Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2016, 51840Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 september 2016, 2016-0000203757, tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling vanwege de wijziging van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties in verband met de implementatie van de herziene richtlijn 2013/55/EU betreffende de erkenning van beroepskwalificaties

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (‘de IMI-verordening’) en de artikelen 33 en 36 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;

Besluit:

ARTIKEL I

De Arbeidsomstandighedenregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.9, onderdeel a, wordt ‘Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties’ vervangen door: Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.

B

Na artikel 1.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.9aa. Taken en bevoegdheden certificerende instelling

De taken en bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 5, 6, 8, 11, 12, 13, 17, 19, 22, 23, 27, 28, 29, 30, 30a, 31, 31b, 32a, 34 en 35 van de wet worden indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5a van het besluit heeft aangewezen, uitgeoefend door die certificerende instelling.

C

Artikel 1.9a wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De aanvraag van een certificaat van vakbekwaamheid, bedoeld in artikel 1.5h, van het besluit, wordt ingediend bij de minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5a van het besluit, heeft aangewezen, bij die instelling, onder verstrekking van de volgende documenten:

    • a. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van de wet;

    • b. een gewaarmerkte kopie van een in een betrokken staat verkregen opleidingstitel of bekwaamheidsattest waarop de aanvrager zich beroept;

    • c. in voorkomend geval een bewijs van zijn beroepservaring, waarbij in ieder geval inzicht wordt verschaft in de duur van deze beroepservaring en de onderdelen en inhoud waaruit de beroepswerkzaamheden hebben bestaan;

    • d. een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens of een met die verklaring overeenkomend document als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet, of een attest waaruit blijkt van een verklaring onder ede of plechtige verklaring als bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de wet indien een dergelijke verklaring ook van eigen onderdanen wordt vereist;

    • e. een document inzake gezondheid als bedoeld in artikel 15 van de wet indien een dergelijk document ook van eigen onderdanen wordt vereist; en

    • f. indien de aanvraag en de in de onderdelen b, c, d en e bedoelde documenten in een andere dan de Nederlandse taal zijn gesteld, wordt op verzoek van de minister, dan wel de door hem aangewezen instelling, bedoeld in artikel 1.5a van het besluit, zo nodig een vertaling in het Nederlands overlegd die is opgesteld door een beëdigd vertaler. Indien de minister of hiervoor genoemde instelling daarmee instemt, kan een vertaling van de documenten in een andere taal dan het Nederlands worden overlegd.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. De minister of, indien de minister een certificerende instelling als bedoeld in artikel 1.5a van het besluit, heeft aangewezen, die instelling, stelt in het kader van de erkenning van beroepskwalificaties vast of de aanvrager beschikt over het beroepskwalificatieniveau, bedoeld in de artikelen 6 en 9 van de wet en met inachtneming van de termijnen, genoemd in artikel 19 van de wet.

3. Het vierde lid vervalt onder vernummering van het vijfde lid tot vierde lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘een compenserende maatregel, bedoeld in het vierde lid’ vervangen door: een compenserende maatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet.

5. Na het vierde lid (nieuw) worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. In geval op grond van artikel 11 van de wet aan de aanvrager de eis wordt gesteld dat hij een aanpassingsstage volgt:

    • a. wordt de aanvrager geïnformeerd over:

      • 1°. de ontbrekende kennis, vaardigheden en competenties waarop de aanpassingsstage betrekking heeft;

      • 2°. de duur van de aanpassingsstage;

      • 3°. overige eisen die het kader van de aanpassingsstage worden gesteld; en

    • b. verricht de aanvrager tijdens deze periode werkzaamheden onder verantwoordelijkheid en begeleiding van een deskundige die in het bezit is van een certificaat van vakbekwaamheid op het desbetreffende vakgebied.

  • 6. In geval op grond van artikel 11 van de wet aan de aanvrager de eis wordt gesteld dat hij een proeve van bekwaamheid aflegt, wordt de aanvrager geïnformeerd over:

    • a. de ontbrekende kennis, vaardigheden en competenties waarop de proeve van bekwaamheid betrekking heeft;

    • b. de kosten; en

    • c. overige eisen die in het kader van de proeve van bekwaamheid worden gesteld.

D

Artikel 1.9b wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

  • a. In de aanhef wordt ‘4.8, tweede lid’ vervangen door: 4.8, tweede en derde lid.

b. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de documenten betreffende nationaliteit en verblijf, bedoeld in artikel 23, derde lid, onderdeel a, van de wet;.

c. In onderdeel f wordt ‘een getuigschrift dat’ vervangen door ‘een opleidingstitel die’ en wordt ‘het getuigschrift’ vervangen door ‘de opleidingstitel’ en vervalt ‘en’.

d. In onderdeel g wordt ‘twee jaar’ vervangen door ‘een jaar’ en wordt de punt aan het slot vervangen door ‘; en’.

e. Na onderdeel g wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. een document inzake gezondheid als bedoeld in artikel 15 van de wet indien een dergelijk document ook van eigen onderdanen wordt vereist.

2. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Indien de documenten, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, c, d, e, f, g en h, in een andere taal dan de Nederlandse taal zijn gesteld, wordt op verzoek van de minister, dan wel de door hem aangewezen instelling, bedoeld in artikel 1.5a van het besluit, zo nodig een vertaling in het Nederlands overlegd die is opgesteld door een beëdigd vertaler. Indien de minister of de hiervoor genoemde instelling daarmee instemt, kan een vertaling van de documenten in een andere taal dan het Nederlands worden overlegd. Afschriften van deze documenten zijn gewaarmerkt.

E

Artikel 1.9c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel a, wordt ‘het getuigschrift’ vervangen door: de opleidingstitel.

2. In het vierde lid wordt ‘een compenserende maatregel’ vervangen door ‘een proeve van bekwaamheid’ en wordt ‘kennis en vaardigheden’ vervangen door: kennis, vaardigheden of competenties.

F

Artikel 1.9d wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift wordt ‘Compenserende maatregel’ vervangen door: Proeve van bekwaamheid.

2. In het eerste lid vervalt ‘zo spoedig mogelijk’.

3. In het eerste en tweede lid wordt ‘compenserende maatregel’ telkens vervangen door: proeve van bekwaamheid.

G

Artikel 1.9e vervalt.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 26 september 2016

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Inleiding

Deze wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling (hierna Arboregeling) houdt verband met een wijziging van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties (Stb. 2015, 478) in verband met de implementatie van richtlijn nr. 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt (‘de “IMI”-verordening’).

De met de onderhavige regeling gewijzigde regeling is een uitwerking van artikel 33 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties (hierna: de wet), dat de verantwoordelijke ministers verplicht dan wel de bevoegdheid geeft om ten aanzien van gereglementeerde beroepen die onder hun beleidsverantwoordelijkheid vallen, nadere regels te stellen over de erkenningsprocedure die geldt wanneer een migrerende beroepsbeoefenaar zoals gedefinieerd in artikel 1 van de wet zijn beroepskwalificaties wil laten erkennen met het oog op beroepsuitoefening in Nederland.

Tevens is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele redactionele wijzigingen door te voeren en om enkele omissies (inzake het overleggen van bepaalde documenten en inzake de beoordeling van compenserende maatregelen) te herstellen.

2. Administratieve lasten

De nieuwe verplichting om onder meer in geval van het gebruik van valse beroepskwalificaties in het kader van de erkenning gebruik te maken van het Informatiesysteem interne markt (IMI) is van invloed op de administratieve lasten van de aangewezen instellingen. Het IMI is een elektronisch onlinesysteem voor informatieuitwisseling.

Uit een enquête onder de aangewezen instellingen is gebleken dat het aantal aanvragen voor beoordeling van beroepskwalificaties op jaarbasis enkele tientallen beloopt. Te verwachten valt dat bij een zeer klein deel daarvan potentieel sprake zal zijn van valse beroepskwalificaties. In die gevallen dient een melding in het IMI systeem ingevoerd te worden. Daarmee zijn de extra administratieve lasten verwaarloosbaar.

3. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

In het kader van de implementatie van de richtlijn is in mei 2015 bij de wijziging van de wet een uitvoerbaarheidstoets onder de aangewezen certificerende instellingen uitgevoerd.

Aan deze instellingen is destijds gevraagd:

  • of de voor deze instellingen relevante wijzigingen uitvoerbaar zijn en zo ja onder welke voorwaarden;

  • of er problemen zijn met het aanpassen van de uitvoering indien de wijziging van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties in januari 2016 in werking treedt;

  • welke extra uitvoeringskosten incidenteel en structureel verwacht worden.

Deze instellingen hebben aangegeven geen uitvoerbaarheidsproblemen te verwachten, indien zij enige maanden voor de datum van inwerking gelegenheid krijgen om hun procedures aan te passen. Aangezien de gewijzigde Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties conform de implementatietermijn met ingang van 18 januari 2016 in werking is getreden, is hiervoor voldoende gelegenheid geweest. De wijzigingen die met deze regeling worden geïntroduceerd hebben geringe consequenties voor de uitvoering, zodat geen uitvoerbaarheidsproblemen worden verwacht.

Wat betreft te verwachten incidentele en structurele uitvoeringsfasen is gebleken dat één instelling geen extra lasten verwacht, terwijl de overige instellingen incidentele lasten variërend van € 3.500 tot € 10.000 verwachten en structurele lasten variërend van € 1.000 tot € 1.500. Deze bedragen zijn betrekkelijk laag te noemen.

De verplichting van aangewezen instellingen om documenten die worden overlegd in de Engelse, Franse of Duitse taal te accepteren is niet langer opgenomen. Wanneer het voor de procedure van de erkenning echt noodzakelijk is dat er een vertaling in het Nederlands wordt overlegd, kan daarom worden gevraagd. Door deze wijziging wordt de uitvoerbaarheid voor de aangewezen instellingen vergroot.

Handhaafbaarheidsproblemen worden niet verwacht aangezien de wijzigingen niet tot substantieel andere taken en werkzaamheden van de certificerende instellingen leiden.

II. Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A (artikel 1.9)

In verband met de gewijzigde citeertitel van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties (voorheen ‘Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties’) is in de definities van de Arboregeling de verwijzing naar deze wet aangepast.

Artikel I, onderdeel B (artikel 1.9aa)

Op grond van artikel 33, eerste en tweede lid, van de wet moeten ten aanzien van de daarin genoemde onderwerpen nadere regels worden gesteld. Op grond van artikel 36 van de wet kan de minister bepaalde taken en bevoegdheden delegeren. Dat is reeds gebeurd met bij de implementatie van richtlijn nr. 2005/36/EG in de Arboregeling. Het is echter wenselijk om nog duidelijker te benoemen welke taken en bevoegdheden de certificerende instellingen in dit verband hebben. Daarom is artikel 1.9aa opgenomen.

Nieuw is de verplichting op grond van artikel 31b van de wet in het kader van de melding van valse beroepskwalificaties.

Op grond van artikel 23 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/983 betreffende de procedure voor de uitgifte van de Europese Beroepskaart en de toepassing van het waarschuwingsmechanisme overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad wijzen de lidstaten bevoegde autoriteiten aan voor de behandeling van uitgaande en binnenkomende waarschuwingen overeenkomstig artikel 56 bis, lid 1 of 3 van Richtlijn 2005/36/EG. Voor de beroepen op Arboterrein is alleen artikel 56 bis, lid 3 van de Richtlijn relevant en dat is uitgewerkt in artikel 31b van de wet.

Voor Nederland betekent dat het verplicht is om de bevoegde autoriteiten van alle betrokken lidstaten in kennis te stellen wanneer een migrerende beroepsbeoefenaar in Nederland in het kader van een erkenningsprocedure schuldig is bevonden aan het gebruik van valse beroepskwalificaties. Omdat de richtlijn alleen verplicht tot het doen van uitgaande waarschuwingen, is ervoor gekozen vooralsnog alleen de verplichting op grond van artikel 31b van de wet hier te benoemen.

Artikel I, onderdeel C (artikel 1.9a)

Onderdeel a is vervallen omdat een certificerende instelling er voor kan kiezen al dan niet gebruik te maken van een formulier.

Onderdeel b, nu opgenomen als onderdeel a, is aangepast zodat de formulering beter aansluit bij de tekst van wet. Onder een identiteitsbewijs zou ook een rijbewijs kunnen worden verstaan en dat wordt niet bedoeld.

Onderdeel b is iets anders geformuleerd door de toevoeging dat de kopie gewaarmerkt moet zijn en door het begrip ‘getuigschrift’ te vervangen door ‘opleidingstitel’ omdat dat de term is die in de wet wordt gebruikt.

De formulering van onderdeel c is aangepast door nader te specificeren wat een bewijs van beroepservaring moet inhouden.

Onderdeel d is nieuw. Voor sommige gereglementeerde beroepen geldt altijd de eis dat een verklaring omtrent gedrag moet worden overlegd, bijvoorbeeld voor onderwijs- en kinderopvangpersoneel. Voor de gereglementeerde beroepen die onder de Arboregeling vallen geldt dat in het algemeen niet. Wel geldt op grond van artikel 2.2 van Bijlage X behorend bij artikel 4.16 van de Arboregeling de eis van zo’n verklaring voor de uitoefening van het beroep van schietmeester. Daarom is het wenselijk dat indien aan Nederlandse beroepsbeoefenaren, dus aan eigen onderdanen, de eis wordt gesteld dat zij een verklaring omtrent gedrag moeten overleggen, een dergelijke eis ook gesteld kan worden aan migrerende beroepsbeoefenaren.

Onderdeel e is nieuw. Het is wenselijk dat indien aan Nederlandse beroepsbeoefenaren, dat wil zeggen aan eigen onderdanen, de eis wordt gesteld dat zij een medische verklaring moeten overleggen, een dergelijke eis ook gesteld kan worden aan migrerende beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 4a van de wet en dienstverrichters als bedoeld in artikel 21 van de wet. Dat geldt bijvoorbeeld op grond van artikel 6.14a van het Arbeidsomstandighedenbesluit voor duikers. Op grond van artikel 7.32, eerste lid, onderdeel b, van het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat een kraanmachinist in een zodanige lichamelijke en geestelijke toestand moet verkeren, dat hij in staat is de aan de bediening van het desbetreffende arbeidsmiddel verbonden gevaren te onderkennen en te voorkomen.

Onderdeel f (voorheen onderdeel e) is herzien omdat er nieuwe documenten kunnen worden vereist op basis van de nieuwe onderdelen d en e.

De zinsnede ‘zo mogelijk’ is vervallen omdat een vertaling door een beëdigd vertaler geen probleem kan zijn.

De tekst van onderdeel f is daarnaast inhoudelijk herzien zodat de aangewezen instellingen niet meer in alle gevallen genoegen hoeven te nemen met een document in het Engels, Duits of Frans. Zoals in paragraaf 3 is aangegeven kan, wanneer het voor de procedure van de erkenning echt noodzakelijk is dat er een vertaling in het Nederlands wordt overlegd, daarom worden gevraagd. Op basis van deze formulering kan een aangewezen instelling echter ook genoegen nemen met documenten in een andere taal wanneer die voor de aangewezen instelling voldoende duidelijkheid bieden in het kader van de erkenning.

De tekst van het tweede lid is aangevuld en daarmee verduidelijkt. Want voor de vaststelling van het beroepskwalificatieniveau is niet alleen artikel 6 van de wet relevant, maar ook artikel 9 van die wet. In dat kader zijn ook de artikelen 7, 8 en 10 van de wet van belang.

De verwijzing naar artikel 19 van de wet is eveneens toegevoegd ter verduidelijking. In artikel 1.9c, derde lid, werd al de voor de termijnen relevante bepaling in de wet genoemd.

Het vierde lid is vervallen omdat dit bij nader inzien een overbodige bepaling is. De wet regelt immers in artikel 11 wanneer welke compenserende maatregelen mogelijk zijn en welke voorwaarden daarvoor gelden. In dat opzicht was de formulering van het vierde lid ook te beperkt.

Het vijfde lid is vernummerd tot vierde lid en gewijzigd in verband met het vervallen van het oorspronkelijke vierde lid. Op grond van het nieuwe artikel 33, derde lid, van de wet kunnen regels worden vastgesteld over de kosten van een aanvraag of het organiseren van een proeve van bekwaamheid of een aanpassingsstage, maar moeten de kosten redelijk, evenredig en in verhouding tot de gemaakte kosten zijn, de gemaakte kosten niet overschrijden en het doen van een aanvraag niet ontmoedigen.

Het vijfde en zesde lid zijn nieuw en geven een nadere invulling van artikel 33, eerste lid, van de wet waarin staat dat de minister nadere regels moet geven onder meer over de beoordeling van de aanpassingsstage en de proeve van bekwaamheid. De nu opgenomen nieuwe leden zijn algemeen geformuleerd omdat zij betrekking moeten hebben op verschillende gereglementeerde beroepen waarop de Arboregeling van toepassing is. Wanneer er in de toekomst behoefte mocht bestaan aan meer specifieke regels voor een bepaald beroep, dan zal dat nader uitgewerkt worden in de Arboregeling.

Onderdeel D (artikel 1.9b)

De aanpassing van de aanhef van het eerste lid houdt verband met de wijziging van de Regeling vaststelling lijst gereglementeerde beroepen. Aan deze lijst is het beroep van schietmeester toegevoegd (Stcrt. 2016, 46874). Voor de beroepen op deze lijst geldt dat onvoldoende vakbekwaamheid een verhoogd gevaar oplevert voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden en daarmee voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid.

Het eerste lid, onderdeel b, is aangepast op een vergelijkbare wijze als artikel 1.9a, onderdeel a. Er wordt nu verwezen naar artikel 23, derde lid, onderdeel a, van de wet voor de volledige omschrijving van de documenten betreffende nationaliteit en verblijf.

In het eerste lid, onderdeel f is de term ‘getuigschrift’, evenals in artikel 1.9a, eerste lid, onderdeel c, vervangen door ‘opleidingstitel’ omdat die term in de wet wordt gebruikt.

In het eerste lid, onderdeel g, is de termijn van twee jaar vervangen door een termijn van één jaar in verband met de wijziging van artikel 22, onderdeel b, van de wet die voorvloeit uit de implementatie van de richtlijn.

Het eerste lid, onderdeel h, is nieuw en is vergelijkbaar met de tekst in artikel 1.9a, eerste lid, onderdeel e.

Het derde lid is aangepast in verband met de toevoeging van onderdeel h in het eerste lid en is geformuleerd overeenkomstig artikel 1.9a, eerste lid, onderdeel f.

Onderdeel E (artikel 1.9c)

In het tweede lid, onderdeel a, is het begrip ‘getuigschrift’ vervangen door ‘opleidingstitel’ omdat laatstgenoemde term de term is die in de wet wordt gehanteerd (vergelijk wijziging van artikel 1.9a, eerste lid, onderdeel b, en artikel 1.9b, eerste lid, onderdeel f).

De wijziging van het vierde lid waarin ‘een compenserende maatregel’ is vervangen door ‘een proeve van bekwaamheid’ houdt verband met de wijziging van artikel 27, derde lid, op basis waarvan een compenserende maatregel in het kader van artikel 27 alleen nog de vorm kan krijgen van een proeve van bekwaamheid en dus niet van een aanpassingsstage.

Tevens zijn in het vierde lid in verband met een wijziging van artikel 27, derde lid, van de wet de woorden ‘kennis en vaardigheden’ vervangen door ‘kennis, vaardigheden of competenties’.

Onderdeel F (artikel 1.9d)

Het opschrift en het eerste en tweede lid van dit artikel zijn aangepast in verband met een wijziging van artikel 28, eerste lid, van de wet op basis waarvan een compenserende maatregel alleen nog in de vorm van een proeve van bekwaamheid mogelijk is.

Tevens is het eerste lid aangepast omdat op grond van artikel 28, derde lid, van de wet, behoudens de opschortingstermijn van artikel 28, tweede lid, van de wet, een termijn van een maand geldt voor het organiseren en afnemen van een proeve van bekwaamheid én het besluiten op basis van de uitkomst van die proeve van bekwaamheid. Bij overschrijding van die termijn is de dienstverrichting van rechtswege toegestaan.

Onderdeel G (artikel 1.9e)

Artikel 1.9e kan vervallen omdat al uit het nieuwe artikel 1.9aa blijkt dat de certificerende instelling een taak heeft in het kader van de registratie van aanvragen en controles. Overigens is de in artikel 35 van de wet opgenomen informatieverplichting in verband met de implementatie van richtlijn 2013/55 uitgebreid.

Artikel II

Deze regeling treedt de dag na plaatsing in de Staatscourant in werking, omdat het implementatiewetgeving betreft en de uiterste implementatiedatum inmiddels is verstreken.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher