Cultuurconvenant 2017–2020, Ministerie van OCW – Brabantstad

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelend als bestuursorgaan, hierna te noemen: Minister van OCW,

en

De provincie Noord-Brabant, voor zover het de bestuurlijke bevoegdheden betreft Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de gedeputeerde de heer H. Swinkels, gemachtigd door de Commissaris van de Koning bij besluit van 31 januari 2017, handelende ter uitvoering van het besluit van Gedeputeerde Staten van 31 januari 2017, hierna te noemen: provincie,

De gemeenten, voor zover het de bestuurlijke bevoegdheden betreft Burgemeester en wethouders van de gemeenten Breda, Eindhoven, Helmond, 's-Hertogenbosch, Tilburg, te deze rechtsgeldig vertegenwoordigd door de wethouders voor Breda mevrouw M. de Ble, Eindhoven mevrouw M. Schreurs, Helmond de heer F. Stienen, 's-Hertogenbosch de heer H. van Olden en Tilburg mevrouw M. Hendrickx, gemachtigd door de respectieve Burgemeesters, handelende ter uitvoering van de respectieve besluiten van de Colleges van Burgemeesters en Wethouders, hierna te noemen: gemeenten.

Hierna te noemen: partijen,

Overwegende dat:

  • rijk, provincie en gemeenten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de culturele infrastructuur in Nederland;

  • BrabantStad het samenwerkingsverband tussen de gemeenten Breda, Eindhoven, Helmond, 's-Hertogenbosch en Tilburg en de provincie Noord-Brabant is;

  • algemene afspraken tussen de Minister van OCW, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) zijn vastgelegd in het op 21 mei 2012 ondertekende ‘Algemeen Kader Interbestuurlijke Verhoudingen Cultuur’;

  • partijen met het oog op de gewenste beleidsafstemming gesprekken hebben gevoerd over de uitgangspunten voor het cultuurbeleid uit de nota Ruimte voor Cultuur (TK 2014–2015, 32 820, nr. 134) en over de politiek-bestuurlijke prioriteiten op landelijk, regionaal en lokaal niveau;

  • het wenselijk is dat er coördinatie plaatsvindt over de subsidiering van instellingen die onderdeel uitmaken van de culturele basisinfrastructuur van het rijk en de culturele infrastructuur van BrabantStad;

  • samenwerking tussen partijen plaatsvindt over het versterken van de kwaliteit van cultuureducatie;

  • het wenselijk is dat de decentralisatie uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving zo veel mogelijk onder dezelfde voorwaarden wordt voortgezet in de periode 2017–2020;

  • het wenselijk is om op hoofdlijnen tot afstemming te komen over een gezamenlijke visie voor de periode vanaf 2021, de collectie van partijen en over de veiligheid van cultureel erfgoed;

  • Provincie en gemeenten grote waarde hechten aan innovatie en het culturele veld de ruimte geven om te experimenteren en zo dé proeftuin van Nederland willen zijn.

KOMEN OVEREEN:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

Partijen bevorderen dat zij over en weer voldoende geïnformeerd zijn over het te voeren beleid op landelijk, regionaal en lokaal niveau.

Artikel 2

De afspraken in dit convenant zijn niet in rechte afdwingbaar.

Paragraaf 2. Gezamenlijke verantwoordelijkheid

Artikel 3

  • 1. De in de bijlage 1 opgenomen instellingen zijn onderdeel van de landelijke culturele basisinfrastructuur en partijen beschouwen de subsidiëring van deze instellingen gedurende 2017 tot en met 2020 als een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

  • 2. Partijen zullen de in het eerste lid bedoelde instellingen subsidiëren door middel van beschikkingen die waar wenselijk op elkaar aansluiten.

Artikel 4

Gelet op het bestuurlijke kader Cultuur en Onderwijs 2013-2023 en de in bijlage 2 opgenomen intentieverklaring, zetten partijen zich in voor de versterking van de kwaliteit van cultuureducatie.

Artikel 5

Partijen zetten zich in om een gezamenlijke visie voor het cultuurbeleid vanaf 2021 uit te werken. De in bijlage 3 opgenomen planning dient hierbij als leidraad.

Artikel 6

  • 1. De Minister van OCW zal bevorderen dat de decentralisatie-uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving die in de periode 2013-2016 is uitgekeerd, zo veel mogelijk onder dezelfde voorwaarden wordt voortgezet in de periode 2017–2020.

  • 2. De gemeenten die partij zijn bij dit convenant spannen zich in om middelen die zij ontvangen uit een decentralisatie-uitkering Beeldende Kunst en Vormgeving te matchen.

Artikel 7

  • 1. In het licht van de in bijlage 4 genoemde doelen, spreken partijen af om in overleg tot goede afstemming te komen over het verzamelen van beleidsinformatie en gegevens van de gesubsidieerde instellingen, ook ten behoeve van statistiek. In dit verband spreken partijen de gezamenlijke ambitie uit dat zij zich zullen inspannen om een geharmoniseerde gegevensbank te ontwikkelen die recht doet aan verschillen in de sector en voorziet in gewenste beleidsinformatie van alle betrokken overheden.

  • 2. Partijen streven ernaar om alle cultuuruitgaven van gemeenten in beeld te brengen, in aansluiting op de IV3 systematiek van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 8

Met het oog op de in bijlage 5 omschreven omstandigheden zetten partijen zich als publieke eigenaren in om het bruikleenverkeer van hun collecties actief te stimuleren door bestaande barrières weg te nemen, in het bijzonder door aandacht te geven aan verzekeringsverplichtingen.

Artikel 9

Partijen spannen zich gezamenlijk in om de in bijlage 6 genoemde aandacht voor het cultureel erfgoed bij rampen en calamiteiten te vergroten om zo mogelijke schade en verlies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 10

Partijen werken, in aanloop naar de periode 2021 en verder, samen aan het ontwikkelen van vormen van samenwerking, die recht doen aan ieders rol en verantwoordelijkheid in het cultuurbeleid en de behoefte vanuit BrabantStad, zoals vastgelegd in het Bidbook Nationale Culturele Proeftuin.

Paragraaf 3. Slotbepalingen

Artikel 11

Dit convenant treedt in werking met ingang van 1 januari 2017 en eindigt op 31 december 2020. Partijen treden uiterlijk een jaar voor het beëindigen van dit convenant in overleg over eventuele voortzetting van dit convenant.

Artikel 12

  • 1. Indien zich onvoorziene omstandigheden voordoen die van dien aard zijn dat dit convenant billijkheidshalve behoort te worden gewijzigd, zullen partijen over een eventuele wijziging van dit convenant in overleg treden.

  • 2. Indien dit overleg niet binnen drie maanden tot overeenstemming heeft geleid, mag elke partij dit convenant schriftelijk opzeggen.

Artikel 13

De volgende aan dit convenant gehechte bijlagen maken daar integraal onderdeel van uit:

  • Bijlage 1: instellingen BIS en fondsen

  • Bijlage 2: intentieverklaringen Cultuureducatie met Kwaliteit

  • Bijlage 3: planning aanloop naar periode 2021 en verder

  • Bijlage 4: gegevensverzameling

  • Bijlage 5: bruikleenverkeer collecties

  • Bijlage 6: veilig erfgoed

  • Bijlage 7: Bidbook Nationale Culturele Proeftuin BrabantStad

Artikel 14

Binnen 6 weken na ondertekening van dit convenant wordt de zakelijke inhoud daarvan gepubliceerd in de Staatscourant.

Den Haag, 9 maart 2017

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

Gedeputeerde van de provincie Noord-Brabant, H. Swinkels

Wethouder van de gemeente Breda, M. de Bie

Wethouder van de gemeente Eindhoven, M-A. Schreurs

Wethouder van de gemeente Helmond, F. Stienen

Wethouder van de gemeente 's-Hertogenbosch, H. van Olden

Wethouder van de gemeente Tilburg, M. Hendrickx

Naar boven