Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2018, 35696Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 21 juni 2018 nr. WJZ/1365698, houdende regels voor subsidieverstrekking voor de restauratie van een groep rijksmonumenten (Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten 2018)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op de artikelen 7.3, tweede lid, en 7.5, eerste lid, van de Erfgoedwet;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

eigenaar:

natuurlijke persoon of rechtspersoon die het recht van eigendom of een ander zakelijk recht heeft op een rijksmonument;

Kaderregeling:

Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS;

Minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

restauratiekosten:

kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen en andere kosten die in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten, opgenomen als bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten, als subsidiabel zijn aangemerkt;

restauratiewerkzaamheden:

werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het herstel van het monument en waarvoor op grond van deze regeling subsidie is verleend.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling. Onderdeel d van de begripsomschrijving van financieel verslag, bedoeld in artikel 1.1 van de Kaderregeling, de artikelen 3.1 tot en met 3.5, 4.1, 4.3, alsmede hoofdstuk 7 van de Kaderregeling zijn niet van toepassing.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten en subsidieplafonds

  • 1. De Minister kan subsidie verstrekken aan een eigenaar van een rijksmonument, genoemd in het tweede lid, als tegemoetkoming in de restauratiekosten ten behoeve van dat rijksmonument.

  • 2. Voor subsidieverstrekking is voor de volgende rijksmonumenten ten hoogste het volgende bedrag beschikbaar:

    Rijksmonumenten

    Adres

    Beschikbaar bedrag

    Historische buitenplaats Oldengaerde

    Westeinde, Dwingeloo

    € 420.000,–

    Waterloopbos

    Voorsterweg, Marknesse

    € 315.000,–

    Kerk

    Jeltewei 3, Hommerts

    € 81.845,–

    Boerderijcomplex

    Kanaaldijk 63, Wapenveld

    € 412.783,–

    Historische buitenplaats Keppel

    Dorpsstraat, Laag-Keppel

    € 171.234,–

    Sint Eusebiuskerk

    Kerkplein, Arnhem

    € 969.500,–

    Stevenskerk

    St. Stevenskerkhof, Nijmegen

    € 5.500.000,–

    Villa Alpha

    Rijksstraatweg 2, Warnsveld

    € 322.000,–

    Boerderijcomplex Keunenhuis

    Wooldseweg 127, Winterswijk

    € 875.000,–

    Hervormde Kerk

    Kerkstraat, Bierum

    € 177.835,–

    Klooster Hoog Cruts

    Hoogcruts 47, Noorbeek

    € 332.500,–

    Kloostercomplex St. Anna

    Noordsingel, Venray

    € 3.500.000,–

    Nieuw Ehrenstein

    Nieuw-Erensteinerweg 5, Kerkrade

    € 2.352.099,–

    Generaal de Bons kazerne

    Generaal de Bonsweg, Velp

    € 1.034.447,–

    Grote of Onze Lieve Vrouwe Kerk

    Kerkplein, Breda

    € 4.900.000,–

    Kasteel Groot-Bijsterveld

    Montfortlaan, Oirschot

    € 1.960.000,–

    Bloemgracht 108

    Bloemgracht 108, Amsterdam

    € 210.000,–

    Geldersekade 15

    Geldersekade 15, Amsterdam

    € 192.500,–

    Grote Kerk

    Marktstraat, Naarden

    € 1.890.000,–

    Oude Kerk

    Oudekerksplein, Amsterdam

    € 326.200,–

    Westerkerk

    Prinsengracht, Amsterdam

    € 322.000,–

    Boerderij Erve de Haar

    Twickelerlaan 11, Ambt Delden

    € 99.400,–

    Historische buitenplaats Over Holland

    Rijksstraatweg, Nieuwersluis

    € 148.400,–

    Domkerkcomplex

    Achter de Dom, Utrecht

    € 2.100.000,–

    Parochiekerk ‘Onze Lieve Vrouwe Hemelvaart’

    Nieuwstraat, Oude-Tonge

    € 257.870,–

    Nieuwe Kerk

    Spui, ’s-Gravenhage

    € 210.000,–

    Schiekade 77

    Schiekade 77, Rotterdam

    € 191.100,–

Artikel 4. Subsidiabele kosten en hoogte subsidie

  • 1. Subsidiabel zijn de restauratiekosten. De subsidie bedraagt ten hoogste 70% van de restauratiekosten.

  • 2. Restauratiekosten gemaakt vóór 16 juli 2018 komen niet voor subsidie in aanmerking, met uitzondering van kosten ten aanzien van de voorbereiding van de restauratie van het rijksmonument, bestaande uit aanbestedingskosten, leges, en kosten voor inspectie, onderzoek, planvorming of rapporten.

Artikel 5. Subsidieaanvraag

  • 1. Eigenaren kunnen in de periode van 1 juli 2018 tot en met 15 juli 2018 subsidie aanvragen met gebruikmaking van het aanvraagformulier dat daartoe door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschikbaar is gesteld. De subsidieaanvraag wordt digitaal ingediend bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed via het e-mailadres subsidies@cultureelerfgoed.nl.

  • 2. Aanvragen die buiten de aanvraagperiode worden ingediend, worden afgewezen.

  • 3. Een aanvraag gaat vergezeld van:

    • a. een restauratieplan;

    • b. een actueel inspectierapport over de technische staat van het rijksmonument; en

    • c. een financieel dekkingsplan waaruit blijkt dat de financiering van het gedeelte van de restauratiekosten dat niet door subsidie wordt gedekt, naar het oordeel van de Minister voldoende is gewaarborgd.

  • 4. Een restauratieplan als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, bestaat uit:

    • a. een beschrijving van de technische staat van het rijksmonument;

    • b. overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument en zijn gebreken;

    • c. tekeningen van de bestaande toestand van het rijksmonument en tekeningen waarop de voorgenomen herstelwerkzaamheden of wijzigingen staan aangegeven;

    • d. een op de onder a bedoelde beschrijving gebaseerd bestek of een op die beschrijving gebaseerde werkomschrijving;

    • e. een gespecificeerde begroting; en

    • f. in voorkomende gevallen rapporten inzake bouwfysische, bouwhistorische, constructieve, cultuurhistorische, decoratieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten.

Artikel 6. Weigeringsgrond

Subsidieverstrekking kan worden geweigerd voor zover voor de restauratiekosten waarvoor subsidie wordt gevraagd reeds vanwege het Rijk of een provincie subsidie wordt verstrekt.

Artikel 7. Subsidieverplichtingen

  • 1. Voor zover voor de restauratiewerkzaamheden een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, vangen de restauratiewerkzaamheden niet aan zonder of in afwijking van de omgevingsvergunning.

  • 2. Onverminderd het eerste lid kan de Minister een eigenaar bij de subsidieverlening verplichten om:

    • a. mee te werken aan een onderzoek naar de bouw- of ontstaansgeschiedenis van het rijksmonument;

    • b. de Minister tussentijds te berichten over de voortgang van de restauratiewerkzaamheden;

    • c. werkzaamheden uit te voeren volgens in de beroepsgroep geldende normen;

    • d. het rijksmonument te voorzien van een of meer installaties ter beperking van schade als gevolg van brand of blikseminslag, ter bescherming van de monumentale waarde van het rijksmonument;

    • e. advies te vragen aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed alvorens met de voorgenomen restauratiewerkzaamheden wordt gestart, voor zover de monumentale waarde van het rijksmonument of de restauratiewerkzaamheden daartoe aanleiding vormen;

    • f. de restauratiewerkzaamheden onder nader door de Minister te stellen voorwaarden te doen begeleiden, indien voor de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden specifieke kennis is vereist;

    • g. voor de duur van de restauratiewerkzaamheden een construction allrisks-verzekering af te sluiten; of

    • h. vanaf de aanvang van de restauratiewerkzaamheden op eigen kosten het rijksmonument te verzekeren dan wel verzekerd te houden tegen brand-, storm- en bliksemschade en na afloop van de werkzaamheden daartegen verzekerd te houden.

Artikel 8. Verlening subsidie en bevoorschotting

  • 1. In afwijking van artikel 4.1, eerste lid, van de Kaderregeling besluit de Minister vóór 25 augustus 2018 op de aanvragen. Indien de aanvraag incompleet is of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, wordt de beslistermijn met evenzoveel weken verlengd als de aanvrager wordt geboden voor het aanvullen van de aanvraag.

  • 2. In aanvulling op artikel 4.2 van de Kaderregeling neemt de Minister bij het besluit tot subsidieverlening een datum op, waarop de restauratiewerkzaamheden uiterlijk worden afgerond.

  • 3. De Minister verleent voorschotten waarvan de hoogte en de termijnen in het besluit tot subsidieverlening worden vermeld. De Minister kan aan het verlenen van voorschotten de voorwaarde verbinden dat offertes of facturen worden overlegd.

Artikel 9. Verantwoording over prestaties bij subsidies van € 25.000 tot € 125.000

  • 1. Indien de subsidie € 25.000 of meer bedraagt, doch minder dan € 125.000, toont de subsidieontvanger aan de hand van een prestatieverklaring aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

  • 2. De Minister kan voor de prestatieverklaring een model vaststellen.

  • 3. Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de subsidieontvanger zich niet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, toont de subsidieontvanger op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij het besluit tot subsidieverlening wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.

Artikel 10. Verantwoording van kosten bij subsidies van € 125.000 of meer

  • 1. Indien de subsidie € 125.000 of meer bedraagt, legt de subsidieontvanger rekening en verantwoording af aan de hand van een prestatieverklaring en een financieel verslag. Artikel 4:76 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De Minister kan een model vaststellen voor de prestatieverklaring en voor het financieel verslag.

  • 3. Voor zover uit de prestatieverklaring volgt dat niet alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd of de subsidieontvanger zich niet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen heeft gehouden, bevat de prestatieverklaring de redenen hiervoor.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het eerste tot en met derde lid, toont de subsidieontvanger op verzoek van de Minister aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Bij het besluit tot subsidieverlening wordt aangegeven op welke wijze dit wordt aangetoond.

  • 5. Indien de subsidie € 300.000 of meer bedraagt, doet de subsidieontvanger het financieel verslag vergezeld gaan van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 6. In de verklaring, bedoeld in het vijfde lid, verklaart de accountant dat de bedragen in het financieel verslag juist zijn en doet hij tevens een uitspraak over de naleving door de subsidieontvanger van de in het accountantsprotocol genoemde voorschriften.

  • 7. De subsidieontvanger bedingt bij de accountant dat deze zijn onderzoek inricht volgens een door de Minister vast te stellen accountantsprotocol.

  • 8. De Minister kan de subsidieontvanger verplichten de desbetreffende originele rekeningen en betalingsbewijzen te overleggen.

Artikel 11. Vaststelling subsidie

  • 1. De subsidieontvanger dient binnen 22 weken na de datum, bedoeld in artikel 8, tweede lid, een aanvraag tot vaststelling in, met gebruikmaking van een formulier dat daartoe door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beschikbaar wordt gesteld.

  • 2. De Minister besluit binnen 22 weken op een aanvraag tot vaststelling.

Artikel 12. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2018.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 1 juli 2023.

Artikel 13. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten 2018.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

TOELICHTING

Algemene toelichting

Regeerakkoord

In het regeerakkoord is (voor onder andere de restauratie, herbestemming en verduurzaming van cultureel erfgoed) in totaal € 325 miljoen extra beschikbaar gesteld voor de periode 2018-2021. In de cultuurbrief ‘Cultuur in een open samenleving’1 heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) aangekondigd dat van dit bedrag in 2018 een bedrag van € 30 miljoen zou worden ingezet voor restauraties en herbestemming van rijksmonumenten. Deze regeling voorziet ter uitvoering daarvan in een restauratiesubsidie voor een selectie van 27 rijksmonumenten.

Selectie rijksmonumenten

In november 2017 heeft de Minister tijdens het Monumentencongres in Leeuwarden een oproep gedaan aan de aanwezige organisaties om mee te denken over rijksmonumenten die gerestaureerd zouden moeten worden. Dat heeft geleid tot een voorselectie van mogelijk te restaureren rijksmonumenten door het Interprovinciaal Overleg (hierna: IPO) en de Federatie Instandhouding Monumenten (hierna: FIM). Omdat het budget voor restauratie evenwel te beperkt was om voor de gehele voorselectie subsidie te verstrekken, zijn vervolgens – in overleg met alle betrokken partijen (provincies, gemeenten, FIM) – afspraken gemaakt over criteria om uit de voorselectie die rijksmonumenten te selecteren waarvoor restauratie het meest effectief kon worden geacht.

Omdat de Minister de sector zelf expliciet heeft opgeroepen om met voorstellen te komen, is ten eerste besloten dat rijksmonumenten in het bezit van overheden (of organisaties als de Nederlandse Spoorwegen en Staatsbosbeheer) in 2018 buiten de selectie zouden worden gehouden. Uit de resterende rijksmonumenten is aan de hand van de volgende vier criteria en op basis van de door de betrokken partijen verstrekte informatie – de uiteindelijke selectie gemaakt.

  • 1. Noodzaak: Voor elk rijksmonument is meegewogen in hoeverre – vanwege slechte of matige staat van het monument – een directe noodzaak bestond om tot restauratie over te gaan;

  • 2. Startklaar: Meegewogen is of voor bij subsidieverlening direct zou kunnen worden gestart met de restauratiewerkzaamheden;

  • 3. Eigen bijdrage: Bij de eigenaren van de rijksmonumenten is meegewogen of de zij bij subsidieverlening het eigen aandeel (30%) van de restauratiekosten zouden kunnen dragen;

  • 4. Verdeling over de regio’s: Ten slotte is bij de uiteindelijke selectie van de rijksmonumenten rekening gehouden met de verdeling van de te restaureren rijksmonumenten over de regio’s.

Kennisgeving staatssteun

Deze regeling valt onder het Staatssteunkader voor monumentenzorg, waarvan overeenkomstig de Algemene groepsvrijstellingsverordening aan de Europese Commissie is kennisgegeven (kenmerk SA 40475).

Uitvoerbaarheid

Deze regeling is aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed voorgelegd voor een uitvoeringstoets. De regeling is als uitvoerbaar beoordeeld.

Administratieve lasten

Met de uitvoering van deze regeling zijn administratieve lasten gemoeid voor de eigenaren (voornamelijk instellingen). Onder administratieve lasten wordt verstaan: de kosten om te voldoen aan informatieverplichtingen aan de overheid, voortvloeiend uit wet- en regelgeving van de overheid.

De administratieve lasten voor de eigenaren zijn gering. Naar verwachting zal een eigenaar ongeveer drie uur nodig hebben voor het aanvragen van subsidie op grond van deze regeling. Het gaat om startklare projecten, dus het gaat hierbij alleen om het invullen van het aanvraagformulier en het verzamelen of opstellen van de vereiste documenten (indieningsvereisten uit artikel 5 van deze regeling). Uitgaande van het aantal aanvragen van 27 bedragen de totale administratieve lasten 27 x € 45 (uurtarief) x 3 (uur) = € 3.645.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2

Op deze regeling – die is gegrond op de artikelen 7.3, tweede lid, en 7.5, eerste lid, van de Erfgoedwet – is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de kaderregeling) van toepassing.2 Dit betekent bijvoorbeeld dat hoofdstuk 5 van de kaderregeling (dat een aantal algemene aan de subsidie verbonden verplichtingen bevat) van toepassing is bij subsidieverstrekking op grond van deze regeling. Niettemin wordt in deze regeling (vanwege het bijzondere karakter van een restauratiesubsidie) afgeweken van een aantal artikelen van de kaderregeling. In artikel 2 wordt duidelijkheidshalve geëxpliciteerd van welke artikelen is afgeweken. In artikel 2 zijn niet de artikelen uit de kaderregeling opgenomen die voor deze regeling simpelweg niet toepasbaar zijn.

Artikel 3

Op grond van deze regeling kan subsidie worden verstrekt als tegemoetkoming in de restauratiekosten ten behoeve van een specifieke groep rijksmonumenten. In artikel 3, tweede lid, is in de tabel opgenomen voor welke rijksmonumenten subsidie kan worden verstrekt, met het maximaal te verstrekken bedrag.

In een aantal gevallen vallen in de voornoemde tabel onder één noemer meerdere rijksmonumenten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de genoemde historische buitenplaatsen. In deze gevallen is in de tabel het adres aangehouden van het rijksmonument waaraan het geheel zijn naam ontleent. Voor subsidie komen slechts die rijksmonumenten binnen deze complexen in aanmerking, die in het voortraject door de betrokken partijen zijn aangedragen. Het genoemde beschikbare bedrag is dan ook het bedrag dat voor subsidieverstrekking voor deze rijksmonumenten in totaal beschikbaar is.

Artikel 4

Artikel 4 heeft betrekking op de subsidiabele kosten. Subsidiabel zijn restauratiekosten: de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen en andere kosten die als subsidiabel zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten (een bijlage bij de Subsidieregeling instandhouding monumenten; hierna: de leidraad). Om te bepalen of gemaakte kosten al dan niet subsidiabel zijn zal kortom steeds worden gekeken naar de leidraad. Dit betekent bijvoorbeeld (ingevolge hoofdstuk 1.1 van de leidraad) dat kosten uitsluitend subsidiabel zijn voor zover de werkzaamheden (i) strekken tot instandhouding van het monument en zijn monumentale waarden; (ii) sober en doelmatig zijn; (iii) technisch noodzakelijk zijn; en (iv) zijn gericht op maximaal behoud van aanwezige monumentale waarden, in het bijzonder historische materialen en constructies. Voor de andere voorwaarden wordt kortheidshalve verwezen naar de leidraad.

De hoogte van de subsidie bedraagt – onverminderd het subsidieplafond – 70% van de restauratiekosten. Restauratiekosten die zijn gemaakt vóór 16 juli 2018 – dat wil zeggen: waarvoor vóór 16 juli 2018 de verplichtingen zijn aangegaan – komen niet voor subsidie in aanmerking. Dit is enkel anders voor bepaalde kosten ten aanzien van de voorbereiding van de restauratie van het rijksmonument, bestaande uit aanbestedingskosten, leges (bijvoorbeeld met betrekking tot de omgevingsvergunning), en kosten voor inspectie, onderzoek, planvorming of rapporten.

Artikel 5

Artikel 5 heeft betrekking op de subsidieaanvraag. Het eerste lid regelt de aanvraagperiode: subsidieaanvragen kunnen worden ingediend in de periode van 1 juli 2018 tot en met 15 juli 2018. De aanvraagperiode is vrij kort, en sluit bovendien naadloos aan op het moment van inwerkingtreding van de regeling. In dit geval is dat niet bezwaarlijk, omdat al in een vroeg stadium met de betrokken eigenaren in overleg is getreden (reeds vanaf de selectie van de groep rijksmonumenten die voor subsidie in aanmerking zou komen; zie hieromtrent nader het algemene deel van de toelichting). De betrokken eigenaren hebben daarom voldoende tijd gehad om hun aanvraag voor te bereiden (reeds voor het moment van inwerkingtreding van deze regeling).

In het derde en vierde lid van artikel 5 is opgenomen welke documenten bij de subsidieaanvraag worden gevoegd. Het gaat kortgezegd om een restauratieplan, een actueel inspectierapport over de technische staat van het rijksmonument, alsmede een financieel dekkingsplan.

Artikel 6

Artikel 6 biedt de Minister de mogelijkheid om te weigeren subsidie te verstrekken, voor zover voor de restauratiekosten reeds vanwege het Rijk of een provincie subsidie wordt verstrekt. De bepaling dient er met name toe om de Minister de mogelijkheid te bieden te voorkomen dat het Rijk (hetzij via een directe subsidie, hetzij indirect via een provinciale subsidie uit de reguliere rijksbijdrage) uiteindelijk meer dan 70% van de restauratiekosten zou subsidiëren.

In dit kader is van belang dat de aanvraag ingevolge artikel 3.6 van de kaderregeling de verplichting heeft om in zijn subsidieaanvraag melding te doen, voor zover hij voor dezelfde kosten ook subsidie of een andere financiële bijdrage heeft aangevraagd bij een ander bestuursorgaan.

Artikel 7

Artikel 7 bevat de subsidieverplichtingen. Het eerste lid bevat de verplichting voor de eigenaar om de restauratiewerkzaamheden – voor zover daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist – niet te doen aanvangen zonder of in afwijking van die omgevingsvergunning. Deze subsidieverplichting is niet facultatief, en is derhalve steeds verbonden aan een op grond van deze regeling verstrekte restauratiesubsidie.

Het tweede lid van artikel 7 bevat een aantal facultatieve subsidieverplichtingen. De Minister kan een of meer van deze subsidieverplichtingen opleggen in het besluit tot subsidieverlening. De opgenomen subsidieverplichtingen zijn gebaseerd op de artikelen 21 en 22 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten (zulks met uitzondering van artikel 21, onderdelen b en d).

Artikel 8

In artikel 8, derde lid, is opgenomen dat de Minister voorschotten verleent, waarvan de hoogte en de termijnen bij het besluit tot subsidieverlening wordt vermeld. De feitelijke betaling van de voorschotten wordt in opdracht van de Minister verzorgd door het Nationaal Restauratiefonds.

Artikelen 9 en 10

De artikelen 9 en 10 hebben betrekking op de verantwoording van de verleende subsidie bij de aanvraag om vaststelling. De artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 24 en 25 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten, met dien verstande dat de derde en vierde leden van artikel 24 van de Subsidieregeling instandhouding monumenten niet zijn overgenomen. Daarnaast zijn de artikelen 9 en 10 van deze regeling – zulks in afwijking van de Subsidieregeling instandhouding monumenten – zo geformuleerd dat zij alternatief zijn: wanneer de subsidie minder dan € 125.000,– bedraagt, is derhalve steeds artikel 9 van toepassing. Wanneer de subsidie evenwel € 125.000,– of meer bedraagt, is artikel 10 van toepassing. In artikel 10, vijfde lid, is opgenomen dat, indien de subsidie € 300.000 of meer bedraagt, de subsidieontvanger het financieel verslag vergezeld doet gaan van een controleverklaring. Dit is in lijn met de wijze van verantwoording van subsidies op grond van de Subsidieregeling instandhouding monumenten, waarbij in de praktijk thans ook – ter beperking van de administratieve lasten – alleen een controleverklaring wordt gevraagd indien de subsidie € 300.000,– of meer bedraagt.3 In de praktijk is sprake van intensief contact tussen de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de subsidieontvangers over de uitvoering van de restauratiewerkzaamheden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Kamerstukken II 2017/18, 32 820, nr. 221.

X Noot
2

Zulks ingevolge artikel 9.3, eerste lid, onderdeel mm, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

X Noot
3

Vgl. hieromtrent het ‘Controleprotocol voor subsidies verleend op grond van regelingen bij of krachtens de Erfgoedwet’ (te raadplegen via: https://www.monumenten.nl/monument-financieren/instandhoudingssubsidie/stap-7-subsidie-ontvangen-en-verantwoorden).