Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2016, 71301Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister voor Wonen en Rijksdienst van 20 december 2016, nr. 2016-0000794558, tot wijziging van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte, de Regeling formulieren Leegstandwet en de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (wijzigingen als gevolg van de Wet doorstroming huurmarkt 2015)

De Minister voor Wonen en Rijksdienst,

Gelet op artikel 10, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte, artikel 15, tweede lid, van de Leegstandwet, de artikelen 252b, tweede lid, en 253, eerste en tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 54, eerste lid, van de Woningwet;

Besluit:

ARTIKEL I

De Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 13 komt te luiden:

Artikel 13

  • 1. Bij een voorstel als bedoeld in artikel 7:252b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, of indien de verhuurder een voorstel als bedoeld in artikel 7:252a, eerste lid, van dat wetboek heeft gedaan en het huishoudinkomen voorwerp van geschil is, bij een verklaring als bedoeld in artikel 7:253, eerste lid, eerste volzin, van dat wetboek of een verzoek als bedoeld in artikel 7:253, tweede lid, aanhef, van dat wetboek, verstrekt de huurder:

    • a. een door de inspecteur, bedoeld in artikel 7:252a, tweede lid, onder e, van het Burgerlijk Wetboek, afgegeven verklaring omtrent het inkomensgegeven, bedoeld in artikel 21, onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van alle bewoners van de woning, en

    • b. een afschrift uit de basisregistratie personen van een van de bewoners waaruit blijkt hoeveel personen staan ingeschreven op het adres van de woning.

  • 2. Indien de verhuurder een voorstel als bedoeld in artikel 7:252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft gedaan en het feit dat een of meerdere leden van het huishouden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft of hebben bereikt voorwerp van geschil is, verstrekt de huurder bij een verklaring als bedoeld in artikel 7: 253, eerste lid, eerste volzin, van het Burgerlijk Wetboek of een verzoek als bedoeld in artikel 7: 253, tweede lid, aanhef, van dat wetboek een afschrift van een beschikking van de Sociale Verzekeringsbank of anderszins gegevens waaruit blijkt dat een of meerdere leden van het huishouden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft of hebben bereikt.

  • 3. Indien de verhuurder een voorstel als bedoeld in artikel 7:252a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft gedaan en het feit dat het huishouden bestaat uit 4 of meer personen voorwerp van geschil is, verstrekt de huurder bij een verklaring als bedoeld in artikel 7:253, eerste lid, eerste volzin, van dat wetboek of een verzoek als bedoeld in artikel 7:253, tweede lid, aanhef, van dat wetboek een afschrift uit de basisregistratie personen van een van de bewoners waaruit blijkt hoeveel personen staan ingeschreven op het adres van de woning.

B

Bijlage V wordt vervangen door bijlagen V en Va die zijn opgenomen in bijlage I bij deze regeling.

ARTIKEL II

Bijlage I van de Regeling formulieren Leegstandwet wordt vervangen door bijlage I die is opgenomen in bijlage II bij deze regeling.

ARTIKEL III

Artikel 40 van de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 komt te luiden:

Artikel 40

Het percentage, bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de Woningwet, bedraagt 1,3.

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok

BIJLAGE I BIJ DE REGELING VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST VAN 20 DECEMBER 2016, NR. 2016-0000794558, TOT WIJZIGING VAN DE UITVOERINGSREGELING HUURPRIJZEN WOONRUIMTE, DE REGELING FORMULIEREN LEEGSTANDWET EN DE REGELING TOEGELATEN INSTELLINGEN VOLKSHUISVESTING 2015 (WIJZIGINGEN ALS GEVOLG VAN DE WET DOORSTROMING HUURMARKT 2015)

Bijlage V

Schema van redelijke huuraanpassingen per 1 januari 2017 voor woonruimte, die een zelfstandige woning vormt, bij overgang van reguliere huurprijs naar reguliere huurprijs

Geldende huurprijs (in bedragen per maand)

Huuraanpassing

I hoger dan de maximale huurprijsgrens1

huurverlaging2 tot de maximale huurprijsgrens1

II niet hoger dan de maximale huurprijsgrens1

huurverhoging van:

indien het huishoudinkomen, bedoeld in artikel 7:252a, tweede lid, onderdeel b, van het Burgerlijk Wetboek, over het inkomenstoetsjaar, bedoeld in onderdeel d van dat artikellid, van de op het tijdstip van de in het voorstel tot verhoging van de huurprijs genoemde ingangsdatum in de woonruimte, die een zelfstandige woning vormt, wonende huurder en overige bewoners

a. lager is dan of gelijk is aan het in artikel 10, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bedoelde bedrag: maximaal 2,8 procentpunt, en

b. hoger is dan het in artikel 10, tweede lid, tweede volzin, onderdeel a, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte bedoelde bedrag: maximaal 4,3 procentpunt, voor zover de maximale huurprijsgrens1 niet wordt overschreden.

X Noot
1

De maximale huurprijsgrenzen, bedoeld in de artikelen 8a en 12, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte, zoals deze gelden op de dag dat dit schema in werking treedt.

X Noot
2

Bij woonruimte welke een zelfstandige woning vormt, met een puntentotaal van meer dan 250 en een geldende huurprijs hoger dan de maximale huurprijsgrens bij een puntentotaal van 250, kan een huurprijsverlaging plaatsvinden, indien het huurpeil van vergelijkbare woonruimte daartoe aanleiding geeft. De huurprijs van deze woonruimte kan niet worden verlaagd tot minder dan de maximale huurprijsgrens behorende bij woonruimte met een puntentotaal van 250, behoudens toepassing van artikel 6, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte.

Bijlage Va

Schema van redelijke huuraanpassingen per 1 juli 2016 voor woonruimte, die niet een zelfstandige woning vormt, bij overgang van reguliere huurprijs naar reguliere huurprijs

Geldende huurprijs (in bedragen per maand)

Huuraanpassing

I hoger dan de maximale huurprijsgrens1

huurverlaging tot de maximale huurprijsgrens1

II niet hoger dan de maximale huurprijsgrens1

huurverhoging ten aanzien van woonruimte, die niet een zelfstandige woning vormt, van maximaal het inflatiepercentage plus 1,5 procentpunt, voor zover de maximale huurprijsgrens1 niet wordt overschreden.

X Noot
1

De maximale huurprijsgrenzen, bedoeld in de artikelen 8a en 12, eerste lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte, zoals deze gelden op de dag dat dit schema in werking treedt.

BIJLAGE II BIJ DE REGELING VAN DE MINISTER VOOR WONEN EN RIJKSDIENST VAN 20 DECEMBER 2016, NR. 2016-0000794558, TOT WIJZIGING VAN DE UITVOERINGSREGELING HUURPRIJZEN WOONRUIMTE, DE REGELING FORMULIEREN LEEGSTANDWET EN DE REGELING TOEGELATEN INSTELLINGEN VOLKSHUISVESTING 2015 (WIJZIGINGEN ALS GEVOLG VAN DE WET DOORSTROMING HUURMARKT 2015)

Bijlage I

AANVRAAG VERGUNNING TOT TIJDELIJKE VERHUUR VAN LEEGSTAANDE WOONRUIMTE

Toelichting op het formulier ‘aanvraag vergunning tot tijdelijke verhuur op basis van de Leegstandwet’

1. Algemene informatie

De Leegstandwet voorziet in de mogelijkheid om leegstaande woonruimte in een gebouw of in een voor de verkoop of sloop of vernieuwbouw bestemde woning tijdelijk te verhuren. Daartoe is een vergunning nodig van burgemeester en wethouders van de gemeente, waarbinnen de woning of het gebouw is gelegen. Tijdelijke verhuur is alleen mogelijk bij:

  • A. woonruimte in een gebouw dat blijkens zijn constructie dan wel inrichting bestemd is voor doeleinden van groepsgewijze huisvesting, van verzorging of verpleging, van logiesverschaffing, van administratie of van onderwijs of voor een samenstel van twee of meer van deze doeleinden.

  • B. woonruimte in een voor de verkoop bestemde woning welke:

    • 1. nimmer bewoond is geweest (zoals een nieuwbouwwoning of een bestaand gebouw dat voor de eerste maal tot woonruimte wordt bestemd), of

    • 2. gedurende een tijdvak van ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de woning laatstelijk geheel is komen leeg te staan, onafgebroken geheel of grotendeels door de eigenaar als eigenaar bewoond is geweest, of

    • 3. in haar geheel binnen een tijdvak van twaalf maanden voorafgaande aan het tijdstip van leegkomen voor bewoning is gereedgekomen en gedurende het overblijvende gedeelte van dat tijdvak onafgebroken geheel of grotendeels door de eigenaar als eigenaar bewoond is geweest, of

    • 4. gedurende een tijdvak van tien jaren voorafgaande aan het tijdstip waarop de vergunning om tijdelijk te verhuren is aangevraagd, niet langer dan gedurende een al dan niet aaneengesloten tijdvak van drie jaren geheel of grotendeels als woonruimte verhuurd is geweest.

  • C. woonruimte in een voor verhuur bestemde woning welke ten tijde van het aanvragen van de vergunning bestemd is voor afbraak of voor vernieuwbouw.

  • D. woonruimte in een voor de verkoop bestemde huurwoning.

In alle overige gevallen is deze regeling van tijdelijke verhuur niet van toepassing.

Zoals aangegeven is vergunning vereist van burgemeester en wethouders van de gemeente, waarbinnen de woning of het gebouw, dat men tijdelijk wil verhuren, is gelegen.

Indien de gevraagde vergunning wordt verleend, zijn de artikelen 206 lid 3, 232, 242, 269 leden 1 en 2, 270 leden 4 tot en met 8, 272 tot en met 277, 278 leden 1 en 2 en 281 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek op de huurovereenkomst van tijdelijke huur en verhuur niet van toepassing. Dit betekent dat de huurder na afloop van de tijdelijke huurovereenkomst geen aanspraak heeft op huurbescherming ingevolge het Burgerlijk Wetboek. In plaats daarvan zijn de dwingende voorschriften inzake huurbescherming van de Leegstandwet van toepassing (artikel 16).

De verschuldigde huurprijs voor woonruimte in een voor de verkoop bestemde woning kan vrij overeengekomen worden tussen de verhuurder en de huurder.

De verschuldigde huurprijs voor woonruimte in een gebouw, voor woonruimte in een voor afbraak of voor vernieuwbouw bestemde woning en voor woonruimte in een voor de verkoop bestemde huurwoning kan niet hoger zijn dan de door burgemeester en wethouders in de vergunning vermelde huurprijs. Burgemeester en wethouders leggen aan de bepaling van deze huurprijs het woningwaarderingsstelsel van het Besluit huurprijzen woonruimte ten grondslag. De in de vergunning vastgelegde huurprijs treedt in de plaats van een hogere huurprijs indien deze tussen partijen zou zijn overeengekomen.

Een vergunning voor woonruimte in een gebouw dat blijkens zijn constructie dan wel inrichting bestemd is voor doeleinden van groepsgewijze huisvesting, van verzorging of verpleging, van logiesverschaffing, van administratie of van onderwijs of voor een samenstel van twee of meer van deze doeleinden, voor het gebruik waarvan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, wordt verleend voor de duur van de omgevingsvergunning met een maximum van 10 jaren. Deze vergunning kan niet verlengd worden.

Een vergunning voor woonruimte in een voor de verkoop bestemde woning wordt verleend voor de periode van 5 jaren. Deze vergunning kan niet verlengd worden.

Een vergunning voor woonruimte in een gebouw dat blijkens zijn constructie dan wel inrichting bestemd is voor doeleinden van groepsgewijze huisvesting, van verzorging of verpleging, van logiesverschaffing, van administratie of van onderwijs of voor een samenstel van twee of meer van deze doeleinden, voor het gebruik waarvan geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, wordt verleend voor een periode van 2 jaren. Deze vergunning kan telkens verlengd worden met 1 jaar tot de gehele duur van de vergunning (inclusief de verlengingen) 10 jaren bedraagt.

Een vergunning voor woonruimte in een voor verhuur bestemde woning welke is bestemd voor afbraak of voor vernieuwbouw wordt verleend voor 2 jaren. Deze vergunning kan telkens verlengd worden met 1 jaar tot de gehele duur van de vergunning (inclusief de verlengingen) 7 jaren bedraagt.

Een vergunning voor woonruimte in een voor de verkoop bestemde huurwoning is bestemd voor afbraak of voor vernieuwbouw wordt verleend voor 2 jaren. Deze vergunning kan telkens verlengd worden met 1 jaar tot de gehele duur van de vergunning (inclusief de verlengingen) 5 jaren bedraagt.

