Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot wijziging van de verplichtstelling tot deelneming in de beroepspensioenregeling voor Dierenartsen

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gezien de op 24 september 2014 ontvangen aanvraag van de beroepspensioenvereniging Deelnemersvereniging Pensioenfonds Dierenartsen (DPD), daartoe strekkende, dat de verplichtstelling tot deelneming in de beroepspensioenregeling die is ondergebracht in de Stichting Pensioenfonds voor Dierenartsen, ingevolge de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gewijzigd voor de in de aanvraag bedoelde groep(en) van beroepsgenoten in de beroepsgroep Dierenartsen;

Overwegende

Dat een aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling ingevolge artikel 9 jo. artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Wvb) kan worden ingediend door een beroepspensioenvereniging die naar het oordeel van de Minister een belangrijke meerderheid van de beroepsgenoten die tot de beroepsgroep behoren, vertegenwoordigt.

Geconstateerd wordt in dit verband dat de werkingssfeer zoals neergelegd in de verplichtstelling tot deelneming in de beroepspensioenregeling voor Dierenartsen zowel betrekking heeft op zelfstandig werkende beroepsgenoten als op beroepsgenoten in loondienst.

Dat in artikel 20 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Wvb) is bepaald dat de beroepspensioenregeling in overwegende mate bestemd is voor zelfstandig werkende beroepsgeno-ten. Ingevolge paragraaf 3a van het Toetsingskader Wet verplichte beroepspensioenregeling (hierna: Toetsingskader) dient, indien niet alleen zelfstandig werkende beroepsgenoten, maar ook beroepsge-noten in loondienst worden gebonden door de werkingssfeer, bij de toetsing van de representativiteit van de beroepspensioenvereniging eerst de verhouding tussen beide groepen te worden beoordeeld, alvorens de representativiteit van beide beroepsgroepen afzonderlijk kan worden beoordeeld. Daarbij is, blijkens het Toetsingskader, gedacht aan een percentage van 55 afgezet tegen het totaal aantal beroepsgenoten vallend onder de werkingssfeer van de verplichtstelling. Bij een percentage van minder dan 55% zal blijkens het Toetsingskader een eerste aanvraag om verplichtstelling van beide groepen niet verder in behandeling worden genomen, en kan de beroepspensioenvereniging dan vervolgens een verplichtstelling voor alleen de zelfstandig werkende beroepsgenoten aanvragen.

Dat uit de door DPD overgelegde representativiteitsopgave blijkt dat de verhouding zelfstandige beroepsgenoten en beroepsgenoten in loondienst 53,53% versus 46,47% bedraagt. Vastgesteld moet worden dat niet wordt voldaan aan het verhoudingsvereiste dat minimaal 55% van het totaal aantal beroepsgenoten bestaat uit zelfstandige beroepsgenoten.

Dat, nu is vastgesteld dat de verhouding tussen zelfstandigen en beroepsgenoten in loondienst niet in overeenstemming is met artikel 20 WVB, de vraag voor ligt op welke wijze met deze omstandigheid moet worden omgegaan. Vastgesteld wordt dat de Wvb en het Toetsingskader niet expliciet voorzien in maatregelen op dit punt bij gelegenheid van een aanvraag tot wijziging van een verplichtstelling. Wel wordt in de Wvb geregeld wat de gevolgen zijn, indien niet wordt voldaan aan de zgn. periodieke representativiteitstoets. Hiervoor is in artikel 12 Wvb en paragraaf 3b en 4f van het Toetsingskader vastgelegd dat de beroepspensioenvereniging een herstelperiode wordt geboden van twee jaar, gerekend vanaf het moment dat is vastgesteld dat de representativiteit niet als voldoende kan worden beoordeeld. Voor het einde van deze twee jaar dient de beroepspensioenvereniging alsnog aan te tonen dat er sprake is van een voldoende representativiteit. Indien hier niet aan wordt voldaan, dan zal de Minister overgaan tot intrekking van de verplichtstelling.

Dat het vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en rechtszekerheid in de rede ligt om voor de situatie als in deze aan de orde aansluiting te zoeken bij de procedure zoals die is neergelegd in artikel 12 Wvb en paragraaf 3b en 4f van het Toetsingskader. Het zoeken van aansluiting bij de procedure als hierboven benoemd, houdt in dat de beroepspensioenvereniging DPD een termijn van twee jaar wordt geboden, gerekend vanaf de datum van de uitgifte van de Staatscourant waarin dit besluit wordt gepubliceerd, om alsnog te voldoen aan het vereiste dat minimaal 55% van het totaal aantal beroepsgenoten bestaat uit zelfstandige beroepsgenoten dan wel zich adequaat te kunnen voorbereiden op een eventuele gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling. Acht weken voor het verstrijken van deze twee jaar zal de beroepspensioenvereniging worden verzocht om aan te tonen dat (alsnog) wordt voldaan aan het verhoudingsvereiste. Indien dan blijkt dat wederom niet aan de vereiste verhouding wordt voldaan, dan zal de Minister overgaan tot gedeeltelijke intrekking van de verplichtstelling ten aanzien van de betrokken beroepsgroep, te weten de beroepsgenoten in loondienst.

Dat in overweging hebben genomen, kan worden overgegaan tot de beoordeling van de representativiteit van beide beroepsgroepen afzonderlijk. DPD heeft bij de aanlevering van de representativiteitsgegevens gebruik gemaakt van het formulier representativiteitsgegevens. Hier zijn geen zienswijze tegen ingebracht. Uit de door DPD overgelegde representativiteitsopgave blijkt dat het representativiteitspercentage van de zelfstandige beroepsgenoten en de zelfstandigen in loondienst 68,89 respectievelijk 55,79 bedraagt. Vastgesteld kan worden dat beide beroepsgroepen een meerderheid van de beroepsgenoten die tot de beroepsgroep behoren vertegenwoordigen. Deze meerderheid kan als een belangrijke meerderheid worden gekwalificeerd.

Gelet op de artikelen 9, eerste lid en 16 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling;

Gezien het overleg met De Nederlandsche Bank;

BESLUIT:

I.

Wijzigt het besluit van 18 november 1975, nr. 45789, Stcrt. 1975, nr. 243 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 21 februari 2008, Stcrt. 26 februari 2008, nr. 40) waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de beroepspensioenregeling voor Dierenartsen.

De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:

"Deelname in de Stichting pensioenfonds voor dierenartsen is verplicht gesteld voor iedere dierenarts, die in Nederland als zodanig – hetzij zelfstandig, hetzij in dienstverband – praktijk uitoefent in een in Nederland gevestigde praktijk, op 31 december 2006 nog geen 60 jaar was, en de vijfenzestigjarige leeftijd nog niet heeft bereikt."

II.

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en heeft geen terugwerkende kracht.

's-Gravenhage, 3 maart 2015

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, namens deze, de Directeur Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving, M.H.M. van der Goes

Naar boven