Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2018, 50577Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 3 september 2018, nr. 1381743, tot wijziging van de Regeling financiën hoger onderwijs mede in verband met wijzigingen als gevolg van de begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het begrotingsjaar 2019, in verband met de vaststelling van de hoogte van het wettelijk collegegeld voor het studiejaar 2019–2020 en in verband met het omzetten van bijlage 1 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 naar de Regeling financiën hoger onderwijs

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 2.2, tweede lid, 2.4a, tweede lid, 2.4b, tweede lid, 4.10, derde lid, 4.11, eerste en tweede lid, 4.20, eerste lid, 4.21, eerste en tweede lid, 4.23, eerste en tweede lid, 4.24, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 en artikel 1.7a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Besluit:

ARTIKEL I WIJZIGING VAN DE REGELING FINANCIËN HOGER ONDERWIJS

De Regeling financiën hoger onderwijs wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2. Factoren onderwijs

  • 1. De factoren behorend bij het bekostigingsniveau, bedoeld in artikel 4.10, derde lid, van het besluit, zijn voor bacheloropleidingen en masteropleidingen in het wetenschappelijk onderwijs:

    • a. voor een laag bekostigingsniveau: 1,

    • b. voor een hoog bekostigingsniveau: 1,5, en

    • c. voor een top bekostigingsniveau: 3.

  • 2. De factoren behorend bij het bekostigingsniveau, bedoeld in artikel 4.10, derde lid, van het besluit, zijn voor associate degree-opleidingen, bacheloropleidingen en masteropleidingen in het hoger beroepsonderwijs:

    • a. voor een laag bekostigingsniveau: 1,

    • b. voor een hoog bekostigingsniveau: 1,28, en

    • c. voor een top bekostigingsniveau: 1,5.

  • 3. De bekostigingsniveaus, bedoeld in artikel 1.1. van het besluit, behorend bij opleidingen of groepen van opleidingen, worden vastgesteld overeenkomstig bijlage 11 bij deze regeling.

B

Artikel 4, vierde, vijfde en zesde lid, komen te luiden:

  • 4. Het deel van het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, van het besluit, is 15,10824%.

  • 5. Het deel van het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, van het besluit, is 20,00000%.

  • 6. De bedragen, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid, van het besluit, zijn € 78.110 voor een promotie en € 65.092 voor een ontwerperscertificaat.

C

Artikel 9 komt te luiden:

Artikel 9. Bedragen wettelijk collegegeld

Voor het in de volgende tabel genoemde studiejaar worden na de toepassing van artikel 2.2, tweede lid, 2.4a, tweede lid, en 2.4b, tweede lid, van het besluit, de volgende bedragen van het wettelijk collegegeld vastgesteld:

Vorm wettelijk collegegeld

Studiejaar 2018–2019

Studiejaar 2019–2020

Volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit

€ 2.060

€ 2.083

Gedeeltelijk wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.4a, eerste lid, van het besluit

Minimumbedrag: € 1.226

Maximumbedrag: € 2.060

Minimumbedrag: € 1.240

Maximumbedrag: € 2.083

Collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, van de wet, per studiepunt

Minimumbedrag: € 34,33

Maximumbedrag: € 68,67

Minimumbedrag: € 34,71

Maximumbedrag: € 69,43

Hoger collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, vierde lid, van de wet

Minimumbedrag: € 2.060

Maximumbedrag: € 10.300

Minimumbedrag: € 2.083

Maximumbedrag: € 10.414

Verlaagd wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit

€ 1.030

€ 1.041

Verlaagd gedeeltelijk wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit

Minimumbedrag: € 613

Maximumbedrag: € 1.030

Minimumbedrag: € 620

Maximumbedrag: € 1.041

Verlaagd collegegeld OU, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit, per studiepunt

Minimumbedrag: € 17,17

Maximumbedrag: € 34,33

Minimumbedrag: € 17,36

Maximumbedrag: € 34,71

Verlaagd hoger collegegeld, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit

Minimumbedrag: € 1.030

Maximumbedrag: € 5.150

Minimumbedrag: € 1.041

Maximumbedrag: € 5.207

D

Artikel 17 vervalt.

E

Paragraaf 8a vervalt.

F

Bijlage 1 komt te luiden:

BIJLAGE 1. BIJ ARTIKEL 3, EERSTE LID, ONDERDEEL A, VAN DE REGELING

Bedragen onderwijsopslag universiteiten, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het besluit

Universiteit

Kwaliteit

Kwetsbare opleidingen

Bijzondere voorzieningen

Totaalbedrag

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

   

€ 302.650

€ 302.650

21PB

Universiteit Leiden

 

€ 2.465.028

€ 2.580.067

€ 5.045.095

21PC

Rijksuniversiteit Groningen

 

€ 2.079.001

€ 1.028.154

€ 3.107.155

21PD

Universiteit Utrecht

 

€ 5.473.298

€ 2.682.148

€ 8.155.446

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

 

€ 491.410

€ 9.205.477

€ 9.696.887

21PF

Technische Universiteit Delft

   

€ 15.786.856

€ 15.786.856

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

   

€ 566.246

€ 566.246

21PH

Universiteit Twente

   

€ 14.204.748

€ 14.204.748

21PI

Wageningen University

   

€ 302.091

€ 302.091

21PJ

Universiteit Maastricht

 

€ 592.613

€ 2.473.370

€ 3.065.983

21PK

Universiteit van Amsterdam

 

€ 2.792.645

€ 4.139.780

€ 6.932.425

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

 

€ 1.025.170

€ 3.316.115

€ 4.341.285

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

 

€ 1.520.459

€ 2.056.593

€ 3.577.052

21PN

Tilburg University

 

€ 517.897

€ 247.423

€ 765.320

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

   

€ 4.272

€ 4.272

22NC

Open Universiteit

 

€ 335.377

€ 489.866

€ 825.243

23BF

Universiteit voor Humanistiek

   

€ 3.639

€ 3.639

25AV

Theologische Universiteit Kampen

   

€ 4.238

€ 4.238

 

Totaal

 

€ 17.292.898

€ 59.393.733

€ 76.686.631

G

Bijlage 2 komt te luiden:

BIJLAGE 2. BIJ ARTIKEL 3, EERSTE LID, ONDERDEEL B, VAN DE REGELING

Percentages onderwijsopslag universiteiten, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, van het besluit

Universiteit

Percentage

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

0,88461%

21PB

Universiteit Leiden

9,35199%

21PC

Rijksuniversiteit Groningen

8,99909%

21PD

Universiteit Utrecht

11,76390%

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

6,56247%

21PF

Technische Universiteit Delft

8,09805%

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

5,13676%

21PH

Universiteit Twente

5,42191%

21PI

Wageningen University

3,88027%

21PJ

Universiteit Maastricht

5,24245%

21PK

Universiteit van Amsterdam

12,34374%

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

7,15050%

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

8,35222%

21PN

Tilburg University

3,74281%

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

0,12093%

22NC

Open Universiteit

2,63124%

23BF

Universiteit voor Humanistiek

0,21764%

25AV

Theologische Universiteit Kampen

0,09942%

 

Totaal

100,00000%

H

Bijlage 3 komt te luiden:

BIJLAGE 3. BIJ ARTIKEL 3, TWEEDE LID, ONDERDEEL A, VAN DE REGELING

Bedragen onderwijsopslag hogescholen, bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, van het besluit

Hogeschool

Kwaliteit

Kwetsbare opleidingen

Bijzondere voorzieningen

Totaalbedrag

00IC

Katholieke PABO Zwolle

 

€ 151.421

€ 61.443

€ 212.864

00MF

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

 

€ 382.427

€ 311.898

€ 694.325

01VU

Christelijke Hogeschool Windesheim

 

€ 411.867

€ 642.940

€ 1.054.807

02BY

Gerrit Rietveld Academie

 

€ 828.666

€ 105.230

€ 933.896

02NR

Hotelschool The Hague

   

€ 743.876

€ 743.876

02NT

Design Academy Eindhoven

 

€ 378.443

€ 30.032

€ 408.475

07GR

Avans Hogeschool

 

€ 505.525

€ 329.955

€ 835.480

08OK

Pedagogische Hogeschool De Kempel

 

€ 278.616

€ 65.089

€ 343.705

09OT

Iselinge Hogeschool

 

€ 189.781

€ 79.759

€ 269.540

10IZ

Marnix Academie

 

€ 646.066

€ 144.126

€ 790.192

14NI

Codarts, Hogeschool voor de Kunsten

 

€ 657.665

€ 175.745

€ 833.410

15BK

Driestar educatief

   

€ 99.982

€ 99.982

21CW

HAS Hogeschool

   

€ 37.927

€ 37.927

21MI

HZ University of Applied Sciences

 

€ 720.767

€ 1.377.560

€ 2.098.327

21QA

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

 

€ 646.172

€ 599.762

€ 1.245.934

21RI

Hogeschool Leiden

 

€ 965.409

€ 188.477

€ 1.153.886

21UG

Hogeschool IPABO Amsterdam Alkmaar

 

€ 563.288

€ 64.330

€ 627.618

21UI

NHTV internationale hogeschool Breda

   

€ 234.535

€ 234.535

22HH

Viaa-Gereformeerde Hogeschool

 

€ 961.023

€ 95.893

€ 1.056.916

22OJ

Hogeschool Rotterdam

 

€ 4.173.659

€ 717.707

€ 4.891.366

23AH

Saxion Hogeschool

 

€ 1.372.055

€ 638.690

€ 2.010.745

23KJ

Hogeschool der Kunsten Den Haag

 

€ 599.848

€ 149.729

€ 749.577

25BA

Christelijke Hogeschool Ede

 

€ 858.056

€ 558.679

€ 1.416.735

25BE

Hanzehogeschool Groningen

 

€ 1.776.693

€ 861.643

€ 2.638.336

25DW

Hogeschool Utrecht

 

€ 3.002.349

€ 627.281

€ 3.629.630

25JX

Zuyd Hogeschool

 

€ 1.496.777

€ 615.471

€ 2.112.248

25KB

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

 

€ 1.429.582

€ 871.448

€ 2.301.030

27NF

ArtEZ

 

€ 1.037.987

€ 291.257

€ 1.329.244

27PZ

Hogeschool INHolland

 

€ 3.306.783

€ 446.134

€ 3.752.917

27UM

De Haagse Hogeschool

 

€ 1.984.634

€ 411.188

€ 2.395.822

28DN

Hogeschool van Amsterdam

 

€ 1.273.961

€ 1.154.268

€ 2.428.229

30GB

Fontys Hogescholen

 

€ 4.086.768

€ 1.154.075

€ 5.240.843

30HD

Hogeschool Van Hall Larenstein

   

€ 77.162

€ 77.162

30TX

Aeres Hogeschool

   

€ 64.717

€ 64.717

30VP

Hogeschool Thomas More

   

€ 51.587

€ 51.587

31FR

NHL Stenden Hogeschool

 

€ 2.293.534

€ 599.027

€ 2.892.561

 

Totaal

 

€ 36.979.822

€ 14.678.622

€ 51.658.444

I

Bijlage 4 komt te luiden:

BIJLAGE 4. BIJ ARTIKEL 3, TWEEDE LID, VAN DE REGELING

Percentages onderwijsopslag hogescholen, bedoeld in artikel 4.11, tweede lid, van het besluit

Hogeschool

Percentage

00IC

Katholieke PABO Zwolle

0,15236%

00MF

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

4,46788%

01VU

Christelijke Hogeschool Windesheim

1,63412%

02BY

Gerrit Rietveld Academie

1,50475%

02NR

Hotelschool The Hague

0,23776%

02NT

Design Academy Eindhoven

0,64468%

07GR

Avans Hogeschool

2,55522%

08OK

Pedagogische Hogeschool De Kempel

0,24968%

09OT

Iselinge Hogeschool

0,17681%

10IZ

Marnix Academie

0,37985%

14NI

Codarts, Hogeschool voor de Kunsten

4,04117%

15BK

Driestar educatief

0,31487%

21CW

HAS Hogeschool

1,18994%

21MI

HZ University of Applied Sciences

0,87693%

21QA

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

10,32129%

21RI

Hogeschool Leiden

1,34981%

21UG

Hogeschool IPABO Amsterdam Alkmaar

0,40112%

21UI

NHTV internationale hogeschool Breda

0,42740%

22HH

Viaa-Gereformeerde Hogeschool

0,20393%

22OJ

Hogeschool Rotterdam

4,64702%

23AH

Saxion Hogeschool

3,08990%

23KJ

Hogeschool der Kunsten Den Haag

5,11851%

25BA

Christelijke Hogeschool Ede

0,27853%

25BE

Hanzehogeschool Groningen

5,74675%

25DW

Hogeschool Utrecht

4,02182%

25JX

Zuyd Hogeschool

5,50238%

25KB

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

4,10447%

27NF

ArtEZ

7,18346%

27PZ

Hogeschool INHolland

6,81071%

27UM

De Haagse Hogeschool

2,46711%

28DN

Hogeschool van Amsterdam

3,48280%

30GB

Fontys Hogescholen

8,86237%

30HD

Hogeschool Van Hall Larenstein

2,31956%

30TX

Aeres Hogeschool

1,20073%

30VP

Hogeschool Thomas More

0,10310%

31FR

NHL Stenden Hogeschool

3,93121%

 

Totaal

100,00000%

J

Bijlage 5 komt te luiden:

BIJLAGE 5. BIJ ARTIKEL 4, EERSTE LID, VAN DE REGELING

Bedragen onderzoek universiteiten, bedoeld in artikel 4.23, eerste lid, van het besluit

Universiteit

Bedrag

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

 

21PB

Universiteit Leiden

€ 9.242.489

21PC

Rijksuniversiteit Groningen

€ 6.129.411

21PD

Universiteit Utrecht

€ 10.714.179

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

€ 3.809.259

21PF

Technische Universiteit Delft

€ 8.352.783

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

€ 3.121.903

21PH

Universiteit Twente

€ 7.082.775

21PI

Wageningen University

€ 1.408.130

21PJ

Universiteit Maastricht

€ 131.743

21PK

Universiteit van Amsterdam

€ 3.750.419

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

 

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

€ 9.257.451

21PN

Tilburg University

 

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

 

22NC

Open Universiteit

 

23BF

Universiteit voor Humanistiek

 

25AV

Theologische Universiteit Kampen

 
 

Totaal

€ 63.000.542

K

Bijlage 6 komt te luiden:

BIJLAGE 6. BIJ ARTIKEL 4, TWEEDE LID, VAN DE REGELING

Percentages voorziening onderzoek universiteiten, bedoeld in artikel 4.23, tweede lid, van het besluit

Universiteit

Percentage

00DV

Protestantse Theologische Universiteit

0,25747%

21PB

Universiteit Leiden

7,78527%

21PC

Rijksuniversiteit Groningen

8,38126%

21PD

Universiteit Utrecht

11,24031%

21PE

Erasmus Universiteit Rotterdam

5,05120%

21PF

Technische Universiteit Delft

14,16543%

21PG

Technische Universiteit Eindhoven

7,17056%

21PH

Universiteit Twente

5,92703%

21PI

Wageningen University

7,39466%

21PJ

Universiteit Maastricht

4,90842%

21PK

Universiteit van Amsterdam

9,56558%

21PL

Vrije Universiteit Amsterdam

7,45566%

21PM

Radboud Universiteit Nijmegen

6,82153%

21PN

Tilburg University

2,61632%

21QO

Theologische Universiteit Apeldoorn

0,01103%

22NC

Open Universiteit

1,08434%

23BF

Universiteit voor Humanistiek

0,14522%

25AV

Theologische Universiteit Kampen

0,01871%

 

Totaal

100,00000%

L

In de opschriften van de bijlagen 7, 8 en 10 wordt ‘Regeling’ vervangen door ‘regeling’.

M

Bijlage 9 komt te luiden:

BIJLAGE 9, BEHOREND BIJ ARTIKEL 4, DERDE LID, VAN DE REGELING

Bedragen ontwerp en ontwikkeling hogescholen, bedoeld in artikel 4.24, eerste lid, van het besluit

Hogeschool

Bedrag

00IC

Katholieke PABO Zwolle

€ 63.239

00MF

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht

€ 24.543

01VU

Christelijke Hogeschool Windesheim

€ 263.526

02BY

Gerrit Rietveld Academie

 

02NR

Hotelschool The Hague

 

02NT

Design Academy Eindhoven

 

07GR

Avans Hogeschool

€ 41.920

08OK

Pedagogische Hogeschool De Kempel

€ 57.417

09OT

Iselinge Hogeschool

€ 28.753

10IZ

Marnix Academie

€ 97.546

14NI

Codarts, Hogeschool voor de Kunsten

€ 10.749

15BK

Driestar educatief

€ 82.856

21CW

HAS Hogeschool

 

21MI

HZ University of Applied Sciences

€ 23.200

21QA

Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten

€ 28.216

21RI

Hogeschool Leiden

€ 106.682

21UG

Hogeschool IPABO Amsterdam Alkmaar

€ 67.628

21UI

NHTV internationale hogeschool Breda

 

22HH

Viaa-Gereformeerde Hogeschool

€ 30.993

22OJ

Hogeschool Rotterdam

€ 245.253

23AH

Saxion Hogeschool

€ 71.928

23KJ

Hogeschool der Kunsten Den Haag

€ 4.389

25BA

Christelijke Hogeschool Ede

€ 42.727

25BE

Hanzehogeschool Groningen

€ 110.534

25DW

Hogeschool Utrecht

€ 308.492

25JX

Zuyd Hogeschool

€ 26.514

25KB

Hogeschool van Arnhem en Nijmegen

€ 336.081

27NF

ArtEZ

€ 54.640

27PZ

Hogeschool INHolland

€ 136.242

27UM

De Haagse Hogeschool

€ 81.781

28DN

Hogeschool van Amsterdam

€ 317.360

30GB

Fontys Hogescholen

€ 482.354

30HD

Hogeschool Van Hall Larenstein

 

30TX

Aeres Hogeschool

€ 41.204

30VP

Hogeschool Thomas More

€ 50.161

31FR

NHL Stenden Hogeschool

€ 255.375

 

Totaal

€ 3.492.303

N

Na bijlage 10 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 11, BEHOREND BIJ ARTIKEL 2, DERDE LID, VAN DE REGELING

A. Indeling register en bekostigingsniveaus, bedoeld in artikel 1.1, van het besluit, voor opleidingen van het hoger beroepsonderwijs.
CROHO onderdeel Economie (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Opleiding

Niveau

Ad Facilitair Eventmanagement

Hoog

Ad Facility Management

Hoog

Ad Hotel Management

Hoog

Ad Informatiedienstverlening en -management

Hoog

B Communicatiesystemen

Hoog

B Creative Business

Hoog

B European Studies

Hoog

B Facility Management

Hoog

B Food and Business

Hoog

B Hotel management

Hoog

B Informatiedienstverlening en -management

Hoog

B Journalistiek

Hoog

B Media, Informatie en Communicatie

Hoog

B Oriëntaalse Talen en Communicatie

Hoog

B Vertaalacademie

Hoog

CROHO onderdeel Gedrag en maatschappij (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Opleiding

Niveau

B Vaktherapie

Hoog

CROHO onderdeel Gezondheidszorg (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Opleiding

Niveau

Ad Management in de Zorg

Laag

Ad Zorg en technologie

Laag

B Management in de Zorg

Laag

B Oefentherapie Cesar

Laag

B Opleiding voor Ergotherapie

Laag

B Opleiding voor Logopedie

Laag

B Opleiding tot Fysiotherapeut

Laag

B Opleiding tot Oefentherapeut-Mensendieck

Laag

B Opleiding tot Verpleegkundige

Laag

B Sport, Gezondheid en Management

Laag

B Voeding en Diëtetiek

Laag

B Verloskunde

Top

B Mondzorgkunde

Top

M Advanced Nursing Practice

Top

M Physician Assistant

Top

CROHO onderdeel Landbouw en natuurlijke omgeving (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Opleiding

Niveau

B International Business

Laag

B International Business and Management Studies

Laag

CROHO onderdeel Natuur (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Geen uitzonderingen.

CROHO onderdeel Onderwijs (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Opleiding

Niveau

Ad Pedagogisch Professional Kind en Educatie

Laag

Ad Pedagogisch Educatief Medewerker

Laag

Ad Onderwijsondersteuner Omgangskunde

Laag

Ad Onderwijsondersteuner Gezondheidszorg en Welzijn

Laag

B Learning and Development in Organisations

Laag

B Opleiding tot leraar Basisonderwijs

Laag

B Opleiding tot leraar van de eerste graad in Lichamelijke Opvoeding

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Aardrijkskunde

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Algemene Economie

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Bedrijfseconomie

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Duits

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Engels

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Frans

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Fries

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Geschiedenis

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Godsdienst

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Gezondheidszorg en Welzijn

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Islamgodsdienst

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Maatschappijleer

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Nederlands

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in omgangskunde

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Pedagogiek

Laag

B Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de tweede dan wel eerste graad in Spaans

Laag

M Educational Needs

Laag

M Leraar Aardrijkskunde

Laag

M Leraar Algemene Economie

Laag

M Leraar Bedrijfseconomie

Laag

M Leraar Duits

Laag

M Leraar Engels

Laag

M Leraar Frans

Laag

M Leraar Fries

Laag

M Leraar Geschiedenis

Laag

M Leraar Godsdienst

Laag

M Leraar Maatschappijleer

Laag

M Leraar Nederlands

Laag

CROHO onderdeel Recht (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Geen uitzonderingen.

CROHO onderdeel Sectoroverstijgend (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Opleiding

Niveau

Subonderdeel: Onderwijs/Landbouw en Natuurlijke Omgeving/Natuur/Techniek/Gezondheid

Hoog

CROHO onderdeel Taal en cultuur (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Opleiding

Niveau

Subonderdeel: opleidingen op het gebied van de kunst

Hoog

B Cultureel Erfgoed

Hoog

M Architectuur

Hoog

M Landschapsarchitectuur

Hoog

M Stedenbouw

Hoog

CROHO onderdeel Techniek (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Geen uitzonderingen.

B. Indeling register en bekostigingsniveaus, bedoeld in artikel 1.1, van het besluit, voor opleidingen van het wetenschappelijk onderwijs.

CROHO onderdeel Economie (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Geen uitzonderingen.

CROHO onderdeel Gedrag en maatschappij (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Opleiding

Niveau

B Milieu-maatschappijwetenschappen

Hoog

M Environment and Resource Management

Hoog

M Environment and Society Studies

Hoog

CROHO onderdeel Gezondheidszorg (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Opleiding

Niveau

B Diergeneeskunde

Top

B Geneeskunde

Top

B Klinische Technologie (inclusief joint degree)

Top

B Tandheelkunde

Top

M Arts – Klinisch Onderzoeker (research)

Top

M Diergeneeskunde

Top

M Geneeskunde

Top

M Geneeskunde, klinisch onderzoeker

Top

M Tandheelkunde

Top

M Technical Medicine (inclusief joint degree)

Top

CROHO onderdeel Landbouw en natuurlijke omgeving (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Geen uitzonderingen.

CROHO onderdeel Natuur (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Opleiding

Niveau

B Farmacie

Top

M Farmacie

Top

CROHO onderdeel Onderwijs (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Opleiding

Niveau

M Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in Aardrijkskunde

Laag

M Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in Duitse Taal en Cultuur

Laag

M Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in Engelse Taal en Cultuur

Laag

M Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in Franse Taal en Cultuur

Laag

M Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in Geschiedenis

Laag

M Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in Maatschappijleer

Laag

M Opleiding tot leraar voorgezet onderwijs van de eerste graad in Nederlandse Taal en Cultuur

Laag

M Opleiding tot leraar voortgezet onderwijs van de eerste graad in Spaanse Taal en Cultuur

Laag

CROHO onderdeel Recht (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Geen uitzonderingen.

CROHO onderdeel Sectoroverstijgend (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Opleiding

Niveau

Subonderdeel: Onderwijs/Landbouw en Natuurlijke Omgeving/Natuur/Techniek/Gezondheid

Hoog

CROHO onderdeel Taal en cultuur (standaard niveau bekostiging ‘Laag’)

Geen uitzonderingen.

CROHO onderdeel Techniek (standaard niveau bekostiging ‘Hoog’)

Geen uitzonderingen.

ARTIKEL II WIJZIGING VAN DE REGELING VAN 1 JUNI 2018 (STCRT. 2018, 31665)

De Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 juni 2018, nr. 1357503, tot wijziging van de Regeling financiën hoger onderwijs mede in verband met wijzigingen als gevolg van de eerste suppletoire begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het begrotingsjaar 2018 en in verband met de vaststelling van de hoogte van het wettelijk collegegeld voor het studiejaar 2019–2020 (Stcrt. 2018, 31665) wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel I, onderdeel B, vervalt.

B

Artikel II, tweede lid, vervalt.

ARTIKEL III INWERKINGTREDING

  • 1. De artikelen I, uitgezonderd onderdelen A, C en N, en II treden in werking met ingang van 1 januari 2019.

  • 2. Artikel I, onderdeel A, C en N, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 september 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

TOELICHTING

1. Algemeen

Met deze regeling wordt de Regeling financiën hoger onderwijs gewijzigd. De aanpassingen van de Regeling financiën hoger onderwijs hangen onder meer samen met de berekening van de rijksbijdrage 2019 in overeenstemming met de eerste ontwerpbegroting 2019 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

2. Gevoerd overleg

Een concept van de regeling is voor bestuurlijke reactie voorgelegd aan de VSNU, Vereniging Hogescholen en Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra. De Vereniging Hogescholen en de NFU hebben aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgestelde wijzigingen. De Vereniging Hogescholen geeft aan ervan uit te gaan dat, met de toevoeging van bijlage 11 aan deze regeling, voor alle opleidingen het bekostigingsniveau blijft gelden dat voorheen van toepassing was. Dit is inderdaad het geval. Verschillende universiteiten betreuren de wijze van integratie van Wageningen University in de OCW-bekostigingssystematiek. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft bij de integratie echter een aantal keuzes gemaakt om de in de afgelopen jaren ontstane effecten voor Wageningen University als gevolg van de 2%-regel (de rijksbijdrage van Wageningen University mocht ondanks studentengroei maximaal 2% per jaar groeien) gedeeltelijk te kunnen corrigeren. Als gevolg van de harmonisatie vanaf 2019, is er sprake van een geringe herverdeling voor alle universiteiten. Daarnaast heeft de VSNU nog enkele technische verzoeken ten aanzien van Zwaartekracht en de middelen voor halvering collegegeld via de onderwijsopslag in bedragen. In overleg met de VSNU zal worden bezien in hoeverre het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hieraan invulling kan geven.

3. Uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets

DUO acht de regeling uitvoerbaar en handhaafbaar.

4. Financiële gevolgen

De wijzigingen in deze regeling hebben geen gevolgen voor de Rijksbegroting. Wijziging mede vanwege de eerste en tweede suppletoire (ontwerp-) begrotingen 2019 kan op grond van artikel 2.5, vierde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek nog leiden tot nadere bepaling van de in deze regeling opgenomen bedragen en percentages.

5. Gevolgen administratieve lasten

De regeling heeft geen gevolgen voor administratieve lasten.

Artikelen

Grondslagen

  • In artikel 2.2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (UWHW) is bepaald dat bij ministeriële regeling het bedrag voor het volledig wettelijk collegegeld wordt vastgesteld aan de hand van de consumentenprijsindex. Dit is de grondslag voor het aanpassen van artikel 9 van de Regeling financiën hoger onderwijs (Rfho) waarin de bedragen voor het wettelijk collegegeld zijn opgenomen.

  • In artikel 2.4a, tweede lid, van het UWHW is bepaald dat bij ministeriële regeling het minimumbedrag voor het gedeeltelijk wettelijk collegegeld wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 2.2, tweede en derde lid, van het UWHW. Dit is de grondslag voor het aanpassen van artikel 9 van de Rfho waarin de bedragen voor het gedeeltelijk wettelijk collegegeld zijn opgenomen.

  • In artikel 2.4b, tweede lid, van het UWHW is bepaald dat bij ministeriële regeling de omvang van de verschillende soorten verlaagd wettelijk collegegeld wordt vastgesteld. Dit is de grondslag voor het aanpassen van artikel 9 van de Rfho waarin de verschillende bedragen voor het verlaagd wettelijk collegegeld zijn opgenomen.

  • In artikel 4.10, derde lid, van het UWHW is bepaald dat bij ministeriële regeling de factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van de opleidingen worden vastgesteld. Dit is de grondslag voor het aanpassen van artikel 2 van de Rfho waarin de factoren voor de bekostigingsniveau worden benoemd. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen hbo en wo en tussen associate degree-, bachelor- en masteropleidingen.

  • In artikel 4.11, eerste lid, van het UWHW is bepaald dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit het onderwijsdeel van de rijksbijdrage aan een universiteit onderscheidenlijk hogeschool een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag kan toekennen in relatie tot kwaliteit, kwetsbare opleidingen of bijzondere voorzieningen. Dit is de grondslag voor het aanpassen van bijlage 1 en 3 van de Rfho waarin deze bedragen worden vastgesteld. In artikel 4.11, tweede lid, van het UWHW is bepaald dat het resterende gedeelte van het onderwijsdeel wordt verdeeld over universiteiten onderscheidenlijk hogescholen volgens percentages vastgesteld bij ministeriële regeling. Dit is de grondslag voor het aanpassen van bijlage 2 en 4 van de Rfho waarin deze percentages worden vastgesteld.

  • In artikel 4.20, eerste lid, van het UWHW is bepaald dat bij ministeriële regeling een deel van het onderzoekdeel wo wordt vastgesteld dat over de universiteiten wordt verdeeld naar rato van de som van de aantallen bekostigde graden per opleiding. Dit is de grondslag voor het aanpassen van artikel 4, vierde lid, van de Rfho waarin het deel van het onderzoekdeel wo, dat bestemd is voor de financiering van bekostigde graden, wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het onderzoekdeel.

  • In artikel 4.21, eerste lid, van het UWHW is bepaald dat bij ministeriële regeling een deel van het onderzoekdeel wo wordt vastgesteld dat over de universiteiten wordt verdeeld naar rato van de som van de aantallen proefschriften die hebben geleid tot een promotie en de aantallen ontwerperscertificaten. In artikel 4.21, tweede lid, van het UWHW is vervolgens bepaald dat de per promotie en ontwerperscertificaat toe te kennen bedragen per ministeriële regeling wordt bepaald. Dit is de grondslag voor het aanpassen van artikel 4, vijfde lid, van de Rfho waarin het deel van het onderzoekdeel wo, dat bestemd is voor de financiering van graden en ontwerperscertificaten, wordt vastgesteld in de vorm van een percentage van het onderzoekdeel en artikel 4, zesde lid, van de Rfho waarin de bedragen per promotie en ontwerperscertificaat, voortvloeiend uit artikel 4, vijfde lid, worden vastgesteld.

  • In artikel 4.23, eerste lid, van het UWHW is bepaald dat bij ministeriële regeling bedragen worden vastgesteld, die uit het onderzoekdeel wo aan universiteiten worden toegekend in verband met toponderzoekscholen en bijzondere voorzieningen. Dit is de grondslag voor het aanpassen van bijlage 5 van de Rfho waarin deze bedragen worden vastgesteld. In artikel 4.11, tweede lid, van het UWHW is bepaald dat de verdeling van het resterende gedeelte van het onderzoekdeel over universiteiten bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Dit is de grondslag voor het aanpassen van bijlage 6 van de Rfho waarin deze verdeling, aan de hand van percentages, wordt vastgesteld.

  • In artikel 4.24, eerste lid, van het UWHW is bepaald dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap uit het deel ontwerp en ontwikkeling hbo aan een instelling een bedrag kan toekennen dat bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. Dit is de grondslag voor het aanpassen van bijlage 9 van de Rfho waarin deze bedragen worden vastgesteld.

  • In artikel 1.7a, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek is bepaald dat er bij ministeriële regeling regels kunnen worden gesteld over de uitvoering van een experiment. Dit is de grondslag voor paragraaf 8a ‘experimenten’ van de Rfho die bij deze wijziging van de regeling komt te vervallen.

Artikel I Wijziging van de Regeling financiën hoger onderwijs

A

Bij de wijziging van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 (Staatsblad 2018, nr. 174) zijn factoren behorend bij de bekostigingsniveaus van wo opleidingen komen te vervallen. Deze factoren worden nu vastgesteld in artikel 2, eerste lid, van de regeling. Tevens zijn aan dit artikel de bekostigingsfactoren onderwijs voor de associate degree-opleidingen toegevoegd.

B

Dit onderdeel betreft een wijzigingen van de bedragen voor promoties en ontwerperscertificaten in artikel 4 van de regeling. De bedragen zijn gewijzigd als gevolg van de wijziging van de omvang van het totale onderzoekdeel wo in de rijksbijdrage. Het deel van het onderzoekdeel wo, bedoeld in artikel 4.20, eerste lid, van het besluit, is gewijzigd als gevolg van het onderbrengen van het groen onderwijs bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeerakkoord maatregel kabinet-Rutte III). Tevens is in het vierde en vijfde lid de term ‘percentage’ vervangen door ‘deel van het onderzoekdeel wo’ omdat dit overeenkomt met de formulering in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008.

C

Dit onderdeel betreft een toevoeging van het verlaagd wettelijk collegegeld voor studiejaar 2018–2019. Met de Wet verlaagd wettelijk collegegeld is het wettelijk collegegeld voor eerstejaars studenten in het hoger onderwijs gehalveerd. Ook worden de bedragen voor het studiejaar 2019–2020 opnieuw vastgesteld. Op grond van artikel 2.2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 wordt het wettelijk collegegeld voor het studiejaar 2019–2020 aangepast aan de hand van de consumentenprijsindex. Dit is reeds gebeurd bij een eerdere wijziging van deze regeling (Staatscourant 2018, nr. 31665) maar na publicatie heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek de consumentenprijsindex voor april 2018 bijgesteld. Onder de consumentenprijsindex wordt verstaan: de consumentenprijsindex ‘reeks alle huishoudens’ zoals vastgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het bedrag van het volledig wettelijk collegegeld voor het studiejaar 2018–2019 wordt vermenigvuldigd met 103,11 (indexcijfer april 2018, was eerst 102,89) en gedeeld door 101,98 (indexcijfer april 2017). De hieruit resulterende bedragen zijn afgerond opgenomen in deze regeling conform het onderstaande overzicht voor het studiejaar 2019–2020; zij vervangen vanaf 1 september 2019 de bedragen voor het studiejaar 2018–2019.

In de tabel zijn ook verschillende bedragen opgenomen die strikt genomen niet worden vastgesteld, omdat ze rechtstreeks voortvloeien uit de WHW en het UWHW 2008.1 Om alle verschillende geldende bedragen inzichtelijker te maken, worden ze tezamen met de daadwerkelijk jaarlijks vast te stellen bedragen bekend gemaakt:

 

2018–2019

2019–2020

Niet afgerond

Afgerond

Niet afgerond

Afgerond

Volledig wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit

€ 2.060,06

€ 2.060

€ 2.082,89

€ 2.083

Gedeeltelijk wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.4a, eerste lid, van het besluit

Minimumbedrag: € 1.226,39

Maximumbedrag: € 2.060,06

Minimumbedrag: € 1.226

Maximumbedrag: € 2.060

Minimumbedrag: € 1.239,97

Maximumbedrag: € 2.082,89

Minimumbedrag: € 1.240

Maximumbedrag: € 2.083

Collegegeld OU, bedoeld in artikel 7.45b, eerste lid, van de wet, per studiepunt

Minimumbedrag: € 34,33

Maximumbedrag: € 68,67

Minimumbedrag: € 34,33

Maximumbedrag: € 68,67

Minimumbedrag: € 34,71

Maximumbedrag: € 69,43

Minimumbedrag: € 34,71

Maximumbedrag: € 69,43

Hoger collegegeld, bedoeld in artikel 6.7, vierde lid, van de wet

Minimumbedrag: € 2.060,06

Maximumbedrag: € 10.300,31

Minimumbedrag: € 2.060

Maximumbedrag: € 10.300

Minimumbedrag: € 2.082,89

Maximumbedrag: € 10.414,45

Minimumbedrag: € 2.083

Maximumbedrag: € 10.414

Verlaagd wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit

€ 1.030,03

€ 1.030

€ 1.041,44

€ 1.041

Verlaagd gedeeltelijk wettelijk collegegeld, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit

Minimumbedrag: € 613,19

Maximumbedrag: € 1.030,03

Minimumbedrag: € 613

Maximumbedrag: € 1.030

Minimumbedrag: € 619,99

Maximumbedrag: € 1.041,44

Minimumbedrag: € 620

Maximumbedrag: € 1.041

Verlaagd collegegeld OU, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit, per studiepunt

Minimumbedrag: € 17,17

Maximumbedrag: € 34,33

Minimumbedrag: € 17,17

Maximumbedrag: € 34,33

Minimumbedrag: € 17,36

Maximumbedrag: € 34,71

Minimumbedrag: € 17,36

Maximumbedrag: € 34,71

Verlaagd hoger collegegeld, bedoeld in artikel 2.4b, eerste lid, van het besluit

Minimumbedrag: € 1.030,03

Maximumbedrag: € 5.150,16

Minimumbedrag: € 1.030

Maximumbedrag: € 5.150

Minimumbedrag: € 1.041,44

Maximumbedrag: € 5.207,22

Minimumbedrag: € 1.041

Maximumbedrag: € 5.207

D

Artikel 17 komt te vervallen vanwege het onderbrengen van het groen onderwijs bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeerakkoord maatregel kabinet-Rutte III).

E

Paragraaf 8a komt te vervallen vanwege de beëindiging van het experiment prestatiebekostiging.

F

Dit onderdeel betreft de verhoging vanwege loon- en prijsbijstelling internationale uitgaven 2018 (HGIS) met 0,02490% van alle ‘bedragen onderwijsopslag universiteiten’ in bijlage 1. Daarnaast is er sprake van wijzigingen om de volgende redenen:

  • a. onder de noemer kwetsbare opleidingen zijn de middelen voor het experiment educatieve module voor het jaar 2018 komen te vervallen. De middelen die voor het jaar 2019 bestemd zijn voor het experiment educatieve module worden toegevoegd bij de rijksbijdragebrief die samenhangt met de eerste suppletoire begroting 2019 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Stb. 2016, nr. 145 en brief van 2 juni 2016 met kenmerk 937141).

  • b. onder de noemer bijzondere voorzieningen zijn de volgende incidentele bedragen komen te vervallen: € 263.402 voor versterking vakdidactiek in de bètawetenschappen, € 323.625 voor Promodoc, € 42.025 voor het plan van aanpak kwartiermaker open en verbonden HO, € 204.499 voor de bijdrage leergemeenschap Slotervaart, € 1.215.940 vanwege een correctie van de bekostiging van joint degrees van de Vrije Universiteit Amsterdam, € 1.124.744 vanwege compensatie voor de Open Universiteit naar aanleiding van de gekozen verdeelsystematiek voor de middelen prestatiebox en studievoorschot in 2018 en € 161.949 voor de financiële compensatie van universiteiten waar studenten een diploma behaalden voor een tweede studie zorg/onderwijs in het collegejaar 2016–2017. Deze middelen waren beschikbaar tot en met 2018.

  • c. onder de noemer bijzondere voorzieningen zijn de aflossingen gerealiseerd van het compensatiebedrag invoering bachelor-masterstructuur voor € 7.993.684. Tevens zijn de aflossingen van de kaskorting voor € 3.278.058 gerealiseerd en verdeeld over de desbetreffende universiteiten naar rato van de nog af te lossen bedragen.

  • d. onder de noemer bijzondere voorzieningen zijn in het kader van het programma Holland Scholarship de vanuit OCW beschikbare middelen voor deelnemende universiteiten voor inkomende en uitgaande beurzen herverdeeld op basis van de opgegeven aantallen inkomende en uitgaande beurzen per instelling voor het studiejaar 2018–2019.

  • e. onder de noemer bijzondere voorzieningen is voor het jaar 2019 een bedrag van € 2.176.007 opgenomen ten behoeve van halvering collegegeld eerstejaars studenten HO bij opleidingen met een verhoogd wettelijk collegegeld (kenmerk ‘kleinschalig en intensief’ en Open Universiteit). Universiteiten ontvangen via de rijksbijdrage compensatie voor de Regeerakkoord maatregel ‘halvering collegegeld eerstejaars HO’. Met dit voorstel wordt het wettelijk collegegeld voor eerstejaars studenten in het HO gehalveerd. Opleidingen met het kenmerk kleinschalig en intensief’ en de Open Universiteit mogen een verhoogd wettelijk collegegeld vragen. Dit verhoogde tarief wordt ook gehalveerd en daarvoor ontvangen deze universiteiten extra middelen. De middelen worden verdeeld over Universiteit Leiden, Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Utrecht, Erasmus Universiteit Rotterdam, Universiteit Twente, Universiteit Maastricht, Universiteit van Amsterdam, Vrije Universiteit Amsterdam en de Open Universiteit (brief van 9 april 2018 met kenmerk 1346352).

  • f. onder de noemer bijzondere voorzieningen is voor het jaar 2019 een bedrag van € 200.000 en voor het jaar 2020 een bedrag van € 180.050 vóór indexering opgenomen ten behoeve van projecten naar aanleiding van de Student4Student-campagne. Deze projecten dragen bij aan inclusief hoger onderwijs en gelijke kansen. De projectvoorstellen zijn beoordeeld door ECHO. De middelen worden verdeeld over Universiteit Leiden, Universiteit Utrecht en Erasmus Universiteit Rotterdam (brieven van 23 juli 2018 met kenmerk 1393033, 1390012 en 1393048). De middelen voor 2018 worden toegevoegd bij de wijziging van de regeling die samenhangt met de tweede suppletoire begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2018.

G

Dit onderdeel betreft de aanpassing van de ‘percentages onderwijsopslag universiteiten’ in bijlage 2. Er is sprake van wijzigingen om de volgende redenen:

  • a. De percentages zijn gewijzigd als gevolg van het onderbrengen van het groen onderwijs bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeerakkoord maatregel kabinet-Rutte III). De onderwijsopslag in percentages van Wageningen University (groen onderwijs) is gelijk gesteld aan het bedrag zoals bekend bij de eerste rijksbijdragebrief 2018, de laatste rijksbijdragebrief voor het verschijnen van het Regeerakkoord, inclusief loon- en prijsbijstelling 2018. Daarnaast ontvangt Wageningen University middelen voor het terugdraaien taakstelling groen onderwijs. Deze worden nog apart toegevoegd aan de onderwijsopslag in percentages van Wageningen University, deze middelen zijn specifiek bedoeld voor groen onderwijs. Daarnaast kan dit worden beschouwd als een reparatie van een deel van de gevolgen van de 2%-regel bij Wageningen University in de afgelopen jaren (2% regel hield in dat rijksbijdrage van Wageningen University niet meer dan 2% per jaar mocht toenemen of dalen, ongeacht studentengroei). Het deel van het onderwijsdeel van Wageningen University dat resteert na aftrek van de onderwijsopslag in percentages, zal worden toegevoegd aan de studentgebonden financiering die wordt verdeeld over alle universiteiten.

  • b. aan de onderwijsopslag in percentages van de Open Universiteit is een bedrag van € 1.124.744 vóór indexering toegevoegd vanwege compensatie voor de gekozen verdeelsystematiek van de studievoorschotmiddelen en de middelen prestatiebox. In 2018 ontving de Open Universiteit deze compensatie via de onderwijsopslag in bedragen. De onderwijsopslag in bedragen bestaat uit bedragen die vanwege beleidsmatige overwegingen of bestuurlijke afspraken jaarlijks kunnen wijzigen. Zodra het niet langer nodig is dat deze bedragen vanwege diezelfde overwegingen of bestuurlijke afspraken zichtbaar blijven, worden ze omgezet naar onderwijsopslag in percentages. Dit is sinds 2008 bestendig beleid. Tevens is aan de onderwijsopslag in percentages van de Protestants Theologische Universiteit en de Theologische Universiteit Apeldoorn een bedrag van respectievelijk € 388.873 en € 67.096 vóór indexering toegevoegd vanwege compensatie voor de gekozen verdeelsystematiek van de middelen prestatiebox (brieven van 2 augustus 2018 met kenmerk 1396559 en 1396821).

H

Dit onderdeel betreft de aanpassing van de ‘bedragen onderwijsopslag hogescholen’ in bijlage 3 om de volgende redenen:

  • a. onder de noemer kwetsbare opleidingen is voor het jaar 2019 een bedrag van € 24.829.129 toegevoegd aan de onderwijsopslag van de betreffende hogescholen vanwege een compensatieregeling voor pabo-opleidingen. De middelen zijn afkomstig uit het macrobudget voor hogescholen (brief van 23 mei 2016 met kenmerk 940417 en brieven Vereniging Hogescholen van 15 december 2015 met kenmerk 15-4133 en 14 juli 2016 met kenmerk 16.4263).

  • b. onder de noemer kwetsbare opleidingen is een bedrag van € 4.423.731 toegevoegd vanwege de ophoging van de opleidingscapaciteit voor zorgmasters met inachtneming van het daadwerkelijk aantal bekostigde inschrijvingen bij deze opleidingen per peildatum 2017 en 2011, indien sprake is van een toename van het aantal bekostigde inschrijvingen gedurende deze periode (brief van 29 maart 2012 met kenmerk 384276). De beschikbare middelen worden verdeeld naar rato van het aandeel van een instelling in de toename van het aantal inschrijvingen tussen peildatum 2011 en 2017.

  • c. onder de noemer bijzondere voorzieningen zijn de volgende incidentele bedragen komen te vervallen: € 102.277 voor de eerste landelijke associate degree conferentie, € 20.017.501 voor de bijdrage voor de Centres of Expertise in 2018, € 31.940 ten behoeve van verdere professionalisering van de leden van de raden van toezicht van hogescholen, € 157.113 voor startsubsidies experimenten vraagfinanciering, € 18.421 voor een eenmalige bijdrage aan de opstartkosten van een teach-nasium, € 8.811 voor een bijdrage aan de conferentie bildung en burgerschap en € 427.621 voor de financiële compensatie van hogescholen waar studenten een diploma behaalden voor een tweede studie zorg/onderwijs in het collegejaar 2016–2017. Deze middelen waren beschikbaar tot en met 2018.

  • d. onder de noemer bijzondere voorzieningen zijn de middelen voor restproblematiek herijkt. In 2011 is in het kader van restproblematiek een compensatie via de rijksbijdrage afgesproken voor de bacheloropleiding godsdienst-pastoraal werk vanwege een onbedoeld negatief financieel effect bij de overgang naar een nieuwe bekostigingssystematiek. Deze middelen zijn afkomstig uit het macrobudget voor hogescholen. Aan de Vereniging Hogescholen is gevraagd om vast te stellen of continuering van de bedragen, die aan de zes betrokken hogescholen zijn toegekend, noodzakelijk is. De Vereniging Hogescholen heeft verzocht om vier van de zes hogescholen die de opleiding nog aanbieden te blijven compenseren en de compensatiebedragen voor deze hogescholen te herijken op basis van actuele gegevens over het aantal inschrijvingen en deze over vijf jaar opnieuw te evalueren. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft dit voorstel overgenomen. De vier betreffende hogescholen ontvangen derhalve tot en met 2023 de volgende bedragen: € 145.825 voor Christelijke Hogeschool Windesheim, € 53.725 voor Viaa-Gereformeerde Hogeschool, € 491.200 voor Christelijke Hogeschool Ede en € 46.050 voor Fontys Hogescholen (brief van 30 mei 2018 met kenmerk 1359211).

  • e. onder de noemer bijzondere voorzieningen zijn in het kader van het programma Holland Scholarship de vanuit OCW beschikbare middelen voor deelnemende hogescholen voor inkomende en uitgaande beurzen herverdeeld op basis van de opgegeven aantallen inkomende en uitgaande beurzen per instelling voor het studiejaar 2018–2019.

  • f. onder de noemer bijzondere voorzieningen is voor het jaar 2019 een bedrag van € 3.249.005 opgenomen ten behoeve van halvering collegegeld eerstejaars studenten HO bij opleidingen met een verhoogd wettelijk collegegeld (kenmerk ‘kleinschalig en intensief’) en ten behoeve van halvering collegegeld tweedejaars studenten HO bij lerarenopleidingen. Hogescholen ontvangen via de rijksbijdrage compensatie voor de Regeerakkoord maatregel ‘halvering collegegeld eerstejaars HO’. Met dit voorstel wordt het wettelijk collegegeld voor eerstejaars studenten in het HO en tweedejaars studenten bij lerarenopleidingen gehalveerd. Opleidingen met het kenmerk ‘kleinschalig en intensief’ mogen een verhoogd wettelijk collegegeld vragen. Dit verhoogde tarief wordt ook gehalveerd en daarvoor ontvangen deze hogescholen extra middelen. Voor lerarenopleiding geldt de halvering van het collegegeld niet alleen in het eerste jaar, maar ook in het tweede jaar van de opleiding. De desbetreffende hogescholen ontvangen ook hiervoor extra middelen via de onderwijsopslag in bedragen (brief van 9 april 2018 met kenmerk 1346352).

  • g. onder de noemer bijzondere voorzieningen is voor het jaar 2019 een bedrag van € 530.000 en voor het jaar 2020 een bedrag van € 430.474 vóór indexering opgenomen ten behoeve van projecten naar aanleiding van de Student4Student-campagne. Deze projecten dragen bij aan inclusief hoger onderwijs en gelijke kansen. De projectvoorstellen zijn beoordeeld door ECHO. De middelen worden verdeeld over Christelijke Hogeschool Windesheim, Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, Hogeschool Rotterdam, Saxion Hogescholen, Hogeschool van Amsterdam en Fontys Hogescholen (brieven van 23 juli 2018 met kenmerk 1393044, 1393039, 1393058, 1393060, 1393059 en 1393056). De middelen voor 2018 worden toegevoegd bij de wijziging van de regeling die samenhangt met de tweede suppletoire begroting van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2018.

I

Dit onderdeel betreft de aanpassing van de ‘percentages onderwijsopslag hogescholen’ in bijlage 4. De percentages zijn gewijzigd als gevolg van het onderbrengen van het groen onderwijs bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeerakkoord maatregel kabinet-Rutte III). De onderwijsopslag in percentages van de groene hogescholen is gelijk gesteld aan het bedrag zoals bekend bij de eerste rijksbijdragebrief 2018, de laatste rijksbijdragebrief voor het verschijnen van het Regeerakkoord, inclusief loon- en prijsbijstelling 2018. Daarnaast ontvangen de groene hogescholen middelen voor het terugdraaien taakstelling groen onderwijs. Deze worden nog apart toegevoegd aan de onderwijsopslag in percentages van de groene hogescholen, deze middelen zijn specifiek bedoeld voor groen onderwijs. Het deel van het onderwijsdeel van de groene hogescholen dat resteert na aftrek van de onderwijsopslag in percentages, zal worden toegevoegd aan de studentgebonden financiering die wordt verdeeld over alle hogescholen.

J

Dit onderdeel betreft de verhoging vanwege loon- en prijsbijstelling internationale uitgaven 2018 (HGIS) met 0,02383% van alle ‘bedragen voorziening onderzoek universiteiten’ in bijlage 5. Daarnaast is er sprake van wijzigingen om de volgende redenen:

  • a. de bedragen zijn gewijzigd als gevolg van het overhevelen van een bedrag van € 120.719.121 vóór indexering voor profilering op onderzoek dat bijdraagt aan de Nationale Wetenschapsagenda van de voorziening onderzoek in bedragen naar de voorziening onderzoek in percentages. Dit bedrag is in 2017 beschikbaar gekomen door het aftoppen van de promotiecomponent in het onderzoekdeel op 20%. De voorziening onderzoek in bedragen bestaat uit bedragen die vanwege beleidsmatige overwegingen of bestuurlijke afspraken jaarlijks kunnen wijzigen. Zodra het niet langer nodig is dat deze bedragen vanwege diezelfde beleidsmatige overwegingen of bestuurlijke afspraken als zodanig zichtbaar blijven, worden ze omgezet naar de voorziening onderzoek in percentages. Dit is sinds 2008 bestendig beleid.

  • b. aan de voorziening onderzoek in bedragen van Wageningen University een bedrag van € 1.407.795 vóór indexering toegevoegd als gevolg van het onderbrengen van het groen onderwijs bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeerakkoord maatregel kabinet-Rutte III). Dit bedrag ontvingen zij voorheen via het Ministerie van Economische Zaken (het huidige Ministerie van Economische Zaken en Klimaat) en betreft een bijdrage voor het International Soil Reference and Information Centre (ook wel aangeduid als Bodemarchief).

K

Dit onderdeel betreft de aanpassing van de ‘percentages voorziening onderzoek universiteiten’ in bijlage 6. Er is sprake van wijzigingen om de volgende redenen:

  • a. de percentages zijn gewijzigd als gevolg van het onderbrengen van het groen onderwijs bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Regeerakkoord maatregel kabinet-Rutte III). De voorziening onderzoek in percentages van Wageningen University wordt bepaald door het beschikbare middelen voor het onderzoekdeel van Wageningen University te verminderen met het benodigde budget voor graden, promoties en de voorziening onderzoek in bedragen van Wageningen University zoals deze bekend waren bij de tweede rijksbijdragebrief 2018. Het resterende bedrag is beschikbaar voor de voorziening onderzoek in percentages van Wageningen University. Het onderzoekdeel van Wageningen University, zoals beschikbaar gesteld door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, kent tot en met 2023 een oploop. De oploop zal ieder jaar tot en met 2023 toegevoegd worden aan de voorziening onderzoek in percentages van Wageningen University. Dit kan worden beschouwd als een reparatie van een deel van de gevolgen van de 2%-regel bij Wageningen University in de afgelopen jaren (2% regel hield in dat rijksbijdrage van Wageningen University niet meer dan 2% per jaar mocht toenemen of dalen, ongeacht studentengroei).

  • b. daarnaast zijn de percentages gewijzigd als gevolg van het overhevelen van middelen voor profilering Nationale Wetenschapsagenda van de voorziening onderzoek in bedragen naar de voorziening onderzoek in percentages. Het bedrag van € 120.719.121 (dit is inclusief de middelen voor Wageningen University, te weten groen onderwijs) vóór indexering wordt aan de voorziening onderzoek in percentages van universiteiten toegevoegd conform de verdeling zoals deze was in de voorziening onderzoek in bedragen.

L

Dit betreft een wijziging van de opschriften van de bijlagen 7, 8 en 10 van de regeling.

M

Dit onderdeel betreft de aanpassing van de ‘bedragen ontwerp en ontwikkeling hogescholen’ in bijlage 9. De hogescholen die lerarenopleidingen verzorgen ontvangen een bedrag bepaald in de regeling. De verdeling van het bedrag wordt jaarlijks herijkt op basis van het aantal bekostigde inschrijvingen bij lerarenopleidingen.

N

Dit onderdeel betreft de overheveling van bijlage 1 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 naar de Regeling financiën hoger onderwijs. Tevens is het overzicht geactualiseerd aan de hand van een aantal doorgevoerde wijzigingen, bijvoorbeeld het verwijderen van gestopte opleidingen. De bijlage wordt overgeheveld naar de regeling om in de toekomst sneller wijzigingen door te kunnen voeren zodat het overzicht actueel blijft.

Artikel II Wijziging van de regeling van 1 juni 2018 (Stcrt. 2018, 31665)

In de regeling van 1 juni 2018 (Stcrt. 2018, 31665) worden ook de artikelleden van artikel 9 gewijzigd (artikel I, onderdeel B) als in artikel I, onderdeel C, van onderhavige regeling. De inwerkingtredingsdatum van beide wijzigingen is op 1 september 2019. Om te voorkomen dat de wijzigingsopdracht uit onderhavige regeling niet uitvoerbaar is, komt artikel I, onderdeel B, van de regeling van 1 juni 2018 (Stcrt. 2018, 31665) te vervallen.

Artikel III Inwerkingtreding

Artikel I, uitgezonderd onderdeel A, C en N, en artikel II treden in werking met ingang van 1 januari 2019.

Artikel I, onderdeel A, C en N, hebben betrekking op het collegegeld voor het studiejaar 2018–2019 en op het vervallen van de artikelen met betrekking tot factoren behorend bij het bekostigingsniveau van opleidingen en bijlage 1 in het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 per 1 september 2018, en treden daarom met terugwerkende kracht in werking per 1 september 2018.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Dit geldt voor het maximumbedrag van het gedeeltelijk wettelijk collegegeld, het minimum- en maximumbedrag van het hogere wettelijk collegegeld, de bedragen van het collegegeld OU en de verschillende bedragen van het verlaagd wettelijk collegegeld.