Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2017, 48214Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 28 augustus 2017, nr. WJZ/17059209, tot wijziging van Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 december 2016, nr. WJZ/16096635, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met de invoering van een systeem voor onafhankelijke bemonstering van dikke fractie alsmede enkele andere aanpassingen (Stcrt. 2016, nr. 69127)

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op artikel 36, vierde lid, van de Meststoffenwet, de artikelen 21, eerste en tweede lid, 36, 41, 52, eerste lid, en 70, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 17 december 2016, nr. WJZ/16096635, houdende wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet in verband met de invoering van een systeem voor onafhankelijke bemonstering van dikke fractie alsmede enkele andere aanpassingen (Stcrt. 2016, nr. 69127) wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel I, onderdeel B, wordt in artikel 56, onderdeel c, de zinsnede ‘bedoeld in artikel 78b’ vervangen door ‘bedoeld in artikel 78b, eerste lid’ en ‘bedoeld in artikel 78s’ vervangen door: bedoeld in artikel 78r.

B

In artikel I, onderdeel D, vervalt in artikel 75f, onderdeel b, de zinsnede ‘, met dien verstande dat een mengsel uit in totaal niet meer dan vier mestsoorten bestaat’.

C

Artikel I, onderdeel F, wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 78b wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’geplaatst.

b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien op de bedrijfslocatie meerdere partijen aanwezig zijn dan wel een of meer hopen vaste mest aanwezig zijn die niet voldoen aan de omschrijving van partij, genoemd in artikel 75f, onderdeel e, vindt de bemonstering plaats overeenkomstig het bepaalde in artikel 78a, tweede lid.

2. In artikel 78k, tweede lid, onderdeel c, wordt ‘dan wel de mestcodes’ vervangen door: van de vier grootste mestsoorten.

3. Artikel 78l wordt als volgt gewijzigd:

a. Het tweede lid komt te luiden:

2. De melding bevat de volgende gegevens:

  • a. de datum en het tijdvak van de geplande bemonstering;

  • b. het nummer van de melding, bedoeld in artikel 78k

  • c. de locatie waar ingeval van vrachtbemonstering de vracht gelost wordt dan wel geladen wordt; en

  • d. het identificatienummer van de persoon die de bemonstering zal uitvoeren.

b. Het derde lid vervalt.

c. Het vierde lid wordt vernummerd tot derde lid.

4. Artikel 78m wordt als volgt gewijzigd:

a. Onder vernummering van het derde en vierde lid tot vierde en vijfde lid, wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Indien is verzocht om partijbemonstering, bedoeld in artikel 78b, maar ter plaatse blijkt dat er geen sprake is van de aanwezigheid van één partij, voert de monsternemende organisatie de bemonstering niet uit en meldt dit aan de minister.

b. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘een nieuwe melding’ vervangen door: een nieuwe melding nodig.

5. In artikel 78s komt onderdeel b te luiden:

b. het identificatienummer van de persoon die de bemonstering heeft uitgevoerd;

6. Artikel 78u wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘naam of’ vervangen door: het.

b. In het tweede lid, wordt de zinsnede ‘bedoeld, in artikel 78b’vervangen door: bedoeld in artikel 78b, eerste lid.

D

In artikel I, onderdeel H, wordt artikel 80 als volgt gewijzigd:

a. In het derde lid wordt de zinsnede ‘uiterlijk de volgende werkdag na bemonstering toe’ vervangen door: uiterlijk binnen zeven dagen na bemonstering toe.

b. In het vierde lid wordt de zinsnede ‘bedoeld in artikel 78b’ vervangen door ‘bedoeld in artikel 78b, eerste lid ‘ en wordt de zinsnede ‘uiterlijk de volgende werkdag na bemonstering toe’ vervangen door: uiterlijk binnen zeven dagen na bemonstering toe.

c. In het vijfde lid wordt de zinsnede ‘en artikel 78b’vervangen door: en 78b, eerste lid.

E

De bijlage, behorende bij artikel I, onderdeel M, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder 1 wordt de definitie van transportband vervangen door:

  • 8. Transportsysteem: Transportband of vijzel of vergelijkbaar systeem, bedoeld voor het verplaatsen van vaste mest binnen een locatie;.

2. Onder 4.3 wordt de zinsnede ‘dezelfde mestsoort is’ vervangen door: dezelfde mestcode heeft.

3. In punt 5.1 komen de eerste twee zinnen van de derde alinea te luiden:

‘Bij een geschatte grootte van de mestdeeltjes < 10 mm is een combinatie-type Edelmanboor (70 mm diameter en 35 mm bladwijdte) het geschikte instrument. Wanneer de deeltjesgrootte > 10 mm wordt geschat, zijn een guts, handschep of schop de aanbevolen instrumenten.

4. Punt 5.2.1 wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste alinea komt de eerste zin te luiden:

Verwijder, bijvoorbeeld met een schop, de buitenste laag (ongeveer 20 cm) bij elk bemonsteringspunt.

b. In de tweede alinea wordt in de vierde zin de zinsnede ‘met de hand of tikjes op de basis’ vervangen door: met de hand of anderszins.

5. In punt 5.2.2 vervallen de laatste twee zinnen.

6. Onder punt 7 wordt in de tweede zin van de eerste alinea de zinsnede ‘Alle gegevens archiveert deze gedurende tenminste vijf jaar’ vervangen door: Alle gegevens worden gedurende ten minste vijf jaar gearchiveerd.

7. Onder 7.1 vervallen de punten ‘Datum van afvoer’ en ‘Nummer vervoersbewijs dierlijke meststoffen’.

8. Onder 9.2 vervalt het punt:

  • De laboratoriummonsters worden geanalyseerd door één geaccrediteerd laboratorium;

ARTIKEL II

In onderdeel B van bijlage F van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vervalt de regel ‘Export van behandelde vaste mest, 95’.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 28 augustus 2017

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Op 17 december 2016 is een wijziging van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet vastgesteld (Stcrt. 2016, 69127) Deze regeling schrijft voor dat vaste mest (dikke fractie) wordt bemonsterd door een onafhankelijke monsternemer in plaats van door de vervoerder. Dit systeem wordt van kracht met ingang van 1 oktober 2017. Tijdens de voorbereiding van de implementatie van dit systeem is voor enkele voorschriften geconcludeerd dat deze aangepast moeten worden ten behoeve van een soepele uitvoering van de regeling.

Essentieel voor de realisatie van de doelen van de Meststoffenwet is dat er over de afvoer van dierlijke mest administratief verantwoording wordt afgelegd, zodanig dat de nutriënten in de meststroom van producent tot eindgebruiker worden verantwoord. De regels voor mesttransport bepalen daarom dat een mesttransport vergezeld gaat van een Vervoersbewijs Dierlijke Meststoffen (VDM), dat de mest wordt gewogen, bemonsterd en geanalyseerd en dat het transportmiddel is uitgerust met AGR/GPS-apparatuur. Daarnaast wordt de mest vervoerd door een geregistreerd vervoerder.

Vaste mest, zijnde dierlijke meststoffen die niet verpompbaar zijn, wordt in de huidige situatie handmatig bemonsterd door de vervoerder. Hoewel is voorschreven dat de vervoerder een representatief monster moet nemen, komt het voor dat de monstername of het monster gemanipuleerd wordt zodat hoge fosfaatwaarden worden geregistreerd. Daarmee wordt het mogelijk om op papier meer mineralen te verwerken dan feitelijk het geval is. De zogenoemde ‘zwarte mest’ die op het bedrijf achterblijft, wordt op het eigen land boven de gebruiksnorm aangewend of tegen lagere kosten regionaal afgezet.

Met het nieuwe systeem van onafhankelijke bemonstering, wordt vaste mest (dikke fractie) bemonsterd door een onafhankelijke monsternemer. Het feitelijk nemen van het monster gebeurt niet meer door de vervoerder, maar door een daarvoor geaccrediteerde en erkende organisatie. Accreditatie wordt verleend door de Raad voor Accreditatie (hierna: RvA) op basis van een nieuw accreditatieprogramma (hierna: AP06) zoals opgenomen in bijlage Ea van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Urm). Door dit systeem van onafhankelijke monstername worden genoemde praktijken tegengegaan.

2. Afstemming met de belanghebbenden

Sinds de publicatie van de wijzigingsregeling heeft met het oog op de praktische inregeling van het systeem intensief overleg plaatsgevonden tussen de potentiële monsternemende organisaties, de Raad voor Accreditatie, de sectororganisaties (vertegenwoordigd door CUMELA) en het ministerie van Economische Zaken. Drie monsternemende organisaties hebben hun procedures op orde gebracht om te kunnen voldoen aan de zeer strenge eisen van onpartijdigheid en onafhankelijkheid, zoals deze staan beschreven in ISO 17020 voor een type A instelling en ISO 17025. Er zijn applicaties beschikbaar gesteld voor het uitwisselen van gegevens tussen de onafhankelijke monsternemers en de toezichthoudende instanties zoals RVO.nl en de NVWA. Bedrijven kunnen straks hun gegevens automatisch doorsturen via een webserver of kiezen voor handmatige aanmelding op een webformulier. Er zijn voorts proefbemonsteringen uitgevoerd om uitvoerbaarheid van de in de bijlage EA, (AP06) beschreven bemonsteringsmethode te testen.

Voortvloeiend uit de genoemde activiteiten zijn er enkele aanpassingen noodzakelijk gebleken in de wijzigingsregeling van 17 december 2016 (Stcrt. 2016, 69127). Hiertoe dient voorliggende regeling. Het grootste deel van de wijzigingen is redactioneel van aard. De inhoudelijke wijzigingen worden hierna en in de artikelsgewijze toelichting uiteengezet.

3. Regeldruk

Bij de publicatie van de wijzigingsregeling is uitvoerig ingegaan op de extra administratieve lasten als gevolg van de introductie van onafhankelijke monstername per 1 oktober 2017. Het effect van de wijzigingen is voor regeldruk verwaarloosbaar en er is dan ook geen aanleiding om de berekening uit 2016 te wijzigen.

Om een erkenning te verkrijgen dienen de organisaties geaccrediteerd te zijn volgens ISO 17020 voor een type A instelling en ISO 17025 en dient er een gedragscode en een protocol voor een ringtest te zijn. Met het oog op 1 oktober 2017 is genoemde wijzigingsregeling aan de betrokken organisaties toegelicht en de interactie met ISO 17020 voor een type A instelling en ISO 17025 met hen afgestemd. In twee sessies zijn monsternames gesimuleerd en is in de praktijk getoetst aan de voorschriften in AP06.

De bevindingen uit deze sessies zijn verwerkt in de voorliggende regeling. In AP06 zijn enkele aanpassingen doorgevoerd. Het betreft vooral verheldering van de teksten en het schrappen van onnodig gebleken voorschriften. Ten opzichte van de oorspronkelijke wijzigingsregeling is er vooral sprake van een afname van de benodigde inspanningen. Op een enkel punt vraagt voorliggende regeling extra inspanning en een lichte toename van kosten. Hieronder volgt een korte beschrijving van de belangrijkste wijzigingen.

Bij de ringtest is vervallen dat de monsters die tijdens de ringtest genomen worden ook in een laboratorium geanalyseerd moeten worden. Een dergelijke analyse heeft geen meerwaarde voor het ringonderzoek.

Als extra administratieve handeling is opgenomen dat de onafhankelijke monsternemende organisatie een identificatienummer van de onafhankelijke monsternemer meestuurt met de melding. Het betreft voor de monsternemende organisatie een geringe inspanning om deze informatie tegelijk met de andere data te melden. Het belang van deze extra informatie is dat de NVWA meer risicogericht toezicht kan houden op de systematiek van onafhankelijke monstername en naar verwachting effectiever en efficiënter kan werken.

Een volgende wijziging is dat de verzendtermijn voor de monsters (artikel 80, derde en vierde lid) is verruimd van één dag naar zeven dagen waardoor de monsternemende organisaties meer handelingsruimte krijgen om het logistieke proces kostenefficiënt te organiseren.

In AP06 tenslotte is de keuzevrijheid van de monsternemer voor het gebruik van de instrumenten nadrukkelijk vastgelegd, zodat expertise (onder accreditatie) het uitgangspunt is. Dit in plaats van een tijdrovende en kostbare systematische analyse van de samenstelling van de mest.

4. Inwerkingtreding

De benodigde wijzigingen voor het systeem van onafhankelijke monstername dienen voor het moment van inwerkingtreding van de desbetreffende onderdelen van de regeling van 17 december 2016 in die regeling te zijn doorgevoerd, te weten voor 1 oktober 2017. Om die reden treedt de onderhavige regeling daags na plaatsing in de Staatscourant in werking. De termijn tussen de publicatiedatum van de regeling en het tijdstip van inwerkingtreding is hierdoor korter dan twee maanden. Omdat deze regeling in hoge mate reparatieregelgeving betreft, is afwijking van het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten echter gerechtvaardigd (Ar 174). Het gehele, en door middel van deze regeling op enkele onderdelen licht gewijzigde, stelsel van onafhankelijke monstername van vaste mest, zal op 1 oktober 2017 van kracht worden.

II. Artikelen

Artikel I, onderdelen B en C, onder 2 (artikel 75f, onderdeel b en artikel 78k, tweede lid, onderdeel c)

Het is toegestaan de mestsoorten met de mestcode 13 en 43 te mengen met andere mestsoorten, maar alleen de vier mestsoorten die in de grootste hoeveelheid in het mengsel zitten dienen te worden gemeld volgens artikel 78k, tweede lid, onderdeel c.

Artikel I, onderdeel C, onder 1 (artikel 78b)

Bij bemonstering van dikke fractie, is vrachtbemonstering het uitgangspunt. Onder bepaalde voorwaarden is partijbemonstering toegestaan. De definitie van partij is bedoeld om te omschrijven wanneer een partij vaste mest (dikke fractie) niet per sé als vrachtbemonstering hoeft te worden afgehandeld maar in één keer als partij mag worden bemonsterd. Bij het bemonsteren van een partij vaste mest volgens de definitie van partij is het niet toegestaan dat er nog andere hoeveelheden aanwezig zijn op de bedrijfslocatie of die partijen nu wel of niet aan de definitie voldoen.

Om misverstanden te voorkomen is in artikel 78b expliciet bepaald dat wanneer er op een bedrijfslocatie meerdere hopen mest aanwezig zijn, partijbemonstering niet mogelijk is, ook al is er maar één hoop die voldoet aan de definitie van partij.

De voorwaarden voor partijbemonstering vloeien voort uit de wens om de mogelijkheden tot manipulatie dan wel verwisseling of vermenging zo klein mogelijk te maken.

Artikel I, onderdeel C, onder 3 en 5 (artikelen 78l, tweede en derde lid en 78s)

Bij de melding over de voorgenomen monstername wordt door de onafhankelijke monsternemende organisatie een identificatienummer van de monsternemende persoon doorgegeven. Hiermee kan het risicogericht toezicht door de NVWA effectiever worden georganiseerd. Uitgangspunt is dat de onafhankelijke monstername geborgd wordt door de Raad voor Accreditatie. Omdat niet uit te sluiten valt dat de druk op individuele monsternemers om te frauderen hoog kan zijn, houdt de NVWA toezicht op het naar behoren functioneren van het systeem.

Voorts wordt het derde lid van artikel 78l geschrapt, omdat gebleken is dat er geen behoefte bestaat aan het ontvangen van de desbetreffende informatie.

Artikel I, onderdeel D (artikel 80, derde en vierde lid)

In artikel 80, derde en vierde lid, wordt de termijn waarbinnen de onafhankelijke monsternemende organisatie het monster moet verzenden aan een erkend laboratorium verlengd. De lengte van de termijn is voor de monsternemende organisaties van belang om de logistiek van de verzending van monsters efficiënt te kunnen regelen. Algemeen uitgangspunt is dat de monsters zo spoedig mogelijk naar het laboratorium gestuurd worden. Er dient echter een goede balans gevonden te worden tussen kostenefficiënte logistiek en de kwaliteit en betrouwbaarheid van de monstername. Een maximumtermijn van zeven dagen is een redelijke termijn om een goede logistiek te kunnen realiseren. Deze termijn wijkt af van de termijn van tien dagen waarbinnen bemonsterende vervoerders hun monster moeten versturen. Na enige tijd ervaring te hebben opgedaan met een termijn van zeven dagen bij onafhankelijke monstername zal voor zowel de termijn voor de onafhankelijke monsternemer als die voor de monsternemende vervoerder worden bezien of bijstelling in de rede ligt.

Artikel I, onderdeel D (Bijlage EA)

Bijlage EA bij de Urm bevat het accreditatieprogramma voor de onafhankelijke monsternemende organisatie, kortweg genaamd AP06.

Deze bijlage wordt op een aantal punten verduidelijkt en op een aantal punten versoepeld, met het oog op de eigen deskundigheid van de monsternemende organisatie.

Onder punt 1 van de bijlage wordt de definitie van transportband vervangen door een definitie van transportsysteem. Deze is aangepast omdat er ook sprake kan zijn van andere bedrijfsinterne transportsystemen. Een ander bekend transportsysteem is de vijzel. Het gaat om systemen die vergelijkbaar zijn met een transportband of vijzel en die mest binnen een locatie kunnen verplaatsen. Hiermee worden geen voertuigen bedoeld.

In de punten 5.1 en 5.2 is het dwingende karakter om de omvang van de mestdeeltjes te bepalen afgezwakt. Uitgegaan wordt van de (geborgde) kwalificaties van de onafhankelijke monsternemer. Een onafhankelijke monsternemer maakt een inschatting van de grootte van de mestdeeltjes. Dit voorkomt dat de monsternemer een systematische analyse moet maken van de samenstelling van de mest. De keuze voor het juiste instrumentarium is een afweging waarbij centraal staat dat het monster representatief moet zijn. Het gaat om een afweging die de monsternemer op basis van zijn deskundigheid moet kunnen maken tussen de aard van het materiaal en de omvang en bereikbaarheid van de vracht of partij. De werkwijze wordt getoetst bij het uitvoeren van de ringonderzoeken. Vraagstukken en ontwikkeling in de systematiek worden besproken in het harmonisatieoverleg.

In punt 7.1 wordt bij partijbemonstering het nummer van het vervoersbewijs dierlijke meststoffen geschrapt, omdat dit in het geval van een partijbemonstering op dat moment nog niet bekend is. Ook de datum van afvoer is niet altijd al definitief bekend op het tijdstip van bemonsteren en wordt daarom gewijzigd ‘in datum geplande afvoer’. Hiermee wordt ruimte gegeven aan de dynamiek die hoort bij het logistieke proces. De aangeven datum moet echter wel berusten op een onderbouwde verwachting.

In punt 9.2 over de derdelijnscontrole is de verplichting dat de tijdens de ringtest genomen monsters door een geaccrediteerd laboratorium moeten worden geanalyseerd geschrapt. De uitkomst van de analyse van deze monsters zegt niets over de juiste monstername door de onafhankelijke monsternemer en voegt in het kader van de ringtest dus niets toe. Ter beoordeling van de systematiek van het ringonderzoek kan op initiatief van het harmonisatieoverleg van een beperkt aantal monsters het fosfaatgehalte worden bepaald om de werking van de ringtest te kunnen evalueren.

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam