Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 8 mei 2018, nr. WJZ / 17153498, houdende regels over energiebesparende maatregelen in woningen in combinatie met het bouwkundig versterkingsprogramma als gevolg van gaswinning Groningenveld (Regeling energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, 5, 15, 16, 17, eerste lid, onderdeel a, en vierde lid, 19, 25, 34, eerste lid, en 44, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

algemene de-minimisverordening:

verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2013, L 352);

lokaal energieproject:

project gericht op energiebesparing of opwekking van duurzame energie ten behoeve van de eigen woning, dat wordt uitgevoerd binnen een postcodegebied als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel z, van de Wet belastingen op milieugrondslag;

maatwerkadviesrapport:

maatwerkadviesrapport als bedoeld in de door de Stichting Kwaliteit voor Installaties Nederland bindend verklaarde Nationale Beoordelingsrichtlijn 9500, deel 02, zoals vastgesteld op 31 augustus 2011, inclusief latere wijzigingen, opgesteld door een persoon die voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid van ‘EPA’-adviseur conform bijlage 2 van deze beoordelingsrichtlijn;

meldcode:

code beschikbaar gesteld door de minister per type en merk installatie voor de productie van duurzame energie;

minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

energiebesparingsmaatregel:

maatregel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b;

woning:

gebouw of gedeelte van een gebouw dat bestemd is voor bewoning met inbegrip van de bijgebouwen die bijdragen aan de woonbestemming.

Artikel 2. Subsidie voor energiebesparingsmaatregelen en maatwerkadviesrapport

  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie voor een energiebesparingsmaatregel of een maatwerkadviesrapport aan een eigenaar van een woning die, blijkens een overeenkomst voor het versterken van de woning:

    • a. binnen het bouwkundig versterkingsprogramma valt in verband met maatregelen die nodig zijn als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld; en

    • b. wordt versterkt.

  • 2. Aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend in de periode van 28 mei 2018 tot en met 31 december 2018. Aanvragen zijn tijdig ingediend indien ze op de laatstgenoemde datum vóór 17:00 uur zijn ontvangen.

Artikel 3. Subsidiabele kosten

  • 1. De subsidiabele kosten zijn de kosten ter zake van een woning als bedoeld in artikel 2, eerste lid, of ter zake van een lokaal energieproject, voor:

    • a. een maatwerkadviesrapport;

    • b. het aanschaffen van materiaal en de kosten van de installatie voor zover de installatie wordt uitgevoerd door een onderneming, voor het aanbrengen of installeren van de navolgende energiebesparingsmaatregelen:

      • 1°. dakisolatie in de thermische schil of isolatie van de zolder- of vlieringvloer, indien de zolder of vliering onverwarmd is, met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 2°. vloer- of bodemisolatie in de thermische schil met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 3°. gevelisolatie van de binnen- en buitengevel met een minimale Rd-waarde van 3,5 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 4°. spouwmuurisolatie in de thermische schil met een minimale Rd-waarde van 1,1 [m2K/W], of isolatie voor een monument;

      • 5°. HR++ glas met een maximale U-waarde van 1,2 [W/m2K], of triple-glas met een maximale U-waarde van 0,8 [W/m2K] in de thermische schil, of isolerend glas voor een monument;

      • 6°. kozijn vereist voor HR++ of triple-glas met een maximale U-waarde van 1,5 [W/m2K], of kozijn vereist voor het isoleren van glas voor een monument;

      • 7°. technieken voor warmteterugwinning (wtw), bestaande uit een systeem voor balansventilatie met wtw met een rendement van ten minste 90%, een verticaal systeem om douchewater voor te verwarmen met afvalwater (douchepijp wtw) met een rendement van ten minste 45%, of een systeem om douchewater voor te verwarmen met afvalwater (douchegoot wtw of douchebak wtw) met een rendement van ten minste 45%;

      • 8°. isolerende deur in de gevel met een maximale U-waarde van 2,0 [W/m2K];

      • 9°. isolerende gevelpanelen met een maximale U-waarde van 0,7 [W/m2K];

      • 10°. ruimteverwarmingstoestel of waterverwarmingstoestel met warmtepomp als bedoeld in artikel 4.5.1. juncto artikel 4.5.4. van de Regeling nationale EZ-subsidies;

      • 11°. zonneboiler als bedoeld in artikel 4.5.5. van de Regeling nationale EZ-subsidies;

      • 12°. pelletkachel als bedoeld in artikel 4.5.6. van de Regeling nationale EZ-subsidies;

      • 13°. op houtachtige biomassa gestookte ketel als bedoeld in artikel 4.5.7. van de Regeling nationale EZ-subsidies;

      • 14°. zonnepanelen;

      • 15°. infraroodpanelen;

      • 16°. warmte-koudeopslag;

      • 17°. lage temperatuurverwarming voor woonkamer en keuken;

      • 18°. energiezuinige verwarmingspomp;

      • 19°. technieken voor de opwekking van windenergie.

  • 2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, komen de kosten, bedoeld in het eerste lid, voor subsidie in aanmerking indien deze zijn gemaakt ter voldoening aan een contractuele verplichting die is aangegaan vóór de indiening van de aanvraag, doch na de datum van ondertekening van de versterkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 4. Hoogte van de subsidie

De subsidie bedraagt 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 7.000,– per woning.

Artikel 5. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:

  • a. voor de woning reeds subsidie is verstrekt op grond van deze regeling;

  • b. de aanvraag betrekking heeft op een energiebesparingsmaatregel die bestaat uit een gebruikte installatie voor de productie van duurzame energie; of

  • c. de aanvraag niet binnen een jaar na afronding van de versterking, dan wel binnen twee jaar na afronding van de versterking indien de versterking is afgerond voor 28 mei 2018, wordt ingediend.

Artikel 6. Subsidieplafond

  • 1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie die is aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, tweede lid, bedraagt € 14.000.000,–.

  • 2. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 7. Verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Een energiebesparingsmaatregel of een maatwerkadviesrapport, waarvoor op grond van deze regeling een subsidie is verleend, wordt binnen een termijn van achttien maanden na de verlening van de subsidie aangebracht of geïnstalleerd en in gebruik genomen, respectievelijk opgeleverd.

  • 2. De minister kan op verzoek van de subsidieontvanger de termijn vaststellen op zes maanden vanaf de datum van afronding van de versterking, bedoeld in artikel 2, eerste lid, indien de termijn, bedoeld in het eerste lid, niet gehaald kan worden in verband met de datum van afronding van de versterking. Het verzoek wordt ingediend voorafgaand aan het einde van laatstbedoelde termijn.

  • 3. Behoudens als onderdeel van de verkoop van de woning, vervreemdt de subsidieontvanger:

    • a. een energiebesparingsmaatregel waarvoor subsidie is verleend niet binnen twaalf maanden na de datum van de subsidievaststelling;

    • b. de deelneming in een lokaal energieproject ten behoeve waarvan subsidie is verleend niet binnen vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling.

Artikel 8. Informatieverplichtingen

  • 1. Een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2, bevat ten minste:

    • a. de naam, het post- en bezoekadres, het e-mailadres en het telefoonnummer van de aanvrager;

    • b. zijn Burgerservicenummer of het nummer waaronder de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel;

    • c. zijn bankrekeningnummer, met overlegging van een kopie van een actueel bankafschrift of een bankpas ter verificatie daarvan;

    • d. de onderbouwing van de kosten, blijkende uit:

      • 1°. een door de aanvrager aanvaarde offerte of opdrachtbevestiging van de aannemer of leverancier met daarop vermeld de datum van aanvang van de werkzaamheden, respectievelijk levering van de installatie voorzien van het merk en type, of – indien beschikbaar – de meldcode, van maximaal twee maanden oud, respectievelijk een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs;

      • 2°. een door de aanvrager aanvaarde offerte of opdrachtbevestiging van een gecertificeerd adviseur met daarop vermeld de datum van oplevering van het maatwerkadviesrapport, van maximaal twee maanden oud, respectievelijk een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs;

    • e. een afschrift van de besluiten tot verlening van andere subsidies in de kosten van de op grond van deze regeling te subsidiëren activiteiten dan wel van de aanvragen tot verlening van deze andere subsidies;

    • f. een afschrift van de overeenkomst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef;

    • g. een opgave van de omzetbelasting die in rekening is gebracht voor de getroffen maatregelen voor zover deze omzetbelasting is verrekend.

  • 2. De aanvraag door een onderneming bevat tevens een verklaring over alle andere onder de algemene de-minimisverordening of andere de- minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de algemene de-minimisverordening.

  • 3. Bij een verzoek om verlenging als bedoeld in artikel 7, tweede lid, wordt een schriftelijke verklaring overgelegd van de uitvoerder van de versterking met daarin de verwachte einddatum van de afronding van de versterking.

Artikel 9. Staatssteun

Een subsidie die krachtens deze regeling wordt verleend, bevat, indien deze aan een onderneming wordt verstrekt, staatssteun en wordt gerechtvaardigd door de algemene de-minimisverordening.

Artikel 10. Horizonbepaling

Deze regeling vervalt met ingang van 28 mei 2023, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 28 mei 2018.

Artikel 12. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling energiebesparing woningen bouwkundig versterkingsprogramma Groningenveld.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 8 mei 2018

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Met de onderhavige regeling wordt uitvoering gegeven aan de breed gedragen politieke en maatschappelijke wens om inwoners van de provincie Groningen die overlast hebben ervaren als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld tegemoet te komen. Het maakt onderdeel uit van het Meerjarenprogramma Aardbevingsbestendig en Kansrijk Groningen1, zoals deze is opgesteld door de Nationaal Coördinator Groningen (NCG). Dit meerjarig programma bevat alle voorgestelde maatregelen en voorzieningen om de opgave in Groningen zoals vastgelegd in de diverse relevante bestuurlijke akkoorden op een goede manier in te kunnen vullen. Het gaat daarbij om concrete maatregelen voor schadeherstel en het bouwkundig versterken van woningen, monumenten en andere gebouwen; maar ook het in combinatie hiermee verduurzamen van woningen, het verbeteren van de leefbaarheid in de dorpen en maatregelen voor de versterking van de regionale economie. Bouwkundig versterken betekent dat de constructie van een woning structureel sterker wordt en beter bestand is tegen aardbevingen. Het gaat om maatregelen als het versterken van de verbindingen tussen de vloeren en wanden, het versterken van vloeren en muren, het vervangen van muren of het versterken van de fundering.

De NCG is in 2016 een inspectie- en versterkingsprogramma gestart in de kern van het aardbevingsgebied. Om de versterking goed aan te pakken, moet eerst duidelijk zijn of en in hoeverre de woningen in een bepaald gebied versterkt moeten worden. Daarom zijn inspecties van woningen nodig. Op basis van deze inspecties wordt berekend welke woningen moeten worden versterkt om ze aardbevingsbestendig te maken. De maatregelen die nodig zijn om de woning te versterken, worden beschreven in een versterkingsadvies. Dit advies kan ook sloop en nieuwbouw betreffen, omdat dit in bepaalde gevallen een beter alternatief kan zijn dan het uitvoeren van versterkingsmaatregelen aan de bestaande woning. De eigenaar van een woning besluit uiteindelijk zelf of de versterkingsmaatregelen worden uitgevoerd. Als de eigenaar besluit tot uitvoering van de versterking dan wordt dit vastgelegd in een overeenkomst voor het versterken van de woning tussen de eigenaar van de woning en de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM).

Op 29 maart 2018 heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat de Tweede Kamer geïnformeerd dat het kabinet de gaswinning uit het Groningenveld binnen afzienbare tijd volledig zal beëindigen (Kamerstukken II 2017/18, 33 529, nr. 457). De gevolgen van de afbouw van de gaswinning voor het veiligheidsrisico en de daarmee samenhangende versterkingsopgave worden geanalyseerd en berekend door de relevante onderzoeks- en kennisinstellingen. Tevens heeft de minister de Mijnraad verzocht om voor de zomer van 2018 een advies uit te brengen met een nadere duiding van de rapporten van deze instellingen. Deze adviezen zullen leiden tot inzicht in de omvang van de nieuwe versterkingsopgave. Bovendien worden de versterkingsaanpak en de bijhorende bestuurlijke afspraken aangepast aan de nieuwe situatie met een dalende gaswinning. Uiteraard staat hierbij ook weer de veiligheid van de Groningers voorop. Het kabinet heeft bij brief van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2018 aan de Tweede Kamer ook aangekondigd dat het in de tussentijd door wil gaan met de versterking van gebouwen waarvan de versterking onomkeerbaar is. Dit betekent dat voor die huizen waarvoor geldt dat de inwoners al een versterkingsadvies hebben ontvangen of waar de uitvoering van de versterking al gestart is, de lopende versterking in beginsel zal worden voortgezet.

De onderhavige regeling biedt compensatie voor de overlast veroorzaakt door het uitvoeren van maatregelen in het kader van het versterkingsprogramma van woningen, die noodzakelijk zijn als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld. Sloop en nieuwbouw maakt deel uit van het versterkingsprogramma en valt derhalve onder de regeling. De regeling draagt tevens bij aan een hoofddoel van het meerjarenprogramma, namelijk het toekomstbestendig maken van de gebouwde omgeving en het ruimtelijk gebied door de energieprestaties te verbeteren.

De regeling gaat uit van een subsidie van maximaal € 7.000,– per te versterken woning, in te zetten voor energiebesparingsmaatregelen of een maatwerkadviesrapport. De ambitie op het gebied van de verduurzaming is dat – indien een woning wordt versterkt – van de gelegenheid gebruik gemaakt wordt om de woning tegelijkertijd te verduurzamen. De versterkingsopgave biedt daar immers een goede gelegenheid voor.

Er is € 41,5 miljoen beschikbaar voor de regeling (inclusief uitvoeringskosten). De mate waarin van de regeling gebruik zal worden gemaakt, is in belangrijke mate afhankelijk van het aantal te versterken woningen.

De regeling wordt uitgevoerd door het Samenwerkingsverband Noord Nederland (SNN). Dit is een samenwerking tussen de provincies Groningen, Fryslân en Drenthe, die is vastgelegd in de vorm van een gemeenschappelijke regeling. SNN was eerder belast met de uitvoering van de Interimregeling waardevermeerdering van de provincie Groningen en is belast met de uitvoering van de Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningenveld van de Minister van Economische Zaken en Klimaat.

2. Hoofdlijnen van de regeling

2.1. Doelgroep regeling

De regeling is bedoeld voor eigenaren van woningen die vallen onder het bouwkundig versterkingsprogramma van woningen als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld en ook daadwerkelijk worden versterkt. Het gaat hier om gebouwen die bestemd zijn voor bewoning. Een woning die bestemd is voor recreatie is dat niet, zodat voor dergelijke gebouwen geen subsidie kan worden verkregen. Dit onderscheid wordt gerechtvaardigd doordat bij permanente bewoning overlast als gevolg van versterking van een andere orde is, dan bij recreatief gebruik van het gebouw. Van het gebouw dat wordt versterkt, komt voorts alleen dat gedeelte dat bestemd is voor bewoning in aanmerking voor subsidie. Ondernemers, zijnde verhuurders van woonruimte, kunnen alleen gebruik maken van de onderhavige regeling indien zij een de-minimis verklaring kunnen overleggen (zie paragraaf 4). In de praktijk zullen alleen kleinere verhuurders hieraan kunnen voldoen, zodat woningcorporaties en andere grotere verhuurders geen of slechts in beperkte mate gebruik kunnen maken van de onderhavige regeling. Wel kunnen zij via de Stimuleringsregeling energieprestaties huursector (STEP) in aanmerking komen voor een tegemoetkoming voor energiebesparingsmaatregelen.

2.2. Openstelling en subsidieplafond

Zoals hierboven aangegeven, heeft de regeling een meerjarig karakter. Subsidieplafonds voor latere kalenderjaren worden voor ingang van het desbetreffende kalenderjaar bekendgemaakt. Ingevolge artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016 is een horizonbepaling opgenomen. Gekozen is voor de maximale termijn van vijf jaar, waardoor de regeling vervalt per 28 mei 2023. Zie voorts de artikelsgewijze toelichting bij artikel 9.

Voor 2018 kunnen aanvragen worden ingediend van 28 mei 2018 tot en met 31 december 2018. Evenwel is het mogelijk dat het subsidieplafond in deze periode eerder wordt bereikt dan op 31 december en dat er om die reden in dat jaar geen subsidie meer verstrekt kan worden. Het is slechts toegestaan om één aanvraag te doen om de maximale subsidie van € 7.000,– per woning te verkrijgen.

Het subsidieplafond voor 2018 wordt vastgesteld op € 14 miljoen.

2.3. Omvang subsidie

Het subsidiebedrag is 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 7.000,– per woning.

2.4. Lijst van subsidiabele maatregelen

De regeling stimuleert de aanschaf, ingebruikname en het uitvoeren van energiebesparende maatregelen (artikel 3). Deze maatregelen worden uitgevoerd aan de woning, maar kunnen, afhankelijk van het type maatregel, ook plaatsvinden in het kader van een lokaal energieproject. Deze ruimte wordt geboden enerzijds omdat de woning van de aanvrager zich niet altijd leent voor het treffen van de energiebesparingsmaatregelen en anderzijds omdat ook lokale energieprojecten, waar de aanvrager aan deelneemt, een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan duurzame energieopwekking. Een lokaal energieproject is een project dat wordt uitgevoerd in een postcodegebied als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel z, van de Wet belastingen op milieugrondslag. Dit is een gebied (ook wel postcoderoos genoemd) waarbinnen de postcodes in het postcodesysteem beginnen met eenzelfde getal van vier cijfers, alsmede de direct aangrenzende gebieden waarbinnen de postcodes in het postcodesysteem (het systeem, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van de Postwet 2009, dat wordt gebruikt door de verlener van de universele postdienst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Postwet 2009) eveneens beginnen met eenzelfde getal van vier cijfers. Naast bovenstaande maatregelen wordt subsidie verstrekt voor een maatwerkadvies door een gecertificeerd adviseur. Bij het opstellen van de lijst met subsidiabele maatregelen is, waar mogelijk, aansluiting gezocht bij bestaande rijksregelgeving op dit terrein. Dit zijn het subsidie-instrument investeringssubsidies voor kleine installaties voor duurzame energieproductie (ISDE)2, de Subsidieregeling energiebesparing eigen huis en de Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningenveld. De maatregelen uit de ISDE zijn zelfs identiek aan die in de onderhavige regeling, om welke reden in artikel 3 deels wordt verwezen naar dit subsidie-instrument. Wijzigingen in de ISDE werken dan ook automatisch door in deze regeling. De maatregelen zijn voorts voor een belangrijk deel vergelijkbaar met die uit de Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning.

2.5. Eenvoudige uitvoering

De regeling is zodanig vormgegeven dat deze tot zo min mogelijk administratieve lasten voor aanvragers leidt. Tegelijkertijd zijn, zoals te doen gebruikelijk, wel afdoende waarborgen tegen mogelijk misbruik opgenomen. Aanvragen worden ingediend bij het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN), Postbus 779, 9700 AT Groningen of digitaal met gebruik van het digitale loket op de website www.snn.eu. Het streven is om de aanvragers hierbij zo veel als mogelijk te ondersteunen, bijvoorbeeld door via een machtiging namens hen de aanvraag in te dienen. Bij een digitale aanvraag melden aanvragers zich aan in het E-Loket (elektronisch aanvraagloket) van SNN. Particulieren melden zich aan met behulp van DigiD. Aanvragers anders dan particulieren melden zich aan met behulp van E-Herkenning. Aanvragers kunnen hun aanvragen met andere aanvragen bundelen en op hetzelfde moment indienen, zodat er, zoveel als mogelijk, tegelijkertijd op deze aanvragen zal worden beslist. Ook bij een digitale aanvraag wordt deze mogelijkheid geboden. Dit wordt mogelijk gemaakt omdat bijvoorbeeld deelnemers in een lokaal energieproject er, gelet op de voortgang van het project, belang bij hebben dat op hetzelfde moment duidelijk wordt of de aanvragen van de verschillende deelnemers worden gehonoreerd.

De procedure gaat na indiening van de aanvraag als volgt:

  • In het aanvraagformulier wordt aangegeven welke maatregelen getroffen worden.

  • Op een subsidieaanvraag wordt op grond van artikel 26 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies uiterlijk acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag een beschikking gegeven.

  • Op grond van artikel 45, tweede lid, gelezen in combinatie met artikel 47, eerste en derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, wordt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening een voorschot verstrekt van 100% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 7.000,– per woning.

  • Een energiebesparingsmaatregel waarvoor subsidie is verleend, moet binnen achttien maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening zijn aangebracht of geïnstalleerd en in gebruik genomen. Het maatwerkadviesrapport moet binnen deze termijn zijn opgeleverd. Dit volgt uit artikel 7 van de regeling. Als aanvragers de maatregelen niet binnen deze termijn aanbrengen of installeren en in gebruik nemen, dan wel indien het maatwerkadviesrapport niet binnen deze termijn is opgeleverd, zijn zij op grond van artikel 36a van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies verplicht dit te melden aan de minister. Achteraf kan worden gecontroleerd of de maatregelen tijdig zijn aangebracht of geïnstalleerd en in gebruik genomen, dan wel dat het maatwerkadviesrapport is opgeleverd, bijvoorbeeld door het opvragen van bewijzen.

  • De subsidie wordt na achttien maanden na verlening van de subsidie ambtshalve vastgesteld. Hiervoor is geen aparte aanvraag tot subsidievaststelling nodig. Dit volgt uit artikel 50, negende lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies aangezien in de regeling geen andere wijze van vaststelling is opgenomen. Dit is in lijn met artikel 7 van de Regeling van de minister-president, minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009, houdende vaststelling van Aanwijzingen voor subsidieverstrekking3 en het daarop gebaseerde Raamwerk uitvoering subsidieregelingen dat subsidies van minder dan € 25.000,– worden verstrekt via het ‘one touch’-principe. Na de aanvraag voor subsidie volgt de verlening en nadien de ambtshalve vaststelling van de subsidie.

  • Indien daartoe aanleiding is, kan na ambtshalve vaststelling overeenkomstig artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht tot terugvordering worden overgegaan.

2.6. Afwijzingsgronden

De regeling kent, in aanvulling op de gronden uit het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, drie aanvullende afwijzingsgronden. Indien voor dezelfde woning reeds subsidie is verstrekt op grond van de onderhavige regeling, kan voor die woning niet opnieuw een subsidie worden verkregen. Het is slechts toegestaan om één aanvraag te doen om de maximale subsidie van € 7.000,– per woning te verkrijgen. Voorts komen gebruikte installaties niet voor subsidiëring in aanmerking, omdat deze onvoldoende bijdragen aan de energiebesparingsdoelen van deze regeling. Tot slot moet de aanvraag binnen een jaar na afronding van de versterking zijn ingediend. Indien de versterking reeds heeft plaatsgehad voor de inwerkingtreding van deze regeling (28 mei 2018), geldt hiervoor een termijn van twee jaar na afronding van de versterking.

2.7. Cumulatie

Subsidie voor energiebesparingsmaatregelen op grond van de onderhavige regeling kan, op grond van deze regeling, gecombineerd worden met subsidies die op grond van andere regelingen zijn verstrekt. Dit kunnen zowel rijksregelingen als regelingen van andere overheden zijn. Voor de rijksregelingen kan in het bijzonder worden gedacht aan de reeds in paragraaf 2.4 genoemde ISDE, Subsidieregeling energiebesparing eigen huis en Regeling waardevermeerdering woningen gaswinning Groningenveld. Dit wil zeggen dat de onderhavige regeling er niet aan in de weg staat dat voor de getroffen maatregelen ook subsidie is verkregen op grond van een andere regeling. Of de andere regeling eveneens een dergelijke cumulatie toelaat, zal moeten blijken uit de desbetreffende regeling.

De samenloop kan er in ieder geval niet toe leiden dat meer subsidie kan worden verkregen dan 100% van de subsidiabele kosten. Dit is verzekerd door artikel 6 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. Het bovenstaande geldt ook voor fiscale regelingen op grond van de Wet belastingen op milieugrondslag.

3. Regeldruk

De regeling is beschikbaar voor woningeigenaren (particulier of verhuurders). Deze regeling levert administratieve lasten op voor aanvragers van de subsidie. Aanvragers kunnen de subsidie aanvragen nadat zij de versterkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, overleggen waaruit blijkt dat zij binnen de versterkingsopgave vallen en de versterking ook wordt uitgevoerd. Dit stuk is reeds beschikbaar, zodat dit geen extra administratieve lasten oplevert. Voorts dient bij de aanvraag onder meer de onderbouwing van in het aanvraagformulier vermelde kosten te worden overgelegd, blijkende uit een door de aanvrager en de aannemer of leverancier aanvaarde offerte of opdrachtbevestiging met daarop vermeld de datum van aanvang van de werkzaamheden, respectievelijk levering van de installatie, van maximaal twee maanden oud, respectievelijk een factuur en daarbij behorend betalingsbewijs. Inzake het maatwerkadviesrapport moet worden overgelegd een door de aanvrager aanvaarde offerte of een opdrachtbevestiging van een gecertificeerd adviseur met daarop vermeld de datum van oplevering van het maatwerkadviesrapport, van maximaal twee maanden oud, respectievelijk een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs. De aanvraag van de subsidie kan digitaal gebeuren. Het doen van de subsidieaanvraag, inclusief het lezen van de informatie op de website van SNN, kost de aanvrager ongeveer 120 minuten. Bij een standaard tarief voor burgers van € 15,– per uur en voor bedrijven van € 37,– per uur kost dit de aanvrager derhalve € 30,– respectievelijk € 74,–.

De verwachting is dat zich in 2018 maximaal 2.000 aanvragers zullen melden. Hiervan zal ca. 1% (derhalve 20 aanvragers) niet-particuliere aanvragers betreffen. De totale administratieve lasten van de subsidieaanvraag komen daarmee op € 60.880,– (1.980 maal € 30,– = € 59.400,– plus 20 maal € 74,– = € 1.480,–). Dat is 0,4% van het totaal beschikbaar gestelde subsidiebedrag in 2018.

4. Staatssteun

De onderhavige subsidie kan, indien deze wordt verstrekt aan een onderneming, hetgeen bij een verhuurder het geval zou kunnen zijn, worden aangemerkt als staatssteun. Deze subsidie kan evenwel op grond van de de-minimisverordening tot een bepaald maximum wel worden verstrekt indien de aanvrager/ondernemer bij de aanvraag een de-minimisverklaring overlegt, waaruit blijkt dat de aangevraagde subsidie geheel of gedeeltelijk kan worden verleend zonder dat sprake zal zijn van overtreding van de voorschriften van de Europese Unie ter zake van de verstrekking van overheidssteun (zie artikel 8, tweede lid). In het algemeen geldt dat per zelfstandige onderneming over een periode van drie achtereenvolgende belastingjaren maximaal € 200.000,– de-minimissteun ontvangen mag worden.

II. Artikelsgewijs

De artikelen in deze regeling worden hieronder waar nodig toegelicht.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1 bevat begripsomschrijvingen. Deze gelden in aanvulling op de begripsomschrijvingen uit artikel 1 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies.

Artikel 2. Subsidie voor energiebesparingsmaatregelen en maatwerkadviesrapport

Op grond van artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies kan de minister krachtens ministeriële regeling subsidie verstrekken op – onder meer – het terrein van energie en duurzaamheid. Deze regeling strekt daartoe. In artikel 2 van deze regeling is de bevoegdheid van de minister neergelegd om subsidie te verstrekken voor energiebesparingsmaatregelen en een maatwerkadviesrapport aan eigenaren van woningen die vallen onder het bouwkundig versterkingsprogramma van woningen als gevolg van de gaswinning in het Groningenveld en ook daadwerkelijk worden versterkt.

Artikel 3. Subsidiabele kosten

Subsidie voor een energieadvies wordt alleen verstrekt als dit in de vorm is van een officieel maatwerkadviesrapport. Een maatwerkadviesrapport wordt gegeven door een bedrijf dat gecertificeerd is volgens de Beoordelingsrichtlijn (BRL) 9500, deel 02. Dit bedrijf (de certificaathouder) laat de opname van de woning doen door een gecertificeerd EPA-adviseur. Dit is een persoon die voldoet aan de eisen van vakbekwaamheid zoals opgenomen in de beoordelingsrichtlijn.

Artikel 10, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies bevat de hoofdregel dat vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten niet voor subsidie in aanmerking komen. Op grond van artikel 15 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies kan hiervan bij ministeriële regeling worden afgeweken. Hiervan is gebruik gemaakt in artikel 3, tweede lid, waardoor ook kosten voor subsidie in aanmerking komen die vóór indiening van de aanvraag zijn gemaakt, mits wordt voldaan aan artikel 3, tweede lid. Dit artikellid bepaalt dat de kosten die zijn gemaakt ter voldoening aan een contractuele verplichting die is aangegaan na de datum van ondertekening van de versterkingsovereenkomst, bedoeld in artikel 2, eerste lid, maar vóór indiening van de aanvraag, ook subsidiabele kosten zijn. Indien de versterkingsovereenkomst bijvoorbeeld is ondertekend op 1 december 2017 en de subsidieaanvraag wordt ingediend op 1 mei 2018, komen ook de kosten in aanmerking die zijn gemaakt ter voldoening aan een contractuele verplichting die is aangegaan in de periode van 1 december 2017 tot en met 1 mei 2018. De ratio hiervan is dat het na het moment van de ondertekening van de versterkingsovereenkomst voor de aanvrager duidelijk kon zijn dat er aanspraak zou ontstaan op subsidie op grond van de onderhavige regeling, die reeds was aangekondigd. Hierdoor houdt een contractuele verplichting die na die datum is aangegaan verband met de onderhavige regeling, zodat de kosten die daaruit voortvloeien voor subsidie in aanmerking kunnen worden gebracht.

Op grond van artikel 10, vierde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, worden de kosten in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

Zie voorts paragraaf 2.4 van deze toelichting.

Artikel 4. Hoogte van de subsidie

Zie hiervoor paragraaf 2.3 van deze toelichting.

Artikel 5. Afwijzingsgronden

Afwijzingsgronden zijn reeds vastgesteld in de artikelen 22 en 23 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. Op grond van artikel 25 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies kunnen bij ministeriële regeling andere afwijzingsgronden worden opgenomen. In artikel 5 zijn aanvullende afwijzingsgronden opgenomen.

Zie hiervoor ook paragraaf 2.6 van deze toelichting.

Artikel 6. Subsidieplafond

In artikel 6, tweede lid, is de wijze van verdeling van het subsidieplafond geregeld. Deze verdeling gebeurt op volgorde van binnenkomst van de aanvragen. In artikel 27, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies is geregeld dat in dat geval de aanvraag die het eerst is binnengekomen, het eerst voor subsidie in aanmerking komt. Een aanvraag geldt als binnengekomen op het moment waarop de aanvraag volledig is (artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies). Door de keuze van de wijze van verdeling van het subsidieplafond is tevens geregeld dat de termijn waarbinnen de minister een beschikking afgeeft overeenkomstig artikel 26 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies acht weken is.

Indien op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag wordt ontvangen, wordt de onderlinge rangschikking van die aanvragen vastgesteld door middel van loting (artikel 27, derde lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies).

Op grond van artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt een subsidie geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

Zie voorts paragraaf 2.2 van deze toelichting.

Artikel 7. Verplichtingen van de subsidieontvanger

De verplichtingen van de subsidieontvanger zijn reeds neergelegd in hoofdstuk 11 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies. De verplichtingen neergelegd in het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, kunnen bij de beschikking tot subsidieverlening nader worden uitgewerkt. Op grond van artikel 44 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies kunnen bij ministeriële regeling andere verplichtingen worden opgelegd en verplichtingen uit hoofdstuk 11 niet van toepassing worden verklaard. In aanvulling op de zorgplicht voor een verantwoord gebruik van de uit de gesubsidieerde activiteiten voortvloeiende resultaten, opgenomen in artikel 40 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies wordt in artikel 7 bepaald dat een energiebesparingsmaatregel waarvoor subsidie is verleend, binnen achttien maanden na de datum van de beschikking tot subsidieverlening moet zijn aangebracht of geïnstalleerd en in gebruik genomen. Het maatwerkadviesrapport moet binnen deze termijn zijn opgeleverd.

Het is redelijk dat de aanvrager binnen een niet te lange termijn na het verlenen van de subsidie de werkzaamheden waarvoor de subsidie is verleend, daadwerkelijk uitvoert. De aanvrager krijgt immers ook binnen twee weken na de verlening van de subsidie de beschikking over de subsidiemiddelen door middel van betaling van een voorschot van 100%. Het is voorts wenselijk deze termijn niet te lang te maken, omdat er na afloop van deze termijn ook controle door SNN kan plaatsvinden op de naleving van de regeling. De aanvragers zullen in die periode de beschikking moeten hebben over bewijsmiddelen.

De uitvoeringstermijn is achttien maanden na het verlenen van de subsidie. Voor deze ruime termijn is gekozen omdat de uitvoering van de maatregelen, afhankelijk van de maatregelen die de woningeigenaar wenst te treffen, beïnvloed kan worden door het tempo van de uit te voeren versterking. De verwachting is dat de versterking in de meeste gevallen ruim binnen de termijn van achttien maanden zal zijn uitgevoerd.

Mocht de versterking echter onverhoopt toch vertraging oplopen, dan voorziet de regeling in de mogelijkheid van verlenging van de uitvoeringstermijn voor het treffen van de energiebesparingsmaatregelen. Hiertoe moet de aanvrager een verzoek indienen. De uitvoeringstermijn wordt in dat geval zes maanden vanaf de datum van afronding van de versterking.

Ook in aanvulling op de zorgplicht wordt bepaald dat een energiebesparingsmaatregel niet binnen twaalf maanden na de subsidievaststelling mag worden vervreemd. De subsidieontvanger die subsidie heeft ontvangen ter zake van een lokaal energieproject, vervreemdt de deelneming aan een lokaal energieproject waarvoor subsidie is verleend niet binnen vijf jaar na de datum van de subsidievaststelling.

Artikel 8. Informatieverplichtingen

Een subsidie moet op grond van artikel 19 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies worden aangevraagd met gebruikmaking van een middel dat door de minister beschikbaar gesteld wordt. De minister kan nadere eisen aan de aanvraag stellen. In artikel 8 zijn deze regels gesteld ten aanzien van de gegevens die ten minste in de aanvraag opgenomen moeten zijn.

Omdat zowel subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die nog moeten plaatsvinden, als voor activiteiten die al hebben plaatsgevonden (zulks met inachtneming van artikel 3, tweede lid), kan een onderbouwing van de kosten blijken uit een door de aanvrager aanvaarde offerte of opdrachtbevestiging van de aannemer of leverancier met daarop vermeld de datum van aanvang van de werkzaamheden, respectievelijk levering van de installatie, van maximaal twee maanden oud, respectievelijk een factuur en betalingsbewijs. De offerte kan ook onderdeel uitmaken van de versterkingsovereenkomst. Inzake het maatwerkadviesrapport moet worden overgelegd een door de aanvrager aanvaarde offerte of een opdrachtbevestiging van een gecertificeerd adviseur met daarop vermeld de datum van oplevering van het maatwerkadviesrapport, van maximaal twee maanden oud, respectievelijk een factuur en het daarbij behorende betalingsbewijs. Tevens moet worden overgelegd een kopie van een actueel bankafschrift of een bankpas ter verificatie van het bankrekeningnummer.

Artikel 9. Staatssteun

Zie paragraaf 4 van deze toelichting.

Artikel 10. Horizonbepaling

Met het opnemen van een vervaltermijn in artikel 9 wordt gehandeld overeenkomstig artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016. Hierin is geregeld dat een subsidieregeling vervalt binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling. Dat wil niet zeggen dat na ommekomst van die termijn niet opnieuw een vergelijkbare subsidieregeling kan worden vastgesteld, maar daarvoor moet dan de procedure van artikel 4.10, zesde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 in acht worden genomen. Hiertoe moet een ontwerp van die subsidieregeling ter kennis worden gebracht aan de Tweede Kamer en kan deze eerst dertig dagen nadien worden vastgesteld.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van de regeling.

De regeling treedt in werking met ingang van 28 mei 2018, hetgeen geen vast verandermoment is als bedoeld in aanwijzing 4.17, tweede lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Voorts wordt afgeweken van de regel dat tussen de publicatiedatum en het tijdstip van inwerkingtreding een termijn van minimaal twee maanden in acht wordt genomen. Deze afwijkingen worden gerechtvaardigd doordat de doelgroep van deze regeling gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding, waarvoor afwijking volgens aanwijzing 4.17 wegens de eerste uitzonderingsgrond van het vijfde lid in dit geval is toegestaan.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes


X Noot
1

Kamerstukken II 2016/17, 33 529, nr. 321.

X Noot
2

Titel 4.5. van de Regeling nationale EZ-subsidies

Naar boven