Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2017, 35119Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 16 juni 2017, nr. WJZ/17015386, houdende wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies in verband met het experiment regionaal IPC-project Zuid-Holland, verlenging van de openstelling voor PPS-projecttoeslag en enkele verhogingen van subsidieplafonds

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 4, 5, 15, 16, 17, 19, 23, onderdeel b, 25, 34, 44 en 48 van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZ-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.5.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. De begripsomschrijving van ‘innovatieplan’ komt te luiden:

innovatieplan:

planmatige beschrijving van de activiteiten in het kader van industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, inclusief de planning en kosten daarvan, die een IPC-deelnemer zal verrichten met het oog op innovatie van zijn producten, diensten of productieproces, met inbegrip van zijn collectieve activiteiten;.

2. De begripsomschrijving van ‘IPC-penvoerder’ komt te luiden:

IPC-penvoerder:

rechtspersoon die:

  • a. namens de IPC-deelnemers optreedt als projectleider van een IPC-verband en het overkoepelend plan uitvoert als bedoeld in de paragrafen 3.5.2 en 3.5.4, of

  • b. de mogelijkheden onderzoekt om in samenwerking met ten minste één soortgelijke organisatie uit een ander land te komen tot collectief onderzoek en dit onderzoek laat uitvoeren, als bedoeld in paragraaf 3.5.3 en niet werkzaam is in een van de sectoren die ingevolge artikel 1 van de algemene de-minimisverordening is uitgesloten van de toepassing van die verordening;

3. In de begripsomschrijving van ‘overkoepelend plan’ vervalt: hoe en in welke mate het IPC-project voldoet aan de criteria van artikel 3.5.23,.

4. De begripsomschrijving van ‘publieke kennisinstelling’ vervalt.

5. In de alfabetische volgorde wordt een begripsomschrijving ingevoegd, luidende:

regionaal IPC-project:

project als bedoeld in artikel 3.5.4, tweede lid, bestaande uit activiteiten die de IPC-penvoerder en de IPC-deelnemers, waarvan ten minste de helft is gevestigd in Zuid-Holland, binnen een periode van twee jaar verrichten ter uitvoering van het overkoepelende plan en de daarmee samenhangende innovatieplannen;

B

§ 3.5.2. komt te luiden:

§ 3.5.2. Regionaal IPC-project in Zuid-Holland

Artikel 3.5.3. Begripsomschrijving

In deze paragraaf wordt verstaan onder een fieldlab: een samenwerkingsverband dat een praktijkomgeving vormt waarin sprake is van een slimme inzet van nieuwe productietechnologieën door de industrie met als doel procesinnovatie, productinnovatie of het vernieuwen van businessmodellen.

Artikel 3.5.4. Subsidieaanvraag
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag aan de deelnemers in een IPC-verband subsidie voor het uitvoeren van een regionaal IPC-project als bedoeld in het tweede lid waarbij:

    • a. de IPC-penvoerder subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn activiteiten die zijn beschreven in het overkoepelend plan en

    • b. een IPC-deelnemer subsidie ontvangt voor de uitvoering van zijn innovatieplan.

  • 2. Een regionaal IPC-project wordt uitgevoerd in samenwerking met een fieldlab dat is gevestigd in Zuid-Holland en richt zich op ten minste:

    • a. een van de volgende programma’s of plannen, die als bijlage bij deze regeling behoren en bij het Ministerie van Economische zaken ter inzage liggen en op de website www.rvo.nl zijn te raadplegen:

      • i. MKB-programma Water 2017;

      • ii. MKB-programma Agri & Food 2017;

      • iii. MKB-programma Tuinbouw & Uitgangsmaterialen 2017;

      • iv. MKB-Innovatiestimuleringsplan HTSM (en ICT) 2017;

      • v. MKB-Innovatiestimuleringsplan Chemie en Energie (inclusief Biobased Economy) 2017;

      • vi. MKB-programma Life Science & Health 2017;

      • vii. MKB-versterkingsplan Logistiek 2017; en

    • b. een van de volgende technologieën:

      • i. sensortechnologie;

      • ii. additive manufacturing;

      • iii. robotisering;

      • iv. big data;

      • v. blockchain;

      • vi. advanced manufacturing.

Artikel 3.5.5. Subsidieomvang

De subsidie bedraagt:

  • a. voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, € 3.000 per IPC-deelnemer;

  • b. voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, 35 procent van de subsidiabele kosten van de IPC-deelnemer tot een maximum van € 25.000.

Artikel 3.5.6. Subsidiabele kosten
  • 1. De subsidiabele kosten voor de activiteiten van een IPC-deelnemer in het kader van een innovatieplan:

    • a. bedragen € 30.000 of meer,

    • b. bestaan voor ten minste 20 procent uit kosten van collectieve activiteiten en

    • c. bestaan voor ten minste 60 procent uit overige kosten.

  • 2. In afwijking van artikel 11 van het besluit worden de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid, onderdeel b, berekend overeenkomstig artikel 14 van het besluit.

  • 3. De subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid, onderdeel b, zijn de kosten, bedoeld in artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

  • 4. In afwijking van het eerste en derde lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

    • a. de kosten van het maken van een innovatieplan;

    • b. de kosten van implementatie van de innovatie, waaronder begrepen marketing- en salesactiviteiten;

    • c. de kosten van herhalingstesten en het inrichten van de productie;

    • d. de kosten van het opzetten van kwaliteitssystemen;

    • e. de kosten van opleidingen;

    • f. de kosten van deelname aan tentoonstellingen en symposia;

    • g. de reiskosten of

    • h. kosten die verband houden met penvoerdersactiviteiten.

Artikel 3.5.7. Verdeling van het subsidieplafond

De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

Artikel 3.5.8. Realisatietermijn

De termijn, bedoeld in artikel 23, onderdeel b, van het besluit, is twee jaar en wordt gerekend vanaf de aanvang van de activiteiten, bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid.

Artikel 3.5.9. Afwijzingsgronden

De minister beslist afwijzend op een aanvraag:

  • a. indien het overkoepelende plan niet het vertrouwen geeft dat de IPC-penvoerder de begeleiding van de IPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun innovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren;

  • b. voor zover voor dezelfde werkzaamheden met dezelfde IPC-deelnemers reeds op grond van deze titel subsidie is verleend of in dezelfde periode is aangevraagd;

  • c. indien aan een IPC-deelnemer eerder subsidie is verstrekt krachtens dit hoofdstuk of de Subsidieregeling innoveren voor een IPC-project of een MIT-innovatieprestatiecontract, en

    • 1°. tussen de datum waarop het regionale IPC-project start en de datum waarop het vorige IPC-project is gestart, een periode verstreken is van minder dan drie jaar, of

    • 2°. de IPC-deelnemer toestemming heeft gekregen om het IPC-project in een langere periode dan drie jaar af te ronden, maar binnen die toegestane aanvullende periode een regionaal IPC-project start;

  • d. indien de datum waarop het regionale IPC-project start, meer dan zes maanden na datum van de ontvangst van de subsidieaanvraag ligt;

  • e. uit het innovatieplan onvoldoende blijkt dat de IPC-deelnemer activiteiten verricht die gericht zijn op innovatie van zijn producten, diensten of processen;

  • f. de IPC-penvoerder of IPC-deelnemer bij de aanvraag niet heeft ingestemd met het verlenen van medewerking aan monitoring en evaluatie van de effecten van deze paragraaf bij zowel toewijzing als afwijzing van zijn aanvraag.

Artikel 3.5.9a. Voorschot
  • 1. Voor subsidies boven de € 25.000 bedraagt de hoogte van het eerste voorschot 100 procent van de maximale hoogte van de subsidie. De hoogte van de overige voorschotten, indien van toepassing, bedraagt 0 procent van de maximale hoogte van de subsidie.

  • 2. Artikel 39, eerste lid, van het besluit is niet van toepassing op subsidies boven de € 25.000.

Artikel 3.5.9b. Evaluatie
  • 1. De subsidieontvanger verleent medewerking aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van dit hoofdstuk uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.

  • 2. De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 3.5.9c. Vervaltermijn

In afwijking van artikel 3.5.27 vervalt deze paragraaf met ingang van 1 januari 2018, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

C

Artikel 3.5.17, tweede lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. bestaan voor ten minste 20 procent uit kosten voor collectieve activiteiten en.

2. In onderdeel c, vervalt de zinsnede: als bedoeld in artikel 3.5.19, eerste lid, onder b.

D

In artikel 3.5.18 wordt ‘bedoeld’ telkens vervangen door: als bedoeld.

E

Artikel 3.5.19 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening’ vervangen door: artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d en e, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

    • a. de kosten van het maken van een innovatieplan;

    • b. de kosten van implementatie van de innovatie, waaronder begrepen marketing- en salesactiviteiten;

    • c. de kosten van herhalingstesten en het inrichten van de productie;

    • d. de kosten van het opzetten van kwaliteitssystemen;

    • e. de kosten van opleidingen;

    • f. de kosten van deelname aan tentoonstellingen en symposia;

    • g. de reiskosten of

    • h. kosten die verband houden met penvoerdersactiviteiten.

F

Aan artikel 3.5.22 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. indien in hetzelfde kalenderjaar subsidie voor een regionaal IPC-project kan worden verstrekt of is verstrekt.

G

Artikel 3.5.25 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het tweede lid wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel e door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • f. een samenvatting van het project waarvoor de subsidie wordt aangevraagd die door de minister kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties.

2. In het derde lid wordt ‘artikel 3.5.3, 3.5.10 en 3.5.17’ vervangen door: artikel 3.5.4, 3.5.10 en 3.5.17.

H

Artikel 3.5.26 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘artikelen 3.5.3, 3.5.10 en 3.5.17, eerste lid, onderdeel a’ vervangen door: artikelen 3.5.4, eerste lid, onderdeel a, 3.5.10, eerste lid, onderdeel a, en 3.5.17, eerste lid, onderdeel a.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De subsidies, bedoeld in artikel 3.5.4, eerste lid, onderdeel b, 3.5.10, onderdeel a, en 3.5.17, eerste lid, onderdeel b, bevatten staatssteun en worden gerechtvaardigd door artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

ARTIKEL II

De tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2017 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de rij met betrekking tot titel 3.2, PPS-toeslag, artikel 3.2.9, wordt in kolom 5 ‘01-02-2017 t/m 31-07-2017’ vervangen door: 01-02-2017 t/m 12-10-2017 en 20-11-2017 t/m 11-10-2018.

2. Onder de rij met betrekking tot titel 3.2, PPS-toeslag, artikel 3.2.9, worden twee rijen ingevoegd, luidende:

Titel 3.5: Innovatieprestatiecontracten

3.5.4

   

21 september 2017 t/m 5 oktober 2017

€ 1.404.000

 

3.5.17

   

21 september 2017 t/m 5 oktober 2017

€ 2.874.000

3. In de rij met betrekking tot titel 4.2, Topsector energieprojecten, artikel 4.2.121, ERA-NET energiecall ACT (Accelerating CCS Technologies), wordt in kolom 6 ‘€ 4.000.000’ vervangen door: € 4.300.000.

4. In de rij met betrekking tot titel 4.7, Energiebesparing en duurzame energie sport accommodaties, artikel 4.7.2, wordt in kolom 6 ‘€ 6.000.000’ vervangen door: € 6.350.000.

ARTIKEL III

  • 1. Artikel I en artikel II, onderdelen 1 en 2, treden in werking met ingang van 1 juli 2017.

  • 2. Artikel II, onderdelen 3 en 4, treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 16 juni 2017

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp

TOELICHTING

I. Algemeen

Doel en inhoud

Deze regeling strekt tot aanpassing en hernieuwde openstelling van het subsidie-instrument innovatieprestatiecontracten (hierna: IPC), een innovatie-instrument voor MKB-ondernemingen. De vervaldatum van dit subsidie-instrument is bij regeling van 26 april 2017 verlengd tot 1 juli 2022.1 Verder wordt een subsidiemodule geïntroduceerd voor een pilot met regionale IPC-projecten in de provincie Zuid-Holland. In een IPC-project werkt een groep van tien tot twintig MKB-ondernemers samen aan innovatie. Per deelnemer bedraagt de subsidie maximaal 35% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 25.000. De groep wordt begeleid door een IPC-penvoerder. Dit kan bijvoorbeeld een brancheorganisatie zijn. Deze IPC-penvoerder ontvangt per MKB-deelnemer € 3.000 subsidie. Innovatie, samenwerking en kennisoverdracht staan in een IPC-project centraal. Tot slot voorziet deze regeling in verlenging van de openstellingsperiode voor projecttoeslag in het kader van de subsidiemodule PPS-toeslag en in ophoging van de subsidieplafonds van de subsidiemodules ERA-NET energieprojecten en Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties.

Landelijke IPC-regeling

Uit een eerdere evaluatie (https://www.rvo.nl/sites/default/files/bijlagen/Evaluatie%20IPC%2017-08-2010.pdf) blijkt dat de landelijke IPC-regeling een duidelijk effect heeft op het innovatiegedrag van bedrijven. Het zet ondernemers collectief aan om meerjarige innovaties uit te voeren, die anders niet plaats hadden gevonden. Daarnaast geven bedrijven aan dat zij na IPC-deelname meer in Research & Development investeren en meer aan management van innovatie doen. Van de deelnemende bedrijven meldde 69% dat het IPC-project een positieve bijdrage had aan de ontwikkeling van de winst.

Pilot regionaal IPC-project Zuid-Holland

Sinds eind 2014 werken de minister van Economische Zaken, de provincies, MKB-Nederland en de Topsectoren samen aan de uitvoering van de MKB-samenwerkingsagenda. In deze agenda hebben bovengenoemde partijen afspraken gemaakt over samenwerking en afstemming bij de inzet van innovatie-instrumenten en dienstverlening richting het MKB. Door synergie tussen innovatie-instrumenten op regionaal en nationaal (bedrijven- en topsectorenbeleid) niveau wordt het innovatieve MKB beter ondersteund, worden instrumenten transparanter en toegankelijker en kunnen kansrijke bedrijven en innovaties beter doorgroeien naar nationaal of internationaal niveau.

In het kader van deze samenwerkingsagenda is het gewenst in 2017 ervaring op te doen met een regionale variant van de IPC door middel van een pilot. Gelet hierop is een nieuwe paragraaf in de Regeling nationale EZ-subsidies ingevoegd, namelijk paragraaf 3.5.2 (nieuw). Op basis van deze paragraaf zullen IPC-projecten vanuit Zuid-Holland worden gesubsidieerd die bijdragen aan de transitie naar de Next Economy. Hiermee wordt invulling gegeven aan de Roadmap Next Economy (RNE) die op 1 december 2016 is aangeboden aan de minister van Economische Zaken. Tevens wordt hiermee aangesloten op ander EZ beleid (onder andere agenda Smart Industry, Topsectoren).

Deze pilot kan bijdragen aan het versterken van het innovatief ondernemerschap op terreinen zoals robotisering, additive manufacturing, big data, sensortechnologie, blockchain en advanced manufacturing in relatie tot bestaande sterke sectoren in Zuid-Holland zoals de tuinbouw, de watersector of de medische sector. Technologieën, die erg relevant zijn in de transitie van de regio naar een toekomstbestendige economie. Het is van belang dat ondernemers actief aan de slag gaan met de kansen die nieuwe bovengenoemde technologieën te bieden hebben. Doel is om cross-sectorale ondernemersnetwerken tot stand te brengen. Daarbij is geconstateerd dat de voorfase extra aandacht behoeft: ondernemers bij elkaar brengen, kenniscirculatie bevorderen, in (deel-)groepen innovatievragen identificeren en ermee aan de slag gaan. Het IPC instrument is hiervoor zeer geschikt. Het is erop gericht om ondernemersgroepen te ondersteunen bij het ontwikkelen en uitvoeren van innovaties. De insteek van deze groepen kan zeer uiteenlopend zijn (thematisch, branche). Bovendien kan het IPC ook bijdragen aan een betere aansluiting van het MKB op de (regionale) fieldlabs. Dat zijn samenwerkingsverbanden die een praktijkomgeving vormen waarin sprake is van een slimme inzet van nieuwe productietechnologieën door de industrie met als doel procesinnovatie, productinnovatie of het vernieuwen van businessmodellen.

De drie samenwerkende partijen (de minister van Economische Zaken, MRDH, en de Provincie Zuid-Holland) stellen € 1,5 miljoen voor de pilot beschikbaar, waarbij elke partij een derde van het bedrag bijdraagt. De uitvoeringskosten worden op dit bedrag in mindering gebracht en daarom bedraagt het subsidieplafond € 1.404.000.

Subsidieaanvragen die in aanmerking komen voor de regionale module komen niet in aanmerking voor de generieke landelijke IPC-module.

Evaluatie pilot regionaal IPC-project Zuid-Holland

Omdat de regionale paragraaf een pilot betreft zal de pilot aan de hand van vooraf opgestelde criteria worden geëvalueerd. Daarin wordt de medewerking van de aanvragers gevraagd.

Behalve dat de pilot zorgt voor stroomlijning van het landelijk en regionaal innovatiebeleid tussen EZ en provincie Zuid-Holland, hetgeen versnippering van loketten en instrumenten tegengaat en zorgt voor grotere transparantie richting ondernemers, wordt met de pilot beoogd vast te stellen of een regionale invulling van de IPC bijdraagt aan het creëren van nieuwe ondernemersnetwerken of uitbreiding van bestaande netwerken met nieuwe partners. Met andere woorden, in hoeverre zorgt regionale betrokkenheid en nabijheid voor het aanboren en ontsluiten van nieuwe ondernemersdoelgroepen die aan de slag gaan met innovaties? En kan daarmee een groter mkb-innovatiepotentieel worden bereikt? Naast ontsluiting van ondernemerspotentieel zal in de pilot ook gekeken worden in hoeverre de IPC-pilot bijdraagt aan betere kennisbenutting via fieldlabs door ondernemers en extra product- en/of dienst-toepassingen in de geformuleerde technologiedomeinen.

Om deze pilot goed te kunnen evalueren is medewerking van bedrijven nodig, ook van bedrijven die uiteindelijk geen subsidie ontvangen. De aanvragers worden gevraagd medewerking te verlenen aan maximaal drie interviews of enquêtes (van beperkte omvang) om het effect van deze pilot vast te stellen en toekomstig beleid te optimaliseren. Het aantal aanvragers respectievelijk ontvangers zal mede bepalend zijn voor het type analyse en evaluatie waarvoor gekozen zal worden. Indien de pilot succesvol blijkt en wordt voortgezet dan zullen de andere regio’s ook betrokken worden.

Openstelling

Aanvragen kunnen gedurende twee weken worden ingediend, van 21 september tot 5 oktober 2017. Het subsidieplafond voor paragraaf 3.5.2, de regionale IPC-projecten, bedraagt € 1.404.000. Het subsidieplafond voor paragraaf 3.5.4, de ‘reguliere’ IPC-projecten, bedraagt € 2.874.000.

Staatssteun

Bij deze wijzigingsregeling is rekening gehouden met de Europese regels betreffende staatssteun. De begunstigden van de te verstrekken subsidie op grond van paragraaf 3.5.2 en 3.5.4 zijn de IPC-deelnemers alsmede de IPC-penvoerder. Zij ontvangen door de subsidie een financieel voordeel dat selectief uitwerkt. Er is derhalve sprake van staatssteun aan de IPC-penvoerder en de IPC-deelnemers. Voor IPC-deelnemers blijft IPC binnen de door artikel 25 van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (algemene groepsvrijstellingsverordening) gegeven grenzen wat subsidiabele kosten en steunintensiteit betreft. Voor IPC-penvoerders geldt dat de staatssteun kan worden verstrekt als de-minimis steun indien de IPC-penvoerder voldoet aan de voorwaarden van de de-minimisverordening.

De nieuwe elementen van het subsidie-instrument IPC zullen separaat ter kennisneming aan de Europese Commissie worden toegezonden, conform artikel 11, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Regeldruk

Deze regeling heeft regeldrukeffecten. Deze bestaan uit aanvraag, verantwoording en evaluatie. Op grond van de regionale module zullen er naar verwachting 7 aanvragen worden ingediend, waarvan er 4 kunnen worden gehonoreerd. De administratieve lasten voor ondernemingen komen uit op 2,71% van het totale subsidiebedrag. De totale administratieve lasten van deze openstelling bedragen € 38.016.

Uitvoering

De uitvoering van dit subsidie-instrument is in handen van RVO.nl, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken. Op de website van RVO.nl zijn de benodigde formulieren voor het aanvragen van de subsidie verkrijgbaar.

Inwerkingtreding

De wijzigingen met betrekking tot de IPC-subsidiemodule en verlenging van de openstellingsperiode voor projecttoeslag in het kader van de subsidiemodule PPS-toeslag treden in werking met ingang van 1 juli 2017. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden. Er wordt afgeweken van het uitgangspunt dat er minimaal twee maanden moeten zitten tussen het moment van publicatie en de inwerkingtreding van de regeling. Gelet op het feit dat de IPC-subsidiemodule pas in september wordt opengesteld, hebben potentiële aanvragers echter voldoende tijd om zich voor te bereiden. Artikel II, onderdelen 3 en 4, die voorzien in verhoging van de subsidieplafonds voor de subsidiemodules ERA-NET energieprojecten en Energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties, treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij worden geplaatst. Met bekendmaking en inwerkingtreding van deze bepalingen wordt afgeweken van de vaste verandermomenten. Deze afwijking is gerechtvaardigd omdat de doelgroep gebaat is bij een spoedige inwerkingtreding.

II. Artikelen

Artikel I, onderdeel A

Aan de begripsomschrijving van ‘innovatieplan’ is toegevoegd dat het moet gaan om activiteiten in het kader van industrieel onderzoek en experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Op grond van artikel 2 van de algemene groepsvrijstellingsverordening betreft experimentele ontwikkeling ‘het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten. Dit kan ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, de planning en documentering van alternatieve producten, procedés of diensten’. Industrieel onderzoek wordt gedefinieerd als ‘planmatig of kritisch onderzoek dat is gericht op het opdoen van nieuwe kennis en vaardigheden met het oog op de ontwikkeling van nieuwe producten, procedés of diensten, of om bestaande producten, procedés of diensten aanmerkelijk te verbeteren. Het omvat de creatie van onderdelen voor complexe systemen en kan ook de bouw omvatten van prototypes in een laboratoriumomgeving en/of in een omgeving met gesimuleerde interfaces voor bestaande systemen, alsmede pilotlijnen, wanneer dat nodig is voor het industriële onderzoek en met name voor de validering van generieke technologie.’ In de begripsomschrijving is geschrapt dat in het innovatieplan de activiteiten in het kader van het overkoepelende plan moeten worden beschreven.

De paragraaf die betrekking had op subsidie ten behoeve van verkenning van samenwerking, is vervangen door een paragraaf voor de pilot regionaal IPC-project in Zuid-Holland. Daarom zijn de verwijzingen in de begripsomschrijving van ‘IPC-penvoerder’ gewijzigd.

In de begripsomschrijving van ‘overkoepelend plan’ is de verwijzing naar artikel 3.5.23 vervallen. In dit artikel waren rangschikkingscriteria opgenomen die per 1 oktober 2015 zijn vervallen. Het begrip ‘publieke kennisinstelling’ werd alleen gebruikt in paragraaf 3.5.2 met betrekking tot subsidie ten behoeve van verkenning van samenwerking. Gelet op het feit dat deze paragraaf is vervallen kan deze begripsomschrijving ook worden geschrapt.

Verder is door de introductie van de paragraaf voor de pilot regionaal IPC-project in Zuid-Holland het begrip ‘regionaal IPC-project’ toegevoegd. De begripsomschrijving van een regionaal IPC-project is grotendeels gelijk aan de begripsomschrijving van een ‘regulier’ IPC-project. Het enige dat afwijkt is dat in de begripsomschrijving van een regionaal IPC-project is opgenomen dat ten minste de helft van de deelnemers gevestigd moet zijn in Zuid-Holland. Dit is een vereiste dat, gelet op het regionale karakter van deze pilot, specifiek geldt voor de pilot regionaal IPC-project Zuid-Holland.

Artikel I, onderdeel B

In artikel I, onderdeel B, is de nieuwe paragraaf 3.5.2 opgenomen die betrekking heeft op de pilot regionaal IPC-project Zuid-Holland. De paragraaf die betrekking had op subsidie ten behoeve van verkenning van samenwerking is vervallen. Deze verkenning van samenwerking is in de begintijd van het IPC gebruikt om penvoerders de kans te geven om onderzoek te doen naar mogelijke innovatiekansen voor het mkb en het formeren van IPC-verbanden. De pre-IPC is voor het laatst is gebruikt in 2012. Penvoerders kregen toen de kans onderzoek te doen naar de wijze waarop het mkb aan kon sluiten bij de agenda’s van de topsectoren met hun innovatieplannen. In de praktijk is gebleken dat een pre-IPC fase niet noodzakelijk is om tot voldoende goede IPC-aanvragen te komen. Het budget wordt steevast fors overschreden.

Voor de gehele paragraaf geldt dat de opzet grotendeels gelijk is aan paragraaf 3.5.4 met betrekking tot subsidie ten behoeve van een IPC-project. De aanpassingen die zijn doorgevoerd in de ‘reguliere’ IPC zijn ook in de artikelen met betrekking tot de regionale IPC overgenomen. Waar de artikelen afwijken van deze paragraaf wordt dit hierna toegelicht.

Artikel 3.5.3. Begripsomschrijving

In artikel 3.5.3 is de begripsomschrijving opgenomen van een fieldlab, omdat die enkel van toepassing is op paragraaf 3.5.2.

Artikel 3.5.4. Subsidieaanvraag

In artikel 3.5.4 is bepaald dat de minister op aanvraag subsidie verstrekt aan de deelnemers in een IPC-verband voor het uitvoeren van een regionaal IPC-project. Zowel de penvoerder als de afzonderlijke IPC-deelnemers kunnen subsidie ontvangen. De IPC-deelnemers ontvangen subsidie voor het uitvoeren van hun innovatieplan en de penvoerder voor het uitvoeren van het overkoepelend plan. Ingevolge artikel 3.5.2, derde lid, bestaat een IPC-verband, naast de IPC-penvoerder, uit ten minste tien en ten hoogste twintig niet met een andere IPC-deelnemer of de IPC-penvoerder in een groep verbonden MKB-ondernemers.

In artikel 3.5.4, tweede lid, is bepaald dat een regionaal IPC-project moet worden uitgevoerd in samenwerking met een fieldlab dat is gevestigd in Zuid-Holland en dat een regionaal IPC-project zich richt op ten minste een van de daar genoemde programma’s of plannen en een van de daar genoemde technologieën. Een regionaal IPC-project mag zich dus ook richten op meerdere van deze programma’s of plannen en technologieën. Deze programma’s en plannen zijn dezelfde programma’s en plannen die zijn opgesteld in het kader van de MKB innovatiestimulering topsectoren (artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZ-subsidies).

Hieronder volgt een korte toelichting bij de in artikel 3.5.4 genoemde technologieën:

Sensortechnologie

Sensoren registreren gegevens (vaak een toestand van een specifiek proces) en geven deze door via software aan een centrale rekeneenheid om deze gegevens te verwerken. Nieuwe ontwikkelingen in sensortechnologie bewegen zich in een aantal richtingen. De eerste richting is steeds geavanceerdere waarneming (multispectraal en zelfs single photon detectors). De tweede richting betreft contactloze sensoren waardoor ook ontoegankelijke plekken of materialen real time gemonitord kunnen worden. De derde richting betreft de ontwikkeling van grote netwerken van sensoren en het Internet of Things. Een vierde richting in de ontwikkeling is de verkleining van sensoren en multi sensoren; meer sensoren in een chip.

Additive Manufacturing

Met Additive Manufacturing kunnen complexe producten snel en zuinig worden gefabriceerd. Additive Manufacturing maakt gebruik van verschillende materialen.

Robotisering

Door robotisering kunnen productieprocessen sneller, nauwkeuriger, veiliger en met minder grondstoffen/afval worden verricht. Momenteel worden meer enkelstuks productiemethoden geschikt gemaakt voor robotisering. Ook gaat het over machines die in staat zijn taken met een zeer hoge precisie, snelheid en betrouwbaarheid uit te voeren.

Big data

Big data gaat om opslag en analyse van grote en complexe sets aan gegevens. Bij big data speelt ook dataprocessing een rol. Onderdeel hiervan vormt de informatie-uitwisseling in de supply chains van bedrijven bijvoorbeeld in de cloud. Productie van bedrijven kan hierdoor veel sneller en beter gedocumenteerd verlopen.

Blockchain

Het bijhouden van gegevens in registers en het uitvoeren van transacties kan door blockchaintechnologie plaatsvinden zonder tussenkomst van een vertrouwde derde partij (met centrale registratie bijvoorbeeld een bank, een notaris of een certificaatuitgever). Blockchain is robuust door de decentrale opzet. De blockchain technologie kan worden gebruikt voor de uitwisseling van digitale informatie in de keten zoals voor: offertes, het plaatsen van orders, logistiek en betalingen met gebruikmaking van zogenaamde ‘smart contracts’.

Advanced Manufacturing

Advanced manufacturing betreft het sterk verbeteren van huidige productiemethoden gericht op het mogelijk maken van foutloze productie en seriematige productie van enkelstuks producten. Hierbij wordt gebruik gemaakt van onder andere procesmonitoring en model approaches. Flexible manufacturing vormt een belangrijk onderdeel van Advanced Manufacturing. Initiatieven die gericht zijn op ‘de fabriek van de toekomst’ kunnen hieronder vallen.

Artikel 3.5.5. Subsidieomvang

Door het subsidiebedrag voor de penvoerder lump sum uit te keren worden de administratieve lasten beperkt.

Artikel 3.5.6. Subsidiabele kosten

Artikel 3.5.6 bevat de subsidiabele kosten. Alleen kosten die direct verband houden met de innovatie zijn subsidiabel. Bij de start van een IPC-project moet duidelijk zijn welke bedrijven aan het IPC-project deelnemen en welke activiteiten zij zullen gaan ontwikkelen. Daarom moet er een concreet innovatieplan (zie artikel 3.5.1) zijn, waarin alleen uitvoeringsactiviteiten met betrekking tot de beoogde innovatie zijn opgenomen.

Artikel 3.5.7. Verdeling van het subsidieplafond

Het subsidieplafond wordt verdeeld naar volgorde van binnenkomst. Deze wijze van verdeling is in overeenstemming met de ‘reguliere’ IPC-subsidiemodule en de MIT-subsidiemodule en sluit aan bij de beperkt omvang van de openstelling. Bij verdeling op volgorde van binnenkomst zal elke aanvraag die voldoet aan de subsidiecriteria worden gehonoreerd, zolang het subsidieplafond nog niet is overschreden. Vanaf het moment dat het subsidieplafond is bereikt, zal de aanvraag moeten worden afgewezen. Overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies wordt indien op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag binnenkomt de afhandelvolgorde van die aanvragen vastgesteld door loting.

Artikel 3.5.9. Afwijzingsgronden

De afwijzingsgronden die zijn opgenomen in artikel 3.5.9, onderdelen a tot en met e, zijn dezelfde als die in artikel 3.5.22. Als onvoldoende vertrouwen bestaat dat de IPC-penvoerder een en ander goed begeleidt dan staat dit het tot stand komen van een succesvol IPC in de weg. Onderdeel b beoogt te voorkomen dat hetzelfde project met (nagenoeg) dezelfde deelnemers tweemaal subsidie ontvangt. Ook moet worden voorkomen dat activiteiten van IPC-deelnemers worden gesubsidieerd die onvoldoende zijn gericht op innovatie van zijn producten, diensten of processen of die weinig risicovol zijn. De toegevoegde waarde van de subsidie zou daarmee anders in gevaar komen. Daarom is hiervoor eveneens een afwijzingsgrond opgenomen.

In onderdeel f is een afwijzingsgrond toegevoegd die specifiek betrekking heeft op het regionale IPC-project. In onderdeel f is geregeld dat de IPC-penvoerder en IPC-deelnemer bij de aanvraag moeten instemmen met het verlenen van medewerking aan monitoring en evaluatie van de effecten van de paragraaf die betrekking heeft op de pilot regionaal IPC-project in Zuid-Holland bij zowel toewijzing als afwijzing van zijn aanvraag. Dit vereiste is opgenomen, omdat deze paragraaf een pilot betreft. Indien ook subsidieaanvragers waarvan de subsidieaanvraag is afgewezen medewerking verlenen aan de monitoring en evaluatie van de effecten van het regionale IPC-project kan een controlegroep worden gevormd.

Artikel 3.5.9b. Evaluatie

Zoals in het algemeen deel van de toelichting en de toelichting bij artikel 3.5.9 is aangegeven betreft dit subsidie-instrument een pilot. Daarom zijn er bepalingen opgenomen ter evaluatie van het subsidie-instrument. De subsidieontvanger moet medewerking verlenen aan een evaluatie van de effecten van de door hem op grond van dit hoofdstuk uitgevoerde activiteiten, voor zover medewerking redelijkerwijs kan worden verlangd. Deze verplichting geldt gedurende vijf jaar na de subsidievaststelling.

Artikel 3.5.9c. Vervaltermijn

Gelet op het experimentele karakter vervalt dit subsidie-instrument per 1 januari 2018. Deze paragraaf blijft echter van toepassing op subsidies die voor deze datum zijn verleend.

Artikel I, onderdeel C

In artikel 3.5.17, tweede lid, onderdeel b, is verduidelijkt dat de subsidiabele kosten voor de activiteiten van een IPC-deelnemer in het kader van een innovatieplan voor ten minste 20 procent uit kosten voor collectieve activiteiten bestaan. Dit brengt geen materiële wijziging teweeg. In artikel 3.5.17, tweede lid, onderdeel c, vervalt de verwijzing naar artikel 3.5.19, eerste lid, onderdeel b, voor de omschrijving van overige kosten. In dit onderdeel werd echter niet aangegeven wat onder de overige kosten wordt verstaan. De overige kosten zijn kosten van middelen die worden gebruikt voor de uitvoering van het innovatieplan en de kosten die voor rekening van de deelnemer door derden zijn gemaakt.

De kosten voor de middelen die worden gebruikt voor de uitvoering van het innovatieplan, zoals de aanschaf of het gebruik van apparatuur en materialen voor het project, vormen subsidiabele kosten. Een eventuele restwaarde van deze middelen zijn geen subsidiabele kosten. Alleen specifieke gebruikskosten in relatie tot het project gedurende de projectperiode zijn subsidiabel. In de berekening daarvan wordt aangesloten bij de fiscale afschrijvingstermijn. Het gaat hierbij niet alleen om de kosten gemaakt door de deelnemer, maar ook om de kosten van de ondernemingen die in dezelfde groep met de deelnemer verbonden zijn. Ook geldt dat de eventuele restwaarde van het eindresultaat, van bijvoorbeeld een prototype, in mindering dient te worden gebracht op de subsidiabele kosten.

De kosten die voor rekening van de deelnemer door derden zijn gemaakt vormen ook subsidiabele kosten. Samenwerking met anderen en het verwerven van nieuwe kennis zijn belangrijke doelstellingen van een IPC-project. Een onderneming die met de deelnemer in een groep verbonden is wordt niet als derde beschouwd. Indien er collectieve activiteiten tezamen met een andere deelnemer worden verricht, wordt die andere deelnemer evenmin als derde beschouwd, noch degenen die met die betrokken andere deelnemer in een groep verbonden zijn.

Artikel I, onderdeel D

Dit betreft een technische wijziging die geen inhoudelijke wijziging teweegbrengt.

Artikel I, onderdeel E

In het tweede lid is de verwijzing naar artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening gespecificeerd in een verwijzing naar artikel 25, derde lid, onderdelen a, b, d, en e van de algemene groepsvrijstellingsverordening. In artikel 25, derde lid, onderdeel c zijn namelijk de kosten voor gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project opgenomen en dit betreffen geen subsidiabele kosten.

Het derde lid is vormgegeven als een opsomming maar is inhoudelijk ongewijzigd gebleven. Kosten van een verkennend voortraject zijn expliciet uitgesloten. Daarnaast zijn kosten van implementatie van de ontwikkelde innovatie uitgesloten. Te denken valt daarbij aan kosten die na ontwikkeling van een werkend prototype worden gemaakt en die naar hun aard geen innovatierisico kennen zoals verkoopgerichte kosten en kosten die betrekking hebben op de inrichting van de productie, zoals het maken van een productiemal of het doen van een productietest. Ook reiskosten en kosten voor opleidingen komen niet voor subsidie in aanmerking komen. De reiskosten zijn al verdisconteerd in het uurtarief. Opleidingskosten worden geacht tot de normale bedrijfskosten te behoren. Kosten die verband houden met penvoerdersactiviteiten worden al vergoed via de penvoerdersvergoeding en zijn voor de deelnemers niet subsidiabel. Dat bepaalde kosten van de subsidie zijn uitgesloten beoogt te voorkomen dat de subsidie wordt aangewend voor kosten die niet duidelijk te relateren zijn aan het innovatieproject en het nemen van risico om tot innovatie te komen.

Artikel I, onderdeel F

In artikel 3.5.22 is een aanvullende afwijzingsgrond opgenomen. Zoals is uiteengezet in het algemeen deel van deze toelichting komen projecten die in aanmerking komen voor een subsidie voor een regionaal IPC-project op grond van artikel 3.5.4. niet in aanmerking voor een subsidie op grond van artikel 3.5.17.

Artikel I, onderdeel G

In artikel 3.5.25 is aan de informatieverplichtingen toegevoegd dat bij de aanvraag voor subsidie een samenvatting van het project wordt gevoegd die door de minister kan worden gebruikt in voor een ieder toegankelijke publicaties. Deze verplichting geldt voor een subsidieaanvraag in het kader van de paragrafen 3.5.2, 3.5.3 en 3.5.4.

Artikel I, onderdeel H

In artikel 3.5.26 zijn de verwijzingen naar artikelen aangepast, omdat in paragraaf 3.5.2 het artikel dat betrekking heeft op de subsidieaanvraag nu is opgenomen in artikel 3.5.4 in plaats van artikel 3.5.3. Deze paragraaf is namelijk vervangen door een paragraaf die betrekking heeft op een regionaal IPC-project.

Artikel II

Met dit artikel is de tabel in artikel 1 van de Regeling openstelling EZ-subsidies 2017 aangepast voor verschillende subsidiemodules.

De openstellingsperiode van zowel de reguliere als de regionale IPC-module loopt van 21 september 2017 tot en met 5 oktober 2017. Gekozen is voor een openstellingstermijn van twee weken, opdat de aanvragen nog voor eind 2017 beoordeeld kunnen worden door RVO.nl. Het subsidieplafond voor de regionale module bedraagt € 1.404.000 en voor de landelijke module € 2.874.000.

De openstelling van de PPS-toeslag, voor wat betreft de PPS-projecttoeslag, is verlengd, zodat potentiële aanvragers maximaal bediend worden. Door deze wijziging zijn zij minder afhankelijk van een beperkte aanvraagtermijn voor het indienen van aanvragen. Vanaf 12 oktober 2017 worden de aanvragen uit het eerste tijdvak afgehandeld. Uit praktische overwegingen is het hierdoor gedurende een aantal weken niet mogelijk om een aanvraag in te dienen.

Verder is nieuw budget beschikbaar gekomen voor de ERA-NET energiecall ACT (Accelerating CCS Technologies). Gelet hierop is het subsidieplafond hiervoor in de Regeling openstelling EZ-subsidies 2017 met € 300.000,– verhoogd. Deze verhoging van het subsidieplafond leidt er toe dat alle Nederlandse deelnemers in de groep projecten die wordt aanbevolen voor financiering, ondersteund kunnen worden. Dit optimaliseert tevens de bijdrage vanuit de Europese Commissie.

Tot slot is ook voor de module energiebesparing en duurzame energie sportaccommodaties budget beschikbaar gekomen als gevolg van terugvorderingen bij eerder verstrekte subsidieverleningen doordat niet (tijdig) was voldaan aan de subsidieverplichtingen. Het subsidieplafond is daarom met € 350.000 verhoogd. Gelet op de omstandigheid dat de ontvangen aanvragen voor 2017 het verhoogde subsidieplafond reeds overschrijden, kunnen eventuele nog in te dienen aanvragen naar verwachting niet worden gehonoreerd.

De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp


X Noot
1

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 26 april 2017, nr. WJZ/17038299, tot wijziging van de Regeling nationale EZ-subsidies in verband met de verlenging van de subsidiemodules PPS-toeslag onderzoek, TKI MKB-versterking en innovatie en Innovatieprestatiecontracten (Stcrt 2017, 25359)