2. Toelichting met betrekking tot de invulling

Punten 1 en 2

De naam en het adres van de eigenaar van de woonruimte, alsmede de aard en de plaatselijke aanduiding van de woning of het gebouw moeten worden vermeld. Eventueel kan worden volstaan met de kadastrale aanduiding van het perceel waar de woning of het gebouw is gelegen.

Onder eigenaar wordt verstaan degene, die bevoegd is tot het in gebruik geven van een woning of een gebouw.

Punt 3

In de eerste plaats moet u één van de vakken A, B, C of D aankruisen. Dit is afhankelijk van de woonruimte waarvoor u de vergunning aanvraagt.

Indien u vak A hebt aangekruist moet u ook een ondervak aankruisen.

Ofwel betreft het woonruimte waarvan voor het gebruik ervan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend. Het betreft dan bouwwerken die in beginsel geen woonbestemming hebben maar waarvoor in de omgevingsvergunning een tijdelijke ontheffing is verleend, waardoor ze als woonruimte gebruikt mogen worden gedurende de in die vergunning aangegeven termijn. In dit geval wordt u gevraagd om een kopie van de desbetreffende omgevingsvergunning bij uw aanvraag te voegen.

Ofwel betreft het woonruimte in een gebouw waarvan voor het gebruik ervan geen omgevingsvergunning is vereist. Het betreft gebouwen die reeds een woonbestemming hebben.

Indien u vak B hebt aangekruist, moet u aangeven welk ondervak van toepassing is.

Indien u vak C hebt aangekruist, moet u ook de datum aangeven wanneer de afbraak of vernieuwbouw van de woning zal plaatsvinden, en indien er sprake is van vernieuwbouw, of deze van ingrijpende aard zal zijn.

Het formulier bevat de wettelijke teksten (zie ook de algemene informatie in deze toelichting).

Punt 4

De vragen onder dit punt moeten alleen beantwoord worden indien het een woonruimte betreft in een voor verkoop bestemde woning (indien u bij punt 3 B heeft aangekruist).

Indien u de aanvraag indient als natuurlijke persoon, mag u tegelijkertijd maximaal 2 woonruimten in een voor verkoop bestemde woning verhuren met een vergunning op basis van de Leegstandwet. Het gaat hier om nog geldende vergunningen voor woonruimte in een voor de verkoop bestemde woning. Hieronder wordt zowel verstaan vergunningen die betrekking hebben op twee woonruimten in dezelfde woning als woonruimten in twee verschillende woningen. Het betreft zowel vergunningen die zijn afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar u deze aanvraag indient, als vergunningen voor woonruimte in andere Nederlandse gemeenten. U dient een kopie van deze nog geldende vergunning mee te zenden bij dit aanvraagformulier. Enkel vergunningen voor woonruimte in voor de verkoop bestemde woningen moeten worden gemeld. Geldende vergunningen voor woonruimte in een gebouw en of in een woning bestemd voor sloop- of vernieuwbouw worden niet meegerekend en dienen dus ook niet vermeld te worden.

Punt 5

Onder dit punt worden vermeld de naam en het huidige adres van de aanstaande tijdelijke huurder(s) en het aantal personen dat in de woonruimte tijdelijk zal worden gehuisvest. Vervolgens wordt ook de overeengekomen huurprijs vermeld.

Met betrekking tot woonruimte in een voor de verkoop bestemde woning bent u zelf vrij een huurprijs met de huurder overeen te komen.

Bij woonruimte in een gebouw, woonruimte in een voor sloop- of vernieuwbouw bestemde woning en woonruimte in een voor de verkoop bestemde huurwoning stellen burgemeester en wethouders de maximale huurprijs vast. Burgemeester en wethouders leggen aan de berekening van de huurprijs het woningwaarderingsstelsel ten grondslag. Indien u een hogere huurprijs bent overeengekomen dan de door burgemeester en wethouders vastgestelde maximale huurprijs, dan treedt de door burgemeester en wethouders in de vergunning vastgestelde huurprijs in de plaats van de overeengekomen huurprijs.

Punt 6

Onder dit punt dient een omschrijving van de tijdelijk te verhuren woonruimte (eengezinswoning, etagewoning, portiekwoning, etc.) te worden vermeld.

Punt 7

Onder dit punt dient u aan te geven of u voor dezelfde woonruimte reeds eerder een vergunning voor tijdelijke verhuur op basis van de Leegstandwet heeft aangevraagd, alsmede wat de einddatum van die vergunning (inclusief de verlengingen) was. Een vergunning voor dezelfde woonruimte wordt immers slechts verleend indien die woonruimte voor de duur van tenminste 5 jaren onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop de vergunning wordt verleend, werd verhuurd of gebruikt zonder vergunning op basis van de Leegstandwet. Met andere woorden: er moet een periode van 5 jaren zijn tussen twee vergunningen tot tijdelijke verhuur op basis van de Leegstandwet.

Punt 8

De verhuurder moet hier aangeven om welke reden hij tot deze aanvraag overgaat. Dit zal bij voorbeeld kunnen zijn voorgenomen verkoop, verbouwing of afbraak. Ook overige van belang zijnde gegevens dienen onder dit punt te worden vermeld, zoals de ingangsdatum van de leegstand en de reden waarom geen normale huurovereenkomst kan worden aangegaan. Bij voorgenomen verkoop dient hier tevens de vraagprijs te worden vermeld.

Punt 9

In veel gemeenten is een huisvestingsvergunning vereist voor een aantal woningen. Nadere inlichtingen kunnen worden verkregen bij de gemeente. Indien een huisvestingsvergunning is vereist dient u aan te geven wanneer u deze voor de desbetreffende woning hebt aangevraagd, alsmede indien deze reeds verleend is de datum van de vergunning.

Punt 10

Hier kunt u eventuele bijzonderheden vermelden die van invloed kunnen zijn bij de beoordeling van uw aanvraag.

Punt 11

Hier geeft u aan of de woning of het gebouw waarvoor u een vergunning voor tijdelijke verhuur vraagt leeg staat.

Met de ondertekening van de aanvraag verklaart u mede dat u deze naar waarheid hebt ingevuld. Indien u onjuiste gegevens verschaft in de aanvraag, kan u een bestuurlijke boete worden opgelegd die ten hoogste bedraagt het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Vergeet niet de noodzakelijke bijlagen toe te voegen.

TOELICHTING

Algemeen

Met ingang van 1 januari 2017 treden de resterende onderdelen van de Wet doorstroming huurmarkt 2015 in werking. Per 1 juli 2016 zijn reeds alle onderdelen met betrekking tot de ‘tijdelijke huur’ in werking getreden.

De wijzigingen per 1 januari 2017 hebben gevolgen voor een drietal ministeriële regelingen, te weten de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte (Uhw), de Regeling formulieren Leegstandwet en de Regeling toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (RTIV).

Administratieve lasten en regeldruk

Administratieve lasten

Deze regeling heeft geen gevolgen voor de administratieve lasten voor het bedrijfsleven en de burger.

Regeldruk

Deze regeling betreft enkel cijfermatige en redactionele aanpassingen en heeft derhalve geen effecten op de regeldruk.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Op grond van de artikelen 7:252b, tweede lid, en 7:253, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt bij ministeriële regeling bepaald welke gegevens de huurder in het kader van een bezwaar tegen de huurverhoging wegens huishoudinkomen of van een voorstel tot huurverlaging wegens inkomensdaling moet overleggen. Daarnaast wordt in artikel 7:253, tweede lid, laatste volzin, van het Burgerlijk Wetboek nog verwezen naar de in voormelde artikelen genoemde ministeriële regeling, waarbij wordt bepaald welke de gegevens de huurder in voorkomende gevallen moet verstrekken. Het betreft gegevens die betrekking hebben op (voor zover in geschil) het huishoudinkomen, het feit of een of meerdere leden van het huishouden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft of hebben bereikt en het feit dat het huishouden bestaat uit 4 of meer personen.

Wat betreft de procedures omtrent de artikelen 7:252b, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (huurverlaging op grond van huishoudinkomen), 7:253, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (bezwaar tegen huurverhoging) en 7:253, tweede lid, aanhef, van het Burgerlijk Wetboek (rappelprocedure) en voor zover het huishoudinkomen voorwerp van geschil is, moet de huurder een verklaring van de inspecteur van de Rijksbelastingdienst en een afschrift uit de basisregistratie personen overleggen, zoals voorheen is bepaald in artikel 13 van de Uitvoeringsregeling huurprijzen woonruimte. In deze tekst is enkel een technische wijziging doorgevoerd (definitie inspecteur) (artikel 13, eerste lid).

Nieuw is artikel 13, tweede en derde lid, waarin is bepaald dat indien zich een bezwaar tegen de huurverhoging of een rappelprocedure voordoet en daarbij het feit dat een of meerdere leden van het huishouden de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet heeft of hebben bereikt, de huurder een afschrift van een beschikking van de Sociale Verzekeringsbank of anderszins gegevens waaruit dit blijkt moet overleggen. Voorts dient de huurder ten aanzien van die procedures en daarbij het feit dat het huishouden uit 4 of meer personen bestaat voorwerp van geschil is, een afschrift uit de basisregistratie personen van een van de bewoners waaruit dit blijkt over te leggen.

Artikel I, onderdeel B

Met de Wet doorstroming huurmarkt 2015 wordt voor zelfstandige woningen per 1 januari 2017 een inkomensafhankelijke huurverhoging geïntroduceerd die afhankelijk is gesteld van één inkomensgrens. Deze nieuwe systematiek leidt tot een wijziging van bijlage V van de Uhw. Voorts zijn de huurverhogingspercentages voor zelfstandige woningen aangepast (bijlage V).

Die percentages (0,3 plus 2,5 en 0,3 plus 4) zijn als volgt samengesteld. Het percentage van 2,5 sluit, zoals verwoord in de brief van 3 juli 2015 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2014/15, 27 926, nr. 247) aan bij het Sociaal Huurakkoord tussen Aedes en de Woonbond. Woningcorporaties en andere verhuurders kunnen hierdoor de huurverhoging differentiëren naar de afstand van de feitelijke huurprijs en de maximale huurprijsgrens. Onder dat percentage kunnen door woningcorporaties afspraken gemaakt worden met huurders en eventueel gemeenten over een te hanteren staffel. Het percentage van 4 komt overeen met het in de betreffende brief aangekondigde maximale huurverhogingspercentage na inkomenstoets. Als basis voor de maximale huurverhoging en maximale huursomstijging geldt, eveneens volgens betreffende brief, het inflatiepercentage. Voorheen was dat het inflatiepercentage over het kalenderjaar. Nu de huursomstijging met ingang van 1 januari 2017 over de periode 1 januari–1 januari wordt berekend en het maximale huursomstijgingspercentage dus voorafgaand aan het kalenderjaar bekend moet worden gemaakt is voor het percentage waarop de maximale huurverhoging en de maximale huursomstijging worden gebaseerd gekozen voor de volgende berekeningssystematiek: (gemiddelde prijs 1 december t-1 tot 1 december t)/(gemiddelde prijs 1 december t-2 tot 1 december t-1) (in casu 0,3%). Hiermee wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de wijze waarop het CBS de inflatie over het kalenderjaar bepaalt. Voor de maximale huurverhogingspercentages is logischerwijs hetzelfde percentage als basis gekozen als voor de maximale huursomstijging. De maximale huursomstijging, zijnde de stijging van de gemiddelde huurprijs van de woningen van de toegelaten instelling op 1 januari van het jaar volgend op 1 januari van enig jaar, beperkt immers de maximale huurverhoging bij toegelaten instellingen.

De nieuwe bijlage Va komt overeen met de voorheen (per 1 juli 2016) in bijlage V opgenomen regels over overige woonruimte (onderdeel IIb van de voorheen geldende bijlage V). De voorheen geldende bijlage V wordt eenmalig gesplitst vanwege de op 1 januari 2017 uiteenlopende berekeningsmethodiek.

De inkomensgrens van artikel 10, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte is al via een wijzigingsregeling (Stcrt. 2016, nr. 67521) per 1 januari 2017 geïndexeerd naar € 40.349.

Artikel II

In bijlage I van de Regeling formulieren Leegstandwet zijn enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.

Artikel III

Met het gewijzigde artikel 40 van de RTIV is de zogenoemde maximale huursomstijging (0,3 plus 1 procentpunt) aangepast. Voor de berekeningsmethodiek van het percentage 0,3 wordt verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel B. De 1 procentpunt is afkomstig uit het Sociaal Huurakkoord tussen Aedes en de Woonbond (Kamerstukken II 2014/15, 27 926, nr. 247).

De Minister voor Wonen en Rijksdienst, S.A. Blok