Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2016, 6137Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 2 februari 2016, 2016-0000001877, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling in verband met aanpassingen van de Bijlagen XIIIa, XIIIb, XIIIc, XIIId, XIIIe en XIIIf op het terrein van asbest alsmede een technische aanpassing van de Warenwetregeling liften

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 1.5a, tweede lid, 1.5b, derde lid, 1.5d, derde lid, 1.5f, tweede lid, en artikel 1.5i, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit en artikel 23, derde lid, van het Warenwetbesluit liften;

Besluit:

ARTIKEL I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 4.27, onderdeel d, wordt ‘vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor het Persoonscertificaat Deskundig Asbestverwijderaar (DAV), zoals opgenomen in bijlage XIIId bij de regeling’ vervangen door: vastgelegd in het Werkveldspecifiek certificatieschema voor de Persoonscertificaten Deskundig Asbestverwijderaar niveau 1 en niveau 2, (DAV-1 en DAV-2), zoals opgenomen in bijlage XIIIc bij de regeling.

B

Bijlage XIIIa, behorend bij artikel 4.27, wordt als volgt gewijzigd:

1. De tekst na ‘Document: SC-540’ die luidt ‘Onder beheer van: Stichting Ascert www.Ascert.nl’ vervalt.

2. In paragraaf 2.1 ‘Algemene definities’:

a. komt de tekst in de kolom ‘Betekenis’ na de omschrijving van ‘CKI-persoon’ in de kolom ‘Begrip of afkorting’ te luiden: CKI door de Minister van SZW aangewezen op grond van Bijlage XIIIf voor de verlening van persoonscertificaten Deskundig asbestverwijderaar niveau 1, Deskundig asbestverwijderaar niveau 2 of Deskundig toezichthouder asbestverwijdering op basis van Bijlage XIIIc;

b. komt de tekst in de kolom ‘Betekenis’ na de omschrijving van ‘DAV’ in de kolom ‘Begrip of afkorting’ te luiden: Deskundig asbestverwijderaar niveau 1 (DAV-1) en Deskundig asbestverwijderaar niveau 2 (DAV-2);

c. vervalt in de kolom ‘Begrip of afkorting’ de tekst ‘SC-501’, ‘SC-510’ en ‘SC-520’ alsmede de daarachter in de kolom ‘Betekenis’ opgenomen tekst.

3. In paragraaf 4.3.4. ‘Meerdere filialen/vestigingen’:

a. wordt het opschrift vervangen door ‘Onderscheid in categorieën ondernemingen’;

b. wordt de tekst van onderdeel b en de toelichting bij onderdeel b vervangen door:

  • b) Ondernemingen, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, die onderdeel uitmaken van een concern en hierna aangeduid als deelnemende onderneming, vragen ieder zelfstandig bij dezelfde certificatie-instelling het procescertificaat aan. Het procescertificaat wordt op de naam van die aanvragende onderneming gesteld en opgenomen in het Ascert-register, met eenzelfde Ascert-code voor alle ondernemingen van het concern, en per deelnemende onderneming een subcode. Een deelnemende onderneming die aan aanvraag doet voor het procescertificaat asbestinventarisatie:

    • 1°. heeft geen bestuursleden die tevens bestuurslid zijn bij dochterondernemingen of zusterondernemingen van die deelnemende onderneming of de moederonderneming van die deelnemende onderneming met het procescertificaat asbestinventarisatie;

    • 2°. is op een andere locatie gevestigd dan een dochteronderneming, zusteronderneming of de moederonderneming met het procescertificaat asbestinventarisatie;

    • 3°. heeft vijf of meer voor haar werkzaam zijnde DIA’s; en

    • 4°. realiseert ten minste 1000 inventarisatierapporten per certificatiejaar.

c. vervalt onderdeel c.

4. In bijlage B ‘Definities (i)’ komt:

a. na het begrip ‘Deskundig toezichthouder Asbestverwijdering (DTA) de tekst in de kolom ‘Definitie/betekenis’ te luiden: Persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering conform bijlage XIIIc;

b. na het begrip ‘Deskundig Asbestverwijderaar (DAV)’ de tekst in de kolom ‘Definitie/betekenis’ te luiden: Persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat Deskundig Asbestverwijderaar niveau 1 of niveau 2 conform bijlage XIIIc.

5. In Bijlage H ‘Categorie indeling sanctiestelsel asbestinventarisatie tabel 5.5.3 (v)’ vervalt in de tabel Vestigingslocatie in rij 37 de zinsnede: die niet als leerling, wel.

6. In bijlage K ‘Onderverdeling van de afwijkingen (v) vervalt in onderdeel G ‘Overtredingen van normen met betrekking tot de deskundigheid/kennis/certificatie van werknemers’ het opschrift ‘Leerling DAV-er’ alsmede de daaronder opgenomen tekst.

C

Bijlage XIIIb, behorend bij artikel 4.27, wordt als volgt gewijzigd:

1. In paragraaf 2.1 ‘Algemene definities’:

a. komt de tekst in de kolom ‘Betekenis’ na de omschrijving van ‘CKI-persoon’ in de kolom ‘Begrip of afkorting’ te luiden: CKI door de Minister van SZW aangewezen op grond van Bijlage XIIIf voor de verlening van persoonscertificaten Deskundig asbestverwijderaar niveau 1, Deskundig asbestverwijderaar niveau 2 of Deskundig toezichthouder asbestverwijdering op basis van Bijlage XIIIc;

b. komt de tekst in de kolom ‘Betekenis’ na de omschrijving van ‘DAV’ in de kolom ‘Begrip of afkorting’ te luiden: Deskundig asbestverwijderaar niveau 1 (DAV-1) en Deskundig asbestverwijderaar niveau 2 (DAV-2);

c. vervalt in de kolom ‘Begrip of afkorting’ de tekst ‘SC-501’, ‘SC-510’ en ‘SC-520’ alsmede de daarachter in de kolom ‘Betekenis’ opgenomen tekst.

2. In paragraaf 4.3.4. ‘Meerdere filialen/vestigingen’:

a. wordt het opschrift vervangen door ‘Onderscheid in categorieën ondernemingen’;

b. wordt de tekst van onderdeel b en de toelichting bij onderdeel b vervangen door:

  • b) ondernemingen, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, die onderdeel uitmaken van een concern en hierna aangeduid als deelnemende onderneming, vragen ieder zelfstandig bij dezelfde certificatie-instelling het procescertificaat aan. Het procescertificaat wordt op de naam van die aanvragende onderneming gesteld en opgenomen in het Ascert-register, met eenzelfde Ascert-code voor alle ondernemingen van het concern, en per deelnemende onderneming een subcode.

    Een deelnemende onderneming die aan aanvraag doet voor het procescertificaat asbestverwijdering:

    • 1°. heeft geen bestuursleden die tevens bestuurslid zijn bij dochterondernemingen of zusterondernemingen van die deelnemende onderneming of de moederonderneming van die deelnemende onderneming met het procescertificaat asbestverwijdering;

    • 2°. is op een andere locatie gevestigd dan een dochteronderneming, zusteronderneming of de moederonderneming met het procescertificaat asbestverwijdering; en

    • 3°. kan ten minste 880 pakdagen per certificatiejaar realiseren.

c. vervallen onderdeel c en de daaronder opgenomen vier zinnen.

3. In paragraaf 7.6.2 ‘Deskundig toezicht bij het werken met asbest’ wordt aan het slot ‘Ascert-Persoonscertificaat DTA conform SC-510’ vervangen door: het persoonscertificaat DTA conform Bijlage XIIIc.

4. In paragraaf 7.6.3 ‘Werken met asbest’ wordt aan het slot ‘AscertPersoonscertificaat DAV conform SC-520’ vervangen door: het persoonscertificaat DAV-1 of DAV-2 conform Bijlage XIIIc.

5. In paragraaf 7.11.2.1 ‘Bekwaamheid, bewustzijn en training’ komt onderdeel e te luiden:

  • e) geschikte registraties bijhouden van opleiding, training, vaardigheden en ervaring van de Deskundig asbestverwijderaar DAV-1 en DAV-2 en Deskundig toezichthouder asbestverwijdering overeenkomstig Bijlage XIIIc, waarbij het inzetten van een DAV-1 alleen plaats vindt indien het asbestverwijderingsbedrijf voorziet in adequaat mentorschap.

6. In paragraaf 7.12.4.1 ‘Beheersing van asbestverwijdering’ komt de tekst na het zesde bolletje te luiden: de beschikbare informatie over het personeel met betrekking tot persoonscertificaten DTA, DAV-1 en DAV-2.

7. In paragraaf 7.14.4 ‘Werkplan’ komt de tekst met uitwerking bij het 13e uitgangspunt te luiden:

Het containment wordt zodanig ingericht dat er geen vezelverspreiding buiten het containment kan plaatsvinden gedurende het asbestverwijderingswerk. Gedurende die periode dient de onderdruk onderhouden te worden; ook wanneer er geen activiteiten zijn, zoals bijvoorbeeld in de nacht.

Indien een containment wordt toegepast, worden besloten en afgeschermde ruimtes op de juiste onderdruk beproefd, waarvoor de volgende eisen gelden:

  • a. een containment is zodanig stevig opgebouwd dat dit bestand is tegen een onderdruk van 20 Pascal;

  • b. een containment is zodanig afgeschermd van de omliggende ruimten dat asbestvezelemissie naar die ruimten wordt voorkomen, ook bij wegvallen van de onderdruk;

  • c. de afzuigcapaciteit per uur is zes maal de inhoud van het containment;

  • d. tijdens de verwijdering wordt een onderdruk van ten minste 20 Pascal in stand gehouden;

  • e. er is een decontaminatie-unit aan het containment gekoppeld, tenzij hiervoor onvoldoende ruimte is en dit in het werkplan gemotiveerd is vastgelegd; en

  • f. er is een tweetrapsafvalsluis aan het containment gekoppeld, tenzij hiervoor onvoldoende ruimte is en het niet gebruiken in het werkplan is vastgelegd.

Alleen wanneer het aantoonbaar technisch niet haalbaar blijkt te voldoen aan de in onderdeel d gestelde eis, kan gemotiveerd van die eis worden afgeweken.

8. In paragraaf 7.15.3 ‘Toezicht door DTA tijdens asbestverwijderingswerk’ komt onderdeel d te luiden:

d) zich ervan overtuigt dat alle verwijderaars in het bezit zijn van het certificaat DAV-1 of DAV-2;.

9. In Bijlage B ‘Definities werkveldspecifiek (i)’ komt:

a. na het begrip ‘Deskundig toezichthouder Asbestverwijdering (DTA)’ de tekst in de kolom ‘Definitie/betekenis’ te luiden: Persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering conform Bijlage XIIIc;

b. na het begrip ‘Deskundig Asbestverwijderaar (DAV)’ de tekst in de kolom ‘Definitie/betekenis’ te luiden: Persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat Deskundig Asbestverwijderaar niveau 1 of niveau 2 conform Bijlage XIIIc.

10. In bijlage G ‘Model werkplan (v) komt in onderdeel 2 ‘Opzet werkplan’ onder ‘Gegevens over het bedrijf en de werknemers’ de tekst na het vijfde bolletje te luiden: naam en Ascert-code van de deskundig asbestverwijderaars DAV-1 en DAV-2.

11. In bijlage H ‘Categorie indeling sanctiestelsel asbestverwijdering tabel 5.5.3 (v)’ wordt in de tweede tabel ‘Afwijkingen projectlocatie’ in:

a. rij 12 ‘volgens SC-510’ vervangen door: volgens bijlage XIIIc;

b. rij 13 ‘volgens SC-520’ vervangen door: volgens bijlage XIIIc;

c. rij 14 ‘Op het asbestverwijderingswerk zijn meer dan twee leerling DAV’s per mentor-DTA aanwezig vervangen door: Op het asbestverwijderingswerk zijn personen aanwezig met een certificaat DAV-1 zonder dat voorzien is in een adequaat mentorschap.

12. In bijlage J ‘Onderverdeling van de afwijkingen (v) vervalt in onderdeel G ‘Overtredingen van normen met betrekking tot de deskundigheid/kennis/certificatie van werknemers’ het opschrift ‘Leerling DAV-er’ alsmede de daaronder opgenomen tekst.

D

Bijlage XIIIc, behorend bij artikel 4.27, komt te luiden:

BIJLAGE XIIIC, BEHOREND BIJ ARTIKEL 4.27

Certificatieschema voor de Persoonscertificaten Deskundig Asbest Verwijderaar niveau 1 en niveau 2 (DAV-1 en DAV-2) en Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA)

Paragraaf 1. Definities en eisen
Artikel 1. Definities en afkortingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Aanvrager:

een persoon die bij een certificerende instelling een aanvraag doet voor het afgeven van een certificaat van vakbekwaamheid;

Beheerstichting:

Stichting Ascert, zijnde de beheerstichting, bedoeld in artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit;

Certificaat of persoonscertificaat:

een certificaat als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de wet;

Certificaatregister:

het register dat door de beheerstichting wordt beheerd op basis van de gegevens die de certificerende instellingen vastleggen op grond van artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel d, van het besluit;

Certificerende instelling procescertificatie:

een certificerende instelling als bedoeld in artikel 4.27, onderdeel b, van de Arbeidsomstandighedenregeling;

DAV-1:

persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat deskundig asbestverwijderaar niveau 1;

DAV-2:

persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat deskundig asbestverwijderaar niveau 2;

DTA:

persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat deskundig toezichthouder asbestverwijdering;

Eindtermen:

een omschrijving van het geheel aan kennis, ervaring, attitude en praktische vaardigheden van een specifiek vakbekwaamheidgebied ten behoeve van het toetsen van een aanvrager;

Entreecriteria:

criteria, zoals opleiding en werkervaring, waaraan de aanvrager voldoet om toegelaten te worden tot de certificatieprocedure;

Fatale fout:

een handeling tijdens het praktijkexamen die kan leiden tot blootstelling aan asbest en daardoor gevaar kan opleveren voor de kandidaat of de omgeving;

Itembank:

een door de beheerstichting beheerd totaalbestand van vragen en opdrachten ten behoeve van het examen;

NEN-EN-ISO/IEC 17024:

algemene eisen voor instellingen die certificatie van personen uitvoeren, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidden in 2012;

Risicoklasse 1:

tijdens de werkzaamheden is de concentratie van chrysotiele asbestvezels in de ademzone van de betreffende werknemer(s) kleiner dan 2.000 vezels/m3 en de concentratie van amfibole asbestvezels in de ademzone van de betreffende werknemer(s) kleiner dan 10.000 vezels/m3;

Risicoklasse 2:

tijdens de werkzaamheden is de concentratie van chrysotiele asbestvezels in de ademzone van de betreffende werknemer(s) tussen de 2.000 en de 1.000.000 vezels/m3 en de concentratie van amfibole asbestvezels in de ademzone van de betreffende werknemer(s) tussen de 10.000 en de 1.000.000 vezels/m3;

Risicoklasse 3:

tijdens de werkzaamheden is de asbestvezelconcentratie in de ademzone van de betreffende werknemer(s) hoger dan 1.000.000 vezels/m3;

Toetsterm:

een omschrijving van een eindterm of een element van een eindterm in de vorm van een kennisaspect, een vaardigheid of de attitude zodanig dat deze toetsbaar is.

Artikel 2. Uitwerking eisen

De eisen in NEN-EN-ISO/IEC 17024 zijn onverkort van toepassing voor het verlenen van een certificaat overeenkomstig deze bijlage en worden in deze bijlage nader uitgewerkt.

Paragraaf 2. Certificatie en hercertificatie
Artikel 3. Certificatieprocedure
  • 1. De certificerende instelling is verantwoordelijk voor de afgifte van een persoonscertificaat en draagt zorg voor de uitvoering van de volgende werkzaamheden:

    • a. fase 1: examineren van de kandidaat met onderscheid in theorie en praktijkexamen;

    • b. fase 2: beoordelen van de examenresultaten van de kandidaat;

    • c. fase 3: beslissen omtrent verlening, en eventueel intrekking, van het certificaat.

  • 2. De in het eerste lid, onder a, bedoelde werkzaamheden kunnen worden uitbesteed aan een exameninstelling, mits de certificerende instelling een overeenkomst met deze exameninstelling heeft afgesloten en hiervan een afschrift heeft verstrekt aan de beheerstichting. De certificerende instelling blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van het examen.

  • 3. De werkwijze voor certificatie wordt de certificerende instelling in een certificatieprocedure vastgelegd. Deze certificatieprocedure bevat ten minste de volgende elementen:

    • a. de wijze van controle op de entreecriteria;

    • b. de wijze van registratie van de gegevens van de kandidaat;

    • c. de wijze en frequentie van het doorgegeven van mutaties ten behoeve van het certificaatregister;

    • d. de verplichting tot het gebruik van de itembank welke wordt beheerd door de beheerstichting;

    • e. de wijze van omgaan met de examenopgaven en de maatregelen die genomen worden om de vertrouwelijkheid van deze gegevens te waarborgen;

    • f. de verplichting om interpretatieverschillen met betrekking tot vragen of opdrachten uit de itembank voor te leggen aan de beheerstichting;

    • g. de wijze van beoordeling van de examenresultaten door de beoordelaar;

    • h. de wijze van beslissing tot verlening, weigering of intrekking van een certificaat; en

    • i. eisen en wijze van beoordeling ten aanzien van de erkenning van buitenlandse certificaten.

  • 4. De certificerende instelling controleert vooraf of de kandidaat reeds een certificaat heeft gehad bij een andere certificerende instelling en of dit certificaat is geschorst of ingetrokken. Indien het certificaat in een periode van twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag is geschorst of ingetrokken, accepteert de certificerende instelling de aanvraag niet en verwijst de kandidaat terug naar zijn oorspronkelijke certificerende instelling. De certificerende instelling beslist binnen vier weken nadat aan alle eisen is voldaan.

Artikel 4. Hercertificatie
  • 1. Voor hercertificatie gelden dezelfde procedures en eisen als voor initiële certificatie.

  • 2. Hercertificatie vindt plaats nadat het gehele praktijk- en theorie-examen met goed gevolg is afgelegd.

  • 3. Indien de positieve hercertificatiebeslissing valt binnen drie maanden voor de vervaldatum van het lopende certificaat, dan is deze vervaldatum tevens de ingangsdatum van het vervolgcertificaat.

  • 4. Indien de positieve hercertificatiebeslissing valt voor de drie maanden voorafgaand aan de vervaldatum van het lopende certificaat dan is de datum van de hercertificatiebeslissing de ingangsdatum van het vervolgcertificaat.

  • 5. Een nieuw certificaat wordt slechts verstrekt onder het gelijktijdig intrekken of ongeldig maken van het eerder afgegeven certificaat.

Paragraaf 3. Examen
Artikel 5. Eisen aan het examen
  • 1. Het examen bestaat uit een praktijkexamen en een theorie-examen.

  • 2. De certificerende instelling beschikt over een examenreglement dat ten minste de volgende elementen bevat:

    • a. de wijze waarop de deelname en oproep worden bevestigd;

    • b. de wijze van identificatie van de deelnemers;

    • c. een regeling inzake toelating en afwezigheid;

    • d. de wijze van examinering;

    • e. gedragsregels voor kandidaten;

    • f. een regeling inzake alternatieven voor het theorie-examen;

    • g. de wijze van bekendmaking van de uitslag door de certificerende instelling aan de kandidaat;

    • h. een regeling inzake het vaststellen van de bewaartermijn van de examendocumenten zoals uitwerkingen en beoordelingsformulieren; en

    • i. een regeling inzake het inzagerecht.

  • 3. De vragen en opdrachten voor het examen worden ontleend aan de itembank die wordt beheerd door de beheerstichting.

  • 4. De certificerende instelling informeert de kandidaat over de kosten van het examen.

Artikel 6. Algemene eisen theorie-examen

Het theorie-examen wordt in de Nederlandse taal afgenomen waarbij de tekst van de vragen op papier of in elektronische vorm kan worden aangeboden.

Artikel 7. Alternatieven voor theorie-examen
  • 1. De volgende alternatieve wijzen voor het afnemen van een theorie-examen worden onderscheiden:

    • a. een voorleesexamen door middel van een geluidsdrager; of

    • b. een verlengd examen.

  • 2. Een voorleesexamen kan alleen en onder de in het zesde lid opgenomen voorwaarden worden afgenomen bij een DAV-1 of DAV-2 kandidaat, maar niet bij DTA kandidaten. Een voorleesexamen wordt door de beheerstichting beschikbaar gesteld.

  • 3. Een verlengd examen kan alleen worden afgenomen bij kandidaten die een door een psycholoog of orthopedagoog afgegeven dyslexieverklaring kunnen overleggen.

  • 4. Een kandidaat richt een schriftelijk verzoek voor het mogen afleggen van een alternatief theorie-examen aan de certificerende instelling.

  • 5. Voor een alternatief theorie-examen kunnen hogere kosten in rekening worden gebracht. De kandidaat wordt over deze kosten vooraf geïnformeerd door de certificerende instelling.

  • 6. Bij een voorleesexamen geldt het volgende:

    • a. de toezichthouder instrueert de kandidaat;

    • b. de kandidaat krijgt het examen aangeboden op een geluidsdrager of computer en kan zelf vragen opnieuw afspelen binnen de beschikbare tijd;

    • c. de kandidaat duidt en noteert zelf het antwoord, en

    • d. de beschikbare tijd is gelijk aan die voor het reguliere examen.

  • 7. Voor een verlengd examen is de beschikbare tijd 150% van de reguliere maximale examenduur.

Artikel 8. Algemene eisen praktijkexamen
  • 1. De locatie van het praktijkexamen is geschikt voor het afnemen van de betreffende praktijkexamens.

  • 2. Tijdens het praktijkexamen wordt gecommuniceerd in de Nederlandse taal.

Paragraaf 4. Toezicht en meldingen
Artikel 9. Medewerking aan controles door certificerende instelling procescertificaat
  • 1. De certificaathouder verleent desgevraagd medewerking aan controles van een certificerende instelling procescertificatie, voor zover het een controle betreft van een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf waarvoor de certificaathouder werkzaamheden verricht.

  • 2. Indien een certificerende instelling procescertificatie met betrekking tot het functioneren van een certificaathouder DTA of DAV-1 of DAV-2 afwijkingen constateert van hetgeen is voorgeschreven in deze bijlage en dit rapporteert aan de certificerende instelling die het betreffende persoonscertificaat heeft afgegeven, dan onderzoekt de laatstbedoelde certificerende instelling deze melding en gaat deze zo nodig over tot het opleggen van sancties jegens de betreffende certificaathouder.

Artikel 10. Toezicht door toezichthoudende overheidsinstelling
  • 1. Indien een toezichthoudende overheidsinstelling, waaronder in ieder geval begrepen de Inspectie SZW, met betrekking tot het functioneren van een certificaathouder DTA of DAV-1 of DAV-2 afwijkingen constateert van hetgeen is voorgeschreven in deze bijlage en dit rapporteert aan de certificerende instelling die het betreffende persoonscertificaat heeft afgegeven, dan onderzoekt de laatstbedoelde instelling deze melding en gaat deze zo nodig over tot het opleggen van sancties jegens de betreffende certificaathouder. Indien de certificerende instelling besluit dit niet te doen, legt zij dit besluit inclusief de onderbouwing daarvan schriftelijk vast en zorgt zij voor een deugdelijke archivering hiervan.

  • 2. Indien de toezichthoudende overheidsinstelling daarom verzoekt, wordt deze door de certificerende instelling schriftelijk geïnformeerd over haar besluit en over de redenen die aan dat besluit ten grondslag liggen.

Artikel 11. Meldingen inzake gedragingen certificaathouder
  • 1. Indien de certificerende instelling een melding ontvangt over gedragingen van een certificaathouder anders dan op basis van artikel 9 of artikel 10, beoordeelt de certificerende instelling of sprake is van een afwijking van de eisen en of die afwijking toe te rekenen is aan de certificaathouder.

  • 2. De certificerende instelling meldt schriftelijk aan degene die de melding gedaan heeft of naar haar oordeel sprake was van een afwijking en deze heeft geleid tot oplegging van een sanctie.

Paragraaf 5. Sancties
Artikel 12.

Gereserveerd

Paragraaf 6. Certificaat
Artikel 13. Gegevens certificaat

De volgende gegevens worden op het certificaat in ieder geval vermeld:

  • a. naam en initialen van de certificaathouder;

  • b. geboortedatum en geboorteplaats van de certificaathouder;

  • c. het burgerservicenummer;

  • d. uniek en eenduidig documentnummer of certificaatnummer afgegeven door de beheerstichting;

  • e. naam van de certificerende instelling die het certificaat verleend heeft;

  • f. verwijzing naar de geldende normen waaraan getoetst is;

  • g. scope van het certificaat, inclusief de eisen die zijn opgenomen in de certificatieovereenkomst, bedoeld in artikel 14;

  • h. de ingangsdatum van het certificaat en de datum waarop het certificaat ophoudt geldig te zijn; en

  • i. een verklaring van de certificerende instelling dat de certificaathouder voldoet aan de eisen zoals vastgesteld in deze bijlage.

Artikel 14. Certificatieovereenkomst
  • 1. De certificaathouder en de certificerende instelling sluiten een certificatieovereenkomst waarin ten minste de in het tweede en derde lid genoemde verplichtingen van de certificaathouder respectievelijk de certificerende instelling zijn opgenomen.

  • 2. De certificaathouder:

    • a. blijft gedurende de looptijd van het certificaat voldoen aan de eisen uit deze bijlage;

    • b. verleent medewerking aan controles door de certificerende instelling;

    • c. legt bij een schorsing binnen vier weken na die schorsing opnieuw examen af waarbij bij goed gevolg de schorsing wordt opgeheven;

    • d. stuurt een ongeldig geworden certificaat terug aan de certificerende instelling, binnen 14 dagen na een aangetekend verzoek hiertoe; en

    • e. geeft wijzigingen door in zijn omstandigheden die voor het certificaat van belang kunnen zijn.

  • 3. De certificerende instelling:

    • a. informeert de beheerstichting over de afgifte van een certificaat nadat de kandidaat is geslaagd voor het examen en heeft voldaan aan de betalingsverplichtingen ten behoeve van het certificaatregister; en

    • b. besluit tot intrekking van het certificaat wanneer na een in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde schorsing niet met goed gevolg examen is afgelegd.

Paragraaf 7. Eisen aan de certificaathouder DAV-1
Artikel 15. Entreecriteria DAV-1
  • 1. De entreecriteria voor de certificaathouder DAV-1 houden in dat de aanvrager:

    • a. basisonderwijs of gelijkwaardig onderwijs heeft gevolgd;

    • b. de Nederlandse taal in woord en geschrift machtig is;

    • c. minimaal de leeftijd van 18 jaar heeft;

    • d. aantoonbaar minder dan één jaar voor het afleggen van het examen een facefit-test heeft uitgevoerd;

    • e. de beschikking heeft over een masker van het juiste model en de goede maat; en

    • f. deel 1 van het online-instructieprogramma adembescherming heeft afgerond en dat kan aantonen.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt als entreecriterium dat in de voorgaande twaalf maanden geen certificaat DAV-1, DAV-2 of DTA van de aanvrager is ingetrokken.

Artikel 16. Examen, cesuur en geldigheid DAV-1
  • 1. Het theorie-examen duurt maximaal 45 minuten en bestaat uit 20 gesloten vragen.

  • 2. Het praktijkexamen duurt maximaal 60 minuten en bestaat uit drie opdrachten.

  • 3. Een kandidaat is geslaagd als hij:

    • a. voor het theorie-examen 70% van de te behalen punten heeft behaald;

    • b. voor alle praktijkopdrachten minimaal 70% van de te behalen punten heeft gehaald; en

    • c. geen fatale fout heeft gemaakt.

  • 4. Het certificaat DAV-1 is maximaal 6 maanden geldig.

Artikel 17. Kerntaken, eindtermen en toetstermen DAV-1
  • 1. Voor de DAV-1 gelden de kerntaken, eindtermen en toetstermen die in de hierna opgenomen drie tabellen zijn vermeld en waarin de letter K staat voor kennis, de letter B voor begrip en de letter T voor toepassen.

    KERNTAAK 1 Verwijderen van asbest

    Eindterm 1: het overeenkomstig de toepasselijke regelgeving uitvoeren van de asbestverwijderingswerkzaamheden

    Code

    Toetsterm

    DAV-1

       

    Toetstermen

    Toetsmatrijs

       

    Beheersingsniveau

    Theorie- examen

    aantal vragen

    Praktijk- examen

    aantal opdrachten

    1.1

    Herkennen van asbestverdachte toepassingen

         

    1.2

    Verschillend te werk gaan bij hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest

    K

    0 of 1

     

    1.3

    Benoemen van de van belang zijnde nutsvoorzieningen

         

    1.4

    Inrichten van een werkplek

    K

    0 of 1

     

    1.5

    Behouden van orde en netheid op de werkplek

    K

    0 of 1

     

    1.6

    Bouwen van een containment/werkgebied, incl. de onderdrukmachine

    K

    1 of 2

     

    1.7

    In gebruik nemen van de onderdrukmachine

         

    1.8

    Benoemen van de juiste onderdruk en ventilatievoud

         

    1.9

    Controleren van de filterweerstand van de onderdrukmachine

         

    1.10

    Tot stand brengen van de juiste onderdruk en ventilatievoud

         

    1.11

    Onderdrukwaarde in het containment controleren

         

    1.12

    Controleren van de decontaminatie-unit op de juiste werking

    K

    0 of 1

    1

    1.13

    Uitvoeren van de decontaminatieprocedure met of zonder transit

    T

    1

    1

    1.14

    Op de juiste manier verwijderen van asbesthoudend materiaal

    K

    1

     

    1.15

    Kiezen van het voor asbestverwijdering geschikte (hand)gereedschap

    K

    0 of 1

     

    1.16

    Juist gebruiken van (hand)gereedschap

         

    1.17

    Het nemen van de juiste maatregelen om vezelemissie te beperken voorafgaand aan het werken met de vloerfrees

         

    1.18

    Schoonmaken van het containment/werkgebied

    B

    0 of 1

     

    1.19

    Juist gebruiken van de stofzuiger

    K

    0 of 1

     

    1.20

    Ontmantelen van het containment/werkgebied

         

    1.21

    Werken conform werkplan onder leiding van DTA

    K

    0 of 1

     

    1.22

    De verschillen kennen tussen de risico’s van amfiboolsaneringen en chrysotielsaneringen

         

    1.23

    Weten dat er verschillende risicoklassen zijn

    K

    0 of 1

     

    KERNTAAK 2

    AFVOER AFVALSTOFFEN

    Eindterm 2

    Het op veilige wijze verpakken en afvoeren van afvalstoffen, conform de vigerende regels.

    Code

    Toetsterm

    DAV-1

    Toetstermen

    Toetsmatrijs

    Beheersingsniveau

    Theorie- examen

    aantal vragen

    Praktijk- examen

    aantal opdrachten

    2.1

    Weten waarom het belangrijk is om asbesthoudend materiaal veilig te verpakken

    K

    0 of 1

     

    2.2

    Op veilige wijze verpakken van asbesthoudend materiaal

    K

    0, 1 of 2

     

    2.3

    Asbesthoudend materiaal dusdanig verpakken dat een buitenstaander het herkent als asbest

    K

    0, 1 of 2

     

    2.4

    Asbesthoudend materiaal veilig uit het containment/werkgebied brengen

    B

    0 of 1

     

    KERNTAAK 3

    VEILIG WERKEN

    Eindterm 3

    Werkzaamheden conform de vigerende regels uitvoeren op een veilige manier voor zichzelf, collega’s en omgeving

    Code

    Toetsterm

    DAV-1

    Toetstermen

    Toetsmatrijs

    Beheersingsniveau

    Theorie- examen

    aantal vragen

    Praktijk- examen

    aantal opdrachten

    3.1

    Benoemen dat gezondheidsschade van asbestvezels ontstaat door inademing

    K

    1 of 2

     

    3.2

    Benoemen van de ziekten die kunnen ontstaan door inademing van asbestvezels

    K

    0 of 1

     

    3.3

    Benoemen dat de werkgever verplicht is werknemers in de gelegenheid te stellen een medisch onderzoek te ondergaan

    K

    0 of 1

     

    3.4

    Veilig handelen bij een calamiteit

    K

    1 of 2

     

    3.5

    Benoemen van het belang van emissiearm werken

    K

    1 of 2

     

    3.6

    Emissiearm werken passend bij de situatie

    K

    O of 1

     

    3.7

    Benoemen wanneer een ruimte zonder persoonlijke beschermingsmiddelen betreden mag worden

    K

    0 of 1

     

    3.8

    Het juiste adembeschermingsmiddel gebruiken, passend bij de situatie

    K

    1 of 2

     

    3.9

    Weten waarom er jaarlijks een facefit-test moet worden gedaan

    K

    0 of 1

     

    3.10

    Werken met adembeschermingsmiddelen volgens de regels uit het programma adembescherming op www.vezelveiligheid.nl/adembescherming

    T

    1 of 2

    1

    3.11

    Benoemen waarom er op een werkdag niet aaneengesloten in het containment gewerkt mag worden

         

    3.12

    Beoordelen of machines en gereedschap geschikt zijn voor gebruik

         

    3.13

    De risico’s van werken op hoogte kennen

    K

    1 of 2

     

    3.14

    De juiste voorzorgsmaatregelen nemen bij werken op daken

         

    3.15

    De juiste voorzorgsmaatregelen kennen bij werken op daken

    K

    0 of 1

     

    3.16

    Gebruiken van het juiste klimmaterieel voor een bepaalde situatie

         

    3.17

    Begrijpen in welke uitzonderingssituaties met ladders en trappen gewerkt mag worden

         

    3.18

    Gebruiken van de voorgeschreven valbeveiligingsmiddelen

         

    3.19

    Opbouwen van rolsteigers conform de veiligheidsregels

         

    3.20

    Gebruiken van (rol)steigers conform de veiligheidsregels

         

    3.21

    Afbreken van rolsteigers conform de veiligheidsregels

         

    3.22

    De risico’s van werken met elektriciteit kennen

    K

    O of 1

     

    3.23

    Veilig werken met elektriciteit

         

    3.24

    De risico’s van werken in besloten ruimten kennen

    K

    0 of 1

     

    3.25

    Benoemen welke voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden bij werken in besloten ruimten

         

    3.26

    Zich houden aan de veiligheidsvoorschriften bij het werken in besloten ruimten

         
  • 2. De DAV-1 begrijpt wat de consequenties zijn van het niet juist uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde kerntaken en de daaraan gerelateerde eindtermen en toetstermen en kan uitleggen waarom zijn handelen daarmee in overeenstemming is.

Artikel 18. Toetsmatrijs DAV-1

De verdeling van de vragen en opdrachten over de kerntaken en eindtermen vindt plaats op basis van toetsmatrijs die is weergegeven in de hierna opgenomen tabel waarin de letter K staat voor kennis, de letter B voor begrip en de letter T voor toepassen.

   

Theorie:

Gesloten vragen

Praktijk:

Toetstermen

   

Aantal

K

B

T

verplicht

optioneel

Kerntaak 1

Eindterm 1

Toetstermen 1 tot en met 23

8

6

1

1

2

 

Kerntaak 2

Eindterm 2

Toetstermen 2.1 tot en met 2.4

3

2

1

   

2 of meer

Kerntaak 3

Eindterm 3

Toetstermen 3.1 tot en met 3.26

9

8

1

 

1

 
 

Totaal aantal vragen/opdrachten

20

16

3

1

5 of meer

Artikel 19. Herexamen DAV-1
  • 1. Een kandidaat kan uiterlijk zes maanden na het behalen van een voldoende resultaat voor ofwel zijn praktijkexamen ofwel voor zijn theorie-examen herexamen doen voor het nog als onvoldoende gekwalificeerde examengedeelte theorie of praktijk.

  • 2. In de in het eerste lid bedoelde situatie kan de kandidaat maximaal twee maal een herexamen afleggen.

  • 3. Wanneer de kandidaat in de in het tweede lid bedoelde situatie niet geslaagd is na een herexamen, of na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, wordt zowel het theorie- als het praktijkexamen opnieuw afgelegd.

  • 4. Er is geen maximum verbonden aan het aantal af te leggen gecombineerde praktijk- en theorie-examens.

Paragraaf 8. Eisen aan de certificaathouder DAV-2
Artikel 20. Entreecriteria DAV-2
  • 1. De entreecriteria voor de certificaathouder DAV-2 houden in dat de aanvrager:

    • a. in bezit is van een DAV-certificaat dat is afgegeven voor 1 maart 2016;

    • b. in het bezit is van een DAV-2 certificaat of van een DTA-certificaat, die geldig zijn op de datum van het afleggen van examen of die niet langer dan één jaar verlopen zijn; of

    • c. in het bezit is van een geldig DAV-1 certificaat, waarbij de aanvrager het praktijkervaringsdeel in een bedrijf met het procescertificaat asbestverwijdering heeft uitgevoerd, en dit aantoonbaar is:

      • door middel van tijdens de asbestverwijderingswerkzaamheden verkregen logboekregistraties voor ten minste 240 pakuren; en

      • door een volledig ingevulde DAV-1 opdrachtenset.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt dat de aanvrager:

    • a. aantoonbaar minder dan één jaar voor het afleggen van het examen een facefit-test heeft uitgevoerd;

    • b. beschikt over een masker van het juiste model en de goede maat; en

    • c. deel 2 van het online-instructieprogramma adembescherming heeft afgerond en dat kan aantonen.

  • 3. In aanvulling op het eerste en tweede lid geldt als entreecriterium dat in de voorgaande twaalf maanden geen certificaat DAV-1, DAV-2 of DTA van de aanvrager is ingetrokken.

Artikel 21. Examen, cesuur en geldigheid DAV-2
  • 1. Het theorie-examen duurt maximaal 60 minuten en bestaat uit 30 gesloten vragen.

  • 2. Het praktijkexamen duurt maximaal 90 minuten en bestaat uit vijf opdrachten.

  • 3. Een kandidaat is geslaagd als hij:

    • a. voor het theorie-examen 70% van de te behalen punten heeft gehaald;

    • b. voor alle praktijkopdrachten minimaal 70% van de te behalen punten heeft gehaald; en

    • c. geen fatale fout heeft gemaakt.

  • 4. Het DAV-2 certificaat is maximaal 3 jaar geldig.

Artikel 22. Kerntaken, eindtermen en toetstermen DAV-2
  • 1. Voor de DAV-2 gelden de kerntaken, eindtermen en toetstermen die in de drie hierna opgenomen tabellen zijn vermeld.

    KERNTAAK 1

    Verwijderen van asbest

    Eindterm 1

    Het overeenkomstig de geldende regelgeving uitvoeren van vakinhoudelijke werkzaamheden van asbestsanering

    Code

    Toetsterm

    DAV-2

    Toetstermen

    Toetsmatrijs

    Beheersings-niveau

    Theorie-examen

    Praktijk-examen

    1.1

    Herkennen van asbestverdachte toepassingen

    T

     

    0 of 1

    1.2

    Verschillend te werk gaan bij hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest

    T

    0 of 1

     

    1.3

    Benoemen van de van belang zijnde nutsvoorzieningen

    B

    0 of 1

     

    1.4

    Inrichten van een werkplek

    T

    0 of 1

    0 of 1

    1.5

    Behouden van orde en netheid op de werkplek

    T

    0 of 1

    0 of 1

    1.6

    Bouwen van een containment/werkgebied, incl. de onderdrukmachine

    T

     

    0 of 1

    1.7

    In gebruik nemen van de onderdrukmachine

    T

     

    0 of 1

    1.8

    Benoemen van de juiste onderdruk en ventilatievoud

    T

    1

     

    1.9

    Controleren van de filterweerstand van de onderdrukmachine

    T

     

    0 of 1

    1.10

    Tot stand brengen van de juiste onderdruk en ventilatievoud

    T

     

    0 of 1

    1.11

    Onderdrukwaarde in het containment controleren

    T

     

    0 of 1

    1.12

    Controleren van de decontaminatie-unit op de juiste werking

    T

     

    0 of 1

    1.13

    Uitvoeren van de decontaminatieprocedure met of zonder transit

    T

    1

    1-1

    1.14

    Op de juiste manier verwijderen van asbesthoudend materiaal

    T

     

    0 of 1

    1.15

    Kiezen van het voor asbestverwijdering geschikte (hand)gereedschap

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

    1.16

    Juist gebruiken van (hand)gereedschap

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

    1.17

    Het nemen van de juiste maatregelen om vezelemissie te beperken voorafgaand aan het werken met de vloerfrees

    T

     

    0 of 1

    1.18

    Schoonmaken van het containment / werkgebied

    T

    1

    0 of 1

    1.19

    Juist gebruiken van de stofzuiger

    T

     

    0 of 1

    1.20

    Ontmantelen van het containment / werkgebied

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

    1.21

    Werken conform werkplan onder leiding van DTA

    T

    0, 1 of 2

     

    1.22

    De verschillen kennen tussen de risico’s van amfiboolsaneringen en chrysotielsaneringen

    B

    1

     

    1.23

    Weten dat er verschillende risicoklasses zijn

    T

    1

     

    KERNTAAK 2

    AFVOER AFVALSTOFFEN

    Eindterm 2

    Het op veilige wijze verpakken en afvoeren van afvalstoffen, conform de vigerende regels

    Code

    Toetsterm

    DAV-2

    Toetstermen

    Toetsmatrijs

    Beheersings-niveau

    Theorie-examen

    Praktijk-examen

    2.1

    Weten waarom het belangrijk is om asbesthoudend materiaal veilig te verpakken

    B

    O, 1 of 2

     

    2.2

    Op veilige wijze verpakken van asbesthoudend materiaal

    T

    0, 1 of 2

    1

    2.3

    Asbesthoudend materiaal dusdanig verpakken dat een buitenstaander het herkent als asbest

    T

    0, 1 of 2

    O of 1

    2.4

    Asbesthoudend materiaal veilig uit het containment / werkgebied brengen

    T

     

    O of 1

    KERNTAAK 3

    VEILIG WERKEN

    Eindterm 3

    Werkzaamheden conform de vigerende regels uitvoeren op een veilige manier voor zichzelf, collega’s en omgeving

    Code

    Toetsterm

    DAV-2

    Toetstermen

    Toetsmatrijs

    Beheersings-niveau

    Theorie-examen

    Praktijk-examen

    3.1

    Benoemen dat gezondheidsschade van asbestvezels ontstaat door inademing

    B

    1 of 2

     

    3.2

    Benoemen van de ziekten die kunnen ontstaan door inademing van asbestvezels

    B

    0, 1 of 2

     

    3.3

    Benoemen dat de werkgever verplicht is werknemers in de gelegenheid te stellen een medisch onderzoek te ondergaan

    K

    1

     

    3.4

    Veilig handelen bij een calamiteit

    B

     

    0 of 1

    3.5

    Benoemen van het belang van emissiearm werken

    B

    1 of 2

     

    3.6

    Emissiearm werken passend bij de situatie

    T

     

    1

    3.7

    Benoemen wanneer een ruimte zonder persoonlijke beschermingsmiddelen betreden mag worden

    B

    1

     

    3.8

    Het juiste adembeschermingsmiddel gebruiken, passend bij de situatie

    T

     

    0 of 1

    3.9

    Weten waarom er jaarlijks een facefit-test moet worden gedaan

    B

    1

     

    3.10

    Werken met adembeschermingsmiddelen volgens de regels uit het programma adembescherming op www.vezelveiligheid.nl/

    adembescherming

    T

     

    1

    3.11

    Benoemen waarom er op een werkdag niet aaneengesloten in het containment gewerkt mag worden

    B

    0, 1 of 2

     

    3.12

    Beoordelen of machines en gereedschap geschikt zijn voor gebruik

    T

     

    0 of 1

    3.13

    De risico’s van werken op hoogte kennen

       

    0 of 1

    3.14

    De juiste voorzorgsmaatregelen nemen bij werken op daken

    T

     

    0 of 1

    3.15

    De juiste voorzorgsmaatregelen kennen bij werken op daken

       

    0 of 1

    3.16

    Gebruiken van het juiste klimmaterieel voor een bepaalde situatie

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

    3.17

    Begrijpen in welke uitzonderingssituaties met ladders en trappen gewerkt mag worden

    B

    1

    0 of 1

    3.18

    Gebruiken van de voorgeschreven valbeveiligingsmiddelen

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

    3.19

    Opbouwen van rolsteigers conform de veiligheidsregels

    K

    0 of 1

    0 of 1

    3.20

    Gebruiken van (rol)steigers conform de veiligheidsregels

    T

    1

    0 of 1

    3.21

    Afbreken van rolsteigers conform de veiligheidsregels

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

    3.22

    De risico’s van werken met elektriciteit kennen

         

    3.23

    Veilig werken met elektriciteit

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

    3.24

    De risico’s van werken in besloten ruimten kennen

       

    0 of 1

    3.25

    Benoemen welke voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden bij werken in besloten ruimten

    B

    1

    0 of 1

    3.26

    Zich houden aan de veiligheidsvoorschriften bij het werken in besloten ruimten

    T

    0, 1 of 2

    0 of 1

  • 2. De DAV-2 begrijpt wat de consequenties zijn van het niet juist uitvoeren van de in het eerste lid bedoelde kerntaken en de daaraan gerelateerde eindtermen en toetstermen en kan uitleggen waarom zijn handelen daarmee in overeenstemming is.

Artikel 23. Toetsmatrijs DAV-2

De verdeling van de vragen en opdrachten over de kerntaken en eindtermen vindt plaats op basis van de toetsmatrijs die is weergegeven in de hierna opgenomen tabel waarin de letter K staat voor kennis, de letter B voor begrip en de letter T voor toepassen.

   

Theorie:

Gesloten vragen

Praktijk:

Toetstermen

   

Aantal

K

B

T

verplicht

optioneel

Kerntaak 1

Eindterm 1

Toetstermen 1.1 tot en met 1.23

12

1

1

10

1

 

Kerntaak 2

Eindterm 2

Toetstermen 2.1 tot en met 2.4

4

 

2

2

1

11 of meer

Kerntaak 3

Eindterm 3

Toetstermen 3.1 tot en met 3.26

14

2

8

4

2

 
 

Totaal aantal vragen en opdrachten

30

3

11

16

15 of meer

Artikel 24. Herexamen DAV-2
  • 1. Een kandidaat kan uiterlijk zes maanden na het behalen van een voldoende resultaat voor ofwel zijn praktijkexamen ofwel voor zijn theorie-examen herexamen doen voor het nog als onvoldoende gekwalificeerde examengedeelte theorie of praktijk.

  • 2. In de in het eerste lid bedoelde situatie kan de kandidaat maximaal twee maal een herexamen afleggen.

  • 3. Wanneer de kandidaat in de in het tweede lid bedoelde situatie niet geslaagd is na het herexamen, of na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, wordt zowel het theorie- als het praktijkexamen opnieuw afgelegd.

  • 4. Er is geen maximum verbonden aan het aantal af te leggen gecombineerde praktijk- en theorie-examens.

  • 5. Wanneer een kandidaat bij de aanvraag, bedoeld in artikel 20, onderdeel a, in het bezit is van een geldig DAV-1 certificaat, wordt dit certificaat ook geacht geldig te zijn wanneer de kandidaat een herexamen aflegt als bedoeld in dit artikel.

Paragraaf 9. Eisen aan de certificaathouder DTA
Artikel 25. Entreecriteria DTA
  • 1. De entreecriteria voor de certificaathouder DTA houden in dat de aanvrager:

    • a. in bezit is van een DAV-certificaat dat is afgegeven voor 1 maart 2016, een DAV-2 certificaat of van een DTA-certificaat, die geldig zijn op de datum van het afleggen van het examen of dan niet langer dan één jaar verlopen zijn;

    • b. aantoonbaar minder dan één jaar voor het afleggen van het examen een facefit-test heeft uitgevoerd;

    • c. beschikt over een masker van het juiste model en de goede maat; en

    • d. deel 2 van het online-instructieprogramma adembescherming heeft afgerond en dat kan aantonen.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid geldt als entreecriterium dat in de voorgaande twaalf maanden geen certificaat DAV-1, DAV-2 of DTA van de aanvrager is ingetrokken.

Artikel 26. Duur en cesuur theorie-examen DTA
  • 1. Het theorie-examen duurt maximaal 90 minuten.

  • 2. Het theorie-examen bestaat uit:

    • a. deel A, bestaande uit 35 gesloten vragen; en

    • b. deel B, bestaande uit 5 open vragen.

  • 3. Een kandidaat is geslaagd voor het totale theorie-examen als hij voor deel A ten minste 24 van de 35 punten heeft behaald en voor deel B ten minste 275 van de 500 te behalen punten heeft gescoord.

  • 4. Voor deel A geldt de volgende staffel:

    Aantal

    punten

    0

    1–5

    6–10

    11–15

    16–20

    21–22

    23

    24

    25–26

    27

    28–29

    30

    31

    32

    33

    34

    35

    Cijfer

    0

    1

    2

    3

    4

    4,5

    5

    5,5

    6

    6,5

    7

    7,5

    8

    8,5

    9

    9,5

    10

Artikel 27. Duur en cesuur praktijk examen DTA
  • 1. Het praktijkexamen duurt maximaal 90 minuten.

  • 2. Het praktijkexamen bestaat uit vier opdrachten.

  • 3. In elke opdracht worden ook de communicatieve vaardigheden getoetst, met uitzondering van de opdracht inzake het herkennen van asbestverdachte toepassingen.

  • 4. De kandidaat is geslaagd voor het praktijk examen als hij:

    • a. voor elke opdracht minimaal 70% van de te behalen punten heeft gehaald; en

    • b. geen fatale fout heeft gemaakt.

Artikel 28. Cesuur gehele DTA examen en geldigheidsduur certificaat
  • 1. Een kandidaat is geslaagd als hij heeft voldaan aan de eisen in de artikelen 26, derde lid, en 27, vierde lid.

  • 2. Het DTA certificaat is maximaal 3 jaar geldig.

Artikel 29. Eindtermen DTA theorie-examen

Voor het theorie-examen gelden de volgende eindtermen:

  • 1. In het kader van de soorten en toepassingen kan de aanvrager:

    • a. de verschillende soorten asbest en asbesthoudend materiaal noemen; en

    • b. de verschillende toepassingen van asbest of asbesthoudend materiaal noemen en kan hij de situaties waarin het werd toegepast noemen en herkennen.

  • 2. In relatie tot de regelgeving:

    • a. heeft de aanvrager kennis van de bestaande arbeidsbeschermende voorschriften op het gebied van asbest in het algemeen en op het gebied van het slopen of verwijderen van asbest in het bijzonder;

    • b. kan de aanvrager werkzaamheden uitvoeren conform de eisen uit een sloopmelding als bedoeld in artikel 1.26 tot en met 1.33 van het Bouwbesluit 2012 en de eisen, bedoeld in het Asbestverwijderingsbesluit 2005;

    • c. heeft de aanvrager kennis van de milieuvoorschriften die gelden bij het verwijderen van asbest;

    • d. heeft de aanvrager kennis van de voor een deskundig asbestverwijderingsbedrijf relevante regelgeving; en

    • e. kan de aanvrager de instanties noemen die de controle op de naleving van voornoemde voorschriften uitvoeren en kent hij hun bevoegdheden.

  • 3. De aanvrager kan de taken van een DAV-1 en DAV-2 noemen en toelichten.

  • 4. In relatie tot de risicobeoordeling kan de aanvrager:

    • a. de risico’s voor de gezondheid bij het verwijderen van asbest herkennen en beoordelen en weet hij maatregelen te noemen om deze risico’s te voorkomen;

    • b. het doel, de werking en de aspecten van alternatieven voor verwijdering benoemen en uitleggen.

  • 5. In relatie tot de asbestinventarisatie:

    • a. weet de aanvrager in welke gevallen er een asbestinventarisatieplicht is, door wie deze inventarisatie verricht wordt en kent hij de uitzonderingen op deze verplichting;

    • b. kent de aanvrager de verschillende typen asbestinventarisaties, weet hij de verschillen en kent hij de geldigheidsduur van de rapporten;

    • c. kan de aanvrager beoordelen of een asbestinventarisatierapport volledig is en handelend optreden indien dit niet het geval is.

  • 6. In relatie tot de indeling in risicoklassen:

    • a. weet de aanvrager wie bevoegd zijn om risicoklassen te bepalen en hoe deze bepaald worden;

    • b. kent de aanvrager de voorwaarden voor het eventueel aanpassen van de risicoklasse en kent hij de concentraties die aan de indeling in klassen ten grondslag liggen; en

    • c. kent de aanvrager de eisen met betrekking tot de werkmethoden, opleiding van personeel, meldingsplicht, gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen en de eindinspectie.

  • 7. In relatie tot de procesbeheersing:

    • a. is de aanvrager op de hoogte van de meldingsplicht en kan hij de aan het certificatieschema Procescertificaat Asbestverwijdering verbonden meldingsplicht uitvoeren;

    • b. kan de aanvrager een werkplan voor het verwijderen van asbest samenstellen en beoordelen en weet hij wanneer een werkplan noodzakelijk is;

    • c. kan de aanvrager de kwaliteit van de bij het slopen of verwijderen van asbest gebruikte hulpmiddelen beoordelen;

    • d. kan de aanvrager maatregelen benoemen en beschrijven om vezelemissie zo veel mogelijk te voorkomen;

    • e. is de aanvrager op de hoogte van de voorschriften voor het omgaan met asbesthoudend afval en kan hij deze voorschriften toepassen; en

    • f. kan de aanvrager aan de hand van documenten de benodigde kwaliteits- en veiligheidsregistraties op de werkplek benoemen en uitvoeren.

  • 8. In relatie tot de eindinspecties kent de aanvrager:

    • a. de voorwaarden van de visuele inspectie die door de DTA uitgevoerd wordt voordat de inspectie-instelling een eindcontrole komt uitvoeren;

    • b. de randvoorwaarden en condities van eindinspectie die behoren bij de verschillende verwijdering technieken en risicoklassen; en

    • c. de verantwoordelijkheden van de DTA en de inspectie-instelling bij de eindinspectie.

  • 9. De aanvrager kan de relaties tussen de beheerstichting, de certificerende instellingen en een certificaathouder duidelijk maken en kent de relevante certificatieschema’s en overige relevante documenten van de beheerstichting.

Artikel 30. Eindtermen DTA praktijkexamen

Voor het praktijkexamen gelden de volgende eindtermen. De aanvrager kan:

  • a. een mondelinge instructie of voorlichting verzorgen;

  • b. toezicht houden op de werkzaamheden en zo nodig corrigerend optreden; en

  • c. asbestverdachte materialen herkennen.

Artikel 31. Toetsmatrijs theorie-examen DTA

De verdeling van de vragen en opdrachten van het theorie-examen over de in artikel 29 genoemde eindtermen vindt plaats op basis van de hierna opgenomen tabel waarin de letter K staat voor kennis, de letter B voor begrip en de letter T voor toepassen.

Onderdeel

Eindtermen

artikel 29

Aantal

vragen

K

B

T

Deel A

Deel

B

Soorten en toepassingen

Eindterm 1a

4

4

0

0

 

0

Eindterm 1b

4

4

0

0

 

0

Onderdelen in examen

3

0

Wettelijk kader:

Eindterm 2a

8

8

0

0

 

0

Eindterm 2b

5

5

0

0

 

0

Eindterm 2c

2

2

0

0

 

0

Eindterm 2d

3

2

0

0

 

0

Eindterm 2e

9

9

0

0

 

0

Onderdelen in examen

7

0

Taken, verantwoordelijkheden

Eindterm 3

3

3

0

0

 

0

Onderdelen in examen

1

0

Risicobeoordeling

Eindterm 4a

17

3

0

0

 

0

Eindterm 4b

5

3

0

0

 

0

Onderdelen in examen

5

0

Asbestinventarisatie

Eindterm 5a

3

3

0

0

 

0

Eindterm 5b

6

6

0

0

 

0

Eindterm 5c

7

5

2

0

 

1

Onderdelen in examen

3

1

Risicoklassen

Eindterm 6a

2

2

0

0

 

0

Eindterm 6b

5

5

0

0

 

0

Eindterm 6c

4

4

0

0

 

0

Onderdelen in examen

4

0

Procesbeheersing

Eindterm 7a

4

3

0

1

 

1

Eindterm 7b

6

2

0

4

 

1 of 2

Eindterm 7c

6

6

0

0

 

0

Eindterm 7d

8

6

2

0

 

0 of 1

Eindterm 7e

8

8

0

0

 

0

Eindterm 7f

3

0

0

3

 

O of 1

Onderdelen in examen

8

4

Eindinspecties

Eindterm 8

3

3

0

0

 

0

 

Eindterm 8b

10

10

0

0

 

0

 

Eindterm 8c

4

4

0

0

 

0

Onderdelen in examen

3

0

Betrokken partijen

Eindterm 9

16

16

0

0

 

0

Onderdelen in examen

1

0

Totaal in het examen

35

5

Artikel 32. Toetsmatrijs praktijkexamen DTA

De verdeling van de vragen en opdrachten van het praktijkexamen over de eindtermen, genoemd in artikel 29, vindt plaats op basis van de hierna opgenomen tabel.

Eindtermen / toetstermen

Aantal toetstermen

%

Eindterm 1.

Het kunnen geven van een mondelinge voorlichting of instructie

1

25

Toetstermen

1.1 Beschikt over de communicatieve vaardigheden om werknemers die betrokken zijn bij het verwijderen van asbest volgens het werkplan te instrueren en te beoordelen of de instructie begrepen is en opgevolgd kan worden. Kandidaat is daarbij in staat om zijn gekozen methodiek te verdedigen en inhoudelijke vragen adequaat te beantwoorden.

1.2 Beschikt over de communicatieve vaardigheden om opdrachtgevers en derden die betrokken zijn bij het verwijderen van asbest volgens het werkplan te instrueren en voor te lichten en te beoordelen of de voorlichting begrepen is.

Kandidaat is daarbij in staat om zijn gekozen methodiek te verdedigen en inhoudelijke vragen adequaat te beantwoorden.

1.3 Beschikt over de communicatieve vaardigheden om controlerende instanties tijdens de werkzaamheden effectief van de stand van zaken op de hoogte te brengen en de juiste documenten te laten zien. Kandidaat is daarbij in staat om zijn gekozen methodiek te verdedigen en inhoudelijke vragen adequaat te beantwoorden.

Eindtermen / toetstermen

Aantal toetstermen

%

Eindterm 2.

Het kunnen houden van toezicht bij de diverse werkzaamheden en zo nodig corrigerend optreden

5

50

Toetstermen

2.1 Kan zijn toezichthoudende taak -mede op basis van zijn leidinggevende capaciteiten en sociale vaardigheden- uitvoeren.

2.2 Kan -zowel in technische als in sociale zin- corrigerend optreden wanneer er niet op juiste wijze omgegaan wordt met de hulpmiddelen en de persoonlijke beschermingsmiddelen.

2.3 Kan effectief handelend optreden bij het wegvallen van de onderdruk.

2.4 Kan effectief handelend optreden bij te veel onderdruk.

2.5 Kan effectief handelend optreden bij een ongeval met persoonlijk letsel.

2.6 Kan effectief handelend optreden bij het open gaan van een afvalzak.

2.7 Kan effectief handelend optreden bij het uitvallen van stroom.

2.8 Kan effectief handelend optreden bij het wegvallen van de watervoorziening.

2.9 Kan effectief handelend optreden bij het openscheuren van het containment.

2.10 Kan opdracht geven tot het plaatsen van afzettingen, er op toezien dat deze handelingen op de juiste wijze worden uitgevoerd en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.11 Kan opdracht geven tot het uitvoeren van werkzaamheden met de glovebag, kan er op toezien dat de werkzaamheden met de glovebag techniek op een juiste wijze worden uitgevoerd en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.12 Kan opdracht geven tot het opbouwen van een containment, er op toezien dat een containment op de juiste wijze wordt opgebouwd en kan handelend optreden indien dit niet het geval is. Kan tevens de inrichting testen op effectiviteit.

2.13 Kan opdracht geven tot het opstellen en aansluiten van een decontaminatie-unit, er op toezien dat dit juist en veilig geschiedt en kan handelend optreden indien dit niet het geval is. Kan tevens de decontaminatie-unit testen op juiste werking.

2.14 Kan opdracht geven tot het opbouwen van een transitsluis, er op toezien dat dit juist en veilig geschiedt en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.15 Kan opdracht geven tot het verpakken en in de afvalsluis plaatsen van asbesthoudend afval, er op toezien dat dit juist en veilig geschiedt en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.16 Kan opdracht geven tot het uitsluizen van asbesthoudend afval inclusief de administratieve handelingen, er op toezien dat dit juist en veilig geschiedt en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.17 Kan opdracht geven tot het verwijderen van materiaal waarbij gebruik wordt gemaakt van bronmaatregelen, er op toezien dat dit juist en veilig geschiedt en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.18 Kan beoordelen of hulpmiddelen en apparatuur zijn gekeurd.

2.19 Kan opdracht geven tot het inplakken van een onderdrukmachine, er op toezien dat de machine op de juiste wijze wordt geplaatst en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.20 Kan opdracht geven tot het inschakelen van een onderdrukmachine, er op toezien dat de machine op de juiste wijze wordt ingeschakeld en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.21 Kan een effectieve luchtverversing en een gewenste onderdruk in een concrete situatie bereiken door instructies te geven aan de DAV-1 en DAV-2.

2.22 kan de werking van apparatuur en hulpmiddelen tijdens het gebruik beoordelen op functionaliteit, veiligheid en effectiviteit.

2.23 Kan de decontaminatieprocedure uitleggen, er op toezien dat deze veilig wordt uitgevoerd en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.24 Kan opdracht geven tot het wisselen van een voor- en tussenfilter van een onderdrukmachine, er op toezien dat deze handelingen op de juiste wijze worden uitgevoerd en kan handelend optreden indien dit niet het geval is.

2.25 Kan tijdens de werkzaamheden het logboek invullen waarin alle van belang zijnde gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden worden geregistreerd.

Eindtermen / toetstermen

Aantal toetstermen

%

Eindterm 3.

Het herkennen van asbestverdachte materialen

2

25

Toetstermen

3.1 Kan op basis van een set van 10 materialen in monsterpotjes, een bijbehorende omschrijving en een foto beoordelen of de materialen al dan niet asbestverdacht zijn.

3.2 Kan van asbestverdachte materialen in monsterpotjes op basis van materiaal, foto en omschrijving de hechtgebondenheid van het materiaal aangeven in de gradaties hechtgebonden of niet-hechtgebonden.

Totaal

8

100

Artikel 33. Herexamen DTA
  • 1. Een kandidaat kan uiterlijk zes maanden na het behalen van een voldoende resultaat voor ofwel zijn praktijkexamen ofwel voor zijn theorie-examen herexamen doen voor het nog als onvoldoende gekwalificeerde examengedeelte theorie of praktijk.

  • 2. In de in het eerste lid bedoelde situatie kan de kandidaat kan maximaal twee maal een herexamen afleggen.

  • 3. Wanneer de kandidaat in de in het tweede lid bedoelde situatie niet geslaagd is na een herexamen, of na het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn, wordt zowel het theorie- als het praktijkexamen afgelegd.

  • 4. Er is geen maximum verbonden aan het aantal af te leggen gecombineerde praktijk- en theorie-examens.

Artikel 34. Eindtermen en handelwijze DTA

De DTA begrijpt wat de consequenties zijn wanneer hij niet in overeenstemming met de in artikel 29 en 30 geformuleerde eindtermen handelt en kan uitleggen waarom zijn handelen daarmee in overeenstemming is.

Paragraaf 10 Overgangsbepalingen
Artikel 35. Overgangsbepalingen in verband met wijzigingen met ingang van 1 januari 2012
  • 1. Een deskundig asbestverwijderaar (DAV) die is gecertificeerd voor of op 1 oktober 2013 wordt, zolang dat certificaat geldig is, geacht te voldoen aan de eisen die in deze bijlage gesteld worden aan de certificaathouder DAV-2.

  • 2. Een deskundig toezichthouder asbestverwijdering (DTA) die is gecertificeerd voor of op 1 maart 2013 wordt, zolang dat certificaat geldig is, geacht te voldoen aan de eisen die in deze bijlage gesteld worden aan de certificaathouder DTA.

Artikel 36. Overgangsregelingen in verband met wijzigingen met ingang van 1 maart 2016
  • 1. Een deskundig toezichthouder asbestverwijdering als bedoeld in artikel 4.27, onderdeel c, van de Arbeidsomstandighedenregeling die beschikt over een certificaat DTA dat is afgegeven voor 1 maart 2016, wordt gedurende de looptijd van dat certificaat geacht te voldoen aan de eisen voor de deskundig toezichthouder asbestverwijdering zoals neergelegd in deze bijlage, met dien verstande het certificaat kan worden geschorst of ingetrokken indien de certificaathouder zich niet houdt aan de voor het gebruik van het certificaat geldende voorschriften.

  • 2. Een deskundig asbestverwijderaar als bedoeld in artikel 4.27, onderdeel d, van de Arbeidsomstandighedenregeling die beschikt over een certificaat DAV dat is afgegeven voor 1 maart 2016, wordt gedurende de looptijd van dat certificaat geacht te voldoen aan de eisen voor de deskundig asbestverwijderaar niveau 2 zoals neergelegd in deze bijlage, met dien verstande het certificaat kan worden geschorst of ingetrokken indien de certificaathouder zich niet houdt aan de voor het gebruik van het certificaat geldende voorschriften.

E

Bijlage XIIId, behorend bij artikel 4.27, vervalt.

F

Bijlage XIIIe, behorend bij artikel 4.28, wordt als volgt gewijzigd:

1. De tekst na ‘Document: SC-502’ die luidt ‘Onder beheer van: Stichting Ascert www.Ascert.nl’ vervalt.

2. In paragraaf 2.1 ‘Definities’:

a. komt de tekst in de kolom ‘Betekenis’ na de omschrijving van ‘CKI-persoon’ in de kolom ‘Begrip of afkorting’ te luiden: CKI door de Minister van SZW aangewezen op grond van Bijlage XIIIf voor de verlening van persoonscertificaten Deskundig asbestverwijderaar niveau 1, Deskundig asbestverwijderaar niveau 2 of Deskundig toezichthouder asbestverwijdering op basis van Bijlage XIIIc;

c. vervalt in de kolom ‘Begrip of afkorting’ de tekst ‘SC-501’, ‘SC-510’ en‘SC-520’ alsmede de daarachter in de kolom ‘Betekenis’ opgenomen tekst.

G

Bijlage XIIIf, behorend bij artikel 4.28, komt als volgt te luiden:

BIJLAGE XIIIF, BEHOREND BIJ ARTIKEL 4.28

Werkveldspecifiek document voor Aanwijzing en Toezicht op de certificerende instellingen voor Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA) en Deskundig Asbestverwijderaar niveau 1 en niveau 2 (DAV-1 en DAV-2)

Artikel 1. Definities en afkortingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Beheerstichting:

Stichting Ascert, zijnde de beheerstichting, bedoeld in artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit;

DAV:

deskundig asbestverwijderaar;

DAV-1:

persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat deskundig asbestverwijderaar niveau 1 overeenkomstig bijlage XIIIc;

DAV-2:

persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat deskundig asbestverwijderaar niveau 2 overeenkomstig bijlage XIIIc;

DTA:

persoon die in het bezit is van een persoonscertificaat deskundig toezichthouder asbestverwijdering overeenkomstig bijlage XIIIc;

NEN-EN-ISO/IEC 17024:

algemene eisen voor instellingen die certificatie van personen uitvoeren, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidden in 2012.

Artikel 2. Beoordeling en aanwijzing

Het beoordelen en aanwijzen van certificerende instellingen vindt plaats op basis van de normen gesteld in NEN-EN-ISO/IEC 17024 en de criteria, bedoeld in artikel 3, die gesteld worden aan de certificerende instelling op grond van de aanwijzing.

Artikel 3. Criteria voor aanwijzing

  • 1. Een instelling die een aanvraag, als bedoeld in artikel 1.5b van het besluit, heeft gedaan om aangewezen te worden als certificerende instelling, wordt beoordeeld op basis van de criteria, bedoeld in artikel 1.5a van het besluit.

  • 2. Bij deze beoordeling wordt gelet op de volgende aspecten:

    • a. de aan te wijzen certificerende instelling en diens medewerkers die met werkzaamheden in het kader van de afgifte van certificaten zijn belast, voeren deze uit met de grootste mate van beroepsintegriteit;

    • b. de certificerende instelling heeft een integriteitsbeleid, dat waar nodig in duidelijke voorschriften is uitgewerkt in een gedragscode en bestuurders en medewerkers tekenen een integriteitsverklaring en handelen overeenkomstig dat integriteitsbeleid;

    • c. de certificerende instelling treedt integer op en handelt binnen haar bevoegdheden;

    • d. de aan te wijzen certificerende instelling heeft de volgende procedures op schrift gesteld:

      • 1°. een zienswijzeprocedure overeenkomstig afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

      • 2°. een bezwaarschriftprocedure overeenkomstig de hoofdstukken 6 en 7 van de Algemene wet bestuursrecht, en

      • 3°. een klachtenprocedure overeenkomstig titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 4. Aanvullende eisen aan een certificerende instelling

  • 1. Een certificerende instelling neemt deel aan het door het Centrale Commissie van Deskundigen georganiseerde harmonisatieoverleg.

  • 2. Een certificerende instelling voert de tijdens het in het eerste lid bedoelde overleg vastgestelde en bekend gemaakte afspraken over de geharmoniseerde uitvoering van de certificatie-eisen uit.

  • 3. De certificerende instellingen melden het weigeren, opschorten of intrekken van certificaten aan de andere certificerende instellingen die op hetzelfde werkveld werkzaam zijn.

  • 4. Afwijkingen worden geregistreerd door de certificerende instelling.

  • 5. Een certificerende instelling besteedt de afgifte van certificaten en de daaraan voorafgaande beoordeling en beslissing over de initiële certificatie en de hercertificatie niet uit aan derden.

Artikel 5. Overeenkomst certificerende instelling en beheerstichting

  • 1. Een certificerende instelling sluit een overeenkomst met de beheerstichting overeenkomstig artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het besluit.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst bepaalt dat de certificerende instelling zich aansluit bij de door de beheerstichting ingestelde Centrale Commissie van Deskundigen en de daaronder ressorterende Centrale Examencommissie.

  • 3. Indien er meerdere certificerende instellingen zijn, kunnen deze instellingen overeenkomen dat zij gezamenlijk een vertegenwoordiger aanwijzen die de betreffende certificerende instellingen vertegenwoordigt bij de Centrale Commissie van Deskundigen.

  • 4. Indien er verschil van inzicht bestaat tussen een certificerende instelling en een certificaathouder over de interpretatie van bijlage XIIIc of de onderhavige bijlage, legt de certificerende instelling dit voor aan de Centrale Commissie van Deskundigen.

  • 5. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst bepaalt tevens dat:

    • a. de beheerstichting ten behoeve van het examen dat door de aanvrager van een certificaat wordt afgelegd, een itembank beheert waarin door de beheerstichting gegenereerde examenpakketten zijn opgenomen;

    • b. de beheerstichting en de certificerende instelling geen informatie aan derden verstrekken over de inhoud van de itembank, bedoeld in onderdeel a;

    • c. in afwijking van onderdeel b, de beheerstichting de Stichting Raad voor Accreditatie toegang verleent tot de itembank, bedoeld in onderdeel a, indien dat voor de beoordeling en tussentijdse controles van de certificerende instelling naar het oordeel van de Stichting Raad voor Accreditatie nodig is;

    • d. de beheerstichting er zorg voor draagt dat tekortkomingen in de itembank die tijdens de in onderdeel c genoemde beoordelingen en controles kunnen blijken, zo spoedig mogelijk worden opgelost zodat dit een positieve beoordeling van de certificerende instelling door de Stichting Raad voor Accreditatie niet in de weg kan staan.

  • 6. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst kan eisen bevatten inzake de procedures, bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel d, van deze bijlage.

  • 7. De in het eerste lid bedoelde overeenkomst bepaalt tevens dat de certificerende instelling de beheerstichting informeert zodra zij voornemens is een of meer van haar taken te beëindigen.

Artikel 6. Eisen aan het certificatiepersoneel

  • 1. De certificerende instelling beschikt voor de verificatie van de competenties inzake kennis, kunde en houding van het certificatiepersoneel over een specifieke verificatiemethode.

  • 2. De certificerende instelling zet alleen competent personeel in.

  • 3. Een certificerende instelling beschikt over de volgende deskundigen:

    • a. een toezichthouder theorie-examen die zorg draagt voor de naleving en uitvoering van het examenreglement en de daarin opgenomen uitvoeringsvoorschriften voor het afnemen van het theorie-examen;

    • b. een examinator praktijkexamen DAV respectievelijk DTA die belast is met de vaststelling of, en in welke mate kennis, vaardigheden en attitude van de kandidaat voldoen aan de gestelde eisen voor het praktijkexamen en die toeziet op de naleving en uitvoering van het examenreglement, de uitvoeringsvoorschriften en de exameneisen bij de afname van het praktijkexamen;

    • c. een beoordelaar van theorie-examen en praktijkexamen die binnen de door de certificerende instelling gestelde termijn de resultaten van theorie- en praktijkexamens beoordeelt op basis van de waarderingsmethodiek zoals vastgelegd in bijlage XIIIc; en

    • d. een certificaatbeslisser die de bevoegdheid heeft om certificatiebeslissingen te nemen.

  • 4. De in het derde lid bedoelde deskundigen voldoen aan de volgende algemene eisen:

    • a. zij zijn in staat zich in woord en geschrift doeltreffend in de Nederlandse taal uit te drukken;

    • b. zij kunnen onafhankelijk en zelfstandig handelen;

    • c. zij beschikken over voldoende communicatieve en contactuele vaardigheden voor de uitoefening van hun taken; en

    • d. zij hebben een integriteitsverklaring als bedoeld in artikel 7, derde lid, getekend in verband met geheimhouding, onafhankelijkheid van kandidaat en opleider en beslotenheid van de examens.

  • 5. Ten aanzien van een toezichthouder theorie-examen geldt tevens dat hij:

    • a. objectief en zonder vooroordelen kan examineren;

    • b. in staat is om tijdens een examen regelend en besluitvaardig op te treden;

    • c. op basis van een overeenkomst met de certificerende instelling werkzaam is.

  • 6. Ten aanzien van een examinator praktijkexamen DAV en DTA geldt tevens dat hij naast de in het vierde lid genoemde eisen:

    • a. voldoet aan alle eisen gesteld aan de toezichthouder theorie-examen;

    • b. in staat is te oordelen op basis van feiten en de beoordelingscriteria;

    • c. in staat is te verantwoorden hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hij dat schriftelijk kan vastleggen;

    • d. gedegen kennis heeft van het certificatieschema zoals opgenomen als bijlage XIIIc bij de regeling;

    • e. aantoonbaar minimaal twee jaar relevante werkervaring heeft in het vakgebied; en

    • f. beschikt over een geldig DTA certificaat of het diploma Asbestdeskundige van de beheerstichting.

  • 7. Ten aanzien van de beoordelaar van theorie-examen en praktijkexamen geldt tevens dat hij naast de in het vierde lid genoemde eisen:

    • a. actuele vakinhoudelijke kennis heeft van en inzicht in de werkzaamheden van de DAV en DTA;

    • b. gedegen kennis heeft het in bijlage XIIIc bij de regeling opgenomen certificatieschema;

    • c. de examenresultaten en het examenproces kan beoordelen;

    • d. niet betrokken is bij de directe afname van theorie-examens en praktijkexamens; en

    • e. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft met de certificerende instelling.

  • 8. Ten aanzien van de certificaatbeslisser geldt tevens dat hij naast de in het vierde lid genoemde eisen:

    • a. gedegen kennis heeft van het examenreglement;

    • b. gedegen kennis heeft van de NEN-EN-ISO/IEC 17024;

    • c. niet betrokken is bij de directe afname en de beoordeling van de resultaten van theorie-examen en praktijkexamen; en

    • d. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft met de certificerende instelling.

  • 9. De certificerende instelling houdt een register bij van het certificatiepersoneel en van hun inzet bij de examens.

  • 10. De certificerende instelling beschikt over persoonsdossiers van het certificatiepersoneel waarin ten minste zijn opgenomen:

    • a. een curriculum vitae;

    • b. een integriteitsverklaring als bedoeld in artikel 7, derde lid; en

    • c. beoordelingsformulieren en andere relevante, persoonsgebonden documenten.

Artikel 7. Onpartijdigheid en onafhankelijkheid certificerende instelling

  • 1. De certificerende instelling en haar certificatiepersoneel handelt en treedt onpartijdig en onafhankelijk op en heeft geen belang bij de uitslag van een examen of het verlenen van een certificaat.

  • 2. Het certificatiepersoneel verricht geen betaalde of onbetaalde werkzaamheden of andere activiteiten van welke aard dan ook, in welke hoedanigheid dan ook, in opdracht van het opleidingsinstituut van de aanvrager of in opdracht van een met dat opleidingsinstituut gelieerde onderneming.

  • 3. Ieder lid van het certificatiepersoneel tekent een integriteitsverklaring waarin de betrokkene verklaart onafhankelijk te zullen optreden en handelen en zich te houden aan de in verband met de examens noodzakelijke geheimhouding.

  • 4. Gezien de vereiste onafhankelijkheid van de certificerende instelling kan een aandeelhouder bij een certificerende instelling niet tegelijkertijd aandeelhouder zijn bij:

    • a. een asbestverwijderingsbedrijf; of

    • b. een opleidinginstelling die opleidt voor het certificaat DAV-1, DAV-2 of DTA.

  • 5. Gezien de vereiste onafhankelijkheid van de certificerende instelling kan een bestuurder bij een certificerende instelling niet tegelijkertijd bestuurder zijn bij een asbestverwijderingsbedrijf.

  • 6. De certificerende instelling beschrijft haar juridische structuur, de bestuurlijke verhoudingen, de eigendomsverhoudingen, de personele invulling van het management, doel en aard van de onderneming en van haar dienstverlening.

  • 7. De in het zesde lid bedoelde beschrijving wordt door alle bestuurders ondertekend.

Artikel 8. Administratie in Nederlandse taal

De certificerende instelling gebruikt in haar administratie uitsluitend de Nederlandse taal.

Artikel 9. Jaarverslag van certificerende instelling

De certificerende instelling stelt op grond van artikel 1.5e, eerste lid, van het besluit een jaarverslag op waarin informatie wordt gegeven over de in artikel 1.1a van de regeling genoemde onderwerpen.

Artikel 10. Informatieverstrekking door certificerende instelling aan minister bij beëindiging

  • 1. Een certificerende instelling die haar activiteiten als certificerende instelling geheel of gedeeltelijk beëindigt of voornemens is te beëindigen informeert de minister hierover zo spoedig mogelijk en volgt vervolgens de aanwijzingen van de minister op met betrekking tot overdracht van dossiers.

  • 2. Een certificerende instelling informeert de minister zodra zij een aanvraag indient voor een aanvullende accreditatie of beoordeling op basis van een ander werkveldspecifiek certificatieschema in het kader van de wet.

Artikel 11. Informatieverstrekking door certificerende instelling aan RvA Inspectie SZW en certificaathouders

  • 1. De certificerende instelling verstrekt overeenkomstig artikel 1.5e, tweede lid, van het besluit desgevraagd informatie aan de Stichting Raad voor Accreditatie over onder meer de wijze waarop de certificerende instelling omgaat met:

    • a. de afhandeling van klachten;

    • b. de afhandeling van geconstateerde afwijkingen;

    • c. de verstrekking van certificaten en beoordeling naar aanleiding van klachten en meldingen; en

    • d. het uitvoeren van controles van certificaathouders qua frequentie, aard en duur.

  • 2. De certificerende instelling verstrekt overeenkomstig artikel 1.5e, derde lid, van het besluit desgevraagd informatie aan de Inspectie SZW over onder meer de in het eerste lid genoemde onderwerpen.

  • 3. De certificerende instelling informeert de Inspectie SZW, de Stichting Raad voor Accreditatie en haar certificaathouders alsmede degenen die een aanvraag tot certificatie hebben ingediend wanneer zij voornemens is een of meer van haar taken waarvoor zij is aangewezen, te beëindigen.

  • 4. De certificerende instelling informeert de Inspectie SZW en de beheerstichting over individuele certificaathouders aan wie een sanctie is opgelegd.

ARTIKEL II

In de Warenwetregeling liften wordt in Bijlage 2 bij artikel 2 in paragraaf 4.3.2 ‘Uitwerking van paragraaf 5.2 (organisatie en management) en paragraaf 6.1 (personeel)’ in de tekst na het opschrift ‘Organisatieschema’ in de laatste zin ‘hierboven’ vervangen door ‘in paragraaf 2’ en wordt de puntkomma aan het eind vervangen door een punt.

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 2 februari 2016

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Het verwijderen van asbest is alleen toegestaan voor personen (en bedrijven) die hiertoe beschikken over een geldig certificaat dat is afgegeven door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid of, indien de minister een certificerende instelling heeft aangewezen, door die certificerende instelling. Persoonscertificaten betreffen de deskundig asbestverwijderaar (DAV) en de deskundig toezichthouder asbestverwijdering (DTA).

De eisen aan certificaathouders zijn neergelegd in certificatieschema’s die als bijlagen zijn opgenomen bij de Arbeidsomstandighedenregeling en daarmee onderdeel zijn van de wet- en regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden.

In 2012 (Stcrt 2011, 18269 en 2011, 22513) zijn in het kader van de zogeheten ‘Stelselwijziging certificatie’ nieuwe certificatieschema’s inwerking getreden: één schema voor de deskundig asbestverwijderaar en één schema voor de deskundig toezichthouder asbestverwijdering.

In de Arbeidsomstandighedenregeling heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een uitwerking van onderdelen uit het Arbeidsomstandighedenbesluit opgenomen. Deze strekken tot waarborgen van het veilig en gezond werken, waaronder het uitvoeren van werkzaamheden in de asbestbranche. Zo zijn eisen opgenomen die gaan over de certificatie van personen en bedrijven die met asbest werken. Naast de certificerende instellingen is op asbestterrein de beheerstichting Ascert actief. Deze beheerstichting en het daaronder ressorterende Centrale College van Deskundigen kan voorstellen doen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om schema’s aan te passen, bijvoorbeeld in verband met technische ontwikkelingen. Het is aan de minister om de voorstellen af te wegen en te bepalen of en in hoeverre hij voorstellen overneemt.

De Stichting Ascert heeft een aantal voorstellen gedaan tot aanpassing van de certificatieschema’s voor de deskundig asbestverwijderaar en de deskundig toezichthouder asbestverwijdering. Tegelijkertijd is door verschillende partijen waaronder de Inspectie SZW, de wens geuit om de schema’s overzichtelijker te maken en waar mogelijk te vereenvoudigen.

2. Aanpassing van de structuur van de persoonsschema’s Bijlage XIIIc en XIIId

De certificatieschema’s voor deskundig toezichthouder asbestverwijdering (bijlage XIIIc) en voor deskundig asbestverwijderaar (bijlage XIIId) zoals die in 2012 zijn gepubliceerd, bevatten voor een groot deel vergelijkbare eisen. Zo zijn de eisen die gesteld worden aan de manier waarop theorie- en praktijkexamens worden afgenomen voor beide persoonscertificaten gelijk.

Door beide schema’s te integreren hoeven de bepalingen die identiek zijn maar éénmaal te worden opgenomen. Daarnaast bleek in de schema’s een aantal zaken opgenomen te zijn, die bij nader inzien achterwege kunnen blijven.

In paragraaf 4.6 van de oude bijlagen XIIIc en XIIId was een uitgebreide klachtenprocedure opgenomen. Omdat een certificerende instelling al op grond van de Awb gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke behandeling van klachten over zijn gedragingen conform de Awb zijn deze paragrafen niet langer opgenomen. Afdeling 9.1.1 en 9.1.2 van de Awb zijn toepassing met betrekking tot de klachtenbehandeling.

Bij de invoering van deze titel in de Awb is aangegeven (zie Kamerstukken II 1997/98, 25 837, nr. 3, blz. 6) dat de minimumeisen van titel 9.1 een voldoende voorziening voor een behoorlijke klachtenbehandeling bieden zodat aanvullende regels niet nodig zijn. Bestuursorganen houden echter wel de vrijheid om extra voorschriften in eigen regelingen op te nemen, in het bijzonder als deze extra waarborgen voor de burger bevatten. Volgens de regering moet wel terughoudendheid wordt betracht met aanvullende regels.

In paragraaf 7.4 van Bijlage XIIIc en XIIId was de bezwaarschriftenprocedure nader uitgewerkt. Het betrof hier de behandeling van een bezwaarschrift tegen de beslissing van de certificerende instelling inzake het niet (opnieuw) verlenen van een certificaat of het wijzigen, schorsen of intrekken ervan.

Omdat de inhoud van die bepalingen (grotendeels) overeenkomen met de eisen die al in de Awb zijn opgenomen zijn die bepalingen in de onderhavige regeling vervallen.

Daarnaast bevatten de oorspronkelijke schema’s in een bijlage een voorbeeld van hoe het certificaat er fysiek uit moet zien. Het is voldoende om vast te stellen welke gegevens op het certificaat vermeld moeten zijn. De precieze vormgeving van het certificaat wordt thans overgelaten aan de Stichting Ascert. Ook andere detailvoorschriften, zoals voorschriften voor de grootte van het bureaublad tijdens examens, worden niet langer wenselijk of nodig geacht en zijn uit het schema verwijderd. Het is aan de Stichting Ascert om indien gewenst hier richtlijnen voor te formuleren. Tenslotte bleken de schema’s een aantal paragrafen of passages te bevatten, soms in de vorm van voetnoten, die uitsluitend bedoeld waren als toelichting op de verschillende eisen. In het nieuwe, geïntegreerde schema zijn ook deze passages verwijderd.

Deze ingrijpende herziening heeft geleid tot een nieuw geïntegreerd schema voor drie persoonscertificaten, dat zoveel mogelijk is ontdaan van overbodige bepalingen en toelichtende teksten en dat bovendien qua opzet en structuur geheel is herzien, waarbij ernaar gestreefd is de eisen meer logisch te clusteren en doublures te verwijderen.

Het nieuwe geïntegreerde schema bevat thans – in de paragrafen 1 tot en met 6 – de algemene eisen. De paragrafen 7, 8 en 9 bevatten de eisen aan de deskundig asbestverwijderaar en de deskundig toezichthouder asbestverwijdering. Paragraaf 10 bevat overgangsbepalingen.

2.1 Inhoudelijke aanpassing

Op verzoek van de Beheerstichting Ascert en de Inspectie SZW is een belangrijke inhoudelijke wijziging doorgevoerd. Deze heeft betrekking op de Leerling Deskundig Asbestverwijderaar en onderscheid naar twee niveaus van asbestverwijderaar.

Een belangrijke wijziging is dat de Leerling Deskundig Asbestverwijderaar niet langer in de regelgeving voorkomt. De Leerling Deskundig Asbest Verwijderaar was in zijn oorspronkelijke opzet de facto geen ‘volwaardig certificaathouder’, maar was bedoeld als een vorm van een tijdelijk certificaat waarbij iemand onder toezicht van een mentor zich kon ontwikkelen tot een volwaardig deskundig asbestverwijderaar. Dit was uitgewerkt in een door de beheerstichting opgesteld certificatieschema, SC 525, dat echter geen deel uit maakt van de Arbeidsomstandighedenregeling. In plaats van de Leerling Deskundig Asbestverwijderaar, worden met het voorliggende certificatieschema twee niveaus voor de Deskundig Asbestverwijderaar geïntroduceerd, aangeduid met de afkorting DAV-1 en DAV-2. Het blijft overigens ook in deze opzet de bedoeling dat een Deskundig Asbestverwijderaar van het laagste niveau (niveau 1) zich ontwikkelt tot een Deskundig Asbestverwijderaar niveau 2 en de relatief korte geldigheidsduur van het betreffende certificaat is dan ook mede bedoeld als stimulans om zich tot een deskundige van niveau 2 te ontwikkelen. Omdat de beschikbaarheid van een mentor voor een Deskundig Asbestverwijderaar niveau 1 wenselijk blijft, is in het certificatieschema voor asbestverwijderingsbedrijven (bijlage XIIIb, paragraaf 7.11.2.1) de eis opgenomen dat een Deskundig Asbestverwijderaar niveau 1 slechts mag worden ingezet indien is voorzien in een adequaat mentorschap.

3. Aanpassing van Bijlage XIIIa, XIIIb en XIIIe

Bijlage XIIIa, XIIIb en XIIIe zijn aangepast in verband met de integratie van bijlage XIIIc en bijlage XIIId (voorheen aangeduid als SC-510 en SC-520) en de introductie van het onderscheid tussen de twee niveaus van asbestverwijderaar. Daarnaast zijn bijlage XIIIa en XIIIb aangepast in verband met de opname van enkele bepalingen waarmee nadere eisen worden gesteld aan het verkrijgen van een individueel certificaat door een zelfstandig opererende onderneming, die onderdeel is van een concern. Dit certificaat krijgt vervolgens een zogenoemde ‘subcode’ en wordt opgenomen in het register van Ascert.

Tevens is in Bijlage XIIIb een bepaling opgenomen waarin wordt verduidelijkt hoe vezelverspreiding buiten het containment moet worden voorkomen. Hiertoe wordt een interpretatiedocument door Ascert opgesteld waarin een onderdruk van 20 Pascal het uitgangspunt is. In het document zal worden beschreven welke maatregelen getroffen moeten worden om dit te realiseren.

Op dit moment wordt gewerkt aan een integrale herziening van de bijlagen XIIIa en XIIIb waarbij gestreefd wordt naar integratie van beide bijlagen. In verband hiermee zal ook de sanctieregeling worden aangepast. Gezien de relatie tussen de afwijkingen in het kader van de procescertificaten asbestinventarisatie en asbestverwijdering en de afwijkingen op basis van de persoonscertificaten op asbestterrein, is de sanctieregeling met betrekking tot de persoonscertificaten op dit moment nog niet nader ingevuld, maar daarvoor wel een artikel gereserveerd in bijlage XIIIc. Uiteraard heeft de certificerende instelling op grond van artikel 1.5g, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit wel de bevoegdheid om een certificaat te schorsen, wijzigen of in te trekken.

4. Aanpassing document voor aanwijzing en toezicht: Bijlage XIIIf

De inhoud en opzet van bijlage XIIIf zijn zeer aanzienlijk gewijzigd. Zo is bijvoorbeeld de inhoudsopgave niet langer opgenomen.

Evenals bij de herziening van bijlage XIIIc en XIIId zijn de toelichtende teksten in bijlage XIIIf zoveel mogelijk geschrapt (zoals paragraaf 1, 2.2, 3.1, 3.2, 3.3, 4.2.4) of verplaatst naar de toelichting bij de regeling.

Paragraaf 4.2.2 ‘Klachtenregeling’ is niet overgenomen omdat deze uitsluitend bestond uit verwijzing naar paragraaf 9.8.2 van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012. De toepasselijkheid van die NEN-norm staat nu in artikel 2. Daarnaast werd verwezen naar paragraaf 4.6 en 4.7 van bijlage XIIIc en XIIId maar zijn die paragrafen niet meer in bijlage XIIIc opgenomen omdat de Algemene wet bestuursrecht al voorziet in een klachtenprocedure en een bezwaarschriftenprocedure.

Paragraaf 4.2.3 ‘Beschikbaarheid certificatiepersoneel’ is niet overgenomen omdat daarin, naast een verwijzing naar paragraaf 6.1.2 van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012, alleen nog was bepaald dat de certificerende instelling de beoordeling van de examenresultaten en de certificatiebeslissing in eigen beheer moet uitvoeren met personeel met een dienstverband voor onbepaalde tijd. De eis dat een certificatiebeslisser een vast dienstverband moet hebben staat nu in artikel 6, achtste lid, onderdeel d.

Ook paragraaf 4.2.8.1 ‘Toezicht op klachtenafhandeling CKI’, waarin alleen verwezen werd naar paragraaf 9.9 van NEN-EN-ISO/IEC 17024:2012 en naar paragraaf 4.6 van bijlage XIIIc en XIIId is niet overgenomen. Nu staat de relevante bepaling over behandeling van meldingen van derden in artikel 8 van bijlage XIIIc.

Paragraaf 4.2.8.2 ‘Toezicht op afhandeling Cat 1 afwijking van de certificaathouder’ is niet overgenomen omdat die paragraaf betrekking had op het procescertificaat asbestverwijdering en daarom niet in deze bijlage thuis hoort.

Paragraaf 4.5.6 ‘WA-verzekering’ is niet overgenomen omdat de eis tot het hebben van zo’n verzekering al in artikel 1.5a, tweede lid, onderdeel e, van het Arbeidsomstandighedenbesluit staat.

De inhoud van sommige paragrafen is verplaatst naar bijlage XIIIc. Zo is de essentie van paragraaf 4.2.5 ‘Uitbesteding’ nu opgenomen in artikel 3, tweede lid, van bijlage XIIIc. Zoals in de toelichting bij dat artikel is aangegeven gaat hierbij om eisen die relevant zijn in de verhouding tussen de certificerende instelling en de beheerstichting, en was het ook goed voorstelbaar geweest om deze eisen niet naar bijlage XIIIc te verplaatsen, maar in bijlage XIIIf te handhaven.

Ook de inhoud van paragraaf 4.2.7 ‘Certificaat’ is verplaatst naar artikel 13 in bijlage XIIIc.

Paragraaf 4.2.9 bepaalde dat hercertificatie geheel overeenkomstig de initiële certificatie is. In de gewijzigde bijlage XIIIc is in artikel 4 een bepaling over hercertificatie opgenomen.

De in paragraaf 4.2.10 opgenomen verplichting van de certificerende instelling om een overeenkomst te sluiten met de certificaathouder is nu opgenomen en nader uitgewerkt in artikel 15 van de herziene bijlage XIIIc.

5. Gevolgen voor de uitvoering en toezicht

Met de integratie van de certificatieschema’s voor de Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering (DTA) en de Deskundig Asbestverwijderaar (DAV) in één certificatieschema en het nieuwe onderscheid tussen twee niveaus van asbestverwijderaar is vooral beoogd om beknoptere en beter gestructureerde eisen te formuleren voor zowel de certificaathouders als voor de certificerende instellingen. De in de praktijk gehanteerde eisen voor een leerling DAV zijn nu geformaliseerd door de introductie van de DAV-1.

Ten opzichte van de vorige regeling worden in de onderhavige regeling niet zozeer nieuwe eisen opgenomen. Zo vervallen er zelfs enkele overbodig geachte eisen zoals het jaarlijks aan de Inspectie SZW toezenden van interne auditverslagen. Ook is bijvoorbeeld de verplichte deelname van certificerende instellingen aan het Centrale College van Deskundigen thans zo geregeld dat certificerende instellingen ook een vertegenwoordiger aan kunnen wijzen hetgeen de kosten van de deelname aan dit overleg kan beperken.

Tenslotte zijn ook nog enkele wijzigingen aangebracht met betrekking tot de inrichting en duur van de examens.

In Bijlage XIIIa en XIIIb zijn enkele eisen toegevoegd in het kader van het certificeren van zelfstandige ondernemingen binnen grote, veelal internationaal opererende, concerns. Hiermee is beoogd om oneigenlijk gebruik van bepalingen gericht op dergelijke ondernemingen in het certificatiestelsel aan te kunnen pakken en er is geen aanleiding te veronderstellen dat het aanscherpen van deze eisen tot extra kosten zou kunnen leiden voor ’certificerende instellingen of certificaathouders.

De in Bijlage XIIIb opgenomen wijziging inzake de inrichting van het containment heeft evenmin gevolgen voor de uitvoeringslasten omdat sprake is van verduidelijking van reeds bestaande normen.

Deze regeling leidt niet tot een verandering in uitvoering- en handhavingkosten voor de Inspectie SZW. De regeling brengt ook geen additionele administratieve lasten voor burgers of bedrijven met zich mee.

Door de voorgestelde regeling zullen de partijen betrokken bij gezond en veilige asbestwerken te maken krijgen met een geharmoniseerde en verbeterde regeling. Dit betekent voor de certificerende instellingen, wel een mogelijke vereenvoudiging in de uitvoering. Voor certificaathouders is beter beschreven aan welke eisen men moet voldoen om een certificaat te verkrijgen en te behouden.

6. Adviezen

De onderhavige regeling is besproken met betrokken partijen, waaronder de Inspectie SZW, de Stichting Raad voor Accreditatie, de beheerstichting Ascert en branchepartijen. De binnengekomen reacties daarop zijn verwerkt. De reacties beslaan onder meer een opmerking van de beheerstichting dat het een deskundige asbestverwijderaar doorgroeit van DAV-1 niveau naar DAV-2. Daarmee wordt bedoeld dat het van belang is dat de houder van het DAV-1 zich verder ontwikkelt. Vandaar dat dit niveau een beoogd tijdelijk karakter heeft. Een DAV-1 traject is namelijk relatief kostbaar. Het loont dan ook om door te groeien. Want naast het moeten afleggen van een examen moet de DAV-1 ook door een mentor begeleid worden en altijd onder direct toezicht werken van een DAV-2 of van een DTA. Het inzetten van een deskundige die in het bezit is van een DAV-2 certificaat ligt dan ook voor de hand vanwege de deskundigheid en de kosten.

Daarnaast is opgemerkt door de Inspectie SZW dat de toetsing van de afwijking en sanctionering van de houders van een persoonscertificaat afgewogen moet zijn voor wat betreft de zwaarte van de op te leggen sanctie op de afwijking. Ook dient deze sanctionering afgestemd te worden op de sanctionering in het kader van het procescertificaat van het asbestverwijderingsbedrijf. Voorts is het van belang dat de aard van de sanctie in overeenstemming is met de categorisering van afwijkingen die zijn gegeven in een aparte sanctietabel. Daarop is besloten om de sanctionering en bijbehorende sanctietabel voor het processchema en persoonschema in gezamenlijkheid te ontwikkelen. Dat betekent dat de sanctieregeling met betrekking tot de persoonscertificaten gelijktijdig in werking zal treden met het nieuwe geïntegreerde processchema voor asbestinventarisatie en asbestsanering waaraan op dit moment nog gewerkt wordt.

Ook is de regeling in bijlage XIIIc op basis van de reacties en inbreng van de bij de certificatieschema’s betrokken beheerstichting Ascert en de examencommissie verder verduidelijkt op de onderdelen die betrekking hebben op de toetsmatrijs, toetstermen, examenonderdelen en -criteria.

Tevens is gewezen op het belang van het treffen van maatregelen die in gezamenlijkheid beogen om vezelemissie te voorkomen. Naast een minimale onderdruk in containment van 20 Pascal, moeten daarnaast ook andere maatregelen worden getroffen. De tekst van paragraaf 7.14.7 in bijlage XIIIb is op dit onderdeel aangepast.

7. Inwerkingtreding

Met deze regeling wordt afgeweken van de vaste veranderdata die van toepassing zijn op ministeriële regelingen. In overleg met betrokken partijen is geopteerd voor een bepaalde termijn die alle betrokkenen, de certificerende instellingen, de certificaathouders, de beheerstichting Ascert en de Inspectie SZW de gelegenheid biedt om in te spelen op de wijzigingen die voortvloeien uit de onderhavige regeling. Daarom is de datum van inwerkingtreding op 1 maart 2016 vastgesteld.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I, onderdeel A

De integratie van bijlage XIIIc en bijlage XIIId en het onderscheid tussen een deskundig asbestverwijderaar van niveau 1 en niveau 2 maakt een aanpassing van artikel 4.27 van de Arbeidsomstandighedenregeling noodzakelijk.

Artikel I, onderdeel B (Bijlage XIIIa)

De wijziging in subonderdeel 1 is opgenomen omdat deze tekst ten onrechte de indruk zou kunnen wekken dat de tekst van de bijlage wordt bepaald door de beheerstichting Ascert, maar het gaat hier om een ministeriële regeling waarvan de inhoud alleen door de minister kan worden gewijzigd.

De meeste wijzigingen houden verband met de integratie van bijlage XIIIc en bijlage XIIId (voorheen aangeduid als SC-510 en SC-520) en dat maakt het noodzakelijk de verwijzingen aan te passen (zie subonderdeel 2, onder a en, subonderdeel 4, onder a en b). Bovendien is de bijlage op onderdelen aangepast omdat nu onderscheid gemaakt wordt tussen de deskundig asbestverwijderaar niveau 1 en niveau 2. De definitie van ‘DAV’ is daarop aangepast en de tekst over de Leerling DAV is komen te vervallen (zie subonderdeel 5 en 6).

Tevens zijn in verband met de herziening van bijlage XIIIf (voorheen ook aangeduid als SC-501) ook die verwijzingen aangepast (zie subonderdeel 2, onder a en c).

Met ingang van 1 oktober 2015 is paragraaf 4.3.2 van bijlage XIIIb gewijzigd in verband met de zogenaamde dubbele certificaten.

Ter uitvoering van de toezegging (Kamerstukken II 2014/15, 25 834, nr. 95, pag. 3) dat bezien wordt hoe de regels kunnen worden aangescherpt met betrekking tot (sub-)certificaten bij grote holdings met daarin meerdere ondernemingen, wordt paragraaf 4.3.4. in Bijlage XIIIa en Bijlage XIIIb aangepast.

Concerns met meerdere zelfstandige ondernemingen in Nederland vragen per onderneming een apart certificaat aan wanneer zij dezelfde activiteiten willen uitoefenen.

Deze ondernemingen opereren dan ook zelfstandig en met eigen personeel. Gebleken is echter dat de concernopzet soms door ondernemingen werd gebruikt om oneigenlijke redenen. Daarbij werden relatief kleine ondernemingen gesplitst.

In paragraaf 7.1.1 van Bijlage XIIIa is geregeld dat aan de certificerende instelling inzicht gegeven moet worden in onder andere de groeps/holdingstructuur en bestuurlijke verhoudingen.

Door het hanteren van een sub-code door de beheerstichting voor de verschillende ondernemingen van het concern kunnen de verhoudingen gemakkelijker zichtbaar worden gemaakt. Bijvoorbeeld:

Onderneming A: Ascert-code 03-D030014.01a

Onderneming B: Ascert-code 03-D030014.01b

In dit verband wordt ook de term sub-certificaat gebruikt om aan te geven dat het gaat om certificaathouders die deel uitmaken van hetzelfde concern.

Er worden vier aanvullende eisen opgenomen met betrekking tot ondernemingen die een procescertificaat asbestinventarisatie aanvragen en die deel uitmaken van een concern. In de eerste plaats kunnen in een onderneming die aangemerkt kan worden als een moeder- of zuster- of dochteronderneming van de aanvragende onderneming niet dezelfde directieleden of bestuursleden actief zijn wanneer die moeder- of dochteronderneming een procescertificaat asbestinventarisatie heeft en de aanvragende onderneming een zelfde certificaat wil verwerven. Deze eis aan een onderneming die deel uit maakt van een concern, hangt samen met de op 1 oktober 2015 in werking getreden herziene paragraaf 4.3.2 van in bijlage XIIIb die een certificerende instellingen handvatten biedt tegen ontwijkconstructies bij het aanvragen van een certificaat (de zogenoemde ‘dubbele certificaten’). De nu toegevoegde bepaling in bijlage XIIIa scherpt de voorwaarden aan waaronder een onderneming, die onderdeel is van een concern, een certificaat kan verkrijgen. Dit om zeker te stellen dat alleen zelfstandig opererende bedrijven, die onderdeel zijn van een concern, een certificaat (met een sub-code) kunnen krijgen.

In de tweede plaats moet de aanvragende onderneming in/op een andere locatie zijn gevestigd dan de moeder-, zuster- of een dochteronderneming. De bepaling staat niet toe dat op dezelfde locatie meerdere certificaathouders gevestigd zijn. De certificaathouders worden geacht verschillende ondernemingen te zijn, die vallen onder de moedermaatschappij, en die daarom op verschillende locaties gevestigd zijn.

Met de derde aanvullende eis inzake het aantal DIA’s dat voor het bedrijf werkzaam is wordt beoogd te waarborgen dat het bedrijf een bepaalde omvang heeft.

De vierde aanvullende eis is eveneens opgenomen om te waarborgen dat het inventarisatiebedrijf een bepaalde omvang heeft. Een certificatiejaar heeft betrekking op de geldingsduur van het certificaat. Het eerste certificatiejaar loopt 365 dagen vanaf de ingangsdatum van het certificaat. Het certificaat heeft geldigheidsduur van 3 jaar.

De tekst in onderdeel c kan in verband met de wijziging van onderdeel b vervallen.

Artikel I, onderdeel C (Bijlage XIIIb)

Naast de wijzigingen die verband houden met de integratie van bijlage XIIIc en XIIId (voorheen aangeduid als SC-510 en SC-520), het laten vervallen van de bepalingen over de Leerling DAV en het maken van het onderscheid tussen deskundig asbestverwijderaar niveau 1 en 2 zijn er nog twee meer inhoudelijke wijzigingen doorgevoerd.

Met onderdeel 2 is de tekst van paragraaf 4.3.4 is ten aanzien van onderdeel b, onder 1° en 2° aangepast op dezelfde wijze en om dezelfde redenen als paragraaf 4.3.4 van Bijlage XIIIa (zie toelichting bij Artikel I, onderdeel B, subonderdeel 3). Er is echter een andere derde voorwaarde opgenomen. De aanvragende onderneming moet ten minste een bepaalde omvang moet hebben en is daarbij gekozen aan te sluiten bij een minimum aantal pakdagen per certificatiejaar. Een ‘pakdag’ houdt in dat één asbestverwijderaar op een asbestverwijderingswerk met pak en masker gedurende zes uur asbest verwijdert.

Ook hier kan onderdeel c en het laatste deel van de paragraaf vervallen.

Daarnaast is een aanpassing doorgevoerd met betrekking tot het werkplan dat op grond van paragraaf 7.14.4 moet worden toegepast bij de inrichting van het containment en het in stand houden van voldoende onderdruk ter voorkoming van vezelverspreiding gedurende asbestverwijderingswerk (zie onderdeel 7).

Uitgangspunt hierbij is een onderdruk in het containment van ten minste 20 Pascal. Hierdoor wordt verspreiding van asbestvezels naar buiten het containment voorkomen. De wijze waarop het containment moet worden ingericht en voldoende onderdruk gecreëerd en in stand gehouden moet worden, zal onder meer worden beschreven in het interpretatiedocument aangeduid als ‘Sci Onderdruk’. Deze maatregelen zullen onder meer worden beschreven in het interpretatiedocument aangeduid als ‘SCi Onderdruk’. De basis voor een dergelijke interpretatiedocument (SCi) is gelegen in artikel 5, onderdeel b, van het convenant tussen SZW en de beheerstichting Ascert. Dit convenant is gesloten op 26 maart 2012 en is te vinden op de website van Ascert, www.Ascert.nl. Het convenant bepaalt dat een interpretatiedocument na vaststelling in het Centraal College van Deskundigen aan SZW wordt voorgelegd ter goedkeuring. Dit interpretatiedocument wordt gerealiseerd in samenwerking met betrokken partijen in de sector. Ook de Inspectie SZW is hierbij betrokken. De Inspectie SZW heeft een onderzoek door TNO laten uitvoeren. De resultaten (rapport met kenmerk TNO 2013 R11828) worden betrokken bij de opstelling van het interpretatiedocument dat op een nader te bepalen moment wordt vastgesteld.

Artikel I, onderdeel D (Bijlage XIIIc)

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven zijn Bijlage XIIIc en Bijlage XIIId helemaal herzien en tot één nieuwe bijlage XIIIc geïntegreerd.

Artikel 1 (Definities en afkortingen)

Het aantal definities waarin een groot aantal begrippen en afkortingen was opgenomen is ingrijpend beperkt. Een aantal begrippen of afkortingen wordt in deze bijlage niet (meer) of slechts éénmaal gebruikt of alleen in de toelichting gebruikt en is daarom niet langer opgenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de termen: beoordelingsprotocol, certificatiereglement, het Centraal College van Deskundigen, Centrale Examencommissie.

De begrippen’ CKI-persoon’ en ‘CKI-proces’ worden niet meer gebruikt in deze bijlage. Onder CKI-persoon werd verstaan de certificerende instelling die certificaten afgeeft aan personen op basis van bijlage XIIIc of XIIId. Onder CKI-proces werd verstaan de certificerende instelling die procescertificaten afgeeft (Bijlage XIIIa en XIIIb).

Nieuw is de vermelding van de term ‘risicoklassen’ in de definities. De opgenomen definitie is ontleend aan paragraaf 3.3.1 van Bijlage XIIIc en Bijlage XIIId. Tevens is een definitie van de begrip ‘certificaatregister’ en ‘itembank’ toegevoegd.

Omdat in artikel 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit en 1 van de Arbeidsomstandighedenregeling een aantal termen zijn gedefinieerd die ook in deze bijlage worden gebruikt, is het niet noodzakelijk die termen in deze bijlage opnieuw te definiëren. Dat geldt voor de termen wet, besluit, certificerende instelling en minister. De afkorting ‘CKI’ is in deze bijlage overal vervangen door ‘certificerende instelling’. Een afkorting moet alleen gebruikt worden wanneer dat redelijkerwijs niet te vermijden is. Dat is in de onderhavige bijlage niet het geval. Bovendien is ‘CKI’ de afkorting voor ‘certificerings- en keuringsinstelling’ terwijl in het Arbeidsomstandighedenbesluit de term ‘certificerende instelling’ wordt gebruikt.

Artikel 2 (Uitwerking eisen)

De eis dat het certificatieschema gestructureerd moet zijn in overeenstemming met de eisen uit NEN-EN-ISO 17024:2012 stond al in paragraaf 1 ‘Inleiding’ van bijlage XIIIc en XIIId.

Genoemde normen zijn heel algemeen geformuleerd en daarom is een nadere uitwerking nodig. Een voorbeeld van een dergelijke algemene norm is de eis dat een certificerende instelling deskundig personeel moet hebben. De uitwerking van eisen die aan de certificerende instelling zelf gesteld worden zijn zoveel mogelijk opgenomen in bijlage XIIIf.

Artikel 3 (Certificatieprocedure)

De inhoud van het eerste lid stond al in paragraaf 5.1 ‘Doelstelling’ van bijlage XIIIc en XIIId.

De in paragraaf 5.1 opgenomen verplichting voor de certificerende instelling dat deze een handleiding moeten hebben voor het certificatiepersoneel dat belast is met de werkzaamheden in de drie verschillende fasen, bedoeld in het eerste lid, is niet meer opgenomen, omdat in het eerste lid reeds wordt voorgeschreven dat de certificerende instelling verantwoordelijk is voor de uitvoering van de genoemde werkzaamheden en daar, ingevolge het derde lid, ook een certificatieprocedure voor dient te hebben. Deze certificatieprocedure moet een aantal zaken regelen, zoals de wijze waarop de examenresultaten worden beoordeeld en wordt beslist over de afgifte van het certificaat. Het voorschrijven van een handleiding voegt hier weinig aan toe en lijkt in dit verband een overbodige detaillering. Ook volgt uit de eerdergenoemde NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2012 dat procedures doelmatig moeten zijn en waar dat nodig en zinvol is, schriftelijk moeten zijn vastgelegd in bijvoorbeeld handleidingen en werkinstructies.

In de praktijk is deze indeling in de drie fasen algemeen bekend en gebruikelijk.

De in het tweede lid opgenomen eisen ingeval van uitbesteding stonden in paragraaf 4.2.5 van Bijlage XIIIf. Omdat het hierbij gaat om eisen die relevant zijn in de verhouding tussen de certificerende instelling en de beheerstichting, was het ook goed voorstelbaar geweest om deze eisen niet naar de onderhavige bijlage te verplaatsen, maar in bijlage XIIIf te handhaven.

Op de website van de beheerstichting wordt een modelovereenkomst beschikbaar gesteld alsmede een overzicht van de elementen die minimaal in bedoelde overeenkomst geregeld behoren te worden.

De inhoud van het derde lid is nieuw. De uitgangspunten van de certificatieprocedure zijn in de onderhavige bijlage beschreven, maar op een aantal onderdelen is een nadere uitwerking door de certificerende instelling zelf noodzakelijk in verband met NEN-EN-ISO/IEC 17024: 2012 of omdat dat beleidsmatig wenselijk wordt geacht.

Onderdeel a

Kandidaat-certificaathouders moeten aan bepaalde entree-criteria voldoen om deel te kunnen nemen aan het theorie- en praktijkexamen, zoals een minimale leeftijd van 18 jaar en beheersing van de Nederlandse taal. De entreecriteria staan in artikel 15 voor de DAV-1; in artikel 20 voor de DAV-2 en in artikel 25 voor de DTA. Getoetst moet worden of de kandidaat voldoet aan deze criteria en in de certificatieprocedure moet omschreven zijn hoe die toetsing plaats vindt. Daarin wordt bijvoorbeeld geregeld hoe de aanvrager moet aantonen dat hij 18 jaar of ouder is en hoe hij kan aantonen dat hij de Nederlandse taal machtig is.

Onderdeel b

Voor het zorgvuldig doorlopen van het certificatieproces en het kunnen afgeven van het certificaat en het opnemen van de certificaathouder in het certificatieregister worden gegevens van de (kandidaat) certificaathouder vastgelegd. Hiervoor dient een wettelijke basis te zijn. Het gaat om persoonsgegevens. De bevoegdheid van de certificerende instelling om gebruik te maken van het burgerservicenummer staat in artikel 29a, derde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet. Omdat men potentieel kan worden blootgesteld aan asbest zijn ook medische gegevens van belang. Daarnaast worden ook de gegevens inzake examens bewaard. Het gaat dus om meer en andere informatie dan die op het certificaat of in het register staat.

De certificerende instelling bewaart een persoonsdossier dat kan worden ingezien door de toezichthouder en de betrokkene zelf.

Onderdeel c

Dit heeft betrekking op het certificaatregister. In paragraaf 4.8 ‘Ascert Register voor vakbekwaamheid’ was bepaald dat de gegevens zo vaak als zich mutaties voordoen verzonden worden aan de beheerstichting en elektronisch verzonden worden. Dat is een enigszins onduidelijke bepaling omdat dat de vraag oproept of elke mutatie direct moet worden doorgegeven. Nu wordt hierbij niet meer gerefereerd aan de overeenkomst tussen certificerende instelling en de beheerstichting, maar moet dit geregeld worden in de door de certificerende instelling op te stellen certificatieprocedure. De Stichting Raad voor Accreditatie bekijkt de certificatieprocedure in het kader van de beoordeling door de Raad, welke beoordeling noodzakelijk is voor een certificerende instelling om als zodanig te kunnen worden aangewezen. De verplichting van de beheerstichting om een centraal openbaar register met betrekking tot de persoonscertificaten bij te houden is opgenomen in een door de Stichting Ascert en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 26 maart 2012 gesloten convenant.

Onderdeel d en f

Deze zien op het gebruik van de itembank. In paragraaf 5.5 van bijlage XIIIc en XIIId was al bepaald dat gebruik moet worden gemaakt van die itembank en was ook bepaald dat deze beheerd wordt door de beheerstichting. Met ingang van 1 oktober 2015 is de opzet van paragraaf 5 in samenhang met de nieuwe paragraaf 4.5.16 en 4.5.17 van bijlage XIIIf gewijzigd (Stcrt. 2015, 29548).

De vermelding van de verplichting om interpretatieverschillen met betrekking tot de itembank aan de beheerstichting voor te leggen is nieuw.

Onderdeel e

Dit nieuwe onderdeel ziet op een nadere uitwerking van de NEN-norm die beleidsmatig wenselijk wordt geacht.

Onderdeel g

De toetsmatrijs is een deel van de beoordeling, maar ook is bijvoorbeeld van belang is dat de beoordelaar onafhankelijk en integer moet zijn. Op grond van de NEN-norm, bedoeld in artikel 2, moet dit ook toetsbaar zijn.

Onderdeel h

De grond voor weigering en intrekking staat in artikel 1.5g van het Arbeidsomstandighedenbesluit en wordt hier, mede gelet op grond van de NEN-norm, bedoeld in artikel 2, nader uitgewerkt.

Onderdeel i

Dit is een nieuw onderdeel. In dit verband is ook de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties van belang evenals artikel 1.5h van het Arbeidsomstandighedenbesluit en de artikelen 1.9 tot en met 1.9e van de Arbeidsomstandighedenregeling.

De inhoud van het vierde lid komt deels overeen met paragraaf 4.2 ‘Certificatieprocedure’ en paragraaf 4.3 ‘Beslissingen m.b.t. het certificaat’. De termijn van 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag vloeit voort uit artikel 1.5g, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De certificerende instelling die de aanvraag krijgt moet dus niet alleen nagaan of men zelf een certificaat heeft geschorst of ingetrokken van die betreffende persoon, maar ook of een andere certificerende instelling dat heeft gedaan. Daarvoor raadpleegt de certificerende instelling het certificaatregister dat door de beheerstichting wordt beheerd. De genoemde beslissingstermijn van maximaal vier weken na de aanvraag is nieuw en ziet op de periode tussen het moment waarop de examens zijn gedaan en het tijdstip waarom de aanvrager weet of hij het certificaat krijgt. Op grond van het derde lid, onderdeel h moet de certificerende instelling bepalen welke termijn zij daarvoor hanteert, maar die kan nooit langer zijn dan de in het vierde lid genoemde termijn van vier weken. De termijn van vier weken is opgenomen op verzoek van de branche vanuit de gedachte dat (kandidaat)certificaathouders graag zo snel mogelijk willen weten waar ze aan toe zijn.

Artikel 4 (Hercertificatie)

Op basis van het eerste lid moet de certificerende instelling ook de hercertificatieprocedure vastleggen. De tekst van het tweede, derde en vierde lid van dit artikel komt nagenoeg overeen met paragraaf 10 van de oude bijlagen XIIIc en XIIId.

Een afgegeven certificaat heeft, anders dan een diploma, een beperkte geldigheidsduur. Een certificaathouder moet, om dezelfde werkzaamheden te mogen blijven verrichten, ervoor zorgen dat hij aan de eisen blijft voldoen en zal dat periodiek aan moeten tonen door het afleggen van de examens. De certificerende instelling moet in de certificatieprocedure uitwerken hoe zij dit doet.

Daarnaast is ook van belang dat iemand niet tegelijkertijd twee geldige certificaten heeft. Omdat de procedure enige tijd in beslag neemt en de certificaathouder na het vervallen van zijn certificaat in de regel werkzaam zal willen blijven, zal hij de procedure al vóór het vervallen van zijn certificaat starten.

Met het derde en vierde lid wordt beoogd te voorkomen dat de certificaathouder tegelijkertijd meerdere certificaten heeft. Wanneer bijvoorbeeld de vervaldatum 1 augustus is en op 16 juni een positief besluit over de hercertificatie is genomen, dan wordt 1 augustus de ingangsdatum voor het nieuwe certificaat. Wanneer de vervaldatum 1 augustus is, maar ten aanzien van de betrokkene al op 17 januari een positieve certificatiebeslissing is genomen, dan is 17 januari de ingangsdatum van het nieuwe certificaat.

Het vijfde lid is opgenomen omdat het wenselijk is zoveel mogelijk te voorkomen dat iemand tegelijkertijd twee geldige certificaten heeft. Daarom moet het eerder afgegeven certificaat, dat zeer waarschijnlijk nog (beperkt) geldig is op het moment waarop de positieve certificatiebeslissing is genomen, worden ingetrokken of ongeldig worden gemaakt. Daarvoor moet dat certificaat aan de certificerende instelling worden overlegd die het nieuwe certificaat afgeeft. Dat kan dus een andere instelling zijn dan die het oorspronkelijk heeft afgegeven.

Artikel 5 (Eisen aan het examen)

De eis dat het examen uit een praktijkexamen en een theorie-examen bestaat, stond al in paragraaf 5.1 ‘Doelstelling’ van bijlage XIIIc en XIIId.

Het examenreglement maakt deel uit van de certificatieprocedure.

De in het tweede lid opgenomen elementen van het door de certificerende instelling op te stellen examenreglement komen grotendeels overeen met de onderdelen die in paragraaf 5.2 ‘Examenreglement’ stonden.

Niet meer opgenomen is dat daarin de wijze van bepalen ingangsdatum van het certificaat geregeld moet zijn. Dit is overbodig; het gaat erom wanneer het besluit is genomen dat iemand gecertificeerd is. De procedure daarvoor staat in het certificatieprocedure (de wijze van beslissing voor verlening; zie artikel 3, derde lid, onderdeel i). De ingangsdatum staat op het certificaat (zie artikel 13, onderdeel h).

Voor de bepaling van de ingangsdatum is in geval van hercertificatie ook artikel 4, derde en vierde lid, relevant.

Ook is niet meer bepaald dat het vaststellen van de aanvraagprocedure bij de certificerende instelling in het examenreglement moet staat omdat de controle van de entreecriteria deel moet uitmaken van de certificatieprocedure (zie artikel 3, derde lid, onderdeel a).

De in paragraaf 5.1 genoemde term ‘aangepast examen’ is hier vervangen door ‘alternatieven voor het theorie-examen’, want dat werd daar feitelijk mee bedoeld (zie ook artikel 7).

Het is bij nader inzien niet noodzakelijk te bepalen dat het examenreglement moet voorzien in de examenduur (paragraaf 5.2, onderdeel 6) omdat de examenduur al geregeld werd in bijlage XIIIc in 5.4.3 en 5.4.5 en in bijlage XIIId 5.4.3 en 5.4.6 en nu geregeld wordt in de artikelen 16, eerste en tweede lid, 21, eerste en tweede lid, en 26, eerste lid en 30, eerste lid.

Tevens is onderdeel 9 van paragraaf 5.2 (vaststellen normen voor slagen en afwijzen) geschrapt omdat die normen zijn opgenomen in deze bijlage in de artikelen waarin de cesuur en de toetsmatrijs zijn opgenomen (zie de artikelen 16, 18, 21, 23, 26, 27 en 31).

Tot slot is de inhoud van onderdeel 13 van paragraaf 5.2 (vaststellen geldigheidsduur van het examenresultaat) verplaatst naar de artikelen die betrekking hebben op het herexamen.

De eis dat de bij de examens gebruikte vragen en opdrachten afkomstig moeten zijn uit de itembank geldt voor alle theorie- en praktijkexamens zowel voor DAV-1, DAV-2 als DTA. Die eis stond tot 1 oktober 2015 al in paragraaf 5.5 van bijlage XIIIc en XIIId. Met ingang van 1 oktober 2015 is de regelgeving over de itembank uitgewerkt in XIIIf. Tevens was die eis nog een keer specifiek opgenomen voor het praktijkexamen voor de DTA-er in paragraaf 9.2 van bijlage XIIIc. Voor de duidelijkheid is deze eis nu voor alle examens hier opgenomen in het derde lid.

Het vierde lid is nieuw. Er was al bepaald in paragraaf 5.4.4 van bijlage XIIId dat de kandidaat vooraf wordt geïnformeerd over de kosten van een alternatief theorie-examen. Het ligt voor de hand dat hij ook geïnformeerd wordt over de kosten van een ‘gewoon’ examen.

Artikel 6 (Algemene eisen theorie-examen)

De in dit artikel opgenomen eis inzake de taal stond al in paragraaf 5.4.3 ‘Algemene eisen bij de uitvoering van het theorie examen’ in Bijlage XIIIc en XIIId.

Daaruit volgt ook dat hulp van tolken en vertalers tijdens het examen niet is toegestaan. De overige (gedetailleerde) eisen die in die paragraaf waren opgenomen over tussenruimte tussen tafels en aantallen opgaven, uitwerkpapier en het gebruik van verschillende versies zijn geschrapt.

Nieuw is dat nu expliciet is bepaald dat het schriftelijke examen zowel op papier als in elektronische vorm kan worden aangeboden aan de kandidaat.

De maximale duur van het theorie-examen is per functie apart geregeld. Voor de DAV -1 is die vastgesteld op 45 minuten (zie artikel 16), voor de DAV-2 op 60 minuten (zie artikel 21) en voor de DTA op 90 minuten (zie artikel 26).

Artikel 7 (Alternatieven voor het theorie-examen)

De in het tweede lid genoemde mogelijkheid om een voorleesexamen af te leggen was voor een deskundige asbestverwijderaar al opgenomen in paragraaf 5.4.4 ‘Voorwaarden voor een alternatief mondeling theorie examen’ van Bijlage XIIId. Die mogelijkheid blijft ook alleen voor de DAV-1 en DAV-2 bestaan. Een voorleesexamen is in principe een regulier examen waarbij de vragen zodanig zijn geformuleerd dat een kandidaat met lees- of concentratiestoornissen de vragen gemakkelijker kan begrijpen.

De voorwaarden die waren opgenomen met betrekking tot het voorleesexamen zijn nu (in het zesde lid) compacter geformuleerd. De genoemde voorwaarden waren deels toelichtend van karakter en worden deels ook al ondervangen door de eisen die in het kader van de certificatieprocedure gelden op grond waarvan de certificerende instelling adequate procedures en instructies moet hebben geformuleerd voor het afnemen van examens (zie bijvoorbeeld de eisen inzake het examenreglement in artikel 5, tweede lid, onderdeel d en f).

In paragraaf 5.4.4 was bepaald dat het voorleesexamen wordt voorgelezen door de examinator, maar op basis van artikel 7, zesde lid, geldt dat het op een geluidsdrager wordt aangeboden.

De in het derde lid mogelijkheid om een verlengd examen te doen voor kandidaten met een dyslexieverklaring, was al opgenomen voor de DTA-er in paragraaf 5.4.4 ‘Voorwaarden voor een alternatief mondeling theorie examen’ van Bijlage XIIIc. Deze mogelijkheid gaat nu ook voor de DAV-1 en DAV-2 gelden.

De wijze van examinering wordt overigens ook door de Stichting Raad voor Accreditatie tijdens een zogenaamde ‘bijwoning’ daadwerkelijk beoordeeld.

Artikel 8 (Algemene eisen praktijkexamen)

In paragraaf 5.4.5 ‘Algemene eisen bij de uitvoering van het praktijkexamen’ van Bijlage XIIIc en paragraaf 5.4.6 ‘Te stellen eisen aan het praktijk-examen’ van Bijlage XIIId stonden al eisen met betrekking tot het praktijkexamen. Uit de in dit artikel opgenomen eis volgt ook al dat hulp van tolken en vertalers tijdens het examen niet is toegestaan.

De eisen dat de locatie dient te beschikken over vijf examenplaatsen en over vijf ruimten is niet meer opgenomen, maar vervangen door de in het eerste lid opgenomen algemene eis. De beheerstichting kan hiervoor richtlijnen opstellen.

De in het tweede en derde lid opgenomen eisen zijn ongewijzigd gebleven.

De eis dat het examen individueel (DTA) respectievelijk gelijktijdig door twee kandidaten gelijktijdig (DAV) wordt afgelegd is niet meer opgenomen.

De maximale duur van het praktijkexamen is per functie apart geregeld. Voor de DAV -1 is die vastgesteld op 60 minuten (zie artikel 16), voor de DAV-2 op 90 minuten (zie artikel 21) en voor de DTA op 90 minuten (zie artikel 27).

Artikel 9 (Medewerking aan controlesdoor certificerende instelling procescertificaat)

Op grond van artikel 1.5i. van het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat periodieke controle van de certificaathouder plaats vindt door de certificerende instelling die het certificaat aan hem heeft verstrekt. Tevens geldt dat de certificaathouder deze certificerende instelling, desgevraagd, kosteloos alle informatie verstrekt die nodig is voor de uitvoering van het bepaalde bij of krachtens artikel 1.5i.

Het onderhavige artikel ziet op de situatie dat een certificaathouder DTA of DAV werkzaamheden verricht voor een bedrijf dat een procescertificaat heeft voor asbestverwijdering. De certificaathouder DTA of DAV moet dan op basis van het eerste lid ook meewerken aan controles die de certificerende instelling die het procescertificaat heeft afgegeven, uitvoert. In paragraaf 6.3 van bijlage XIIIc en XIIId was al voorzien in de situatie dat een certificerende instelling voor procescertificaten constateert dat een DTA of DAV niet juist handelt. De certificerende instelling voor procescertificaten maakte dan een afwijkingsrapport op en stuurde een afschrift naar de certificerende instelling die het persoonscertificaat had afgegeven.

De onderhavige bepaling is een nadere uitwerking van paragraaf 6.3.

Daar is echter in het tweede lid nog aan toegevoegd dat de certificaathouder die het persoonscertificaat heeft verstrekt de melding moet onderzoeken en zo nodig sancties moet opleggen.

Artikel 10 (Toezicht door toezichthoudende overheidsinstelling)

In paragraaf 6.1 van bijlage XIIIc en XIIId was bepaald dat zowel de certificerende instelling die het procescertificaat heeft afgegeven als de handhavende overheidsinstelling, de Inspectie SZW, verplicht zijn geconstateerde afwijkingen te melden en te rapporteren aan de certificerende instelling die het persoonscertificaat heeft afgegeven. In de tekst van paragraaf 6.1 van bijlage XIIIc, werd alleen de Inspectie SZW als handhavende overheidsinstelling genoemd, maar dat kan bijvoorbeeld ook een omgevingsdienst of de politie zijn, daarom wordt nu niet alleen meer de Inspectie SZW genoemd.

In paragraaf 6.3 ‘De wijze van uitvoering van toezicht’ van bijlage XIIIc en XIIId was in de vierde en vijfde zin bepaald wat er moet gebeuren wanneer de Inspectie SZW tijdens inspectiebezoeken overtredingen vaststelt en daarbij vaststelt dat een certificaathouder DAV of DTA niet voldoet aan de gestelde eisen respectievelijk niet naar behoren handelt. De schriftelijke constatering daarvan wordt in het kader van het Uitwisselingsprotocol tussen Inspectie SZW en certificerende instellingen toegezonden aan de certificerende instellingen die het procescertificaat respectievelijk het persoonscertificaat had afgegeven. Het Protocol informatieuitwisseling Asbestverwijdering Inspectie SZW-certificerende instellingen is sinds 1 oktober 2012 als bijlage XIIIg opgenomen bij de Arbeidsomstandighedenregeling.

Artikel 11 (Meldingen inzake gedragingen certificaathouder)

In paragraaf 4.6.2 ‘Klachten over een bedrijf of persoon’ was omschreven wat er gebeurt wanneer iemand zich die tot de certificerende instelling wendt met een klacht over een certificaathouder. Omdat in dit verband geen sprake is van een klacht in de zin van artikel 9:1 Awb is in dit verband nu gekozen voor de term ‘melding’. In paragraaf 4.6.2 werd aangegeven dat bij ernstige klachten beoordeeld moest worden of dit gevolgen moest hebben voor de certificatie.

Artikel 12 (Gereserveerd)

Zoals in paragraaf 3 is aangegeven zal de sanctieregeling nog nader uitgewerkt moeten worden.

Artikel 13 (Gegevens certificaat)

De in paragraaf 4.2.7 van Bijlage XIIIf opgenomen opsomming van gegevens die op een certificaat vermeld moeten worden zijn in die bijlage vervallen en nu opgenomen in de onderhavige bijlage. Nieuw is dat op grond van onderdeel b ook de geboortedatum en geboorteplaats van de certificaathouder vermeld moet worden. Het adres van de certificaathouder hoeft niet meer vermeld te worden. De handtekening van de bevoegde persoon bij de certificerende instelling is ook niet meer vereist.

Het in onderdeel d genoemde nummer is van belang om zekerheid te bieden over de geldigheid van het certificaat. Een uniek nummer is daarvoor belangrijk, dit is in zekere zin vergelijkbaar met een nummer dat op een paspoort staat. Dit nummer wordt afgegeven door de beheerstichting en dat is zo overeengekomen in de overeenkomst tussen beheerstichting en certificerende instelling. Dit is met name van belang omdat er meerdere certificerende instellingen zijn. Bovendien is dit een eis in het kader van de accreditatie.

Ten aanzien van de certificerende instelling die het certificaat heeft afgegeven hoeft op basis van onderdeel e alleen nog de naam daarvan te worden vermeld en dus niet meer adres, KvK-nummer, logo en van de certificerende instelling en kenmerk van de aanwijzingsbeschikking van de minister.

Met onderdeel f wordt beoogd duidelijkheid te geven over de geldende regelgeving op het moment waarop het certificaat is afgegeven. Daarbij moet aangegeven worden welke versie van de onderhavige bijlage relevant is zodat die daarbij geraadpleegd kan worden. Als bekend is om welke versie het gaat kan de relevante versie worden opgezocht op www.wetten.nl.

Dat is een eis in het kader van de accreditatie.

Met het begrip ‘scope’ wordt de werkingssfeer van het certificaat bedoeld. Het begrip ‘scope’ is gebruikelijk bij accreditatie.

Artikel 14 (Certificatieovereenkomst)

Dit artikel ziet op de overeenkomst die tussen de certificaathouder en de certificerende instelling wordt gesloten. De verplichting daartoe is nu expliciet opgenomen in deze bijlage. Die eis was al opgenomen in paragraaf 4.2.10 van bijlage XIIIf en staat nu in artikel 5 van die bijlage.

De in het tweede en derde lid opgenomen eisen stonden al in de modelovereenkomst tussen certificerende instelling en de kandidaat certificaathouder die als bijlage C was opgenomen bij bijlage XIIIc en XIIId, maar die modelovereenkomst is niet meer opgenomen bij de nieuwe bijlage XIIIc.

De in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen verplichting om mee te werken aan controles sluit aan bij de op grond van artikel 1.5i, vierde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit bestaande verplichting om informatie te verstrekken.

De in het tweede lid opgenomen eisen hebben betrekking op de periode waarin het certificaat is afgegeven, maar de overeenkomst wordt al bij het doen van de aanvraag gesloten, dus al voordat het certificaat is afgegeven. Dit is van belang in verband met het doorlopen van de procedure.

De in het derde lid, onderdeel a, genoemde betalingsverplichting van de certificaathouder heeft betrekking op de kosten van het certificaat die op grond van artikel 1.5f, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor zijn rekening komen. De aanvraag wordt ook door de certificerende instelling pas in behandeling genomen als de overeenkomst is gesloten. Er moet immers ook door de aanvrager worden betaald.

De verplichting van de certificerende instelling om mutaties met betrekking tot het certificaatregister door te geven is op basis van artikel 3, tweede lid, onderdeel c, nader uitgewerkt in de certificatieprocedure.

De in het derde lid, onderdeel b, opgenomen verplichting stond niet in de modelovereenkomst en is nieuw. Wel was in paragraaf 4.5 van bijlage XIIIc en XIIId bepaald dat intrekking volgt wanneer binnen twee jaar opnieuw opnieuw in strijd met de voorschriften wordt gehandeld. Zoals aangegeven in paragraaf 3 zal de sanctieregeling nog integraal worden bezien.

Artikel 15 (Entreecriteria DAV-1)

Het begrip ‘entreecriteria’ is in artikel 1 gedefinieerd.

Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven vervangt de DAV-1 de vroegere leerling DAV. Ten aanzien van de leerling DAV was geen regelgeving opgenomen in de Arbeidsomstandighedenregeling.

De in onderdeel a tot en met c en het tweede lid opgenomen eisen stonden al met betrekking tot de deskundig asbestverwijderaar in paragraaf 7 ‘Entreecriteria’ van Bijlage XIIId.

De in onderdeel d tot en met f opgenomen eisen over de facefit-test, het masker en het online-instructieprogramma zijn in overeenstemming met de eisen die met ingang van 1 januari 2015 (Stcrt. 2014, 36339) zijn opgenomen en uitgewerkt in paragraaf 7.11.2.4 van Bijlage XIIIb voor de DAV en DTA.

Op grond van artikel 1.5g, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan in geval van een intrekking van een certificaat pas 12 maanden daarna een verzoek tot afgifte van een certificaat in behandeling worden genomen.

Artikel 16 (Examen, cesuur en geldigheid DAV-1)

In artikel 5 is al bepaald dat het examen bestaat uit een praktijkexamen en uit een theorie-examen.

In paragraaf 5.4.3 ‘Algemene eisen bij de uitvoering van het theorie-examen’ van Bijlage XIIId was de maximale duur van het theorie-examen voor de deskundig asbestverwijderaar vastgesteld op 75 minuten. De in het eerste lid opgenomen maximale duur is verkort naar 45 minuten omdat voor de DAV-1 lichtere eisen gesteld kunnen worden dan voor de DAV-2, er worden ook minder vragen gesteld, namelijk 20 in plaats van 30. Voor de leerling DAV was hierover niets geregeld op basis van de Arbeidsomstandighedenregeling.

In paragraaf 5.4.6 ‘Te stellen eisen aan het praktijkexamen’ van Bijlage XIIId was bepaald dat de maximale duur van het praktijkexamen 90 minuten was voor de deskundig asbestverwijderaar. Ook dat is verkort voor de DAV-1. De DAV-1 krijgt 3 opdrachten bij het praktijkexamen, de DAV-2 krijgt er vijf.

Het aantal vragen en opdrachten voor theorie- en praktijkexamen staat in de toetsmatrijs in artikel 18.

De inhoud van het derde lid is grotendeels ontleend aan paragraaf 9.4 ‘Cesuur theorie- en praktijkexamen deskundig asbestverwijderaar’ van bijlage XIIId.

Zogenaamde ‘knock-outs’ zijn fatale fouten in de opdrachtuitvoering (zie paragraaf 9.4 van bijlage XIIId). Het kan zijn dat een kandidaat certificaathouder tijdens het examen zogeheten fatale fouten maakt en daardoor niet voor het examen slaagt. Het gaat hier om zodanige fouten dat ernstig betwijfeld moet worden of de kandidaat in kwestie, ook al zou hij of zij alle andere vragen en praktijkonderdelen correct hebben beantwoord of uitgevoerd, op een verantwoorde wijze asbest zal kunnen verwijderen dan wel toezicht houden op anderen.

De in het vierde lid geregelde geldigheid van het certificaat was in Bijlage XIIId geregeld in paragraaf 4.4 ‘Geldigheid van het certificaat’. De geldigheid van dit certificaat voor de DAV-1 is 6 maanden en dus aanzienlijk korter dan dat van de DAV-2, dat een geldigheid heeft van 3 jaar.

Artikel 17 (Kerntaken, eindtermen en toetstermen DAV-1)

De toetstermen zijn omschreven in drie aparte tabellen waarbij elke tabel betrekking heeft op één kerntaak, te weten: (1) verwijderen van asbest, (2) afvoer van afvalstoffen en (3) veilig werken. Bij elke kerntaak is ook één eindterm omschreven. Voor de DAV-2 gelden dezelfde kerntaken en dezelfde eindtermen als voor de DAV-1. Daarbij staan ook dezelfde codes met bijbehorende toetsterm vermeld, maar niet alle toetstermen zijn voor de DAV-1 relevant, zie bijvoorbeeld bij kerntaak 1 de toetstermen 1.7, 1.8 en 1.9 en bij kerntaak 3 toetsterm 3.11. Er zijn ook verschillen tussen het beheersingsniveau en de toetsmatrijs. Daarom is in artikel 17 niet achter elke toetsterm een letter- of cijferaanduiding opgenomen.

Bovenin de drie tabellen staan de kerntaak en de eindterm. Daaronder staat een kolom met de bijbehorende toetstermen. Achter de toetstermen staan voor DAV-1 drie kolommen waarvan één kolom betrekking heeft op de toetstermen en twee kolommen betrekking hebben op de toetsmatrijs.

Kolom 1 heeft betrekking op het beheersingsniveau. In die kolom wordt met K, B en T wordt aangegeven of de toetsterm van toepassing is op DAV-1 en welke beheersingsniveau van toepassing is.

K = Kennis. Weten hoe en/of waarom iets gaat of moet.

B = Begrijpen. Begrijpen hoe iets gaat, kunnen uitleggen / verklaren.

T = Toepassen. Het kunnen doen van iets. Kennis en begrip laten zien ook in andere situaties dan waarin het is geleerd.

Wanneer iemand iets moet kunnen toepassen (T), wordt verondersteld dat hij de kennis (K) heeft en ook het begrip (B) heeft. In het leerproces hoeft het dus niet in deze volgorde onderwezen te worden. Iemand kan bijvoorbeeld ook kennis en begrip krijgen door in de praktijk iets toe te passen.

In kolom 2: Toetsmatrijs (theorie-examen) staat welke toetstermen aan de orde komen (al dan niet verplicht) in het theorie-examen voor DAV-1. In paragraaf 9.3.1 van bijlagen XIIId was met de aanduiding 0-1 wordt aangegeven dat er géén of één vraag over de betreffende toetsterm moet worden gesteld. De aanduiding 1-1 betekende dat er precies één vraag over de betreffende toetsterm moet worden gesteld, de aanduiding 1-2 betekende dat er een of twee vragen over de toetsterm gesteld moeten worden. De aanduiding 0-2 betekende dat er géén, één of twee vragen over de betreffende toetsterm moeten worden gesteld. In de nu opgenomen tabel is dat op een andere manier weergegeven.

In kolom 3 (Toetsmatrijs: praktijkexamen) staat welke toetstermen aan de orde komen (al dan niet verplicht) in het praktijkexamen voor DAV-1 en hoeveel praktijkopdrachten uitgevoerd moeten worden.

De verschillen tussen DAV-1 en DAV-2 zitten in de eisen die gelden met betrekking tot het beheersingsniveau en in de toetsmatrijs. De werkgever moet ervoor zorgen dat de DAV-1 een goede mentor heeft.

Het tweede lid is nieuw. De van toepassing zijnde accreditatienorm (NEN-EN-ISO/IEC 17024) is gericht op certificerende instellingen die persoonscertificaten afgeven. Persoonscertificaten worden afgegeven nadat competenties van personen zijn vastgesteld. Daarbij is het niet gebruikelijk dat wordt gekeken naar de vraag of de betreffende persoon zijn competenties na de verkrijging van het persoonscertificaat in de praktijk altijd op een juiste wijze toepast. In het tweede lid wordt wél een relatie gelegd tussen de handelswijze van een DAV-1 in de praktijk en diens competenties. Van een DAV-1 wordt verwacht dat hij begrijpt wat de consequenties zijn wanneer hij niet in overeenstemming met de in het eerste lid bedoelde kerntaken handelt en dat hij kan uitleggen waarom zijn handelen daarmee in overeenstemming is. Wanneer hij in de praktijk niet handelt volgens de bedoelde kerntaken en niet kan uitleggen dat zijn handelen aan deze kerntaken en voldoet wordt hij geacht niet competent te zijn.

Artikel 18 (Toetsmatrijs DAV-1)

In deze toetsmatrijs staat een specificatie van een aantal vragen per kerntaak met als doel belanghebbenden inzicht te geven in:

  • verplichte toetstermen;

  • vereist beheersingsniveau;

  • toetsvorm per toetsterm.

De tabel lijkt inhoudelijk op de tabel die is opgenomen in paragraaf 9.3.1, maar is veel compacter omdat niet alle toetstermen zijn uitgeschreven, maar verwezen wordt naar de code van de toetstermen die in de tabellen van artikel 17 wordt gebruikt.

Artikel 19 (Herexamen DAV-1)

De inhoud van dit artikel is ontleend aan onderdeel 13 van paragraaf 5.2 ‘Examenreglement’ van Bijlage XIIId. De in het tweede lid opgenomen beperking inzake een herexamen ziet alleen op de in het eerste lid bedoelde situatie, waarbij de kandidaat geslaagd is voor het theorie- of praktijkdeel van het examen, maar gezakt voor het andere deel. Wanneer iemand twee maal herexamen heeft gedaan voor het als onvoldoende gekwalificeerde examengedeelte en dan nog steeds niet geslaagd is, moet hij opnieuw het theorie- en praktijkexamen afleggen.

Dat geldt ook wanneer de termijn tussen de datum van het eerste examen en het herexamen langer dan zes maanden zou zijn.

Wanneer een kandidaat het hele examen, dus theorie en praktijk wil overdoen, geldt geen beperking in het aantal keren dat hij dit doet. Dat is uitdrukkelijk bepaald in het vierde lid.

Artikel 20 (Entreecriteria DAV-2)

In het eerste lid, onderdeel a en b, is bepaald dat men om een certificaat DAV-2 te kunnen aanvragen een ander daar genoemd geldig of maximaal 1 jaar verlopen certificaat moet hebben. Wie daarover niet beschikt, moet eerst het certificaat DAV-1 verwerven. Daarom is het in artikel 20 niet nodig om de eisen die in artikel 15, onderdeel a, b en c worden gesteld ten aanzien van onderwijs, taal en leeftijd in dit artikel te herhalen. Maar om als houder van een certificaat DAV-1 een DAV-2 certificaat te kunnen aanvragen gelden nog enkele aanvullende eisen inzake zijn ervaring (zie eerste lid, onderdeel c). De eis dat iemand ten minste 240 pakuren als DAV-1 heeft gewerkt betekent dat iemand ten minste dat aantal uren met pak en masker als DAV-1 heeft gewerkt.

De in het tweede lid opgenomen eisen over de facefit-test, het masker en het online-instructieprogramma zijn in overeenstemming met de eisen die met ingang van 1 januari 2015 (Stcrt. 2014, 36339) zijn opgenomen en uitgewerkt in paragraaf 7.11.2.4 van Bijlage XIIIb voor de DAV en DTA.

Op grond van artikel 1.5g, tweede lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit kan in geval van een intrekking van een certificaat pas 12 maanden daarna een verzoek tot afgifte van een certificaat in behandeling worden genomen.

Artikel 21 (Examen, cesuur en geldigheid DAV-2)

In artikel 5 is al bepaald dat het examen bestaat uit een praktijkexamen en uit een theorie-examen.

In paragraaf 5.4.3 ‘Algemene eisen bij de uitvoering van het theorie-examen’ van Bijlage XIIId was de maximale duur van het theorie-examen voor de deskundig asbestverwijderaar vastgesteld op 75 minuten. De in het eerste lid opgenomen maximale duur is verkort naar 60 minuten omdat de duur van 75 minuten niet correct was en per abuis was overgenomen uit de duur die geldt voor het theorie-examen van de DTA. In het kader van het theorie-examen worden 30 gesloten vragen gesteld. Dat staat in de toetsmatrijs die in artikel 23 is opgenomen.

In paragraaf 5.4.6 ‘Te stellen eisen aan het praktijkexamen’ van Bijlage XIIId was bepaald dat de maximale duur van het praktijkexamen 90 minuten was en was tevens bepaald dat die tijd verdeeld moest worden over 3 x 30 minuten in diverse praktijklocaties. Die laatste eis is vervallen omdat dit te gedetailleerd werd geacht. In het kader van het praktijkexamen moeten vijf opdrachten worden uitgevoerd.

De inhoud van het derde lid is grotendeels ontleend aan paragraaf 9.4 ‘Cesuur theorie- en praktijkexamen deskundig asbestverwijderaar’ van bijlage XIIId en komt overeen met artikel 16, derde lid.

De in het vierde lid geregelde geldigheid van het certificaat was in Bijlage XIIId geregeld in paragraaf 4.4 ‘Geldigheid van het certificaat’ en was eveneens 3 jaar.

Artikel 22 (Toetstermen DAV-2)

De in paragraaf 9.2.1 ‘Kerntaak A.1 Verwijderen van asbest’ , paragraaf 9.2.2 ‘Kerntaak A.2 Afvoer afvalstoffen’ en paragraaf 9.2.3 ‘Kerntaak A.3 Veilig werken’ van bijlage XIIId opgenomen tabellen zijn aangepast en uitgebreid met de relevante toetstermen en de toetsmatrijs.

Bij de opsomming van de 23 toetstermen in plaats van 18 toetstermen bij de kerntaak A.1 ‘verwijderen van asbest’ is de volgorde van de toetstermen gewijzigd, zijn er een aantal toegevoegd (zie bijvoorbeeld A.1.1, A.1.2, A.1.22) en is de formulering van sommige toetstermen gewijzigd (zie bijvoorbeeld A.1.17). Met deze wijzigingen zijn echter geen materiële wijzigingen beoogd.

Bij de opsomming van de 6 toetstermen bij de kerntaak A.2 Afvoer van afvalstoffen zijn twee toetstermen (A.2.5 en A.2.6) over een container/aanhanger toegevoegd en is de formulering van de andere toetstermen aangepast door niet alleen te spreken over verpakken, maar ook over prepareren en identificeren en wordt niet over de werkruimte gesproken, maar over containment en werkgebied.

De opsomming van de 31 toetstermen bij de kerntaak A.3 Veilig werken is gewijzigd door deze te verminderen tot 26 toetstermen. Ook hier zijn geen materiële wijzigingen beoogd. Soms zijn de toetstermen verplaatst van de opsomming bij de kerntaak ‘veilig werken’ naar de kerntaak ‘verwijderen van asbest’. Zo is bijvoorbeeld de toetsterm A.3.10 uit paragraaf 9.2.3 (kandidaat kan specifieke verschillen in eigenschappen benoemen tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest) verplaatst naar A.1.1 (verschillend te werk gaan bij hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest).

Evenals bij de toetstermen voor de DAV-1 zijn de toetstermen voor de DAV-2 opgenomen in drie tabellen.

Bovenin de drie tabellen staan de kerntaak en de eindterm. Daaronder staat een kolom met de bijbehorende toetstermen. Achter de toetstermen staan voor DAV-2 drie kolommen:

Kolom 1 heeft betrekking op het beheersingsniveau. In die kolom wordt met K, B en T wordt aangegeven of de toetsterm van toepassing is op DAV-2 en welke beheersingsniveau van toepassing is.

K = Kennis. Weten hoe en/of waarom iets gaat of moet.

B = Begrijpen. Begrijpen hoe iets gaat, kunnen uitleggen / verklaren.

T = Toepassen. Het kunnen doen van iets. Kennis en begrip laten zien ook in andere situaties dan waarin het is geleerd.

Wanneer iemand iets moet kunnen toepassen (T), wordt verondersteld dat hij de kennis (K) heeft en ook het begrip (B) heeft. In het leerproces hoeft het dus niet in deze volgorde onderwezen te worden. Iemand kan bijvoorbeeld ook kennis en begrip krijgen door in de praktijk iets toe te passen.

In kolom 2 (Toetsmatrijs:theorie-examen) staat welke toetstermen aan de orde komen (al dan niet verplicht) in het theorie-examen voor DAV-2. In paragraaf 9.3.1 van bijlagen XIIId was met de aanduiding 0-1 wordt aangegeven dat ten minste één vraag over de betreffende toetsterm moet worden gesteld. De aanduiding 1-1 betekende dat er precies één vraag over de betreffende toetsterm moet worden gesteld, de aanduiding 1-2 betekende dat er een of twee vragen over de toetsterm gesteld moeten worden. De aanduiding 0-2 betekende dat er géén, één of twee vragen over de betreffende toetsterm moeten worden gesteld. In de nu opgenomen tabel is dat op een andere manier weergegeven.

In kolom 3 (Toetsmatrijs: praktijkexamen) staat welke toetstermen aan de orde komen (al dan niet verplicht) in het praktijkexamen voor DAV-2 en hoeveel vragen over bepaalde toetstermen gesteld moeten worden.

De in de codenummers 1.1 tot en met 1.23 genoemde toetstermen voor DAV-1 en DAV-2 zijn identiek. De verschillen tussen de tabellen zitten in het beheersingsniveau van de toetstermen. Ten aanzien van het beheersingsniveau is voor DAV-1 vaak kennis over het hoe en waarom voldoende, maar is voor DAV-2 noodzakelijk dat men de kennis moet kunnen toepassen.

Het tweede lid is nieuw en komt inhoudelijk overeen met het tweede lid van artikel 17.

Artikel 23 (Toetsmatrijs DAV-2)

In deze toetsmatrijs staat een specificatie van het aantal vragen per kerntaak met als doel belanghebbenden inzicht te geven in:

  • verplichte toetstermen;

  • vereist beheersingsniveau;

  • toetsvorm per toetsterm.

In paragraaf 9.3.1 ‘Toetsmatrijs’ van bijlage XIIId was een tabel opgenomen waarin per kerntaak en per toetsterm was aangegeven hoeveel vragen per toetsterm gesteld moesten worden en op welke onderwerpen de praktijkopdrachten betrekking moesten hebben. De nu opgenomen tabel is veel compacter omdat niet alle toetstermen zijn uitgeschreven, maar verwezen wordt naar de code van de toetstermen die in de tabellen van artikel 22 wordt gebruikt.

De tabel geeft aan dat er bijvoorbeeld voor kerntaak 1 “Verwijderen van asbest” in het theorie-examen 12 vragen moeten worden gesteld waarvan één over kennis, één vraag over begrip en tien over de toepassing.

In vergelijking met de tabel in paragraaf 9.3.1 is het totaal aantal vragen in het theorie-examen uitgebreid van 20 vragen naar 30 vragen. Nu wordt de term ‘gesloten vragen’ gebruikt in plaats van de term ‘meerkeuzevragen’ omdat dat beter aansluit bij de praktijk.

Het aantal opdrachten voor het praktijkexamen is gewijzigd van ten minste zes in vijf (zie artikel 21, tweede lid).

Artikel 24 (Herexamen DAV-2)

De inhoud van de eerste vier leden van dit artikel is ontleend aan onderdeel 13 van paragraaf 5.2 ‘Examenreglement’ van Bijlage XIIId en komt inhoudelijk overeen met artikel 19 en is daarbij ook toegelicht.

Het vijfde lid is opgenomen voor de situatie dat iemand een geldig DAV-1 certificaat heeft op het moment waarop hij de aanvraag doet en vervolgens examen doet (conform artikel 20, onderdeel a) maar hij gebruik moet maken van de mogelijkheid om herexamen te doen omdat hij het theorie-examen (of het praktijkexamen) niet heeft gehaald. Zo’n herexamen moet binnen zes maanden na het examen worden gedaan. Omdat een DAV-1 certificaat maar zes maanden geldig is, is denkbaar dat het DAV-1 certificaat op het moment waarop het herexamen wordt gedaan niet meer geldig is.

Artikel 25 (Entreecriteria DTA)

De eis inzake beheersing van de Nederlandse taal en de eis dat de betrokkene minimaal basisonderwijs of gelijkwaardig onderwijs gevolgd moet hebben stond wel in paragraaf 7 ‘Entreecriteria’ van Bijlage XIIIc, maar is hier niet meer opgenomen omdat alleen iemand die eerder een ‘oud’ DAV-certificaat, een DAV-2 certificaat of eerder een DTA-certificaat heeft gehad in aanmerking kan komen voor een DTA-certificaat. De aanvrager is dan in dat kader al getoetst is met betrekking tot leeftijd en beheersing van de Nederlandse taal omdat die eisen gesteld werden/worden op basis van paragraaf 7 van bijlage XIIIc, artikel 20 respectievelijk paragraaf 7 van bijlage XIIId. Omdat het DAV-certificaat, het DAV-2-certificaat en het DTA niet langer dan 1 jaar verlopen mogen zijn op het moment waarop het examen wordt afgelegd, moet iemand met een langer verlopen certificaat die de aanvraag wil doen voor een DTA-certificaat, éérst een nieuw DAV-2-certificaat verwerven.

De onderdelen b tot en met d en het tweede lid zijn identiek aan die in artikel 15 en zijn daar toegelicht.

Artikel 26 (Duur en cesuur theorie-examen DTA)

De in het eerste lid geregelde duur van het theorie-examen is langer geworden, namelijk 90 minuten in plaats van 75 minuten. Dit was geregeld in paragraaf 5.4.3 ‘Algemene eisen bij de uitvoering van het theorie-examen van Bijlage XIIIc. In de praktijk bleek dat 75 minuten te weinig is voor de examenstof.

In bijlage XIIIc werd in paragraaf 9.1 met betrekking tot het aantal vragen voor het theorie-examen per abuis soms uitgegaan van 40 gesloten vragen en soms van 35 gesloten vragen. Het juiste aantal is 35 gesloten vragen en dat staat nu ook uit het tweede lid, onderdeel a. Het in het tweede lid gemaakte onderscheid tussen Deel A en Deel B wijkt iets af van het onderscheid dat in bijlage XIIIc, paragraaf 9.1 gemaakt werd tussen Deel A, B1 en B2. De in Deel B2 opgenomen vragen over materiaalherkenning maken nu weer deel uit van het praktijkexamen en niet meer van het theorie-examen.

De tekst van het derde lid en de in het vierde lid opgenomen staffel zijn ontleend aan bijlage XIIIc van paragraaf 9.1 ‘Theorie examen’, onderdeel ‘Cesuur theorie-examen’.

De in die paragraaf opgenomen weging van Deel A en Deel B van 70:30 is niet overgenomen, omdat het wenselijk wordt geacht dat beide onderdelen voldoende zijn om te kunnen slagen.

Artikel 27 (Duur en cesuur praktijk examen DTA)

De inhoud van het eerste lid inzake de duur van het praktijkexamen komt overeen met paragraaf 5.4.5 ‘Algemene eisen bij de uitvoering van het praktijkexamen’ van bijlage XIIIc, zij het dat de eis inzake de verdeling van die tijd, namelijk 30 minuten voor het kunnen verzorgen van een mondelinge instructie of voorlichting en 60 minuten voor het kunnen toezicht houden op de werkzaamheden en zo nodig corrigerend optreden, niet meer is opgenomen.

Het aantal opdrachten, omschreven in het tweede lid, was in bijlage XIIIc, paragraaf 9.2 vastgesteld op minimaal 6. Dat aantal is nu vastgesteld op vier. Met deze vier opdrachten moeten ten minste zes toetstermen worden getoetst. Het is mogelijk om in één opdracht meerdere toetstermen te toetsen.

De in het derde lid opgenomen eis was in paragraaf 9.2 ‘Praktijkexamen’ opgenomen als opmerking in de toetsmatrijs en is nu verduidelijkt door de toevoeging dat communicatieve vaardigheden niet getoetst worden bij de opdracht herkennen van asbestverdachte toepassingen.

De inhoud van het vierde lid is ontleend aan paragraaf 9.2 ‘Praktijkexamen’ , onderdeel ‘Cesuur Praktijkexamen’ van bijlage XIIIc en lijkt inhoudelijk op artikel 16, derde lid en 21, derde lid.

Artikel 28 (Cesuur gehele DTA examen en geldigheidsduur certificaat)

De inhoud van het eerste lid en tweede lid komt overeen met paragraaf 9.4 ‘Cesuur examen DT-asbestverwijdering’ van bijlage XIIIc. Wanneer iemand wel voor het praktijkexamen is geslaagd, maar niet voor het theorie-examen, bestaat op grond van artikel 33 de mogelijkheid om herexamen te doen.

Het tweede lid komt overeen met paragraaf 4.4 ‘Geldigheidsduur van het certificaat’ van bijlage XIIIc.

Artikel 29 (Eindtermen DTA theorie-examen)

De inhoud van dit artikel is ontleend aan de opsomming in paragraaf 8 ‘Profiel en eindtermen’ van bijlage XIIIc. De opsomming van de eindtermen voor het theorie-examen was uitgewerkt in een aantal toetstermen in verschillende tabellen in paragraaf 9.1, waarbij onderscheid gemaakt werd in negen categorieën te weten ‘soorten en toepassingen’, ‘wettelijk kader’, ‘taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden, leidinggeven en toezicht’, ‘risicobeoordeling’, ‘asbestinventarisatie’, ‘risicoklassen’,‘procesbeheersing’, ‘eindinspecties’ en ‘betrokken partijen bij de certificatieregeling’.

Vervolgens werd in die negen categorieën een nadere onderverdeling gemaakt in 26 normen en die werden daarna weer uitgewerkt in toetstermen.

In het onderhavige artikel is zijn in het eerste tot en met negende lid dezelfde categorieën aangehouden en zijn daarbij in de onderdelen dezelfde 26 normen opgenomen.

De uitwerking in toetstermen is niet overgenomen, omdat dit bij nader inzien te gedetailleerd werd gevonden en het ook wenselijk wordt geacht dat er een grotere variatie in opgaven mogelijk is.

Deze eindtermen worden door de examencommissie van de beheerstichting omgezet in toetstermen en op basis van die toetstermen worden vragen voor de itembank geformuleerd.

Met de in het achtste lid gebruikte term ‘inspectie-instelling’ wordt gedoeld op laboratoria die de eindcontrole doen. Deze laboratoria moeten wel geaccrediteerd zijn, maar daarvoor bevat de onderhavige bijlage geen regelgeving.

Artikel 30 (Eindtermen DTA praktijkexamen)

In paragraaf 9.2 ‘Praktijkexamen’ van bijlage XIIIc waren twee eindtermen zijn opgenomen. De opsomming van de eindtermen voor het praktijkexamen was uitgewerkt in een aantal toetstermen, namelijk 3 toetstermen bij de eerste eindterm en 25 toetstermen bij de tweede eindterm in een tabel in paragraaf 9.2. Dat is in de nieuwe opzet niet meer gebeurd omdat bij dit nader inzien te gedetailleerd werd geacht en het ook wenselijk wordt geacht dat er meer variatie in praktijkopdrachten mogelijk is. Wel is een nieuwe eindterm toegevoegd, namelijk het herkennen van asbestverdachte materialen, dit is feitelijk geen nieuwe eis, maar maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van de kennis die men moet hebben.

Artikel 31 (Toetsmatrijs theorie-examen DTA)

Ten aanzien van de in artikel 29 opgenomen eindtermen is bepaald hoeveel vragen over elke eindterm worden gesteld. Deze tabel vervangt de tabel die in paragraaf 9.1 ‘Theorie examen’ van Bijlage XIIIc was opgenomen onder ‘Uitvoering theorie examen’ en die een andere inhoud en opzet had. Geconstateerd is dat die tabel op een aantal punten verbeterd moest worden. Tevens is het totale aantal vragen in het theorie-examen vastgesteld op 35 (zie ook toelichting bij artikel 26).

De letters K, B en T staan voor kennis, begrijpen en toepassen (zie ook de toelichting bij artikel 22).

Artikel 32 (Toetsmatrijs praktijkexamen DTA)

De hier opgenomen toetsmatrijs wijkt op een aantal punten af van de toetsmatrijs die was opgenomen in paragraaf 9.2 van bijlage XIIId. Daarin stonden maar twee eindtermen in plaats van drie. Het kunnen herkennen van asbestverdachte materialen is toegevoegd. Het totale aantal opdrachten was zes en dat is nu vier geworden. De toegevoegde opmerking in de toetsmatrijs ‘Communicatie is een geïntegreerd onderdeel in elke opdracht’ is nu verwerkt in artikel 27, derde lid.

Artikel 33 (Herexamen DTA)

De inhoud van dit artikel is ontleend aan paragraaf 9.3 ‘Geldigheidsduur van het examenresultaat’ van bijlage XIIIc en komt inhoudelijk overeen met artikel 19 en 24.

Artikel 34 (Eindtermen en handelwijze DTA)

De inhoud van deze nieuwe bepaling lijkt inhoudelijk op artikel 17, tweede lid, en artikel 22, tweede lid.

Artikel 35 (Overgangsbepalingen in verband met wijzigingen met ingang van 1 januari 2012)

Deze overgangsbepalingen zijn ontleend aan paragraaf 5.6 van bijlage XIIIc en bijlage XIIId. Het betreft overgangsbepalingen die betrekking hebben op eerdere wijzigingen van het certificatieschema.

Met de invoering van de certificatieschema’s op 1 januari 2012 (Stcrt. 2011, 18269 en Stcrt. 2011, 22513) voor de Deskundig Toezichthouder Asbestverwijdering en de Deskundig Asbestverwijderaar, zijn ook nieuwe eisen gesteld aan de examinering voor deze twee persoonscertificaten. De beheerstichting heeft meer tijd nodig gehad dan verwacht om de examinering voor beide persoonscertificaten exact in lijn te brengen met de nieuwe certificatie-eisen. Een analyse door de beheerstichting heeft laten zien dat de verschillen tussen de feitelijk afgenomen examens en de eisen waaraan deze examens volgens de nieuwe schema’s moeten voldoen, minimaal zijn en geen afbreuk doen aan het doel van deze certificatie-eisen, namelijk het eisen van deskundig optreden bij asbestverwijdering in verband met de bescherming van veiligheid en gezondheid. Om deze reden, alsmede om te voorkomen dat de betreffende certificaathouders onevenredig geschaad zouden worden – immers, strikt genomen zouden hun certificaten niet voldoen aan de wettelijke eisen – worden, op verzoek van beheerstichting, de reeds afgegeven certificaten gelijk gesteld aan certificaten waarvoor de examens wel geheel conform de nieuwe eisen zijn afgenomen. Dit was geregeld door middel van paragraaf 5.6 in bijlage XIIIc en XIIId die door de wijziging met ingang van 1 augustus 2013 (Stcrt. 2013, 19316) was opgenomen.

Denkbaar is dat er op moment van inwerkingtreding van de onderhavige regeling nog steeds deskundig asbestverwijderaars en deskundig toezichthouder asbestverwijdering actief zijn op basis van een geldend certificaat die op of voor 1 oktober 2013 (DAV) of 1 maart 2013 (DTA) gecertificeerd waren omdat een certificaat drie jaar geldig is.

Daarom zijn deze overgangsbepalingen opnieuw opgenomen.

Uiteraard geldt ook voor certificaathouders die vóór 1 oktober 2013 (DAV) of vóór 1 maart 2013 (DTA) examen hebben gedaan en wiens certificaat op basis van de onderhavige bepalingen geacht wordt te voldoen, dat op hen toezicht wordt gehouden zoals omschreven in paragraaf 5 en dat geconstateerd kan worden dat de certificaathouder toch niet competent is.

Artikel 36 (Overgangsbepalingen in verband met wijzigingen met ingang van 1 maart 2016)

De inhoudelijke wijzigingen die in de onderhavige regeling zijn doorgevoerd met betrekking tot de eisen die gesteld worden aan het verkrijgen van het persoonscertificaat voor de DTA, zijn beperkt.

Zo is de duur van het theorie-examen verlengd en is de opzet van het theorie-examen iets gewijzigd evenals de opzet van het praktijkexamen. Met de overgangsbepaling in het eerste lid is voor degenen die een certificaat hebben dat is afgegeven voor de datum van inwerkingtreding van de onderhavige wijziging voorzien in een overgangstermijn. Hun certificaat blijft in principe gedurende drie jaar geldig conform de in artikel 28 opgenomen geldigheidsduur.

Met de onderhavige regeling is een onderscheid geïntroduceerd tussen eisen voor het persoonscertificaat DAV-1 en DAV-2, terwijl daarvoor alleen eisen waren geformuleerd voor de deskundig asbestverwijderaar ‘oude stijl’, dus zonder een onderscheid in twee niveaus. Omdat de eisen die golden voor de DAV het meeste aansluiten bij die voor de DAV-2, is in dit tweede lid bepaald dat voor iemand die vóór de datum van inwerkingtreding beschikte over het DAV-certificaat dit certificaat gedurende de looptijd wordt gelijkgesteld aan het certificaat DAV-2, ook al zijn er enkele verschillen tussen de DAV ‘oude stijl’ en de DAV-2.

Die verschillen hebben met name betrekking op de duur van het theorie-examen en de opzet van het praktijkexamen. Ook is de formulering van de toetstermen aangepast, maar daarmee zijn geen materiële wijzigingen beoogd.

Met de overgangsregeling in het tweede lid blijft het DAV-certificaat ‘oude stijl’ in principe nog gedurende drie jaar geldig conform de termijn in artikel 21, vierde lid.

Artikel I, onderdeel E (Bijlage XIIId)

In verband met de integratie van Bijlage XIIIc inzake de deskundig toezichthouder asbestverwijdering en Bijlage XIIId inzake de deskundig asbestverwijderaar tot één nieuwe bijlage XIIIc, vervalt bijlage XIIId.

Artikel I, onderdeel F (Bijlage XIIIe)

De wijziging in subonderdeel 1 is opgenomen omdat deze tekst ten onrechte de indruk zou kunnen wekken dat de tekst van de bijlage wordt bepaald door de beheerstichting Ascert, maar het gaat hier om een ministeriële regeling waarvan de inhoud alleen door de minister kan worden gewijzigd.

De wijzigingen in subonderdeel 2 en 3 houden verband met de integratie van bijlage XIIIc en XIIId (voorheen aangeduid als SC-510 en SC 520) en de herziening van bijlage XIIIf (voorheen aangeduid als SC-501).

Artikel I, onderdeel G (Bijlage XIIIf)

Artikel 1 (Definities en afkortingen)

De lijst met definities en documenten is zeer aanzienlijk ingekort omdat er een groot aantal begrippen in stonden die niet in de betreffende bijlage voorkwamen of omdat deze in de herziene bijlage niet meer voorkomen. Voor de omschrijving van de wel opgenomen begrippen is aangesloten bij de omschrijving in de herziene bijlage XIIIc (zie Artikel I, onderdeel C).

Wanneer in deze regeling wordt gesproken over ‘het besluit’, dan wordt daarmee het Arbeidsomstandighedenbesluit bedoeld. Dat vloeit al voor uit de definitie in artikel 1.1, onderdeel a, van de Arbeidsomstandighedenregeling. Ondanks het nieuwe onderscheid tussen DAV-1 en DAV-2 is de afkorting DAV in deze bijlage in artikel 1 gehandhaafd omdat die afkorting wordt gebruikt in artikel 6 en in de toelichting.

Artikel 2 (Beoordeling en aanwijzing)

De tekst van dit artikel komt inhoudelijk overeen met paragraaf 4.2. Het gaat hier om de certificerende instellingen die persoonscertificaten verlenen aan een deskundig asbestverwijderaar (DAV-1 en DAV-2) en aan een deskundig toezichthouder asbestverwijdering. Deze persoonscertificaten zijn uitgewerkt in de nieuwe Bijlage XIIIc (zie Artikel I, onderdeel C).

Artikel 3 (Criteria voor aanwijzing)

Het eerste lid verwijst naar de eisen die op basis van artikel 1.5a van het Arbeidsomstandighedenbesluit worden gesteld in het kader van een aanwijzing als certificerende instelling. Deze worden nader uitgewerkt in de het tweede lid en in artikel 4. In het kader van de integriteit is ook de in artikel 7, zesde lid, bedoelde beschrijving van onder andere de juridische structuur en de bestuurlijke verhoudingen van belang.

De in het tweede lid, onderdeel a, opgenomen eis inzake beroepsintegriteit komt overeen met paragraaf 4.5.1., eerste zin, met dien verstande dat de term ‘werknemers’ is vervangen door ‘medewerkers’.

De in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen eis inzake integriteitsbeleid sluit aan bij paragraaf 4.5.2. De hier bedoelde integriteitsverklaring omvat op grond van artikel 7, derde lid, tevens een geheimhoudingsverklaring en wordt op grond van artikel 6, negende lid, opgenomen in het persoonsdossier.

Het tweede lid, onderdeel c, is ontleend aan paragraaf 4.5.3. met dien verstande dat de (enigszins verwarrende) toevoeging ‘in de markt’ niet is overgenomen, daarmee werd bedoeld: in het werkveld.

De in het tweede lid, onderdeel d, opgenomen eisen stonden al in paragraaf 4.5.9., daarbij is de verwijzing naar de klachtenprocedure nader gespecificeerd door niet te verwijzen naar hoofdstuk 9, maar naar titel 9.1.

Artikel 4 (Aanvullende eisen aan certificerende instelling)

Het eerste en tweede lid zijn nieuwe bepalingen, maar sluiten aan bij de huidige praktijk die was verwoord in paragraaf 4.5.10. Het gaat hier om het zogenoemde harmonisatie-overleg waar afspraken worden gemaakt over hoe men bepaalde normen moet interpreteren. Het gaat hierbij om relatief eenvoudige of technische zaken die zich niet goed lenen voor opname in gedetailleerde regelgeving, maar waarbij in de praktijk wel behoefte bestaat aan duidelijkheid. Het hier bedoelde overleg heeft een ander karakter dan het overleg dat op basis van de verplichting van de certificerende instelling tot aansluiting bij de Centrale Commissie van Deskundigen, bedoeld in artikel 5, tweede lid, plaats vindt.

De in het derde lid opgenomen verplichting om andere certificerende instellingen te informeren over schorsing of intrekking stond in de laatste zin van paragraaf 4.5.11. Daaraan is nu ook toegevoegd dat het weigeren van een certificaat moet worden gemeld.

Naast de verplichting om andere certificerende instellingen te informeren, geldt op grond van artikel 11, vierde lid, de verplichting om een schorsing of intrekking te melden aan de beheerstichting. Die verplichting stond ook in paragraaf 4.5.11.

De inhoud van het vierde lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 4.5.12.

Het vijfde lid is ontleend aan paragraaf 4.5.14. Dit artikel sluit aan op artikel 3, tweede lid, van bijlage XIIIc, waarin staat welke werkzaamheden wél kunnen worden uitbesteed.

Artikel 5 (Overeenkomst certificerende instelling en beheerstichting)

De inhoud van het eerste lid vloeit al voort uit artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel f, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, maar is voor alle duidelijkheid toch hier opgenomen.

De in het tweede lid opgenomen verplichting is ontleend aan paragraaf 4.2.1. van bijlage XIIIf.

De genoemde aansluiting houdt in dat een certificerende instelling wordt uitgenodigd voor vergaderingen van de Centrale Commissie van Deskundigen, maar daarin geen stemrecht heeft.

De tekst van het derde lid is nieuw en heeft tot doel kleine certificerende instellingen de mogelijkheid te bieden op dit punt samen te werken en zo kosten te kunnen besparen. Dit is een uitwerking van het tweede lid.

Het vierde lid is ontleend aan paragraaf 4.5.10.

Het vijfde lid komt overeen met paragraaf 4.5.16 van bijlage XIIIf zoals die is komen te luiden met ingang van 1 oktober 2015 (Stcrt. 2015, 29548).

Het zesde lid is nieuw. De klachten- en bezwaarschriftenprocedure is niet langer uitgewerkt in bijlage XIIIc omdat de Algemene wet bestuursrecht hier al in voorziet, maar het is wenselijk dat de certificerende instelling de procedures voor op schrift stelt (zie artikel 3, tweede lid, onderdeel d). Uiteraard moeten deze in overeenstemming zijn met de Algemene wet bestuursrecht. Voor zover sprake is van aanvullende regels, is het wenselijk er geen verschillen bestaan tussen de procedures van de verschillende certificerende instellingen. Daarom is in dit zesde lid bepaald dat de beheerstichting daarover regels kan stellen in de overeenkomst.

De in het zevende lid opgenomen eis was in bijlage XIIIf opgenomen in paragraaf 5.1, onderdeel g.

Artikel 6 (Eisen aan het certificatiepersoneel)

De eis dat een certificerende instelling deskundig is, is een voorwaarde om als certificerende instelling aangewezen te kunnen worden. Dat vloeit voort uit artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

De tekst van het eerste lid is ontleend aan paragraaf 4.2.6.

In dit artikel wordt voor de eisen die voor het certificatiepersoneel gelden onderscheid gemaakt tussen vijf verschillende functies, namelijk (1) een toezichthouder theorie-examen, (2) een examinator praktijkexamen DAV en (3) een examinator praktijkexamen DTA, (4)een beoordelaar van theorie-examen en praktijkexamen en(5) een certificaatbeslisser van theorie-examen en van praktijkexamen.

Voor de omschrijving van deze functies is aangesloten bij de definities die eerder in paragraaf 2 waren opgenomen. Daarbij werd gesproken over ‘beslisser’ in plaats van over ‘certificaatbeslisser’.

In het derde lid, onderdeel a en b, wordt ten aanzien van de toezichthouder theorie-examen en de examinator praktijkexamen bepaald dat zij zorg dragen voor de naleving en uitvoering van het examenreglement en de daarin opgenomen uitvoeringsvoorschriften. Elke certificerende instelling is op grond van artikel 9, tweede lid, van Bijlage XIIIc gehouden om over een examenreglement te beschikken. Daarnaast stelt de beheerstichting Ascert een examenreglement met aanvullende uitvoeringsvoorschriften op. Dit examenreglement van de beheerstichting is te vinden op de website van Ascert. In de overeenkomsten die de beheerstichting met de certificerende instellingen sluit wordt bepaald dat de certificerende instellingen aan de in dit kader door Ascert gestelde eisen voldoen.

De eis dat de betrokkene kennis moet hebben van het examenreglement geldt voor de in het vijfde lid bedoelde toezichthouder achtste lid genoemde certificaatbeslisser.

De in totaal zeven eisen, waarvan vier algemene eisen en drie specifieke eisen, die aan een toezichthouder theorie-examen worden gesteld in het vierde lid en het vijfde lid zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de eisen die in paragraaf 4.2.6 van bijlage XIIIf waren opgenomen.

De twaalf eisen die aan de examinatoren van het praktijkexamen DAV en DTA worden gesteld, bestaande uit de vier eisen in het vierde lid, de drie eisen die aan de toezichthouder theorie-examen worden gesteld in het vijfde lid plus de vijf eisen die daarnaast op basis van het zesde lid, onderdeel b tot en met f, gelden voor deze examinatoren, zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de eisen die in paragraaf 4.2.6 van bijlage XIIIf waren opgenomen.

De negen eisen die aan de beoordelaar van het theorie-examen en het praktijkexamen worden gesteld bestaande uit de vier algemene eisen in het vierde lid en de vijf aanvullende eisen in het zevende lid zijn ongewijzigd gebleven ten opzichte van de eisen die in paragraaf 4.2.6 van bijlage XIIIf waren opgenomen. De eis dat de beoordelaar een dienstverband voor onbepaalde tijd moet hebben met de certificerende instelling stond al in paragraaf 4.2.3.

De vier algemene en de vier aanvullende eisen die in het vierde en achtste lid aan de certificaatbeslisser worden gesteld in paragraaf 4.2.6 zijn nagenoeg ongewijzigd gebleven ten opzichte van de eisen die in paragraaf 4.2.6 van bijlage XIIIf waren opgenomen. Toegevoegd is de eis in het achtste lid, onderdeel b, inzake de daar genoemde NEN-norm. De eis dat de beoordelaar een vast dienstverband moet hebben met de certificerende instelling stond in al paragraaf 4.2.3.

Het in het vierde lid, onderdeel d, opgenomen begrip ‘beslotenheid van de examens’ was apart gedefinieerd in paragraaf 2.1 ’Definities’, maar omdat de term in de regeling maar éénmaal voorkomt is deze term niet meer opgenomen in de definities. De term houdt in dat de betreffende medewerkers van een certificerende instelling geen informatie verstrekken over de inhoud van afgenomen examens aan derden die niet bij de examinering betrokken zijn. De certificerende instelling verifieert en implementeert dit. In verband hiermee tekenen medewerkers van de certificerende instelling een integriteitverklaring (zie ook het tiende lid, onderdeel b). In paragraaf 5.4.1 van bijlage XIIIc en XIIId, zoals deze luidden tot inwerkingtreding van de onderhavige regeling, waren ook al bepalingen opgenomen over de beslotenheid van het examen en het ondertekenen van een verklaring van geheimhouding door het certificatiepersoneel.

In het vijfde lid is onderdeel c toegevoegd. Op basis van paragraaf 4.2.6 gold dat een toezichthouder theorie-examen een dienstverband voor onbepaalde tijd moet hebben met de certificerende instelling of de exameninstelling. Bij nader inzien is de eis dat sprake moet zijn van een vast dienstverband met de certificerende instelling te rigide, maar er moet wel een contractuele relatie tussen certificerende instelling en toezichthouder theorie-examen bestaan. De toezichthouder theorie-examen kan bijvoorbeeld ook een zelfstandige zijn die door de certificerende instelling wordt ingehuurd. Gezien de verantwoordelijkheid van de certificerende instelling voor de uitvoering van het examen (zie artikel 3, tweede lid, van Bijlage XIIIc) is zo’n contractuele relatie noodzakelijk. Dat betekent ook dat het alternatief dat de toezichthouder theorie-examen een dienstverband voor onbepaalde tijd met de exameninstelling heeft niet langer als voorwaarde geldt.

De in het vijfde lid, onderdeel c, opgenomen eis geldt op basis van het zesde lid, onderdeel a, ook voor de examinator praktijkexamen DAV en DTA.

Voor de beoordelaar en de certificaatbeslisser blijft de eis dat er een vast dienstverband met de certificerende instelling moet zijn op grond van het zevende lid, onderdeel e en het achtste lid, onderdeel d, wel bestaan.

De in het zesde lid, onderdeel d, opgenomen eis inzake kennis van het certificatieschema is afhankelijk van het feit of iemand examinator praktijkexamen DAV is, dan wel examinator praktijkexamen DTA. Door de integratie van de bijlagen XIIIc (SC-510) en XIIId (SC-520) in een nieuwe bijlage XIIIc, kan niet meer naar twee verschillende bijlagen worden verwezen.

In het zesde lid, onderdeel f, staat ten aanzien van de examinator praktijkexamen DAV en DTA dat hij beschikt over een geldig certificaat DTA dan wel het diploma of certificaat Asbestdeskundige van de beheerstichting. Laatstgenoemd diploma/certificaat is een ‘vrijwillig’ diploma dat niet wordt afgegeven door een certificerende instelling, maar door de beheerstichting Ascert. Aan welke eisen voldaan moet worden om dit certificaat te verwerven, wordt door de beheerstichting zelf bepaald. Dit is terug te vinden op de website van de beheerstichting waarin het is aangeduid als certificatieschema SC-570.

De inhoud van het negende en tiende lid zijn ontleend aan paragraaf 5.3 van bijlage XIIIc en bijlage XIIId zoals deze luidden tot inwerkingtreding van de onderhavige regeling.

Artikel 7 (Onpartijdigheid en onafhankelijkheid certificerende instelling)

De eis dat een certificerende instelling onafhankelijk is, vloeit voort uit artikel 1.5a, eerste lid, onderdeel b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

In bijlage XIIIf waren in verschillende paragrafen (4.2.11 ‘Onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de CKI en haar personeel’, 4.5.1. ‘Integriteit’, 4.5.2 ‘Verplichte gedragscode’, 4.5.3 ‘Marktgedrag CKI’, 4.5.4 ‘Beroepsgeheim’, 4.5.15 ‘Onafhankelijkheid CKI’) bepalingen opgenomen over onafhankelijkheid, onpartijdigheid, geheimhouding en integriteit. De inhoud van deze bepalingen is nu zoveel mogelijk in één artikel opgenomen voor zover de integriteit betrekking heeft op het afnemen van examens en het afgeven van een certificaat, maar is deels ook in artikel 3 over de criteria voor aanwijzing opgenomen. Overigens kan worden opgemerkt dat de geheimhoudingsverplichting van een ieder die betrokken is bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan al geregeld in artikel 2.5 van de Awb.

De tekst van het eerste, tweede lid en derde lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 4.2.11.

De tekst van het vierde en vijfde lid is gebaseerd op paragraaf 4.5.15., onderdeel a tot en met c.

De tekst van het zesde en zevende lid lijkt inhoudelijk op paragraaf 4.5.15, tweede alinea. Uiteraard is de in het zesde lid bedoelde informatie van belang bij de beoordeling die in het kader van de aanwijzing (zie artikel 3) plaats vindt.

Artikel 8 (Administratie in Nederlandse taal)

De verplichting van de certificerende instelling om de Nederlandse taal te gebruiken voor rapportages en dossiers stond in bijlage XIIIf in paragraaf 4.5.13. Nu is gekozen voor de verzamelterm ‘administratie’ voor rapportages, dossiers en correspondentie van de certificerende instelling. Op grond van artikel 2.6, eerste lid, Awb geldt dat bestuursorganen en onder hun verantwoordelijkheid werkzame personen de Nederlandse taal gebruiken, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

In afwijking van het eerste lid van artikel 2.6 Awb kan een andere taal worden gebruikt indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad.

De bepaling dat tijdens de examinering (theorie en praktijk) uitsluitend in de Nederlandse taal gecommuniceerd mag worden is nu opgenomen in de artikelen 10 en 12 in bijlage XIIIc.

Artikel 9 (Jaarverslag certificerende instelling)

In bijlage XIIIf, paragraaf 5.1, onderdeel a, was opgenomen welke onderwerpen in het jaarverslag moeten worden behandeld, maar omdat de daarin opgenomen onderwerpen al zijn opgenomen in artikel 1.1a van de Arbeidsomstandighedenregeling is het niet nodig om deze opsomming in deze bijlage te herhalen. De verplichting om jaarlijks vóór 1 maart het jaarverslag op te stellen en toe te zenden aan de minister staat in artikel 1.5e van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Artikel 10 (Informatieverstrekking door certificerende instelling aan minister bij beëindiging)

In bijlage XIIIf, paragraaf 5.1, onderdeel g, staat nu de verplichting om SZW en Ascert te informeren zodra de certificerende instelling voornemens is één of meer van haar taken te beëindigen. De verplichting om de beheerstichting, Ascert, hierover te informeren is nu opgenomen in een apart artikel, namelijk artikel 5, achtste lid.

Tegelijkertijd staat in paragraaf 4.5.8 ‘Informatieplicht aan SZW bij beëindiging’ de verplichting van de certificerende instelling om bij beëindiging van de activiteiten terstond de minister van SZW te informeren. Het eerste lid is ontleend aan paragraaf 4.5.8.Met deze bepaling wordt voorzien in een ordentelijke overdracht van dossiers wanneer een certificerende instelling zelf aangeeft niet langer als aangewezen gecertificeerde instelling werkzaam te willen zijn, dan wel wanneer een gecertificeerde instelling niet langer kan worden aangewezen omdat deze niet meer aan de voorwaarden voldoet. In dat geval wordt er naar gestreefd een nieuwe certificerende instelling te vinden die de betreffende dossiers kan overnemen en moet ook met de certificaathouders overlegd worden zodat zij een overeenkomst kunnen sluiten met die nieuwe certificerende instelling.

Artikel 11 (Informatieverstrekking door certificerende instelling aan RvA, I-SZW en de certificaathouders)

De inhoud van het eerste en tweede lid van dit artikel komt grotendeels overeen met paragraaf 5.1, onderdeel f, met dien verstande dat die informatie nu ‘desgevraagd’ moet worden verstrekt.

De in paragraaf 5.1, onderdeel b, opgenomen verplichting van de certificerende instelling om mee te werken aan controles door de RvA is al geregeld in artikel 1.5e en 1.5d van het besluit en hoeft in de regeling niet nog een keer herhaald te worden.

De in paragraaf 5.1, onderdeel c, opgenomen verplichting is niet meer apart opgenomen omdat de verplichting om aan de Inspectie SZW informatie te verstrekken al geregeld is het tweede lid.

De van paragraaf 5.1, onderdeel g, opgenomen verplichting om ‘SZW’ te informeren is in het derde lid aangepast door te bepalen dat de ‘Inspectie SZW’ moet worden geïnformeerd. De verplichting om de minister te informeren staat nu in artikel 10. Nieuw is de in het derde lid opgenomen verplichting om de RvA en de certificaathouders te informeren over een voorgenomen beëindiging van de taken door een certificerende instelling.

De verplichting om de beheerstichting te informeren stond in paragraaf 5.1, onderdeel g, maar staat nu in artikel 5, achtste lid. De verplichting om aan te geven naar welke certificerende instelling de certificaathouders willen overgaan is niet overgenomen. In de praktijk vindt daarover overleg plaats met de certificaathouders.

De inhoud van het vierde lid sluit inhoudelijk aan bij paragraaf 5.1, onderdeel d.

ARTIKEL II

Met deze wijziging van de Warenwetregeling wordt de tekst van de betreffende paragraaf iets verduidelijkt en een ten onrechte geplaatste puntkomma vervangen door een punt.

ARTIKEL III

Dit artikel is al toegelicht in paragraaf 7 van het algemeen deel van de toelichting.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher