Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2017, 5558Besluiten van algemene strekking

Voorgenomen Besluit Aanwijzing te houden zoogdiersoorten

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren, in samenhang met artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht;

Maakt het voornemen bekend het in de bijlage opgenomen besluit te nemen.

Indiening zienswijze

Op de voorbereiding en vaststelling van de lijst van de te houden diersoorten of diercategorieën in de zin van artikel 2.2., eerste lid van de Wet dieren, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Ingevolge het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stel ik belanghebbenden in de gelegenheid om binnen zes weken na publicatie van het onderhavige besluit in de Staatscourant, hun zienswijze hierover naar voren te brengen. Zienswijzen kunnen schriftelijk, digitaal of mondeling naar voren worden gebracht.

Een schriftelijke reactie kunt u sturen naar:

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland

t.a.v. Huisdierenlijst

Postbus 40225

8004 DE Zwolle

Digitaal indienen zienswijze:

Hiervoor gebruikt u het digitaal formulier op https://mijn.rvo.nl/voorgenomen-besluit-dieren-voor-de-huisdierenlijst

Mondelinge zienswijze:

Dit is mogelijk op woensdagen tussen 09.00 en 11.00 uur. In dit geval neemt u contact op met het klantcontactcentrum van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: 088 042 42 42 om een afspraak te maken voor het indienen van een mondelinge zienswijze.

De lijst met de te houden zoogdiersoorten is vanaf 31 januari 2017 digitaal te raadplegen op de website: https://mijn.rvo.nl/voorgenomen-besluit-dieren-voor-de-huisdierenlijst en www.positieflijst.nl

‘s-Gravenhage, 30 januari 2017

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

BIJLAGE VOORGENOMEN BESLUIT AANWIJZING TE HOUDEN ZOOGDIERSOORTEN

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren;

Besluit:

Artikel 1

De volgende diersoorten of diercategorieën worden ingevolge artikel 2.2., eerste lid, van de Wet dieren, aangewezen als te houden zoogdiersoorten of zoogdiercategorieën:

Nederlandse naam

Geslacht

ondergeslacht

Soort/ondersoort

Acacia rat

Thallomys

 

paedulcus

Afrikaanse dwergmuis

Mus

Nannomys

minutoides

Afrikaanse dwergrelmuis

Graphiurus

Graphiurus

murinus

Algerijnse gerbil

Gerbillus

Hendecapleura

nanus

Alpaca

Vicugna

 

pacos

Amerikaanse rotseekhoorn

Spermophilus

Otospermophilus

variegatus

Azara’s agoeti

Dasyprocta

 

azarae

Bennettwallabie

Macropus

Notamacropus

rufogriseus

Bergkangoeroe

Macropus

Osphranter

robustus

Blauwschaap

Pseudois

 

nayaur

Bleke gerbil

Gerbillus

Gerbillus

perpallidus

Borstelstaartkangoeroerat

Bettongia

 

penicillata

Bosmuis

Apodemus

 

sylvaticus

Cheesman’s gerbil

Gerbillus

Gerbillus

cheesmani

Chinchilla

Chinchilla

 

lanigera

Chinese gestreepte boomeekhoorn

Tamiops

 

swinhoei

Chinese rotseekhoorn

Sciurotamias

Sciurotamias

davidianus

Chinese woelmuis

Microtus

Alexandromys

fortis

Degoe

Octodon

 

degus

Driekleureekhoorn

Callosciurus

 

prevostii

Dromedaris

Camelus

 

dromedarius

Dwergstekelmuis

Acomys

Acomys

spinosissimus

Egyptische stekelmuis

Acomys

Acomys

cahirinus

Europese dwergmuis

Micromys

 

minutus

Finlaysonklappereekhoorn

Callosciurus

 

finlaysonii

Fret

Mustela

 

Putorius/

furo

Gambiaanse hamsterrat

Cricetomys

 

gambianus

Gestreepte grasmuis

Lemniscomys

 

striatus

Gouden stekelmuis

Acomys

Acomys

russatus

Goudhaas

Dasyprocta

 

leporina

Grootooregel

Hemiechinus

 

auritus

Grote Egyptische renmuis

Gerbillus

Gerbillus

pyramidum

Grote gevlekte boomeekhoorn

Sciurus

Sciurus

variegatoides

Guanaco

Lama

 

glama

guanicoe

Harrington's gerbil

Taterillus

 

harringtoni

Himalayathargeit

Hemitragus

 

jemlahicus

Hudson eekhoorn

Tamiasciurus

 

hudsonicus

Japanse bosgems

Capricornis

 

crispus

Japanse eekhoorn

Sciurus

Sciurus

lis

Kameel

Camelus

 

bactrianus

Karatau-argali

Ovis

 

Ammon/

nigrimontana

Katoenrat

Sigmodon

Sigmodon

hispidus

Kleine egeltenrek

Echinops

 

telfairi

Kleine Egyptische renmuis

Gerbillus

Gerbillus

gerbillus

Kleine mara

Dolichotis

 

salinicola

Koesoegrasrat

Arvicanthis

 

niloticus

Kortstaartopossum

Monodelphis

 

domestica

Lama

Lama

 

Glama/guanicoe

Lesueurborstelstaartkangoeroerat

Bettongia

 

lesueur

Manenschaap

Ammotragus

 

lervia

Mara

Dolichotis

 

patagonum

Mediterrane woelmuis

Microtus

Microtus

guentheri

Midden-Amerikaanse agoeti

Dasyprocta

 

punctata

Moeflon

Ovis

 

Aries/

musimon

Moeras lemming

Synaptomys

Mictomys

borealis

Moerascavia

Cavia

 

magna

Muskusspitsmuis

Suncus

 

murinus

Negenbandgordeldier

Dasypus

 

novemcinctus

Oostelijke wangzakeekhoorn

Tamias

Tamias

striatus

Parmawallabie

Macropus

Notamacropus

parma

Perny eekhoorn

Dremomys

 

pernyi

Perzische woestijnmuis

Meriones

Parameriones

persicus

Pluimstaartgerbil

Sekeetamys

 

calurus

Rafflesi eekhoorn

Callosciurus

 

Prevostii/

rafflesii

Relmuis

Glis

 

glis

Rotsklipdas

Procavia

 

capensis

Rotsmoko

Kerodon

 

rupestris

Shawi gerbil

Meriones

Pallasiomys

shawi

Sinaïstekelmuis

Acomys

Acomys

dimidiatus

Somalische egel

Atelerix

 

sclateri

Springhaas

Pedetes

 

capensis

Steppelemming

Lagurus

 

lagurus

Steppewoelmuis

Lasiopodomys

 

brandtii

Streepmuis

Rhabdomys

 

pumilio

Sumatraanse bosgems

Capricornis

 

sumatraensis

Sundevalls gerbil

Meriones

Pallasiomys

crassus

Tanzaniaanse grasrat

Arvicanthis

 

neumanni

Thaise dwergstreepeekhoorn

Tamiops

 

mcclellandii

Tristam’s gerbil

Meriones

Pallasiomys

tristrami

Turkmeense muishamster

Calomyscus

 

bailwardi

Veeltepelmuis

Mastomys

 

natalensis

Veldmuis

Microtus

Microtus

arvalis

Vette zandrat

Psammomys

 

obesus

Vicuña

Vicugna

 

vicugna

Vijfstrepige palmeekhoorn

Funambulus

Prasadsciurus

pennantii

Wagnersgerbil

Dipodillus

Petteromys

dasyurus

Wild schaap

Ovis

 

ammon

Wilde cavia

Cavia

 

aperea

Witbuikegel

Atelerix

 

albiventris

Woestijnslaapmuis

Eliomys

 

melanurus

Woestijnvos

Vulpes

 

zerda

Zebragrasmuis

Lemniscomys

 

barbarus

Zuid-Afrikaanse egel

Atelerix

 

frontalis

Zuidamerikaanse opossum

Didelphis

 

albiventris

Zwarte rat

Rattus

 

rattus

Zwartneusklappereekhoorn

Callosciurus

 

notatus

Zwartrugagoeti

Dasyprocta

 

prymnolopha

Cactusmuis

Peromyscus

 

eremicus

Campbells dwerghamster

Phodopus

 

campbelli

Chinese dwerghamster

Cricetulus

 

barabensis

Russische dwerghamster

Phodopus

 

sungorus

Strandmuis

Peromyscus

 

polionotus

Vetstaartgerbil

Pachyuromys

 

duprasi

Witvoetmuis

Peromyscus

 

leucopus

Woestijndwerghamster

Phodopus

 

roborovskii

Bruine rat

Rattus norvegicus

   

Cavia

Cavia porcellus

   

Damhert

Dama dama

   

Ezel

Equus asinus

   

Geit

Capra hircus

   

Gerbil

Meriones unguiculatus

   

Goudhamster

Mesocricetus auratus

   

Hond

Canis Lups Familiaris

   

Kat

Felis Catus

   

Konijn

Oryctolagus cuniculus

   

Middeneuropees edelhert

Cervus elaphus

   

Nerts

Neovison vison

   

Paard

Equus caballus

   

Rund

Bos taurus

   

Schaap

Ovis aries

   

Tamme muis

Mus musculus

   

Varken

Sus scrofa

   

Waterbuffel

Bubalus bubalis

   

Artikel 2

De volgende diersoorten of diercategorieën worden niet aangewezen als te houden diersoorten of diercategorieën:

Nederlandse naam

Geslacht

Ondergeslacht

Soort/ondersoort

Addax

Addax

 

nasomaculatus

Afrikaanse civetkat

Civettictis

 

civetta

Algazel

Oryx

 

dammah

Alpenmarmot

Marmota

Marmota

marmota

Amerikaanse eland

Alces

 

americanus

Arabische oryx

Oryx

 

leucoryx

Axishert

Axis

 

axis

Beer koeskoes

Ailurops

 

ursinus

Beermarter

Arctictis

 

binturong

Beisa

Oryx

 

beisa

Belangers toepaja

Tupaia

 

belangeri

Bergnyala

Tragelaphus

 

buxtoni

Bergrietbok

Redunca

 

fulvorufula

Bezoargeit

Capra

 

Hircus aegragrus

Bizon

Bison

 

bison

Bohorrietbok

Redunca

 

redunca

Bongo

Tragelaphus

 

eurycerus

Bosbok

Tragelaphus

 

scriptus

Bosbuffel

Syncerus

 

Caffer nanus

Brilbladneusvleermuis

Carollia

 

perspicillata

Bruinbehaard gordeldier

Chaetophractus

 

villosus

Bruine beer

Ursus

 

arctos

Capybara

Hydrochoeris

 

hydrochaeris

Chinese waterree

Hydropotes

 

inermis

Dagestaanse toer

Capra

 

Caucasia/ cylindricornis

Dalls schaap

Ovis

 

dalli

Defassawaterbok

Kobus

 

Ellipsiprymnus/ defassa

Dikhoornschaap

Ovis

 

canadensis

Dingo (verwilderde hond)

Canis

 

Lupus/ dingo

Drievingerige luiaard

Bradypus

 

tridactylus

Dwergantilope

Neotragus

 

pygmaeus

Dwergmangoest

Helogale

 

parvula

Elandantilope

Taurotragus

 

oryx

Europese haas

Lepus

Eulagos

europaeus

Gaffelbok

Antilocapra

 

americana

Gems

Rupicapra

 

rupicapra

Gemsbok

Oryx

 

gazella

Genetkat

Genetta

 

genetta

Gestreepte buideleekhoorn

Dactylopsila

 

trivirgata

Gestreepte jakhals

Canis

 

adustus

Gestreepte skunk

Mephitis

 

mephitis

Gestreepte tenrek

Hemicentetes

 

semispinosus

Gewone jakhals

Canis

 

aureus

Gewone tenrek

Tenrec

 

ecaudatus

Gewone toepaja

Tupaia

 

glis

Gewoon stekelvarken

Hystrix

Hystrix

cristata

Grantgazelle

Nanger

 

granti

Grootoorvos

Otocyon

 

megalotis

Grote egeltenrek

Setifer

 

setosus

Grote grison

Galictis

 

vittata

Grote koedoe

Tragelaphus

 

strepsiceros

Hamerkopvleerhond

Hypsignathus

 

monstrosus

Hartebeest

Alcelaphus

 

buselaphus

Hausagenet

Genetta

 

thierryi

Impala

Aepyceros

 

melampus

Indische antilope

Antilope

 

cervicapra

Indische civetkat

Viverra

 

zibetha

Indische muntjak

Muntiacus

 

muntjak

Jak (domestic form)

Bos

 

grunniens

Kaapse buffel

Syncerus

 

caffer

Kalong

Pteropus

 

vampyrus

Kiang

Equus

 

kiang

Klein behaard gordeldier

Chaetophractus

 

vellerosus

Kleine koedoe

Tragelaphus

 

imberbis

Kleine woestijnspringmuis

Jaculus

 

jaculus

Kleinklauwotter

Aonyx

 

cinerea

Koeroero

Spalacopus

 

cyanus

Koesimanse

Crossarchus

 

obscurus

Kogelgordeldier

Tolypeutes

 

matacus

Kropgazelle

Gazella

 

subgutturosa

Kuifhert

Elaphodus

 

cephalophus

Laaglandtapir

Tapirus

 

terrestris

Lierantilope

Damaliscus

 

lunatus

Loewak

Paradoxurus

 

hermaphroditus

Moerashert

Blastocerus

 

dichotomus

Moeraskat

Felis

 

chaus

Moeraswallabie

Wallabia

 

bicolor

Muildierhert

Odocoileus

 

hemionus

Nevelrat

Phloeomys

 

pallidus

Nijlgau

Boselaphus

 

tragocamelus

Nijlroezet

Rousettus

Rousettus

aegyptiacus

Nubische steenbok

Capra

 

nubiana

Nyala

Tragelaphus

 

angasii

Onager

Equus

 

hemionus

Oostelijke grijze reuzenkangoeroe

Macropus

Macropus

giganteus

Oribi

Ourebia

 

ourebi

Palmvleerhond

Eidolon

 

helvum

Pardin’s genetkat

Genetta

 

pardina

Pater-Davidshert

Elaphurus

 

davidianus

Penseelzwijn

Potamochoerus

 

porcus

Peruaanse witnekeekhoorn

Sciurus

Urosciurus

igniventris

Perzisch damhert

Dama

 

Dama/ mesopotamica

Poolvos

Vulpes

 

lagopus

Przewalskipaard (wilde soort)

Equus

 

Caballus/ przewalskii

Ree

Capreolus

 

capreolus

Rendier

Rangifer

 

tarandus

Reuzenboszwijn

Hylochoerus

 

meinertzhageni

Reuzenelandantilope

Taurotragus

 

derbianus

Reuzenwoestijnspringmuis

Jaculus

 

orientalis

Richardsongrondeekhoorn

Spermophilus

Spermophilus

richardsonii

Roanantilope

Hippotragus

 

equinus

Rode reuzenkangoeroe

Macropus

Osphranter

rufus

Roestgenet

Genetta

 

maculata

Rolstaartbeer

Potos

 

flavus

Roodhalspademelon

Thylogale

 

thetis

Sabelantilope

Hippotragus

 

niger

Saiga

Saiga

 

tatarica

Schroefhoorngeit

Capra

 

falconeri

Serval

Leptailurus

 

serval

Siberische paardenspringmuis

Allactaga

Orientallactaga

sibirica

Siberische steenbok

Capra

 

sibirica

Sikahert

Cervus

 

nippon

Sitatoenga

Tragelaphus

 

spekii

Sneeuwhaas

Lepus

Lepus

timidus

Soemerringgazelle

Nanger

 

soemmerringii

Somalische wilde ezel

Equus

 

Asinus/ somalicus

Spaanse steenbok

Capra

 

pyrenaica

Springbok

Antidorcas

 

marsupialis

Steenbok

Capra

 

ibex

Steppevos

Vulpes

 

corsac

Steppezebra

Equus

 

burchellii

Stokstaartje

Suricata

 

suricatta

Suikereekhoorn

Petaurus

 

breviceps

Tammarwallabie

Macropus

Notamacropus

eugenii

Tayra

Eira

 

barbara

Tibetaanse antilope

Pantholops

 

hodgsonii

Tibetaanse gazelle

Procapra

 

picticaudata

Tijgergenet

Genetta

 

tigrina

Tweevingerige luiaard

Choloepus

 

didactylus

Utahprairiehond

Cynomys

Leucocrossuromys

parvidens

Vierhoornantilope

Tetracerus

 

quadricornis

Vierteenrenmuis

Allactaga

Scarturus

tetradactyla

Vos

Vulpes

 

vulpes

Vosmangoest

Cynictis

 

penicillata

Wapiti

Cervus

 

Elaphus/ canadensis

Wasbeerhond

Nyctereutes

 

procyonoides

Waterbok

Kobus

 

ellipsiprymnus

Westelijke grijze reuzenkangoeroe

Macropus

Macropus

fuliginosus

Wild zwijn

Sus

 

scrofa

Wisent

Bison

 

bonasus

Witstaartgnoe

Connochaetes

 

gnou

Witstaarthert

Odocoileus

 

virginianus

Witstaartstekelvarken

Hystrix

Hystrix

indica

Woestijnkat

Felis

 

margarita

Woestijnknobbelzwijn

Phacochoerus

 

aethiopicus

Zadeljakhals

Canis

 

mesomelas

Zandvos

Vulpes

 

rueppellii

Zandwallabie

Macropus

Notamacropus

agilis

Zeboe

Bos

 

Taurus/ indicus

Zebramangoeste

Mungos

 

mungo

Zesbandgordeldier

Euphractus

 

sexcinctus

Zwartkoptenrek

Hemicentetes

 

nigriceps

Zwartstaartprairiehond

Cynomys

Cynomys

ludovicianus

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking met ingang van tien weken na publicatie van het besluit in de Staatscourant.

Artikel 4

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit aanwijzing te houden zoogdiersoorten.

Artikel 5

Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

TOELICHTING

I. ALGEMEEN

1.1 Inleiding

Onderhavige besluit strekt tot het vaststellen van een Positieflijst Zoogdiersoorten op basis van artikel 2.2, eerste lid, van de Wet dieren (hierna: wet). Artikel 2.1 van de Regeling houders van dieren en de hierbij behorende bijlagen 1 en 2, inclusief de tabellen 1,2 en 3 zullen komen te vervallen. De hiermee vastgestelde Positieflijst Zoogdiersoorten geeft aan welke zoogdiersoorten zijn aangewezen om in Nederland te mogen worden gehouden.

1.2 Geschiedenis

Ingevolge de wet geldt dat alleen diersoorten die door de Minister van Economische Zaken zijn aangewezen mogen worden gehouden. Dat principe was ook in de aan de Wet dieren voorafgaande wet, de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren uit 1992 opgenomen, maar het desbetreffende artikel 33 is niet in werking getreden. Er zijn vanaf 1992 verschillende pogingen ondernomen om te komen tot de invoering van een systeem om diersoorten te beoordelen en besluiten te nemen over het al dan niet mogen houden van die soorten. De lijst met aangewezen diersoorten wordt ook positieflijst (of huisdierenlijst) genoemd. Ook productiedieren behoren tot diersoorten die zijn aangewezen, maar deze soorten worden gewoonlijk in een bedrijfsmatige omgeving gehouden. In 1996 heeft de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA) in opdracht van de toenmalige minister een advies uitgebracht over de samenstelling van de positieflijst. In 2003 heeft de RDA een advies opgesteld getiteld ‘Negatief – en Positieflijst voor zoogdieren en vogels ter invulling van artikel 33 van de Gezondheids – en welzijnswet voor dieren’ (RDA 2003/07). De voorgestelde lijn bleek echter op dat moment niet te passen binnen de kaders van het kabinetsbeleid (Kamerstukken II, 2003–2004, 28 286, nr.5).In 2006 kwam het voor het eerst tot een daadwerkelijk voorstel voor een positieflijst aan de hand van het RDA rapport 2003/07. De voorgestelde positieflijst bleek echter te lang en niet werkbaar. In 2008 heeft toenmalig Minister Verburg, op aandringen van de Tweede Kamer, de Kamer toegezegd een positieflijst voor zoogdieren op te stellen. Aan Wageningen Universiteit Livestock Research (verder ook: WUR) is vervolgens de opdracht gegeven om criteria op te stellen en te adviseren over een systematiek waarmee de positieflijst zoogdiersoorten kan worden samengesteld. De systematiek diende tevens te voldoen aan het door het Hof van Justitie van de Europese Unie gewezen Andibel arrest uit 2008 (zie hieronder paragraaf 1.2), waarin criteria zijn opgenomen waaraan de toepassing van een positieflijst voor zoogdiersoorten dient te voldoen. Dit heeft in 2010 geleid tot de ontwikkeling van een systematiek waarvan de basis werd gevormd door de inschatting van het risico op aantasting van het welzijn van het dier en de eventuele gevolgen voor de gezondheid van mens en dier. De beoordeling vindt plaats in het kadervan de in artikel 1.4 van het Besluit houders van dieren (verder: het besluit) opgenomen criteria en de door de Wet dieren expliciet erkende intrinsieke waarde van dieren. Op de intrinsieke waarde is reeds ingegaan in paragraaf 1.2.3 van de toelichting bij de Regeling houders van dieren (Stcrt. 2014, 17980). De in 2012 uitgevoerde beoordelingen en de in 2013 opgestelde positieflijst hebben geleid tot diverse op- en aanmerkingen vanuit het maatschappelijk veld. Wageningen UR Livestock Research is in 2014 gevraagd om op basis van de eerdere versie van de systematiek de aanwezigheid en ernst van deze risico’s per diersoort in te schatten en om recente inzichten en beleidskeuzes zodanig te verwerken in een bijgestelde versie van de systematiek, dat deze praktisch haalbaar is en leidt tot betrouwbare en maatschappelijk gedragen uitkomsten. Wageningen UR Livestock Research heeft de methode in de tweede helft van 2014 uitgewerkt tot een werkwijze waarmee op een inzichtelijke, consequente en verantwoorde manier een weloverwogen welzijn- en gezondheidsrisico-inschatting voor het dier en een inschatting van het risico van gevaar voor de mens kan worden opgesteld (TK 2013–2014, 31 389, nr. 145) en die voldoet aan de voorwaarden uit het Andibel arrest.

1.3 Andibelarrest

In het Arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2008, zaak C-219/07 heeft het Hof zich uitgesproken over de voorwaarden waaronder een positieflijstsysteem ingevoerd kan worden. Het Hof brengt in herinnering dat de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang is (r.o. 27). Verboden of beperkingen die gerechtvaardigd zijn, onder meer, uit hoofde van de bescherming van de gezondheid en het leven van personen en dieren, mogen worden ingesteld, op voorwaarde dat deze verboden of beperkingen geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen (r.o. 28). Beperkingen van het vrije verkeer van goederen kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende vereisten zoals de bescherming van het milieu of dierenwelzijn (r.o. 29). De opstelling van een positieflijst en de latere wijzigingen daarvan moeten berusten op criteria die objectief en niet discriminerend zijn (r.o. 34). Er moet een gemakkelijke procedure zijn die de belanghebbenden in staat stelt, te verkrijgen dat nieuwe zoogdiersoorten op de nationale lijst van toegestane soorten worden geplaatst, en op grond waarvan tegen een besluit om een dier al of niet aan te wijzen in rechte kan worden opgekomen (r.o. 35). Een verzoek tot plaatsing van een zoogdiersoort op die lijst behoort slechts te worden afgewezen wanneer het houden van specimens van die soort een reëel gevaar voor de bescherming of de eerbiediging van de belangen en de vereisten vermeld in de punten 27 tot en met 29 van het arrest oplevert (r.o. 36). Volgens het Hof kan een verzoek tot plaatsing van een soort op de lijst van zoogdiersoorten waarvan het in bezit hebben is toegestaan, slechts worden afgewezen op grond van een uitgebreid onderzoek van het gevaar dat het houden van specimens van de betrokken soort inhoudt voor de bescherming van de belangen en de vereisten vermeld in de punten 27 tot en met 29 van het onderhavige arrest, welk onderzoek berust op de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens die beschikbaar zijn en de meest recente resultaten van het internationale onderzoek (r.o. 37).Bij de introductie van de positieflijst moet aan de genoemde criteria worden voldaan. Hierna zal uiteengezet worden dat bij de beoordeling gebruik wordt gemaakt van objectieve wetenschappelijke gegevens, dat de gehanteerde criteria objectief en niet discriminerend zijn, en dat de lijst met aangewezen diersoorten op daartoe strekkende aanvraag van organisaties of particulieren kan worden gewijzigd.

2. Positieflijst

2.1 Systematiek

Het is ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de wet verboden om dieren te houden die niet behoren tot de door de minister aangewezen diersoorten of diercategorieën. In artikel 1.4 van het Besluit houders van dieren zijn de criteria opgenomen die bij de aanwijzing in acht worden genomen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het verbod van artikel 2.2, eerste lid, van de wet momenteel alleen van toepassing op zoogdieren.

Het vereiste dat diersoorten en diercategorieën moeten zijn aangewezen teneinde mogelijk te maken dat ze worden gehouden, geldt zowel voor landbouwhuisdieren als voor dieren die niet voor landbouwproductiedoeleinden worden gebruikt. Het is op grond van artikel 1.4 van het besluit van belang dat een soort zonder specialistische kennis en vaardigheden en gevaar voor de mens kan worden gehouden.

Er is ten principale vanuit gegaan dat honden, katten en productiersoorten zonder specialistische kennis en vaardigheden en gevaar voor de mens kunnen worden gehouden. Honden, katten en productiediersoorten zijn om die reden zonder beoordeling aangewezen en geplaatst op de lijst te houden zoogdiersoorten. Voor de overige diersoorten is daar niet vanuit gegaan. Deze diersoorten zijn om die reden middels de positieflijstsystematiek beoordeeld en door de Positieflijst Advies Commssie van een risico-inschattingsadvies op welzijnsaantasting en gevaar voor de mens voorzien. De Staatssecretaris heeft op grond hiervan het onderhavige besluit genomen.

2.1.1 Clustering
  • Welzijn

Om de werklast te beperken heeft WUR in samenwerking met de houderij-organisaties onderzocht in hoeverre het mogelijk is bepaalde diersoorten te clusteren. De criteria op grond waarvan besloten kan worden dat de soorten geclusterd kunnen worden zijn sociale structuur, voedselspecialisatie, ecomorfie, dag-, schemer- of nachtactieve levenswijze en de determinatiemogelijkheden. Indien soorten in deze aspecten overeenkomen, is het in principe mogelijk deze soorten voor het beoordelen te clusteren waarbij de mate van domesticatie een reden kan zijn om juist de gedomesticeerde soort hier buiten te houden. Om die reden is bijvoorbeeld de fret niet in een groep geplaatst met de niet gedomesticeerde hermelijn.

Het clusteren van diersoorten heeft als bijkomend voordeel dat qua informatie geput kan worden uit andere tot het cluster behorende diersoorten waardoor het voorzorgsbeginsel vanwege het ontbreken van informatie over specifieke soorten minder vaak in beeld hoeft te komen. Het voorzorgsbeginsel is aan de orde wanneer het onmogelijk blijkt te zijn om het bestaan of de omvang van het gestelde gevaar, waaronder het gevaar voor de bescherming van het dierenwelzijn met zekerheid te bepalen maar reeële schade voor de gezondheid of dieren of voor het milieu waarschijnlijk is. Onder reeële schade wordt verstaan elke onaanvaardbare aantasting van het welzijn en gezondheid van het dier en/of mens. Het gaat daarbij niet om de vraag in hoeverre een dier zich kan aanpassen (adaptatie) aan zijn gehouden leefomgeving maar om de vraag in hoeverre er sprake is van onaanvaardbare aantasting van het welzijn van het dier. Het gaat daarbij dus niet alleen om het voorkomen van lijden maar ook om het welbevinden van het dier zelf en daarmee de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier zoals deze is neergelegd in artikel 1.3 van de wet. Het ontbreken van deze soortspecifieke informatie binnen een cluster is in die gevallen dan ook voor de PAC geen doorslaggevende overweging geweest om te differentiëren. Dit laat onverlet dat indien diersoortspecifieke essentiële informatie ontbreekt en deze ook niet middels analogie te verkrijgen is, het voorzorgsbeginsel wel is toegepast zoals in het geval van de nevelrat en de dwergantilope.

  • Zoönose

Voor de beoordeling van het risico op zoönosen is geclusterd op het niveau van familie

en op basis van zoönosen, beschreven bij de geïnventariseerde soorten vastgesteld welke zoönosen bij deze familie kunnen voorkomen. De in een bepaalde familie voorkomende zoönosen zijn gekoppeld aan de soorten die tot die familie behoren. Hiermee is een veiligheidsmarge ingebouwd omdat niet alle zoönosen bij alle soorten aangetoond zijn terwijl de kans wel reeël is dat deze bij de desbetreffende soort kunnen voorkomen.

2.1.2 Beoordeling risico welzijnsaantasting diersoort en letselrisico mens

Allereerst is door de Positieflijst Expert Commissie (PEC), een commissie bestaande uit stakeholdersexperts, een technische inschatting gemaakt van het risico op welzijnsaantasting bij het dier en gevaar op letsel bij de mens aan de hand van in de literatuur aangetroffen bevindingen per in artikel 1.4 van het Besluit houders van dieren vermeld criterium. De in de literatuur aangetroffen bevindingen zijn met vindplaats per diersoort door de stakeholders-experts vermeld in een zogenoemd excerpt. De bevindingen kunnen afkomstig zijn uit de wetenschappelijke en nietwetenschappelijke literatuur waarbij in principe wetenschappelijke literatuur meer gewicht in de schaal zal leggen dan nietwetenschappelijke literatuur. Persoonlijke waarnemingen kunnen daarnaast worden meegewogen maar zullen de bevindingen uit de literatuur niet kunnen weerleggen. Vervolgens is aan de hand van deze bevindingen een risico-inschatting gegeven op de argumentenkaart waarbij de experts op individuele basis extra opmerkingen hebben kunnen toevoegen. Deze gegevens zijn vervolgens verwerkt in een diersoortbeoordelingsformulier. Alle door de PEC gegenereerde informatie is in overzichtelijke vorm vervolgens naar de Positieflijst Advies Commissie (PAC) gestuurd. De PAC bestaat uit onafhankelijke specialisten op het gebied van diergedrag, zoönose en diergezondheid.

De PAC heeft per diersoort aan de hand van de technische beoordeling door de PEC en het door de NVWA opgestelde zoönose-impact het definitieve risico-inschattingsadvies opgesteld.

2.1.3 Beoordeling impact zoönose

Voor het vaststellen van het risico is gekeken naar de impact van een zoönose. Deze impactbeoordeling is uitgevoerd door de experts van het Bureau Risicobeoordeling (BuRo) van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit (NVWA). De impact van een zoönose is ontleend aan de publicatie van Havelaar et al. (2010) over emerging zoönosen (http://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0013965). De niet op deze EMZO lijst voorkomende zoönosen zijn door de experts van het BuRo van een score voorzien en aan de lijst toegevoegd.

2.1.4 Aanwijzingsbesluit

De zoogdiersoorten die per 1 januari 2017 op de inventarislijst (Stcrt. 2016, nr. 57363) zijn opgenomen in tabel 4 in bijlage 2 van de Regeling houders van dieren, zijn ambtshalve beoordeeld voor aanwijzing als te houden diersoorten. De op deze ingangsdatum niet door particulieren aantoonbaar in Nederland gehouden diersoorten zijn in eerste instantie niet beoordeeld. De niet in Nederland gehouden zoogdiersoorten kunnen voor beoordeling in aanmerking komen nadat hiervoor een beargumenteerde aanvraag is ingediend onder aanlevering van de hiervoor benodigde documentatie waarmee in eerste instantie de houdbaarheid van de betreffende diersoort door een ieder, dus zonder reëel risico op welzijnsaantasting voor de diersoort of gevaar voor de mens aannemelijk kan worden gemaakt. De in artikel 1.4 van het Besluit houders van dieren opgenomen criteria gelden hierbij als uitgangspunt.

2.1.5 Houderijvoorschriften

Voor de op grond van de uitgebrachte adviezen aangewezen diersoorten waarvoor houderijvoorschriften als bedoeld in artikel 2.2, tiende lid, van de wet door de PAC gewenst worden geacht, zullen de voorgestelde houderijvoorschriften in ‘bijsluiters’ opgenomen worden. Deze bijsluiters zijn bedoeld om houders van de aangewezen diersoorten te informeren over de wijze waarop de diersoorten het beste gehouden kunnen worden. De sector en houders worden nadrukkelijk verzocht hun eigen verantwoordelijkheid te nemen en er zorg voor te dragen dat deze bijsluiters in de praktijk worden geïmplementeerd. Na een periode van 3 jaar zal geëvalueerd worden in hoeverre hieraan voldaan is. Hierna zal bekeken worden of opname ervan in regelgeving alsnog wenselijk is.

2.1.6 Niet aangewezen zoogdiersoorten

De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen belang. Het verbod is geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten. De bescherming van de gezondheid en het leven van dieren is een door het recht van de Europese Unie erkend fundamenteel vereiste.

Indien na de beoordeling is besloten dat een diersoort niet wordt aangewezen, wordt het verbod om het dier te houden gerechtvaardigd door het voorkomen van waarschijnlijk optredende schade aan de gezondheid van mens en dier of het waarschijnlijk optreden van een ongerechtvaardigde inbreuk op het welzijn van het dier door het houden. De regeling vindt derhalve haar rechtvaardiging in de bescherming van de gezondheid en van het welzijn van de betrokken dieren. Dit is in overeenstemming met het uitgangspunt van de Wet dieren dat de mens weliswaar kan besluiten over het lot van dieren, maar daarbij telkens de intrinsieke waarde van het dier in ogenschouw moet nemen. Bovendien is de aan de orde zijnde regeling evenredig aan het nagestreefde doel. Er is geen absoluut verbod op de invoer van die dieren.

2.1.7 Kruisingen

Een kruising tussen een verboden en niet verboden soort of hybriden van een verboden en niet verboden soort, wordt tot de 5e generatie tot de verboden diersoort gerekend en mag niet gehouden worden. Deze invulling is ontleend aan de Verordening (EU) Nr. 1320/2014 van de commissie van 1 december 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer. Een kruising of hybride afkomstig van een Cites beschermde soort, verliest niet eerder dan in de 5e generatie zijn beschermde status.

2.2 Uitwerking

2.2.1 Classificatie

De Positieflijst Advies Commissie (PAC) geeft aan dat het welzijn en de gezondheid van de meeste zoogdiersoorten niet kan worden geborgd zonder dat er eisen worden gesteld aan de omstandigheden waaronder deze worden gehouden. Op grond van de door de PEC en BuRo aangeleverde informatie heeft de PAC alle diersoorten onderverdeeld in 5 klassen A t/m E.

  • 1. Klasse A diersoorten betreft die diersoorten waarvan is vastgesteld dat er een erg groot risico bestaat op een aanzienlijke welzijnsaantasting van de diersoort of gevaar voor de mens dat niet of niet redelijkerwijs kan worden geminimaliseerd met diersoort specifieke houderijvoorschriften. Hierbij moet gedacht worden aan niet te realiseren houderijomstandigheden (Gaffelbok, Drievingerige luiaard), te grote risico’s op ernstige zoönosen (Hamerkopvleerhond, Kalong en Palmvleerhond), afhankelijkheid van wildvang en de daarmee samenhangende grote risico’s op (onbekende) zoönosen (Vierteenrenmuis, Siberische paardenspringmuis, Richardsongrondeekhoorn) of onvoldoende informatie over implicaties van houderij (Nevelrat, Dwergantilope).

  • 2. Klasse B diersoorten betreft die diersoorten waarbij er een hoog risico op een aanzienlijke welzijnsaantasting van de diersoort of gevaar voor de mens bestaat. Theoretisch is het in essentie mogelijk het erg hoge risico te minimaliseren maar alleen met dusdanige houderijvoorschriften en kennis van de houder dat het niet aannemelijk is dat in de praktijk hieraan kan worden voldaan (Saiga, Ree) of waarbij het niet aannemelijk is dat zelfs met de houderij-voorschriften het risico in de praktijk ook daadwerkelijk geminimaliseerd kan worden (Tibetaanse antilope, Woestijnkat). Het niet (volledig) kunnen voldoen aan de houderijvoorschriften zal tot gevolg hebben dat het risico op een ernstige welzijnsaantasting van de diersoort of gevaar voor de mens zeer (te) groot is.

  • 3. Klasse C diersoorten betreft die diersoorten waarbij er een matig risico op welzijnsaantasting van de diersoort of gevaar voor de mens bestaat dat alleen geminimaliseerd kan worden middels toepassing van cruciale maar wel in de praktijk invulbare diersoortspecifieke houderij-voorschriften door houders die zeer gemotiveerd zijn en over specialistische kennis en vaardigheden beschikken.

  • 4. Klasse D diersoorten betreft diersoorten waarbij er een zeker risico op welzijnsaantasting van de diersoort of het gevaar voor de mens bestaat maar dit risico kan geminimaliseerd worden middels min of meer eenvoudig uit te voeren en toe te passen diersoort specifieke houderij-voorschriften en waarvoor geen specialistische kennis of vaardigheden noodzakelijk is.

  • 5. Klasse E diersoorten betreft diersoorten waarbij er ook een zekere mate van risico bestaat op welzijnsaantasting van de diersoort of het gevaar voor de mens maar middels het naleven van de algemene voorwaarden uit het Besluit houders van dieren kan dit risico vrij gemakkelijk geminimaliseerd kan worden. Er is geen specialistische kennis of vaardigheden noodzakelijk.

2.2.2 Aanwijzingsbesluit

Op grond van het door de PAC uitgebrachte advies is besloten om de klasse A B en C diersoorten niet aan te wijzen. Deze diersoorten zijn niet te houden zonder specialistische kennis en vaardigheden. De klassen D en E diersoorten worden wel aangewezen voor plaatsing op de positieflijst. Deze soorten zijn gelet op de beschrijving wel te houden zonder specialistische kennis en vaardigheden.

2.2.3 Registratieverplichting

Voor de houders van de niet aangewezen diersoorten ( de A, B en C diersoorten) die deze soorten hielden op het moment van in werking treden van het definitieve plaatsingsbesluit, zal een overgangsregeling gaan gelden. Deze dieren en de nakomelingen waarvan ze op het moment van inwerkingtreding van het onderhavige besluit, drachtig zijn mogen worden gehouden totdat zij zijn overleden. Een registratieverplichting vormt een onderdeel van deze overgangsregeling. Deze verplichting maakt het voor houders ook eenvoudig om aan te kunnen tonen dat het dier gehouden werd om het moment dat het verbod van kracht wordt. Daarnaast zorgt ook deze meldingsplicht ervoor dat de handhaving eenvoudiger, goedkoper en efficiënter georganiseerd kan worden

2.2.4 Productiedieren

Voor de zoogdiersoorten die ingevolge het besluit zijn aangewezen als productiedieren gelden in veel gevallen op grond van EU-rechtshandelingen geharmoniseerde voorschriften. Er wordt van uit gegaan dat deze diersoorten kunnen worden gehouden, ook indien ze als gezelschapsdier worden gehouden. Daarom zijn die zoogdiersoorten zonder nader onderzoek geplaatst op de positieflijst. Ook zonder nader onderzoek blijven de in het Besluit houders van dieren en in de Regeling houders van dieren opgenomen houderijvoorschriften uiteraard van toepassing. Of ter verduidelijking van deze voorschriften nog extra diersoortspecifieke houderijeisen moeten worden benoemd voor de als gezelschapsdier gehouden productiedieren, wordt per soort beoordeeld.

Nieuw aan te melden productiediersoorten

Indien niet voor de positieflijst beoordeelde diersoorten aangemeld worden om als productiedier te mogen worden houden, zal eerst worden onderzocht of de dieren als gezelschapsdier gehouden kunnen worden. Indien dit het geval is, zal vervolgens worden onderzocht of de soort ook geschikt is om in een ‘industriële’ omgeving en voor het doel waarvoor de soort is aangemeld te houden als productiedier. Voor diersoorten die in de toekomst onder een EU-rechtshandeling over het houden als productiedier zullen vallen zal deze systematiek zo mogelijk bij de voorbereiding van de besluitvorming worden gevolgd.

2.2.5 Houdverbod niet van toepassing

Zoogdieren van andere soorten of categorieën dan die welke in de Positieflijst zijn genoemd die worden gehouden in met name dierentuinen en door houders van een instellingsvergunning in het kader van de Wet op de dierproeven, maar ook praktiserende dierenartsen voor diergeneeskundige behandeling en door opvangcentra voor niet-aangewezen, waaronder bedreigde, zoogdiersoorten, vallen niet onder het houdverbod. Dit wordt bepaald in de Regeling houders van dieren. Opvangcentra van niet-aangewezen diersoorten die voldoen aan een protocol voor de opvang van niet-aangewezen diersoorten, dat qua inhoud en opbouw vergelijkbaar is met de protocollen voor respectievelijk de opvang van inheemse en de opvang van uitheemse bedreigde diersoorten, vallen eveneens niet onder het houdverbod.

2.3 Houderijvoorschriften

Overeenkomstig de motie-Van Gerven, TK 31 389, nr. 131 is bij de beoordeling van deze diersoorten onderzocht of houderijvoorschriften als bedoeld in artikel 2.2, tiende lid, van de wet, het risico op welzijnsaantasting van het dier en gevaarrisico van de mens kunnen minimaliseren.

Op grond van de door de PAC uitgebrachte adviezen zullen voor de beoordeelde en aangewezen diersoorten waarvoor houderijvoorschriften door de PAC gewenst geacht worden, deze houderijvoorschriften in de vorm van dierenbijsluiters worden uitgewerkt. Na een periode van 3 jaar wordt geëvalueerd in hoeverre de sector en houders deze nadere uitwerking in de praktijk hebben geïmplementeerd. Dan zal beoordeeld worden of opname ervan in regelgeving alsnog wenselijk is. De bijsluiters zijn als zodanig juridisch niet afdwingbaar maar kunnen wel in gerechtelijke procedures effectief gebruikt worden ter verduidelijking van de algemene huisvesting – en verzorgingsnormen uit het Besluit houders van dieren.

3 Invoering positieflijst

3.1 Algemeen

De positieflijst is niet statisch. Daarom zijn in de artikelen 2.2 en 2.4 van de Regeling houders van dieren regels opgenomen over de wijziging van de positieflijst, die zelf een besluit van algemene strekking is, en over de aanvraag van een ontheffing van het verbod van artikel 2.2, eerste lid, van de wet. Als na de beoordeling van een diersoort een besluit wordt genomen dat de diersoort gehouden mag worden, zijn er geen belemmeringen voor de houders, afgezien van de wettelijke voorschriften die aan het houden van dieren ten algemene worden gesteld. Als besloten wordt dat de diersoort niet gehouden mag worden geldt een overgangsregeling voor het houden van de dieren behorende tot deze soort die op het tijdstip dat het besluit tot niet-plaatsing in werkingtreedt, in Nederland worden gehouden. Deze overgangsregeling is gekoppeld aan de levensduur van het dier dat op die datum aantoonbaar gehouden wordt, alsmede aan de levensduur van de nakomelingen waarvan dat dier op die datum drachtig was. Zij mogen gehouden blijven worden tot hun overlijden. Vanaf het tijdstip dat het besluit om niet aan te wijzen in werking treedt, zal impliciet ook een fokverbod voor de niet-aangewezen soort ingaan. De diersoorten waarover een besluit is genomen dat ze niet worden aangewezen, zijn opgenomen in de tabel bij artikel 2 van het onderhavige besluit.

Indien een diersoort niet is beoordeeld en dus in de tabellen bij artikel 1 en 2 ontbreekt, kan een verzoek worden ingediend om de diersoort aan te wijzen. Op de behandeling van deze aanvraag is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De aanvrager moet daarbij, met verwijzing naar wetenschappelijke literatuur voor zover die beschikbaar is, aannemelijk maken dat de diersoort door een houder zonder specialistische kennis en vaardigheden te houden is waarbij het risico op welzijnsaantasting van de diersoort en gevaar voor de mens middels nader genoemde houderij-eisen kan worden geminimaliseerd tot het risico-niveau van de aangewezen D en E diersoorten. Dezelfde procedure geldt voor een aanvraag om de aanwijzing van een diersoort in te trekken.

3.2 Afstemming met wetgeving bedreigde diersoorten

Op grond van de Wet Natuurbescherming en de zogenoemde basisverordening (Verordening (EG) nr 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PbEG 1997, L61) is de handel in bedreigde diersoorten verboden of beperkt. Op dit verbod zijn uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld als een dier in het kader van een internationaal fokprogramma mag worden gehouden; maar er zijn ook andere uitzonderingen. Het is niet de bedoeling om in een dergelijk geval het houden van deze dieren te blokkeren omdat zij niet zijn aangewezen, hetgeen een andere afweging van criteria en aspecten betreft. Bij de voorbereiding van een besluit of een dier dat behoort tot een bedreigde diersoort mag worden verhandeld of gehouden moeten daarom beide aspecten afzonderlijk, maar in relatie tot elkaar worden beoordeeld. De wet biedt de mogelijkheid om in zo’n geval een ontheffing voor de houder van dat dier te geven, onder het stellen van voorwaarden die het deelnemen aan het fokprogramma mogelijk maken.

4. Notificatie

De regels over de invoering en toepassing van de positieflijst moeten worden aangemerkt als technisch voorschrift in de zin van Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften. Het verbod om dieren te houden die behoren tot de diersoorten die niet zijn aangewezen heeft gevolgen voor de handel in deze dieren. Het Hof van Justitie heeft in het hierboven in paragraaf 1.2 al genoemde Andibelarrest van 19 juni 2008, zaak C-219/07, bevestigd dat de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang is, dat onder bepaalde voorwaarden de beperking van het vrije verkeer kan rechtvaardigen. Het onderhavige besluit zal genotificeerd worden bij de Europese Commissie.

5. In werking treden aanwijzingsbesluit

Het definitieve aanwijzingsbesluit treedt in werking met ingang van tien weken na publicatie in de Staatscourant.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam