingen 4 en 5 van de Wet overige OCW-subsidies en de artikelen 1.3 en 2.1. van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS,

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvrager:

bestuur dat de aanvraag indient;

bestuur:

bevoegd gezag als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, of artikel 1.1 onder j van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek die een of meer lerarenopleidingen verzorgt;

cofinanciering:

eigen bijdrage van de samenwerkende partijen ten behoeve van de uitvoering van het plan van aanpak;

kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

lerarenopleiding:

op basis van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde bachelor- of masteropleiding die opleidt tot het verkrijgen van een bevoegdheid om les te geven in een school of instelling die valt onder de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de Expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op educatie en beroepsonderwijs en de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

middelbaar beroepsonderwijs:

onderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

minister:

Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media;

plan van aanpak:

activiteitenplan als bedoeld in de kaderregeling;

personeelsomvang:

totale personeelsomvang uitgedrukt in fte op peildatum 1 oktober 2017 zoals gepubliceerd op www.duo.nl/open_onderwijsdata van de scholen voor primair onderwijs en voortgezet onderwijs in de regio waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft;

primaire arbeidsvoorwaarden:

salaris inclusief vakantiegeld dat werknemers op basis van de vigerende sectorcao’s ontvangen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs;

primair onderwijs:

onderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en het onderwijs bedoeld in de Wet op de expertisecentra;

regio:

in de subsidieaanvraag beschreven aaneengesloten geografisch gebied, uitgaande van bestaande gemeentegrenzen;

school:

school voor primair of voortgezet onderwijs zoals geïdentificeerd binnen de Basisregistratie instelling (BRIN) met het BRIN-nummer;

sectoroverstijgende aanvraag:

aanvraag die betrekking heeft op zowel het primair onderwijs als het voortgezet onderwijs, en indien van toepassing tevens op het middelbaar beroepsonderwijs;

voortgezet onderwijs:

onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs.

Artikel 2. Toepasselijkheid Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de kaderregeling.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister kan aan de aanvrager eenmalig in kalenderjaar 2019 subsidie verstrekken voor de uitvoering van een plan van aanpak lerarentekort.

  • 2. De activiteiten in het plan van aanpak richten zich op de kwantitatieve en kwalitatieve tekorten in de personeelsvoorziening. Hieronder kan ook worden verstaan activiteiten die gericht zijn op de totstandbrenging of versterking van samenwerking in de regio voor het wegwerken van een lerarentekort.

  • 3. Wat betreft personele kosten verstrekt de minister slechts subsidie op basis van een maximaal uurtarief van € 100,00 per uur, inclusief overhead en exclusief BTW.

  • 4. De subsidie wordt niet gebruikt voor de verbetering van primaire arbeidsvoorwaarden of de inhuur van onderwijspersoneel op scholen.

  • 5. De activiteiten worden in beginsel uitgevoerd in het kalenderjaar 2019 en uitloop is mogelijk tot 1 augustus 2020.

  • 6. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt indien sprake is van cofinanciering. De cofinanciering bedraagt ten minste één derde deel van de subsidiabele kosten, en dient in geld of in geld waardeerbaar te zijn.

Artikel 4. Subsidieplafond en hoogte subsidie

  • 1. Voor subsidieverstrekking op grond van deze regeling is in het kalenderjaar 2019 in totaal een bedrag beschikbaar van € 9.000.000,00 dat als volgt wordt verdeeld over de sectoren:

    • a. € 4.500.000,00 voor de sector primair onderwijs; en

    • b. € 4.500.000,00 voor de sector voortgezet onderwijs.

  • 2. De subsidie voor een plan van aanpak in het primair of het voortgezet onderwijs bedraagt maximaal € 250.000,00 per regio.

  • 3. Indien ook één of meer besturen uit het middelbaar beroepsonderwijs deelnemen aan het plan van aanpak in het voortgezet onderwijs wordt een extra subsidie verstrekt van maximaal € 75.000,00 per regio. Deze extra subsidie komt ten laste van het budget, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b.

  • 4. In het geval van een sectoroverstijgende aanvraag bedraagt de subsidie maximaal € 500.000,00. Indien ook één of meer besturen uit het middelbaar beroepsonderwijs deelnemen aan het plan van aanpak, wordt in dat geval een extra subsidie verstrekt van maximaal € 75.000,00.

  • 5. Indien het subsidieplafond van een van de sectoren niet volledig is uitgeput, wordt het resterende bedrag toegevoegd aan de andere sector.

Artikel 5. Wijze van verdeling van de beschikbare middelen

  • 1. De minister verdeelt het beschikbare bedrag per sector in de volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 2. Per regio kan maximaal één subsidieaanvraag worden toegekend voor de sector primair onderwijs en maximaal één subsidieaanvraag voor de sector voortgezet onderwijs. Dit geldt ook in het geval van een sectoroverstijgende aanvraag.

