Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2016, 14782Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 18 maart 2016, nr. IENM/BSK-2016/58439, houdende wijziging van de Regeling omgevingsrecht (actualisering aanwijzing informatiedocumenten waterkwaliteitsbeleid zeer zorgwekkende stoffen)

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht;

BESLUIT:

ARTIKEL I

De tabel in de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

De rij die begint met ‘Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water’ wordt vervangen door:

Algemene BeoordelingsMethodiek 2016:

maart 2016

www.infomil.nl/ABMwater

De rij die begint met ‘Handboek Immissietoets: toetsing van lozingen op effecten voor het oppervlaktewater’ wordt vervangen door:

Handboek Immissietoets 2016

maart 2016

www.infomil.nl/Immissiewater

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen

TOELICHTING

Inleiding

Deze regeling wijzigt de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht (Ror). Ingevolge artikel 9.2 van de Ror houdt het Wabo-bevoegd gezag, dan wel, in gevallen waarin een vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet is aangevraagd, de waterbeheerder, bij de bepaling van de voor de inrichting of met betrekking tot een lozing in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) en monitoringeisen rekening met de relevante BBT-conclusies en de in de bijlage bij de Ror aangewezen Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken. Deze informatiedocumenten worden aangemerkt als een adequate en actuele invulling van BBT.

In maart 2016 zijn voor twee van deze BBT-informatiedocumenten herziene versies vastgesteld. Het document ‘Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water’ (hierna ABM 2000) is vervangen door het nieuwe document ‘Algemene BeoordelingsMethodiek 2016’ (hierna: ABM 2016). Het document ‘Handboek Immissietoets: toetsing van lozingen op effecten voor het oppervlaktewater’ is vervangen door het document ‘Handboek Immissietoets 2016’. De ABM 2016 en het Handboek Immissietoets 2016 zijn gepubliceerd op de website van het Handboek Water (respectievelijk www.infomil.nl/ABMwater en www.infomil.nl/Immissiewater) Met onderhavige wijzigingsregeling wordt voorzien in een verwijzing naar de nieuwe documenten.

Inhoud van de BBT-informatiedocumenten

Beide documenten hebben een belangrijke rol binnen het algemene waterkwaliteitsbeleid ten aanzien van lozingen. Dit beleid bestaat uit drie elementen die achtereenvolgens als toetsstappen bij de beoordeling van een lozing aan bod komen.

Toetsstap 1 – Bronaanpak: Hierbij ligt het accent op het voorkómen dat bepaalde stoffen via afvalwater in het oppervlaktewater worden geloosd. In deze stap wordt ten eerste beoordeeld welke stoffen vanuit waterkwaliteitsoogpunt toelaatbaar zijn in het (productie)proces en of gebruikte stoffen vervangen kunnen worden door andere, minder schadelijke stoffen. Ten tweede wordt beoordeeld in welke mate het toelaatbaar is dat deze stoffen terechtkomen in het te lozen afvalwater; hierbij wordt onder meer gekeken of door het aanpassen van processen contact van deze stoffen met water kan worden vermeden en/of deze stoffen kunnen worden hergebruikt. Bij beide beoordelingen wordt erop toegezien dat ten minste de beste beschikbare technieken worden toegepast. Na het doorlopen van deze stap blijft een zo klein mogelijke afvalwaterstroom over die zo weinig mogelijk milieubelastend is.

Toetsstap 2 – Minimalisatie: in deze stap van de toetsing van een lozing wordt beoordeeld in welke mate zuivering van de afvalwaterstroom noodzakelijk is voordat deze in het oppervlaktewater wordt geloosd. Ook bij deze beoordeling wordt erop toegezien dat ten minste de beste beschikbare technieken worden toegepast. Eventuele in wet- en regelgeving van toepassing zijnde emissiegrenswaarden worden hierbij in acht genomen.

Toetsstap 3 – Immissietoets: in deze stap van de toetsing van een lozing wordt beoordeeld of vanuit waterkwaliteitsoogpunt een nog verdergaande bronaanpak en/of zuivering nodig is dan volgt uit de eerste twee toetsstappen. Dit wordt bepaald op basis van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater waarop geloosd wordt en de relevante normen die daarin gelden. Uit deze toetsstap kan volgen dat het nodig is technieken toe te passen die nog meer bescherming bieden dan de beste beschikbare technieken.

De eerste twee toetsstappen zijn beschreven in de ABM. De laatste toetsstap is onderdeel van het Handboek Immissietoets. Beide documenten zijn daarmee onlosmakelijk met elkaar verbonden. Wijzigingen in het ene document hebben ook gevolgen voor het andere document.

De ABM beschrijft in de eerste plaats de wijze waarop de waterbezwaarlijkheid van stoffen en mengsels bepaald wordt, gebaseerd op intrinsieke stofeigenschappen als toxiciteit, carcinogeniteit en mutageniteit. In het document wordt een indeling gemaakt in categorieën van aflopende waterbezwaarlijkheid. Bij elke categorie waterbezwaarlijkheid van een stof of mengsel hoort een overeenkomstige saneringsinspanning. De saneringsinspanning geeft het niveau aan van de inspanning die moet worden geleverd om de lozing van een stof te verminderen. De ABM geeft tevens een beschrijving van de wijze waarop de noodzakelijke saneringsinspanning van een lozing wordt bepaald op basis van de waterbezwaarlijkheid van de in de lozing aanwezige stoffen/mengsels.

Het Handboek Immissietoets geeft invulling aan de doelstelling om de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen te beschermen en verbeteren (art. 2.1 van de Waterwet). De immissietoets draagt bij aan het verkrijgen van inzicht in het aandeel van een individuele (punt)lozing in de totale concentratie van een stof in het betreffende oppervlaktewaterlichaam en benedenstrooms. Hierbij wordt van een puntlozing op oppervlaktewater beoordeeld of deze in lijn is met de maximaal toelaatbare hoeveelheid extra belasting daarvan. Dit wordt enerzijds bepaald op basis van de geloosde stoffen en de hoeveelheden daarvan en anderzijds op basis van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater en de relevante normen die daarin gelden. Daarbij geldt dat deze effecten beoordeeld worden buiten de directe nabijheid van de lozing. Binnen de zone waarbinnen vermenging plaatsvindt van de geloosde stoffen met het ontvangende water, is het niet mogelijk een realistisch beeld te krijgen van de effecten van de lozing. Toetsing aan de normen vindt dan ook plaats op de rand van deze ‘mengzone’. Binnen de mengzone mogen de milieukwaliteitseisen nog worden overschreden, daarbuiten niet. Toepassing van de immissietoets garandeert eveneens dat ten gevolge van de betreffende lozing geen achteruitgang van de toestand plaatsvindt en dat het tijdig bereiken van de goede toestand niet in gevaar komt.

Herziening van de BBT-informatiedocumenten

Herziening van de Algemene Beoordelingsmethodiek

In de ABM 2016 is het beleid ten aanzien van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) in afvalwater geoperationaliseerd (Beleidsnotitie Aanpak Zeer Zorgwekkende Stoffen in afvalwater: www.infomil.nl/ZZSbeleidwater). Dit beleid vormt een uitwerking van de eerder geformuleerde algemene beleidsdoelstelling voor ZZS, neergelegd in een brief van 29 juni 2011 van de staatsecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II 2011/11, 27 801, nr.77). In deze brief zijn de hieronder genoemde RIVM-criteria overgenomen. ZZS zijn geclassificeerd als de meest gevaarlijke stoffen voor mens en milieu die met voorrang aangepakt moeten worden. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft criteria geformuleerd om vast te stellen of een stof een ZZS is (‘Criteria voor Zeer Zorgwekkende Stoffen’, RIVM Briefrapport 601357004/2011). Halfjaarlijks publiceert het RIVM een actuele lijst van stoffen die aan deze criteria voldoen (zie http://www.rivm.nl/rvs/Stoffenlijsten/Zeer_Zorgwekkende_Stoffen). Het regeringsbeleid is om ernaar te streven deze stoffen uit de leefomgeving te weren of ten minste beneden een verwaarloosbaar risiconiveau te brengen of te houden. De aanpak van ZZS volgt daarbij de algemene waterkwaliteitsaanpak van bronaanpak, minimalisatie en immissietoets. ZZS verschillen in deze aanpak op twee punten van andere stoffen:

  • ZZS worden met voorrang aangepakt. Dit vereist dat ZZS als zodanig in het toetsschema geïdentificeerd worden en dat met name de bronaanpak van deze stoffen extra nadruk krijgt;

  • de reductie van de emissie van ZZS naar water wordt via continue verbetering bewerkstelligd. Het proces om geleidelijk toe te werken naar een zo laag mogelijke concentratie van deze stoffen in het oppervlaktewater moet haalbaar en betaalbaar zijn. Kosten zijn haalbaar en betaalbaar als de gekozen techniek kan worden aangemerkt als BBT, geldend voor de bedrijfstak waar de lozing plaatsvindt of indien vanuit waterkwaliteitsoogpunt verdergaande maatregelen nodig zijn en de kosten van maatregelen zich verhouden tot de milieugevolgen van de lozing.

Deze specifieke aanpak voor ZZS heeft tot een aantal wijzigingen in de ABM geleid. Ten eerste is het van belang ZZS als zodanig te identificeren. In het stroomschema van de ABM is daarom een aparte categorie waterbezwaarlijkheid (Z) opgenomen. Deze categorie is een deelverzameling van wat in de vorige versie van dit document als categorie A werd gedefinieerd. Categorie Z en categorie A (nieuw) vormen daarmee samen categorie A (oud). Aan deze nieuwe categorie Z is ook de hoogste categorie saneringsinspanning gekoppeld. Ten tweede is bij de beschrijving van deze saneringsinspanning duidelijk aangegeven hoe de continue verbetering gerealiseerd kan worden.

Met deze aanpak geeft de ABM 2016 tevens invulling aan de Europese verplichting om ‘lozingen van prioritaire stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen, door het vaststellen van beheersingsmaatregelen voor de belangrijkste bronnen van die lozingen, onder andere op basis van een beoordeling van alle technische verminderingsopties’ (artikel 4, eerste lid, sub a, onder iv, in samenhang met artikel 16, achtste lid, van de kaderrichtlijn water1). De prioritaire gevaarlijke stoffen zijn ZZS en door voor deze stoffen een cyclische aanpak te hanteren gericht op het verkennen van opties om emissies tegen te gaan, wordt de lozing van deze stoffen geleidelijk beëindigd.

Bij de herziening is daarnaast aandacht besteed aan actualisering van terminologie en verwijzingen naar de relevante wet- en regelgeving. Het oude rapport was nog gebaseerd op criteria uit Europese richtlijnen die inmiddels zijn opgevolgd door de nieuwere REACH-Verordening2 en de CLP-Verordening3. Een meer gedetailleerd overzicht van de wijzigingen is opgenomen in de inleiding van de ABM 2016.

Herziening van het Handboek Immissietoets

Met de operationalisering in de ABM 2016 van de aanpak van ZZS in afvalwater, is ook het Handboek Immissietoets geactualiseerd. Het vorige Handboek dateerde uit 2011 en inmiddels zijn er nieuwe ontwikkelingen geweest die destijds nog niet waren voorzien. Naast verwijzingen naar de aanpak van ZZS, is de waterbodemimmissietoets vernieuwd (middels de Handreiking Waterbodem Immissietoets) en is de tweedelijnsbeoordeling voor metalen in lijn gebracht met de zogenoemde ‘PNEC-pro-methodiek’. Verder is aandacht besteed aan verduidelijking van passages uit het vorige handboek, onder meer met betrekking tot de toetsing van lozingen aan beschermde gebieden. Ten slotte is ook het onderscheid tussen bestaande lozingen en nieuwe lozingen (dat achterhaald bleek in het licht van nieuwe jurisprudentie en in vergelijking met de aanpak in andere Europese landen en in het betreffende EU-richtsnoer) geschrapt. Een meer gedetailleerd overzicht van de wijzigingen is opgenomen in de inleiding van het Handboek Immissietoets 2016.

Gevolgen

Gevolgen voor het milieu

Met de introductie van de vijfjaarlijkse cyclus voor lozingen van zeer zorgwekkende stoffen, wordt gewerkt aan het haalbaar en betaalbaar weren van deze stoffen uit de leefomgeving. Hoewel dit niet direct overal tot een verwaarloosbaar risiconiveau leidt en emissies van deze stoffen via afvalwater slechts een zeer beperkt aandeel vormen van deze stoffen in de leefomgeving, zullen op termijn zeker positieve effecten merkbaar zijn. Ook zal de meer expliciete toetsing aan beschermde gebieden beter borgen dat daar – ten minste voor andere dan opkomende stoffen – geen problemen zullen optreden ten gevolge van lozingen van deze stoffen.

Gevolgen voor bedrijven

Bovenstaande wijzigingen zullen naar verwachting slechts zeer beperkt invloed hebben op de kosten die bedrijven maken bij lozingen. De methodiek om stoffen in te delen in de nieuwe klasse Z is niet wezenlijk anders dan bij de oude ABM die al sinds 2000 van kracht is; de informatie die nodig is voor indeling, is vergelijkbaar. Ook de kosten die gepaard gaan met het vijfjaarlijks aanleveren van informatie over de maatregelen om emissies van deze stoffen terug te dringen kunnen beperkt zijn, zeker wanneer informatie hieromtrent tussen bedrijven uitgewisseld wordt. De actualisatie van het Handboek Immissietoets expliciteert enkele opties voor efficiëntiewinst in deze toetsing en daarmee gepaard gaande kostenbesparingen, hoewel de verduidelijking van de toetsing aan beschermde gebieden anderzijds ook tot gevolg kan hebben dat meer stoffen dan voorheen getoetst worden. Dit laatste betreft echter een verduidelijking van reeds bestaande verplichtingen en niet een lastenverzwaring als zodanig.

Gevolgen voor de uitvoering

Door de aanwijzing van het ABM 2016 en het Handboek Immissietoets 2016 is het bevoegd gezag verplicht met die documenten rekening te houden bij de beslissing op een aanvraag om een watervergunning voor het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam en bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het oprichten, het veranderen of het in werking hebben van een inrichting. Ook moet bij het nemen van een maatwerkbesluit daarmee rekening worden gehouden. Op grond van de regels in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit lozen buiten inrichtingen kan bij maatwerkbesluit worden afgeweken van de in die besluiten opgenomen algemene regels, wanneer die mogelijkheid expliciet in de algemene regels vermeld is. In deze gevallen is in de regel aangegeven dat slechts afgeweken kan worden ‘indien genoemde waarden of gehalten niet door toepassing van beste beschikbare technieken kunnen worden bereikt’. Dit betekent dat ook in deze gevallen toepassing van de beste beschikbare technieken als ondergrens geldt voor het verlenen van een maatwerkvoorschrift.

Consultatie en afstemming

De inpassing van het beleid met betrekking tot zeer zorgwekkende stoffen en de bijbehorende actualisatie van beide BBT-informatiedocumenten is gecommuniceerd aan vertegenwoordigers van het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen, VNO/NCW en de branchevereniging van de chemische industrie in Nederland (VNCI). Beide documenten tot stand gekomen in inhoudelijke afstemming met een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van de Vereniging van Energie, Milieu en Water (VEMW), de Dienst centraal milieubeheer Rijnmond (DCMR), Rijkswaterstaat en de waterschappen De Dommel, Vechtstromen en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Het ontwerp van onderhavige regeling is niet ter internetconsultatie gebracht, omdat de afstemming van de documenten met uitvoering en bedrijfsleven reeds tijdens de herziening van de informatiedocumenten heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de regeling geen significante gevolgen voor burgers en bedrijven.

Inwerkingtreding

De regeling treedt in werking op het vaste verandermoment van 1 juli 2016. De herziene documenten hebben mede gevolgen voor de vergunningverleningspraktijk van waterschappen. Om die reden is in lijn met het beleid ten aanzien van de vaste verandermomenten rekening gehouden met een invoeringstermijn van drie maanden.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen


X Noot
1

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG L 327).

X Noot
2

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie.

X Noot
3

Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.