Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2017, 36285Overig

Mededeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 22 juni 2017, 2017-0000103034, tot wijziging van de normen en bedragen, genoemd in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten, de Regeling vaststelling grondslagen IOAW en de Regeling vaststelling grondslagen IOAZ per 1 juli 2017, de Regeling vermogenswaardering Ioaz

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

deelt mee dat met ingang van 1 juli 2017 op grond van artikel 37, vierde lid, en 38, eerste tot en met derde lid, van de Participatiewet, de artikelen 5, zevende lid, en 8, vierde, zesde en achtste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, 5, vijfde en zesde lid, en 8, achtste, tiende en twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, 2:8, tweede lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en 5, derde lid, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz, deze regelingen als volgt worden gewijzigd:

ARTIKEL I

De Participatiewet wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt ‘€ 242,60’ vervangen door: € 243,52.

2. In het eerste lid, onderdeel b, wordt ‘€ 485,20’ vervangen door: € 487,04.

3. In het eerste lid, onderdeel c, wordt ‘€ 944,59’ vervangen door: € 948,18.

4. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘€ 242,60’ vervangen door: € 243,52.

5. In het tweede lid, onderdeel b, wordt ‘€ 766,00’ vervangen door: € 768,90.

6. In het tweede lid, onderdeel c, wordt ‘€ 1.225,39’ vervangen door: € 1.230,04.

B

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 982,79’ vervangen door: € 986,52.

2. In onderdeel b wordt ‘€ 1.403,98’ vervangen door: € 1.409,31.

C

Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 1.104,14’ vervangen door: € 1.108,48.

2. In onderdeel b en c wordt ‘€ 1.508,06’ vervangen door: € 1.514,74.

D

Artikel 22a, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 523,40’ vervangen door: € 525,38.

2. In onderdeel b wordt ‘€ 242,60’ vervangen door: € 243,52.

E

Artikel 23, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 311,17’ vervangen door: € 312,35.

2. In onderdeel b wordt ‘€ 484,00’ vervangen door: € 485,84.

F

Artikel 31, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel j wordt ‘€ 2.392,00’ vervangen door: € 2.404,00.

2. In onderdeel n wordt ‘€ 200,00’ vervangen door: € 201,00.

3. In onderdeel r wordt ‘€ 125,04’ vervangen door: € 125,67.

4. In onderdeel y wordt ‘€ 126,82’ vervangen door: € 127,46.

G

In artikel 37, tweede lid, wordt ‘181,25%’ vervangen door: 180,00%.

ARTIKEL II

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel a en b, wordt ‘€ 701,99’ vervangen door: € 704,66.

2. In het vierde lid wordt ‘€ 982,79’ vervangen door: € 986,52.

B

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘€ 313,68’ vervangen door: € 314,68.

2. In het vijfde lid wordt ‘€ 197,82’ vervangen door: € 198,46.

3. In het zevende lid wordt ‘€ 199,64’ vervangen door: € 200,30.

C

Artikel 63e, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt ‘€ 842,39’ vervangen door: € 845,59.

2. In onderdeel d wordt ‘€ 772,19’ vervangen door: € 775,12.

ARTIKEL III

De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel 2, wordt ‘€ 23.444,00’ vervangen door: € 23.938,00.

2. In het tweede lid, onderdeel 3, wordt ‘€ 24.326,00’ vervangen door: € 25.433,00.

3. In het vierde lid, onderdeel a, wordt ‘€ 701,99’ vervangen door: € 704,66.

4. In het vierde lid, onderdeel b, wordt ‘€ 982,79’ vervangen door: € 986,52.

5. In het vierde lid, onderdeel c, wordt ‘€ 701,99’ vervangen door: € 704,66.

B

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘€ 313,68’ vervangen door: € 314,68.

2. In het negende lid wordt ‘€ 197,82’ vervangen door: € 198,46.

3. In het elfde lid wordt ‘€ 199,64’ vervangen door: € 200,30.

C

Artikel 63b, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt ‘€ 842,39’ vervangen door: € 845,59.

2. In onderdeel d wordt ‘€ 772,19’ vervangen door: € 775,12.

ARTIKEL IV

In artikel 2:8, eerste lid, onderdeel b, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten wordt ‘€ 2.392,00’ vervangen door: € 2.404,00.

ARTIKEL V

De Regeling vaststelling grondslagen IOAW wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 1.618,10’ vervangen door: € 1.627,04.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 809,05’ vervangen door: € 813,52.

3. In het derde lid wordt ‘€ 1.251,50’ vervangen door: € 1.257,05.

B

Artikel 1a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt ‘€ 1.029,41’ vervangen door: € 1.034,42.

2. In onderdeel d wordt ‘€ 920,10’ vervangen door: € 924,82.

ARTIKEL VI

De Regeling vaststelling grondslagen IOAZ wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘€ 1.618,10’ vervangen door: € 1.627,04.

2. In het tweede lid wordt ‘€ 809,05’ vervangen door: € 813,52.

3. In het derde lid wordt ‘€ 1.251,50’ vervangen door: € 1.257,05.

B

Artikel 1a, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt ‘€ 1.029,41’ vervangen door: € 1.034,42;

2. In onderdeel d wordt ‘€ 920,10’ vervangen door: € 924,82.

ARTIKEL VII

In artikel 5, eerste lid, onderdeel d, van de Regeling vermogenswaardering Ioaz wordt ‘€ 121.474,00’ telkens vervangen door: € 122.082,00.

Deze mededeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 22 juni 2017

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, C. Bronda Directeur Participatie en Decentrale voorzieningen

TOELICHTING

Artikel I

Het wettelijk bruto minimumloon, genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, wordt met ingang van 1 juli 2017 vastgesteld op € 1.565,40 per maand. Bovendien is het afbouwpercentage van de algemene heffingskorting in artikel 37, tweede lid, van de Participatiewet (hierna: PW) gewijzigd. In verband met deze wijzigingen zal het netto minimumloon, genoemd in artikel 37, eerste lid, van de PW eveneens veranderen.

Hieronder volgt de berekening van het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de PW. In de bijstandsnormen is 5% vakantiegeld begrepen.

Berekening netto minimumloon, bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de PW, per 1 juli 2017

bruto minimumloon inclusief vakantie-uitkering

1.690,64

loonheffing

281,33

 

-------------------

netto minimumloon ex artikel 37, eerste lid, PW

1.409,31

Als gevolg van de verhoging van het minimumloon per 1 juli, wijzigen de in artikel 37, vierde lid, en artikel 38 genoemde bedragen van rechtswege. In artikel 38, vijfde lid, is bepaald dat door of namens de Minister de gewijzigde bedragen en datum waarop deze ingaan gepubliceerd worden in de Staatscourant. Hiermee wordt de kenbaarheid van de gewijzigde nomen en bedragen gewaarborgd. Onderhavige bekendmaking van de gewijzigde bedragen en normen geeft hieraan gevolg.

Artikel II tot en met VII

In de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ) zijn de netto bedragen opgenomen waaraan de op grond van artikel 5 van de IOAW en IOAZ door de Minister vast te stellen grondslagen netto gelijk dienen te zijn. De genoemde bedragen wijzigen van rechtswege met ingang van de dag waarop het netto minimumloon en het netto minimumjeugdloon wijzigen, zonder de daarin begrepen aanspraak op vakantietoeslag.

Aangezien met ingang van 1 juli 2017 het bruto minimumloon met 0,89% wordt verhoogd, dienen de in de IOAW en de IOAZ genoemde netto bedragen eveneens te worden aangepast. Ook de grondslagen IOAW en IOAZ en enkele bedragen genoemd in het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten en de Regeling vermogenswaardering Ioaz worden gewijzigd aan de hand van de ontwikkeling van het netto minimumloon. Met deze mededeling worden deze bedragen bekend gemaakt.

De bedragen genoemd in de IOAZ, artikel 5, tweede lid, 2° en 3°, zijn als gevolg van een herberekening aanmerkelijk hoger in vergelijking met de bedragen vanaf 1 januari 2017. Gemeenten worden over de achtergrond hiervan nader geïnformeerd.

de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, C. Bronda Directeur Participatie en Decentrale voorzieningen