Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 27835

Gepubliceerd op 22 mei 2018 09:00



Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 1 mei 2018, nr. 2018-0000070331, tot wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014-2020 in verband met onder meer het openstellen van nieuwe aanvraagtijdvakken voor actieve inclusie, duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen en duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE SUBSIDIEREGELING ESF 2014-2020

De Subsidieregeling ESF 2014–2020 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het zesde lid wordt ‘de managementautoriteit’ vervangen door ‘de minister’.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. De minister maakt op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl een alternatieve wijze voor de registratie, het indienen van de aanvraag en de elektronische handtekening bekend, indien dit vanwege een calamiteit niet mogelijk is op de wijze bedoeld in artikel 6, tweede lid, en het tweede lid.

B

Bijlage 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift van Hoofdstuk III, artikel A18a en artikel A25 wordt ‘Veiligheid en Justitie’ vervangen door ‘Justitie en Veiligheid’.

2. Artikel A19 komt te luiden:

Artikel A19. Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

  • a. het aanvraagtijdvak van 2 oktober 2017, 9.00 uur, tot en met 31 oktober 2017, 17.00 uur;

  • b. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2018, 9.00 uur, tot en met 31 oktober 2018, 17.00 uur.

3. Artikel A20 komt te luiden:

Artikel A20. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor:

  • a. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19 aanhef en onderdeel a, € 9.200.000.

  • b. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel A19 aanhef en onderdeel b, € 9.200.000.

4. Artikel B2 komt te luiden:

Artikel B2. Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

  • a. het aanvraagtijdvak van 25 juni 2018, 09.00 uur, tot en met 29 juni 2018, 17.00 uur;

  • b. het aanvraagtijdvak van 12 november 2018, 09.00 uur, tot en met 16 november 2018, 17.00 uur;

  • c. het aanvraagtijdvak van 8 april 2019, 09.00 uur, tot en met 12 april 2019, 17.00 uur.

5. Artikel B3 komt te luiden:

Artikel B3. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt:

  • a. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel a, € 15.000.000;

  • b. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel b, € 15.000.000;

  • c. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B2, aanhef en onderdeel c, € 15.000.000.

6. Na artikel B3 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel B3a. Rangschikking

  • 1. In afwijking van artikel 8 wordt bij overschrijding van het subsidieplafond, bedoeld in artikel B3, na afloop van het aanvraagtijdvak door middel van loting de volgorde vastgesteld waarin de ontvangen subsidieaanvragen worden afgehandeld.

  • 2. Alleen volledige subsidieaanvragen worden inhoudelijk in behandeling genomen.

  • 3. Onvolledige subsidieaanvragen worden, na aanvulling door de subsidieaanvrager, geplaatst aan het einde van de lijst die volgt uit de loting, waarbij het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend is voor de volgorde van plaatsing op die lijst.

7. Artikel B6 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. Onderdeel b komt te luiden:

    • b. Bij het verzoek tot vaststelling van de subsidie tevens wordt aangetoond dat de aanvrager op het moment dat de projectactiviteiten werden uitgevoerd tenminste twee werknemers in dienst had;.

  • b. In onderdeel f wordt ‘drie’ vervangen door ‘twee’.

8. Artikel B7 komt te luiden:

Artikel B7. Weigering van de subsidie

Er wordt geen subsidie verleend aan subsidieaanvragers aan wie:

  • 1. op grond van een subsidieaanvraag ontvangen in een van de aanvraagtijdvakken, bedoeld in artikel B2, reeds subsidie met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk is verleend;

  • 2. op grond van enige andere subsidieregeling voor het project of vergelijkbare doeleinden subsidie is verstrekt.

9. Aan artikel B8a wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, de volgende onderdelen toegevoegd:

  • d. activiteiten die plaatsvinden in het kader van een wettelijke verplichting;

  • e. een advies of begeleiding bij de implementatie van een advies, niet zijnde door de adviseur duidelijk toegesneden op de aanvrager en de werkenden middels maatwerk.

10. In artikel B9, eerste lid, wordt ‘€ 10.000,-’ vervangen door ‘€ 12.500’.

11. Artikel B10 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid vervalt onderdeel b, onder vernummering van de onderdelen c en d tot b en c.

b. Onderdeel c (nieuw) komt te luiden:

  • c. de bijlage met berekening van de subsidiabele kosten, de factuur of facturen van de adviseur investeringsprioriteit B met urenspecificatie op dagniveau en de bijbehorende algemeen aanvaarde betalingsbewijzen.

c. In het vierde lid wordt ‘bedoeld in het derde lid, onderdeel c,’ vervangen door ‘bedoeld in het derde lid, onderdeel b,’.

d. Onder vernummering van de leden 5 en 6 tot 6 en 7, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 5. De minister kan de subsidieontvanger in het kader van de vaststelling van de subsidie verplichten de contactgegevens te verstrekken van twee werknemers die actief betrokken zijn bij het project en bereid zijn informatie te verstrekken aan door de minister dan wel door de Europese Commissie daartoe aangewezen instanties voor controle en evaluatiedoeleinden.

12. In artikel B11 vervallen het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.

13. Artikel B13 komt te luiden:

Artikel B13. Aanvraagtijdvakken

Subsidieaanvragen met betrekking tot een project in het kader van dit hoofdstuk worden door de minister ontvangen in:

  • a. het aanvraagtijdvak van 25 september 2017, 09.00 uur tot en met 13 oktober 2017, 17.00 uur;

  • b. het aanvraagtijdvak van 1 oktober 2018, 09.00 uur, tot en met 26 oktober 2018, 17.00 uur.

14. Artikel B14 komt te luiden:

Artikel B14. Subsidieplafond

Het maximaal beschikbare bedrag voor het verlenen van subsidie bedraagt voor:

  • a. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, aanhef en onderdeel a, € 12.500.000;

  • b. het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, aanhef en onderdeel b, € 25.000.000.

15. Artikel B15, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

  • a. In onderdeel a wordt na ‘werken, waaronder’ ingevoegd ‘veilig werken met stoffen,’.

  • b. In onderdeel b wordt na ‘het bevorderen van’ ingevoegd ‘een leven lang ontwikkelen,’.

16. Artikel B17 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

  • 1°. In onderdeel c, wordt ‘het project een duur van ten hoogste achttien maanden heeft’ vervangen door ‘het project, bedoeld in artikel B13, onderdeel a, een duur van ten hoogste vierentwintig maanden heeft’.

  • 2°. Onder vernummering van de onderdelen d tot en met g tot e tot en met h, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

    • d. het project, bedoeld in artikel B13, onderdeel b, een duur van ten hoogste tweeëndertig maanden heeft, gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag;

b. In het tweede lid wordt na ‘de aanvrager’ ingevoegd ‘van een subsidie voor een project voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, onderdeel a,’.

17. Artikel B18 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

. In onderdeel a, subonderdeel 2º, wordt na ‘een’ ingevoegd ‘regionaal of sectoraal scholings- of’.

2°. Aan onderdeel a wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 5°. activiteiten op maat voor individuele arbeidsorganisaties;.

3°. Onderdeel b, subonderdeel 3º, komt te luiden:

  • 3°. een regionaal of sectoraal scholings- of beleidsplan met concrete en haalbare doelstellingen;.

4°. In onderdeel b wordt, onder vervanging van de punt aan het slot van subonderdeel 4º door een puntkomma, een subonderdeel toegevoegd, luidende:

  • 5°. activiteiten op maat voor individuele arbeidsorganisaties.

b. Onder vernummering van het tweede lid tot derde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Bij projecten voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, onderdeel b, komen eveneens activiteiten ter voorbereiding van de producten, genoemd in het eerste lid, onderdelen a en b, en activiteiten ter borging van de producten, genoemd in het eerste lid, onderdeel b, voor subsidie in aanmerking.

18. Artikel B19 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De subsidiabele kosten bedragen per project:

    • a. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, aanhef en onderdeel a, minimaal € 120.000 en maximaal € 500.000;

    • b. voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, aanhef en onderdeel b, minimaal € 120.000 en maximaal € 1.000.000.

b. In het tweede lid wordt ‘het samenwerkingsverband tot maximaal € 1.500.000,–.’ vervangen door ‘het samenwerkingsverband tot:’ en worden de volgende onderdelen toegevoegd:

  • a. maximaal € 1.500.000 voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, aanhef en onderdeel a;

  • b. maximaal € 3.000.000 voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, aanhef en onderdeel b.

19. Artikel B20 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel a wordt na ‘directe loonkosten’ ingevoegd ‘gerelateerd aan de uitvoering van de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel B18, en directe loonkosten met betrekking tot de voorbereiding, coördinatie en administratie van het project’.

2°. In onderdeel c wordt na ‘externe kosten’ ingevoegd ‘en externe kosten voor voorbereiding, projectcoördinatie en -administratie’.

3°. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma, wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. kosten van de door de externe adviseur investeringsprioriteit B werkelijk gerealiseerde uren aantoonbaar verricht voor ten minste een van de activiteiten als bedoeld in artikel B18. Voor de berekening van de subsidie wordt het uurtarief van deze adviseur bepaald op maximaal € 100 exclusief btw, tenzij de subsidieontvanger de marktconformiteit van het door hem gehanteerde hogere uurtarief aantoont op de wijze als omschreven in artikel B21, onderdeel e.

b. Onder vernummering van het tweede tot en met het vijfde lid tot het derde tot en met zesde lid, wordt een lid ingevoegd:

  • 2. Bij een project voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, onderdeel a, komen de directe loonkosten met betrekking tot de voorbereiding niet voor subsidiëring in aanmerking en wordt de verleende subsidie niet verhoogd.

c. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘tweede lid’ vervangen door ‘derde lid’.

d. In het vijfde lid (nieuw) wordt ‘derde lid’ vervangen door ‘vierde lid’.

e. In het zesde lid (nieuw) wordt na ‘bedoeld in het eerste lid,’ ingevoegd ‘onderdelen a en c,’ en wordt na ‘en rechtstreeks aan’ ingevoegd ‘de voorbereiding, bij projecten voor het aanvraagtijdvak, bedoeld in artikel B13, onderdeel b, of’ en wordt na ‘de uitvoering’ ingevoegd ‘dan wel het beheer’.

f. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Onverminderd de subsidievormen, genoemd in het eerste lid, komen de volgende kostensoorten tevens voor subsidiëring in aanmerking:

    • a. standaardschalen van eenheidskosten;

    • b. lump sums;

    • c. forfaitaire financiering, bepaald door een percentage toe te passen op een of meer gedefinieerde categorieën kosten.

  • 8. De minister stelt ambtshalve vast welke subsidievorm, bedoeld in het eerste of zevende lid, wordt toegepast, alsmede in hoeverre een eventuele combinatie van deze subsidievormen mogelijk is.

20. Artikel B21 wordt als volgt gewijzigd:

  • a. In onderdeel b wordt ‘,een bestaand sectoraal of regionaal scholingsplan van de werkende’ geschrapt.

  • b. Onder vernummering van de onderdelen c en d tot e en f, worden de volgende onderdelen ingevoegd:

    • c. technische innovatie;

    • d. activiteiten die plaatsvinden in het kader van een wettelijke verplichting;.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 1 mei 2018

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

TOELICHTING

Algemeen

Wijzigingen in de Hoofdstukken III, V en Va

De aanleiding voor de wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014-2020 is het openstellen van nieuwe aanvraagtijdvakken voor de aanvraag van subsidie voor:

  • ‘Investeringsprioriteit A: Actieve inclusie, mede met het oog op bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en het verbeteren van de inzetbaarheid’, Hoofdstuk III. De Minister van Veiligheid en Justitie;

  • ‘Investeringsprioriteit B: Actief en gezond ouder worden’, Hoofdstuk V. Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen en Hoofdstuk Va. Duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren.

De wijzigingen hebben tevens tot doel een aantal subsidievoorwaarden te verduidelijken, aan te scherpen en te vereenvoudigen.

Deze regeling heeft onmiddellijke werking. Bij het doorvoeren van de wijzigingen is rekening gehouden met het feit dat er nog projecten lopen uit eerdere aanvraagtijdvakken.

Artikelsgewijs

Artikel I. Wijziging van de Subsidieregeling ESF 2014-2020

Onderdeel A (Artikel 7, De subsidieaanvraag)

In het geval van een calamiteit bij de managementautoriteit (Uitvoering Van Beleid), kan het voorkomen dat moet worden afgeweken van de reguliere procedures, waaronder de door de minister verstrekte elektronische handtekening, registratie- en de aanvraagfunctie van het subsidieportaal. Indien een dergelijke situatie zich voordoet, communiceert de minister in ieder geval via de website (www.uitvoeringvanbeleidszw.nl) over de alternatieve wijzen waarop aanvragers zich kunnen registeren respectievelijk hun subsidieaanvraag kunnen indienen.

Onderdeel B, onder 1 (bijlage 1, opschrift van Hoofdstuk III, artikel A18a en artikel A25)

De wijziging is noodzakelijk in verband met de recente naamswijziging van het Ministerie van Veiligheid en Justitie in het Ministerie van Justitie en Veiligheid.

Onderdeel B, onder 2 (bijlage 1, artikel A19. Aanvraagtijdvakken)

Het nieuwe aanvraagtijdvak zal worden opengesteld van 1 oktober 2018 tot en met 31 oktober 2018.

Onderdeel B, onder 3 (bijlage 1, Artikel A20. Subsidieplafond)

Voor het nieuwe aanvraagtijdvak wordt € 9.200.000 beschikbaar gesteld.

Onderdeel B, onder 4 (bijlage 1, artikel B2. Aanvraagtijdvakken)

Er worden drie nieuwe aanvraagtijdvakken opengesteld, namelijk: in juni 2018, november 2018 en april 2019. In tegenstelling tot voorgaande jaren, is er sprake van meerdere kleine aanvraagtijdvakken, zodat aanvragers over de mogelijkheid beschikken om op verschillende momenten een subsidieaanvraag in te dienen. De gefaseerde openstelling draagt bij aan een minder grote piek in de uitvoering. Dit bevordert de snelheid en de kwaliteit waarmee de ingediende aanvragen kunnen worden beoordeeld.

Onderdeel B, onder 5 (bijlage 1, artikel B3. Subsidieplafond)

Voor elk van de drie tijdvakken wordt € 15.000.000 beschikbaar gesteld. Dit subsidieplafond is lager dan voorgaande jaren, omdat er binnen een jaar tijd meerdere aanvraagtijdvakken worden opengesteld. Gedurende de openstelling van het tijdvak informeert Uitvoering Van Beleid middels de website (www.uitvoeringvanbeleidszw.nl) over het aantal ontvangen aanvragen. Waar in eerdere jaren het subsidieplafond verhoogd is gedurende de aanvraagtijdvakken, ligt dat gezien de gefaseerde openstelling thans niet meer voor de hand.

Onderdeel B, onder 6 (bijlage 1, artikel B3a. Rangschikking)

In afwijking van artikel 8 wordt geregeld dat de minister de subsidieaanvragen, indien het subsidieplafond door het totaal aan aangevraagde subsidie wordt overschreden, afhandelt op een door loting bepaalde volgorde. De volgorde van afhandeling wordt dus niet langer bepaald op basis van het moment van indiening.

Door keuze voor loting, neemt de druk op aanvragers weg om direct na het openen van het aanvraagtijdvak een aanvraag in te dienen. De loting voorkomt daarmee niet alleen stress bij aanvragers, maar ook overbelasting van Uitvoering van Beleid.

De loting wordt uitgevoerd door een notaris. De volgorde die door loting wordt vastgesteld, is bepalend voor de volgorde van afhandeling, in het kader waarvan eerst zal worden beoordeeld of de aanvraag wel volledig is. Aanvragen die na de loting binnen het subsidieplafond vallen, worden namelijk alleen inhoudelijk behandeld indien zij volledig zijn. De loting leidt niet tot een schifting van aanvragen die zijn ingeloot en in aanmerking komen voor subsidie en aanvragen die zijn uitgeloot en niet in aanmerking komen voor subsidie, maar enkel tot een volgorde voor afhandeling. Die volgorde behelst alle ingediende subsidieaanvragen.

Aanvragen die onvolledig zijn, belanden pas op het moment dat die herzien zijn door de aanvrager én wel volledig zijn, achteraan de rij die op basis van de loting is vastgesteld. Het indienen van een volledige subsidieaanvraag is dus van groot belang. Voor de volgorde van plaatsing in de rij van de herziene aanvragen, is het tijdstip van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag bepalend. Bij een onvolledige aanvraag heeft de aanvrager er dus belang bij de aanvraag zo spoedig mogelijk aan te vullen.

Uitvoering Van Beleid licht de werkwijze omtrent de loting toe op de website en maakt de volgorde van afhandeling die volgt uit de loting daarop openbaar.

Onderdeel B, onder 7 (bijlage 1, artikel B6. Specifieke eisen)

De activiteiten in het kader van duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen, hebben als doel om mensen langer gezond, gemotiveerd en productief aan het werk te houden (zie artikel B4). De aanvrager betreft een arbeidsorganisatie (zie artikel B1). De aanvrager dient in de nieuwe aanvraagtijdvakken uitsluitend bij het verzoek om vaststelling aan te tonen dat er, op het moment dat de projectactiviteiten werden uitgevoerd, ten minste twee medewerkers in dienst waren. De bewijsstukken hiervoor zijn recente loonstroken of een overzicht uit de salarisadministratie.

De adviseur die door de subsidieaanvrager wordt ingezet dient voorts in beginsel aan het referentievereiste te voldoen. In onderdeel f wordt nu bepaald dat twee verschillende opdrachtgevers als onafhankelijk referent dienen op te treden. Een aanvrager in de nieuwe aanvraagtijdvakken hoeft dus geen drie (zoals bij eerdere aanvraagtijdvakken het geval was), maar twee referenties van de adviseur aan te leveren. Onafhankelijk referent zijn bijvoorbeeld niet: de aanvrager, familieleden, partners, collega’s en zakenpartners. Een toelichting op de vereisten van een referentie is gegeven in Staatscourant nr. 46176 van 5 september 2016.

Onderdeel B, onder 8 (bijlage 1, artikel B7. Weigering van de subsidie)

Zoals artikel B5 bepaalt, wordt er één aanvraag per aanvraagtijdvak in behandeling genomen. Er worden middels deze regelwijziging echter meerdere kleine aanvraagtijdvakken opengesteld. Om te zorgen voor een brede reikwijdte van de subsidieregeling wordt, indien een aanvrager in méér dan één van deze aanvraagtijdvakken subsidie aanvraagt, er slechts eenmaal subsidie verleend. Wanneer reeds een verleningsbeschikking is afgegeven, worden volgende subsidieaanvragen in andere aanvraagtijdvakken afgewezen.

Voor zowel eerdere als de nieuwe aanvraagtijdvakken geldt dat er geen subsidie wordt verleend aan subsidieaanvragers aan wie op grond van enige andere subsidieregeling voor het project of vergelijkbare doeleinden subsidie is verstrekt.

Onderdeel B, onder 9 (bijlage 1, artikel B8a. Niet-subsidiabele kosten)

Het ligt niet in de rede dat projecten subsidiabel zijn die primair gericht zijn op het uitvoeren van bestaand personeelsbeleid, een bedrijfsmatige reorganisatie, certificering van bedrijfs- en productieprocessen, exit-trajecten of het nakomen van wettelijke en bovenwettelijke verplichtingen (bijvoorbeeld voortvloeiende uit de CAO) die formeel zijn verbonden aan het werk- of opdrachtgeverschap. In de regeling wordt verduidelijkt dat, zoals eerder in de toelichting reeds stond vermeld, activiteiten ter uitvoering van wettelijke verplichtingen niet subsidiabel zijn. Dit geldt voor projecten uit alle tijdvakken.

Activiteiten die wettelijk verplicht zijn, en daarom niet worden gesubsidieerd, zijn bijvoorbeeld:

  • Het in kaart brengen van de risico’s in de Risicoinventarisatie & -Evaluatie (RI&E), inclusief het opstellen en uitvoeren van een plan van aanpak (artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet);

  • Het voeren van een beleid en het nemen van maatregelen om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen of te beperken, inclusief het uitvoeren van een nadere inventarisatie op het gebied van werkdruk, agressie en geweld en/of ongewenste omgangsvormen en het uitvoeren van beheersmaatregelen (artikel 2.15 van het Arbeidsomstandighedenbesluit);

  • Het geven van voorlichting en onderricht ten aanzien van risico’s en maatregelen op het gebied van arbeidsomstandigheden in het bedrijf (artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet);

  • Het laten bijstaan door een gecertificeerd kerndeskundige (of bedrijfsarts) op het gebied van: toetsen van de RI&E, ziekteverzuim of PAGO (artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet);

  • Het uitvoeren van periodiek arbeidsgeneeskundig onderzoek – PAGO (artikel 18 Arbeidsomstandighedenwet).

Onderzoeken, trainingen en gedragscampagnes die verder strekken dan de wettelijke verplichtingen op het gebied van werkdruk en psychosociale arbeidsbelasting (PSA) zijn bijvoorbeeld wel subsidiabel. In dit kader valt te denken aan onderwerpen als de veiligheids- en organisatiecultuur (waaronder gedragsinterventies), leiderschapsstijlen, open communicatie en gespreksvaardigheid en individueel gerichte onderzoeken of trainingen op het gebied van leef- en eetstijl of belastbaarheid – zijnde geen onderdeel van overkoepelend wettelijk verplicht overkoepelend organisatieonderzoek naar Werkdruk. Trainingen over het omgaan met agressie en geweld vallen hier niet onder.

In artikel B10, vierde lid, is reeds opgenomen dat uit het advies of verslag dat de adviseur oplevert, moet volgen wat de relevantie is voor de aanvrager. Bij de einddeclaraties werden echter soms nog producten opgeleverd waaruit niet duidelijk volgde hoe de adviseur maatwerk voor de arbeidsorganisatie en werkenden leverde in het advies en de implementatie daarvan. In onderdeel e wordt daarom verduidelijkt dat een project niet in aanmerking komt voor subsidie indien een adviseur niet voorziet in duidelijk op de arbeidsorganisatie en de werkenden toegesneden advies en/of begeleiding.

Onderdeel B, onder 10 (bijlage 1, artikel B9. Hoogte subsidie)

Het maximale subsidiebedrag wordt voor de komende aanvraagtijdvakken iets verhoogd, zodat aanvragers tot € 12.500 subsidie kunnen aanvragen. Dit betekent dat het totaalbedrag aan subsidiabele kosten dat kan worden opgevoerd op € 25.000 komt te liggen. Reden hiervoor is dat de ervaring uit voorgaande aanvraagtijdvakken leert dat veel aanvragen en declaraties de vastgestelde maximale hoogte van de subsidiabele kosten overstijgen.

Onderdeel B, onder 11 (bijlage 1, artikel B10. Einddeclaratie en subsidievaststelling)

Aanvragers van het aanvraagtijdvak in 2016 dienden de contactgegevens van twee deelnemers van het project te vermelden bij de einddeclaratie. Deze gegevens waren bedoeld voor controle- en evaluatiedoeleinden. De minister constateert echter dat deze gegevens beperkt zijn benut en heeft besloten die verplichting voor komende aanvraagtijdvakken daarom niet meer generiek op teleggen. Aanvragers zijn dus alleen verplicht om de betreffende gegevens te verstrekken wanneer de minister daar bij de beoordeling van het verzoek om vaststelling expliciet om verzoekt.

In onderdeel c wordt benadrukt dat de factuur moet zijn voorzien van een urenspecificatie op dagniveau, zodat inzichtelijk is hoeveel uren een adviseur op welke dagen heeft besteed aan het project. Daarnaast is vereist dat de aanvrager gebruik maakt van de bijlage met de berekening van de subsidiabele kosten, conform het format dat de minister beschikbaar stelt op de website www.uitvoeringvanbeleidszw.nl.

Onderdeel B, onder 12 (bijlage 1, artikel B11. Uitzonderingen op algemeen deel)

In 2016 is de beoordelingstermijn van achttien weken verlengd naar een termijn van dertig weken. Gezien de forse verhoging van het subsidieplafond die destijds plaatsvond, was het noodzakelijk om de termijn te verlengen zodat alle aanvragen konden worden beoordeeld. Het subsidieplafond is in de komende tijdvakken niet meer zo hoog. Zodoende is ook de beoordelingstermijn teruggebracht naar achttien weken. Aangezien niet meer wordt afgeweken van artikel 7, vijfde lid, is het tweede lid van artikel B11 komen te vervallen.

Onderdeel B, onder 13 (bijlage 1, artikel B13. Aanvraagtijdvakken)

Er wordt een nieuw aanvraagtijdvak opengesteld van 1 oktober 2018, 09.00 uur tot en met 26 oktober 2018 17.00 uur.

Onderdeel B, onder 14 (bijlage 1, artikel B14. Subsidieplafond)

Het subsidieplafond voor het nieuwe aanvraagtijdvak bedraagt € 25.000.000.

Onderdeel B, onder 15 (bijlage 1, artikel B15. Doel)

In dit artikel wordt benadrukt dat de ESF-subsidie ook kan worden ingezet voor het bevorderen van veilig werken met stoffen en een leven lang ontwikkelen. Op deze manier verduidelijkt de minister de ruimte die er is voor aanvragen die zich richten op deze thema’s.

Jaarlijks sterven er 4.100 mensen door beroepsziekten. Naar schatting sterven hiervan 2.700 mensen aan werkgerelateerde kanker, waarbij blootstelling aan gevaarlijke stoffen een grote risicofactor is. Een belangrijke oorzaak is onvoldoende bewustzijn bij zowel werkgevers als werknemers van de risico’s van deze gevaarlijke stoffen en de noodzaak van het toepassen van maatregelen. Met het opnemen van het thema veilig werken met (gevaarlijke) stoffen in de ESF-regeling voor regio’s en sectoren wordt vooral beoogd om dit bewustzijn bij de betrokkenen te vergroten, zodat meer beschermende maatregelen worden genomen en het aantal slachtoffers wordt verminderd.

Activiteiten moeten nadrukkelijk in dienst staan van gezond en veilig werken.

Actieplannen zijn subsidiabel wanneer die zijn gericht op het vergroten van bewustwording en brede agendering op het gebied van veilig werken met (gevaarlijke) stoffen. Daarbij kan worden gedacht aan een bewustwordingscampagne en actieplannen gericht op het realiseren van gedragsverandering op de werkvloer, maar ook aan onderzoek en innovatie.

De huidige maatschappij wordt sterk beïnvloed door technische innovatie en globalisering. Deze ontwikkeling is duidelijk waar te nemen op de arbeidsmarkt. De veranderende markt vergt snellere aanpassing van vraag en aanbod. Als werkende betekent dit dat het belangrijk is om je te blijven ontwikkelen. Dat kan betekenen dat je investeert in taalvaardigheden, scholing voor toekomstige functies en dergelijke. Het blijven actualiseren van kennis en vaardigheden kan zowel via formeel als informeel leren. Duurzame inzetbaarheid is nauw verbonden met een leven lang ontwikkelen.

Onderdeel B, onder 16 (bijlage 1, artikel B17. Specifieke eisen)

Voor de lopende projecten van het aanvraagtijdvak uit 2017 wordt de projectduur verlengd tot ten hoogste 24 maanden.

De projecten in het aanvraagtijdvak in 2018 hebben een maximale projectduur van 32 maanden, zodat voldoende gelegenheid bestaat activiteiten breed uit te rollen en te borgen. Dit betekent dat er binnen projecten bijvoorbeeld meer ruimte komt om ook een follow-up te geven aan activiteiten. Deze maximale projectduur is gerekend vanaf de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag. Artikel B17, tweede lid, is niet van toepassing op de projecten van het aanvraagtijdvak 2018. In alle gevallen is de datum van ontvangst van de volledige subsidieaanvraag dus de startdatum van het project.

Onderdeel B, onder 17 (bijlage 1, artikel B18. Subsidiabele activiteiten)

Niet alleen de ontwikkeling en uitvoering van de producten in artikel B18 zijn in het tijdvak 2018 subsidiabel, maar ook de voorbereiding van het project dat leidt tot deze producten. Onder de voorbereiding van het project wordt bijvoorbeeld verstaan het nader uitwerken van het plan van aanpak, afstemmen met samenwerkingspartners en het betrekken van werkgevers.

De ruime looptijd van projecten in het aanvraagtijdvak 2018 kan worden benut voor het borgen van producten en activiteiten. Zo kunnen er follow-ups bij bedrijven worden gedaan, of kunnen activiteiten breder worden uitgerold en verankerd in organisaties. In artikel B18, tweede lid, wordt daarom aangegeven dat naast de voorbereiding en uitvoering ook de borging subsidiabel is.

Met de verduidelijking van artikel B18 wordt benadrukt dat scholing gericht op toekomstige functies, als onderdeel van een sectoraal of regionaal scholingsplan, subsidiabel is. Scholing die is gericht op toekomstige functies is subsidiabel binnen duurzame inzetbaarheid regio’s en sectoren (hoofdstuk Va). Het betreft bijvoorbeeld omscholing van iemand naar een functie waar vraag naar is in dezelfde of een andere sector, scholing om de employabiliteit te behouden en te vergroten wanneer functies worden vervangen als gevolg van ingrijpende ontwikkelingen, zoals robotisering of wanneer de fysieke belastbaarheid van een werkende afneemt. Dergelijke scholing kan onderdeel uitmaken van een project waarin een bestaand scholingsplan wordt vernieuwd, uitgerold of uitgebreid, of van een nieuw scholingsplan. Een scholingsplan moet op navolgbare wijze sectorale dan wel regionale knelpunten oplossen. Te denken valt aan grote veranderingen die zich voordoen in functievereisten, als gevolg van technische innovatie. Het is denkbaar dat zulke veranderingen zich voordoen in bijvoorbeeld de landbouw- en energiesector en dat het nodig is dat werkgevers zich met werkenden voorbereiden door het verkrijgen van kennis en vaardigheden die functies in de toekomst vragen. Maar scholingsplannen kunnen zich ook richten op intersectorale mobiliteit, waarbij oudere medewerkers bijvoorbeeld worden omgeschoold om werk te doen dat zij tot aan hun pensioenleeftijd kunnen uitvoeren.

Een subsidiabele activiteit die aan onderdeel a en b wordt toegevoegd, maar al tot de mogelijkheden behoorde onder de noemer van de uitvoering van een beleidsplan of het uitvoeren van pilots, is het bieden van maatwerk aan individuele arbeidsorganisaties. Met name in het midden- en kleinbedrijf is er behoefte aan laagdrempelige bewustwordingsactiviteiten en advisering over het vergroten van de duurzame inzetbaarheid van werkenden. En niet elk bedrijf heeft daarin dezelfde ontwikkelpunten. Daarom wordt in de regeling verduidelijkt dat het mogelijk is om via de projecten (een plan of structuur op te zetten om) individuele arbeidsorganisaties te voorzien van maatwerk, om hen een stap verder te helpen richting gezond, gemotiveerd en productief werken.

Onderdeel B, onder 18 (bijlage 1, artikel B19. Hoogte subsidie)

Om de ruimte te bieden aan een grotere variëteit in omvang van projecten, wordt de bovengrens voor de totale projectkosten verhoogd voor projecten in het aanvraagtijdvak 2018. De projectkosten bedragen het totaal van de subsidie plus de eigen financiering door aanvragers. De verhoging van de maximaal te verstrekken subsidie werkt door in het tweede lid, dat samenwerkingsverbanden met O&O-fondsen de mogelijkheid biedt om een groter project in te dienen.

Onderdeel B, onder 19 (bijlage 1, artikel B20. Subsidiabele kosten)

Aan directe loonkosten en externe kosten wordt in het eerste lid van artikel B20 toegevoegd: voor de voorbereiding, projectcoördinatie en -administratie.

Voor de uitleg van deze termen kan worden aangesloten bij de in artikel 1 van deze regeling opgenomen definities, met dien verstande dat in dit artikel – ten gunste van de subsidieontvanger – bij de directe loonkosten voor projectadministratie en -coördinatie, niet als voorwaarde geldt dat het desbetreffende personeelslid voor 50% of meer van diens contractuele werktijd werkzaam dient te zijn voor het project.

Het zorgdragen voor een ESF-aanvraag, het organiseren en inrichten van een adequate uitvoeringsstructuur, voorbereiding van het project (werkgevers benaderen, een vragenbrief van Uitvoering Van Beleid beantwoorden etc.), het voeren van een goede administratie en het opstellen van een einddeclaratie, worden beschouwd als cruciale activiteiten voor het welslagen van een ESF-project. Dergelijke activiteiten worden beschouwd als het beheer van een project. Vanaf het aanvraagtijdvak 2018 mogen aanvragers tevens voorbereidingskosten, die gedurende de projectperiode worden gemaakt, opvoeren. De interne kosten die met het beheer samenhangen worden beschouwd als directe loonkosten. Kosten van een projectleider en een projectadministrateur verbonden aan het project of een onderdeel daarvan, kunnen worden opgevoerd als subsidiabele kosten. De flatrate van 15% blijft behouden en wordt berekend over de directe loonkosten, als dekking voor indirecte kosten. Onder indirecte kosten vallen bijvoorbeeld exploitatiekosten, reiskosten, kosten voor een werkplek, ontwikkelkosten, afschrijvingskosten et cetera. Deze kosten mogen dan ook niet afzonderlijk worden gedeclareerd.

Deze wijziging treedt direct in werking. Het verleende subsidiebedrag voor de lopende projecten wordt niet naar boven bijgesteld en blijft dus gelijk aan het bedrag zoals opgenomen in de verleningsbeschikking. Als een aanvrager, bijvoorbeeld door onderrealisatie op andere onderdelen, financiële ruimte binnen zijn begroting ziet ontstaan, die kan worden gevuld met kosten die worden gemaakt voor de coördinatie en administratie van het project, dan kunnen deze worden opgevoerd indien de totale projectkosten het verleende bedrag niet overstijgen. Indien in lopende projecten in de beschikking subsidie is verleend voor kosten die na de wijziging onder de flat rate van 15% komen te vallen, dan heeft de wijziging geen gevolgen voor de subsidiabiliteit van die kosten zoals bepaald in de verleningsbeschikking.

Er wordt een maximum uurtarief voor het inschakelen van externe adviseurs ingesteld. Het maximale uurtarief wordt gelijkgesteld aan het maximale uurtarief zoals wordt gehanteerd in ‘Hoofdstuk V. Duurzame inzetbaarheid bedrijven/instellingen’ en is gebaseerd op marktonderzoek. Dat uurtarief bedraagt € 100 exclusief btw. Aanvragers hoeven geen marktconformiteit meer aan te tonen indien zij een adviseur inhuren op of onder dit gemaximeerde tarief. Aanvragers kunnen gebruik maken van externe adviseurs met een hoger uurtarief en deze kosten opvoeren. Een uurtarief dat hoger is dan € 100 exclusief btw is echter alleen volledig subsidiabel indien de marktconformiteit is aangetoond door de subsidieontvanger, op de wijze als omschreven in artikel B21, onderdeel e. Wanneer de marktconformiteit van het uurtarief boven € 100 exclusief btw niet kan worden aangetoond door de subsidieontvanger, is het verschil tussen het werkelijke uurtarief en het maximale uurtarief niet subsidiabel en dus voor eigen rekening van de subsidieontvanger. Deze wijziging is tevens van toepassing op de projecten die behoren tot de aanvraagtijdvakken in 2016 en 2017. Voor deze subsidieontvangers leidt de onderhavige wijziging overigens tot een verlichting. Ook zij hoeven immers geen marktconformiteit meer aan te tonen indien zij een maximum uurtarief hanteren van € 100 exclusief btw.

Onderdeel B, onder 20 (bijlage 1, artikel B21. Niet-subsidiabele kosten)

Omtrent de subsidiabiliteit van de activiteiten en de kosten wordt het volgende verduidelijkt voor projecten uit alle tijdvakken.

Scholingsactiviteiten zijn niet subsidiabel wanneer die zijn gericht op kwalificerende of bedrijfsspecifieke scholing en niet uitdrukkelijk en herkenbaar aansluiten op het plan van aanpak ter bevordering van duurzame inzetbaarheid, bedoeld in artikel B22, eerste lid, onderdeel b. Daarnaast is scholing niet subsidiabel wanneer die vereist is om iemand zijn bestaande functie naar behoren te laten uitvoeren of zich daarvoor te kwalificeren. Het voorzien in dergelijke scholing wordt beschouwd als een reguliere verantwoordelijkheid van de werkgever. Zie voor een beschrijving van het type scholingsactiviteiten dat subsidiabel is de toelichting bij artikel B18.

Artikel B21 vermeldde al dat procesverbetering niet subsidiabel is indien dit niet nadrukkelijk bijdraagt aan de doelstelling uit artikel B15. Zoals reeds in de toelichting stond vermeld, is ook technische innovatie niet subsidiabel. Ter verduidelijking richting aanvragers wordt dit expliciet vermeld in de regeling. Kosten voor bijvoorbeeld de (advisering over) aankoop en inrichting van (digitale) systemen en werkprocessen zijn niet subsidiabel.

Het ligt niet in de rede dat projecten subsidiabel zijn die primair gericht zijn op het uitvoeren van bestaand personeelsbeleid, een bedrijfsmatige reorganisatie, certificering van bedrijfs- en productieprocessen, exit-trajecten of het nakomen van wettelijke en bovenwettelijke verplichtingen die formeel zijn verbonden aan het werk- of opdrachtgeverschap. Zoals al in de toelichting stond vermeld, is het uitvoering geven aan wettelijke verplichtingen niet subsidiabel. Dat wordt nu verduidelijkt in artikel B21.

Activiteiten die wettelijk verplicht zijn en daarom niet worden gesubsidieerd, zijn bijvoorbeeld:

  • Het in kaart brengen van de risico’s in de Risicoinventarisatie & -Evaluatie (RI&E), inclusief het opstellen en uitvoeren van een plan van aanpak (artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet);

  • Het voeren van een beleid en het nemen van maatregelen om psychosociale arbeidsbelasting te voorkomen of beperken, inclusief het

uitvoeren van een nadere inventarisatie op het gebied van werkdruk, agressie en geweld en/of ongewenste omgangsvormen en het uitvoeren van beheersmaatregelen (artikel 2.15 van het Arbeidsomstandighedenbesluit);

  • Het geven van voorlichting en onderricht ten aanzien van risico’s en maatregelen op het gebied van arbeidsomstandigheden in het bedrijf (artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet);

  • Het laten bijstaan door een gecertificeerd kerndeskundige (of bedrijfsarts) op het gebied van: toetsen van de RI&E, ziekteverzuim of PAGO (artikel 14 van de Arbeidsomstandighedenwet);

  • Het uitvoeren van periodiek arbeidsgeneeskundig onderzoek – PAGO (artikel 18 van de Arbeidsomstandighedenwet).

Onderzoeken, trainingen en gedragscampagnes die verder strekken dan de wettelijke verplichtingen op het gebied van werkdruk en psychosociale arbeidsbelasting (PSA) zijn bijvoorbeeld wel subsidiabel. In dit kader valt te denken aan onderwerpen als de veiligheids- en organisatiecultuur (waaronder gedragsinterventies), leiderschapsstijlen, open communicatie en gespreksvaardigheid en individueel gerichte onderzoeken of trainingen op het gebied van leef- en eetstijl of belastbaarheid (geen onderdeel van overkoepelend wettelijk verplicht overkoepelend organisatieonderzoek naar Werkdruk). Trainingen over het omgaan met agressie en geweld vallen hier niet onder.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, T. van Ark

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl