Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 68042

Gepubliceerd op 29 november 2018 09:00



Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, van 28 november 2018, nr. IENW/BSK-2018/255698, tot wijziging van de Regeling bodemkwaliteit (actualisering verwijzingen normdocumenten 2018.2) en enkele andere regelingen (verwijzing naar normdocumenten)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

Handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat;

Gelet op artikel 2, tweede lid, van het Besluit asbestwegen milieubeheer, de artikelen 1, 25, eerste lid, 34, eerste en derde lid, 38, derde en vijfde lid, en 40, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit, artikel 11, derde lid, van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering, artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, artikel 11h, vierde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, artikel 5, tweede lid, van het Besluit uniforme saneringen, artikel 2, aanhef en onderdeel b, van het Productenbesluit asbest en artikel 1.1, tiende lid, van de Wet milieubeheer;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De Regeling bodemkwaliteit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Voor de toepassing van het besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan grond of baggerspecie waarin:

    • a. ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal voorkomt dat voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was en waarvan niet is te voorkomen dat de grond of baggerspecie daarmee is vermengd, voor zover het steenachtig materiaal of hout betreft; en

    • b. alleen sporadisch ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout als bedoeld onder a voorkomt, dat voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was, voor zover redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat het uit de grond of baggerspecie wordt verwijderd voordat het wordt toegepast.

B

In artikel 2.1, eerste lid, onderdeel l, wordt na ‘locatie-inspectie’ toegevoegd ‘of maaiveldinspectie’.

C

Aan artikel 4.3.1 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het splitsen van een partij die blijkens de bijbehorende milieuhygiënische verklaring is ontstaan door samenvoeging van partijen overeenkomstig artikel 4.3.2, of het splitsen van een partij die is ontstaan na splitsing van een zodanige samengevoegde partij, is uitsluitend toegestaan indien dit plaatsvindt op de wijze die is aangegeven in BRL 9335.

D

Artikel 4.3.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het eerste tot en met zevende lid tot derde tot en met negende lid worden voor het derde lid (nieuw) twee leden ingevoegd, luidende:

  • 1. Partijkeuringen zijn niet toegestaan als milieuhygiënische verklaring als uit het vooronderzoek is gebleken dat de partij is ontstaan door het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie overeenkomstig artikel 4.3.2.

  • 2. Partijkeuringen zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie, mits deze zijn gebaseerd op:

    • a. een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725, onderscheidenlijk NEN 5717 in aanvulling op het onderzoek van het standaard stoffenpakket, bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, is verricht, met inbegrip van onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van andere verontreinigingen, die op grond van de ontstaansgeschiedenis van de partij kunnen worden verwacht en die een partij grond of baggerspecie ongeschikt kunnen maken voor toepassing;

    • b. een onderzoek dat in aanvulling op het onderzoek van het standaard stoffenpakket, bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, is verricht naar de eventuele aanwezigheid van andere verontreinigingen, die een partij grond of baggerspecie ongeschikt kunnen maken voor toepassing, indien de partij is gereinigd overeenkomstig BRL 7500 door een bedrijf dat daartoe over een erkenning op grond van het besluit beschikt;

    • c. een onderzoek dat in aanvulling op het onderzoek van het standaard stoffenpakket, bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, is verricht naar de eventuele aanwezigheid van andere verontreinigingen, die een partij grond of baggerspecie ongeschikt kunnen maken voor toepassing, indien de partij als nevenproduct is vrijgekomen bij het bewerken van een product waarbij aanhangende grond vrijkomt.

3. Onder verlettering van onderdeel g tot onderdeel i worden in het vijfde lid (nieuw) na onderdeel f twee onderdelen ingevoegd, luidende:

  • g. een beschrijving van het onderzoek naar de ontstaansgeschiedenis van de partij grond of baggerspecie;

  • h. een beschrijving van het onderzoek naar de aanwezigheid van:

    • relevante verontreinigende stoffen die in bijlage B bij deze regeling zijn vermeld en waarvoor een normwaarde is opgenomen, en de waarde daarvan, uitgedrukt in mg/kg droge stof,

    • relevante andere verontreinigende stoffen dan in bijlage B bij deze regeling zijn vermeld of verontreinigende stoffen waarvoor in die bijlage geen normwaarde is opgenomen, en de waarden daarvan, uitgedrukt in mg/kg droge stof, en

    • relevant bodemvreemd materiaal anders dan steenachtig materiaal en hout, zoals plastic en piepschuim.

4. In het zesde tot en met negende lid wordt ‘het eerste lid’ vervangen door ‘het derde lid’.

E

Artikel 4.3.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. het onderzoek is verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740, voor:

      • een onverdachte locatie;

      • een grootschalig onverdachte locatie;

      • een onbekende bodembelasting;

      • de toetsing of er sprake is van een schone bodem;

      • de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;

      • de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof; en

    • b. het onderzoek is gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht en dat heeft plaatsgevonden in aanvulling op het onderzoek van het standaard stoffenpakket, bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, met inbegrip van onderzoek naar de eventuele aanwezigheid van andere verontreinigingen, die op grond van de historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht en die relevant kunnen zijn voor het toepassen van een partij grond of baggerspecie.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen grond, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. het onderzoek is verricht overeenkomstig de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740, voor:

      • de toetsing of er sprake is van een schone bodem;

      • de toetsing of er sprake is van een schone bodem op grootschalige locaties;

      • de partijkeuring van niet-schone grond uit een diffuus belast gebied met een heterogene verdeling van de verontreinigende stof; en

    • b. het onderzoek is gebaseerd op een vooronderzoek dat overeenkomstig NEN 5725 is verricht waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht.

  • 2. In het tweede lid komt de aanhef te luiden:

    Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de toe te passen grond, mits deze voldoen aan de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5740, en zijn gebaseerd op een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht, voor:.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3 Bodemonderzoeken zijn toegestaan als milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam of baggerspecie, mits deze voldoen aan de onderzoeksstrategieën, bedoeld in NEN 5720, en zijn gebaseerd op een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5717 waarbij het standaard stoffenpakket is aangevuld met andere verontreinigende stoffen die op grond van historie van de te onderzoeken locatie kunnen worden verwacht.

4. In het vierde lid komt de aanhef te luiden:

  • In afwijking van het derde lid kan voor het verspreiden van baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder f of i, van het besluit, voor het bodemonderzoek worden volstaan met een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5717, indien daaruit is gebleken dat de baggerspecie niet afkomstig is van oppervlaktewateren in de gebieden:.

F

Artikel 4.3.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid wordt na het vijfde lid een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onder a, geldt alleen, indien:

    • a. uit een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725, voor zover het de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, betreft, of NEN 5717, voor zover het de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam betreft, is gebleken dat de bodem waarop de milieuhygiënische verklaring betrekking heeft, is gelegen binnen de bodemkwaliteitszone die op de bodemkwaliteitskaart is aangegeven, en

    • b. uit een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725, onderscheidenlijk NEN 5717, is gebleken dat de bodem waarop de milieuhygiënische verklaring betrekking heeft niet afwijkt van de kwaliteit die op de bodemkwaliteitskaart is aangegeven.

2. Het zevende lid (nieuw) komt te luiden:

  • 7. Het bepaalde in het vierde lid, aanhef en onder b, geldt alleen, indien:

    • a. de toepassingslocatie en de plaats van herkomst van de grond of baggerspecie gelegen zijn binnen het gebied waarop de bodemkwaliteitskaart betrekking heeft, of

    • b. de grond of baggerspecie afkomstig is van een bodembeheergebied, dat op grond van artikel 47 van het besluit als basis kan dienen voor milieuhygiënische verklaringen, en daarbinnen wordt toegepast, en

    • c. voor alle gemeten stoffen de P95 van de bodemkwaliteitszone van de plaats van herkomst van de grond of baggerspecie op de toepassingslocatie niet leidt tot een overschrijding van de waarden, bedoeld in artikel 44, tweede lid, onder c, van het besluit, hetgeen wordt berekend met behulp van de risicomodule, bedoeld in artikel 4.8.1,

    • d. uit een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725, onderscheidenlijk NEN 5717, is gebleken dat de partij grond of baggerspecie, waarop de milieuhygiënische verklaring betrekking heeft, afkomstig is uit het toepassingsgebied dat op de bodemkwaliteitskaart is aangegeven, en

    • e. uit een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725, onderscheidenlijk NEN 5717, is gebleken dat de partij grond of baggerspecie waarop de milieuhygiënische verklaring betrekking heeft, niet afwijkt van de kwaliteit die op de bodemkwaliteitskaart is aangegeven.

G

In de artikelen 4.3.6 en 4.3.7 wordt ‘artikel 4.3.3, eerste, tweede en vierde lid’ vervangen door ‘artikel 4.3.3, eerste tot en met vierde en zesde lid’.

H

Na artikel 5.1.10a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.1.10b

  • 1. Tot 1 januari 2020 is het toegestaan om ten behoeve van het afgeven van een milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de bodem of van de toe te passen grond of baggerspecie gebruik te maken van de resultaten van een vooronderzoek dat, in afwijking van artikel 4.3.3, 4.3.4, onderscheidenlijk 4.3.5, is verricht overeenkomstig NEN 5725:2009, onderscheidenlijk 5717:2009, en heeft plaatsgevonden voor 1 januari 2019.

  • 2. Van de normdocumenten, genoemd in het eerste lid, worden de volgende uitgaven bedoeld:

    • NEN 5725:2009: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek;

    • NEN 5717:2009: Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek.

I

Bijlage C wordt vervangen door bijlage C, opgenomen in bijlage 1, behorende bij deze regeling.

J

Bijlage D wordt vervangen door bijlage D, opgenomen in bijlage 2, behorende bij deze regeling.

ARTIKEL II

Artikel 2 van de Productenregeling asbest wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid en tweede lid, wordt na ‘correctieblad van augustus 2016’ ingevoegd: en correctieblad C2:2017.

2. In het eerste en tweede lid vervalt de laatste volzin.

3. In het derde lid wordt ‘in NTA 5727, Bodem – Monsterneming en analyse van asbest in waterbodem en baggerspecie, augustus 2004, daarvoor aangegeven methode’ vervangen door ‘NEN 5720: 2017, Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek’.

ARTIKEL III

De Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 wordt als volgt gewijzigd:

1. In artikel 1, onder i en onder j, wordt na ‘correctieblad van augustus 2016’ ingevoegd ‘en correctieblad C2:2017’.

2. Artikel 43b vervalt.

ARTIKEL IV

Artikel 5 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onder d, en het vierde lid, onder a, wordt na ‘correctieblad van augustus 2016’ ingevoegd ‘en correctieblad C2:2017’.

2. Het zesde lid vervalt.

ARTIKEL V

In Bijlage 6, onder 1, behorende bij artikel 8 van de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005 wordt het begrip ‘Vooronderzoek of historisch onderzoek (NVN 5725)’ met de daarbij behorende begripsomschrijving vervangen door ‘Vooronderzoek of historisch onderzoek (NEN 5725): vooronderzoek of historisch onderzoek (NEN 5725): 2017, Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek’.

ARTIKEL VI

Artikel 2 van de Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding 1. voor het eerste lid vervalt.

2. In het eerste lid (oud) wordt na ‘correctieblad van augustus 2016’ ingevoegd ‘en correctieblad C2:2017’.

3. Het tweede lid vervalt.

ARTIKEL VII

Voetnoot 1 bij artikel 4.3, tweede lid, van de Regeling omgevingsrecht komt te luiden:

1. Nederlandse norm voor Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek.

ARTIKEL VIII

De Regeling uniforme saneringen wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 1.1, wordt als volgt gewijzigd:

  • a. In onderdeel o wordt ‘NEN 5725: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek, januari 2009’ vervangen door ‘NEN 5725: 2017, Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek’.

  • b. In onderdeel q, wordt na ‘correctieblad van augustus 2016’ ingevoegd ‘en correctieblad C2:2017’.

2. Artikel 1.5 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onder c, wordt ‘NEN 5707: 2016’ vervangen door ‘NEN 5707’.

b. Het zesde lid vervalt.

ARTIKEL IX

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer

BIJLAGE 1 BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL G, VAN DE REGELING VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT TOT WIJZIGING VAN DE REGELING BODEMKWALITEIT (ACTUALISERING VERWIJZINGEN NORMDOCUMENTEN 2018.2) EN ENKELE ANDERE MINISTERIËLE REGELINGEN (VERWIJZING NAAR NORMDOCUMENTEN)

Bijlage C, behorende bij de artikelen 2.1 en 2.2

Indien in de tabel voor een categorie van werkzaamheden een normdocument of een onderdeel van een normdocument in de derde kolom, onderscheidenlijk vierde kolom, cursief is weergegeven, geschiedt de aanwijzing van dat normdocument of onderdeel daarvan uitsluitend ten behoeve van de toepassing van de artikelen 9 en 15 van het Besluit bodemkwaliteit.

Indien in de tabel voor een categorie van werkzaamheden een normdocument of een onderdeel van een normdocument in de derde kolom, onderscheidenlijk vierde kolom, dikgedrukt is weergegeven, geschiedt de aanwijzing van dat normdocument of onderdeel daarvan uitsluitend ten behoeve van de toepassing van artikel 18 van het besluit (de wijze van uitvoering van een werkzaamheid). De aanwijzing heeft dan betrekking op essentiële eisen.

Categorie

Werkzaamheden

Normdocumenten

Certificatie- en accreditatierichtlijnen

Onderdelen

1

Aanleg van bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a.

BRL SIKB 7700 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, te gebruiken.

Protocol 7701 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening met prefab betonnen elementen, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, te gebruiken.

Protocol 7702 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening van beton, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, te gebruiken.

Protocol 7703 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening met bitumineus materiaal, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, te gebruiken.

Protocol 7704 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte kunstharsgebonden beschermlaag, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014, te gebruiken.

Protocol 7711 – Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voegafdichting, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 30 oktober 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, te gebruiken.

2

Afgeven van kwaliteitsverklaringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b

BRL 1004-01 Kalkzandsteen, versie van 25 mei 2016.

 
   

BRL 1328-03 Pleistersystemen, versie van 30 juni 2016.

 
   

BRL 2307-2 AEC-bodemas voor ongebonden toepassing in grond en wegenbouwkundige werken, versie van 13 mei 2015.

 
   

BRL 2506-2 Recyclinggranulaten, versie van 30 juni 2016.

 
   

BRL 5068 Cellenbeton voor toepassing in buitenwanden (type B-wanden) in bouwwerken, versie van 5 juli 1999, met wijzigingsblad van 9 juni 2016.

 
   

BRL 5070 Vooraf vervaardigde betonproducten, versie van 16 april 2015.

 
   

BRL 5071 Vooraf vervaardigde vezelcement producten, versie van 16 april 2015.

 
   

BRL 5076 Vooraf vervaardigde polymeerbeton producten, versie van 16 april 2015.

 
   

BRL 5077 vooraf vervaardigde geopolymeerbeton producten/ geopolymeerbeton voor ter plaatse gestorte producten, versie van 15 april 2017.

 
   

BRL 52230 Keramische producten, versie van 22 april 2015.

 
   

BRL 9301 Mijnsteen voor GWW-werken, versie van 25 februari 2016.

 
   

BRL 9302-2 E-bodemas in ongebonden toepassing, versie van 8 mei 2015.

 
   

BRL 9313 Zand uit dynamische wingebieden, versie van 29 november 2012, met wijzigingsblad van 13 mei 2015.

 
   

BRL 9315 De milieuhygiënische kwaliteit van geëxpandeerde kleikorrels voor ongebonden toepassing in werken, versie van 9 april 2008.

 
   

BRL 9317 Poreus gesteente van vulkanische oorsprong, versie van 13 mei 2015.

 
   

BRL 9319 De milieuhygiënische kwaliteit van drinkwaterreststoffen voor toepassing in grondwerken, versie van 31 augustus 2009.

 
   

BRL 9320 Bitumineus gebonden mengsels, versie van 24 april 2009, met wijzigingsblad van 19 juni 2017.

 
   

BRL 9321 Milieuhygiënische kwaliteit van industriezand en (gebroken) industriegrind, versie van 4 november 2014.

 
   

BRL 9322 Mengsels van cementgebonden minerale reststoffen, versie van 1 maart 2016 met wijzigingsblad van 2 september 2016.

 
   

BRL 9324 Groevesteen in ongebonden toepassing, versie van 13 mei 2015.

 
   

BRL 9326 Schelpen, versie van 15 september 2011, met wijzigingsblad van 13 mei 2015.

 
   

BRL 9327 Milieuhygiënische kwaliteit van bitumineuze afdichtingsmaterialen voor toepassing in waterkerende en waterafdichtingssystemen, versie van 30 maart 2017.

 
   

BRL 9335 Grond, versie van 22 juni 2017, en de bijbehorende SIKB- protocollen 9335-1, 9335-2 en 9335-4, versie van 22 juni 2017. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 12 september 2014 met bijbehorende protocollen, alle met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen ILT-toezicht uit BRL 9335, SIKB Protocol 9335-1, SIKB Protocol 9335-2 onderscheidenlijk SIKB Protocol 9335-4, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

 
   

BRL 9336 Milieuhygiënische kwaliteit van E-Vliegas in ongebonden toepassing, versie van 4 november 2014.

 
   

BRL 9337 De milieuhygiënische kwaliteit van polymeergebonden steenslag voor toepassing in GWW-werken, versie van 2 november 2009.

 
   

BRL 9338 Cementgebonden mortel, versie van 17 juni 2016.

 
   

BRL 9339 De milieuhygiënische kwaliteit van duurzaam waterglasgebonden grond voor in situ toepassing in bouwkundige en civieltechnische werken, versie van 26 mei 2015.

 
   

BRL 9341 Steenachtige substraten, versie van 25 februari 2016.

 
   

BRL 9345 Slakken en slakmengsels voor toepassing in GWW-werken, versie van 7 oktober 2015.

 

3

Analyse van bouwstoffen, grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c

NEN-EN-ISO/IEC 17025 Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, versie van 2005 +C1:2007.

 
   

AP 04-A, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Algemeen, versie 9, vastgesteld op 23 juni 2016.

 
   

AP 04-V, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Monstervoorbehandeling, versie 10, vastgesteld op 23 juni 2016.

 
   

AP 04-SG, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Samenstelling grond, versie 12, vastgesteld op 23 juni 2016.

Pakket SG1.

Pakket SG2.

Pakket SG3.

Pakket SG4.

Pakket SG5.

Pakket SG6.

Pakket SG8.

   

AP 04-SB, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Samenstelling bouwstoffen (niet zijnde grond en afvalstoffen), versie 9, vastgesteld op 23 juni 2016.

Pakket SB1.

Pakket SB3.

Pakket SB4.

Pakket SB5.

   

AP 04-U, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Uitloogonderzoek, versie 9, vastgesteld op 23 juni 2016.

Pakket U1.

Pakket U2.

Pakket U3.

   

AP 04-E, Accreditatieprogramma voor keuring van partijen grond, bouwstoffen en korrelvormige afvalstoffen, onderdeel Analyse van eluaten, versie 9, vastgesteld op 23 juni 2016.

4

Analyse voor milieuhygiënisch bodemonderzoek, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d

NEN-EN-ISO/IEC 17025 Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, versie van 2005 + C1:2007.

   

AS SIKB 3000, Accreditatieschema Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek, versie 7, vastgesteld op 23 juni 2016.

Protocol 3001, Conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters, versie 5 van 2 oktober 2014.

Protocollen 3010 t/m 3090, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek (grond), versie 8, vastgesteld op 23 juni 2016.

Protocollen 3110 t/m 3190, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek (grondwater), versie 7, vastgesteld op 23 juni 2016.

Protocollen 3210 t/m 3290, Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek (waterbodem), versie 5, vastgesteld op 23 juni 2016.

5

Bewerking van verontreinigde grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e

BRL SIKB 7500, Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 7500, Protocol 7510:

Thermische reiniging;

Extractieve reiniging/bewerking;

- Eenvoudige procesmatige zandscheiding van (zandige) baggerspecie;

Biologische reiniging/ behandeling (incl. landfarming);

Koude immobilisatie;

Fysische scheiding (nat of droog zeven).

De essentiële eisen ILT-toezicht uit BRL SIKB 7500, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

Protocol 7510, Procesmatige ex situ reiniging/bewerking en immobilisatie van grond en baggerspecie, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

Protocol 7511, Ontwateren en rijpen van baggerspecie, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.0.1, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen ILT-toezicht uit Protocol 7510, onderscheidenlijk Protocol 7511, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

6

Certificering van personen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f

NEN-EN-ISO/IEC 17065:2012, Conformiteitsbeoordeling-Eisen voor certificatie-instellingen die certificaten toekennen aan producten, processen en diensten en een of meerdere normdocumenten die zijn opgenomen in deze tabel met uitzondering van de normdocumenten die zijn opgenomen bij categorie 2.

 

7

Periodieke inspectie van bodembeschermende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g

AS SIKB 6700 – Inspectie bodembeschermende voorzieningen, versie 3.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, toe te passen.

Protocol 6701 – Visuele inspectie vloeistofdichtheid, versie 3.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, toe te passen.

Protocol 6702 – Geo-elektrische meting vloeistofdichtheid, versie 3.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015, toe te passen.

Protocol 6703 – Hydrologische meting vloeistofdichtheid, versie 3.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015, toe te passen.

Protocol 6704 – Meten vloeistofdichtheid met luchttestsysteem, versie 2.0, vastgesteld op 19 februari 2015.

Protocol 6711 – Visuele inspectie vloeistofdichtheid minerale lagen, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.0, vastgesteld op 19 februari 2015, toe te passen.

8

Milieukundige begeleiding, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h

BRL SIKB 6000, Beoordelingsrichtlijn Milieukundige begeleiding van (water)bodemsaneringen, ingrepen in de waterbodem en nazorg, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.2, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen. De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 6000:

– Verificatie;

– Processturing

De essentiële eisen ILT-toezicht uit BRL SIKB 6000, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

Of

BRL SIKB 7000 – Uitvoering van (water)bodemsaneringen en

ingrepen in de waterbodem, versie 6.0, vastgesteld op

1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 5, vastgesteld op 19 juni 2014, met

wijzigingsblad van 12 februari 2015, toe te passen.

De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 7000:

– Processturing.

Protocol 6001, Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met conventionele methoden en nazorg, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.0, vastgesteld op 13 december 2012, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

Protocol 6002, Milieukundige begeleiding van landbodemsanering met in situ methoden en nazorg, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.0, vastgesteld op 13 december 2012, met wijzigingsblad 10 maart 2016, toe te passen.

Protocol 6003, Milieukundige begeleiding van ingrepen in de waterbodem en uitvoering van waterbodemsaneringen, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.2, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

Dezelfde documenten als bij onderdeel verificatie

De essentiële eisen ILT-toezicht uit Protocol 6001, Protocol 6002, onderscheidenlijk Protocol 6003, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

Of

Protocol 7002 – Uitvoering van landbodemsaneringen met in situ methoden, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.3, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

9

Monsterneming bij partijkeuringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i (zie noot)

BRL SIKB 1000, Beoordelingsrichtlijn Monsterneming voor partijkeuringen, versie 9.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 8.2, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

of

AS SIKB 1000, Accreditatieschema Monsterneming voor partijkeuringen, versie 1.1, vastgesteld op 4 maart 2010 met wijzigingsblad van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 4 maart 2010, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen ILT-toezicht uit BRL SIKB 1000, onderscheidenlijk AS SIKB 1000, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

Protocol 1001, Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie, versie 9.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.1, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen. Protocol 1002, Monsterneming voor partijkeuringen niet-vormgegeven bouwstoffen, versie 9.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.1, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen. Protocol 1003, Monsterneming voor partijkeuringen vormgegeven bouwstoffen, versie 9.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.1, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen ILT-toezicht uit Protocol 1001, Protocol 1002, onderscheidenlijk Protocol 1003, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

10

Produceren van bouwstoffen, grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder j

De normdocumenten die bij categorie 2 zijn opgenomen.

 

11

Uitvoering van een sanering van de bodem, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder k

BRL SIKB 7000 – Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 5, vastgesteld op 19 juni 2014, met wijzigingsblad van 12 februari 2015, toe te passen.

Protocol 7001 – Uitvoering van landbodemsanering met conventionele methoden, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.2, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

Protocol 7002 – Uitvoering van landbodemsaneringen met in situ methoden, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.3, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

Protocol 7003 – Uitvoering van waterbodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.2, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

Protocol 7004 – Tijdelijk uitplaatsen van grond, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.1, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

12

Veldwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l (zie noot)

BRL SIKB 2000, Beoordelingsrichtlijn Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 5, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

of

AS SIKB 2000, Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, vastgesteld op 7 februari 2014 met wijzigingsblad van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.8, vastgesteld op 7 februari 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen ILT-toezicht uit BRL SIKB 2000, onderscheidenlijk AS SIKB 2000, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

Protocol 2001, Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.2, vastgesteld op 12 december 2013, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

Protocol 2002, Het nemen van grondwatermonsters, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4, vastgesteld op 12 december 2013, toe te passen.

Protocol 2003, Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 2.2, vastgesteld op 10 maart 2016, toe te passen.

Protocol 2018, Maaiveld inspectie en monsterneming van asbest in bodem, versie 6.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.2, vastgesteld 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen ILT-toezicht uit Protocol 2001, Protocol 2002, Protocol 2003, onderscheidenlijk Protocol 2018, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

13

Verwijderen, onklaar maken, reparatie en installeren van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder m.

BRL-K902, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor Tanksanering HBO/diesel, KIWA Nederland B.V., versie 04, vastgesteld op 26 juli 2011 met wijzigingsbladen van 14 september 2012 en 29 mei 2015.

   

BRL-K903, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor de Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties, KIWA Nederland B.V., versie 08, vastgesteld op 1 februari 2011 met wijzigingsbladen van 15 december 2011, 1 januari 2013, 14 februari 2014, 1 april 2015 en 21 september 2015.

 
   

BRL K904, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor Tanksaneringen, KIWA Nederland B.V., versie 4, vastgesteld op 15 juni 2016.

 
   

BRL K905, Beoordelingsrichtlijn voor het Kiwa procescertificaat voor Tankreiniging, KIWA Nederland B.V., versie 3 vastgesteld op 1 maart 2016.

 

14

Beoordeling en keuring van ondergrondse opslagtanks, leidingen en appendages en daarbij behorende voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder n.

AS SIKB 6800 – Controle en keuring tank(opslag)installaties, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3 vastgesteld op 20 februari 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, toe te passen.

Protocol 6801 – Controle bekleding en kathodische bescherming van ondergrondse tanks en ondergronds leidingwerk behorende bij onder- of bovengrondse tanks, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 20 februari 2014, toe te passen.

Protocol 6802 – Controle op water/bezinksel/micro-organismen in onder- en bovengrondse tanks, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld 20 februari 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, toe te passen.

Protocol 6803 – Controle aarding en potentiaalvereffening, van ondergrondse tanks en ondergronds leidingwerk behorende bij onder- of bovengrondse tanks, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 20 februari 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, toe te passen.

Protocol 6811 – Keuring van ondergrondse tanks of ondergronds leidingwerk behorende bij onder- of bovengrondse tanks; uitvoeren bodemweerstandsmeting, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.3, vastgesteld op 20 februari 2014, met wijzigingsblad van 18 februari 2016, toe te passen.

15

Inspecteren van de aanleg van een werk met isolerende voorzieningen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder o.

AS SIKB 6900, Accreditatieschema Inspectie werk met IBC-bouwstof, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.0, vastgesteld op 28 februari 2013 met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

Protocol 6901, Inspectie bij aanleg IBC-werk, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.0, vastgesteld op 28 februari 2013, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

16

Aanbrengen van isolerende voorzieningen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder p.

BRL 1148, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor aanleg van afdichtingslagen met zandbentonietpolymeergel mengsel, 7 april 2014.

   

BRL 1149, Nationale Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO procescertificaat voor verwerken van kunststof folie, 14 juni 2002, met wijzigingsblad van 21 maart 2005.

 

17

Controle van de staat van een werk, bedoeld in artikel 2.1., eerste lid, onder q.

AS SIKB 6900, Accreditatieschema Inspectie werk met IBC-bouwstof, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.0, vastgesteld op 28 februari 2013, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

Protocol 6902, Controle staat van het IBC-werk, versie 2.0, vastgesteld op 15 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 1.0, vastgesteld op 28 februari 2013, met wijzigingsblad van 30 oktober 2014, toe te passen.

18

Samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder r.

BRL 9335 Grond, versie van 22 juni 2017 en de bijbehorende SIKB protocollen 9335-1, 9335-2 en 9335-4, versie van 22 juni 2017. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 12 september 2014 met bijbehorende protocollen, alle met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen ILT-toezicht uit BRL 9335, zoals aangegeven in het document Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

Of

BRL SIKB 7500, Beoordelingsrichtlijn Bewerken van verontreinigde grond en baggerspecie, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen van BRL SIKB 7500, zoals aangegeven in BRL SIKB, Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016, toe te passen.

SIKB protocol 9335-1, versie van 22 juni 2017. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 5 september 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

SIKB protocol 9335-2, versie van 22 juni 2017. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 5 september 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

SIKB protocol 9335-4, versie van 22 juni 2017. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 5 september 2014 met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen van SIKB Protocol 9335-1, SIKB Protocol 9335-2 onderscheidenlijk SIKB Protocol 9335-4, zoals aangegeven in Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

Of

Protocol 7510, Procesmatige ex situ reiniging van grond en baggerspecie, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 4.0, vastgesteld op 17 april 2014, met wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

Protocol 7511, Ontwateren en rijpen van baggerspecie, versie 5.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.0.1, vastgesteld op 12 december 2013, met Wijzigingsblad van 10 maart 2016, toe te passen.

De essentiële eisen van Protocol 7510, onderscheidenlijk Protocol 7511, zoals aangegeven in het document, Essentiële eisen ILT-toezicht; Essentiële eisen voor publiek toezicht op de erkenningsregeling bodembeheer door Inspectie Leefomgeving en Transport, versie van 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de versie van 6 oktober 2016 toe te passen.

19

Mechanisch boren in de bodem, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder s.

BRL SIKB 2100, Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren, versie 4.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.3, vastgesteld op 16 april 2015, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015, toe te passen.

De volgende werkgebieden, worden onderscheiden in BRL SIKB 2100:

– mechanische boringen zonder waterdruk;

– mechanische boringen met waterdruk;

– mechanische luchtliftboringen.

Protocol 2101, Mechanisch boren, versie 4.0, vastgesteld op 1 februari 2018. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om versie 3.3, vastgesteld op 16 april 2015, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015, toe te passen.

20

Keuren van mestbassins en afdekkingen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder t.

Beoordelingsrichtlijn BRL 2344 voor het Kiwa procescertificaat voor het verlengen van de referentieperiode voor mestbassins en afdekkingen voor mestbassins, KIWA Nederland B.V., versie van 20 april 2017.

21

Ontwerpen, installeren, beheren en onderhouden van het ondergrondse deel van bodemenergiesystemen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel u.

BRL SIKB 11000, Beoordelingsrichtlijn Ontwerp, Realisatie, Beheer en onderhoud ondergrondse deel bodemenergiesystemen, versie 2.0, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015. De volgende werkgebieden worden onderscheiden in BRL SIKB 11000:

1a. Ontwerpen op hoofdlijnen van open bodemenergiesystemen;

1b. Ontwerpen op hoofdlijnen van gesloten bodemenergiesystemen;

2a. Ontwerpen in detail van open bodemenergiesystemen;

2b. Ontwerpen in detail van gesloten bodemenergiesystemen;

3a. Installeren van open bodemenergiesystemen;

3b. Installeren van gesloten bodemenergiesystemen;

4a. Beheren en onderhouden van open bodemenergiesystemen;

4b. Beheren en onderhouden van gesloten bodemenergiesystemen.

Protocol 11001, Ontwerp, Realisatie, Beheer en onderhoud ondergrondse deel bodemenergiesystemen, versie 2.0, vastgesteld op 2 oktober 2014, met wijzigingsblad van 8 oktober 2015.

22

Ontwerpen, installeren en beheren van het bovengrondse deel van bodemenergiesystemen bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel v.

BRL KvINL 6000 Deel 21/00, Beoordelingsrichtlijn voor het KvINL procescertificaat voor ‘ontwerpen, installeren en beheren van installaties’, Deelgebied ontwerpen en installeren van energiecentrales van bodemenergiesystemen en het beheren van bodemenergiesystemen, versie van 1 september 2017. Tot 1 april 2020 is het toegestaan om de volgende normdocumenten te gebruiken:

BRL KBI 6000 Deel 00, Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO INSTAL certificaat voor Ontwerpen, Installeren en Beheren van Installaties, Algemeen deel, vastgesteld op 30 april 2013, met wijzigingsblad van 30 september 2013

En

BRL 6000 Deel 21, Beoordelingsrichtlijn voor het KOMO INSTAL certificaat voor Ontwerpen, Installeren en Beheren van energiecentrales van bodemenergiesystemen, versie van 23 januari 2014 met wijzigingsblad van 1 september 2014.

De volgende subdeelgebieden worden onderscheiden in BRL KvINL 6000 Deel 21/00:

1. Ontwerpen van energiecentrales van bodemenergiesystemen van individuele woningen(ontwerpen, klein);

2. Installeren van energiecentrales van bodemenergiesystemen van individuele woningen(installeren, klein);

3. Beheren van bodemenergiesystemen van individuele woningen (beheren, klein);

4.Ontwerpen van energiecentrales van bodemenergiesystemen van woongebouwen en/of utiliteitsgebouwen (ontwerpen, groot);

5. Installeren van energiecentrales van bodemenergiesystemen van woongebouwen en/of utiliteitsgebouwen (installeren, groot);

6. Beheren van bodemenergiesystemen van woongebouwen en/of utiliteitsgebouwen (beheren, groot).

ISSO-publicatie 39

Energiecentrale met warmte- en koudeopslag (WKO). Ontwerp, realisatie en beheer, vastgesteld op 1 juni 2017.

ISSO-publicatie 44 Het ontwerp van hydraulische schakelingen voor verwarmen, vastgesteld op 5 november 1998.

ISSO-publicatie 47 Ontwerp hydraulische schakelingen voor koelen, vastgesteld op 17 maart 2005.

ISSO-publicatie 69 Model voor de beschrijving van de werking van een klimaatinstallatie, vastgesteld op 8 november 2002.

ISSO-publicatie 72

Ontwerp van individuele en klein elektrische warmtepomp-systemen voor woningen, vastgesteld op 1 juni 2017.

ISSO-publicatie 73 Ontwerp en uitvoering van verticale bodemwarmtewisselaars, vastgesteld op 1 juni 2017.

ISSO-publicatie 76 Montage- en materiaalspecificaties voor warmwater-verwarmingsinstallaties, vastgesteld op 24 mei 2005.

ISSO-publicatie 80 Handboek integraal ontwerpen van collectieve installaties met warmtepompen in woningbouw, vastgesteld op 1 juni 2017.

Noot

Onder een werkzaamheid als bedoeld in categorie 9 (monsterneming bij partijkeuringen, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i) en categorie 12 (veldwerk, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder l) wordt niet verstaan het assisteren van een medewerker van een persoon of instelling die voor die werkzaamheid is erkend, bij het verrichten van handelingen ten behoeve van een werkzaamheid als in de aanhef bedoeld, een zodanige werkzaamheid waarvoor die medewerker op de erkenning is vermeld, voor zover:

a. de assistentie plaatsvindt onder toezicht en verantwoordelijkheid van de medewerker als in de aanhef bedoeld,

b. niet tegelijkertijd ook door een andere persoon assistentie wordt verleend, en

c. het activiteiten betreft die de assistent blijkens de BRL SIKB 1000 of de BRL SIKB 2000 mag verrichten.

BIJLAGE 2 BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL H, VAN DE REGELING VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT TOT WIJZIGING VAN DE REGELING BODEMKWALITEIT (ACTUALISERING VERWIJZINGEN NORMDOCUMENTEN 2018.2) EN ENKELE ANDERE MINISTERIËLE REGELINGEN (VERWIJZING NAAR NORMDOCUMENTEN)

Bijlage D

Overzicht normdocumenten en onderzoeksprotocollen

I. Normdocumenten

Van de normdocumenten waarnaar in deze regeling wordt verwezen, worden de volgende uitgaven bedoeld:

  • ASTM -norm D 3682-13 Standard test method for major and minor elements in combustion residues from coal utilization processes, 2013, verkrijgbaar via de website van NEN (www.NEN.nl)

  • CROW-publicatie 125, Werken met de richtlijn IBC-maatregelen – Evaluatie van reguliere werken en ervaringsprojecten, 1 april 1998

  • CROW publicatie 144, Toetsingskader IBC-maatregelen, maart 2000

  • CUR-Aanbeveling 49, Bentonietmatten in bodembeschermende voorzieningen, 1 juni 1997

  • CUR-Aanbeveling 50, Bentonietmatten in bodembeschermende voorzieningen, 1 november 1997

  • HCB 2009-200 Bouwsectorspecifieke procedures en eisen voor beoordelingsrichtlijnen en kwaliteitsverklaringen van de collectieve merken van SBK, februari 2009

  • NEN 5104, Geotechniek – Classificatie van onverharde grondmonsters, 1 september 1989

  • NEN 5707, Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, augustus 2015, met correctieblad van augustus 2016 en correctieblad C2:2017

  • NEN 5717: 2017, Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek

  • NEN 5720: 2017, Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek

  • NEN 5725: 2017, Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek

  • NEN 5740, Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, januari 2009, met wijzigingsblad van 1 februari 2016

  • NEN 5753, Bodem - Bepaling van het lutumgehalte en de korrelgrootteverdeling in grond en waterbodem met behulp van zeef en pipet, juni 2009

  • NEN 5754, Bodem-Berekening van het gehalte aan organische stof volgens de gloeiverliesmethode, oktober 2014

  • NPR 6416, Atomaire-absorptiespectrometrie – Vlamtechniek – Algemene richtlijnen, juni 1995

  • NPR 6417, Atomaire-absorptie-spectrometrie – Grafietoventechniek – Algemene richtlijnen, juli 1997

  • NEN 7300 Ontw., Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Algemene aanwijzingen, november 1999

  • NVN 7301 Ontw., Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Monsterneming van korrelvormige materialen uit materiaalstromen, november 1999

  • NVN 7302 Ontw., Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Monsterneming van korrelvormige materialen uit statische partijen, november 1999

  • NVN 7303 Ontw., Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monsterneming – Monsterneming van vormgegeven en monolitische materialen, november 1999

  • NEN 7310, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monstervoorbehandeling – Algemene aanwijzingen, juni 1995

  • NVN 7311, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monstervoorbehandeling – Monsteropslag en -conservering, juni 1995

  • NVN 7312, Uitloogkarakteristieken van vaste grond- en steenachtige bouwmaterialen en afvalstoffen – Monstervoorbehandeling – Monstervoorbehandeling voor de bepaling van het uitlooggedrag en het gehalte van anorganische componenten, juli 1995

  • NEN 7371, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de beschikbaarheid voor uitloging van anorganische componenten – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN 7373, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de uitloging van anorganische componenten uit poeder- en korrelvormige materialen met een kolomproef – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN 7375, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de uitloging van anorganische componenten uit vormgegeven en monolitische materialen met een diffusieproef – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN 7383, Uitloogkarakteristieken – Bepaling van de cumulatieve uitloging van anorganische componenten uit poeder- en korrelvormige materialen met een vereenvoudigde procedure voor de kolomproef – Vaste grond- en steenachtige materialen, januari 2004

  • NEN-ISO 3310-2, Controlezeven – Technische eisen en beproevingen – Deel 2: Geperforeerde plaatzeven, september 1999

  • NEN-EN 13383-1, Waterbouwsteen – Deel 1: Specificatie, juni 2002

  • NEN-EN 13383-2, Waterbouwsteen – Deel 2: Beproevingsmethoden, mei 2002

  • SIKB, Werkvoorschrift beoordelen ontwerp IBC-werk, 30 mei 2013

II. Richtlijnen voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten
  • Richtlijn voor het opstellen van bodemkwaliteitskaarten, 3 september 2007, met het wijzigingsblad van 1 januari 2019.

III. Werkvoorschriften
  • Rapport Toepassing bitumenemulsie als diffusieremmende constructie tussen minerale afdichting en AVI-bodemas, mei 2003.

TOELICHTING

Algemeen

1. Hoofdlijnen

De Regeling bodemkwaliteit geeft een technische invulling van de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Hierin is onder andere geregeld op welke wijze de kwaliteit van bouwstoffen, grond en baggerspecie wordt bepaald en aan de daarvoor geldende normen wordt getoetst.

Voorts geeft de Regeling bodemkwaliteit invulling aan de regels met betrekking tot de kwaliteitsborging in het bodembeheer, in de praktijk Kwalibo genoemd. Bepaalde werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door erkende personen of bedrijven. In de Regeling bodemkwaliteit zijn deze werkzaamheden aangewezen. Daarbij wordt voor elke werkzaamheid aangegeven volgens welke normdocumenten de werkzaamheid moet worden verricht. Deze normdocumenten staan in bijlage C van de Regeling bodemkwaliteit. Hierin wordt per werkzaamheid nader beschreven wat de werkzaamheid concreet inhoudt. Deze beschrijving valt altijd binnen de aangewezen categorie waarop het normdocument betrekking heeft.

De normdocumenten vormen vervolgens de grondslag voor het verlenen van accreditaties, certificaten en erkenningen. Zij worden door het bedrijfsleven (zowel uitvoerend als betalend) en de overheid samen opgesteld. Met uitvoerend bedrijfsleven wordt in dit verband gedoeld op de bedrijven die de werkzaamheden uitvoeren (een bureau dat het onderzoek uitvoert). Met betalend bedrijfsleven wordt gedoeld op bedrijven die opdracht geven om werkzaamheden uit te voeren. Dit systeem beperkt de administratieve lasten voor bedrijven tot een minimum. Het stelsel van beoordelingsrichtlijnen, kwaliteitsverklaringen en certificaten levert onder meer een wettelijk bewijsmiddel dat is voldaan aan de toepasselijke eisen van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit.

Normdocumenten zijn niet statisch. Innovaties en veranderende inzichten kunnen aanleiding geven tot aanpassing van deze documenten. Een nadrukkelijke wens van het bedrijfsleven is dat de Regeling bodemkwaliteit hierop aansluit, zodat in de uitvoeringspraktijk kan worden gewerkt volgens de laatste inzichten en technieken. In verband hiermee wordt de Regeling bodemkwaliteit periodiek geactualiseerd. Hierdoor wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van de doelstelling van Kwalibo dat werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de stand van de techniek en met oog voor het belang van de bescherming van het milieu door bedrijven die in staat zijn om de werkzaamheden naar behoren uit te voeren. De actualisaties van de normdocumenten hebben geen gevolgen voor het niveau van de bescherming van het milieu. Actuele normdocumenten dragen bij aan een verbetering van de uitvoeringspraktijk alsmede toezicht en de handhaving. Daarmee wordt bijgedragen aan het realiseren van de milieudoelen van het besluit.

Met de onderhavige wijziging van de Regeling bodemkwaliteit (hierna: wijzigingsregeling) vindt het tweede deel van de periodieke actualisatie van 2018 plaats. Het bleek niet mogelijk om de beoogde wijzigingsregeling, zoals die in de internetconsultatie voor inspraak was voorgelegd1, in één keer door te voeren. Daarom is de voorgenomen wijzigingsregeling gesplitst in een deel 1 (wijzigingsregeling 2018.1) en het onderhavige deel 2 (wijzigingsregeling 2018.2). Bij wijzigingsregeling 2018.1 van 16 juli 20182 zijn al enkele actualisaties doorgevoerd. Deze hadden betrekking op actualisaties in de bijlagen B, C en L. In bijlage C zijn in categorie 2 nieuwe versienummers van BRL 9320, BRL 9327, BRL 5077 en BRL-K903 opgenomen. Daarnaast zijn verwijzingen naar normdocumenten in de categorieën 3 en 19 opgenomen. Voor de toelichting hierbij wordt verwezen naar de toelichting bij wijzigingsregeling 2018.1. De onderhavige regeling, wijzigingsregeling 2018.2, houdt eveneens verband met wijzigingen van diverse normdocumenten, genoemd in bijlage C. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel H.

In dit verband is in het bijzonder een wijziging van een normdocument over de splitsing van samengevoegde partijen grond of baggerspecie van belang. Hierop wordt uitgebreider ingegaan in paragraaf 2.

Daarnaast bevat de wijzigingsregeling een actualisatie van de normdocumenten in bijlage D, waarin een overzicht van in de Regeling bodemkwaliteit gebruikte normdocumenten en onderzoeksprotocollen is opgenomen. Voor een overzicht van de wijzigingen wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel I.

Met de wijzigingsregeling worden in verband met de actualisatie van de normdocumenten voor asbest behalve de Regeling bodemkwaliteit tevens enkele andere regelingen aangepast, waarin naar die normdocumenten wordt verwezen, namelijk de Productenregeling asbest, de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006, de Regeling Europese afvalstoffenlijst, de Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer, de Regeling uniforme saneringen, de Regeling omgevingsrecht en de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005.

Voorts worden met de wijzigingsregeling in paragraaf 4.3 van de Regeling bodemkwaliteit enkele wijzigingen aangebracht, waarmee wordt beoogd om beter te waarborgen dat passend vooronderzoek wordt verricht ten behoeve van het opstellen en gebruiken van een milieuhygiënische verklaring overeenkomstig de aangewezen normdocumenten. Dit wordt toegelicht in paragraaf 3.

Tenslotte wordt in de wijzigingsregeling naar aanleiding van signalen uit de praktijk over het verondiepen van diepe plassen verduidelijkt wat wordt verstaan onder grond en baggerspecie waarop het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is. Uit deze signalen blijkt dat er in toegepaste partijen grond of baggerspecie grote hoeveelheden bodemvreemd materiaal, met name plastics en piepschuim, kunnen voorkomen. Het beleid is erop gericht om verdere verspreiding van macro- en microplastics in het milieu te voorkomen. Het is daarom ongewenst dat er in toegepaste partijen grond en baggerspecie onnodig plastic voorkomt. Daarom heeft de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat bij brief van 6 november 2018 aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangekondigd dat de Regeling bodemkwaliteit zal worden aangepast.3 De wijziging van artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit (het nieuwe tweede lid) geeft ter uitvoering van dat voornemen duidelijkheid over de (niet) toegestane aanwezigheid van bodemvreemde materialen in toe te passen grond en baggerspecie. Er mag maximaal 20 gewichtsprocenten hout en steenachtige materialen aanwezig zijn. Ander bodemvreemd materiaal, zoals plastics en piepschuim mag slechts sporadisch aanwezig zijn. Daarbij moet grond en baggerspecie zorgvuldig worden ontgraven of bewerkt, zodat er zo min mogelijk bodemvreemd materiaal in de grond of baggerspecie terecht komt. Voor zover in de grond of baggerspecie bodemvreemd materiaal aanwezig is, moet dat vóór het toepassen daaruit worden verwijderd, voor zover dat redelijkerwijs kan worden gevergd.

Met deze wijziging wordt invulling gegeven aan de motie van de leden Van Eijs c.s..4

De voorgenomen wijziging van bijlage A, die was opgenomen in de versie van de wijzigingsregeling waarover de internetconsultatie heeft plaatsgevonden, die betrekking had op de norm voor minerale olie voor toepassing in bovenafdichtingen van stortplaatsen, gaat niet door. Naar aanleiding van de reacties in het kader van de internetconsultatie is geconcludeerd dat het belang van de bescherming van de bodem zich verzet tegen een tijdelijke verhoging van de norm voor minerale olie van 500 mg/kg droge stof die in het Besluit Bodemkwaliteit is gesteld.

Alle wijzigingen worden in de artikelsgewijze toelichting toegelicht.

2. Splitsing van samengevoegde partijen grond of baggerspecie

De BRL 9335 maakt het mogelijk dat kleine partijen grond en baggerspecie worden samengevoegd tot een grotere partij van maximaal 2000 ton. De samenvoeging mag alleen worden verricht door erkende grondbanken (hierna: certificaathouders) op de wijze die is aangegeven in artikel 4.3.2 van de Regeling bodemkwaliteit en in de BRL 9335. Kleine partijen die worden samengevoegd hoeven niet afzonderlijk te worden gekeurd en hiervoor hoeft ook geen milieuhygiënische verklaring te worden opgesteld. Alleen voor de samengevoegde partij is verplicht gesteld om deze te laten keuren en indelen in een van de bodemkwaliteitsklassen die zijn onderscheiden in het Besluit bodemkwaliteit. Deze informatie moet in de milieuhygiënische verklaring worden vermeld, die vervolgens kan worden gebruikt als bewijsmiddel dat is voldaan aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Deze regeling voorkomt dat hoge kosten moeten worden gemaakt voor keuringen van kleine partijen.

Door het samenvoegen van verschillende kleine partijen grond en baggerspecie ontstaat, ondanks de eis dat alleen partijen van vermoedelijk gelijke kwaliteitsklasse mogen worden samengevoegd, een partij met een heterogene samenstelling. Dit is een gevolg van het feit dat de partij is samengesteld uit kleinere partijen met verschillende oorsprong. Daarom is het wenselijk dat de samengevoegde partij alleen op de markt mag worden gebracht als geheel of in zo groot mogelijke deelpartijen. Hierdoor kan worden voorkomen dat deelpartijen met een van de totale partij afwijkende kwaliteit worden verhandeld.

Afnemers van de certificaathouders wensen echter soms niet de totale samengevoegde partij grond af te nemen, maar slechts deelpartijen. Om aan deze wens tegemoet te komen is onderzocht op welke wijze samengevoegde partijen verantwoord kunnen worden gesplitst, met dien verstande dat wordt voorkomen dat deelpartijen een te afwijkende kwaliteit hebben ten opzichte van de samengevoegde partij waarop de milieuhygiënische verklaring betrekking heeft. Dit is ongewenst, omdat de milieuhygiënische verklaring dan onjuiste informatie over de kwaliteit van de afgesplitste partij geeft. Hierdoor komt het vertrouwen dat de markt in gecertificeerde producten stelt, onder druk te staan.

Uit onderzoek van Deltares uit 20155 blijkt dat inderdaad het risico bestaat dat deelpartijen van samengevoegde partijen een afwijkende kwaliteit hebben. Daarom zijn in de nieuwe versie van BRL 9335 voorschriften opgenomen om bij het splitsen van samengevoegde partijen het risico op een afwijkende kwaliteit van de deelpartijen tot aanvaardbare proporties te beperken.

De nieuwe voorschriften in BRL 9335 houden in dat certificaathouders licht verontreinigde grond alleen mogen splitsen in deelpartijen van ten minste 500 ton, of, in geval de samengevoegde partij via mechanisch zeven is gehomogeniseerd, in deelpartijen van ten minste 100 ton. Dit geldt ook voor de splitsing van partijen die al eens eerder zijn gesplitst, voor zover daarbij weer van de milieuhygiënische verklaring bij de samengevoegde partij gebruik wordt gemaakt.

Daarnaast zijn certificaathouders volgens de nieuwe voorschriften verplicht om in de milieuhygiënische verklaring die aan de afnemers van grond of baggerspecie wordt verstrekt, informatie op te nemen dat de hiervoor beschreven beperkingen voor het splitsen van (deelpartijen van) een samengevoegde partij ook gelden voor de afnemers van een (deel)partij. Dit betekent dat geen partijen van minder dan 500 ton, onderscheidenlijk 100 ton, mogen ontstaan die worden geleverd met de verklaring die betrekking had op de oorspronkelijke totale samengevoegde partij

Het gaat er om dat voldoende waarborgen bestaan dat de toe te passen partij aan de kwaliteitseisen voldoet en dat de toe te passen partij voldoet aan de eis van een minimale omvang van 500/100 ton. Dit moet voor iedere houder van de partij in de keten duidelijk zijn. Iedereen mag splitsen (geen erkende activiteit) waardoor ook niet erkende bedrijven een samengevoegde partij kunnen splitsen. Daarbij moeten zij in hun nieuw af te geven milieuhygiënische verklaring voor de gesplitste partij doorverwijzen naar de oorspronkelijke partij en tevens bij de splitsing de gestelde eis aan minimumhoeveelheid in acht nemen.

Als de toepasser zich hier niet aan houdt, beschikt hij niet over een geldige milieuhygiënische verklaring over de partij grond of baggerspecie waarop de verklaring betrekking heeft. Hij heeft dan geen geldig bewijsmiddel waarmee hij kan aantonen dat de partij aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit voldoet.

Met de verwijzing in bijlage C naar de nieuwe versie van BRL 9335 is op zichzelf juridisch gezien voldoende geregeld dat bij splitsing van samengevoegde partijen moet worden voldaan aan de bepalingen die daaromtrent zijn opgenomen in BRL 9335, in het bijzonder paragraaf 6.9 van protocol 1 dat van BRL 9335 deel uitmaakt (splitsen van samengevoegde partijen). Omdat het echter van groot belang is dat geen splitsing plaatsvindt die niet in overeenstemming is met BRL 9335 wordt het wenselijk geacht de beperkingen voor het splitsen van samengevoegde partijen ook in de Regeling bodemkwaliteit zelf nog eens uitdrukkelijk vast te leggen.

Daarom is in artikel 4.3.1 (nieuw vierde lid) bepaald dat bij splitsing van samengevoegde partijen moet worden voldaan aan BRL 9335. Hierbij wordt opgemerkt dat deze verplichting blijkens de gekozen formulering niet alleen geldt voor certificaathouders BRL 9335, maar ook voor hun afnemers/toepassers wanneer die de afgenomen partij verder splitsen in deelpartijen die zij vervolgens op de markt brengen of die een restantpartij zelf in een andere toepassingen gebruiken.

3. Vooronderzoek ten behoeve van een milieuhygiënische verklaring

Het is van groot belang dat de verschillende belanghebbenden kunnen vertrouwen op de informatie over de kwaliteit van de grond of baggerspecie die in de milieuhygiënische verklaring is opgenomen. Voor een betrouwbare milieuhygiënische verklaring is goed uitgevoerd vooronderzoek een eerste vereiste.

Een milieuhygiënische verklaring kan worden gebaseerd op een van de volgende vijf typen kwaliteitsbepaling die de Regeling bodemkwaliteit toestaat: 1) partijkeuring, 2) erkende kwaliteitsverklaring, 3) bodemonderzoek, 4) bodemkwaliteitskaart, of 5) fabrikant eigen verklaring.

Voor elk van deze vijf verschillende typen kwaliteitsbepaling van grond en baggerspecie is het noodzakelijk om eerst het nodige vooronderzoek te doen. De wijze waarop dit vooronderzoek moet worden verricht, is voor elk type kwaliteitsbepaling in de Regeling bodemkwaliteit aangegeven door middel van verwijzing naar de toepasselijke normdocumenten. Een milieuhygiënische verklaring mag niet worden afgegeven zonder dat het vooronderzoek is uitgevoerd. Bij een ex-situ partij is van belang of sprake is van een enkelvoudige dan wel samengevoegde partij. Indien sprake is van een samengevoegde partij, mag deze uitsluitend op de markt worden gebracht overeenkomstig de BRL 9335.

Het vooronderzoek moet worden verricht overeenkomstig NEN 5725, indien het betrekking heeft op de landbodem of op grond, onderscheidenlijk NEN 5717, indien het betrekking heeft op de waterbodem of oeverbodem of op baggerspecie.

In een vooronderzoek wordt nagegaan wat bekend is over de historie van de locatie waaruit de grond of baggerspecie wordt of al is ontgraven dan wel op welke wijze een partij tot stand is gekomen (bijvoorbeeld als deze is vrijgekomen uit een proces). Uit dit vooronderzoek kan informatie komen die van belang is voor het vervolgonderzoek naar de kwaliteit van de grond of baggerspecie. Indien die informatie ontbreekt, bestaat het risico dat niet het juiste vervolgonderzoek plaatsvindt, waardoor de betrouwbaarheid van de milieuhygiënische verklaring in het geding komt. Hierin kan dan onjuiste of onvolledige informatie over de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie zijn opgenomen. De verklaring geeft dan aan dat de partij aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit voldoet, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is.

Uit de evaluatie van het Besluit bodemkwaliteit 6 is naar voren gekomen dat de vooronderzoeken in de praktijk vaak tekortschieten of zelfs achterwege blijven. Bij onzorgvuldig vooronderzoek of het ontbreken van vooronderzoek kan voor het vervolgonderzoek ten behoeve van de milieuhygiënische verklaring een verkeerde onderzoeksstrategie worden gekozen. Ook bestaat dan het risico dat ten onrechte alleen het standaard stoffenpakket (bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit) wordt onderzocht, waarvoor in bijlage B bij de regeling normwaarden zijn opgenomen. Er kan echter aanleiding bestaan om ook specifieke verontreinigende stoffen te onderzoeken, die vanwege bijzondere omstandigheden die in het vooronderzoek zijn gebleken, in de partij aanwezig kunnen zijn en die relevant kunnen zijn om de grond of baggerspecie overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit te mogen toepassen. Dit volgt uit de zorgplichten die zijn opgenomen in artikel 13 van de Wet bodembescherming (toepassen op de bodem, uitgezonderd de bodem van een oppervlaktewaterlichaam), onderscheidenlijk artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit (toepassen in een oppervlaktewaterlichaam), en die medebepalend zijn of de grond of baggerspecie mag worden toegepast.

Omdat zich in de praktijk situaties blijken voor te doen waarin grond of baggerspecie wordt toegepast die daarvoor vanwege het voorkomen van verontreinigende stoffen niet geschikt is, wordt het wenselijk geacht om een uitdrukkelijke bepaling in de Regeling bodemkwaliteit op te nemen, waarin is aangegeven dat in het onderzoek ten behoeve van de milieuhygiënische verklaring en in de verklaring zelf aandacht aan het voorkomen van verontreinigende stoffen moet worden besteed. Deze informatie in de verklaring kan helpen dat geen grond of baggerspecie wordt toegepast die daarvoor niet geschikt is, omdat de toepasser dan zou handelen in strijd met vorengenoemde zorgplichten.

Zo komt veelvuldig voor dat de milieuhygiënische verklaring van een partij grond of baggerspecie is gebaseerd op een partijkeuring zonder dat duidelijk is welke verontreinigende stoffen zijn gebruikt dan wel aanwezig zijn op de plaats waar de grond of baggerspecie is ontgraven of welke handelingen met de partij zijn verricht voorafgaand aan de keuring, waarbij met name van belang is te weten of partijen zijn samengevoegd. Hierdoor ontbreekt essentiële informatie die nodig is om op grond van een partijkeuring een milieuhygiënische verklaring te kunnen afgeven.

Hiervan worden de volgende voorbeelden gegeven:

  • Gebleken is dat met enige regelmaat partijen grond of baggerspecie op de markt worden gebracht waarvan de kwalificatie is gebaseerd op enkel het standaard stoffenpakket en niet is gekeken naar de stoffen die op grond van de verontreinigende activiteiten op de ontgravingslocatie ook konden worden verwacht. Daarmee worden partijen als minder verontreinigd gekwalificeerd dan dat ze in werkelijkheid zijn en bestaat het risico dat verontreinigde grond wordt toegepast op locaties waar dat niet is toegestaan met het oog op het beoogde gebruik van de locatie. Daarmee worden twee van de belangrijkste uitgangspunten van het Besluit bodemkwaliteit ondermijnd, namelijk dat wat schoon is schoon moet blijven en dat toe te passen grond of baggerspecie geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Zo moet het vervolgonderzoek voor grond die blijkens het vooronderzoek afkomstig is van een voormalige boomgaard, niet alleen worden verricht voor het standaard stoffenpakket, maar ook voor bestrijdingsmiddelen die in de boomgaard zijn gebruikt. Hetzelfde geldt voor baggerspecie uit een sloot naast de boomgaard.

  • Ook is gebleken dat regelmatig partijen grond die door samenvoeging zijn ontstaan, ten onrechte op de markt worden gebracht met een partijkeuring die door of in opdracht van de toepasser is opgesteld.

Dit is om twee redenen niet toegestaan. De eerste reden is dat een partijkeuring niet als bewijsmiddel is toegestaan voor samengevoegde partijen. Dit kan alleen een erkende kwaliteitsverklaring zijn. De tweede reden is dat de erkende kwaliteitsverklaring moet worden opgesteld door een certificaathouder van de BRL 9335.

Daarnaast zijn er twee situaties waarin geen vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725 of NEN 5717 verplicht is, maar er toch aanleiding is om onderzoek te (laten) doen naar specifieke verontreinigingen die in een partij kunnen voorkomen.

Allereerst kan zich de situatie voordoen waarin de partij is gereinigd overeenkomstig BRL 7500 door een bedrijf dat daartoe over een erkenning op grond van het besluit beschikt. In dit geval kunnen verontreinigingen worden verwacht op grond van de herkomst van de gereinigde grond (partij-specifieke parameters) of in verband met het reinigingsproces (proces-kritische parameters). Voorbeeld van proces-kritische parameters bij thermisch gereinigde grond zijn sulfaat en de pH.

Voorts kan zich de situatie voordoen waarin de partij als nevenproduct is ontstaan bij het bewerken van een product waarbij aanhangende grond vrijkomt, zoals in het geval van tarragrond, die ontstaat bij het afspoelen van grond van gewassen of gewasrestanten. In dit geval kan het gaan om bestrijdingsmiddelen, die in het verleden gebruikt zijn op het land waar de gewassen geteeld zijn of waarmee oogstproducten zijn behandeld.

Vanwege het belang van de verplichting voor onderzoeksbureaus en toepassers om toereikend vooronderzoek te verrichten enerzijds en de constatering dat deze verplichting in de huidige praktijk niet altijd wordt nageleefd anderzijds, is zij nu tevens uitdrukkelijk in de Regeling bodemkwaliteit zelf opgenomen en niet alleen in de desbetreffende normdocumenten waarnaar in bijlage C bij de regeling wordt verwezen. Dit laatste is op zichzelf juridisch gezien voldoende voor het opleggen van de verplichting om goed vooronderzoek te doen, maar in de praktijk biedt dit kennelijk onvoldoende waarborgen dat het gebeurt. Het is daarom goed de verplichting tot het verrichten van vooronderzoek nog eens te benadrukken in de artikelen van paragraaf 4.3 van de Regeling bodemkwaliteit. Dit is geregeld in artikel I, onderdelen D tot en met F. Hierin wordt verwezen naar NEN 5725 en NEN 5717 (zoals omschreven in bijlage D bij de Regeling bodemkwaliteit). Het gaat hierbij dus om het benadrukken van een bestaande verplichting die al was vastgelegd in genoemde normdocumenten en niet om het opleggen van een nieuwe verplichting.

Door de verplichting om vooronderzoek te verrichten ook nog eens in de regeling zelf te benadrukken wordt tevens beoogd discussies over de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie tussen toepassers en toezichthouders te voorkomen in gevallen waarin een (toereikende) milieuhygiënische verklaring ontbreekt. Uiteraard is het voor alle betrokkenen ongewenst dat in de fase van de toepassing nog discussie plaatsvindt over de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie die wordt toegepast en dat alsnog of opnieuw vooronderzoek en eventueel vervolgonderzoek moet worden gedaan om betrouwbare informatie over de kwaliteit van de partij te verkrijgen.

Voor het vooronderzoek is geen overgangsrecht opgenomen. Vooronderzoeken die zijn uitgevoerd voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling (overeenkomstig de NEN 5725 (oud)) kunnen gebruikt worden als onderdeel van de milieuhygiënische verklaring. Vooronderzoeken die worden uitgevoerd na de inwerkingtreding van deze regeling dienen echter te voldoen aan de nieuwe NEN-normen waarnaar in bijlage D wordt verwezen.

Voor de landbodem en voor grond is de wijze waarop het vooronderzoek moet worden verricht, beschreven in NEN 5725, voor de oeverbodem en waterbodem en voor baggerspecie in NEN 5717. In bijlage D is weergegeven dat de uitgaven 2017 van deze normdocumenten worden bedoeld. Het nieuwe artikel 5.1.10b bevat overgangsrecht voor vooronderzoek dat voor 1 januari 2019 is verricht. Deze datum is gerelateerd aan de datum van inwerkingtreding van wijzigingsregeling 2018.2. Hiervan mag nog tot 1 januari 2020 gebruik worden gemaakt als het is verricht overeenkomstig de uitgaven van 2009 van NEN 5725, onderscheidenlijk NEN 5717.

4. Bodemvreemd materiaal

Als grond of baggerspecie vermengd is met bodemvreemd materiaal dat hier niet in hoort te zitten, is de grond of baggerspecie in beginsel niet geschikt om overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit op de bodem of in een oppervlaktewaterlichaam te worden toegepast. Er is dan geen sprake van grond of baggerspecie in de zin van het besluit. De grond of baggerspecie moet worden aangemerkt als afvalstof die niet nuttig kan worden toegepast.

In de praktijk hebben zich verschillende gevallen voorgedaan waarin grond of baggerspecie is toegepast onder het Besluit bodemkwaliteit, terwijl in feite sprake was van verwijdering van afvalstoffen omdat er grote hoeveelheden bodemvreemd materiaal in zaten die daar niet in hoorden te zitten. Dat was tevens in strijd met de zorgplicht die degene die de grond of baggerspecie toepast (de opdrachtgever en aannemer) in acht moet nemen op grond van artikel 13 van de Wet bodembescherming (landbodem), onderscheidenlijk artikel 7 van het Besluit bodemkwaliteit (oppervlaktewaterlichamen).

Als voorbeeld kan worden genoemd het natuurontwikkelingsproject ‘Over de Maas’ bij Dreumel. Op de oevers van de plas en stroomafwaarts zijn in het verleden plastics aangetroffen. Het burgercollectief Dreumelse waard7 heeft aan de hand van een onderzoek geconcludeerd dat de plastics, stroomafwaarts van het project, waarschijnlijk afkomstig zijn van de grond en baggerspecie waarmee de plas wordt verondiept.

Het beleid is erop gericht om verdere verspreiding van macro- en microplastics in het milieu te voorkomen. Een beperking van de hoeveelheid plastics in toe te passen grond en baggerspecie past daarbij. In de brief Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 6 november 2018 aan de voorzitter van de Tweede Kamer8 is daarom aangekondigd dat de Regeling bodemkwaliteit wordt aangepast en verduidelijkt wat wordt verstaan onder grond en baggerspecie. Daarom zijn de omschrijvingen van de begrippen grond en baggerspecie in artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit gespecificeerd, door in een nieuw tweede lid expliciet te bepalen welke bodemvreemde materialen daarin (niet) mogen voorkomen. Daarbij is aangesloten bij een passage die al in de nota van toelichting bij het Besluit bodemkwaliteit was opgenomen, maar waaraan in de praktijk onvoldoende gevolg is gegeven. 'In grond of baggerspecie bevindt zich vaak bodemvreemd materiaal, zoals puin, hout of baksteenscherven, dat al in de bodem zit als het wordt afgegraven. Het gaat nadrukkelijk niet om het bijmengen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie. Doorgaans is de aanwezigheid van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie niet bezwaarlijk, maar het is wel noodzakelijk dit te begrenzen. Grond of baggerspecie met maximaal 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal, wordt in het kader van dit besluit mede beschouwd als grond of baggerspecie. Dit laat onverlet dat bij ontgravings- en sloopwerkzaamheden zorgvuldig moet worden gewerkt. Dat betekent het scheiden van grond en baggerspecie die al dan niet zijn vermengd met ander materiaal, het apart ontgraven en afvoeren van bijvoorbeeld puinlagen in de bodem, en het daar waar mogelijk afzeven en apart verwerken van bodemvreemd materiaal.'

In het nieuwe tweede lid van artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit wordt in lijn met deze passage onderscheid gemaakt tussen steenachtig materiaal en hout enerzijds en ander bodemvreemd materiaal anderzijds. Steenachtig materiaal en hout mag tot ten hoogste 20 gewichtsprocent in de ontgraven grond of baggerspecie aanwezig zijn (artikel 34, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit), maar alleen als het al voorafgaand aan het ontgraven of bewerken in de grond of baggerspecie aanwezig was en niet is te voorkomen dat de grond of baggerspecie daarmee is vermengd.

Als er in een partij meer dan 20 gewichtsprocent steenachtig materiaal zit kan dit bodemvreemde materiaal door middel van zeven worden verwijderd waardoor de partij weer geschikt wordt voor toepassing overeenkomstig het Besluit bodemkwaliteit.

Wat betreft ander bodemvreemd materiaal dan steenachtig materiaal of hout, zoals plastics, geldt dat het alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie mag voorkomen. Bij normaal gebruik van de bodem raakt dit materiaal doorgaans niet met de bodem vermengd, maar blijft het eventueel op de bodem liggen. Bij zorgvuldig ontgraven of bewerken van de grond of baggerspecie en eerst afvoeren van het verzamelde bodemvreemde materiaal hoort dit niet alsnog in de grond of baggerspecie terecht te komen. Met deze wijziging van de regeling is tevens een verduidelijking doorgevoerd naar aanleiding van de uitspraak van de Rechtbank Arnhem van 1 november 2011.9 Bodemvreemd materiaal kan zowel organisch als niet-organisch zijn.

Het voorgaande geldt voor de aanwezigheid van bodemvreemde materialen in grond en baggerspecie in het kader van het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit, en niet voor andere regelgeving. Zo is in de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006, die met wijzigingsregeling 2018.2 eveneens wordt gewijzigd, sprake van 50 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal10.

5. Administratieve lasten en nalevingskosten

De wijzigingen hebben geen gevolgen voor de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven. Dit geldt in het bijzonder ook voor de wijzigingen die zijn beschreven in de paragrafen 2 en 3, met dien verstande dat de bestuurlijke lasten in verband met handhavend optreden kunnen dalen indien de beoogde verbetering van de naleving inderdaad optreedt. De structurele administratieve lasten zijn berekend in het kader van het Besluit bodemkwaliteit waarop de Regeling bodemkwaliteit is gebaseerd. Deze totale structurele administratieve lasten zijn becijferd op circa € 3,7 miljoen per jaar. Er zijn evenmin gevolgen voor de nalevingskosten.

6. Wettelijke grondslagen

De onderhavige wijziging is, voor zover het de Regeling bodemkwaliteit betreft, gebaseerd op de artikelen 1 (voor zover het betreft artikel I, onderdeel B; de aanwijzing van werkzaamheden), 25, eerste lid, (voor zover het betreft bijlage C; de aanwijzing van normdocumenten), 34, eerste lid (wijze waarop wordt vastgesteld of een materiaal aan te merken is als grond of baggerspecie), 34, derde lid (regels over soorten toegestaan bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie), 38, derde lid (voor zover het betreft de voorwaarden voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring voor grond of baggerspecie), 38, vijfde lid (wat betreft het samenvoegen en splitsen van partijen bouwstof) en 40, eerste lid, (voor zover het betreft de voorwaarden voor het afgeven van een milieuhygiënische verklaring voor de bodem) van het Besluit bodemkwaliteit.

De regeling is, voor zover het andere regelingen dan de Regeling bodemkwaliteit betreft, gebaseerd op de volgende wettelijke grondslagen:

  • De wijziging van de Productenregeling asbest is gebaseerd op artikel 2, onderdeel b, van het Productenbesluit asbest.

  • De wijziging van de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 is gebaseerd op artikel 11h, vierde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. De Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006 is op verschillende wettelijke grondslagen gebaseerd. De onderhavige wijziging is echter alleen gebaseerd op artikel 11h, vierde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen. Op grond van die bepaling kunnen bij Ministeriële regeling nadere regels worden gesteld omtrent, onder meer de monsterneming en de analyse van monsters ten behoeve van de controle van de afvalstoffen die op een stortplaats worden geaccepteerd.

  • De wijziging van de Regeling Europese afvalstoffenlijst is gebaseerd op artikel 1.1, tiende lid, van de Wet milieubeheer (aanwijzen van gevaarlijke afvalstoffen die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezitten). De Regeling Europese afvalstoffenlijst is zelf op verschillende wettelijke grondslagen gebaseerd, waaronder artikel 1.1, tiende lid, van de Wet milieubeheer.

  • De wijziging van de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005 is gebaseerd op artikel 11, derde lid, van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering (bepalen van de ouderdom van een bodemverontreiniging).

  • De wijziging van de Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer is gebaseerd op artikel 2, tweede lid, van het Besluit asbestwegen milieubeheer.

  • De wijziging van de Regeling omgevingsrecht is gebaseerd op artikel 4,4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (verstrekken van gegevens en bescheiden over activiteiten die plaatsvinden in het kader van een project waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd).

  • De wijziging van de Regeling uniforme saneringen is gebaseerd op artikel 5, tweede lid, van het Besluit uniforme saneringen. De Regeling uniforme saneringen is op verschillende bepalingen van het Besluit uniforme saneringen gebaseerd. De onderhavige wijziging is alleen gebaseerd op artikel 5, tweede lid, van dat besluit, dat een grondslag bevat om bij Ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot het onderzoek naar de kwaliteit van de bodem van een saneringslocatie voorafgaand aan een melding van het voornemen om de bodem te saneren.

7. Consultatie

Signalen over mogelijke uitvoeringsknelpunten, te actualiseren normdocumenten of fouten in het Besluit bodemkwaliteit of de Regeling bodemkwaliteit komen binnen bij Bodem+, de uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat die is ondergebracht bij Rijkswaterstaat. Bodem+ heeft de implementatie van het Besluit bodemkwaliteit sinds de inwerkingtreding in 2008 ondersteund.

Over het ontwerpbesluit heeft een internetconsultatie plaatsgevonden. Er hebben 16 instanties gereageerd. Het betreft een gemeente, een provincie, een kennisinstelling, twee adviesbureaus, twee schemabeheerders, drie brancheorganisaties en vijf individuele bedrijven. Hieronder wordt op hoofdlijnen ingegaan op de reacties.

Bij de consultatie is naar voren gebracht dat er een verschil is tussen baggerspecie en grond bij de toetsing aan de achtergrondwaarden als gevolg van het al dan niet hanteren van somparameters. De inspreker geeft aan dat dit ongewenst is. Deze opmerking heeft geen betrekking op het wijzigingsvoorstel. De opmerking is echter wel aanleiding om te onderzoeken of de regeling op dit punt gewijzigd moet worden. Dit vraagt vanwege de mogelijke gevolgen voor de praktijk om een zorgvuldige voorbereiding. Daarom zal de opmerking bij een volgende regelingswijziging worden betrokken.

Bij de consultatie is door verschillende insprekers gewezen op het feit dat in de nieuwe bijlagen C en D bij de Regeling bodemkwaliteit die in het ontwerpbesluit zijn opgenomen, wordt verwezen naar normdocumenten die pas na afloop van de consultatie definitief worden vastgesteld. De normdocumenten zijn als zodanig geen onderwerp van de consultatie. De normdocumenten zijn namelijk geen regelgeving, maar worden door private partijen vastgesteld. De consultatie daarover vindt plaats in het kader van de vaststelling van de normdocumenten en wordt door de schemabeheerder georganiseerd. Een normdocument wordt alleen vastgesteld als hiervoor een zeer breed draagvlak bij betrokkenen bestaat. In de wijzigingsregeling is slechts een verwijzing naar de normdocumenten opgenomen. In de internetconsultatie kan worden gereageerd op de verwijzing, waarbij ook inhoudelijke bezwaren tegen de inhoud van de normdocumenten of de vaststellingsprocedure naar voren kunnen worden gebracht. Een dergelijke reactie kan aanleiding zijn om niet naar het normdocument te verwijzen of pas nadat het normdocument is aangepast, eventueel pas in een latere wijzigingsregeling. Om die reden kan volstaan worden met het verwijzen naar normdocumenten die in de toekomst worden vastgesteld. De consultatie is derhalve gericht op de onderdelen die niet zien op de aanwijzing van normdocumenten. De gelijktijdige consultatie met normdocumenten die nog in procedure zijn bij de schemabeheerders zorgt ervoor dat de wijzigingen sneller doorgevoerd kunnen worden, daaraan is behoefte vanuit de marktpartijen.

Door verschillende insprekers is gevraagd om de toelichting op het punt van de borging van het vooronderzoek ten behoeve van de milieuhygiënische verklaring te verduidelijken en te motiveren en is aandacht gevraagd voor de geldigheidsduur van reeds uitgevoerde vooronderzoeken. Naast een enkele tekstuele verduidelijking van de artikeltekst heeft dit geleid tot een verdere verduidelijking in de nota van toelichting bij dit onderwerp. Zo zijn er in de internetconsultatie vragen gesteld over de verplichting tot het uitvoeren van vooronderzoek voorafgaand aan de partijkeuring (wijziging van artikel 4.3.3). Naar aanleiding van deze vragen zijn de algemene toelichting over het vooronderzoek en de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdelen D, E en F aangevuld. Een van de reacties had betrekking op het ontbreken van een beoordelingskader voor de toetsing van stoffen die aanvullend op het standaard pakket onderzocht moeten worden. Een dergelijk beoordelingskader maakt echter al onderdeel uit van de Regeling bodemkwaliteit. In bijlage B van de Regeling bodemkwaliteit zijn voor de meest voorkomende stoffen normen opgenomen. Ook is in bijlage B aangeven hoe moet worden omgegaan met stoffen die niet genormeerd zijn.

In het ontwerpbesluit was in plaats van de bestaande norm voor minerale olie van 500 mg/kg droge stof een nieuwe tijdelijke norm opgenomen voor een bouwstof die wordt toegepast in een bovenafdichting van een stortplaats. Naar aanleiding van de reacties zijn de wenselijkheid en de noodzaak van deze tijdelijke verhoging opnieuw onderzocht en in heroverweging genomen. Dit heeft ertoe geleid dat is besloten niet tot de tijdelijke verhoging van de norm over te gaan. Bij nader inzien bestaat voor deze uit milieuhygiënisch oogpunt niet wenselijke tijdelijke verhoging geen noodzaak. De reden van de voorgenomen tijdelijke verhoging was dat een type bovenafdichting waarin restproducten (zuiveringsslib of digistaat) wordt toegepast, niet aan de bestaande norm voor minerale olie zou kunnen voldoen. De producent heeft onvoldoende aangetoond dat het niet mogelijk is dat de restproducten die in zijn type bovenafdichting worden toegepast, aan de bestaande norm voldoen. Daar komt bij dat ook andere typen bovenafdichting kunnen worden toegepast, waarbij het probleem van de overschrijding van de bestaande norm voor minerale olie zich niet voordoet. Deze andere typen vormen een technisch toepasbaar en betaalbaar alternatief. Er bestaat daarom geen noodzaak voor een tijdelijke verhoging.

Op verzoek van het toenmalige Ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een HUF-toets uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat de wijzigingsregeling geen gevolgen heeft voor de werkwijze en in te zetten middelen van de ILT, maar wel aanleiding geeft tot het signaleren van een aantal knelpunten in de handhaafbaarheid. Dit heeft geleid tot enkele verduidelijkingen in de toelichting. De knelpunten en aanbevelingen die niet zien op deze wijzigingsregeling worden meegenomen in het kader van de inbouw van het Besluit bodemkwaliteit in de uitvoeringsbesluiten op grond van de Omgevingswet.

8. Adviescollege Toetsing Regeldruk

Tijdens de consultatie heeft het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) de ontwerpregeling getoetst op regeldrukeffecten. ATR adviseert het kabinet en de Eerste en Tweede Kamer over de regeldrukeffecten van wet- en regelgeving. In haar advies op de ontwerpregeling heeft ATR aandacht gevraagd voor een nadere motivatie van nut, noodzaak en urgentie van de wijziging van deze regeling, mogelijke minder belastende alternatieven, de uitvoerbaarheid van de nieuwe regels en de gevolgen voor de regeldruk.

In de toelichting bij wijzigingsregeling 2018.1 is reeds ingegaan op de onderdelen van het advies van ATR die betrekking hadden op die regeling. In aanvulling daarop wordt hier nog ingegaan op de vraag van ATR met betrekking tot de openbare beschikbaarheid van normdocumenten. Het kabinet heeft aangegeven dat normen met een nationale oorsprong waarnaar in de regelgeving dwingend wordt verwezen, kosteloos beschikbaar moeten zijn. Dit geldt ook voor de beoordelingsrichtlijnen en NEN-normen waarnaar in de Regeling bodemkwaliteit wordt verwezen. Voor NEN-normen is rijksbreed afgesproken dat zij via de website van NEN beschikbaar worden gesteld. ATR merkt terecht op dat de NEN 5717 momenteel nog niet kosteloos beschikbaar is. Dit zal zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze regeling gebeuren.

9. Notificatie

De ontwerpregeling en de nieuwe en gewijzigde normdocumenten die bepalingen bevatten die betrekking hebben op producten, zijn op 10 augustus 2017 voorgelegd aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2017/380/NL). Er zijn naar aanleiding van de notificatie geen opmerkingen ontvangen.

Deze notificatie is noodzakelijk om te voldoen aan artikel 8, eerste lid, van Richtlijn 98/34/EG van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1998 betreffende een informatie-procedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEG L 217). Verschillende onderdelen van artikel I kunnen namelijk technische voorschriften bevatten. De notificatie had met name betrekking op alle nieuwe en gewijzigde normdocumenten waarnaar in bijlage C verwijzingen waren opgenomen. In wijzigingsregeling 2018.1 waren, zoals elders in deze nota van toelichting is toegelicht, al diverse genotificeerde normdocumenten opgenomen. In de onderhavige wijzigingsregeling 2018.2 zijn ook de andere voorgenomen actualisaties van verwijzingen naar normdocumenten doorgevoerd.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

Onderdeel A van artikel I wijzigt artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit. De bestaande tekst wordt aangeduid als eerste lid en er wordt een lid aan het artikel toegevoegd. Hierin wordt nader aangegeven in hoeverre in grond of baggerspecie bodemvreemd materiaal mag voorkomen. Voor een toelichting wordt tevens verwezen naar paragraaf 4.

Als er onnodig bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie voorkomt, is sprake van een afvalstof die niet geschikt is voor nuttige toepassing, omdat zij dan kan leiden tot verontreiniging van de (water)bodem en het milieu die te voorkomen is. Om dat te verduidelijken is aan artikel 1.1 van de Regeling bodemkwaliteit een tweede lid toegevoegd. Deze bepaling komt erop neer dat bij het onnodig voorkomen van bodemvreemd materiaal geen sprake is van grond of baggerspecie in de zin van het Besluit bodemkwaliteit. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen enerzijds steenachtig materiaal en hout, waarvan het bij normaal gebruik van de bodem niet altijd is te voorkomen dat dit in de bodem terechtkomt en daarvan deel gaat uitmaken, en anderzijds ander bodemvreemd materiaal, zoals plastic en piepschuim, dat bij normaal gebruik van de bodem daarmee doorgaans niet vermengd raakt maar daarop blijft liggen en dus voor het ontgraven eenvoudig kan worden verwijderd.

De aanwezigheid van bodemvreemd materiaal is echter niet altijd te voorkomen. Het begrip ‘sporadisch’ geeft in dit verband aan dat in toe te passen grond of baggerspecie geringe hoeveelheden ander bodemvreemd materiaal aanwezig mogen zijn, omdat dit niet altijd is te voorkomen. Er is voor het begrip sporadisch gekozen omdat er geen precieze criteria zijn, zoals een bepaald gewichtspercentage, om te bepalen hoeveel ander bodemvreemd materiaal er in grond of baggerspecie ten hoogste mag voorkomen. Plastics en piepschuim bijvoorbeeld zijn zeer lichte materialen waarvoor het gewichtspercentage geen geschikt criterium is. Bovendien wordt de inhoud van dit begrip mede bepaald door wat redelijkerwijs kan worden verwijderd bij het zorgvuldig ontgraven of voor het toepassen. Het gaat er echter in de praktijk niet zozeer om dat de grens wat in dit verband al dan niet sporadisch is scherp kan worden vastgesteld, maar dat doeltreffend kan worden opgetreden in gevallen waarin het evident is dat meer dan sporadisch bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie voorkomt.

Onderdeel B

Onderdeel B van artikel I wijzigt artikel 2.1 van de Regeling bodemkwaliteit. In deze bepaling worden de werkzaamheden aangewezen, die onder Kwalibo vallen.

Er wordt nu in onderdeel l, veldwerk, naast locatie-inspectie ook melding gemaakt van maaiveldinspectie. Deze wijziging is doorgevoerd omdat in categorie 12 van bijlage C de titel van Protocol 2018 is gewijzigd van locatie-inspectie in maaiveldinspectie. De reden hiervan is dat hierdoor een betere afstemming met NEN 5707 wordt verwezenlijkt, waarin ook over maaiveldinspecties wordt gesproken.

Het begrip locatie-inspectie moet echter ook nog genoemd blijven worden met het oog op het onderzoek van de waterbodem, waar geen maaiveldinspectie kan worden gehouden.

Onderdeel C

Onderdeel C voegt aan artikel 4.3.1 van de Regeling bodemkwaliteit een nieuw vierde lid toe, waarin is bepaald dat een samengevoegde partij alleen mag worden gesplitst indien dat gebeurt overeenkomstig BRL 9335, in het bijzonder paragraaf 6.9 van protocol 1 dat van BRL 9335 deel uitmaakt. De reden van deze wijziging is toegelicht in paragraaf 2 van het algemeen deel.

Deze bepaling geldt niet alleen voor de certificaathouder (de grondbank) tot wie BRL 9335 is gericht. Zij geldt ook voor de afnemer van een (deel)partij, die deze partij later in kleinere partijen splitst. Omdat de BRL 9335 alleen betrekking heeft op certificaathouders, is gekozen voor de bewoordingen ‘op de wijze die is aangegeven in BRL 9335’. Splitsing van een samengevoegde partij door de afnemer is op zichzelf toegestaan, mits wordt voldaan aan de voorwaarden en beperkingen die in BRL 9335 zijn gesteld, met name de minimale hoeveelheden van de afgesplitste deelpartijen. Of een afnemer met een samengestelde partij te maken heeft, blijkt uit de milieuhygiënische verklaring die de partij begeleidt.

Onderdelen D, E en F

Deze bepalingen hebben tot doel te benadrukken dat naar behoren vooronderzoek van de kwaliteit van bodem dan wel de toe te passen grond of baggerspecie moet worden verricht voordat wordt begonnen met het vervolgonderzoek dat op de resultaten van het vooronderzoek is gebaseerd. Hierop is ingegaan in paragraaf 3 van het algemeen deel. In het vooronderzoek moet in het bijzonder de ontstaansgeschiedenis van de partij worden nagegaan en moeten vervolgens de eventuele specifieke verontreinigingen in beeld worden gebracht, die op basis van de ontstaansgeschiedenis in het vervolgonderzoek moeten worden onderzocht naast het standaardstoffenpakket. In paragraaf 3 van het algemeen deel zijn hiervan enkele voorbeelden gegeven. Zonder goed vooronderzoek bestaat het risico dat verontreinigende stoffen over het hoofd worden gezien, waardoor hier in het vervolgonderzoek ten onrechte geen aandacht aan wordt besteed. De milieuhygiënische verklaring die op het vervolgonderzoek is gebaseerd, kan dan onjuiste of onvolledige informatie geven over de kwaliteit van de partij grond of baggerspecie waarop zij betrekking heeft.

Voor de landbodem en voor grond is de wijze waarop het vooronderzoek moet worden verricht, beschreven in NEN 5725, voor de oeverbodem en waterbodem en voor baggerspecie in NEN 5717. Het nieuwe artikel 5.1.10b bevat overgangsrecht voor vooronderzoek dat al voor 1 januari 2019 is verricht.

De milieuhygiënische verklaring kan op verschillende soorten vervolgonderzoek zijn gebaseerd. Dit is geregeld in de artikelen 4.3.3 tot en met 4.3.5 van de Regeling bodemkwaliteit. Deze bepalingen moeten worden aangepast. Dit gebeurt in artikel I, onderdelen D, E en F.

Een partijkeuring mag niet worden gebruikt als milieuhygiënische verklaring voor een partij die blijkens het vooronderzoek is ontstaan uit samenvoeging van partijen overeenkomstig artikel 4.3.2.

De milieuhygiënische verklaring die op een partijkeuring is gebaseerd (artikel 4.3.3), moet een beschrijving geven van de wijze waarop het vooronderzoek wat betreft de ontstaansgeschiedenis en specifieke verontreinigende stoffen die aanwezig kunnen zijn, heeft plaatsgevonden en de wijze waarop met deze resultaten in het vervolgonderzoek rekening is gehouden. Dit is geregeld in een nieuw onderdeel dat is ingevoegd als artikel 4.3.3, vijfde lid (nieuw). De resultaten van het vooronderzoek zijn van belang voor de uitvoering van een partijkeuring. Dit dient tot uiting te komen op het monsternemingsplan. Zo heeft het vermoeden van de aanwezigheid van asbest effect op de toegestane maximale partijgrootte voor het inkeuren alsmede de wijze van bemonsteren. Ook het vermoeden van de aanwezigheid van andere voor het toepassen van de grond of baggerspecie mogelijk relevante verontreinigende stoffen dan de stoffen die zijn opgenomen in het standaardpakket van stoffen die moeten worden onderzocht (bedoeld in artikel 4.5.1, eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit), is van belang voor een volledige analyse van de mengmonsters. In het geval van een vermoeden van de aanwezigheid van vluchtige verbindingen, zoals aromaten, betekent dit aanvullende monsterneming door middel van steektoestellen.

Indien uit de analyse blijkt dat verontreinigende stoffen als vorenbedoeld, in de grond of baggerspecie aanwezig zijn, moet dit in de milieuhygiënische verklaring worden vermeld en moet tevens worden aangegeven wat de waarde daarvan is, uitgedrukt in mg/kg droge stof of een passende andere aanduiding.

Een bodemonderzoek kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt voor de kwaliteit van de bodem of toe te passen grond (artikel 4.3.4). Dit bodemonderzoek moet worden verricht overeenkomstig NEN 5740 op basis van een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5725. Voor de kwaliteit van baggerspecie of van de oeverbodem of waterbodem is een bodemonderzoek toegestaan als milieuhygiënische verklaring (artikel 4.3.4) indien dat bodemonderzoek wordt verricht overeenkomstig NEN 5720, op basis van een vooronderzoek overeenkomstig NEN 5717.

Voor het verspreiden van baggerspecie in oppervlaktewater hoeft het bodemonderzoek niet meer in te houden dan het vooronderzoek overeenkomstig NEN 5717, indien uit het vooronderzoek is gebleken dat de baggerspecie afkomstig is uit wateren die in artikel 4.3.4, vierde lid, zijn aangeduid.

Een bodemkwaliteitskaart kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt voor de kwaliteit van de bodem of van de toe te passen grond of baggerspecie.

De gemeente of waterbeheerder stelt de bodemkwaliteitskaart vast. Dergelijke kaarten gaan uit van de indeling van een bodembeheergebied in relatief homogene bodemkwaliteitszones. Voor de toets of die bodemkwaliteitskaart geldig en representatief is voor een specifieke locatie of de daaruit vrijkomende grond of baggerspecie en daarmee ook als milieuhygiënische verklaring kan dienen, moet een vooronderzoek worden gedaan Het vooronderzoek moet voor de landbodem weer worden uitgevoerd overeenkomstig NEN 5725 en voor de oeverbodem en waterbodem overeenkomstig NEN 5717 (artikel 4.3.3, zesde lid (nieuw)). Blijkens dat vooronderzoek moet de bodem zijn gelegen binnen de bodemkwaliteitszone die op de bodemkwaliteitskaart zowel in horizontale als verticale zin is aangegeven, en mag de kwaliteit van de bodem niet afwijken van de kwaliteit die op de bodemkwaliteitskaart is aangegeven. Voor de wijze van uitvoering van het vooronderzoek in het kader van het toetsen of de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als milieuhygienische verklaring is in de betreffende NEN-normen een onderzoekstrategie opgenomen. Voor de inhoud daarvan wordt verwezen naar de desbetreffende normdocumenten.

Het zesde lid (oud) van artikel 4.3.5 is ingevolge onderdeel F hernummerd tot zevende lid en is herschreven om in de opsomming van voorwaarden duidelijker te laten uitkomen welke voorwaarden cumulatief zijn en welke niet. Dit lid heeft betrekking op toe te passen grond, onderscheidenlijk baggerspecie. Het vooronderzoek moet weer worden uitgevoerd overeenkomstig NEN 5725, onderscheidenlijk 5717.

Onderdeel G

Deze bepaling betreft een aanpassing van de verwijzing in artikel 4.3.6 van de Regeling bodemkwaliteit naar enkele bepalingen van artikel 4.3.3, die nodig is vanwege de wijziging van artikel 4.3.3, waarin een nieuw eerste lid is ingevoegd en een vernummering van de bestaande leden heeft plaatsgevonden.

Onderdeel H

Deze bepaling bevat overgangsrecht voor vooronderzoek dat voor 1 januari 2019 is verricht ten behoeve van het afgeven van een milieuhygiënische verklaring voor de kwaliteit van de bodem of van de toe te passen grond of baggerspecie. De datum 1 januari 2019 is gerelateerd aan het tijdstip van inwerkingtreding van wijzigingsregeling 2018.2. Vanaf die datum moet het vooronderzoek op grond van de artikelen 4.3.3, 4.3.4, onderscheidenlijk 4.3.5, worden verricht overeenkomstig de uitgaven van 2017 van NEN 5725 (voor de landbodem), onderscheidenlijk 5717 (voor de waterbodem). Vooronderzoek dat voor 1 januari 2019 is verricht heeft echter plaatsgevonden volgens de uitgaven van 2009 van die normen. Het overgangsrecht houdt in dat van de resultaten van dergelijk vooronderzoek nog gedurende een jaar, tot 1 januari 2020, gebruik mag worden gemaakt.

Hierdoor wordt voorkomen dat het vooronderzoek opnieuw moet worden verricht als de milieuhygiënische verklaring waarvoor het vooronderzoek is verricht, pas na het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige regeling wordt verleend.

Onderdeel I

In bijlage C zijn diverse verwijzingen naar normdocumenten geactualiseerd. Daarnaast zijn de drie noten aan het slot van bijlage C vervangen door één voetnoot (de zogenaamde veldmedewerkersregeling). Hieronder volgt per normdocument een korte toelichting op de belangrijkste wijzigingen.

BRL 2344

In dit normdocument zijn diverse wijzigingen doorgevoerd waarmee onduidelijkheden en onjuistheden zijn weggenomen.

Voorts is het toepassingsgebied scherper gedefinieerd, zonder dat het daarbij inhoudelijk is gewijzigd. Dit is gebeurd om misverstanden te voorkomen op welke typen mestbassins en afdekkingen het normdocument van toepassing is. Tevens is duidelijker aangegeven in welke gevallen inwendige en/of uitwendige inspecties van mestbassins moeten worden uitgevoerd.

Er zijn nieuwe eisen gesteld aan het inwendig reinigen van mestsilo’s en het betreden van mestsilo’s.

Daarnaast is het sanctiebeleid van de conformiteitsbeoordelingsinstelling in hoofdstuk 8.6 herschreven. Daarbij heeft één inhoudelijke wijziging plaatsgevonden. Wanneer bij een extra bezoek wordt vastgesteld dat een eerder geconstateerde tekortkoming niet is opgelost, kan eerst worden overgegaan tot een verhoogde bezoekfrequentie gedurende een bepaalde periode alvorens het certificaat wordt geschorst. Hiermee is het normdocument in overeenstemming gebracht met de binnen Kiwa gebruikelijke procedure. Ook hebben enkele verduidelijkingen plaatsgevonden van het sanctiebeleid zoals dat al langere tijd wordt toegepast. Zo is preciezer omschreven voor welke aspecten een kritische (A) tekortkoming wordt gegeven en wanneer wordt overgegaan tot het brengen van een extra bezoek. Ook wordt specifiek aangegeven dat na de constatering van een tekortkoming door Kiwa daarop door de leverancier binnen 10 dagen moet worden gereageerd.

BRL KvINL 6000 Deel 21/00 en BRL 11000

Er zijn in beide normdocumenten diverse wijzigingen doorgevoerd.

In de evaluatie van het Besluit bodemkwaliteit is geconcludeerd dat de communicatiemodellen voor de uitwisseling van informatie in de protocollen voor het bovengrondse deel (BRL KvINL 6000 Deel 21/00) en het ondergrondse deel (BRL 11000) van een bodemenergiesysteem niet goed op elkaar aansloten. Een goede aansluiting tussen het bovengrondse deel en het ondergrondse deel is essentieel voor de bepaling van het energierendement (SPF) dat bij een melding of vergunningaanvraag voor de aanleg van een bodemenergiesysteem moet worden vermeld. De bedoelde protocollen zijn aangepast om een betere aansluiting te verzekeren. Dat geldt ook voor de terminologie en definities. Voor de begrippen inhuur en uitbesteding zijn definities toegevoegd. Ook zijn de uitvoeringseisen zoveel mogelijk gestroomlijnd en beter toetsbaar gemaakt.

Tot slot is de afbakening tussen genoemde certificatieschema’s verduidelijkt.

Bij diverse uitvoeringseisen geldt voor een klein bodemenergiesysteem ten behoeve van een individuele woning bovendien een beperkter toetsingskader voor het ondergronds deel van een gesloten systeem dan voor een ‘groot’ systeem, waarvoor het beheer onder voorwaarden ook mag worden uitgevoerd door een op basis van BRL KvINL 6000 Deel 21/00 erkend bedrijf. Dit betekent dat een bedrijf dat eerder al was erkend voor de BRL 6000 Deel 21 (beheer van het bovengrondse deel van een bodemenergiesysteem) nu ook het ondergrondse deel (BRL KBI 6000 Deel 00) mag beheren.

In het toetsingskader wordt voor verschillende eisen nu beter aangesloten op de Besluitvorming Uitvoerings Methode (BUM)en Handhavings Uitvoerings Methode (HUM) Bodemenergie.

AS SIKB 6700

De eisen van de RvA met betrekking tot het implementeren van ISO 17020 zijn geïmplementeerd. Dit heeft consequenties voor de mogelijkheden in de AS SIKB 6700 om opdrachtgevers gericht voor te lichten (zogenaamd ‘richtinggevend hersteladvies’). Ook zijn er technische verduidelijkingen aangebracht in de voorschriften voor het inspecteren van rioleringen alsmede tekstuele verbeteringen, zoals het invoegen van het bestaande wijzigingsblad en het verduidelijken van de definitie van ‘vloeren’.

AS SIKB 6800

Er wordt ingespeeld op nieuwe technische inzichten. Daarnaast zijn diverse tekstuele verbeteringen aangebracht en ook is de terminologie verbeterd, waardoor beter wordt aangesloten bij de terminologie van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De volgende begrippen worden vervangen: ‘robot-inspectie’ wordt ‘inspectie zonder betreden’ en ‘visuele inspectie’ wordt ‘inspectie met betreden’. Tevens is het al bestaande wijzigingsblad ingevoegd.

AS SIKB 6900

De inhoud en scope zijn verbreed. Zo kunnen ook IBC-locaties die zijn aangelegd voor 2007 (zij vielen toen nog onder het Bouwstoffenbesluit) nu met AS 6900 gemonitord worden. De wettelijke verplichtingen zijn in protocol 6902 verder uitgewerkt. Ook zijn er diverse verbeteringen van inspectiecriteria (beoordeling van de aanleg van voorzieningen) in protocol 6901 opgenomen.

Er wordt verduidelijkt dat IBC-locaties die zijn aangelegd in de periode 2007 – 2013, volgens het Besluit bodemkwaliteit verplicht gemonitord moeten worden overeenkomstig AS SIKB 6900 met bijbehorend protocol 9601.

BRL en AS SIKB 2000

Er zijn diverse wijzigingen doorgevoerd. Een belangrijke wijziging ziet op de mogelijkheid om gecombineerde audits uit te voeren voor verschillende certificatieschema’s. Ook is een aantal eisen afgestemd op aanpassingen in NEN-documenten. Dit betreft onder andere eisen inzake onderzoek naar asbest in de bodem (vooral protocol 2018/NEN 5707).

BRL SIKB 1000, 2100, 6000, 7000 en 7500

De wijzigingen in deze beoordelingsrichtlijn maken het voortaan mogelijk om audits voor verschillende certificatieschema’s te combineren, Ook zijn uitvoeringseisen beter toetsbaar gemaakt en zoveel mogelijk gestroomlijnd.

Ten aanzien van BRL 2100 is tevens doorgevoerd, dat voor een aannemer die is gecertificeerd voor protocol 7002, de mogelijkheid vervalt om mechanische boringen uit te voeren zonder dat hij daarvoor is gecertificeerd volgens BRL SIKB 2100. Van deze constructie werd namelijk in de praktijk geen gebruik gemaakt. Het vervallen van deze mogelijkheid leidt tot een betere transparantie bij de uitvoering van mechanische boringen voor in-situ saneringen.

Voor protocol 7510 behorend bij BRL 7500 (Procesmatige ex situ reiniging/bewerking en immobilisatie van grond en baggerspecie) wordt het volgende opgemerkt. Bij de verschillende processen die vallen onder de scope van dit protocol komen verschillende afvalstromen bij inrichtingen vrij. De omgang met die verschillende afvalstromen moet altijd in overeenstemming zijn met de regels over het mengen van afvalstoffen zoals beschreven in LAP 3.

BRL 9335

Deze beoordelingsrichtlijn, die zowel is aangewezen in categorie 2 (afgegeven van kwaliteitsverklaringen op grond van een nationale BRL) als in categorie 18 (het samenvoegen van verschillende partijen grond of baggerspecie in de zin van art. 4.3.2.) van bijlage C, is grondig herzien. De BRL en de daaronder liggende protocollen zijn aangepast om in de praktijk voorkomende verschillen in interpretatie door certificaathouders, certificeringsinstanties (CI’s) en toezichthouders weg te nemen. Ook hanteert de BRL nu een duidelijker rapportageformat zodat afnemers makkelijk kunnen bepalen onder welke voorwaarden van de erkende kwaliteitsverklaring gebruik kan worden gemaakt als milieuhygiënische verklaring. Voorts zijn met name de bepalingen over de acceptatie van partijen grond, de randvoorwaarden voor het samenvoegen en splitsen van partijen grond en de wijze van omgang met afwijkende analyseresultaten verduidelijkt met de bedoeling om interpretatieverschillen te voorkomen. De verschillende wijzigingen beogen afnemers van grond meer zekerheid te bieden over de kwaliteit van het product.

Ook voor dit normdocument geldt dat, zoals hierboven bij BRL 7500, protocol 7510 nader is toegelicht, hiernaast ook LAP 3 van toepassing is.

BRL 7700

De uitvoeringseisen in dit normdocument zijn beter toetsbaar gemaakt en zoveel mogelijk gestroomlijnd. Verder is de reikwijdte verbreed doordat deze niet langer is beperkt tot betonnen prefab vloerelementen. Vloerelementen kunnen tegenwoordig namelijk ook van andere materialen dan beton gemaakt worden. Ook zijn er enkele technische verbeteringen aangebracht (bijvoorbeeld de verduidelijking van het keuringsregiem voor kitvoegen). Tenslotte wordt het bestaande wijzigingsblad ingevoegd, zijn verwijzingen naar andere normdocumenten geactualiseerd en zijn tekstuele verbeteringen doorgevoerd.

Voetnoot 1 (veldmedewerkers)

Voetnoot 1 vervangt de eerdere voetnoten 1, 2 en 3. In overleg met van de branche is de erkennings(registratie)verplichting voor veldmedewerkers bij de uitvoering van partijkeuringen en van veldonderzoek aangepast. De aanpassing heeft betrekking op BRL-1000 en BRL-2000, waarin de eisen en voorwaarden voor de inzet van veldmedewerkers zijn uitgewerkt. Kritische werkzaamheden, zoals het afwijken van het monsternemingsplan, het maken van een boorbeschrijving, het nemen van grond(water)monster en het plaatsen van peilbuizen, dienen nog altijd door een erkende (geregistreerde) veldmedewerker te worden uitgevoerd. Het verrichten van fysieke werkzaamheden, zoals het zetten van de grondboring, mag echter voortaan ook worden uitgevoerd door een niet-geregistreerde medewerker. Hierbij geldt de voorwaarde dat dit gebeurt onder toezicht en verantwoordelijkheid van een erkende veldmedewerker (het zogenaamde meester-gezel principe). Aan de niet-geregistreerde medewerker worden geen eisen gesteld. Ook de kring van niet-geregistreerde medewerkers is uitgebreid. Dit kan bijvoorbeeld een voormalig veldmedewerker zijn, een veldmedewerker die erkend is onder een ander protocol, een kantoormedewerker, een uitzendkracht of een stagiair. De aanpassing van de registratieverplichting geeft enerzijds het bedrijfsleven meer flexibiliteit in de uitvoering, terwijl anderzijds door de beperking van de werkzaamheden die door niet-erkende veldmedewerkers mogen worden uitgevoerd, het uitgangspunt van de erkenningsregeling dat kritische werkzaamheden alleen mogen worden verricht door daarvoor gekwalificeerde medewerkers, niet in het geding komt.

Onderdeel J

Onderdeel J vervangt bijlage D van de Regeling bodemkwaliteit.

In bijlage D wordt aangegeven welke versie van de normdocumenten waarnaar in de Regeling bodemkwaliteit wordt verwezen, is bedoeld. Dit is nodig omdat in de regeling alleen statische verwijzingen naar de normdocumenten mogen worden opgenomen, waarbij in de verwijzing de versie of publicatiedatum wordt aangegeven. Bij een dynamische verwijzing, waarbij geen specifieke versie van een normdocument wordt genoemd, zou een wijziging van het normdocument direct doorwerken in de Regeling bodemkwaliteit zonder dat de Minister daarmee hoeft in te stemmen en de verantwoordelijkheid voor de verwijzing naar het gewijzigde normdocument neemt. Er zijn diverse actualisaties van verwijzingen naar normdocumenten doorgevoerd en er zijn ook enkele nieuwe normdocumenten opgenomen (NEN 5717: 2017 en NEN 5725: 2017). Hieronder volgt per normdocument een korte toelichting.

NEN 5707

Er is verwezen naar een nieuw correctieblad. Hierin is alleen vermeld dat bijlage E van NEN 5707, Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond, komt te vervallen zodra NEN 5717:2017 en NEN 5725:2017, die over het vooronderzoek gaan, zijn gepubliceerd. Er zijn verder geen inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd. Verwijzingen naar NEN 5717, NEN 5720 en NEN 5725 zijn opgenomen in de bepalingen van de Regeling bodemkwaliteit over het vooronderzoek.

NEN 5717: 2017, NEN 5720: 2017 en NEN 5725: 2017

Deze normdocumenten worden omschreven omdat hiernaar wordt verwezen in bepalingen van de Regeling bodemkwaliteit over het vooronderzoek.

De norm voor vooronderzoek van de landbodem NEN 5725 heeft een vergaande revisie ondergaan. In de opzet van het vooronderzoek is een differentiatie aangebracht in de onderzoeksinspanning op basis van de onderzoeksaanleiding. Hierbij varieert de mate van inspanning afhankelijk van de aanleiding.

Hiernaast heeft de normtekst nu een meer procesmatige aanpak die de onderzoeker meer ruimte biedt als de situatie daarom vraagt.

Tot slot wordt in NEN 5725: 2017 ook geregeld hoe in het vooronderzoek moet worden omgegaan met mogelijke verontreiniging van de bodem door asbest. In verband daarmee is het onderdeel vooronderzoek geschrapt in enkele normdocumenten die specifiek in op asbest betrekking hebben. Het gaat om NEN 5707 (asbest in bodem) en NEN 5897 (asbest in bouw- en sloopafval en puingranulaat). Hierdoor zijn alle bepalingen over het vooronderzoek nu bij elkaar gebracht in één norm, namelijk NEN 5725: 2017.

NEN 5753: 2017

In de tekst van het normdocument zijn enkele onduidelijkheden en een onjuistheid in een formule weggenomen.

Artikelen II tot en met VIII

Vanwege de actualisatie van de normdocumenten in bijlage D van de Regeling bodemkwaliteit (zie artikel I, onderdeel I) voor asbest worden behalve de Regeling bodemkwaliteit tevens enkele andere regelingen aangepast waarin naar die normdocumenten wordt verwezen, namelijk de Productenregeling asbest, de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006, de Regeling Europese afvalstoffenlijst, de Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer, de Regeling uniforme saneringen, de Regeling omgevingsrecht en de Regeling financiële bepalingen bodemsanering 2005.

Er is geen overgangsrecht nodig, omdat alleen sprake is van kleine (verduidelijkende) wijzigingen van de desbetreffende normdocumenten. Onder meer wordt het onderdeel van NEN 5707 en NEN 5897 over het vooronderzoek overgeheveld naar de nieuwe NEN 5725 over het vooronderzoek.

In elk van de genoemde regelingen zijn bepalingen met overgangsrecht dat tot 1 september 2017 liep, geschrapt. Deze periode is inmiddels namelijk verstreken.

Artikel IX

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Bij de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding is afgeweken van de minimuminvoeringstermijn van 2 maanden (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, vierde lid).

De reden van deze afwijking is dat hiermee, gelet op de doelgroep, aanmerkelijke ongewenste private of publieke voor of nadelen worden voorkomen (Aanwijzing voor de regelgeving 4.17, vijfde lid, onderdeel a). Zo spoedig mogelijke inwerkingtreding na de bekendmaking van deze regeling is nadrukkelijk de wens van de doelgroep zodat nieuwe inzichten en technische ontwikkelingen hun beslag krijgen.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, S. van Veldhoven-van der Meer


X Noot
1

De internetconsultatie vond plaats in de periode in de periode 7 augustus tot en met 18 september 2017. De versie waarover die onderwerp van consultatie was is te raadplegen op: http://www.internetconsultatie.nl/wijzigingregelingbodemkwaliteit_actualisatie

X Noot
2

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 16 juli 2018, nr. IENW/BSK-2018/143258, houdende wijziging van de Regeling bodemkwaliteit (actualisering verwijzingen normdocumenten 2018.1), Stcrt. 2018, 38 631.

X Noot
3

Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 6 november 2018 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal (Kamerstukken II 2018/19, 30 872, nr. 222).

X Noot
4

Motie van het lid Van Eijs c.s. (Kamerstukken II 2017/18, 27 625, nr. 429).

X Noot
5

Deltares, Verantwoord samenvoegen en splitsen van grondpartijen, 2015, rapportnummer 1210870-00.

X Noot
6

Door de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu bij brief van 29 juni 2011 aangeboden aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken II 2010/11, 30 015, nr. 44.

X Noot
7

Burgercollectief Dreumelse Waard, 4 oktober 2018 Aanwijzingen voor herkomst onbekend deel plastic soep.

Website Burgercollectief Dreumelse Waard, 4 oktober 2018 (http://dreumel.burgercollectief.club/Onderzoek-herkomst-plastic-soep-Over-de-Maas.pdf

X Noot
8

Brief van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 6 november 2018 aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten Generaal (Kamerstukken II 2018/19, 30 872, nr. 222).

X Noot
9

Rechtbank Arnhem 1 november 2011, ECLI:NL:RBARN:2011:BU9551.

X Noot
10

In artikel 2, eerste lid, van die regeling is bepaald: In deze regeling wordt verstaan onder grond: grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. In het tweede lid is bepaald: Onder grond wordt mede verstaan grond die voor ten hoogste 50% (gewichtsprocenten) is vermengd met ander materiaal dan grond (…).

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl