Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2016, 28874Besluiten van algemene strekking

Beleidsregel van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 mei 2016, 2016-0000121520, tot vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016 (Beleidsregel liften 2016)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op punt 2.2, derde zin, van Bijlage I, essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van liften en veiligheidscomponenten, van richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PbEU 2014, L 96) en artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016;

Besluit:

Artikel 1

  • 1. Deze beleidsregel geeft invulling aan punt 2.2, derde zin, van Bijlage I, essentiële veiligheids- en gezondheidseisen betreffende het ontwerp en de bouw van liften en veiligheidscomponenten, van richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PbEU 2014, L 96).

  • 2. Indien het onuitvoerbaar is om met name in bestaande gebouwen voldoende vrije ruimte onder of boven in de liftschat te creëren ter voorkoming van het risico van verplettering kan, mits daarvoor voorafgaande instemming van de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verkregen, worden uitgegaan van de volgende vrije ruimten:

    • a. boven de kooi: de vrije ruimte wordt bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 5.5, 5.6, 6 en 7 van NEN-EN 81-21:2009+A1:2012 Veiligheidsregels voor het vervaardigen en het aanbrengen van liften – Liften voor het vervoer van personen en goederen – Deel 21: Nieuwe personenliften en personengoederenliften in bestaande gebouwen; en

    • b. onder de kooi: de vrije ruimte wordt bepaald overeenkomstig de hoofdstukken 5.7, 5.8, 6 en 7 van NEN-EN 81-21:2009+A1:2012, Veiligheidsregels voor het vervaardigen en het aanbrengen van liften – Liften voor het vervoer van personen en goederen – Deel 21: Nieuwe personenliften en personengoederenliften in bestaande gebouwen.

Artikel 2

Het besluit van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 juli 2010, nr. G&VW/VW/2010/9012, tot vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot artikel 5, tweede lid, van het Warenwetbesluit liften Beleidsregel (Stcrt. 2010 nr. 11770), wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant, waarin deze beleidsregel wordt geplaatst.

Artikel 4

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel liften 2016.

Deze beleidsregel zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze: M.P. Flier, plaatsvervangend directeur-generaal Werk

TOELICHTING

De beleidsregel met betrekking tot het Warenwetbesluit liften van 5 juli 2010 (Stcrt. 2010, nr. 11770) wordt ingetrokken en vervangen door onderhavige beleidsregel. Dit omdat de richtlijn 95/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften per 20 april 2016 is ingetrokken en per die datum richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften, van toepassing is.

In artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016 is bepaald dat liften moeten voldoen aan de in Bijlage I van de richtlijn liften opgenomen essentiële veiligheids- en gezondheidseisen. Onder punt 2.2 van deze eisen wordt voorgeschreven dat ter voorkoming van het gevaar van verplettering een vrije ruimte of schuilruimte voorbij de uiterste standen van de kooi aanwezig moet zijn.

In uitzonderlijke gevallen evenwel, met name als een vrije ruimte of schuilruimte in bestaande gebouwen niet uitvoerbaar is, kunnen andere passende middelen worden gebruikt om dit risico te voorkomen. Dit betreft met name liften die niet op een andere plaats geïnstalleerd kunnen worden en waarbij obstakels zoals hoofdfundatiebalken moeten worden doorbroken dan wel hoofdriolen met een doorsnede groter dan 1,5 m moeten worden omgelegd.

Daarbij moet de Inspectie SZW wel in de gelegenheid worden gesteld daarmee vooraf in te stemmen.

In onderhavige beleidsregel wordt aangegeven wat onder ‘uitzonderlijke gevallen’ en ‘andere passende middelen’ moet worden verstaan.

Het indienen van een verzoek om instemming met het gebruik van andere passende middelen moet bij de Inspectie SZW via post, E-mail of internet worden ingediend. Indiening via internet is het meest eenvoudig en verkort de doorlooptijd.

Postadres: Inspectie SZW, Postbus 820, 3500 AV Utrecht.

Telefoon: 0800 – 51 51 of +31 70 – 333 56 78 (vanuit het buitenland)

Internet: www.InspectieSZW.nl.

In onderhavige beleidsregel wordt verwezen naar de voorschriften opgenomen in de relevante hoofdstukken van NEN-EN 81-21:2009+A1:2012.

De normalisatienorm NEN EN 81-21:2009+A1:2012, Veiligheidsregels voor het vervaardigen en het aanbrengen van liften – Liften voor het vervoer van personen en goederen – Deel 21: Nieuwe personenliften en personengoederenliften in bestaande gebouwen, is geharmoniseerd onder de richtlijn 2014/33/EU en bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (20 april 2016, 2016/C 138/03).

Voor de inwerkingtreding van de beleidsregel wordt gehanteerd de dag na publicatie in de Staatscourant.

Een beleidsregel is een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

Het gestelde in de beleidsregel is voor installateur op zich niet bindend. Uitgangspunt is echter dat, indien conform de beleidsregel wordt gehandeld, er op mag worden vertrouwd dat de onderliggende wettelijke regel (artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016) in voldoende mate wordt nageleefd.

Indien de installateur echter kan aantonen dat hij op een andere gelijkwaardige of betere wijze aan het voorschrift van artikel 8, eerste lid, van het Warenwetbesluit liften 2016 kan voldoen, vindt deze beleidsregel geen toepassing.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze: M.P. Flier, plaatsvervangend directeur-generaal Werk