De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op artikel 3, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies;
Besluit:
TOELICHTING
– Artikel I, onderdeel A
Artikel 18, derde lid, wordt geschrapt. Deze bepaling regelt dat indien uit de einddeclaratie
blijkt dat minder dan 60% van het maximumbedrag van de subsidie, als vermeld in de
(laatste) verleningsbeschikking, daadwerkelijk is gerealiseerd, het maximale subsidiepercentage
wordt vastgesteld op 40% (in plaats van 50%). De bepaling is in de regeling opgenomen
met het doel om realistische subsidieaanvragen te ontvangen, dat weer ten goede komt
aan de beheersbaarheid van het ESF-programma. Ze dient te voorkomen dat aanvragers
onnodig een te hoog subsidiebedrag aanvragen en andere aanvragers vanwege het subsidieplafond
voor minder subsidie in aanmerking zouden kunnen komen. Gebleken is dat de bepaling
in de praktijk geen effect heeft op het eerdergenoemde doel. De bepaling geldt namelijk
voor die begunstigden (arbeidsmarktregio’s, UWV, DJI en de G4) die een aanvraag kunnen
indienen voor een specifiek voor hen in de subsidieregeling bepaald subsidiebedrag.
Een aanvraag voor een te groot deel van het beschikbare budget is dan ook niet aan
de orde. De bepaling betekent zodoende een overbodige administratieve last en leidt
tot onnodige onzekerheden voor subsidieontvangers in het proces dat leidt tot de vaststelling
van de subsidie. Om die redenen is besloten om deze bepaling uit de regeling te schrappen.
Naast deze algemene bepaling bevat de regeling in hoofdstuk V (duurzame inzetbaarheid)
specifieke bepalingen voor correcties bij te lage realisatie. Daarvoor gelden de argumenten
voor afschaffing van de algemene bepaling niet. Deze specifieke bepalingen worden
daarom gehandhaafd en in de praktijk ook toegepast.
– Artikel I, onderdeel B, onder 1
In de wijzigingsregeling van 4 juni 2018 (Stcrt. 2018, 32204) is geregeld dat de projectduur van de lopende projecten in de arbeidsmarktregio’s
(gemeenten en VSO-PrO scholen) kan worden verlengd met maximaal 12 maanden. De subsidieontvangers
moeten aangeven of zij van een projectverlenging gebruik wensen te maken. In dat kader
is geregeld dat de subsidieontvangers uiterlijk twee maanden voorafgaand aan de einddatum
van het project, een verzoek tot verlenging moeten indienen.
In de praktijk is echter gebleken dat deze termijn voor een aantal subsidieontvangers
feitelijk niet haalbaar is, omdat de projectperiode op de datum van inwerkingtreding
van de wijzigingsregeling al bijna verstreken was. Met de onderhavige wijziging wordt
dit praktische uitvoeringsprobleem opgelost; de termijn van twee maanden wordt namelijk
geschrapt. Alle subsidieontvangers worden nu individueel door Uitvoering Van Beleid
benaderd en verzocht (binnen een redelijke termijn) kenbaar te maken of zij een verzoek
tot verlenging van de projectduur willen indienen.
– Artikel I, onderdeel B, onder 2 tot en met 7
Dit zijn uitsluitend technische wijzigingen die verband houden met het schrappen van
artikel 18, derde lid.
Artikel II
Aan artikel I, onderdeel A, en onderdeel B, onder 2 tot en met 7, wordt terugwerkende
kracht toegekend tot en met 31 oktober 2016, de datum van indiening van de eerste
einddeclaratie met betrekking tot de aanvraagtijdvakken waarvoor het wenselijk is
dat artikel 18, derde lid, niet meer wordt toegepast. Het toekennen van terugwerkende
kracht aan de wijziging, is in het voordeel van de subsidieontvangers van de betreffende
aanvraagtijdvakken. Voor hen geldt immers dat het maximale subsidiepercentage niet
zal worden vastgesteld op 40% indien uit de einddeclaratie blijkt dat minder dan 60%
van het maximumbedrag van de verleende subsidie daadwerkelijk is gerealiseerd. Deze
'kortingsmaatregel' wordt voor de aanvragers van deze aanvraagtijdvakken namelijk
geschrapt.
Aan artikel I, onderdeel B, onder 1, wordt terugwerkende kracht toegekend tot en met
14 juni 2018, aangezien de voorwaarde dat twee maanden voorafgaand aan de einddatum
van het project een verzoek tot verlenging moest worden ingediend, per die datum inwerking
trad. Het toekennen van terugwerkende kracht aan de wijziging is in het voordeel van
subsidieontvangers.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
T. van Ark