Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2017
Nr. 42314

Gepubliceerd op 25 juli 2017 09:00



Aanwijzing OM-strafbeschikking

Rechtskarakter: Aanwijzing in de zin van artikel 130 lid 4 Wet RO

Van: College van procureurs-generaal

Aan:Hoofden van de OM-onderdelen

Registratinummer:2017A005

Datum inwerkingtreding: 01-08-2017

Publicatie in Stcrt.:

Vervallen: Aanwijzing OM-strafbeschikking (2015A004)

Relevante beleidsregels OM: Aanwijzing executie (2014A013)

Aanwijzing kader voor strafvordering en OM-afdoeningen (2015A001)

Aanwijzing taakstraffen (2011A027)

Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (2017A006)

Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen (2015R061)

Richtlijn bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv)

Richtlijnen voor de aanmelding en afhandeling van fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2011 (DGB2011/4014M)

Aanwijzing gebruik sepotgronden (2014A007)

Wetsartikelen: 257a tot en met 257h Sv (Wet OM-afdoening)

Bijlage(n): 1A en 1B

SAMENVATTING

De Wet OM-afdoening1 maakt mogelijk dat de officier van justitie als hij vaststelt dat een overtreding is begaan of misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving niet meer dan zes jaar gevangenisstraf is gesteld, een strafbeschikking uitvaardigt.

In beginsel worden alle strafzaken die zich daarvoor lenen door middel van een strafbeschikking afgedaan. Er bestaan wel contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. De contra-indicaties zijn (niet limitatief) opgenomen in de bijlagen 1A en 1B bij deze aanwijzing.

Voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking dient in een aantal gevallen de verdachte door de officier van justitie te worden gehoord. Deze hoorplicht is niet gekoppeld aan het soort delict, maar aan de soort of de zwaarte van de op te leggen sanctie.

Degene jegens wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd, wordt in de beleidsregels van het OM ‘bestrafte’ genoemd. Hij2 kan tegen deze strafbeschikking verzet doen, waarna de zaak in volle omvang door de rechter wordt beoordeeld, tenzij de officier van justitie de strafbeschikking intrekt of de strafbeschikking wijzigt, waarna alsnog door de bestrafte aan de gewijzigde strafbeschikking wordt voldaan. Een bestrafte kan zijn verzet ook weer intrekken of afstand doen van verzet. Dit laatste kan hij doen door vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking of schriftelijk, bijgestaan door een raadsman. De verzetstermijn bedraagt twee weken3 vanaf het moment dat de strafbeschikking in persoon is uitgereikt of zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is.

Ter terechtzitting zal de officier van justitie in beginsel geen zwaardere sanctie eisen dan de sanctie van de strafbeschikking, tenzij de bestrafte geen inhoudelijke gronden aanvoert waarop zijn verzet is gebaseerd. Een dergelijke situatie kan voorkomen wanneer de bestrafte in het verzetschrift geen gronden heeft aangegeven en eveneens verstek laat gaan ter terechtzitting, dan wel verschijnt maar geen inhoudelijk verweer voert. Als de zaak ter terechtzitting is aangebracht na mislukte executie kan – mede afhankelijk van de reden van die mislukking – een zwaardere of andere sanctie worden geëist.

In de executie van de opgelegde sanctie wordt hetgeen reeds is voldaan dan wel is uitgevoerd in mindering gebracht op de door de rechter opgelegde straf.

Als geen volledig verhaal heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie de kantonrechter in het arrondissement waar de bestrafte woont, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen in zaken waarin een geldboete is opgelegd. De Landelijk strafbeschikkingsofficier beoordeelt onder meer de door het CJIB voorbereide vorderingen machtiging gijzeling. Na mislukte executie kan de bestrafte alsnog worden gedagvaard.

ACHTERGROND

Door de inwerkingtreding van de Wet OM-afdoening is een regeling in het Wetboek van Strafvordering opgenomen die het mogelijk maakt dat het OM misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen door het uitvaardigen van een strafbeschikking zelf bestraft. Voorwaardelijke sancties zijn daarbij niet mogelijk.

De Aanwijzing OM-strafbeschikking geldt voor het uitvaardigen van een strafbeschikking door de officier van justitie.

Naast het OM kunnen ook strafbeschikkingen uitgevaardigd worden door gemeenten, provincies, waterschappen en keuren, alsmede door de Belastingdienst. Het OM behandelt de verzetten die ingesteld worden tegen alle soorten strafbeschikkingen.

1. Invoering

De strafbeschikkingsbevoegdheid wordt gefaseerd ingevoerd. Op dit moment kunnen nog steeds niet alle sancties waarin de wet voorziet, worden opgelegd. De transactie blijft – in ieder geval voorlopig – naast de strafbeschikking bestaan. Als sprake is van een contra-indicatie (zie bijlage 1A en bijlage 1B), kan dus nog steeds een transactie worden aangeboden.

2. Definities

Bestrafte:

degene jegens wie een strafbeschikking is uitgevaardigd.

Bestuurlijke strafbeschikking overlast:

een door een buitengewoon opsporingsambtenaar (in dienst van of werkzaam voor een gemeente die heeft gekozen voor de bestuurlijke strafbeschikking en dit heeft gemeld bij het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen) op grond van artikel 257b Sv uitgevaardigde strafbeschikking met betrekking tot een overlastfeit.

Bestuurlijke strafbeschikking milieu- en keurfeiten:

de door een daartoe aangewezen lichaam of persoon, met een publieke taak belast, op grond van artikel 257ba Sv uitgevaardigde strafbeschikking.

Feitgecodeerde zaken:

alle zaken die met gebruikmaking van een feitcode zoals opgenomen in de Bijlage bij de WAHV4, de bijlagen bij het Besluit OM afdoening en de bij de richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen behorende Bijlage OM-feiten geautomatiseerd in de strafrechtketen worden verwerkt.

Fiscale strafbeschikking:

een door het bestuur van 's Rijks belastingen (fiscale delicten) op grond van artikel 76 lid 1 Algemene wet inzake rijksbelastingen of een door de inspecteur van Douane (douane delicten) op grond van artikel 10:15 van de Algemene douanewet uitgevaardigde strafbeschikking.5

Gijzeling:

het dwangmiddel ex art. 578b Sv waartoe de officier van justitie op verzoek door de kantonrechter tot toepassing kan worden gemachtigd om bestraften tot betaling te dwingen.

OM-strafbeschikking:

de door de officier van justitie op grond van artikel 257a Sv uitgevaardigde strafbeschikking.

Overlastfeit:

een strafbaar feit dat overlast in de openbare ruimte betreft, dat is opgenomen in een plaatselijke verordening en is vastgesteld in het Besluit OM-afdoening, bijlage I onder afdeling C of F.

Politiestrafbeschikking:

de door de opsporingsambtenaar op grond van artikel 257b Sv uitgevaardigde strafbeschikking.

Politiestrafbeschikkingsfeiten:

de zaken genoemd in artikel 3.3 van het Besluit OM-afdoening.

Strafbeschikking:

de beschikking waarin straffen, maatregelen en (gedrags)aanwijzingen opgelegd en gegeven kunnen worden aan plegers van misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en aan degenen die een overtreding hebben begaan.

Verzet:

het rechtsmiddel ex artikel 257e Sv dat de bestrafte kan instellen indien hij het niet eens is met de uitgevaardigde strafbeschikking.

3. De rol van het openbaar ministerie

Het OM is in de eerste plaats verantwoordelijk voor het door de officier van justitie uitvaardigen van OM-strafbeschikkingen. De OM-strafbeschikking komt, wat haar rechtskarakter betreft, overeen met een rechterlijke veroordeling en het OM is dan ook verantwoordelijk voor de effectuering van de waarborgen bij de oplegging ervan.

Voorts heeft het OM een rol bij het uitreiken en toezenden van strafbeschikkingen, behandelt het de verzetten ingesteld tegen de diverse strafbeschikkingen, zorgt het voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde sancties en heeft het regels opgesteld aangaande de informatieverstrekking van strafbeschikkingen.

Er is een Landelijke strafbeschikkingsofficier. Deze landelijke officier heeft onder meer de volgende taken.

  • het beoordelen van de door het CJIB voorbereide vorderingen machtiging gijzeling;

  • toezicht houden op de onbezoldigde ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij het CJIB;

  • periodiek overleg met de medewerkers van het CJIB die de gijzeling voorbereiden;

  • het beoordelen van verzoeken om verlenging van de termijn waarbinnen een taakstraf moet zijn verricht.

3.1 Het uitvaardigen van de strafbeschikking door de officier van justitie

De officier van justitie kan een strafbeschikking uitvaardigen voor alle overtredingen en voor de misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf is gesteld.

De officier van justitie kan op grond van artikel 257a, tweede lid Sv, opleggen:

  • a. een taakstraf van ten hoogste honderdtachtig uren,

  • b. een geldboete (tot het wettelijk toegestane maximum),

  • c. de maatregel onttrekking aan het verkeer,

  • d. een schadevergoedingsmaatregel voor het slachtoffer,

  • e. een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (hierna: OBM) voor ten hoogste zes maanden.

Voorts kan de strafbeschikking op grond van artikel 257a, derde lid Sv, aanwijzingen, waaronder gedragsaanwijzingen, bevatten waaraan de verdachte moet voldoen.

Beoordeling strafzaak

Voor alle bestanddelen van het strafbare feit moet voldoende bewijs zijn, anders mag geen strafbeschikking worden uitgevaardigd. Voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking dient dan ook de schuld van de verdachte aan het feit te worden vastgesteld. Indien twijfel bestaat over de schuld van de verdachte, mag dus geen strafbeschikking worden uitgevaardigd. Een strafbeschikking mag ook niet worden uitgevaardigd wanneer sprake is van een schulduitsluitingsgrond.

Dit betekent dat de bestrafte die in de strafbeschikking berust, achteraf niet kan volhouden dat zijn schuld niet is vastgesteld. In de toelichting die de verdachte bij de strafbeschikking ontvangt is dan ook opgenomen dat de strafbeschikking op een schuldvaststelling berust en dat de bestrafte die het daar niet mee eens is, verzet zal moeten doen.

Strafzaken die zich daarvoor lenen kunnen door middel van een strafbeschikking worden afgedaan. Er bestaan contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking. De contra-indicaties zijn (niet limitatief) opgenomen in de bijlagen 1A en 1B bij deze aanwijzing.

3.2 Het voorafgaand horen van verdachten

Voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking dient in een aantal gevallen de verdachte door de officier van justitie te worden gehoord. Deze hoorplicht is niet afhankelijk gesteld van het soort delict, maar van de soort of de zwaarte van de op te leggen sanctie.

Volgens de memorie van toelichting zijn de redenen van de hoorplicht dat:

  • 1. horen bijdraagt aan de zorgvuldigheid waarmee de schuld van de verdachte wordt vastgesteld;

  • 2. de verdachte kenbaar kan maken welke gevolgen de beoogde sanctie voor hem zal hebben en

  • 3. het horen kan bijdragen aan de ‘aanvaardbaarheid’ van de strafbeschikking van de verdachte, omdat het geen zin heeft een strafbeschikking uit te vaardigen waartegen deze zeker verzet zal doen.6

Taakstraf, ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, aanwijzing het gedrag van de verdachte betreffend

Een strafbeschikking waarin een taakstraf, een OBM dan wel een gedragsaanwijzing wordt opgelegd mag slechts worden uitgevaardigd indien de verdachte door de officier van justitie is gehoord en daarbij heeft verklaard bereid te zijn de straf te voldoen dan wel zich aan de aanwijzing te houden. Als uit het horen blijkt dat er geen bereidheid van de verdachte is om zijn straf te voldoen of zich aan de aanwijzing te houden, kan hij rechtstreeks worden gedagvaard.

Het horen in het kader van een taakstraf van 121 tot en met 180 uur, een OBM of een gedragsaanwijzing7 moet door een officier van justitie plaatsvinden.

Geldboete, schadevergoedingsmaatregel en andere financiële sancties

De verdachte dient tevens voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking te worden gehoord wanneer een strafbeschikking inhoudende betalingsverplichtingen uit hoofde van een geldboete en/of een schadevergoedingsmaatregel afzonderlijk of gezamenlijk meer belopen dan € 2.000,–. De verdachte dient daarbij te worden bijgestaan door een raadsman (artikel 257c, tweede lid, Sv). Heeft de verdachte geen raadsman, dan is afdoening door de rechter aangewezen.8

Indien de aanwijzing wordt gegeven die inhoudt dat aan de staat een geldbedrag moet worden voldaan of dat in beslag genomen voorwerpen moeten worden overgedragen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e Sr voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel (ex artikel 257a, derde lid, aanhef en onder c Sv) en deze afzonderlijk of gezamenlijk met de andere in artikel 257c Sv genoemde betalingsverplichtingen meer dan € 2.000,– beloopt, dient op grond van deze aanwijzing de verdachte eveneens voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking te worden gehoord. Dit geldt ook voor de gedragsaanwijzing die wordt gegeven ex artikel 257a, derde lid, aanhef en onder d Sv: de storting van een vast te stellen som geld in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen.

In het economische en fiscale strafrecht9 zijn nog enkele specifieke voorzieningen getroffen. Voor geldboetes en schadevergoedingsmaatregelen die in een, jegens een rechtspersoon voor een economisch delict uit te vaardigen, strafbeschikking zullen worden opgelegd, geldt dat deze bij meer dan € 10.000,– onder bijstand van een raadsman voorafgaand aan het uitvaardigen van de strafbeschikking dient te worden gehoord (artikel 36, tweede lid, Wet op de economische delicten).

De rechtspersoon dient op grond van deze aanwijzing eveneens voorafgaand aan het uitvaardigen van een strafbeschikking te worden gehoord indien de aanwijzingen worden gegeven ex artikel 257a, derde lid, aanhef en onder c (voldoening aan de staat van een geldbedrag of overdracht van in beslag genomen voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel) en/of ex artikel 257a, derde lid, aanhef en onder d (de storting van een vast te stellen som gelds in het schadefonds geweldsmisdrijven of ten gunste van een instelling die zich ten doel stelt belangen van slachtoffers van strafbare feiten te behartigen) en deze aanwijzing(en) afzonderlijk of gezamenlijk met de andere in artikel 36, tweede lid, van de Wet op de economische delicten genoemde betalingsverplichtingen meer dan € 10.000,– belopen.

Het horen zoals bedoeld in deze paragraaf moet door een officier van justitie plaatsvinden.

Telefonisch horen

In artikel 257c Sv worden – afgezien van gevallen waarin de eis van verplichte rechtsbijstand geldt – geen nadere eisen gesteld aan de wijze van horen. Indien de verdachte daarmee instemt, kan het horen, zoals omschreven in artikel 257c, eerste lid, Sv, ook telefonisch plaatsvinden.

Verslag van het horen

Van het horen van de verdachte overeenkomstig het eerste of tweede lid van artikel 257c Sv wordt een schriftelijk verslag opgemaakt. Indien de strafbeschikking afwijkt van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, worden de redenen die tot afwijken hebben geleid aan dit verslag toegevoegd, voor zover deze redenen niet reeds mondeling zijn opgegeven.

4. Verzet

De termijn van verzet

De bestrafte kan tegen de strafbeschikking verzet doen binnen veertien dagen nadat de strafbeschikking in persoon is uitgereikt of nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit blijkt dat de bestrafte bekend is met de strafbeschikking (artikel 257e, eerste lid, Sv).

Bij een uitreiking in persoon bestaat geen twijfel over de ingangsdatum van de termijn. Indien de strafbeschikking per post is toegezonden, geldt de ingangsdatum van de verzetstermijn en daarmee ook de datum waarop de strafbeschikking onherroepelijk is geworden afhankelijk van het zich voordoen van een omstandigheid waaruit blijkt dat de bestrafte met de strafbeschikking bekend is.

Als een strafbeschikking in het geval van lichte overtredingen per post is toegezonden, dan geldt dat deze maximaal zes weken na toezending onherroepelijk wordt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de geldboete is maximaal € 340,–;

  • de strafbeschikking is uiterlijk vier maanden na het plegen van het strafbaar feit uitgevaardigd;

  • de strafbeschikking is verzonden naar het GBA-adres of het door verdachte opgegeven adres, en

  • de bestrafte heeft geen verzet gedaan.

Voor lichte overtredingen geldt de zogenaamde GBA-fictie. Indien de strafbeschikking per post is verzonden aan het GBA-adres of – indien dit niet beschikbaar is – het door verdachte zelf opgegeven adres dan is de strafbeschikking in ieder geval na die zes weken onherroepelijk.

Maar het moment van onherroepelijkheid kan bij deze overtredingen ook eerder dan na zes weken intreden. Als aangetoond kan worden dat bestrafte voor het verstrijken van de zes weken termijn op een bepaalde datum bekend is geworden met de strafbeschikking, dan is de strafbeschikking na ommekomst van veertien dagen na die datum onherroepelijk. Deze eerdere bekendheid kan bijvoorbeeld blijken uit een telefoontje dat de bestrafte pleegt met een OM- of een CJIB-medewerker. Deze datum kan dan bij het OM of bij het CJIB worden vastgelegd.

Het doen van verzet

Verzet kan worden gedaan door:

  • de bestrafte (in persoon of schriftelijk);

  • een bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman (in persoon of schriftelijk);

  • een bij bijzondere volmacht schriftelijk gevolmachtigde (alleen in persoon, waarbij de bijzondere volmacht bij de verzetsakte dient te worden gevoegd).

Het schriftelijk verzet wordt bij voorkeur gedaan bij het in de strafbeschikking opgegeven postadres. Het kan ook mondeling worden gedaan bij ieder parket, waarna – indien van toepassing – voor dit parket een doorzendplicht bestaat naar een officier van justitie die het verzet bij een bevoegde rechter aanhangig kan maken (artikel 257e, tweede lid, Sv).

Bij het verzet moet de bestrafte zijn naam opgeven en dient hij een kopie dan wel een nauwkeurige aanduiding van de strafbeschikking waartegen het verzet zich richt over te leggen. Bij het verzet kunnen schriftelijk bezwaren tegen de strafbeschikking worden opgegeven (artikel 257e, vierde lid Sv).

Herbeoordeling van de zaak

Naar aanleiding van het verzet vindt een herbeoordeling van de zaak plaats. Op basis van de herbeoordeling kan de strafbeschikking worden ingetrokken of gewijzigd of kan besloten worden de bestrafte op te roepen voor de terechtzitting:

  • bij intrekking is altijd sprake van sepot en wordt een sepotbrief verstuurd;

  • bij wijziging moet de zaak aan de rechter worden voorgelegd, tenzij de bestrafte aan de gewijzigde strafbeschikking voldoet, waarmee hij afstand van verzet doet of zijn verzet intrekt;

  • bij oproeping voor de terechtzitting treedt de normale rechterlijke procedure in werking.

Het verzet schorst de executie van de strafbeschikking of schort de executie van de strafbeschikking op, tenzij naar het oordeel van het OM vaststaat dat het verzet (evident) na het verstrijken van de termijn is gedaan. In dat geval mag de executie van de strafbeschikking worden hervat. De zaak moet echter altijd ter terechtzitting worden aangebracht, tenzij de bestrafte zijn verzet alsnog intrekt.

4.1 Terechtzitting na verzet of mislukte executie

De wet bepaalt dat indien een zaak na uitvaardigen van een strafbeschikking alsnog voor de rechter wordt gebracht, deze de zaak integraal beoordeelt. De rechter dient vooraf de ontvankelijkheid van het verzet te beoordelen.

Hieronder wordt toegelicht hoe de officier van justitie dient te handelen in de twee gevallen waarin een zaak na het uitvaardigen van een strafbeschikking alsnog voor de rechter dient te worden gebracht: na verzet en na mislukte executie.

Eis ter terechtzitting na verzet

In het geval een bestrafte na het doen van verzet wordt opgeroepen voor een terechtzitting, wordt de zaak verder behandeld als een gewone strafzaak. Aangezien de vervolging is ingeleid door de strafbeschikking, maakt deze deel uit van het strafdossier voor de rechter. In principe zal ter terechtzitting het uitgangspunt voor de strafeis van de officier van justitie de bij strafbeschikking opgelegde sanctie zijn.

Anders dan bij een transactie, dat een aanbod is ter voorkoming van strafvervolging, is door het uitvaardigen van de strafbeschikking de vervolging aangevangen. De bestrafte kan verzet doen als hij het niet eens is met de feitelijke beoordeling van de zaak en/of met de hem opgelegde sanctie. Het doen van verzet is echter niet geheel vrijblijvend. Als er redenen zijn om aan te nemen dat verzet uitsluitend is gedaan ter uitstel van de executie of om de procesgang te vertragen, kan in beginsel een hogere sanctie worden gevorderd. Een dergelijke situatie kan zich voordoen wanneer de bestrafte in het verzetschrift geen gronden heeft aangegeven en eveneens verstek laat gaan ter terechtzitting, dan wel verschijnt maar geen inhoudelijk verweer voert. In deze gevallen kan een tot maximaal 20% hogere sanctie worden gevorderd. De bestrafte wordt hierop gewezen in de toelichting bij de strafbeschikking. Overigens zal steeds, behalve wanneer het verzet niet-ontvankelijk wordt geacht, de vernietiging van de strafbeschikking gevorderd moeten worden. De rechter vernietigt op basis van artikel 257f lid 4 Sv de strafbeschikking als hij de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt. De vernietiging moet worden geëist en door de rechter worden uitgesproken en in het vonnis opgenomen.

Eis ter terechtzitting na (gedeeltelijk) mislukte executie

Wanneer de executie van de strafbeschikking geheel of gedeeltelijk mislukt, bijvoorbeeld omdat de opgelegde geldboete niet of niet volledig is betaald of kan worden verhaald, kan de officier van justitie besluiten de bestrafte te dagvaarden. Indien reeds een gedeeltelijke betaling heeft plaatsgevonden, wordt deze in de uitvoering door het CJIB in mindering gebracht op de door de rechter opgelegde straf. De officier van justitie dient het reeds voldane bedrag dus niet te verdisconteren in zijn eis. Anders dan in de zaken waarin de bestrafte verzet heeft gedaan tegen de strafbeschikking, geldt in deze categorie zaken de destijds aan de bestrafte opgelegde sanctie niet altijd als uitgangspunt. Er kan dan – mede afhankelijk van de reden van mislukking van die executie – een zwaardere of andere sanctiemodaliteit worden geëist. Er moet echter – indien gekozen wordt voor een zwaardere sanctie – een omrekening plaatsvinden naar een hogere of zwaardere sanctiemodaliteit. Het aantal dagen dat de bestrafte gegijzeld is geweest in de betreffende strafzaak (artikel 27 lid 1 Sr) wordt in de uitvoering door het CJIB in mindering gebracht.. Concreet: als de in de strafbeschikking opgelegde geldboete niet wordt betaald of verhaald, kan de officier van justitie een taakstraf of vrijheidsstraf vorderen. Daarnaast moet de officier vernietiging van de strafbeschikking vorderen. De rechter vernietigt op basis van artikel 354a Sv de strafbeschikking als hij de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt. Als de rechter de niet-ontvankelijkheid van het OM uitspreekt, kan de rechter de strafbeschikking vernietigen.

5. Tenuitvoerlegging

De tenuitvoerlegging van de OM-strafbeschikking kan ingevolge artikel 257g Sv eerst geschieden na veertien dagen na de uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking, tenzij de verdachte afstand van verzet heeft gedaan door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen of indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.

Gijzeling

Als geen volledig verhaal van een bij strafbeschikking opgelegde geldboete heeft plaatsgevonden, kan de officier van justitie de kantonrechter in het arrondissement waar de bestrafte zijn (GBA-)adres heeft, verzoeken te worden gemachtigd het dwangmiddel gijzeling toe te passen (artikel 578b, eerste lid Sv). Dit middel mag niet worden ingezet bij bestraften van wie bekend is dat zij niet kunnen betalen.

Een aantal beslissingen kan door middel van mandaat volgens door het OM opgestelde kaders door bij het CJIB werkzame onbezoldigde ambtenaren van het OM worden afgedaan, waarop toezicht wordt gehouden door de Landelijke strafbeschikkingsofficier.

Toezicht op gedragsaanwijzing

Indien een gedragsaanwijzing wordt opgelegd, waarbij de reclassering toezicht zal houden op de naleving van deze aanwijzing, is het streven erop gericht dat met de tenuitvoerlegging hiervan spoedig wordt gestart: uiterlijk een maand na het verstrijken van de termijn van verzet of het moment waarop afstand wordt gedaan van de bevoegdheid om verzet te doen vindt het eerste contact van de reclassering met de bestrafte plaats.

OVERGANGSRECHT

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding met onmiddellijke ingang van de datum van inwerkingtreding.

BIJLAGE 1A: REIKWIJDTE OM-AFDOENING (CONTRA-INDICATIES)

De wet benoemt wettelijke uitsluitingsgronden voor het uitvaardigen van een strafbeschikking, zoals voor misdrijven met een maximale strafbedreiging boven zes jaar gevangenisstraf. Voor het uitvaardigen van een strafbeschikking kunnen daarnaast contra-indicaties bestaan. Deze kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:

  • dwingende contra-indicaties: gevallen waarin het uitvaardigen van een strafbeschikking niet is toegestaan;

  • facultatieve contra-indicaties: ‘geen strafbeschikking, tenzij...’: voor bijvoorbeeld feiten die beleidsmatig gezien in principe niet in aanmerking komen voor afdoening met een strafbeschikking, maar waarvoor dit wel mogelijk is als het een zeer lichte variant betreft;

  • facultatieve indicaties: ‘strafbeschikking, tenzij...’: dit betreft feiten die in principe met een strafbeschikking worden afgedaan, maar waarvoor dit in specifieke gevallen niet gewenst is.

Een overzicht van wettelijke uitsluitingsgronden en de contra-indicaties (niet limitatief) die gelden is te vinden in Bijlage 1B. Hieronder worden de beleidskeuzes omtrent enkele van deze contra-indicaties toegelicht:

  • * Wettelijk uitgesloten gevallen:

    • misdrijven met een maximale strafbedreiging boven zes jaar gevangenisstraf:

      Art. 257a lid 1 Sv bepaalt dat strafbeschikkingen slechts mogen worden uitgevaardigd voor misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en voor alle overtredingen.

  • * Contra-indicaties10, 11:

    • bij minderjarige verdachten in geval van een misdrijf: een geldboete of schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk dan wel gezamenlijk meer dan € 200 beloopt.12

    • een art. 8 WVW 1994-zaak, gepleegd door een minderjarige verdachte;

      in de praktijk worden deze zaken veelal met een taakstraf afgedaan. Deze sanctie kan nog niet door middel van een strafbeschikking worden opgelegd als er sprake is van een minderjarige verdachte;

    • bij minderjarige verdachten: een OBM, de maatregel onttrekking aan het verkeer en/of aanwijzingen die kunnen inhouden: afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer;

    • de sanctie aanwijzing ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 257a, derde lid onder c Sv), zowel bij natuurlijke als rechtspersonen feiten gepleegd door:

      • * illegale vreemdelingen

        Conform het vreemdelingenbeleid van het Openbaar Ministerie, waarin is bepaald dat illegalen in principe worden gedagvaard. Als dat niet mogelijk is, kunnen zij een geldtransactie of strafbeschikking inhoudende een geldboete opgelegd krijgen.

      • * asielzoekers:

        Slechts als zij zich kunnen legitimeren en een (GBA)-adres hebben waarnaar de strafbeschikking kan worden uitgestuurd, of als de strafbeschikking in persoon wordt uitgereikt met directe betaling van de geldboete in het kader van ZSM kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.13

      • * mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats (zvwp-ers):

        Slechts als zij een adres hebben waarnaar de strafbeschikking kan worden uitgestuurd, of als de strafbeschikking in persoon wordt uitgereikt met directe betaling van de geldboete in het kader van ZSM kan een strafbeschikking worden uitgevaardigd.14

    • politiek of publicitair gevoelige zaken:

      In principe is het uitvaardigen van een strafbeschikking in dergelijke zaken niet mogelijk. Slechts bij hoge uitzondering kan hierop een uitzondering worden gemaakt.

BIJLAGE 1B: CONTRA-INDICATIES (NIET-LIMITATIEF)

Wettelijk uitgesloten

     

Opmerkingen:

 

Misdrijven meer dan 6 jaar

   

Art. 257a lid 1 Sv.

 

Contra-indicaties

Dwingend

(geen strafbe-schikking (SB))

Facultatief

(SB, tenzij)

Facultatief

(geen SB, tenzij)

Opmerkingen:

         

Bij minderjarige verdachten in geval van een misdrijf: een geldboete of schadevergoedingsmaatregel die afzonderlijk dan wel gezamenlijk meer dan € 200 beloopt.

X

     
 

X

     

Overtreding van art. 8 WVW 1994 gepleegd door een minderjarige verdachte

X

     

Bij minderjarigen: een OBM, de maatregel onttrekking aan het verkeer en/of aanwijzingen die kunnen inhouden: afstand van voorwerpen die in beslag zijn genomen en vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer

X

     

De sanctie aanwijzing ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 257a, derde lid onder c Sv) (natuurlijke en rechtspersonen)

X

     
         

Illegale vreemdelingen

   

X

Conform vreemdelingen-beleid OM. Tenzij = als kale geldboete

bij uitzetting vreemdeling.

Asielzoekers

   

X

Tenzij = een legitimatie en (GBA-)adres of uitreiking strafbeschikking in persoon met directe betaling in het kader van ZSM1

ZVW-ers (verdachten zonder [post]adres)

   

X

Tenzij = uitreiking strafbeschikking in persoon met directe betaling in het kader van ZSM2

Politiek of publicitair gevoelige zaken

X

   

Zie Aanwijzing hoge en bijzondere transacties

X Noot
1

Zie voetnoot 13.

X Noot
2

Zie voetnoot 13.


X Noot
1

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Wet OM-afdoening) (Stb. 2006, 330) en Wet van 26 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Wet OM-afdoening en enige andere wetten in verband met het wegnemen van enkele technische onvolkomenheden (Stb. 2007, 160).

X Noot
2

Waar in deze Aanwijzing hij/hem staat, kan ook zij/haar worden gelezen.

X Noot
3

In sommige gevallen bij lichte overtredingen geldt een verzetstermijn van zes weken (zie hierna onder 5, derde alinea).

X Noot
4

Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften.

X Noot
5

Voorschriften met betrekking tot de fiscale strafbeschikking zijn neergelegd in het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD), Stc. 2015, 17271.

X Noot
6

Kamerstukken II 2004/2005, 29 849, nr. 3, p. 31

X Noot
7

Een uitzondering hierop vormt het opleggen van een algemene gedragsaanwijzing inhoudende reclasseringstoezicht. Deze mag wel worden gemandateerd.

X Noot
8

Kamerstukken 2004/2005, 29 849, nr. 3, p. 31.

X Noot
9

Zie tevens het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen (Protocol AAFD), Stc. 2015, 17271.

X Noot
10

Naast de contra-indicaties in deze Aanwijzing wordt de strafbeschikkingsbevoegdheid van (buitengewoon) opsporingsambtenaren nog verder begrensd in bijvoorbeeld de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen. Ook kan de hoofdofficier van justitie, op grond van artikel 3.5 van het Besluit OM-afdoening, bepalen ‘dat naar zijn oordeel het belang van een goede rechtsbedeling vordert dat in bepaalde gebieden of op bepaalde openbare wegen binnen het arrondissement of in bepaalde zaken door de bevoegde ambtenaren geen gebruik wordt gemaakt van de strafbeschikkingsbevoegdheid’.

X Noot
11

Door de gefaseerde invoer van de strafbeschikking zijn enkele contra-indicaties tijdelijk van aard.

X Noot
12

Artikel 491 lid 2 Sv.

X Noot
13

Het direct voldoen van de strafbeschikking is in principe alleen mogelijk na adequate rechtsbijstand. Collegebrief Maatregelen n.a.v. het rapport Beschikt en Gewogen, PaG/B&S/17144.

X Noot
14

Zie voetnoot 13.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl