Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2018, 40633Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 11 juli 2018, nr. WJZ/18109209, houdende wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2018 in verband met de introductie van de subsidiemodule Beleidsexperiment menselijk kapitaal

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 4, 5, eerste en tweede lid, 16, 17, eerste, derde en vierde lid, 18, eerste en vijfde lid, 19, tweede en derde lid, 23, 25 en 34, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZ-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 wordt in de alfabetische volgorde een begripsbepaling ingevoegd, luidende:

grote onderneming:

onderneming als bedoeld in artikel 2, onderdeel 24, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;.

B

In artikel 3.19.1 vervalt de begripsbepaling grote onderneming.

C

Aan hoofdstuk 3 wordt een titel toegevoegd, luidende:

TITEL 3.21. BELEIDSEXPERIMENT MENSELIJK KAPITAAL

Artikel 3.21.1. Begripsomschrijvingen

In deze titel wordt verstaan onder:

anticipeerregio:

regio, opgenomen in bijlage 3.21.1, onderdeel B;

gedragswetenschappelijke inzichten:

combinatie van inzichten uit de psychologie, cognitieve wetenschappen en de sociale en economische wetenschappen, onderbouwd door empirisch bewijs, in de wijze waarop mensen keuzes maken;

krimpregio:

regio, opgenomen in bijlage 3.21.1, onderdeel A;

menselijk kapitaal:

kennis en vaardigheden die mensen in staat stellen om economische en maatschappelijke waarde te creëren;

leercultuur:

cultuur waarbij leren gedurende het werkende leven een vanzelfsprekendheid is en er continue aandacht bestaat voor het op peil houden van kennis en vaardigheden;

technische sectoren:

sectoren winning van delfstoffen, industrie, productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht, winning en distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering, bouwnijverheid en informatie en communicatie.

Artikel 3.21.2. Subsidieaanvraag

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een MKB-ondernemer of een samenwerkingsverband bestaande uit ondernemers, kennisinstellingen of andere organisaties, waarvan ten minste 65% van het totaal aan deelnemers MKB-ondernemer is, voor een project dat tot doel heeft oplossingen te bieden voor knelpunten voor MKB-ondernemers in technische sectoren om te investeren in scholing en ontwikkeling van huidig of toekomstige werkenden en dat betrekking heeft op een van de volgende categorieën:

  • a. het bevorderen van regionale samenwerking ten aanzien van menselijk kapitaal tussen kleine of middelgrote ondernemingen enerzijds en grote ondernemingen anderzijds in technische sectoren;

  • b. het versterken van een leercultuur binnen kleine en middelgrote ondernemingen in technische sectoren;

  • c. het stimuleren van samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen in technische sectoren enerzijds en onderwijsinstellingen anderzijds ten behoeve van het vergroten van de vraag naar beroepsgerichte opleidingen of het aanbod of de kwaliteit van technische docenten;

  • d. het oplossen van huidige of toekomstige tekorten aan werkenden in technische sectoren in krimpregio’s of anticipeerregio’s; of

  • e. het anticiperen op marktontwikkelingen die voorvloeien uit de klimaat- en energietransitie.

Artikel 3.21.3. Hoogte subsidie
  • 1. De subsidie bedraagt voor een mkb-ondernemer 100% van de subsidiabele kosten doch minder dan € 125.000.

  • 2. De subsidie bedraagt voor een samenwerkingsverband 100% van de subsidiabele kosten doch ten hoogste € 200.000, met dien verstande dat de subsidie per deelnemer aan het samenwerkingsverband minder dan € 125.000 bedraagt.

Artikel 3.21.4. Verdeling subsidieplafond

De Minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen.

Artikel 3.21.5. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is één jaar.

Artikel 3.21.6. Afwijzingsgronden

De Minister besluit afwijzend op een aanvraag, indien:

  • a. de kwaliteit van het projectplan onvoldoende is;

  • b. het projectplan onvoldoende inzicht geeft in de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten;

  • c. het project naar verwachting niet leidt tot een voldoende mate van vernieuwing;

  • d. het project naar verwachting onvoldoende bijdraagt aan het doel, genoemd in artikel 3.21.2;

  • e. de aanvrager bij de aanvraag niet heeft ingestemd met het verlenen van medewerking aan een evaluatie van de effecten van deze titel.

Artikel 3.21.7. Adviescommissie
  • 1. Er is een Adviescommissie beleidsexperiment menselijk kapitaal die tot taak heeft de Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 en 23 van het besluit en artikel 3.21.6, en de rangschikkingscriteria, bedoeld in artikel 3.21.8.

  • 2. De commissie bestaat uit ten minste 3 en ten hoogste 5 leden.

  • 3. De voorzitter en de andere leden van de commissie worden door de Minister voor een termijn van ten hoogste een jaar benoemd.

Artikel 3.21.8. Rangschikkingscriteria
  • 1. De Minister kent aan de aanvraag een hoger aantal punten toe naarmate:

    • a. het project meer bijdraagt aan de verwezenlijking van het doel, genoemd in artikel 3.21.2;

    • b. het project naar verwachting kwalitatief beter of innovatiever is;

    • c. er binnen het project meer relevante gedragswetenschappelijke inzichten worden toegepast;

    • d. de verwachte projectresultaten meer perspectief bieden voor toepassing op grotere schaal.

  • 2. De Minister kent per onderdeel van het eerste lid ten minste één en ten hoogste 10 punten toe.

  • 3. Voor de rangschikking wordt het aantal punten gegeven voor het eerste lid, onderdeel b, vermenigvuldigd met twee.

  • 4. De Minister rangschikt de aanvragen waarop niet afwijzend is beslist hoger naarmate in totaal meer punten aan het project zijn toegekend.

Artikel 3.21.9. Verplichtingen subsidieontvanger
  • 1. Met de uitvoering van het project wordt gestart binnen drie maanden na de aanvraag voor subsidie.

  • 2. De subsidieontvanger verleent gedurende twee jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling medewerking aan een evaluatie van de effecten van het door hem uitgevoerde project, bedoeld in artikel 3.21.2, voor zover deze medewerking redelijkerwijs van hem verlangd kan worden.

Artikel 3.21.10. Informatieverplichtingen

Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 3.21.2. bevat:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder het nummer waaronder de onderneming geregistreerd is bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres;

  • c. gegevens over het project, waaronder de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten, de omvang van de gevraagde subsidie en een samenvatting van het project;

  • d. antwoorden op vragen ten aanzien van bedrijfsspecifieke informatie, waaronder investeringen in menselijk kapitaal, die in het middel, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van het besluit zijn opgenomen ten behoeve van een nulmeting;

  • e. een verklaring de-minimissteun.

Artikel 3.21.11. Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.21.2, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Artikel 3.21.12. Vervaltermijn

Deze titel en bijlage 3.21.1 vervallen met ingang van 1 januari 2021 met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

D

Na bijlage 3.20.1 wordt een bijlage toegevoegd, luidende:

BIJLAGE 3.21.1., BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.21.1 VAN DE REGELING NATIONALE EZ-SUBSIDIES

A

Krimpregio’s zijn:

Krimpregio

Gemeenten

Eemsdelta

Appingedam

Delfzijl

Loppersum

Oost-Groningen

Oldambt

Pekela

Stadskanaal

Veendam

Westerwolde

Hoogeland

De Marne

Eemsmond

Parkstad Limburg

Brunssum

Heerlen

Kerkrade

Nuth

Landgraaf

Onderbanken

Simpelveld

Voerendaal

Maastricht-Mergelland

Eijsden-Margraten

Gulpen-Wittem

Maastricht Meerssen Vaals Valkenburg aan de Geul

Westelijke Mijnstreek

Beek

Schinnen

Sittard-Geleen

Stein

Zeeuws-Vlaanderen

Hulst

Sluis

Terneuzen

Achterhoek

Aalten

Bronckhorst

Berkelland

Doetinchem

Montferland

Oost Gelre

Oude IJsselstreek

Winterswijk

Noordoost-Friesland

Achtkarspelen

Dantumadeel

Dongeradeel

Ferwerderadeel

Kollumerland C.A.

Tietjersteradeel

B

Anticipeerregio’s zijn:

Anticipeerregio

Gemeenten

Noordwest Friesland

Harlingen

Waadhoeke

Friese Waddeneilanden

Ameland

Schiermonnikoog

Terschelling

Vlieland

Zuidoost Friesland

Heerenveen

Ooststellingwerf

Opsterland

Smallingerland

Weststellingwerf

Oost Drenthe

Aa en Hunze

Borger-Odoorn

Coevorden

Emmen

Kop van Noord-Holland

Den Helder

Hollands Kroon

Schagen

Texel

Schouwen-Duiveland

Schouwen-Duiveland

Walcheren

Middelburg

Veere

Vlissingen

Hoeksche Waard

Binnenmaas

Cromstrijen

Korendijk

Oud-Beijerland

Strijen

Krimpenerwaard

Krimpenerwaard

Noord-Limburg

Beesel

Bergen

Gennep

Horst aan de Maas

Mook en Middelaar

Peel en Maas

Venlo

Venray

Midden-Limburg

Echt-Susteren

Leudal

Maasgouw

Nederweert

Roerdalen

Roermond

Weert

ARTIKEL II

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2018 wordt onder de rij met titel 3.20 een rij ingevoegd, luidende:

Titel 3.21 Beleidsexperiment menselijk kapitaal

3.21.2

   

03-09-2018 t/m 20-09-2018

€ 2.000.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 juli 2018

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Aanleiding en doel

Investeringen in onderwijs en ontwikkeling van werkenden (zittend en toekomstig) zijn essentieel voor het concurrentievermogen van Nederland. Uit cijfers van het CBS blijkt dat mkb-ondernemers, met name in de technische sectoren, onvoldoende investeren in de ontwikkeling van werkenden, door middel van scholing en onderwijs.1 Het is belangrijk om het technisch arbeidspotentieel te versterken, met het oog op de snelle technologische ontwikkelingen, globalisering en maatschappelijke uitdagingen. Ook is het de verwachting dat de vraag naar technisch geschoolden sneller stijgt dan de instroom vanuit het onderwijs. 2

Op basis van de wetenschappelijke literatuur en verschillende gesprekken met mkb-ondernemers zijn grofweg drie categorieën belemmeringen te onderscheiden.3

  • Kennis en informatie-aspecten: Ondernemers zijn bijvoorbeeld niet altijd op de hoogte van de mogelijkheden om te investeren in onderwijs en ontwikkeling.

  • Financiële aspecten: Ondernemers zijn bijvoorbeeld niet altijd in staat om te investeren in onderwijs en ontwikkeling omdat zij dit niet altijd terug (denken te) verdienen.

  • Locatie aspecten: Er zijn in de omgeving bijvoorbeeld niet altijd voldoende locaties waar onderwijs wordt aangeboden.

Deze belemmeringen leiden er in de praktijk toe dat een ondernemer niet wil of kan investeren in scholing en onderwijs. Het komt regelmatig voor dat mkb-ondernemers tegelijkertijd meerdere soorten belemmeringen ervaren. De verschillende belemmeringen kunnen daarom niet los van elkaar gezien worden.

Om bij te dragen aan een oplossing voor deze problematiek wordt een subsidiemodule (Mkb !dee) geïnitieerd die tot doel heeft dat de handelingsmogelijkheden voor mkb’ers in technische sectoren om te investeren in scholing en onderwijs van werkenden, toenemen. De gedachte achter Mkb !dee is dat het veld de mogelijkheid krijgt oplossingen aan te dragen om de belemmeringen die mkb-ondernemers ervaren, weg te nemen. De verwachting is dat deze aanpak vernieuwende ideeën en inzichten oplevert.

Deze subsidiemodule heeft een experimenteel karakter. Het doel is drieledig.

  • Het ophalen van informatie bij ondernemers (technisch mkb) over hun behoeften op het gebied van investeren in menselijk kapitaal, ten behoeve van een bestendige subsidiemodule. Dit gebeurt aan de hand van de projecten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (zowel de aanvragen die worden toegewezen als degene die worden afgewezen).

  • Het inzichtelijk maken voor mkb-ondernemers in de technische sector welke waarde en spillovers (individuele) investeringen in onderwijs en ontwikkeling van werkenden (zittend en toekomstig) hebben.

  • Meer en (nog) beter opgeleide technici, doordat de handelingsmogelijkheden voor mkb’ers om te investeren in scholing en ontwikkeling, worden vergroot.

De subsidiemodule is in eerste instantie gericht op het technisch mkb. Deze keuze is gemaakt om het beleidsexperiment behapbaar te houden én omdat de noodzaak voor investering in scholing en ontwikkeling bij het technisch mkb hoog is. Geregeld is dat de module ook het jaar daarna (wellicht verbreed qua reikwijdte) nog opengesteld kan worden. De in het kader van deze experimentele module verzamelde gegevens kunnen worden gebruikt voor de vormgeving van een bestendige module, gericht op scholing en ontwikkeling van werkenden.

2. De regeling

2.1. Subsidieaanvraag

Er kan subsidie worden aangevraagd voor een project dat oplossingen biedt voor knelpunten die mkb-ondernemers in technische sectoren belemmeren om te investeren in scholing en ontwikkeling van huidig of toekomstig werkenden. Daarnaast moet het project passen binnen één van de volgende categorieën:

  • Het bevorderen van regionale samenwerking ten aanzien van menselijk kapitaal tussen kleine of middelgrote ondernemingen enerzijds en grote ondernemingen anderzijds in technische sectoren.

    Voor zowel grootbedrijf als (toeleverend) mkb is het noodzakelijk dat er voldoende aandacht is voor onderwijs en ontwikkeling. In de praktijk (en uit onderzoeken) blijkt dat grootbedrijf veelal beter in staat is dan mkb om voldoende aandacht, tijd en geld te besteden aan menselijk kapitaal en dat het gezamenlijk door mkb en grootbedrijf opstarten van projecten kostbaar is. Onder deze categorie is het de bedoeling dat slimme manieren van regionale samenwerking tussen mkb en grootbedrijf op het gebied van onderwijs en ontwikkeling van personeel worden ontwikkeld, waardoor de mogelijkheden – en prikkels – tot handelen voor het mkb, toenemen.

  • Het versterken van een leercultuur binnen kleine en middelgrote ondernemingen in technische sectoren.

    Een leercultuur is essentieel voor mkb’ers in technische sectoren om werkenden te kunnen aantrekken en behouden. Van belang is dat er binnen bedrijven een cultuur ontstaat waarbij leren gedurende het werkende leven een vanzelfsprekendheid is en er continue aandacht bestaat voor het op peil houden van kennis en vaardigheden. De leercultuur speelt in op kansen en uitdagingen omtrent menselijk kapitaal en innovatie. Het draagt er aan bij dat het mkb in staat is om functies te bieden waar ontwikkeling van de werkende belangrijk is. Mkb’ers ontberen soms de omvang of kennis om een leercultuur te laten ontstaan, gericht te houden op het belang van bedrijf én diegenen die bij het bedrijf werken of überhaupt in stand te houden. Binnen deze categorie is het bedoeling dat manieren worden ontwikkeld waarop mkb’ers in technische sectoren op een duurzame manier een sterke leercultuur kunnen laten groeien. Het mkb kan en zo een aantrekkelijke en relevante werkgever worden of blijven, ook voor groepen die nu in mindere mate in technische sectoren werken, zoals vrouwen.

  • Het stimuleren van samenwerking tussen kleine en middelgrote ondernemingen in technische sectoren enerzijds en onderwijsinstellingen anderzijds ten behoeve van het vergroten van de vraag naar beroepsgerichte opleidingen of het aanbod of de kwaliteit van technische docenten.

    Om voldoende technici op te leiden zijn voldoende docenten nodig die op de hoogte zijn van de laatste ontwikkelingen in hun vakgebied. Weinig mensen kiezen echter een opleiding tot docent voor het beroepsonderwijs. Een oplossing kan zijn dat bedrijven werkenden stimuleren om ook deels aan de slag te gaan als docent. Hier zijn al verschillende succesvolle pilots op gedraaid. Uit de pilots blijkt een aantal belemmerende factoren om werknemers deels als docent te laten werken. De werkende gaat (over het algemeen) minder verdienen omdat de inkomsten uit onderwijs lager zijn, of de betreffende persoon drukt op de begroting van de ondernemer. Ook speelt mee dat er een perceptie is dat er belemmerende wet- en regelgeving is. En tot slot vergt het docentschap inzet waartoe niet iedereen bereid is. Beroepsgerichte opleidingen worden door het bedrijfsleven gezien als een waardevolle manier om mensen op te leiden binnen de context van het bedrijf. Beroepsbegeleidende Leerplekken (BBL) zijn hier een voorbeeld van. Echter, investeren in een beroepsgerichte opleiding is kostbaar voor een ondernemer omdat de student begeleid moet worden, een loon krijgt en nog niet volledig productief is. In tijden van recessie zijn deze plekken vaak erg kwetsbaar, met nadelige langetermijngevolgen voor werkende, ondernemer en sector. Onder deze categorie wordt gevraagd om mechanismen te bedenken en te initiëren die deze belemmerende factoren voor technische ondernemers wegnemen.

  • Het oplossen van huidige of toekomstige tekorten aan werkenden in technische sectoren in krimpregio’s of anticipeerregio’s.

    In Nederland zijn bepaalde regio’s waarin het bevolkingsaantal terugloopt aangemerkt als krimp- en anticipeerregio’s (Kamerstukken II, 2014, 2015, 31 757 nr. 74). Deze regio’s verschillen veelal in hun arbeidsmarktstructuur en uitdagingen. Zo zijn er gebieden met een tekort aan arbeidskrachten of een tekort aan banen. Soms is er sprake van hoge werkeloosheid onder bijvoorbeeld technisch geschoolden in een bepaalde sector, terwijl de regio verschillende (andere) uitdagingen kent waarvoor technici nodig zijn. Een goede aansluiting tussen arbeidsvraag- en aanbod is van belang, mede om te werken aan maatschappelijke uitdagingen, zoals de klimaat- en energietransitie. Een individuele mkb’er in een technische sector ziet weinig kansen om te handelen, onder andere omdat onduidelijk is welk bedrijf in de nabije toekomst nieuwe mensen nodig heeft. In sommige delen van Nederland wordt daartoe gewerkt met pools van technici die van het ene naar het andere bedrijf overstappen. Gevraagd wordt om een project te ontwikkelen waarmee technische mkb’ers in krimp- en anticipeergebieden worden geholpen in te spelen op de arbeidsbehoeftes voor technisch geschoold personeel.

  • Het anticiperen op marktontwikkelingen die voorvloeien uit de klimaat- en energietransitie.

    De belemmering voor de energie- en klimaattransitie is geen tekort aan geld of ideeën is, maar een tekort aan voldoende goed geschoolde mensen die de ideeën kunnen toepassen.4 In zekere zin geldt hiervoor hetzelfde als voor de krimpgebieden: de individuele technische mkb’er heeft in mindere mate kennis, kunde of middelen om tijdig te handelen. Daarom wordt gevraagd om een project dat bijdraagt aan voldoende goed geschoolde technici die bijdragen aan het tackelen van de grootste uitdaging van de komende tijd: de klimaat- en energietransitie.

Op dit moment kan enkel subsidie worden aangevraagd voor projecten die gericht zijn op technische sectoren. Dit zijn de sectoren: winning van delfstoffen, industrie, productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht, winning en distributie van water, afval- en afvalwaterbeheer en sanering, bouwnijverheid en informatie en communicatie.

Omdat de belemmeringen om te investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden zich vooral bij mkb-ondernemers manifesteren, kan deze subsidie worden aangevraagd door mkb-ondernemers. Daarnaast kan subsidie worden aangevraagd door een samenwerkingsverband. Aan dit samenwerkingsverband moeten in ieder geval mkb-ondernemers deelnemen (65% van het totaal aantal deelnemers). Daarnaast kunnen andere (grote) ondernemingen en andere organisaties (bijvoorbeeld kennisinstellingen, O&O-fondsen, brancheverenigingen en stichtingen), deelnemen aan het samenwerkingsverband. Uit welke partijen een samenwerkingsverband bestaat, zal ook afhankelijk zijn van het project en de categorie waaronder subsidie wordt aangevraagd.

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten. Uit artikel 10, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies (hierna: Kaderbesluit) volgt dat subsidiabele kosten alle redelijk gemaakte kosten zijn die direct verbonden zijn met de uitvoering van het project. Dit kan bijvoorbeeld loonkosten van de aanvrager betreffen of kosten die de aanvrager maakt voor het inschakelen van derden. Het maximale subsidiebedrag per project moet lager zijn dan € 125.000. Als de subsidie wordt aangevraagd door een samenwerkingsverband bedraagt de subsidie maximaal € 200.000 voor het project. De deelnemers onderling mogen daarvan niet meer dan € 125.000 aan subsidie ontvangen.

2.2. Openstelling en subsidieplafond

In de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2018 zijn de openstelling en het subsidieplafond opgenomen. Het aanvragen van een subsidie voor een project is mogelijk vanaf 3 september 2018 tot en met 20 september 2018. Voor deze subsidiemodule geldt een subsidieplafond van € 2.000.000.

2.3. Afwijzingsgronden

In de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit is opgenomen wanneer de Minister afwijzend op een subsidieaanvraag beslist. Op grond van artikel 25 van het Kaderbesluit kunnen bij ministeriële regeling andere afwijzingsgronden worden opgenomen. In aanvulling op de gronden, genoemd in het Kaderbesluit, zijn in artikel 3.21.6 aanvullende afwijzingsgronden opgenomen. Een onafhankelijke adviescommissie adviseert de Minister over de afwijzingsgronden.

De aanvraag moet vergezeld gaan van een projectplan. In dit plan, dat inclusief de (management)samenvatting en financiële onderbouwing maximaal 4 A4 mag beslaan, staat wat het project behelst en hoe het wordt uitgevoerd (zie ook de toelichting bij artikel 3.21.10). In het geval het projectplan kwalitatief onvoldoende is, wordt de aanvraag afgewezen (onderdeel a). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als onvoldoende duidelijk is wat het project inhoudt, hoe het project wordt uitgevoerd en hoe dit zal bijdragen aan het doel waarvoor die subsidie wordt verstrekt. Een aanvraag wordt ook afgewezen als het projectplan onvoldoende inzicht geeft in de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten (onderdeel b). Het doel van deze subsidiemodule is door middel van subsidiëring van projecten inzicht te krijgen in mogelijkheden voor mkb-ondernemers om meer te investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden. Het is daarom van belang dat inzichtelijk is hoe de resultaten van het project uiteindelijk kunnen worden toegepast.

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag indien het project naar verwachting niet leidt tot een voldoende mate van vernieuwing, bijvoorbeeld omdat ondernemers onvoldoende worden gestimuleerd om te investeren in scholing en ontwikkeling van huidig en toekomstig personeel (onderdeel c). Een aanvraag wordt ook afgewezen als het project naar verwachting onvoldoende bijdraagt aan het doel waarvoor de subsidie wordt verstrekt (onderdeel d). Het is de bedoeling projecten te subsidiëren waardoor belemmeringen voor mkb-ondernemers in de technische sector om te investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden worden weggenomen. Als de verwachting is dat een project hier onvoldoende aan kan bijdragen, dan wordt daarvoor geen subsidie verstrekt.

Bij de aanvraag zal de subsidieaanvrager worden gevraagd in te stemmen met het verlenen van medewerking aan de evaluatie van de effecten van de subsidiemodule. Dit geldt zowel voor aanvragers van wie de aanvraag uiteindelijk wordt toegewezen als voor aanvragers van wie de aanvraag wordt afgewezen. Dit maakt het mogelijk om alle benodigde informatie te verzamelen om deze experimentele module te evalueren. Indien de aanvrager bij de aanvraag niet instemt met het verlenen van medewerking aan de evaluatie, wordt de aanvraag eveneens afgewezen (onderdeel e).

2.4. Rangschikking

Er is voor gekozen om het subsidieplafond te verdelen op basis van rangschikking van de aanvragen. Dit houdt in dat de aanvragen (die niet moeten worden afgewezen – zie voor een toelichting op de afwijzingsgronden paragraaf 2.3) op basis van daarvoor opgestelde criteria worden gerangschikt. De hoogst gerangschikte aanvragen ontvangen subsidie, tot het moment dat het subsidieplafond wordt bereikt. Door toepassing van deze systematiek is het mogelijk om de projecten waarvan het beste resultaat wordt verwacht, het eerste voor subsidie in aanmerking te laten komen. Een onafhankelijke adviescommissie adviseert de Minister over de rangschikking van de aanvragen.

Er zijn vier criteria aan de hand waarvan de aanvragen worden gerangschikt. Het eerste criterium is de mate waarin het project bijdraagt aan het doel waarvoor de subsidie is verstrekt (onderdeel a). Hoe groter de bijdrage van het project aan dit doel, hoe nuttiger het project voor de beleidsdoelstelling van deze module. Daarom wordt een aanvraag hoger gerangschikt naar mate het project meer kan bijdragen aan het doel waarvoor de subsidie wordt verstrekt. Het tweede criterium betreft de kwaliteit en innovativiteit van het project (onderdeel b). Ook hier geldt: hoe hoger de kwaliteit van het project en hoe innovatiever het project is, hoe hoger de aanvraag wordt gerangschikt. Daarbij speelt ook een rol in hoeverre er voor andere (vergelijkbare) projecten in de betreffende categorie ook subsidie is aangevraagd. Dit criterium is opgenomen om qua kwaliteit en diversiteit de beste projecten te kunnen subsidiëren. Het derde criterium is de toepassing van (meer) relevante gedragswetenschappelijke inzichten binnen het project (onderdeel c). Het doel van deze module is inzicht te krijgen in geschikte manieren om MKB-ondernemers te laten investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden. De inzet van gedragswetenschappelijke inzichten hierbij is nuttig. Aanvragen worden daarom hoger gerangschikt naarmate deze inzichten meer en beter worden toegepast. Tot slot wordt een aanvraag hoger gerangschikt naarmate de verwachte projectresultaten meer perspectief bieden voor toepassing op grotere schaal (onderdeel d). Juist mogelijkheid tot toepassing van de projectresultaten op grotere schaal is van belang om mkb-ondernemers op grotere schaal in staat te stellen om te investeren in menselijk kapitaal.

Voor ieder van de rangschikkingscriteria wordt één tot tien punten toegekend. Voor het tweede criterium (kwaliteit en innovativiteit) wordt het aantal toegekende punten verdubbeld. Op basis van het totale aantal toegekende punten worden alle aanvragen gerangschikt.

3. Uitvoering

De uitvoering gaat bij digitale indiening van de aanvraag als volgt. Aanvragers van deze subsidie melden zich aan in het E-loket (elektronisch aanvraagloket) van RVO.nl. Op een subsidieaanvraag wordt op grond van artikel 26 van het Kaderbesluit uiterlijk dertien weken na de openstellingsperiode een beschikking gegeven. Het regime voor bevoorschotting is afhankelijk van de hoogte van de subsidie en volgt uit artikel 45 jo. de artikelen 46 en 47 van het Kaderbesluit. Aan de subsidie is een realisatietermijn gekoppeld. Het project moet uitgevoerd zijn binnen een termijn van één jaar na aanvang van het project (artikel 3.21.5). Uiterlijk dertien weken na het moment waarop het project uiterlijk moet zijn voltooid, moet de subsidieontvanger een aanvraag om subsidievaststelling indienen. Dit volgt uit artikel 50, eerste lid, van het Kaderbesluit. Op grond van artikel 52 van het Kaderbesluit stelt de Minister de subsidie vast binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag, of nadat de voor indiening van de aanvraag om subsidievaststelling geldende termijn is verstreken. De benodigde formulieren voor het aanvragen van de subsidie voor het beleidsexperiment menselijk kapitaal en de subsidievaststelling staan op de website van RVO.nl (www.rvo.nl).

4. Meldingsplicht en bestuurlijke boete

Uit de artikelen 2 en 6 van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies en artikel 36a van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies jo. artikel 23, eerste lid, onderdeel c, van dat Kaderbesluit volgt dat indien het project niet geheel is uitgevoerd binnen de termijn die is opgenomen in artikel 3.21.5 (één jaar), de subsidieontvanger dit schriftelijk moet melden. Voldoet de subsidieontvanger niet aan deze schriftelijke meldingsplicht dan kan een bestuurlijke boete worden opgelegd ten bedrage van de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

5. Staatssteun

Op grond van deze module wordt subsidie verleend voor projecten die tot doel hebben mkb-ondernemers in technische sectoren te stimuleren om te investeren in scholing en ontwikkeling van huidig en toekomstig personeel. Voor subsidie komen alle redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van het project. Subsidiëring van deze kosten zal (in ieder geval gedeeltelijk) kwalificeren als staatssteun. Er is sprake van steun die wordt bekostigd met overheidsmiddelen omdat er subsidie wordt verstrekt. De steun komt daarnaast ten goede aan een onderneming. De subsidieontvanger verricht namelijk (deels) economische activiteiten met de subsidie. Hierdoor heeft de subsidieaanvrager een selectief voordeel dat hij niet langs normale commerciële weg zou hebben verkregen. Tot slot kan de verkregen steun ertoe leiden dat de concurrentie vervalst wordt en daarmee mogelijk invloed hebben op de handel tussen landen in de interne markt.

Besloten is deze steun te rechtvaardigen door middel van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352) (hierna: de algemene de-minimisverordening). Dit volgt ook uit artikel 3.21.11. Op grond van de algemene de-minimisverordening is het toegestaan om ondernemingen voor een bepaald bedrag te steunen zonder dat dit wordt aangemerkt als staatssteun. Het toegestane bedrag aan steun is zo minimaal (de-minimis) dat het weinig tot geen impact heeft op de interne markt en aldus niet als staatssteun wordt aangemerkt. De algemene de-minimisverordening staat toe dat aan een onderneming over een periode van drie belastingjaren tot € 200.000 aan de-minimissteun wordt verstrekt. Als dit plafond is bereikt, mag in het desbetreffende jaar geen de-minimissteun meer worden verleend. Bij de subsidieaanvraag moet de aanvrager door middel van een de-minimisverklaring laten zien welke de-minimissteun in de twee voorafgaande belastingjaren is ontvangen. Dit volgt uit artikel 3.21.10, onderdeel e. De Minister zal de subsidie op grond van artikel 22 van het Kaderbesluit afwijzen indien hij beoordeelt dat niet aan alle criteria van de algemene de-minimisverordening wordt voldaan.

6. Regeldruk

Deze regeling levert administratieve lasten op voor aanvragers van de subsidie. De subsidie kan digitaal via het e-Loket van RVO.nl worden aangevraagd.

De doelgroep betreft mkb-bedrijven en samenwerkingsverbanden (waarvan minimaal 65% mkb is) die oplossingen aandragen voor technische sectoren.

De regeldruk wordt berekend aan de hand van de standaarduurtarieven voor intern personeel bij bedrijven zoals beschreven in het Handboek meting regeldrukkosten. Uitgegaan wordt van een standaarduurtarief van € 54. In totaal, de kosten van de handelingen vermenigvuldigd met het aantal verwachtte indieners en winnaars, komt dit neer op € 23.490.

Met deze inschatting komt de totale regeldruk ten opzichte van het beschikbaar gestelde budget neer op 1,17%.

De volgende handelingen voor deelnemende ondernemers worden gezien:

  • Het kennisnemen van de regeling en het stellen van verduidelijkingsvragen aan RVO.

  • Het beslaan van interne overleggen ter ontwikkeling van het project.

  • Het beslaan van externe overleggen ter ontwikkeling van het project.

  • Het invullen een aanleveren van het projectplan via het online format van RVO.

  • Het meewerken aan onderzoek/evaluatie door het aanleveren van gegevens die niet middels de registers van de Kamer van Koophandel al beschikbaar zijn. Het gaat hierbij om een nulmeting tijdens het indienen van het projectplan en een een-meting na één jaar. Het streven is om de ondernemers tijdens de twee metingsmomenten dezelfde vragen voor te leggen.

  • Het verstrekken van een verantwoordingsrapportage door degene aan wie subsidie wordt verstrekt.

Artikelsgewijs

Artikel I

Met de onderdelen A en B wordt een definitie van ‘grote onderneming’ die tot op heden was opgenomen in artikel 3.19.1 verplaatst naar artikel 1.1. De reden hiervoor is dat deze begripsbepaling ook in deze subsidiemodule wordt gebruikt en daarmee nu voor meerdere modules relevant is; artikel 1.1. bevat de begripsbepalingen voor de gehele regeling.

Met onderdeel C wordt een nieuwe titel in de Regeling nationale EZ-subsidies ingevoegd. De artikelen in deze titel worden hieronder waar nodig toegelicht.

Artikel 3.21.1

Dit artikel bevat begripsomschrijvingen die specifiek voor titel 3.21 gelden.

Artikel 3.21.2 en 3.21.3

Uit artikel 3.21.2 volgt voor welke projecten subsidie kan worden aangevraagd. Artikel 3.21.3 betreft de hoogte van de subsidie. Voor een toelichting op deze artikelen wordt verwezen naar paragraaf 2.1.

Artikel 3.21.4

In artikel 3.21.4 is de wijze van verdeling van het subsidieplafond geregeld. Dit gebeurt door middel van rangschikking van de aanvragen. Er is gekozen voor rangschikking van aanvragen zodat op basis van daarvoor bestemde criteria de beste en meest relevante projecten gesubsidieerd kunnen worden. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.4.

Artikel 3.21.5

Uit dit artikel volgt dat een project waarvoor op grond van artikel 3.21.2 subsidie wordt verstrekt moet zijn uitgevoerd binnen een jaar. Er is gekozen voor een termijn van een jaar zodat relatief snel inzicht wordt verkregen in de mogelijkheden om oplossingen te bieden voor knelpunten die MKB-ondernemers in technische sectoren ervan weerhouden om te investeren in scholing en ontwikkeling van werkenden. Op basis daarvan kan worden gewerkt aan meer permanente oplossingen voor deze knelpunten.

Artikel 3.21.6

Dit artikel bevat de afwijzingsgronden. Voor een toelichting op deze gronden wordt verwezen naar paragraaf 2.3.

Artikel 3.21.7

De onafhankelijke Adviescommissie beleidsexperiment menselijk kapitaal zal de Minister adviseren. Deze advisering ziet op een tweetal onderwerpen. Ten eerste adviseert de adviescommissie over de afwijzingsgronden voor aanvragen om subsidie die zijn opgenomen in artikel 3.21.6. Dit betekent dat de adviescommissie beoordeelt of een aanvraag moet worden afgewezen of dat deze voldoet aan de voorwaarden en het project dus voor subsidie in aanmerking kan komen. Vervolgens adviseert de adviescommissie over de rangschikkingscriteria. Dit houdt in dat de adviescommissie de overgebleven aanvragen op basis van de daarvoor in artikel 3.21.8 opgenomen criteria rangschikt. Het subsidieplafond wordt op basis van deze rangschikking verdeeld. De commissie bestaat uit drie tot vijf leden die voor een termijn van een jaar worden benoemd.

Artikel 3.21.8

Dit artikel bevat de rangschikkingscriteria. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 2.4.

Artikel 3.21.9

In dit artikel zijn verplichtingen voor de subsidieontvanger opgenomen. Dit betreft ten eerste de verplichting om, indien de subsidieaanvraag wordt gehonoreerd, te starten met het project binnen drie maanden na de aanvraag voor subsidie. Hiervoor is gekozen omdat het van belang is dat de projecten waarvoor subsidie wordt verstrekt op korte termijn aanvangen zodat de resultaten daarvan kunnen worden meegenomen ten behoeve van volgende openstellingen van deze module. De tweede verplichting houdt verband met de evaluatie van de subsidiemodule. Deze module heeft een experimenteel karakter. Eén van de doelen van deze module is informatie te verzamelen op basis waarvan een permanente module kan worden ontwikkeld. Mede hierom wordt de module geëvalueerd. Om de daarvoor benodigde input te kunnen ontvangen is bepaald dat de subsidieontvanger medewerking moet verlenen aan een evaluatie van de effecten van de gesubsidieerde activiteiten. Deze verplichting geldt tot twee jaar na de subsidievaststelling.

Artikel 3.21.10

Een subsidie moet op grond van artikel 19 van het Kaderbesluit aangevraagd worden met gebruikmaking van een middel dat door de Minister beschikbaar gesteld wordt. De Minister kan nadere eisen aan de aanvraag stellen. In artikel 3.21.10 zijn regels gesteld ten aanzien van de gegevens die ten minste in de aanvraag opgenomen moeten zijn. Dit betreft ten eerste gegevens over de subsidieaanvrager en de contactpersoon die verantwoordelijk is voor de aanvraag (onderdelen a en b). Daarnaast moeten gegevens worden aangeleverd over het project (onderdeel c). Het gaat dan om de gegevens die nodig zijn om het project te kunnen beoordelen: de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, de start- en einddatum, de totale kosten, de omvang van de gevraagde subsidie en een samenvatting van het project. Deze informatie krijgt vorm in een projectplan. Dit plan kan maximaal 4 A4 beslaan, inclusief de (management)samenvatting en de financiële onderbouwing. Daarbij is van belang dat andere meegezonden bijlagen niet bij de beoordeling worden betrokken. Het is van belang dat alle aanvragers gelijk behandeld worden en gelijke kansen hebben in het kader van de rangschikking. Ook moeten vragen worden beantwoord ten behoeve van een nulmeting. Deze vragen gaan over de bedrijfsspecifieke situatie ten aanzien van menselijk kapitaal in de situatie waarin geen sprake is van subsidie voor dit doel. Deze gegevens worden gebruikt om een vergelijking te kunnen maken tussen de situatie waarin geen subsidie wordt ontvangen en de situatie waarin dit wel is gebeurd en op basis daarvan conclusies te kunnen trekken over de effecten van de subsidiemodule. Tot slot moet een verklaring de-minimissteun worden aangeleverd. Hiervoor is een format beschikbaar bij RVO.

Artikel 3.21.11

Voor een toelichting op de staatssteunaspecten wordt verwezen naar paragraaf 5.

Artikel 3.21.12

De module vervalt op 1 januari 2021. Met het opnemen van een vervaltermijn wordt recht gedaan aan artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016. Hierin is geregeld dat een subsidieregeling een tijdstip moet bevatten waarop de regeling vervalt. Dit tijdstip mag niet later zijn dan vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling. Bij het bepalen van de vervaltermijn is rekening gehouden met het experimentele karakter van deze subsidiemodule. Op dit moment is voorzien om deze module bij wijze van experiment een aantal keer open te stellen. Op basis van een evaluatie zal worden bezien of de module een meer permanent karkater moet krijgen.

Artikel II

Met artikel II wordt de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2018 gewijzigd. In deze regeling zijn de openstellingstermijn en het subsidieplafond voor de onderhavige subsidiemodule opgenomen.

Artikel III

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Omdat deze regeling gepaard gaat met voordelen voor mkb-ondernemers in technische sectoren, is besloten af te wijken van de vaste verandermomenten voor regelgeving. Opgemerkt wordt dat de module op 3 september wordt opengesteld. Aan potentiële aanvragers wordt daarmee gelegenheid geboden om een aanvraag voor te bereiden. Reden voor de tijdige openstellig van deze module is de wens dat nog voor het einde van het jaar kan worden begonnen met de uitvoering van de te subsidiëren projecten.

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer


X Noot
1

CBS Statline

X Noot
2

Researchcentrum voor onderwijs en arbeidsmarkt (2017) De Arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 202.2

X Noot
3

B. Kotey en C. Folker (2007) Employee training in SMEs: effect of size and firm type – family and nonfamily’, in: Journal of Small Business Management 45 (2), 214-238.

X Noot
4

Planbureau voor de Leefomgeving (2018) Effecten van de energietransitie op de regionale arbeidsmarkt – een quickscan. Sociaal-economische Raad (2018) Energietransitie en werkgelegenheid Kansen voor een duurzame toekomst.