Artikel 6. Aanvraag subsidie

  • 1. De aanvraag kan vanaf 15 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019 worden ingediend. De aanvraag bestaat ten minste uit een plan van aanpak met een begroting.

  • 2. De regio waar de aanvraag voor het primair onderwijs betrekking op heeft voldoet aan de volgende eisen:

    • a. ten minste een derde van de besturen van de in de betreffende regio gevestigde scholen voor primair onderwijs neemt deel aan de aanvraag;

    • b. de scholen, bedoeld in onderdeel a, hebben ten minste een derde van de personeelsomvang met een minimum van ten minste 800 fte; en

    • c. één of meer besturen van lerarenopleidingen voor primair onderwijs nemen deel aan de activiteiten waar de aanvraag betrekking op heeft;

    • d. onder een regio valt niet het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

  • 3. De regio waar de aanvraag voor het voortgezet onderwijs betrekking op heeft, voldoet aan de volgende eisen:

    • a. ten minste een derde van regio gevestigde scholen voor voortgezet onderwijs neemt deel aan de activiteiten waar de aanvraag betrekking op heeft;

    • b. de scholen, bedoeld in onderdeel a, hebben ten minste een derde van de personeelsomvang met een minimum van ten minste 1.200 fte; en

    • c. één of meer besturen van lerarenopleidingen voor voortgezet onderwijs nemen deel aan de activiteiten waar de aanvraag betrekking op heeft;

    • d. onder een regio valt niet het grondgebied van de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.

  • 4. Het tweede en derde lid zijn beide van toepassing op een sectoroverstijgende aanvraag.

  • 5. Het plan van aanpak bevat naast de onderdelen van artikel 3.4 van de kaderregeling in ieder geval een beschrijving van:

    • a. de regio,

    • b. de besturen en eventueel andere partijen die deelnemen aan de uitvoering van het plan van aanpak;

    • c. de wijze waarop de opbrengsten worden geborgd;

    • d. de contactpersoon die gedurende de looptijd van de subsidie fungeert als aanspreekpunt.

  • 6. De begroting voldoet onverminderd artikel 3.5 van de kaderregeling aan de volgende eisen:

    • a. de begroting geeft inzicht in de cofinanciering;

    • b. de begroting bevat geen post onvoorziene kosten.

  • 7. De aanvraag wordt mede ondertekend door alle besturen die deelnemen aan de uitvoering van het plan van aanpak. Hiermee verklaren zij gezamenlijk het plan van aanpak uit te zullen voeren. Zij verklaren bovendien dat alle gegevens die noodzakelijk zijn voor de verantwoording door de aanvrager van de besteding van de subsidie op verzoek aan de aanvrager worden verstrekt.

  • 8. De aanvraag geschiedt met het digitale aanvraagformulier dat via de website van de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 7. Aanvrager

  • 1. Subsidie wordt aangevraagd door, verstrekt aan en verantwoord door de aanvrager.

  • 2. De aanvrager is verantwoordelijk voor alle aan de subsidie verbonden verplichtingen, ongeacht welke van de samenwerkende partijen feitelijk is belast met de uitvoering van de daarop betrekking hebbende werkzaamheden.

Artikel 8. Besteding en betaling subsidie

  • 1. Als de activiteiten zijn uitgevoerd en aan de verplichtingen is voldaan, kan het niet aangewende deel van de subsidie worden besteed aan andere activiteiten passend bij het doel van deze regeling.

  • 2. De subsidie wordt direct vastgesteld binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 3. De minister betaalt het subsidiebedrag ineens na vaststelling van de subsidie.

Artikel 9. Verplichtingen subsidie

De aanvrager verbindt zich om op verzoek actief mee te werken aan kennisdelingsactiviteiten.

Artikel 10. Verantwoording

  • 1. De verantwoording van de subsidie geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs met model G, onderdeel 1, zoals bedoeld in richtlijn 660 van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

  • 2. De subsidieontvanger toont op verzoek van de minister aan dat de activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden zijn.

Artikel 11. Inwerkintreding en geldigheidsduur

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en vervalt met ingang van 31 december 2022.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling regionale aanpak lerarentekort.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob

TOELICHTING

Algemeen

Het lerarentekort in het po, vo en mbo is een maatschappelijk probleem. Het aanpakken daarvan is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Besturen en schoolleiders zijn verantwoordelijk voor het personeelsbeleid op de scholen, de lerarenopleidingen zijn verantwoordelijk voor het goed opleiden van leraren. Het ministerie investeert in randvoorwaarden, zoals de extra middelen voor de salarissen voor leraren in het primair onderwijs en voor de verlaging van de werkdruk, de halvering van het collegegeld in het eerste jaar van een hbo of universiteit studie en in het tweede jaar voor een lerarenopleiding (hbo of wo) en het beschikbaar stellen van subsidies voor bijvoorbeeld zijinstromers en herintreders.

Besturen, schoolleiders, leraren en ondersteuners ervaren dagelijks de effecten van het lerarentekort en doen hun uiterste best om goed onderwijs te blijven bieden. Daar verdienen zij waardering voor. Terugdringen van het tekort en invulling van de vacatures met gekwalificeerd onderwijspersoneel is van groot belang om de kwaliteit van het onderwijs te waarborgen. Ook een regionale aanpak die op grond van deze subsidieregeling is gericht op de instroom en het behoud van gekwalificeerde leraren.

De onderwijsarbeidsmarkt verschilt sterk per regio en deze functioneert sterk regionaal. In de regio’s liggen mogelijkheden om het lerarentekort aan te pakken. Het is van belang om die regionale aanpak te ondersteunen. Deze regeling heeft dan ook als doel regio’s te faciliteren en te stimuleren om het lerarentekort regionaal aan te pakken. De regeling is onderdeel van de bredere aanpak van het lerarentekort en heeft niet de pretentie om dé oplossing voor het lerarentekort te bieden. Daarvoor is dit vraagstuk te ingewikkeld. Dit laat onverlet dat schoolbesturen, schoolleiders, lerarenopleidingen, Ministerie van OCW en andere partijen zoals gemeenten, UWV en arbeidsmarkt- en opleidingsfondsen, binnen hun (gezamenlijke) mogelijkheden alles doen om scholen te helpen dit probleem op te lossen. Het is een aanvulling op wat in de achterliggende periode al in gang is gezet, zoals de extra middelen voor en de uitvoering van het werkdrukakkoord po, verbetering van de lerarensalarissen en het extra budget voor zijinstromers.

De samenwerking in po, vo en mbo in de regio tussen schoolbesturen, scholen en lerarenopleidingen staat centraal in de regeling. Schoolbesturen nemen hierbij het initiatief. Zij hebben als werkgever immers elke dag te maken met het lerarentekort en kunnen dan ook goed beoordelen wat er op hun scholen nodig is. Het uitgangspunt is dat alle besturen van scholen en opleidingen die deel willen nemen dat ook kunnen. Dit geldt ook voor besturen die op een later moment willen aansluiten en willen deelnemen aan de activiteiten in het plan van aanpak. Hierdoor ontstaat in de regio als het ware een onderwijsconsortium van schoolbesturen en opleidingen voor het oplossen van tekorten. Bij dergelijke consortia zijn ook andere partijen zoals gemeenten en het regionale bedrijfsleven welkom.

In de regeling wordt uitgegaan van een regionale aanpak voor primair onderwijs en voor voortgezet onderwijs. Het middelbaar beroepsonderwijs kan aansluiten bij de aanpak voor het voortgezet onderwijs. Hierdoor kan ook worden samengewerkt om tekorten bij beroepsgerichte vakken aan te pakken. Besturen van het middelbaar beroepsonderwijs worden dan ook uitgenodigd door het voortgezet onderwijs om deel te nemen aan de regionale aanpak. Bij voorkeur doen ook andere partijen mee, zoals gemeenten, regionale transfercentra, vakbonden en bedrijven.

De inzet is om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de ideeën en bestaande initiatieven die er in de regio zijn en bij de activiteiten die in gang zijn of worden gezet. Er wordt geen blauwdruk opgelegd van bovenaf. Partijen in de regio bepalen zelf binnen welk geografisch gebied de samenwerking vorm krijgt. Hierbij wordt uitgegaan van een consortium van schoolbesturen en opleidingen in een regio. De criteria voor toekenning zijn in de regeling dan ook niet dichtgeschroeid. Behoudens enkele minimale omvangeisen aan het draagvlak voor de samenwerking is er alle ruimte om de in te dienen plannen te baseren op wat er al gebeurt en rekening te houden met de context en specifieke omstandigheden die van toepassing zijn op het tekortvraagstuk in de regio. De kennis en ervaring die in de regio worden opgedaan wordt op landelijk niveau verbonden en breed verspreid zodat regio’s van elkaar kunnen leren. Hiertoe is een landelijke tafel lerarentekort ingericht (zie hierna). De arbeidsmarktfondsen kunnen het veld ondersteunen en adviseren bij het plan van aanpak.

Regionaal plan van aanpak

Om voor subsidie, zoals bedoeld in deze regeling, in aanmerking te komen moeten schoolbesturen samen met één of meer lerarenopleidingen een plan van aanpak indienen waarin staat omschreven wat zij in hun regio in 2019 gaan ondernemen om het lerarentekort aan te pakken.

De zes actielijnen van het landelijke plan van aanpak kunnen daarbij als inspiratie dienen: 1) verhogen van de in-, door- en uitstroom van de lerarenopleidingen, 2) stimuleren van zijinstromers, 3) behouden van leraren, 4) activeren van de stille reserve, 5) verbeteren van het belonings- en carrièreperspectief en 6) stimuleren van innovatie.1 Het zijn echter de samenwerkende partijen in de regio die hun eigen keuzes maken. De subsidieaanvraag kan ook betrekking hebben op plannen die in een regio al in ontwikkeling zijn of aansluiten op activiteiten die al worden uitgevoerd. De gesubsidieerde activiteiten moeten dan wel in aanvulling zijn op de activiteiten die al worden uitgevoerd. Uiteraard wordt er daarbij vanuit gegaan dat de samenwerking een bijdrage levert aan het wegwerken van het tekort op korte en/of langere termijn, met inachtneming van de kwaliteit van het onderwijs.

Voor het opstellen van een plan dat past bij de regionale situatie is het ook van belang een goed beeld te krijgen van de regionale arbeidsmarkt, met kenmerken als de leeftijdsopbouw, ziekteverzuim en prognoses wat betreft de tekorten. De regio’s kunnen hiervoor gebruikmaken van de regionale rapporten die te vinden zijn op www.arbeidsmarktplatformpo.nl, www.voicon.nl en www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/06/17/regionale-arbeidsmarktramingen-voor-leraren-in-het-primair-onderwijs.

In regio’s waar de wens bestaat om een impuls te geven aan de samenwerking op de regionale onderwijsarbeidsmarkt kan de subsidie ook worden ingezet om te investeren in het tot stand brengen en/of versterken van de samenwerking. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een kwartiermaker.

Bij het opstellen en uitvoeren van de plannen kan ook de regionale samenwerking worden bevorderd tussen het onderwijsconsortium met het bedrijfsleven. Er zijn sectoren op de arbeidsmarkt die (komende periode) te maken hebben (of krijgen) met personeelsoverschotten, zoals de zakelijke dienstverlening. Een overstap naar het onderwijs kan voor werknemers uit andere arbeidsmarktsectoren een aantrekkelijke optie zijn. In de hierover door de Tweede Kamer aanvaarde motie-Van den Hul (PvdA) en Westerveld (GroenLinks) wordt opgeroepen om een pact te sluiten met gemeenten en (grote) bedrijven waarbij werknemers met een bevoegdheid om in het onderwijs te werken, de kans krijgen om in geval van nood in te springen op de scholen.1 Een dergelijk pact kan het best tot stand komen in de regio want dat is de plek waar men weet waar het bedrijfsleven zit, waar relaties zijn met de lokale overheden, waar men de verbindingen kan leggen en waar men afspraken kan maken. En dit gebeurt al, bijvoorbeeld in de provincie Utrecht. De afspraken gaan daarbij verder dan alleen het inspringen van al onderwijsbevoegd personeel uit bedrijven en gemeenten bij scholen waar de nood hoog is. Zo wordt ook gewerkt aan arrangementen waarbij belangstellenden en in potentie geschikt personeel uit bepaalde bedrijfssectoren worden ondersteund en begeleid naar een betrekking in het onderwijs. Het behalen van een vereiste onderwijsbevoegdheid maakt daar onderdeel van uit. Afspraken hierover passen prima in een regionaal plan van aanpak.

Wat betreft actielijn 4, het activeren van stille reserve, is het voor de regio’s in het po van belang om te weten dat het Participatiefonds is gestart met het plan om 1.000 leraren met een uitkering te begeleiden naar een plek in het onderwijs. Het Participatiefonds wil daarbij graag samenwerken met de regio’s en de regionale transfercentra. Ook het UWV heeft te kennen gegeven graag te willen samenwerken met de regio’s in het po, vo en mbo om te helpen bij het begeleiden en matchen van onbenut potentieel naar een baan in het onderwijs.

Partijen in de regio worden gestimuleerd om in hun plan van aanpak ook afspraken vast te leggen over het tot een minimum beperken van de inhuur van onderwijspersoneel voor bijvoorbeeld vervanging in het primair onderwijs via commerciële uitzend- en bemiddelingsbureaus. De afgelopen periode zijn er signalen dat de inhuur via dergelijke bureaus toeneemt. De krapte op de arbeidsmarkt leidt bovendien tot hoge(re) tarieven die de bureaus hiervoor aan scholen in rekening brengen. De Tweede Kamer heeft in november 2018 moties aangenomen die beogen om deze ontwikkeling tegen te gaan.1 In reactie heeft de minister in de Tweede Kamer aangegeven dit ook een onwenselijke ontwikkeling te vinden. De minister roept partijen in de regio daarom op om in het plan van aanpak concrete afspraken te maken over hoe in gezamenlijkheid om te gaan met de inhuur van onderwijspersoneel via commerciële bureaus. Ze kunnen daarover in gesprek gaan met de aanbieders in de regio. Hetzelfde geldt voor de inhuur van zzp-ers. Daarbij is het ook van belang dat partijen eerst bezien hoe ze leraren kunnen binden aan het onderwijs, bijvoorbeeld door het in vaste dienst nemen van leraren die nu nog via een invalpool of transfercentrum tijdelijk in dienst zijn.

In het plan van aanpak is het van belang dat de activiteiten en de te verwachte resultaten zo concreet mogelijk beschreven worden. Als het bijvoorbeeld gaat om de werving van zijinstromers, is meer nodig dan het benoemen van ‘werven zijinstromers’. Immers, van belang is te weten hoeveel zijinstromers een regio wil plaatsen, welke besturen en scholen deze zijinstromers kunnen plaatsen en welke afspraken daarvoor nodig zijn met de opleidingen. Als dergelijke afspraken niet concreet worden gemaakt, kan dat tot teleurstelling leiden bij potentiële zijinstromers die bijvoorbeeld wel geschikt zijn, maar niet bij een bestuur terecht kunnen.

Besturen in de regio kunnen een beroep doen op het Arbeidsmarktplatform PO en het Arbeidsmarkt en opleidingsfonds voortgezet onderwijs Voion voor advisering bij de totstandkoming van het plan van aanpak. Als het middelbaar beroepsonderwijs onderdeel uitmaakt van het plan van aanpak kan Stichting Onderwijsarbeidsmarktfonds MBO (SOM) ook ondersteuning bieden.

Aanpak lerarentekort in de G4

De urgentie van het lerarentekort is vooral in de Randstad hoog, in het bijzonder in de vier grote steden: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht (G4). In Amsterdam, Rotterdam, Den Haag werken de gemeenten al langer samen met de besturen en opleidingen om gezamenlijk het lerarentekort aan te pakken. Daarom is gekozen de G4 door middel van een Decentralisatie Uitkering (DU) via het gemeentefonds te ondersteunen en stimuleren bij de verdere aanpak van de tekorten. De omvang hiervan bedraagt € 1 miljoen per gemeente in de G4. De besturen, gevestigd in de G4, kunnen voor de aanpak van de tekorten in de G4 dan ook geen subsidie meer aanvragen voor een plan van aanpak in de G4.

Er wordt een convenant gesloten met de G4 voor de toekenning van de DU. In het convenant worden, naar analogie van voorliggende regeling afspraken vastgelegd over het opstellen van een plan van aanpak, cofinanciering, te subsidiëren activiteiten, delen van kennis en ervaring, instemming van de onderwijsbesturen over de inzet van middelen etc. Ook komt in het convenant de wenselijkheid van actieve afstemming met het onderwijs in buurgemeenten van omliggende regio’s aan de orde. Dit om samenwerking te bevorderen en concurrentie tegen te gaan.

Landelijke tafel

Er is een landelijke tafel ingesteld die de regio’s stimuleert en ondersteunt bij het treffen van kansrijke maatregelen en ervoor zorgt dat belemmeringen waar de regio’s tegenaan lopen waar mogelijk worden weggenomen. Ook worden succesvolle aanpakken, bevindingen en resultaten van de regio’s gedeeld, zowel tussen de regio’s als in de wisselwerking met de landelijke tafel. Op deze manier kunnen goede voorbeelden worden verspreid en wordt leren van elkaar gestimuleerd.

De landelijke tafel bestaat uit een aantal bestuurders van de sector- en vakorganisaties, een onderwijswethouder vanuit de G4, onder voorzitterschap van de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Op basis van de agenda worden ook andere partijen uitgenodigd voor de landelijke tafel, zoals de Minister van OCW, het UWV, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven, het lokaal bestuur en andere departementen.

Doel van deze subsidieregeling

Deze subsidieregeling heeft als doel partijen in de regio te faciliteren en te stimuleren om het lerarentekort in het primair en voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs in 2019 gezamenlijk aan te pakken.

Uitvoering door DUS-I

De regeling wordt door Dienst Uitvoering Subsidies-Instellingen (DUS-I) uitgevoerd. De aanvraag voor subsidie wordt elektronisch ingediend. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van het aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op www.dus-i.nl.

Communicatie

Het onderwijsveld wordt op verschillende manieren op de hoogte gesteld van deze regeling, zoals het organiseren van informatiebijeenkomsten, via de websites van de organisaties die deelnemen aan het landelijk overleg, Arbeidsmarktplatform PO, Voion en SOM de nieuwsbrieven po, vo en mbo van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van de arbeidsmarktfondsen in het po, vo en mbo via social media zoals Facebook pagina Lerarentekort en via de websites van de bonden.

Administratieve lasten aanvraag

Administratieve lasten worden gedefinieerd als de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving. Deelname aan deze regeling is vrijwillig en brengt dus geen verplichte administratieve lasten met zich mee. Er is gekozen voor een zo licht mogelijke verantwoording over de verstrekte subsidie. Daarom wordt in de regeling volstaan met verantwoording in de jaarrekening samen met model G, onderdeel 1.

Uitgangspunt is dat het aanvraagproces zo wordt ingericht dat het zo min mogelijk administratieve lasten creëert. Vanuit DUS-I wordt een format beschikbaar gesteld, waarmee de aanvraag wordt ingediend. Daarbij wordt ook een tool voorgeschreven waarmee per gemeente inzichtelijk is welke besturen, met welke scholen binnen de betreffende regio vallen alsmede het aantal fte op peildatum 1.10.2017 van de scholen. Hiermee kan door de aanvrager en door DUS-I bij de beoordeling van de aanvraag, eenvoudig en eenduidig worden vastgesteld of de aanvraag voldoet aan de kwantitatieve eisen die de regeling stelt aan de omvang van de samenwerking. Het betreft hier openbare databestanden op basis van door schoolbesturen aan DUO verplicht geleverde personele gegevens, toegankelijk via de website www.duo.nl/open_onderwijsdata. Hoewel deze gegevens niet voor alle besturen 100 procent volledig zijn, vormen ze een representatieve, eenduidige en uitvoerbare basis voor het vaststellen en toetsen van de personeelsomvang van de scholen die deel uitmaken van het plan van aanpak.

Caribisch Nederland

Deze regeling is specifiek gericht op Europees Nederland door de gestelde eisen waar een aanvraag voor subsidie aan moet voldoen. Besturen in Caribische Nederland kunnen dus op grond van deze regeling geen aanspraak maken op subsidie. Dit hangt direct samen met de omstandigheid dat het vraagstuk van het lerarentekort minder urgent is in Caribisch Nederland.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Begripsbepaling

In de begripsbepaling is een algemene definitie opgenomen voor de regio. Er is gekozen voor een aaneengesloten geografisch gebied, waarvan de afbakening samenvalt met gemeentegrenzen. Het grondgebied van een gemeente kan niet worden ‘opgeknipt’. Ook kan een gemeente niet twee keer in één sector deelnemen. Bij het bepalen van de regio waarbinnen wordt samengewerkt, kan als leidraad gebruik worden gemaakt van de bestaande indeling naar gemeenten van de Arbeidsmarktregio’s, zie www.regioatlas.nl. Dit heeft als voordeel dat de arbeidsmarktramingen voor onderwijs beschikbaar zijn voor deze arbeidsmarktregio’s. Deze regio’s sluiten ook aan bij het werkgebied van de werkgeversservicepunten van het UWV. Eind 2018 zijn de geactualiseerde landelijke en regionale ramingen beschikbaar.

Deze zijn te vinden opwww.arbeidsmarktplatformpo.nl, www.voicon.nl en www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/06/17/regionale-arbeidsmarktramingen-voor-leraren-in-het-primair-onderwijs.

De totale personeelsomvang van de scholen voor po en vo in de regio waarop het plan van aanpak betrekking heeft, is gebaseerd op de bestanden personeel in fte voor po en vo (peildatum 1.10.2017) zoals gepubliceerd op www.duo.nl/open_onderwijsdata. Zie voor nadere uiteenzetting ook onder het kopje ‘Administratieve lasten aanvraag’ van deze toelichting.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

Indien er niet of nauwelijks sprake is van samenwerking dan kan de subsidie ook worden gebruikt voor activiteiten om deze samenwerking tot stand te brengen of te versterken. Hiervoor kan bijvoorbeeld een kwartiermaker worden aangesteld. Naar verwachting zal in deze regio’s het aantal activiteiten nog beperkt zijn en daarmee ook de gevraagde subsidie lager zijn dan het maximaal beschikbaar gestelde bedrag voor een regio.

Een subsidieaanvraag ziet op activiteiten die vanaf de datum van indiening van de subsidieaanvraag in de toekomst liggen. Op grond van het tweede lid van artikel 3.2 van de kaderregeling wordt een aanvraag voor verlening van subsidie in ieder geval in gediend voor aanvang van de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Zoals in de kaderregeling staat, dienen de activiteiten zodanig uitgevoerd te worden dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verstrekt. Indien hier niet aan wordt voldaan kan de subsidie lager worden vastgesteld en (een deel van) de subsidie worden teruggevorderd.

Op grond van het vierde lid is de subsidie niet bestemd voor het op enigerlei wijze verbeteren van de primaire arbeidsvoorwaarden van onderwijspersoneel. Dit sluit natuurlijk niet uit dat bijvoorbeeld de lopende loonkosten van een schoolleider of een hrm-medewerker die wordt belast met de (begeleiding van) de uitvoering van een plan van aanpak, ten laste van de aangevraagde subsidie kan worden gebracht.

Eveneens is de subsidie is niet bedoeld voor het op schoolniveau (mede) bekostigen van (tijdelijke) noodmaatregelen om te voorzien in een personeelsbehoefte. Hieronder vallen ook de salariskosten van al dan niet bevoegd personeel in het geval van vervanging.

Aan de partijen wordt gevraagd om eerst te kijken naar intern beschikbare capaciteit bij de deelnemende partijen alvorens extern hulp wordt gezocht voor de planvorming, uitwerking en implementatie, om zo een beter draagvlak en borging van de plannen te realiseren. Indien wordt gekozen voor externe inhuur voor de uitvoering van (onderdelen) van het plan van aanpak, dan geldt op basis van het derde lid dat daarvoor een maximum tarief is vastgesteld. Dit bedrag is inclusief overheadkosten voor zaken zoals bijvoorbeeld ICT.

Op grond van het zesde lid wordt een subsidie uitsluitend toegekend wanneer er sprake is van cofinanciering. Cofinanciering kan geschieden in de vorm van financiële middelen maar bijvoorbeeld ook in de vorm van de inzet van personeel of arbeidstijd. Dit kunnen ook middelen zijn die door andere partijen dan schoolbesturen worden ingebracht, zoals gemeenten. De cofinanciering bedraagt ten minste één derde deel van de subsidiabele kosten die zijn gemoeid met de uitvoering van het plan van aanpak. Daarmee bedraagt de OCW-subsidie op grond van deze regeling ten hoogste twee derde deel van de subsidiabele kosten uit het plan van aanpak tot een maximum van de genoemde bedragen in artikel 4, tweede, derde en vierde lid van de regeling. Indien bijvoorbeeld uit een plan van aanpak blijkt dat de subsidiabele kosten € 240.000,00 bedragen, dan bedraagt de cofinanciering ten minste € 80,0000,00 en de OCW-subsidie ten hoogste € 160.000,00.

Artikel 4. Subsidieplafond en hoogte subsidie

Voor het kalenderjaar 2019 is totaal € 9 miljoen beschikbaar. Een uitloop voor de uitvoering van de activiteiten is mogelijk tot 1 augustus 2020. Met deze uitloop kunnen ook aanvragen die relatief laat in 2019 worden ingediend en toegekend nog worden uitgevoerd. De subsidie bedraagt per plan van aanpak maximaal € 250.000,00 voor het primair en voortgezet onderwijs. Indien het middelbaar beroepsonderwijs deelneemt bij het voortgezet onderwijs dan wordt extra subsidie verstrekt met een bedrag van maximaal € 75.000,00. De subsidie voor een plan van aanpak dat zowel het primair als voortgezet onderwijs omvat, bedraagt maximaal € 500.000,00. Indien ook mbo meedoet dan bedraagt het maximale bedrag € 575.000,00.

Bovengenoemde bedragen zijn maximaal. Een regio kan er ook voor kiezen een lager bedrag aan te vragen. Zeker wanneer bijvoorbeeld in een regio nog niet of nauwelijks sprake is van samenwerking kan subsidie aangevraagd worden om deze regionale samenwerking tot stand te brengen.

Indien na de uiterste indieningsdatum van aanvragen blijkt dat één van de subsidieplafonds niet volledig is uitgeput dan wordt het resterende bedrag toegevoegd aan het budget voor de andere sector. Dit is het geval wanneer blijkt dat hierdoor een of meer aanvragen die wegens het budgetplafond in laatstbedoelde sector aanvankelijk niet konden worden gehonoreerd, alsnog kunnen worden ingewilligd. Indien blijkt dat bij een sectoroverstijgende aanvraag één van de subsidieplafonds is uitgeput en het andere niet, dan kan er nog wel subsidie beschikbaar worden gesteld voor de sector waarbinnen nog wel ruimte is. Uiteraard tot het genoemde maximale bedrag van € 250.000,00. In dat geval wordt de subsidieaanvraag voor wat betreft de sector waarvoor het plafond is bereikt (voorlopig) afgewezen.

Artikel 5. Wijze van verdeling van de beschikbare middelen

De aanvragen worden beoordeeld in volgorde van binnenkomst. Die wordt bepaald aan de hand van de datum en het tijdstip waarop het digitale aanvraagformulier met het plan van aanpak en de begroting en cofinanciering (inclusief confinaciering), is ontvangen op www.dus-i.nl. Als een (sectoroverstijgende) aanvraag onvolledig is omdat bijvoorbeeld het plan van aanpak ontbreekt, stelt de minister de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen. Als datum van ontvangst geldt dan, conform de kaderregeling, de datum waarop de volledige aanvraag is binnengekomen.

Per regio wordt maximaal eenmaal per sector subsidie toegekend. Nadat toekenning heeft plaatsgevonden kunnen in de betrokken regio gevestigde scholen, geen deel meer uitmaken van een subsidieaanvraag in een andere, (deels) overlappende regio. Hierbij is niet relevant of de betrokken scholen wel of niet deelnemen aan het plan van aanpak voor de regio waarvoor toekenning reeds heeft plaatsgevonden. Immers per regio kan maar eenmaal subsidie worden toegekend. Besturen van scholen en opleidingen kunnen overigens wel meer dan eenmaal deelnemen in een aanvraag. Dat kan indien zij scholen besturen in een gebied dat zich uitstrekt over meer dan één regio. Hiermee kunnen besturen met scholen in een groot voedingsgebied deelnemen aan meer dan een plan van aanpak.

Artikel 6. Aanvraag subsidie

In dit artikel worden de eisen beschreven voor de regio primair onderwijs en voortgezet onderwijs waarop de aanvraag betrekking heeft. Indien van toepassing maakt het middelbaar beroepsonderwijs onderdeel uit van de regio zoals beschreven voor het voortgezet onderwijs. Wat betreft de kwantitatieve eisen voor het draagvlak van regionale samenwerking is rekening gehouden met de (verschillen in) schaal en omvang van de sectoren po en vo. Ook wordt de mogelijkheid geboden voor een sectoroverstijgende aanvraag. De data wat betreft een aantal schoolbesturen en de daaronder vallende scholen met hun personeelsomvang in de door de aanvrager vastgestelde regio, zijn publiek toegankelijk en beschikbaar via de open databestanden van www.duo.nl. Het betreft de bestanden voor het po en vo met als peildatum 1.10.2017.

De aanvraag kan vanaf 15 januari 2019 tot en met 31 augustus 2019 worden ingediend. De aanvraag hoeft alleen ondertekend te worden door besturen (van scholen en opleidingen) die deelnemen aan de regionale aanpak. Dit geldt ook als er andere partijen deelnemen dan deze besturen. Indien de samenwerking verder op gang moet worden gebracht dan wel aan de samenwerking een eerste aanzet moet worden gegeven dan dient beschreven te worden op welke wijze de samenwerkende partijen hieraan invulling geven.

Het vijfde lid bevat de elementen die aan de orde moeten komen in het in te dienen plan van aanpak. Zoals eerder is aangegeven, maken de deelnemende partijen hierin zelf een keuze, rekening houdende met de omstandigheden en context in hun regio. De beschreven elementen zijn in aanvulling op hetgeen in de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (artikel 3.4) is bepaald. Dit laatste betreft een beschrijving in het plan van de volgende aspecten:

  • een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • de aard, omvang, duur en wijze van uitvoering van de activiteiten;

  • de met de activiteiten na te streven doelstellingen, resultaten of producten.

Het zesde lid bevat de vereisten aan de begroting van het regionale plan in aanvulling op wat hierover al is vastgelegd in artikel 3.5 van de kaderregeling. Dit laatste betreft:

  • een overzicht van de geraamde kosten (personeel en materieel) en opbrengsten per activiteit, voor zover deze betrekking hebben op de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd;

  • een toelichting op de betreffende posten;

  • een begroting die sluitend is.

Artikel 9. Subsidieverplichtingen

In aanvulling op subsidieverplichtingen uit de kaderregeling, zijn subsidieontvangers verplicht om mee te werken aan kennisdelingsactiviteiten, zoals bijeenkomsten om kennis en inzichten zo breed mogelijk met elkaar te delen. Het Arbeidsmarktplatform PO, Voion en SOM zullen daarbij zorgen voor de organisatorische ondersteuning. In de kaderregeling staat bijvoorbeeld de meldingsplicht (artikel 5.7) en kan DUS-I middels een steekproef controleren. De minister kan naast dit artikel 9 ook bij de subsidieverstrekking nadere verplichtingen opnemen.

Artikel 10. Verantwoording

De aanvrager is verantwoordelijk voor de verantwoording. Verantwoording geschiedt in de jaarverslaggeving van de aanvrager met model G, onderdeel 1. Ter beperking van de administratieve lasten is hierbij voor een relatief licht verantwoordingsregime gekozen. Op verzoek toont de subsidieontvanger aan dat de activiteiten zijn verricht waarvoor subsidie is verstrekt en dat aan de verplichtingen is voldaan die aan deze subsidie zijn verbonden.

Artikel 11. Inwerkingtreding en geldigheidsduur

De subsidieverstrekking heeft betrekking op activiteiten uitgevoerd in 2019, met een uitloop tot 1 augustus 2020. Gezien de doorlooptijd van de verantwoording en de vaststelling daarvan is de vervaldatum van de regeling 31 december 2022.

De Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, A. Slob


X Noot
1

Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 27 923, nr. 245.

X Noot
1

Motie TK, 2018-2019, 27 923, nr. 328.

X Noot
1

Motie van het Kamerlid Rog (CDA) (TK, 2018-2018, 27 923, nr. 330) en motie van de Kamerleden Kwint (SP) en Westerveld (GroenLinks) (TK, 2018-2019, 27 293, nr. 336).