Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2016
Nr. 30576

Gepubliceerd op 15 juni 2016 09:00



Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 6 juni 2016, nr. WJZ/800938 (6670), houdende regels voor onderwijsinstellingen omtrent het uitzetten van gelden, het aangaan van leningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële derivaten (Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, handelende in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 148a van de Wet op het primair onderwijs, 143a van de Wet op de expertisecentra, 99a van de Wet op het voortgezet onderwijs, 2.2.4b van de Wet educatie en beroepsonderwijs en 2.17, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Besluit:

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1. Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

achtergestelde spaarrekeningen of deposito’s:

spaarrekeningen of deposito’s die in geval van faillissement de terugbetaling pas plaatsvindt nadat de andere schuldeisers hun geld hebben ontvangen;

beleggingen:

uitzettingen van middelen die tijdelijk niet benodigd zijn om aan lopende financiële verplichtingen te voldoen, met uitzondering van financiële derivaten;

externe toezichthouder:

de Inspectie van het Onderwijs;

financiële derivaten:

financiële contracten waarvan de waarde is afgeleid van de waarde van de onderliggende lening;

financiële onderneming:

een onderneming die in een lidstaat het bedrijf van bank mag uitoefenen, beleggingsdiensten mag verlenen, beleggingsinstellingen mag beheren, rechten van deelneming in een beleggingsmaatschappij mag aanbieden, of het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen;

instellingen:

door de minister bekostigde onderwijsaanbieder als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, met uitzondering van de onderwijsaanbieders, bedoeld in titel II, afdeling II, van die wet, artikel 1.1.1, onder b, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en niet aangewezen op grond van artikel 45, eerste of derde lid, van de Comptabiliteitswet 2001;

interne toezichthouder:

toezicht als bedoeld in de artikelen 17b en 17c van de Wet op het primair onderwijs, de artikelen 24e en 24e1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, de artikelen 28h en 28i van de Wet op de expertisecentra, de artikelen 9.1.4. en 9.1.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 9.8, 9.9 en 10.3d van de Wet hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

jaarverslaggeving:

het geheel van verslagleggingsdocumenten bestaande uit de jaarrekening, het bestuursverslag en de overige gegevens, bedoeld in artikel 392 van Titel 9, Boek 2, van het Burgerlijk wetboek, zoals dit in de onderwijssector van toepassing is verklaard op grond van de Regeling jaarverslaglegging onderwijs;

kasstroomprognose:

liquiditeitsplanning voor de korte termijn en de financieringsplanning voor de lange termijn;

lidstaat:

staat die lid is van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;

margin call:

het storten van een zekerheid om een uitstaande positie af te dekken;

minister:

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en, voor zover het onderwijs en onderzoek betreft op het gebied van de landbouw en de natuurlijke omgeving de Minister van Economische Zaken;

niet-publieke middelen:

alle financiële middelen waarover de instelling beschikt die niet afkomstig zijn uit ’s Rijks kas en niet vallen onder de definitie van publieke middelen;

payer swap:

renteswap waarbij de betaler een vaste rente betaalt en een variabele rente ontvangt;

publieke middelen:

middelen verkregen ten laste van de rijksbegroting of anderszins uit hoofde van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen verkregen middelen, alsmede de opbrengsten daarvan, waarover een instelling de beschikking heeft gekregen om de wettelijke taak te verrichten;

rating:

taxatie van de kredietwaardigheid van een financiële onderneming of een land;

rentecap:

financieel derivaat waarbij een leningnemer tegen betaling van een geldsom gedurende een overeengekomen periode de garantie van een maximaal te betalen rentetarief verkrijgt;

renteswap:

financieel derivaat om renterisico’s te beheersen of af te dekken;

solvabiliteitsratio:

het in een lidstaat voorgeschreven minimumniveau aansprakelijk vermogen van een financiële onderneming tegenover aangehouden naar risicograad gewogen activa;

waardepapieren:

documenten met een geldwaarde, zoals een bewijs van een aandeel of obligatie of een derivaat.

§ 2. Algemene uitgangspunten

Artikel 2. Algemeen uitgangspunt

Het financiële beleid en het beheer van de instellingen is dienstbaar aan het realiseren van de publieke doelstellingen, en is daartoe op transparante wijze gericht op financiële continuïteit.

Artikel 3. Interne organisatie

  • 1. De instelling die geld belegt of leent, al dan niet in combinatie met financiële derivaten, heeft in een treasurystatuut in ieder geval de volgende zaken geregeld:

    • a. de hoofdlijnen van de op het beleggen en lenen betrekking hebbende administratieve organisatie en het interne toezicht, waaronder in ieder geval de verdeling van taken en bevoegdheden,

    • b. de voor de instelling toegestane beleggings- en leningsvormen,

    • c. de bijbehorende informatievoorziening minimaal bestaande uit een kasstroomprognose over 5 jaar en de verantwoordingsinformatie, en

    • d. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen publieke middelen en overige middelen enerzijds en niet-publieke middelen anderzijds.

    Indien een instelling in het hoger onderwijs zich wil laten aanmerken als professionele belegger, dient dit ook in het treasurystatuut te zijn vastgelegd.

  • 2. Daarnaast heeft de instelling die financiële derivaten gebruikt haar interne organisatie op adequate wijze ingericht. In elk geval is geregeld:

    • a. de wijze waarop en de mate waarin het gebruik van financiële derivaten bijdraagt aan het beperken van renterisico’s bij het financiële beleid en beheer,

    • b. de interne organisatiestructuur is op orde inzake aanschaf en gebruik van financiële derivaten, waaronder in elk geval regels zijn opgesteld inzake bevoegdheden en mandatering, interne controle, interne verantwoording, rol en betrokkenheid van de externe accountant, en rol en betrokkenheid van de interne toezichthouder,

    • c. voldoende interne professionaliteit inzake financiële derivaten is gewaarborgd, ook bij de interne toezichthouder,

    • d. de beheersingsstructuur rond de risico’s van financiële derivaten, is onder meer gericht op de marktwaarde, de omvang en de samenstelling van de derivatenportefeuille en de monitoring van de marktwaarde en de (eventuele) liquiditeitsbuffer in relatie tot het liquiditeitsrisico.

  • 3. De interne toezichthouder toetst of het tweede lid onderdeel uitmaakt van de eisen die het bestuur aan de interne organisatie van de instelling stelt.

Artikel 4. Financiële onderneming

  • 1. Derivaten, leningen of beleggingen worden alleen aangetrokken dan wel uitgezet bij financiële ondernemingen als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht, en die:

    • a. gevestigd zijn in een lidstaat;

    • b. minstens een single A-rating hebben, afgegeven door tenminste twee van de drie ratingsbureaus Moody’s, Standard and Poor’s en Fitch.

  • 2. Beleggingen, leningen en derivaten met publieke middelen worden alleen aangetrokken in euro’s.

Artikel 5. Professioneel en niet- professionele belegger

  • 1. De instelling die geld belegt, of leent, al dan niet in combinatie met financiële derivaten verzoekt de financiële onderneming zich te laten aanmerken als niet-professionele belegger.

  • 2. Een instelling in het hoger beroepsonderwijs of een instelling voor wetenschappelijk onderwijs en onderzoek kan, op basis van zijn kennis met betrekking tot het aangaan van beleggingen, leningen en derivaten, bij de bank verzoeken zich te laten aanmerken als professionele belegger, indien de instelling aan de volgende drie voorwaarden heeft voldaan. De instelling heeft:

    • a. een balanstotaal van ten minste € 20 miljoen op jaarbasis;

    • b. een netto-omzet van ten minste € 40 miljoen op jaarbasis; en

    • c. een eigen vermogen van ten minste € 2 miljoen.

  • 3. Indien een instelling in het hoger beroepsonderwijs of een universiteit zich als professionele belegger wil laten aanmerken, stemt de instelling deze keuze af met de interne toezichthouder en wordt dit in het treasurystatuut opgenomen. Tevens wordt deze keuze aan de externe toezichthouder gemeld.

  • 4. Een instelling die als niet-professionele belegger is aangemerkt, sluit bij het afsluiten van een financieel derivaat met de financiële onderneming een raamovereenkomst als opgenomen in bijlage I af.

  • 5. Een instelling die als niet-professionele belegger is aangemerkt, is bij het aangaan van derivatenovereenkomsten gebonden aan de modelovereenkomst die is opgenomen in bijlage II.

§ 3. Specifieke regels

Artikel 6. Beleggingen

  • 1. Middelen van instellingen die tijdelijk overtollig zijn kunnen in een belegging worden uitgezet.

  • 2. De periode van het beleggen door instellingen is eindig en de belegging wordt op een vooraf vastgestelde einddatum terugontvangen.

  • 3. De hoofdsom van de belegging wordt door de financiële onderneming, bedoeld in artikel 4, te allen tijde gegarandeerd.

  • 4. Instellingen mogen beleggen in staatsobligaties van lidstaten, mits deze lidstaten aan de ratingeisen, genoemd in artikel 4, eerste lid, voldoen.

  • 5. Instellingen beleggen niet in:

    • a. achtergestelde spaarrekeningen en achtergestelde deposito’s;

    • b. aandelen of vergelijkbare producten, tenzij deze van toepassing zijn voor de uitvoering van de wettelijke taak van de instelling.

  • 6. Beleggingen worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder gestuurd.

Artikel 7. Leningen

  • 1. Een instelling kan middels leningen additionele financiële middelen aantrekken.

  • 2. Instellingen geven geen leningen uit aan derden, noch aan personeel, noch aan andere instellingen of organisaties, tenzij deze lening van toepassing is voor de uitvoering van de wettelijke taak van de instelling en binnen het doel van de organisatie past.

  • 3. Bij het aangaan van leningen gaat de instelling geen extra risico’s aan die het voortbestaan van de instelling of het geven van onderwijs kunnen bedreigen.

  • 4. Instellingen lenen alleen bij financiële ondernemingen als bedoeld in artikel 4.

  • 5. Leningen worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder gestuurd.

Artikel 8. Financiële derivaten

  • 1. Een instelling maakt alleen gebruik van financiële derivaten voor het beperken van opwaartse renterisico’s bij leningen.

  • 2. Een instelling hanteert uitsluitend rentecaps of payer swaps.

  • 3. Derivaten worden conform het treasurystatuut afgesloten en vooraf ter kennisname aan de interne toezichthouder voorgelegd.

  • 4. Een instelling die een financieel derivaat afsluiten, neemt in ieder geval de volgende contractuele voorwaarden in acht:

    • a. er worden geen clausules opgenomen die op enigerlei wijze de uitvoering van het toezicht op de instelling belemmeren;

    • b. er worden geen additionele eenzijdige opzeggingsmogelijkheden of andere beperkende voorwaarden vanuit de financiële onderneming opgenomen;

    • c. er worden geen derivaten met margin calls afgesloten.

Artikel 9. Geen ineffectieve positie derivaten

  • 1. Een derivaat wordt pas aangetrokken vanaf het moment dat de lening is afgesloten.

  • 2. De nominale waarde van het derivaat is niet groter dan de onderliggende lening.

  • 3. De looptijd van het derivaat is niet langer dan de onderliggende lening, met een maximum van 30 jaar.

  • 4. Indien de looptijd van het derivaat langer is dan 15 jaar, wordt dit gemotiveerd in het treasurystatuut.

  • 5. Bij het ontstaan van een niet-effectieve positie neemt de instelling direct contact op met zowel de interne als de externe toezichthouder.

§ 4. Verantwoording en toezicht

Artikel 10. Externe verantwoording

De instelling doet ieder jaar in de jaarverslaglegging ten aanzien van de publieke middelen verslag van haar beleid ten aanzien van de beleggingen en leningen, de uitvoering van het beleid in de praktijk, de uitstaande beleggingen en leningen, de aangetrokken leningen en afgesloten derivatenovereenkomsten. Hierbij wordt:

  • a. een vergelijking gemaakt met de gegevens van het voorgaande jaar;

  • b. van elke belegging jaarlijks gemeld op welk moment de belegging vrij valt;

  • c. verantwoording afgelegd over het gebruik van derivaten, conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs;

  • d. een rapportage over het treasurystatuut opgenomen, waarin tenminste verslag gedaan over:

    • 1°. het beleid en de uitvoering ten aanzien van beleggen, lenen en derivaten;

    • 2°. de soorten en omvang van de beleggingen, leningen en derivaten;

    • 3°. de looptijden van de beleggingen, leningen en derivaten.

Artikel 11. Toezicht

  • 1. De externe toezichthouder kan toetsen de instelling voldoet aan de eisen met betrekking tot de interne organisatie van de instelling, zoals bedoeld in artikel 3 van deze regeling.

  • 2. De externe toezichthouder beoordeelt minimaal eenmaal per jaar, mede op basis van in ieder geval de informatie van de accountant, of een instelling zich in voldoende mate houdt aan de regelgeving inzake derivatentransacties en neemt ter zake gepaste actie bij tekortkomingen of risico’s.

§ 5. Overgangsrecht

Artikel 12. Overgangsrecht

  • 1. De Regeling belenen en beleggen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010, zoals deze luidde op 30 juni 2016, blijft van toepassing op beleggingen, leningen en financiële derivaten die voor 1 juli 2016 zijn afgesloten.

  • 2. Instellingen die op 1 juli 2016 een belegging, lening of financieel derivaat hebben en op die datum nog geen treasurystatuut hebben, stellen voor 1 oktober 2016 een treasurystatuut op.

Artikel 13. Intrekking regeling

De Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 wordt ingetrokken.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.

Artikel 15. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

BIJLAGE I, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 5, VIERDE LID, VAN DE REGELING BELEGGEN, LENEN EN DERIVATEN OCW 2016

Raamovereenkomst INTEREST RATE Swaps

DEZE RAAMOVEREENKOMST is opgesteld op [•]tussen:

  • (1) [•] (‘Partij A’); en

  • (2) [•] (‘Partij B’).

OVERWEGENDE DAT

  • A. Partij B een [(semi-) publieke instelling] is [die ingevolge [•] onder toezicht staat].

  • B. In de Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016 van [•] (de Regeling’) is vastgelegd onder welke voorwaarden (semi-) publieke instellingen een interest rate swap (‘IRS’) mogen aangaan.

  • C. Deze raamovereenkomst (de ‘Overeenkomst’) regelt dat, in overeenstemming met het Beleidskader Derivaten, Nederlands recht van toepassing is op de rechtsverhouding tussen Partij A en Partij B, en de toepasselijkheid van de Wet op het financieel Toezicht (‘Wft’) en het Burgerlijk Wetboek (‘BW’).

  • D. Alle aspecten van de IRS die tussen Partij A en Partij B wordt aangegaan zijn onderhevig aan de toepasselijke ISDA Master Agreement, Schedule en Confirmations.

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

Partij A is verplicht te handelen overeenkomstig de regeling en verplicht zorg te dragen dat Partij B in overeenstemming met de regeling handelt. Deze Overeenkomst wordt aangemerkt als een overeenkomst van dienstverlening als bedoeld in artikel 7:400 BW.

Partij A erkent en accepteert dat op Partij A een geschreven en ongeschreven zorgplicht rust jegens Partij B als bedoeld in het BW, de Wft en de Algemene Bankvoorwaarden.

Partij A en Partij B komen ingevolge artikel 4:18d Wft overeen dat Partij B zal worden aangemerkt als een niet-professionele belegger als bedoeld in artikel 1:1 Wft.

Indien Partij A met Partij B één of meer transacties aangaat die ingevolge de regeling niet zijn toegestaan, dan kan zowel Partij A als Partij B een beroep doen op deze Overeenkomst. In dat geval worden alle schulden of vorderingsrechten van Partij B die voortgevloeid zijn, voortvloeien en zullen voortvloeien uit dergelijke transacties geneutraliseerd door tegengestelde schulden en vorderingsrechten met eenzelfde omvang. Deze tegengestelde schulden en vorderingsrechten ontstaan uit hoofde van deze Overeenkomst en ontstaan op hetzelfde moment als de schulden en vorderingsrechten die voortgevloeid zijn, voortvloeien en zullen voortvloeien uit de transactie die ingevolge het de regeling niet is toegestaan en zullen met elkaar verrekend worden.

Deze Overeenkomst wordt beheerst door en uitgelegd in overeenstemming met Nederlands recht. De Nederlandse rechter is exclusief bevoegd om geschillen te beslechten die voortvloeien uit of verband houden met deze Overeenkomst. Voorts zullen alle juridische geschillen (de ‘Procedures’) die voortvloeien uit of verband houden met deze Overeenkomst exclusief worden voorgelegd aan de Nederlandse rechter. In het geval van Procedures, verklaren beide partijen zich onherroepelijk te committeren tot de jurisdictie van de Nederlandse rechter en doen hierbij op voorhand afstand van het recht bezwaar te maken tegen voornoemde rechtskeuze en forumkeuze.

TEN BLIJKE WAARVAN partijen aan dit document uitvoering hebben gegeven op de onderstaande datum welke in werking treedt op de datum genoemd op de eerste pagina van dit document.

Partij A

Partij B

   

Datum

Datum

   

Handtekening

Handtekening

   
   

Naam

Naam

   

Functie

Functie

   

BIJLAGE II, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 5, VIJFDE LID, VAN DE REGELING BELEGGEN, LENEN EN DERIVATEN OCW 2016

SCHEDULE to the 2002 MASTER AGREEMENT

Dated as of .....

Between

Please fill in the name laid down by statute (‘Party A’)

And

[(semi-) publieke instelling] (‘Party B’),

Scope of Agreement

As of the date of this Agreement, all Transactions entered into from that date between the parties to this Agreement (and the respective rights and obligations of the parties in respect of those Transactions) shall be governed by, subject to, and determined in accordance with, the terms and conditions set out in this Agreement and the related Confirmations.

In respect of this Agreement, Party B shall be considered as a non-professional investor, in accordance with the Dutch Wet op het financieel toezicht. Regarding these Transactions, Party A shall act as an advisor for Party B. All of the above is incorporated in the independent agreement governed by Dutch law, as referred to in article 5, section 4 of the Dutch Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016.

Part 1 Termination Provisions

In this Agreement:

  • (a) ‘Specified Entity’ does not apply.

  • (b) ‘Specified Transaction’ will have the meaning specified in Section 14 of the Agreement.

  • (c) The ‘Cross-Default’ provisions of Section 5(a)(vi) of the Agreement will apply to Party A and will not apply to Party B provided, however, that notwithstanding the foregoing, an Event of Default shall not occur under either Section 5(a)(vi)(1) or (2) if (a) the event or condition referred to in Section 5(a)(vi)(1) or the failure to pay referred to in Section 5(a)(vi)(2) is a failure to pay caused by an error or omission of an administrative or operational nature; and (b) funds were available to such party to enable it to make the relevant payment when due; and (c) such relevant payment is made within three Local Business Days following receipt of written notice from an interested party of such failure to pay.

    If such provisions apply:

    • ‘Specified Indebtedness’ will have the meaning specified in Section 14.

    • ‘Threshold Amount’ means with respect to Party A, an amount equal to one percent (1%) of its total equity share capital (as specified from time to time in its most recent Annual Report containing consolidated financial statements, prepared in accordance with accounting principles that are generally accepted for institutions of its type in the jurisdiction of its organization and certified by independent public accountants), or its equivalent in any other currency.

  • (d) The ‘Credit Event Upon Merger’ provisions of Section 5(b)(v) of the Agreement will apply to Party A and will apply to Party B.

  • (e) The ‘Automatic Early Termination’ provision of Section 6(a) of the Agreement will apply, provided that Automatic Early Termination shall not apply upon the occurrence of an Event of Default with respect of Party B specified in Section 5(a)(vii) (3), (6) or, to the extend analogous thereto, (8).

  • (f) ‘Termination Currency’ means Euro or the currency selected by the Non-defaulting Party or the Non-affected Party, or in the circumstance where there are two Affected Parties, agreed by Party A and Party B, and failing such agreement the Termination Currency shall be Euro.

  • (g) ‘Additional Termination Event’ will not apply.

Part 2 Tax Representations

  • (a) Payer Representations. For the purposes of Section 3(e), Party A and Party B will make the following representation:

    It is not required by any applicable law, as modified by the practice of any relevant governmental revenue authority, of any Relevant Jurisdiction to make any deduction or withholding for or on account of any Tax from any payment (other than interest under X Section 9(h) of this Agreement) to be made by it to the other party under this Agreement. In making this representation, it may rely on (i) the accuracy of any representations made by the other party pursuant to Section 3(f) of this Agreement, (ii) the satisfaction of the agreement contained in Section 4(a)(i) or 4(a)(iii) of this Agreement and the accuracy and effectiveness of any document provided by the other party pursuant to Section 4(a)(i) or 4(a)(iii) of this Agreement and (iii) the satisfaction of the agreement of the other party contained in Section 4(d) of this Agreement, except that it will not be a breach of this representation where reliance is placed on clause (ii) above and the other party does not deliver a form or document under Section 4(a)(iii) by reason of material prejudice to its legal or commercial position.

  • (b) Payee Representations Party A and Party B make no Payee Tax representation.

Part 3 Documents to be Delivered

For the purpose of Section 4(a)(i) and 4(a)(ii) of the Agreement, each party agrees to deliver the following documents, covered by Section 3(d) of this Agreement, as applicable:

  • (a) Tax forms, documents or certificates to be delivered are:

    Each party agrees to complete, accurately and in a manner reasonably satisfactory to the other party, and to execute, arrange for any required certification of, and deliver to the other party (or to such government or taxing authority as the other party reasonably directs), any form or document that may be required or reasonably requested in order to allow the other party to make a payment under this Agreement without any deduction or withholding for or on account of any Tax or with such deduction or withholding at a reduced rate, promptly upon the earlier of (i) reasonably demand by the other party and (ii) learning that the form or document is required.

  • (b) Other documents to be delivered are:

    Please complete

Part 4 Miscellaneous

  • (a) Addresses for Notices. For the purpose of Section 12(a) of the Agreement:

    Address for notices or communications to Party A:

    Please complete

    Address for notices or communications to Party B:

    Please complete

  • (b) Process Agent. For the purpose of Section 13(c) of the Agreement:

    Party A appoints as its Process Agent in England: Please complete

    Party B appoints as its Process Agent in England: Please complete

  • (c) Offices. The provisions of Section 10(a) of the Agreement will apply.

  • (d) Multibranch Party. For the purpose of Section 10(b) of the Agreement:

    Party A [is not a Multibranch Party.][is a Multibranch Party and may enter into a Transaction through any of the following Offices]:

    Please complete

  • (e) Calculation Agent.

    The Calculation Agent is Party A, unless otherwise specified in a Confirmation in relation to the relevant Transaction. Failure of the Party designated as Calculation Agent to perform, on a timely basis, any of its responsibilities as Calculation Agent shall not relieve the parties of their respective payment obligations under the Agreement and such failure shall not be considered an event which would permit the termination of this Agreement or any Transaction. If a Party (a ‘Disputing Party’) reasonably disputes the outcome of a calculation by the Calculation Agent, then the Disputing Party will notify the Calculation Agent thereof not later than the close of business on the Local Business Day following the relevant Payment Date. The parties will consult with each other in an attempt to resolve the dispute. If they fail to resolve the dispute by 5.00 p.m., CET, on the Local Business Day following the date on which the notice is given, the Calculation Agent will recalculate the disputed calculation by seeking four actual quotations at mid-market from third parties for purposes of making the relevant calculation, and taking the arithmetic average of those obtained; provided that if four quotations are not available for a particular Transaction, then fewer than four quotations may be used for that calculation, and if no quotations are available, then the Calculation Agent's original calculations will be used.

  • (f) Credit Support Document. None.

  • (g) The Credit Support Provider. [Not applicable/Means with respect to Party A]:

    Please complete

  • (h) Governing Law. This Agreement will be governed by and construed in accordance with English Law.

  • (i) Netting of Payments. ‘Multiple Transaction Payment Netting’ [will not apply for the purpose of Section 2(c) of this Agreement.] [will apply for the purpose of Section 2(c) of this Agreement] to all Transactions payable on the same date and in the same currency.

  • (j) ‘Affiliate’ is not applicable.

  • (k) No Agency. The provisions of Section 3(g) will apply to this Agreement.

Part 5 Other Provisions

  • (a) Inconsistency

    Notwithstanding the provisions of Section 1(b) of the Agreement, in the event of any inconsistency between any of the following documents, the relevant document first listed below shall govern: (i) a Confirmation for the purpose of the relevant Transaction; (ii) the Schedule; (iii) the relevant ‘ISDA Definitions’ and (iv) the 2002 ISDA Master Agreement.

  • (b) Change of Account

    Section 2(b) shall be amended in full to read as follows: ‘Change of Account. Either party may change its account within the same currency as specified for the relevant payment or delivery in the Transaction by giving notice to the other party at least five Local Business Days prior to the scheduled date for payment or delivery to which such change applies unless such other party gives timely notice of a reasonable objection to such change, and provided that, if any new account of one party is not in the same jurisdiction as the original account, the other party shall not be obliged to pay any greater amount and shall not receive any lesser amount as a result of such change than would have been the case if such change had not taken place.’

  • (c) Financial Statements

    Section 3(d) shall be amended by adding before the full stop at the end of Section 3(d): ‘, provided that in the case of financial statements delivered by either party, the only representation being made is that such financial statements give a fair view of the state of affairs of the entities which they cover as at their date of publication.’

  • (d) Failure to Pay or Deliver

    Section 5(a)(i) shall be amended by replacing ‘First Local Business Day’ and ‘First Local Delivery Day’ by ‘‘Third Local Business Day’ and ‘Third Local Delivery Day’ respectively.

    Section 5(a)(i) shall be amended by adding at the end of Section 5(a)(i): ‘provided, however, that notwithstanding the foregoing, an Event of Default shall not occur if the failure to pay or deliver is caused by an error or omission of an administrative or operational nature and funds were available to such party to enable it to make the relevant payment or delivery when due and provided that such error or omission is remedied within three Local Business Days and/or three Local Delivery Days after notice of such failure being received.’

  • (e) Default Under Specified Transaction

    Section 5(a)(v)(2) shall be amended by replacing ‘First Local Business Day’ by ‘Third Local Business Day’.

  • (f) Events

    Supplementary provisions, deviating from the Master Agreement are not allowed, nor deviations from the regeling beleggen, lenen en derivaten.

  • (g) Severability

    In the event any one or more of the provisions contained in this Agreement should be held invalid, illegal, or unenforceable in any respect, the validity, legality and enforceability of the remaining provisions contained herein shall not in any way be affected or impaired thereby. The parties shall endeavor, in good faith negotiations, to replace the invalid, illegal or unenforceable provisions with valid provisions the economic effect of which comes as close as possible to that of the invalid, illegal or unenforceable provisions.

  • (h) Confirmations

    Notwithstanding anything to the contrary in the Agreement:

    • (I) The parties hereto agree that with respect to each Transaction hereunder a legally binding agreement shall exist from the moment that the parties hereto agree on the essential terms of such Transaction, which the parties anticipate will occur by telephone.

    • (II) For each Transaction Party A and Party B agree to enter into hereunder Party A shall promptly send to Party B a Confirmation setting forth the terms of such Transaction (which Confirmations shall be in a form agreed to by the parties exchanged by mail, facsimile or other electronic means). Party B shall execute and return the Confirmation to Party A or request correction of any error within three Local Business Days of receipt. Failure of Party B to respond within such period shall not affect the validity or enforceability of such Transaction and shall be deemed to be an affirmation of such terms absent manifest error.

  • (i) Additional Agreements

    Each party agrees, upon learning of the occurrence of any event or commencement of any condition that constitutes (or that with the giving of notice or passage of time or both would constitute) an Event of Default or Termination Event with respect to such party, promptly to give the other party notice of such event or condition (or, in lieu of giving notice of such event or condition in the case of an event or condition that with the giving of notice or passage of time or both would constitute an Event of Default or Termination Event with respect to the party, to cause such event or condition to cease to exist before becoming an Event of Default or Termination Event).

  • (j) Recording of Conversations

    Each party (i) consents to the recording of telephone conversations between the trading, marketing and other relevant personnel of the parties in connection with this Agreement or any potential Transaction, (ii) agrees to obtain any necessary consent of, and give any necessary notice of such recording to, its relevant personnel and (iii) agrees, to the extent permitted by applicable law, that recordings may be submitted in evidence in any Proceedings.

  • (k) Amendment to Section 6(d)(ii)

    Section 6(d)(ii) of the Agreement is hereby amended by adding the following proviso at the end of the first sentence: ‘provided, however, that if any amount calculated as being due in respect of an Early Termination Date which is designated as a result of an Illegality or a Force Majeure Event cannot be paid on such day by the Office specified in the Confirmation(s) relating to the Terminated Transaction(s) as a result of such event, then such amount will be payable by such Office on the day which is two Local Business Days after the day on which the Illegality or a Force Majeure Event, as the case may be, no longer exists or, if earlier, on the date on which an Event of Default occurs.’

  • (l) Timely Confirmation

    • (I) Section 9(e)(ii) is amended by:

      • (a) replacing the word ‘practicable’ with the word ‘possible’ in the third line thereof; and

      • (b) inserting ‘or by other method intended by the parties to be effective for the purpose of confirming or evidencing such Transaction’ immediately before the words ‘which in each case will be sufficient’.

    • (II) In respect of each Relevant Confirmation Transaction, Party A and Party B will use reasonable efforts acting in good faith and a commercially reasonable manner to ensure each Relevant Confirmation Transaction is confirmed by the Timely Confirmation Deadline.

    • (III) In respect of each Relevant Confirmation Transaction:

      • (a) the Documenting Party will deliver a Confirmation to the Receiving Party as soon as possible and at the latest by the Confirmation Delivery Deadline; and

      • (b) following the delivery in (A) above, the Receiving Party will, use reasonable efforts acting in good faith and a commercially reasonable manner, either confirm the Confirmation or deliver to the Documenting Party a Not Confirmed Notice as soon as possible and at the latest by the Timely Confirmation Deadline.

        If the Receiving Party delivers a Not Confirmed Notice to the Documenting Party by the Timely Confirmation Deadline, Party A and Party B will use reasonable efforts acting in good faith and a commercially reasonable manner, to attempt to resolve the difference and confirm the Relevant Confirmation Transaction as soon as possible.

    • (IV) For the purposes of this Part 5(l):

      CCP’ means a central clearing house authorised under Article 14 of EMIR or recognised under Article 25 of EMIR.

      CCP Service’ means in respect of a CCP, an over-the-counter derivative clearing service offered by such CCP.

      Cleared’ means, in respect of a Transaction, that such Transaction has been submitted (including where details of such Transaction are submitted) to a CCP for clearing in a relevant CCP Service and that such CCP has become a party to a resulting or corresponding transaction, as applicable, pursuant to such CCP's Rule Set.

      Commission’ means the executive body of the European Union which is responsible for proposing legislation, implementing decisions, upholding the European Union's treaties and the day-to-day running of the European Union.

      confirm’ means, with respect to a Confirmation provided by the Documenting Party to the Receiving Party, an acknowledgement in writing (whether by execution in counterpart of the Confirmation or otherwise) or electronically from the Receiving Party to the Documenting Party that the terms of such Confirmation reflect the terms of the Relevant Confirmation Transaction and ‘confirmed’ will be construed accordingly.

      Confirmation Delivery Deadline’ means (i) 5:00 pm CET on the Local Business Day prior to the Timely Confirmation Deadline; or (ii) if the Timely Confirmation Deadline falls after the day that is the second Local Business Day following the Trade Date, 5:00 PM CET on the second Local Business Day immediately preceding the Timely Confirmation Deadline. Notwithstanding anything to the contrary in the Agreement, for this purpose ‘Local Business Day’ means, a day on which commercial banks and foreign exchange markets are generally open to settle payments in the city in which the office through which the Receiving Party is acting for the purposes of the Relevant Confirmation Transaction is located.

      ‘Documenting Party’ means Party A.

      ‘EMIR’ means Regulation (EU) No 648/2012 of the European Parliament and of the Council on OTC derivatives, central counterparties and trade repositories dated 4 July 2012.

      ‘European Union’ means the economic and political union established in 1993 by the Maastricht Treaty, with the aim of achieving closer economic and political union between member states that are primarily located in Europe.

      ‘Not Confirmed Notice’ means, with respect to a Confirmation provided by the Documenting Party, a written notice from the Receiving Party to the Documenting Party stating that the terms of such Confirmation do not accurately reflect the terms of the Transaction, which terms are inaccurate and what such terms should be, in the opinion of the Receiving Party.

      ‘Receiving Party’ means the party which is not the Documenting Party.

      ‘Relevant Confirmation Transaction’ means any Transaction which was not Cleared and entered into on or following the Timely Confirmation Start Date.

      ‘Rule Set’ means, with respect to a CCP Service, the relevant rules, conditions, procedures, regulations, standard terms, membership agreements, collateral addenda, notices, guidance, policies or other such documents promulgated by the relevant CCP and amended and supplemented from time to time.

      ‘Timely Confirmation Deadline’ means the end of the latest day by which such Relevant Confirmation Transaction must be confirmed in accordance with Article 12 of Chapter VIII of the Commission Delegated Regulation (EU) No 149/2013 published 23 February 2013 in the Official Journal of the European Union. If Party A to such Relevant Confirmation Transaction is not a ‘financial counterparty’ (as defined in EMIR), it will be deemed to be a financial counterparty solely for the purpose of determining such latest day.

      ‘Timely Confirmation Start Date’ means the twentieth day following the day of publication of Article 12 of Chapter VIII of the Commission Delegated Regulation (EU) No 149/2013 published 23 February 2013 in the Official Journal of the European Union.

      ‘Trade Date’ means the date of execution of the Transaction.

  • (m) EMIR Reporting Obligation

    The Parties agree that any reporting obligation that Party B is subject to under Regulation (EU) No 648/2012 of the European Parliament and of the Council on OTC derivatives, central counterparties and trade repositories dated 4 July 2012 is delegated to Party A.]1

  • (n) Incorporation and Interpretation of Definition

    Any definitions published by the International Swaps and Derivatives Association, Inc., as amended, supplemented and replaced from time to time which shall apply to this Agreement will be referred to in the relevant Confirmation. In the event and to the extent that the relevant Confirmation does not refer to any definitions, the following applies:

    Reference is made to the following definitions, where applicable which are hereby incorporated by reference herein:

    the 2006 ISDA Definitions (the ‘ISDA Definitions’); and

    any terms used and not otherwise defined in the Confirmation shall have the meaning set forth therein.

  • (o) Form of Agreement

    The parties agree that the text of the body of this Agreement is intended to be the printed form of the ISDA 2002 Master Agreement as published and copyrighted by the International Swaps and Derivatives Association, Inc© (ISDA).

IN WITNESS WHEREOF the parties have executed this document on the respective dates specified below with effect from the date specified on the first page of this document.

Party A

Party B

   

Date

Date

   

Signature

Signature

   
   

Name

Name

   

Function

Function

   

TOELICHTING

Algemeen

Deze toelichting wordt gegeven in overeenstemming met de Staatssecretaris van Economische Zaken.

1. Inleiding

In het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’ (Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 15) is opgenomen: ‘Voor organisaties die (mede) met publiek geld zijn gefinancierd, is het verboden te speculeren met complexe financiële producten zoals derivaten. Verzekeren tegen renterisico’s is wel toegestaan. Toezicht hierop vindt plaats bij de jaarlijkse accountantscontrole.’ Om de uitvoering van dit onderdeel van het regeerakkoord interdepartementaal te harmoniseren, heeft de Minister van Financiën het Beleidskader derivaten (hierna: Beleidskader) opgesteld. Het Beleidskader bevat de algemene uitgangspunten voor het gebruik van financiële derivaten in de (semi)publieke sector. Aan de vakdepartementen is vervolgens de opdracht gegeven de inhoud van het Beleidskader te verankeren in de sectorale wet- en regelgeving. Deze regeling is daarvan het resultaat. Daarnaast heeft er een actualisatie plaatsgevonden van de huidige geldende regels met betrekking tot beleggingen, leningen en derivaten.

2. Hoofdlijnen van de regeling

2.1 Probleembeschrijving

Vanuit de lumpsumgedachte zijn onderwijsinstellingen zelf verantwoordelijk voor de wijze waarop zij de hen toegekende middelen besteden. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de minister) stelt zich vanwege die bestedingsvrijheid terughoudend op. De vrijheid gaat echter niet zo ver, dat in het geheel geen voorwaarden aan de wijze van besteding kunnen worden gesteld. Juist waar het gaat om het uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten, zijn de risico’s van onrechtmatige en ondoelmatige besteding van publieke middelen groot.

2.2 Probleemaanpak

Publieke middelen moeten worden ingezet voor de publieke taak. Om de financiële continuïteit van (semi)publieke instellingen te verzekeren, legt het Beleidskader Derivaten (bijlage bij Kamerstukken 2013/14, 33 489, nr. 14) het gebruik van financiële derivaten aan banden. Door regels te stellen die speculatief en riskant gebruik tegengaan, beoogt het kabinet te verzekeren dat derivaten alleen op verantwoorde wijze worden ingezet. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer derivaten worden gebruikt om renterisico’s te beheersen die ontstaan bij investeringen.

2.3 Motivering instrumentkeuze

Voor zover het om instellingen in het onderwijs gaat, is de materie waarop het Beleidskader Derivaten ziet niet geheel nieuw. Er wordt al enkele jaren met beleid over het beleggen en lenen van publieke middelen gewerkt. In 2007 werd de Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek (Stcrt. 2007, 30) van kracht, die naderhand is vervangen door de Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 (Stcrt. 2009, 14404). In deze regeling worden regels gesteld voor de jaarverslaggeving en de wijze waarop de betrokken instellingen hun publieke en overige middelen mogen beleggen en belenen.

De grondslag van de Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 was niet toereikend om ook het nieuwe beleid ten aanzien van derivaten in een regeling vast te leggen. Om die reden zijn met de Wet van 24 juni 2015 tot wijziging van diverse onderwijswetten in verband met het aanbrengen van enkele inhoudelijke wijzigingen van diverse aard (Stb. 2015, 284) nieuwe delegatiebepalingen opgenomen in de verschillende onderwijswetten. Deze maken het de minister mogelijk om regels te stellen over het uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor producten (derivaten). Deze delegatiebepalingen dienen als grondslag voor deze regeling.

2.4 Toepassing

Het Beleidskader geldt voor alle beleidsterreinen van de minister. Dit betekent dat dit beleidskader niet alleen geldt voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen, maar ook voor instellingen in de andere OCW-sectoren, zoals cultuur, media en emancipatie. Deze regeling verankerd de voorwaarden uit het Beleidskader voor de verschillende onderwijssectoren. Voor de overige beleidsterreinen (cultuur, media en emancipatie) zullen de voorwaarden uit deze regeling in de subsidievoorwaarden van overeenkomstige toepassing worden verklaard.

2.5 Treasurystatuut

Een belangrijk onderdeel van de Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016 is de voorwaarde dat er een treasurystatuut moet worden opgesteld door instellingen, indien zij beleggen, lenen of derivaten afsluiten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • 1. Onderwijsinstellingen; en

  • 2. onderwijsgerelateerde instellingen (zoals wetenschap) en overige instellingen (cultuur, media en emancipatie).

Hier wordt in de paragrafen 2.6 en 2.7 nader op ingegaan.

2.6 Onderwijsinstellingen

De eis van een treasurystatuut geldt voor alle onderwijsinstellingen die beleggen, lenen of derivaten hebben. Deze regeling is onderdeel van de verantwoordingsvoorschriften voor de instelling. In het onderwijsaccountantsprotocol OCW/EZ worden voorschriften voor de instellingsaccountant opgenomen, waardoor de accountant de verantwoording van de instelling controleert op de naleving van deze regeling. Ook wordt van de accountant gevraagd de aanwezigheid van een treasurystatuut vast te stellen, indien dat op grond van deze regeling verplicht is.

2.7 Overige instellingen

Doordat deze regeling alleen van toepassing wordt verklaard voor onderwijsinstellingen die onder de reikwijdte van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) vallen, hoeven niet alle instellingen in de overige OCW-sectoren aan deze regeling te voldoen en hiervoor onder andere een treasurystatuut op te stellen. Zo wordt voorkomen dat kleine instellingen met (onnodige) administratieve lasten worden geconfronteerd die niet in verhouding staan tot de subsidie die zij ontvangen.

2.8 Overgangssituatie

Met de inwerkingtreding van deze regeling ontstaat er een nieuwe situatie. De Regeling beleggen en belenen voor onderwijs en onderzoek 2010 is ingetrokken en vervangen door deze regeling. Hierdoor verandert de situatie, hoewel de strekking van de nieuwe regeling gelijk blijft aan de oude. De belangrijkste aanpassingen worden veroorzaakt door de verankering van het beleidskader Derivaten.

Voor culturele instellingen zal vanaf 2017 de voorwaarden uit de regeling van toepassing worden verklaard bij de start van de nieuwe subsidieperiode.

Naast bovenstaande onderwerpen uit het beleidskader, stelt deze regeling ook enkele voorwaarden voor het aangaan van beleggingen of leningen. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Regeling beleggen en belenen voor onderwijs en onderzoek 2010.

Voor contracten die de instelling onder de oude regeling heeft afgesloten, blijft de oude regeling van toepassing. Deze contracten hoeven niet te worden aangepast aan de nieuwe regeling. Financiële producten die vanaf de inwerkingtreding van deze regeling worden afgesloten, zullen conform deze nieuwe regeling afgesloten moeten worden.

Voor het opstellen van het treasurystatuut is een overgangsperiode opgenomen. Instellingen die al wel gebruik maken van beleggen, lenen en derivaten, maar die nog geen treasurystatuut hadden, krijgen tot 1 oktober 2016 de tijd om deze alsnog op te stellen. Vanaf dat moment controleert de accountant of het treasurystatuut aanwezig is.

De instellingen publiceren elk jaar conform de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. In de jaarrekening en het bestuursverslag wordt een verantwoording opgenomen over de aangehouden beleggingen, leningen en derivaten. Tevens is in deze documenten een uitwerking van het treasurystatuut opgenomen.

3. Gevolgen Caribisch Nederland

Het is belangrijk dat deze regeling op termijn ook wordt ingevoerd in Caribisch Nederland. De onderwijsinstellingen daar zien zich momenteel echter geconfronteerd met veel veranderingen in het onderwijs en zijn hard bezig om de basiskwaliteit in 2016 op orde te krijgen. Hierdoor bestaat het risico op overbelasting. Daarnaast geldt een legislatieve terughoudendheid voor de eilanden. Vandaar dat deze regeling nu nog niet van toepassing wordt verklaard voor de onderwijsinstellingen in Caribisch Nederland. In overleg met de eiland- en schoolbesturen zal worden bepaald wanneer deze regeling ook voor Caribisch Nederland van toepassing wordt verklaard.

4. Gevolgen administratieve lasten

Deze regeling heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting.

Voor de regeling is nagegaan of deze een wijziging in de administratieve lasten teweegbrengt. De administratieve lasten bij deze regeling worden voor onderwijsinstellingen veroorzaakt door het opstellen van een treasurystatuut. Deze administratieve lasten zijn voor onderwijsinstellingen verwaarloosbaar, omdat de meeste instellingen al een dergelijk statuut hebben.

Voor zover een instelling buiten de onderwijssector nog geen treasurystatuut heeft en deze regeling met een subsidievoorwaarde van overeenkomstige toepassing is verklaard, zal de instelling een treasurystatuut moeten opstellen. Deze verwachte kosten voor het opstellen van een treasurystatuut wordt ingeschat op ongeveer € 800,– per instelling, gebaseerd op de omvang van de werkzaamheden en de kosten voor inhuur. Het aantal instellingen die hiermee te maken hebben, wordt geschat op maximaal een tiental.

5. Uitvoering

Een belangrijke verandering in deze regeling ten opzichte van de Regeling belenen en beleggen voor onderwijs en onderzoek 2010, is de verankering van het Beleidskader Derivaten. De volgende uitgangspunten komen uit het beleidskader:

  • Interne organisatie: Instellingen dienen hun interne organisatie op adequate wijze te hebben ingericht.

  • Aan te trekken derivaten: Er is een positief limitatieve opsomming gemaakt van het soort derivaten dat mag worden afgesloten. Er mogen alleen rentederivaten (rente cap en payer swap) worden afgesloten die een opwaarts renterisico dekken bij een derivaat op een lening. Daar zijn vervolgens nog voorwaarden aan gesteld, bijvoorbeeld de voorwaarde dat een derivaat geen ineffectieve positie oplevert. Ook worden er regels gesteld over de maximale looptijd van een derivaat. Er is met het Ministerie van Financiën overeengekomen dat de looptijd van een derivaat bij OCW-instellingen maximaal 30 jaar mag zijn, in tegenstelling tot de 10 jaar die in het Beleidskader Derivaten staat;

  • (niet-)professionele belegger: Een instelling die is aangemerkt als niet-professionele belegger geniet meer bescherming dan een professionele belegger. In de regeling is opgenomen dat instellingen in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs als niet-professionele belegger worden aangemerkt. Wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan mogen hogescholen en universiteiten zich laten aanmerken als professionele belegger;

  • Contractuele voorwaarden: Bepaalde clausules zijn verboden. Zo mag een derivatenovereenkomst niet eenzijdig door de bank opgezegd kunnen worden, bijvoorbeeld bij een bestuurswisseling of andere omstandigheden. Daarnaast wordt een standaardovereenkomst voorgeschreven die met de bank overeengekomen moet zijn, en is er een modelovereenkomst die is gebaseerd op de ISDA 2002 Master Agreement (bijlage bij Kamerstukken 2012/13, 29 453, nr. 326).

  • Verantwoording: De instellingen publiceren elk jaar het bestuursverslag, waarin tevens wordt verantwoord over de uitwerking van het treasurystatuut.

6. Toezicht en handhaving

Voor elke instelling moet duidelijk zijn wie de toezichthouder is. Intern is dat het intern toezichthoudend orgaan. De accountant toetst jaarlijks of de instellingen conform deze regeling hebben gehandeld bij het aantrekken van nieuwe financiële producten en dat er geen toezichtbeperkende bepalingen zijn opgenomen in de contracten. De externe toezichthouder voor onderwijsinstellingen is de Inspectie van het Onderwijs. Deze beoordeelt minimaal eenmaal per jaar, aan de hand van de jaarverslagen die door de instellingen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) worden aangeleverd en mede op basis van de informatie van de accountant, of een instelling zich in voldoende mate houdt aan de regelgeving inzake derivatentransacties en neemt terzake gepaste actie bij tekortkomingen of risico’s.

7. Advies en Consultatie

De sectorraden in het onderwijs hebben op verschillende conceptversies van deze regeling kunnen reageren. Binnen de kaders van de regeling zijn de opmerkingen van deze sectorraden in de regeling verwerkt.

Aan DUO is gevraagd te kijken naar de uitvoerbaarheid en de handhaafbaarheid van de regeling. Hierbij is integraal gekeken naar de uitvoerbaarheid en de administratieve lasten. De Inspectie van het Onderwijs en de Auditdienst Rijk hebben gekeken naar de handhaafbaarheid van de regeling. De conclusie ten aanzien van de uitvoerbaarheid van de artikelen in de regeling is dat deze uitvoerbaar zijn.

8. Overgangsrecht en inwerkingtreding

De Regeling beleggen en belenen voor onderwijs en onderzoek 2010 wordt ingetrokken. Voor beleggingen, leningen en derivatencontracten die zijn afgesloten onder het regime van deze oude regeling blijft die regeling echter van toepassing. Alle beleggingen, leningen en derivatencontracten die worden afgesloten vanaf het moment van inwerkingtreding van de nieuwe regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016 zullen moeten voldoen aan de inhoud van deze regeling. Het is dus niet noodzakelijk dat oude contracten worden aangepast aan de nieuwe regeling.

Een uitzondering hierop is het treasurystatuut. Instellingen die nog geen treasurystatuut hadden, maar wel gebruik maken van beleggingen, leningen of derivaten, zullen ervoor moeten zorgen dat zij voor 1 oktober 2017 alsnog een treasurystatuut hebben, die voldoet aan de eisen zoals gesteld in de regeling. Deze regeling is niet rechtstreeks van toepassing op culturele instellingen. De voorwaarden uit de regeling worden vanaf 2017 van toepassing verklaard op de culturele instellingen.

In beginsel worden voor onderwijsregelgeving vier vaste inwerkingtredingsdata gehanteerd, namelijk 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober, en geldt een minimale invoeringstermijn van twee maanden. De invoeringstermijn is de termijn tussen publicatie in de Staatscourant en de inwerkingtreding. Om aan te kunnen sluiten bij het vaste verandermoment van 1 juli 2016 treedt de regeling in werking met ingang van deze datum. Hierbij wordt afgeweken van de vaste invoeringstermijn. Deze afwijking brengt geen nadelen met zich mee, omdat het onderwijsveld, via de sectorraden, al op de hoogte is van de inhoud van deze regeling. Daarnaast brengt deze regeling niet veel wijzigingen tot stand ten opzichte van de huidige situatie. Voor hetgeen wel nieuw is, het treasurystatuut, geldt een langere invoeringstermijn; instellingen die nog geen treasurystatuut hebben, krijgen tot 1 oktober 2016 de tijd om dit op te stellen.

Artikelsgewijs

Artikel 1. Definities

In het eerste artikel wordt een definitiebepaling gegeven voor begrippen die relevant zijn voor het interpreteren van de regeling. Voor zover nadere toelichting nodig is, zal hier bij de begrippen een korte aanvullende toelichting worden gegeven.

Beleggingen zijn uitzettingen van middelen die tijdelijk niet benodigd zijn om aan lopende financiële verplichtingen te voldoen. Hierbij kan men denken aan: obligaties, alle vormen van spaartegoeden en deposito’s.

De interne toezichthouder of het interne toezichthoudend orgaan houdt toezicht op de uitvoering van de taken en de uitoefening van de bevoegdheden door het bestuur en staat het bestuur met raad terzijde. Het intern toezicht op het bestuur is in functionele of organieke zin gescheiden.

Bij een derivaat met margin call wordt de instelling die het derivaat aangaat verplicht een zekerheid te storten bij de financiële onderneming wanneer de rente onder een bepaald waarde komt. Deze zekerheid dient als compensatie voor de financiële onderneming, voor het geval de instelling tijdens de lopende periode niet aan de financiële verplichtingen van het derivatencontract kan voldoen.

Artikel 2. Algemeen uitgangspunt

In dit artikel wordt het uitgangspunt naar voren gebracht, dat publiek geld wordt verstrekt ten behoeve van het verzorgen van onderwijs en onderzoek. Dit algemene uitgangspunt geldt ook als uitgangspunt bij deze regeling. Hier wordt ook onder verstaan dat het aangaan van risicovolle financiële producten (beleggingen, derivaten) onwenselijk is. Ondanks dat private middelen niet onder de regeling vallen, mogen met private middelen niet zodanige risico’s worden aangegaan dat deze een negatief effect zouden kunnen hebben op de publieke middelen. Derivaten zijn alleen toegestaan met het doel om opwaartse renterisico’s te beheersen. Het speculeren met derivaten door instellingen is verboden.

Bank- en spaarrekeningen bij een financiële onderneming die aan de ratingeisen voldoen, vallen niet onder de regeling, evenmin als een hypothecaire lening. Het gangbare dagelijkse financiële verkeer valt buiten de reikwijdte van deze regeling.

Artikel 3. Interne organisatie

Het eerste lid van dit artikel stelt regels over het treasurystatuut. Instellingen die gebruik maken van een belegging, lening of derivaat dienen een treasurystatuut te hebben. Alle onderwijsinstellingen en veel instellingen waar deze regeling in de subsidievoorwaarden op van toepassing zullen worden verklaard, hanteren reeds een treasurystatuut. In dit artikel wordt op een rijtje gezet wat hier minimaal in zou moeten staan. In het treasurystatuut moet worden geregeld op welke wijze een scheiding is aangebracht tussen publieke en private middelen. De achtergrond hierbij is dat risico’s die met private middelen worden aangegaan, geen invloed mogen hebben op de publieke middelen.

De instellingen geven in het treasurystatuut ook aan welke toegestane lenings- en beleggingsvormen zij hanteren. Voor wat betreft het gebruik van derivaten kan in het treasurystatuut niets anders worden opgenomen dan een payer swap of een rente cap. Andere vormen zijn met deze regeling uitgesloten.

Indien een instelling in het hoger onderwijs zich als professionele belegger wil laten aanmerken, zoals geregeld in artikel 5, dient dit ook in het treasurystatuut te worden opgenomen.

Daarnaast is onder andere opgenomen dat de interne organisatiestructuur op zodanige wijze ingericht is dat de instelling op verantwoorde wijze met financiële producten, zoals derivaten, kan omgaan.

Artikel 4. Financiële onderneming

In dit artikel zijn voorwaarden gesteld aan de financiële onderneming waarmee zaken gedaan wordt. Die voorwaarden zijn erop gericht dat er geen valutarisico wordt gelopen door de instellingen en dat de tegenpartij bij het afsluiten van een derivatencontract voldoende kredietwaardig is. Hiertoe is onder andere geregeld dat de financiële ondernemingen moeten behoren tot de Europese Economische Ruimte: hierin zitten alle landen van de Europese Unie, Liechtenstein, Noorwegen en IJsland.

Artikel 5. Professionele en niet-professionele belegger

Het uitgangspunt is dat is neergelegd in artikel 5 is dat alle onderwijsinstellingen met hun bank regelen dat zij worden aangemerkt als niet-professionele belegger. Instellingen in het hoger beroepsonderwijs of universiteiten kunnen ervoor kiezen zich aan te laten merken als professionele belegger. Indien deze instellingen om hun moverende redenen zich toch als professionele belegger willen laten aanmerken, dan geldt dat alle drie de voorwaarden uit artikel 5, tweede lid van deze regeling van toepassing zijn, in tegenstelling tot hetgeen in het Beleidskader Derivaten is opgenomen. In het beleidskader is opgenomen dat aan twee van de drie voorwaarden voldaan moet zijn. Bovendien moeten zij voor deze beslissing de instemming van de raad van toezicht hebben en nemen zij deze status op in het treasurystatuut van de instelling. Tevens moet de instelling deze status onverwijld melden aan de externe toezichthouder.

De status professionele belegger heeft gevolgen ten aanzien van de bescherming die zij krijgen in hun contacten met de banken.

Professionele beleggers worden geacht beleggers te zijn die beschikken over voldoende ervaring, kennis en expertise om zelf beleggingsbeslissingen te nemen en de risico’s die ze lopen naar behoren in te schatten en financieel te dragen. Instellingen in het hoger beroepsonderwijs en universiteiten mogen zich als professionele belegger laten aanmerken, mits zij voldoen aan de gestelde financiële voorwaarden. Deze constructie is, voor wat betreft derivaten, een afwijking op het Beleidskader Derivaten. Het uitgangspunt van het beleidskader is, dat een instelling die voldoet aan de voorwaarden in beginsel een professionele belegger is, tenzij is bepaald dat zij een niet-professionele belegger zijn. In deze regeling is het uitgangspunt dat een instelling in beginsel een niet-professionele belegger is. Alleen een instelling in het hoger beroepsonderwijs of wetenschappelijk onderwijs dat aan de genoemde voorwaarden voldoet kan verzoeken zich te laten aanmerken als professionele belegger. Deze voorwaarde is in de regeling gesteld in overleg met het Ministerie van Financiën.

De zorgplicht van de financiële onderneming tegenover professionele beleggers is minder uitgebreid dan voor niet-professionele beleggers. Instellingen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs dienen zich aan te laten merken als niet-professionele belegger, ongeacht of ze aan de voorwaarden van het tweede lid voldoen. De reden voor deze onderwijssectoren om zich als niet-professionele belegger aan te laten merken zijn de financiële kennis, de huisvestingsverantwoordelijkheid van de gemeente en de grote hoeveelheid instellingen met een beperkte financiële omvang.

Instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs dienen zich aan te laten merken als niet-professionele belegger, ongeacht of ze aan de voorwaarden van het tweede lid voldoen. De redenen voor instellingen in deze onderwijssector om zich als niet-professionele belegger aan te laten merken zijn de incidenten van de afgelopen periode ten aanzien van het aangaan van leningen of derivaten.

In lid 2 wordt geregeld dat instellingen in het hoger beroepsonderwijs en de universiteiten, op basis van hun kennis van het aangaan van beleggingen, leningen en derivaten, bij de bank kunnen verzoeken zich te laten aanmerken als professionele belegger, indien de instelling aan alle drie voorwaarden heeft voldaan die in de regeling worden genoemd. Overigens zijn banken niet verplicht om dit verzoek te honoreren en kunnen daar ook niet toe verplicht worden. De keuze van de instelling om door de bank als professionele belegger te worden aangemerkt, dient met de raad van toezicht te worden afgestemd om zo breed draagvlak binnen de organisatie te hebben voor deze keuze. Tevens moet de keuze zo snel mogelijk in het treasurystatuut worden opgenomen en moet de externe toezichthouder hierover onverwijld worden geïnformeerd.

In het vierde lid is opgenomen dat financiële derivaten door niet-professionele beleggers alleen mogen worden aangetrokken wanneer de instelling met de financiële ondernemingen een raamovereenkomst als bedoeld in bijlage I heeft afgesloten. In deze raamovereenkomst wordt contractueel vastgelegd dat de instelling een niet-professionele belegger is in het kader van de zorgplichtregels van de Wft. Tevens wordt in de raamovereenkomst vastgelegd dat de financiële onderneming verplicht is ervoor te zorgen dat zowel zijzelf als de instelling handelt in overeenstemming met deze regeling. In de raamovereenkomst zijn vrijwaringsbepalingen opgenomen voor in het geval wel in strijd met deze regeling is gehandeld.

In het vijfde lid worden niet-professionele beleggers verplicht gebruik te maken van de modelovereenkomst in bijlage II, bij het afsluiten van financiële derivaten. Deze modelovereenkomst is gebaseerd op de standaarden van de International Swaps and Derivatives Association (ISDA) en is de wereldwijde standaard voor het aangaan van derivaten. Hierdoor biedt het afsluiten van deze modelovereenkomst de meeste rechtszekerheid. Het in bijlage II opgenomen Schedule is het feitelijk te tekenen contract op basis waarvan de derivatentransacties plaatsvinden. Dit contract is gebaseerd op en verwijst naar de ISDA-Master Agreement 2002. Wanneer een instelling en een financiële onderneming een modelovereenkomst sluiten mogen zij deze slechts op die plaatsen wijzigen of aanvullen waar een dergelijke mogelijkheid expliciet is opengelaten.

Voor instellingen die als professionele belegger worden aangemerkt, is gebruik van de modelovereenkomst niet verplicht. Wel dienen deze instellingen de modelovereenkomst als uitgangspunt te nemen in hun contractonderhandelingen met de financiële onderneming waarmee een derivaat wordt afgesloten. Dergelijke instellingen zijn in beginsel echter vrij om een andere overeenkomst dan de modelovereenkomst te hanteren.

Artikel 6. Beleggingen

In dit artikel worden regels gesteld ten aanzien van het afsluiten van beleggingen met tijdelijk overtollige middelen. Met tijdelijk overtollige middelen wordt bedoeld middelen die tijdelijk niet nodig zijn voor de publieke taak. Tijdelijk kan betekenen een periode van 3 maanden of langer en de duur wordt aan het oordeel van de instelling overgelaten, mits de periode dat de middelen bij een financiële onderneming worden uitgezet eindig is en de instelling geen financiële risico’s loopt doordat deze overtollige middelen niet voor de publieke taak beschikbaar zijn.

In het tweede lid is opgenomen dat beleggingen eindig moeten zijn. Bij beleggingen is het belangrijk in gedachten te houden dat het ontvangen van een hoge rentepremie vanzelfsprekend meer risico met zich mee brengt. Om deze reden mogen alleen beleggingen worden aangegaan waarbij de hoofdsom is gegarandeerd. Dat is geregeld in het derde lid.

De bedoeling van het vijfde lid is te voorkomen dat instellingen geld gaan beleggen in constructies waarbij de hoofdsom niet gegarandeerd is, zoals het geval is bij beleggen in achtergestelde spaarrekeningen of achtergestelde deposito’s, of andere (risicovolle) oneigenlijke constructies. Dit is ook het geval bij het beleggen in aandelen of vergelijkbare producten, tenzij het gaat om de uitvoering van een wettelijke taak. Bij de uitvoering van een wettelijke taak kan gedacht worden aan de valorisatietaak van een universiteit. Bij de invulling van de valorisatietaak kan een lening aan een start-up worden verstrekt maar kunnen ook, afhankelijk van de situatie, aandelen van een start-up worden gekocht. Deze start-ups worden niet gezien als financiële onderneming en vallen daarmee niet onder artikel 4 van de regeling. Bij het aangaan van beleggingen is het belangrijk dat de instelling goed weet waarvoor wordt getekend (ook de ‘kleine lettertjes’).

Artikel 7. Leningen

In dit artikel worden regels gesteld voor het aangaan van leningen. Waar in deze regeling wordt gesproken over een lening, wordt er in beginsel van uit gegaan dat het leningen betreft van een financiële onderneming aan een onderwijsinstelling.

In het tweede lid is geregeld dat het niet is toegestaan leningen aan derden uit te geven, noch aan personeel, noch aan andere instellingen of organisaties, tenzij deze lening van toepassing is voor de uitvoering van de wettelijke taak van de instelling en binnen het doel van de organisatie past. Zo blijft voor universiteiten bijvoorbeeld de mogelijkheid bestaan om een lening te geven aan een andere instelling, ter uitvoering van hun valorisatietaak.

In het derde lid wordt aangegeven dat bij het aangaan van leningen de instelling geen extra risico’s mag aangaan die eventueel het voortbestaan van de instelling of het geven van onderwijs kunnen bedreigen. Transacties, verbonden aan de lening mogen dan niet buiten het oorspronkelijke doel van de organisatie zijn (bijvoorbeeld grotere huisvesting bouwen met als doel een deel ervan te verhuren). Hierbij kan ook gedacht worden aan het verpanden van bezittingen of huidige of toekomstig te ontvangen middelen. Dit heeft mede tot gevolg dat instellingen geen financial lease constructies mogen aangaan waarbij het pand wordt gehuurd, maar waarbij de waarde van het pand op de balans van de huurder staat.

Bij een ‘lening op basis van business case’ zijn financiële ondernemingen bereid op basis van een business-case of onderwijsdoelstelling, zonder onderpand, te financieren. Dit is mogelijk, maar bij eventuele financiële problemen van de onderwijsinstelling kan de financiële onderneming geen beroep doen op mogelijke toekomstige kasstromen en moet de financiële onderneming dan zijn verlies nemen. De financiële onderneming verleent de lening dan op basis van een business-case, waarbij het risico op eventuele aflossingsproblemen voor de bank of financiële onderneming zijn. Bij het afsluiten van een lening is het altijd noodzakelijk dat de interne toezichthouder hierover vooraf is geïnformeerd.

Artikel 8. Derivaten

Derivaten zijn een algemeen geaccepteerd financieel instrument om oplopende renterisico’s op langlopende leningen (voornamelijk ter financiering van gebouwen) te beperken. De instelling is middels een derivaat verzekerd van vaste rentebetalingen. Voor deze zekerheid betaalt de instelling een premie.

In deze regeling is het gebruik van derivaten beperkt tot die derivaten die renterisico’s afdekken. Hiertoe is een positief limitatieve opsomming opgenomen, (alle andere vormen van derivaten zijn niet toegestaan). Payer swaps en rentecaps zijn toegestane derivaten. Er is gekozen voor een limitatieve opsomming om te voorkomen dat wanneer nieuwe producten op de markt komen, deze regeling omzeild kan worden. Natuurlijk blijft het belangrijk dat instellingen zich goed laten informeren bij het afsluiten van een derivaat, zodat ze weten waar ze aan beginnen.

In het vierde lid is opgenomen dat bepaalde clausules niet zijn toegestaan. Zo is bepaald dat een financieel derivaat geen clausules mag bevatten die het externe toezicht en/of de handhaving daarvan kunnen belemmeren. Clausules die de financiële onderneming het recht geven om het betreffende contract te beëindigen of extra onderpandvoorwaarden te stellen als de externe toezichthouder intensiever toezicht gaat houden of gaat ingrijpen, zijn dus niet toegestaan.

Vervolgens is bepaald dat er geen additionele eenzijdige opzeggingsmogelijkheden (zoals ‘break clausules’) vanuit de financiële onderneming morgen worden opgenomen. Tevens geldt hier een verbod op beperkende voorwaarden. Hierbij kan gedacht worden aan de mogelijkheid van een financiële onderneming om een derivatenovereenkomst eenzijdig op te zeggen, bijvoorbeeld bij een bestuurswisseling of andere omstandigheden.

Tevens worden margin calls verboden; clausules waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld in de vorm van het storten van (financiële) zekerheden wanneer de rente onder of boven een bepaald niveau komt.

Artikel 9. Geen ineffectieve positie

Derivaten mogen niet worden afgesloten voor speculatieve doeleinden, maar mogen alleen afgesloten worden met een ingangsdatum, looptijd en nominale waarde die volledig overeenkomen met de looptijd en waarde van de onderliggende lening. Dit houdt een verbod op open posities (ook wel ineffectieve positie) in. Een open positie zou bijvoorbeeld kunnen ontstaan door een vervroegde aflossing van de lening, waar het derivaat aan gekoppeld is. Indien verwacht wordt dat een deel van de lening mogelijk eerder dan contractueel vastgelegd afgelost zal worden, is het aan te bevelen om niet één derivaat voor het volledige te lenen bedrag af te sluiten. Het is dan raadzaam om de lening en eventuele derivaten in kleinere delen op te splitsen, zodat bij eerder aflossen geen open posities ontstaan. Wanneer er toch een niet-effectieve positie ontstaat neemt de instelling contact op met zowel de interne toezichthouder als met de inspectie. Afhankelijk van de situatie kan de inspectie met de instelling afspraken maken op welke wijze dit kan worden opgelost, waarbij een afweging zal worden gemaakt tussen de financiële risico’s en de te maken kosten.

De maximale looptijd van het derivaat is de looptijd van de lening, maar deze kan nooit langer zijn dan 30 jaar. Wanneer de instelling een derivaat afsluit waarvan de looptijd langer is dan 15 jaar, dan zal hier in het treasurystatuut extra aandacht aan besteed moeten worden. Om de risico’s beheersbaar te houden is het aan te raden om de looptijd van een derivaat niet te lang te houden. Er kunnen redenen zijn waarom een langlopend derivaat de beste optie is. In beginsel loopt een derivaat niet langer dan 15 jaar. Wordt daarvan afgeweken, dan moet de instelling dat motiveren in het treasurystatuut.

Artikel 10. Externe verantwoording

Jaarlijks doet de instelling verslag ten aanzien van de publieke middelen in de jaarverslaglegging, waaronder een verslag van het beleid en de uitvoering hiervan met betrekking tot leningen, beleggingen en derivatenovereenkomsten. Bij de verantwoording over deze regeling wordt er van uitgegaan dat de instelling een treasurystatuut heeft opgesteld. Bij de verantwoording van de derivatenportefeuille in de jaarrekening en het bestuursverslag is inzicht noodzakelijk in de samenstelling en omvang van de derivatenportefeuille in relatie tot de leningenportefeuille. In de jaarverantwoording dient dit inzicht duidelijk te worden gemaakt. De accountant controleert, op grond van het accountantsprotocol, de naleving van de verantwoordingsvoorschriften door de instelling.

Artikel 11. Toezicht

In eerste instantie dient het toezicht op deze regeling via de interne toezichthouder te zijn geregeld. Vervolgens constateert de accountant of de regeling goed is nageleefd. Indien dit niet het geval is, meldt de accountant dit in het rapport van bevindingen, behorende bij de accountantsverklaring bij het jaarverslag. Dit rapport van bevindingen kan voor de externe toezichthouder (bij onderwijsinstellingen de Inspectie van het Onderwijs) aanleiding zijn tot nader onderzoek. Aan de hand van de jaarverslagen die door de instelling bij DUO worden aangeleverd, toetst de inspectie of de instelling zich houdt aan de regelgeving inzake derivatentransacties. Dit is onderdeel van het risicogerichte toezicht van de externe toezichthouder.

In het tweede lid is aangegeven dat de externe toezichthouder ter zake gepaste actie kan nemen bij tekortkomingen of risico’s inzake derivatentransacties. Deze acties kunnen variëren van het onder aangepast financieel toezicht stellen van de instelling, tot het maken van afspraken op welke manier de tekortkoming of het risico kan worden beperkt dan wel worden opgelost. Dit is afhankelijk van de omvang van de tekortkoming of de risico’s en aan het oordeel van de externe toezichthouder.

Artikel 12. Overgangsrecht

De Regeling belenen en beleggen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010, zoals deze luidde op de dag voor inwerkingtreding van deze regeling, zal blijven gelden voor beleggingen, leningen en derivaten die onder het regime van die regeling zijn afgesloten. Voor alle nieuwe beleggingen, leningen en derivaten die worden afgesloten nadat deze regeling in werking is getreden, geldt onderhavige regeling.

In het tweede lid wordt een overgangsperiode geregeld voor het opstellen van een treasurystatuut. Per 1 oktober 2017 dient elke instelling die gebruik maakt van de in deze regeling genoemde financiële producten een treasurystatuut te hebben. Vanaf dat moment zal de accountant erop toezien dat deze er ook daadwerkelijk is.

Artikel 13. Intrekking regeling

De Regeling beleggen en belenen door instellingen voor onderwijs en onderzoek 2010 wordt ingetrokken. De inhoud van de Regeling beleggen, lenen en derivaten OCW 2016 vervangt de oude regeling. De oude regeling blijft echter nog wel doorwerken voor de bestaande contracten die onder deze regeling zijn afgesloten. Voor alle nieuw af te sluiten constructies geldt deze nieuwe regeling.

Artikel 14. Inwerkingtreding

Deze regeling zal in werking treden op 1 juli 2016.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker


X Noot
1

The parties may elect this Part 5 (m).

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl