Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2015, 40838Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 10 november 2015, nr. WJZ/798385 (10556), houdende wijziging van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren in verband met de invoering van de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, alsmede de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gehoord de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mede namens de Minister van Economische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.6, eerste lid, en 2.7, eerste tot en met vierde lid, van de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector; artikel 2, eerste lid, van het Besluit informatievoorziening WPO/WEC; artikel 18, vijfde lid, van het Bekostigingsbesluit WVO; artikel 2.5.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs; en artikel 2.14 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

Besluiten:

ARTIKEL I. WIJZIGING REGELING BEZOLDIGING TOPFUNCTIONARISSEN OCW-SECTOREN

De Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de alfabetische rangschikking wordt een begrip met begripsomschrijving toegevoegd, luidende:

rechtspersonen of instellingen in het onderwijs:

rechtspersonen of instellingen in het onderwijs, genoemd onder de nummers 1 tot en met 9 en 13 tot en met 17, genoemd in bijlage 1 van de wet onder het opschrift ‘Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap’ respectievelijk de nummers 1 en 2 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken’;.

2. In de begripsomschrijving van ’topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie’ wordt ‘de nummers 13 tot en met 16’ vervangen door ‘nummer 14’ en wordt ‘de nummers 1 en 2’ vervangen door: nummer 1.

3. Het begrip en de begripsomschrijving van ‘topfunctionarissen in het onderwijs’ vervalt.

4. In de begripsomschrijving van ‘topfunctionarissen in het primair onderwijs’ wordt ‘nummers 1, 2 en 4 tot en met 6’ vervangen door: nummers 1 en 4.

5. In de begripsomschrijving van ‘topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs’ wordt ‘de nummers 7 en 9’ vervangen door: nummer 7.

6. In de begripsomschrijving van ‘topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs’ wordt ‘nummer 3’ vervangen door: nummer 2.

7. In de begripsomschrijving van ‘topfunctionarissen van hogescholen’ wordt ‘nummer 3’ vervangen door: nummer 2.

B

Het opschrift van paragraaf 2 komt te luiden: Paragraaf 2. Functionarissen in het onderwijs.

C

Artikel 2 komt te luiden:

Artikel 2. Toepassingsbereik

  • 1. De artikelen 3 tot en met 3c zijn van toepassing op:

    • a. de topfunctionarissen in het primair onderwijs;

    • b. de topfunctionarissen in het voortgezet onderwijs;

    • c. de topfunctionarissen in het beroepsonderwijs en educatie;

    • d. de topfunctionarissen van hogescholen; en

    • e. de topfunctionarissen in het wetenschappelijk onderwijs.

  • 2. De artikelen 4 en 5 zijn van toepassing op de rechtspersonen of instellingen in het onderwijs.

D

Artikel 3 komt te luiden:

Artikel 3. Bezoldigingsmaximum per klasse voor topfunctionarissen van onderwijsinstellingen

  • 1. In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de wet komen partijen geen bezoldiging overeen die per kalenderjaar meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor dat jaar.

  • 2. Voor een rechtspersoon of instelling geldt het bezoldigingsmaximum behorende bij het aantal complexiteitspunten dat op basis van de criteria, genoemd in de bijlage bij deze regeling, is berekend.

  • 3. Per klasse geldt het volgende bezoldigingsmaximum:

    Klasse

    Bezoldigingsmaximum

    A (4 complexiteitspunten)

    € 106.000

    B (5 – 6 complexiteitspunten)

    € 117.000

    C (7 – 8 complexiteitspunten)

    € 128.000

    D (9 – 12 complexiteitspunten)

    € 140.000

    E (13 – 15 complexiteitspunten)

    € 152.000

    F (16 – 17 complexiteitspunten)

    € 164.000

    G (18 – 20 complexiteitspunten)

    € 179.000

E

Na artikel 3 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3a. Verzoek indeling in andere klasse

  • 1. Een verzoek als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, van de wet om in een andere klasse te worden ingedeeld, wordt door een rechtspersoon of instelling ingediend uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de periode waarin de afwijkende klassenindeling moet ingaan.

  • 2. Het verzoek is deugdelijk gemotiveerd en bevat in ieder geval:

    • a. een verklaring van de verantwoordelijke waaruit zijn instemming met het verzoek blijkt;

    • b. een document waaruit het oordeel van de direct belanghebbenden bij het onderwijs over het verzoek blijkt;

    • c. een onderbouwing van de benodigde duur van de afwijking.

Artikel 3b. Verzoek individuele uitzondering op klassenindeling

  • 1. Een verzoek om op grond van artikel 2.7, vierde lid, van de wet ten aanzien van een topfunctionaris een hogere bezoldiging te mogen overeenkomen dan toegestaan op grond van deze regeling, wordt door een rechtspersoon of instelling ingediend uiterlijk 6 weken voorafgaand aan de periode waarin de hogere bezoldiging moet ingaan.

  • 2. Artikel 3a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3c. Vermelding van toepassing zijnde bezoldigingsklasse of bezoldigingsmaximum in het financieel verslaggevingsdocument

De verantwoordelijke vermeldt in het financieel verslaggevingsdocument de op grond van artikel 3 of 3a van toepassing zijnde klasse of het op grond van artikel 3b van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum voor het betreffende kalenderjaar, alsmede het aantal complexiteitspunten per criterium dat geldt voor de instelling in het betreffende jaar.

F

Artikel 4 komt te luiden:

Artikel 4. Elektronische verzending bezoldigingsgegevens

De gegevens, bedoeld in de artikelen 4.1 en 4.2 van de wet, worden voor rechtspersonen of instellingen in het onderwijs aangeleverd door middel van het daartoe voorgeschreven WNT-formulier in XBRL.

G

In artikel 5 wordt ‘wordt gedaan’ vervangen door: wordt voor rechtspersonen of instellingen in het onderwijs gedaan.

H

Artikel 5b wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘€ 123.024’ vervangen door: € 124.000.

2. Onderdeel b wordt als volgt gewijzigd:

a. ‘€ 147.629’ wordt vervangen door: € 149.000

b. ‘het Nederlands Fonds voor de film’ wordt vervangen door ‘het Nederlands Filmfonds’ en ‘het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten+’ wordt vervangen door: het Fonds Podiumkunsten.

I

In artikel 6, eerste lid, wordt ‘de nummers 1 tot en met 3 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie’’ vervangen door: de nummers 1 en 2 onder het opschrift ‘Ministerie van Economische Zaken’.

J

In artikel 7a wordt ‘en het Commissariaat voor de Media’ vervangen door: of het Commissariaat voor de Media.

K

In de artikelen 7b tot en met 7k wordt in de aanhef ‘de volgende personen’ telkens vervangen door: de volgende personen, werkzaam binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,.

L

De artikelen 8 en 9 vervallen.

M

Aan de regeling wordt de volgende bijlage toegevoegd:

BIJLAGE, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3, TWEEDE LID, VAN DE REGELING BEZOLDIGING TOPFUNCTIONARISSEN OCW-SECTOREN

Toepasselijkheid deel 1 of deel 2

Deel 1 van de bijlage is van toepassing op rechtspersonen of instellingen die beschikken over de jaarrekeningen over het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin de indeling in een bezoldigingsklasse wordt toegepast. Voor rechtspersonen of instellingen die in de laatste vijf jaar zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, kunnen de berekeningen behorend bij de criteria uit dit eerste deel van de bijlage niet onverkort worden toegepast; voor die rechtspersonen of instellingen geldt deel 2 van deze bijlage.

Deel 1. Criteria voor de vaststelling van de toepasselijke bezoldigingsklasse voor rechtspersonen of instellingen die beschikken over de gegevens tot en met t-4
1A. Driejaarsgemiddelde van de totale baten per kalenderjaar

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het totaal van de baten, inclusief de rentebaten, volgens de jaarrekening in het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) het volgende aantal punten toe.

Gemiddelde totale baten (in €)

Aantal complexiteits-punten

0 tot 5 miljoen

2

5 tot 25 miljoen

4

25 tot 75 miljoen

6

75 tot 125 miljoen

8

125 tot 200 miljoen

9

200 miljoen en meer

10

1B. Driejaarsgemiddelde van het aantal leerlingen, deelnemers of studenten

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gemiddelde van het aantal leerlingen, deelnemers of studenten die op 1 oktober van het vierde, derde en tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-4, t-3 en t-2) onderwijs volgden aan die instelling het volgende aantal punten toe.

Gemiddeld aantal leerlingen, deelnemers of studenten

Aantal complexiteitspunten

1 tot 1.500

1

1.500 tot 2.500

2

2.500 tot 10.000

3

10.000 tot 20.000

4

20.000 en meer

5

1C. Het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren

Aan de rechtspersoon of instelling komt aan de hand van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren dat werd aangeboden op 1 oktober in het tweede jaar voorafgaand aan het jaar waarin het bezoldigingsmaximum wordt toegepast (t-2) het volgende aantal punten toe. De manier waarop het aantal onderwijssoorten of sectoren wordt gewogen, is verschillend voor de verschillende onderwijssectoren.

Gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren*

Aantal complexiteitspunten

1

1

2

2

3

3

4

4

5 en meer

5

* Het aantal onderwijssoorten is het resultaat van de volgende berekening:

I. Het aantal onderwijssoorten uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 1:

1. basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs);

2. speciaal basisonderwijs;

3. speciaal onderwijs;

4. voortgezet speciaal onderwijs;

5. praktijkonderwijs;

6. voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2);

7. hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief Engelse School);

8. voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief international baccalaureate).

II. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 2:

1. middelbaar beroepsonderwijs combinatie van sectoren;

2. middelbaar beroepsonderwijs sector groen;

3. middelbaar beroepsonderwijs sector techniek;

4. middelbaar beroepsonderwijs sector zorg en welzijn;

5. middelbaar beroepsonderwijs sector economie;

6. hoger beroepsonderwijs sectoroverstijgend;

7. hoger beroepsonderwijs sector onderwijs;

8. hoger beroepsonderwijs sector landbouw en natuurlijke omgeving;

9. hoger beroepsonderwijs sector techniek;

10. hoger beroepsonderwijs sector gezondheidszorg;

11. hoger beroepsonderwijs sector economie;

12. hoger beroepsonderwijs sector gedrag en maatschappij;

13. hoger beroepsonderwijs sector taal en cultuur.

III. Het aantal onderwijssectoren uit de volgende opsomming wordt vermenigvuldigd met factor 3:

1. wetenschappelijk onderwijs sectoroverstijgend;

2. wetenschappelijk onderwijs sector onderwijs;

3. wetenschappelijk onderwijs sector landbouw en natuurlijke omgeving;

4. wetenschappelijk onderwijs sector natuur;

5. wetenschappelijk onderwijs sector techniek;

6. wetenschappelijk onderwijs sector gezondheidszorg;

7. wetenschappelijk onderwijs sector economie;

8. wetenschappelijk onderwijs sector recht;

9. wetenschappelijk onderwijs sector gedrag en maatschappij;

10. wetenschappelijk onderwijs sector taal en cultuur.

Deel 2. Criteria voor de vaststelling van de toepasselijke bezoldigingsklasse voor rechtspersonen of instellingen die korter dan vijf jaar geleden zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst

De criteria genoemd in deel 1, onder 1A, 1B en 1C, van deze bijlage zijn van overeenkomstige toepassing op rechtspersonen of instellingen die in het lopende jaar of de vier voorafgaande jaren zijn opgericht, gefuseerd of gesplitst, met dien verstande dat voor de toepassing van de criteria de volgende berekening wordt gehanteerd.

2A. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het lopende jaar

Indien een rechtspersoon of instelling in het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

  • a. het criterium onder 1A van deze bijlage uitgegaan van de baten die zijn opgenomen in de begroting voor het lopende jaar;

  • b. het criterium onder 1B van deze bijlage uitgegaan van de aantallen leerlingen, deelnemers of studenten die voor de eerste bekostiging aan de minister zijn doorgegeven; en

  • c. het criterium onder 1C van deze bijlage uitgegaan van het aantal onderwijssoorten of sectoren die op basis van het onderwijsaanbod in het lopende jaar kunnen worden vastgesteld.

2B. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het voorafgaande jaar

Indien een rechtspersoon of instelling in het jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

  • a. het criterium onder 1A van deze bijlage uitgegaan van het gemiddelde van de baten volgens de jaarrekening van het voorafgaande jaar en de totale baten die zijn opgenomen in de door de verantwoordelijke goedgekeurde begroting voor het lopende jaar;

  • b. het criterium onder 1B van deze bijlage uitgegaan van het gemiddelde van de aantallen leerlingen, deelnemers of studenten van het voorafgaande jaar en het aantal waar in de door de verantwoordelijke goedgekeurde begroting van het lopende jaar vanuit is gegaan; en

  • c. het criterium onder 1C van deze bijlage uitgegaan van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren in het voorafgaande jaar.

2C. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar

Indien een rechtspersoon of instelling in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

  • a. het criterium onder 1A van deze bijlage uitgegaan van het gemiddelde van de totale baten volgens de jaarrekening van het tweede en eerste jaar voorafgaande aan het lopende jaar en de totale baten die zijn opgenomen in de door de verantwoordelijke goedgekeurde begroting voor het lopende jaar;

  • b. het criterium onder 1B van deze bijlage uitgegaan van het gemiddelde van de aantallen leerlingen, deelnemers of studenten van het tweede en eerste jaar voorafgaand aan het lopende jaar en het aantal waar in de door de verantwoordelijke goedgekeurde begroting van het lopende jaar vanuit is gegaan; en

  • c. het criterium onder 1C van deze bijlage uitgegaan van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar.

2D. Opgericht, gefuseerd of gesplitst in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar

Indien een rechtspersoon of instelling in het derde jaar voorafgaand aan het lopende jaar is opgericht, gefuseerd of gesplitst, wordt voor de toepassing van:

  • a. het criterium onder 1A van deze bijlage uitgegaan van het gemiddelde van de baten volgens de jaarrekening van het derde, tweede en eerste jaar voorafgaande aan het lopende jaar;

  • b. het criterium onder 1B van deze bijlage uitgegaan van het gemiddelde van de aantallen leerlingen, deelnemers of studenten van het derde, tweede en eerste jaar voorafgaand aan het lopende jaar; en

  • c. het criterium onder 1C van deze bijlage uitgegaan van het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren in het tweede jaar voorafgaand aan het lopende jaar.

ARTIKEL II. INWERKINGTREDING

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2016.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker

TOELICHTING

Algemene toelichting

1. Aanleiding

In de Wet verlaging bezoldigingsmaximum WNT (hierna: WNT2) is het wettelijk bezoldigingsmaximum per 1 januari 2015 verlaagd. De verlaagde maxima die voor het voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger beroepsonderwijs golden, zijn met ingang van dezelfde datum ‘afgetopt’, ofwel gelijkgetrokken met het WNT2-maximum.

De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (hierna: WNT) biedt in art 2.7 de mogelijkheid om bij ministeriële regeling een indeling te maken in klassen op grond van criteria die betrekking hebben op onder meer de omvang van de rechtspersonen of instellingen die onder het bereik van de wet vallen. De klassen kunnen worden gekoppeld aan lagere bedragen dan het WNT-maximum. Afgelopen jaar is gebruikt om in overleg met de onderwijssectoren een klassensysteem voor de maximale bezoldiging te ontwikkelen op basis van instellingscriteria. De bestuurlijke complexiteit van de rechtspersonen of instellingen wordt leidend voor de maximum bezoldiging van de bestuurder. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de motie van Mohandis / Van Meenen (33 495, nr. 45) met het verzoek wederom een verlaagd maximum voor onderwijsbestuurders aan te houden en de salarisklassen voor het onderwijs, nadat hiervoor door de sector een voorstel is gedaan, per ministeriële regeling vast te leggen. Met deze regeling wordt – in de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren – het volgende geregeld:

  • a. introductie van een klassensysteem voor de maximale bezoldiging;

  • b. vaststelling van daaraan gekoppelde verlaagde bezoldigingsmaxima voor 2016;

  • c. indexering van de bezoldigingsmaxima voor topfunctionarissen van de cultuurfondsen;

  • d. diverse technische verbeteringen.

2. Uitgangspunten

Het doel van het klassensysteem is ondersteuning van een evenwichtig bezoldigingsbeleid bij onderwijsinstellingen. Het model voorkomt opwaartse druk naar het algemene WNT-maximum en voldoet aan de volgende uitgangspunten:

  • a. Eenvoudig, transparant en toetsbaar.

    De bezoldigingsklassen zijn gebaseerd op objectieve criteria. Het systeem biedt de mogelijkheid om te controleren of de inschaling op de juiste wijze is uitgevoerd.

  • b. Evenwichtig en onderwijsbreed.

    Het systeem bevat instellingscriteria die op alle onderwijsinstellingen gelijkelijk toegepast kunnen worden.

  • c. Niet manipuleerbaar.

    Doordat gebruik wordt gemaakt van een driejaarsgemiddelde heeft een stijging van het aantal leerlingen of de totale baten niet direct invloed op de inschaling. De mogelijkheden voor strategisch gedrag om de maximale bezoldiging te verhogen, zijn hierdoor gering.

  • d. Draagvlak.

    In de motie is verzocht om bezoldigingsklassen op te stellen, nadat hiervoor door de sector een voorstel is gedaan. Gedurende de ontwikkeling van het klassensysteem is nauw contact onderhouden met de sectororganisaties en vakbonden. In paragraaf 3 wordt dit verder toegelicht.

  • e. Uniformiteit van beleid.

    Het systeem is vergelijkbaar met de modellen van het Ministerie van Wonen & Rijksdienst voor de woningcorporaties en van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor de zorg die voor 2016 gaan gelden. Ook deze modellen gaan uit van een indeling in bezoldigingsklassen voor de maximale bezoldiging op basis van instellingscriteria. Vanwege de doelstelling om uniformiteit van beleid na te streven sluiten de modellen op elkaar aan. Verschillen worden veroorzaakt door sectorspecifieke kenmerken.

3. Overleg met sectoren, vakbonden en toezichthouders

Voor de gedachtenvorming is het onafhankelijke advies Bestuurdersbeloningen in het onderwijs1 opgesteld. Een conceptversie van dit rapport, omvattende een verlaging van de sectorale maxima, is in augustus en september 2014 met de sectoren en de vakbonden besproken. Partijen hebben in dat gesprek aangegeven een voorkeur te hebben voor bezoldigingsklassen op basis van instellingscriteria die een koppeling leggen met de bestuurlijke complexiteit van de rechtspersoon of instelling, in plaats van opnieuw te gaan werken met sectorale maxima.

In maart 2015 is een definitieve versie van het advies, met daarin tevens een voorstel voor bezoldigingsklassen op basis van instellingscriteria, naar de onderwijssectoren en vakbonden gestuurd (PO-Raad, VO-raad, MBO-Raad, Vereniging Hogescholen, VSNU, Bestuurdersvereniging PO, Onderwijsbestuurdersvereniging VO, Bestuurdersvereniging mbo, VTOI, Platform Raden van Toezicht MBO-instellingen, Vereniging Toezichthouders Hogescholen, AOB, CNV Onderwijs, AVS en FVOV). Tot 1 juni 2015 hebben zij hierop schriftelijk kunnen reageren of een alternatief kunnen indienen.

In juni en juli 2015 is vervolgens gesproken met de betrokkenen over de uitganspunten en de opzet van de conceptregeling. Vertegenwoordigers van de vakbonden geven als principieel punt aan dat hun voorkeur uitgaat naar het regelen van de bestuurdersbeloning in de cao. Gegeven de (politieke) context van de WNT beoordelen zij het voorstel als een te verklaren model dat in de praktijk kan worden toegepast. De inbreng vanuit de sectororganisaties is in hoofdzaak principieel van aard en heeft betrekking op de verlaagde norm van de WNT2 en contractvrijheid. Zij hadden bij voorkeur vastgehouden aan het (onder het oude WNT-niveau) toepassen van de huidige bestuurderscao’s (po en vo) en beloningscodes (mbo en hbo).

Naast de meer principiële inbreng hebben partijen suggesties voor voren gebracht met betrekking tot de wijze waarop bestuurlijke complexiteit wordt geoperationaliseerd in het klassensysteem op basis van instellingscriteria. Hoewel partijen vasthouden aan hun principiële kritiekpunten op de WNT2 en de bezoldigingsklassen, geven de sectoren aan dat zij de uitwerking van de bezoldigingsklassen, bezien vanuit de uitgangspunten en gegeven de politieke context, kunnen verklaren en ermee kunnen werken. Conform de wens van sectoren is ingezet op een model met bezoldigingsklassen op basis van instellingscriteria in plaats van een model met alleen sectorale maxima. Sectorale maxima hebben als nadeel dat er – per sector – een opwaartse druk is richting het maximum. Ook biedt het model weinig ruimte voor maatwerk en bevestigt het de niet meer bestaande statusverschillen tussen de onderwijssectoren. Het voorliggende model met objectieve boven-sectorale criteria doet meer recht aan verschillen en overeenkomsten tussen sectoren. Het model biedt (t.o.v. alleen vaste maxima per sector) ruimte voor instellingen die op bepaalde kenmerken afwijken en voorkomt te hoge beloning bij bijvoorbeeld hele kleine rechtspersonen of instellingen. Door de regulering biedt dit model aan partijen – op eenvoudige en toetsbare wijze – de meeste grip op de bezoldiging.

In de afstemming van de regeling met partijen zijn veel vragen gesteld over de uitwerking van het overgangsrecht. Het overgangsrecht valt niet binnen de reikwijdte van deze regeling, waardoor het overgangsrecht geldt dat is beschreven in de WNT. In paragraaf 8 wordt het overgangsrecht verder toegelicht.

4. Reikwijdte

Deze regeling geldt voor bekostigd onderwijs in Europees Nederland, niet voor het onderwijs in Caribisch Nederland. Het bezoldigingsklassensysteem geldt alleen voor scholen / onderwijsinstellingen en niet voor instellingen zonder leerlingen, zoals samenwerkingsverbanden. Omdat deze instellingen geen leerlingen of onderwijssoorten hebben, kunnen ze in het nieuwe systeem niet worden ingedeeld. Het algemene WNT-maximum geldt voor deze instellingen. Het is aan het toezichthoudende orgaan van deze instellingen om hier – gegeven de bezoldigingsklassen – zoals thans het geval, op verantwoorde wijze mee om te gaan bij het vaststellen van de bezoldiging van de topfunctionaris(sen).

5. Vaststelling bezoldigingsklassen voor (top)functionarissen in onderwijssectoren

De indeling van de rechtspersonen of instellingen over de bezoldigingsklassen gebeurt op basis van drie generieke instellingscriteria te weten (a) de gemiddelde totale baten per kalenderjaar (b) het gemiddelde aantal leerlingen, deelnemers of studenten, en (c) het gewogen aantal onderwijssoorten of -sectoren. Deze instellingscriteria bieden een weergave van de zwaarte van de functie van de topfunctionaris gebaseerd op functiewaarderingsverhoudingen. Gezamenlijk geven de criteria een indicatie van de complexiteit van de betreffende bestuursfunctie.

Voor ieder criterium wordt een schaal gehanteerd. Uit de score op die schaal volgt een aantal complexiteitspunten. Het totaal van deze complexiteitspunten bepaalt in welke bezoldigingsklasse de rechtspersoon of instelling valt en welk bezoldigingsmaximum daarmee van toepassing is op de topfunctionaris(sen). In deze regeling zijn de geïndexeerde bedragen voor 2016 opgenomen, afgerond op duizendtallen. De criteria die de bezoldigingsklasse bepalen zijn:

  • a. Gemiddelde totale baten per kalenderjaar

    Het totaal van de baten (inclusief rentebaten) is de beste indicator voor de bestuurlijke complexiteit van de rechtspersoon of instelling. Het is het gevolg van het aantal leerlingen, deelnemers of studenten, maar ook van bijvoorbeeld onderwijsmiddelen, onderzoeksmiddelen, huisvestingsmiddelen en eventuele marktgerichte activiteiten. Voor iedere sector komen sectorspecifieke kenmerken terug in de baten. In het po ontvangen besturen bijvoorbeeld meer geld per leerling voor leerlingen op het speciaal onderwijs en een grote derde geldstroom zorgt in mbo, hbo en wo voor meer complexiteit vanwege de diversiteit aan werkzaamheden en bestuurlijke relaties. Ook onderwijssoorten die niet afzonderlijk meetellen in criterium C, zoals contractonderwijs en VAVO, genereren wel baten en tellen zo indirect mee als verzwaring van de complexiteit. Voor dit criterium zijn daarom twee keer zo veel punten te halen dan voor de andere criteria. Op verzoek van sectorale partijen is op dit criterium bovenin een differentiatie aangebracht (een klasse met 9 complexiteitspunten) om een beter onderscheid te maken tussen grote en hele grote instellingen.2

    Om te voorkomen dat een kleine verandering direct invloed heeft op de maximale bezoldiging van de topfunctionaris wordt het gemiddelde over de voorafgaande drie jaar (waarover een jaarverslag is vastgesteld (t-4, t-3 en t-2)) gehanteerd.

  • b. Het gemiddelde aantal leerlingen, deelnemers of studenten

    Het aantal leerlingen, deelnemers of studenten geeft de grootte van de rechtspersoon of instelling weer. De grootte van een rechtspersoon of instelling is mede bepalend voor de complexiteit van de bestuursfunctie. Dit criterium wordt door alle sectoren gebruikt in de huidige bestuurderscao’s en beloningscodes. Ook in het model voor de woningcorporaties wordt een dergelijk criterium gebruikt (aantal verhuureenheden).

    Om te voorkomen dat een kleine verandering direct invloed heeft op de maximale bezoldiging van de topfunctionaris wordt een gemiddelde gehanteerd over de voorafgaande drie jaar (waarover een jaarverslag is vastgesteld (t-4, t-3 en t-2)). De peildatum is, zoals gebruikelijk, 1 oktober van ieder kalenderjaar. In de berekening worden alleen bekostigde leerlingen, deelnemers of studenten meegenomen. Deeltijdstudenten worden volledig meegeteld, er hoeft geen deeltijdfactor op deze studenten toegepast te worden. Niet-bekostigde leerlingen, deelnemers of studenten en cursisten (niet-diplomagericht onderwijs) worden niet meegeteld, indirect tellen deze mee via de totale baten. De leerlingen, deelnemers en studenten worden geteld per instelling. Dit wil zeggen dat leerlingen, deelnemers en studenten die aan meerdere instellingen zijn ingeschreven, bij meerdere instellingen worden meegeteld. Omdat er wordt geteld per onderwijsinstelling kunnen er op het niveau van het bevoegd gezag dubbeltelingen optreden, namelijk als personen zijn ingeschreven bij meerdere instellingen van hetzelfde bevoegd gezag.

  • c. Het gewogen aantal onderwijssoorten of sectoren

    Voor dit criterium wordt het aantal onderwijssoorten of sectoren als volgt gedefinieerd.

    • I. (telt mee met een factor 1)

      Het primair onderwijs kent drie onderwijssoorten: basisonderwijs (inclusief internationaal georiënteerd basisonderwijs), speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs.

      Het voortgezet onderwijs kent vier onderwijssoorten: praktijkonderwijs, voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (inclusief VM2), hoger algemeen voortgezet onderwijs (inclusief Engelse School) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (inclusief international baccalaureate).

      Daarnaast kan het voortgezet speciaal onderwijs als onderwijssoort zowel onder primair als onder voortgezet onderwijs voorkomen.

    • II. (telt mee met een factor 2)

      Het middelbaar beroepsonderwijs kent vijf sectoren: combinatie van sectoren, groen (landbouw), techniek, zorg en welzijn en economie. De mbo-opleidingen worden – volgens de wettelijk verankerde kwalificatiecodes – door DUO ingedeeld in vijf sectoren. DUO publiceert jaarlijks een overzicht van de opleidingen met per opleiding de bijbehorende sector en het domein. Dit overzicht kan worden geraadpleegd op data.duo.nl (via achtereenvolgens de knoppen ‘databestanden’, ‘Middelbaar beroepsonderwijs’, ‘Crebo opleidingen’ en ‘01. Historisch overzicht van Crebo beroepsopleidingen’).3

      Het hoger beroepsonderwijs kent acht sectoren: sectoroverstijgend, onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, techniek, gezondheidszorg, economie, gedrag en maatschappij en taal en cultuur. De sector van elke opleiding is vastgelegd in het CROHO.

    • III. (telt mee met een factor 3)

      Het wetenschappelijk onderwijs kent tien sectoren: sectoroverstijgend, onderwijs, landbouw en natuurlijke omgeving, natuur, techniek, gezondheidszorg, economie, recht, gedrag en maatschappij en taal en cultuur. De sector van elke opleiding is vastgelegd in het CROHO.

    Onderwijssoorten of sectoren die niet in deel 1, onderdeel 1C, van de bijlage bij de regeling worden genoemd, worden niet als aparte onderwijssoort of sector meegeteld. Indirect wegen deze sectoren wel mee via het criterium ‘totale baten’. Als peildatum voor het aantal gewogen onderwijssoorten of -sectoren wordt 1 oktober gebruikt.

    Vanwege het verschil in bestuurlijke complexiteit tussen onderwijssoorten (po en vo) en sectoren (mbo, hbo en wo) wordt de volgende weging toegepast. Het aantal onderwijssoorten in po en vo (I) wordt vermenigvuldigd met de factor 1, het aantal sectoren in mbo en hbo (II) wordt vermenigvuldigd met de factor 2 en het aantal sectoren in wo (III) wordt vermenigvuldigd met de factor 3. De factor twee volgt uit de zwaardere bestuurlijke complexiteit van sectoren die samenhangt met het hogere aantal financiële en bestuurlijke relaties. De factor 3 voor wo-sectoren volgt (in aanvulling op het genoemde onder factor 2) uit het feit dat in het wetenschappelijk onderwijs binnen een sector het onderwijs per definitie verbonden is aan fundamenteel (internationaal) wetenschappelijk onderzoek en uit het feit dat de doctorsgraad mag worden verleend.

    Een rekenvoorbeeld: Een rechtspersoon of instelling kan bestaan uit meerdere onderwijssoorten of sectoren. Zo komen er combinaties voor van primair en voortgezet onderwijs en van voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Een rechtspersoon of instelling die twee onderwijssoorten vo (2 x wegingsfactor 1) combineert met één mbo-sector (1 x wegingsfactor 2) heeft bijvoorbeeld vier gewogen onderwijssoorten of -sectoren, wat correspondeert met vier complexiteitspunten op dit criterium.

In het advies Bestuurdersbeloningen in het onderwijs is een vierde criterium opgenomen, namelijk ‘Reikwijdte’, uitgedrukt in lokaal, regionaal/landelijk of internationaal. Partijen zijn kritisch over dit criterium. De belangrijkste reden is dat de reikwijdte van de instelling niet objectief te definiëren en vast te stellen is. Om bestuurlijke complexiteit toch zwaarder in het systeem te verankeren, is ervoor gekozen dat op het criterium ‘totale baten’ twee keer zoveel complexiteitspunten behaald kunnen worden dan op de andere criteria.

De criteria kunnen als volgt worden samengevat in tabelvorm.

Gemiddelde totale baten per kalenderjaar (in mln. euro)

Complexiteits-punten

Gemiddeld aantal leerlingen, deelnemers of studenten

Complexiteits-punten

Gewogen onderwijssoorten of -sectoren

Complexiteits-punten

0 tot 5

2

1 tot 1.500

1

1

1

5 tot 25

4

1.500 tot 2.500

2

2

2

25 tot 75

6

2.500 tot 10.000

3

3

3

75 tot 125

8

10.000 tot 20.000

4

4

4

125 tot 200

9

20.000 en meer

5

5 en meer

5

200 en meer

10

       

Het minimumaantal te behalen complexiteitspunten is 4 en het maximumaantal is 20. Het totaal aantal punten leidt tot indeling in één van de bezoldigingsklassen (zoals opgenomen in artikel 3 van de regeling) met het daaraan gekoppelde bezoldigingsmaximum. De maximumbezoldiging van de toezichthouders wordt zoals thans het geval afgeleid van de maximumbezoldiging van de topfunctionaris(sen).

Bij het ontstaan van een nieuwe rechtspersoon (bijvoorbeeld bij het oprichten van een nieuwe school, na een fusie of na een splitsing) wordt bij het bepalen van de bezoldigingsklasse door de rechtspersoon of instelling uitgegaan van de meest actuele gegevens van de rechtspersoon of instelling. Bij oprichting van de nieuwe rechtspersoon wordt uitgegaan van de begroting. Naarmate de nieuw opgerichte, gefuseerde of gesplitste instelling langer bestaat, worden voor zover beschikbaar gegevens van de jaren t, t-1, t-2 en t-3 gebruikt. De precieze berekeningswijze voor elk jaar na de oprichting, fusie of splitsing is opgenomen in deel 2 van de bijlage bij de regeling.

Door het hanteren van eenvoudige, objectieve en toetsbare criteria hebben de Raden van Toezicht een duidelijke richtlijn voor de maximum bezoldiging. Zij dienen daar in de geest van de WNT op verantwoorde wijze mee om te gaan. Daarbij moet benadrukt worden dat het bij de bezoldigingsklassen om maxima gaat. Cao-partijen in de onderwijssectoren kunnen aan de hand van de gestaffelde maxima en onder die maxima een loongebouw inrichten, als handvat voor de feitelijke bezoldiging van de topfunctionarissen. Indien de van toepassing zijnde bezoldigingsklasse ruimte biedt voor een verhoging van de bezoldiging, zoals bij een fusie, is het van belang om rekening te houden met de toekomstige ontwikkeling van de instelling, die kan leiden tot een lagere bezoldigingsklasse.

6. Verzoeken tot indeling in een andere bezoldigingsklasse

Uit het overleg met de sectoren is gebleken dat er een sterke behoefte is aan de mogelijkheid dat instellingen in specifieke situaties in een hogere bezoldigingsklasse kunnen worden ingedeeld. Op grond van artikel 2.7 van de WNT kunnen rechtspersonen of instellingen bij de minister een verzoek indienen om in een andere bezoldigingsklasse te worden ingedeeld. In de WNT is in dit verband aangegeven dat de ministeriële regeling een procedure bevat waarbij een rechtspersoon of instelling kan verzoeken om de indeling te wijzigen. Ook kan er sprake zijn van een omstandigheid op grond waarvan speciale deskundigheid van de topfunctionaris wordt gevergd, waardoor op een ander segment van de arbeidsmarkt moet worden geworven dan gebruikelijk. Het gaat dan om uitzonderlijke gevallen, waarbij de betreffende rechtspersoon of instelling moet aantonen dat afwijking van de – eventueel op aanvraag hogere – indeling en de bijbehorende norm voor de betreffende topfunctionaris noodzakelijk is (individuele uitzondering). Het ligt niet voor de hand dat de betrokken minister vaak een dergelijke uitzondering zal toestaan, omdat in dat geval beter de indeling in bezoldigingsklassen kan worden aangepast.4 Een verzoek kan bijvoorbeeld voortkomen uit beheersmatige calamiteiten of een zwaarwegende reden voor het inzetten van specialistische deskundigheid die zeer beperkt aanwezig is op de (internationale) arbeidsmarkt.

Op verzoeken tot indeling in een andere bezoldigingsklasse zijn naast de procedurevoorschriften van de regeling ook de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, waarbij met name de afdelingen 4.1.1 en 4.1.2 van belang zijn. Voorts geldt dat de aanvragen moeten worden gedaan door de verantwoordelijke; een term die in artikel 1.1 van de WNT gedefinieerd is. De aanvragen moeten zijn voorzien van een deugdelijke motivering van de noodzaak tot de gevraagde indeling. De verzoeken worden ingediend bij: Ministerie van OCW, t.a.v. Directie FEZ/Arbeidszaken, Postbus 16375, 2500 BJ Den Haag.

Van een beslissing waarin een hogere indeling of hoger maximum wordt toegestaan, wordt conform de WNT mededeling gedaan in de Staatscourant. In het financieel verslaggevingsdocument wordt zowel een onderbouwing gegeven van de bezoldigingsklasse die volgt uit deze regeling als een weergave van de bezoldigingsklasse volgens de uitzondering.

7. Toezicht en handhaving

Het bepalen van de indeling in een bezoldigingsklasse geschiedt door de Raad van Toezicht. De accountant controleert of een onderbouwing van de toegepaste bezoldigingsklasse wordt gegeven en of die correct is vastgesteld. Omdat het gaat om reeds eerder gecontroleerde gegevens, mogelijk door een andere accountant, mag de accountant uitgaan van de juistheid van de eerdere jaarrekeningen.

Het toezicht en de handhaving blijven voor de onderwijsinstellingen een taak van de Inspectie van het Onderwijs. In de WNT-jaarrapportage (die de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, namens het kabinet, jaarlijks in december aan de Staten-Generaal stuurt) wordt verslag gedaan van de naleving.

Wordt een onjuiste bezoldigingsklasse gehanteerd, dan kan dat leiden tot een overschrijding van het toepasselijke bezoldigingsmaximum. Een overschrijding is onverschuldigd betaald en moet conform de WNT worden terugbetaald. Zo nodig wordt daarop gehandhaafd.

Los van de wijzigingen in deze wijzigingsregeling wordt nog opgemerkt dat bij de totstandkoming van de Regeling bezoldiging topfunctionarissen OCW-sectoren onnodig artikel 3, tweede lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht als grondslag is vermeld. De toezichthoudende bevoegdheden van de Inspectie voor het Onderwijs worden rechtstreeks ontleend aan de WNT in combinatie met de aanwijzing van de Inspectie als toezichthouder op grond van de WNT. Dit onderdeel van de ‘gelet op’ heeft dus geen betekenis (meer).

8. Inwerkingtreding, vaste verandermomenten en overgangsrecht

Deze regeling treedt in werking per 1 januari 2016 en wordt, in afwijking van de afspraken rond de invoeringstermijn van 2 maanden die is neergelegd in de Aanwijzingen voor de regelgeving (AR 174), conform de WNT in de maand november vastgesteld en gepubliceerd.

De bedragen van de bezoldigingsmaxima in artikel 3 van deze regeling zijn ten behoeve van de eenvoud afgerond op duizendtallen. De regeling wordt jaarlijks – in overleg met de onderwijssectoren – aangepast, waarbij de bedragen in beginsel worden geïndexeerd met het percentage waarmee de algemene WNT-norm wordt opgehoogd.

Op deze regeling is het algemene overgangsrecht van de WNT van toepassing. In zijn algemeenheid betekent dit dat bij een verlaging van de bezoldigingsklasse de dan reeds overeengekomen bezoldiging vier jaar in stand blijft en daarna in drie jaar wordt afgebouwd. Voorbeelden van specifieke uitwerking, bijvoorbeeld door samenloop van overgangsrecht door de inwerkingtreding van de regeling en reeds lopend overgangsrecht, zijn te vinden op www.topinkomens.nl, onder ‘Vraag en antwoord’, ‘Het overgangsrecht’.5

9. Gevolgen voor de uitvoeringspraktijk

De regeling is ter toets voorgelegd aan de Dienst Uitvoering Onderwijs, de Inspectie van het Onderwijs, de Auditdienst Rijk en via het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan het EAUT-panel6. De opmerkingen van deze partijen betroffen drie hoofdpunten: de definities van de criteria, het overgangsrecht en de rol van de accountant.

Naar aanleiding van de opmerkingen zijn de definities van de criteria aangescherpt en zijn ze in de toelichting verder verduidelijkt. Ook over de toepassing van het overgangsrecht is in de toelichting een passage opgenomen. Diverse partijen hebben geadviseerd om de accountant een toetsende rol te geven bij de vaststelling van de bezoldigingsklasse. Deze toetsende rol is zowel in de toelichting als in de artikelsgewijze toelichting beschreven. Door deze aanpassingen is de uitvoerbaarheid van de regeling vergroot.

10. Administratieve lasten

Kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de wet- of regelgeving (inhoudelijke nalevingskosten), worden niet in kaart gebracht voor scholen en instellingen, omdat scholen en instellingen voor die uitvoering worden bekostigd. Vanwege de eenvoudige criteria die uitgaan van reeds beschikbare gegevens (die de instellingen reeds jaarlijks aan DUO doorgeven) zijn de inhoudelijke nalevingskosten minimaal. De onderwijsstellingen bepalen jaarlijks het van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum. Voor de Raden van Toezicht biedt de regeling een eenvoudig, helder en hanteerbaar kader om te komen tot afspraken over de bezoldiging.

Voorts beziet de accountant bij de controle van de jaarrekening of de keuze voor de bezoldigingsklasse is onderbouwd en controleert de berekening. Het totaal aan kosten van de accountantscontroles voor een kleine 1.400 instellingen wordt geschat op € 105.000.

Deze regeling leidt in zeer beperkte mate tot administratieve lasten in de zin van aanvullende informatieverplichtingen. Deze ontstaan alleen indien op grond van artikelen 3a of 3b een verzoek wordt gedaan voor een uitzondering op de klassenindeling. Een dergelijk verzoek dient deugdelijk gemotiveerd te worden en aanvullende bescheiden te bevatten. Een ruwe inschatting is dat in het eerste jaar na inwerkingtreding ongeveer tien verzoeken zullen worden ingediend en in de daaropvolgende jaren vijf verzoeken per jaar. Het totaal aan administratieve lasten bij 10 verzoeken bedraagt € 5.500.

Afweging van alternatieven

Zoals in paragraaf 3 van deze toelichting is aangegeven is het alternatieve model van sectorale bezoldigingsmaxima afgewogen tegen het voorliggende model van bezoldigingsklassen op basis van instellingscriteria. Vanwege de nadelen van sectorale maxima is daarvan afgezien. Daarnaast is bezien of bij de instellingscriteria een separaat criterium ‘Reikwijdte’ kan worden gehanteerd, als maatstaf voor de complexiteit van de instelling. Een dergelijk criterium bleek niet objectiveerbaar (zie paragraaf 5).

Artikelsgewijze toelichting

Grondslag van deze regeling

De verlaagde bezoldigingsmaxima die in artikel 3 van deze regeling waren opgenomen, zijn tot stand gekomen op grond van artikel 2.6, eerste lid, van de wet. Die bepaling wordt vervangen door gestaffelde bezoldigingsmaxima op grond van artikel 2.7, eerste tot en met vierde lid, van de wet. Artikel 2.6, eerste lid, van de wet wordt dus opgevoerd als grondslag voor het schrappen van de verlaagde maxima, terwijl artikel 2.7, eerste tot en met vierde lid, van de wet wordt gebruikt als grondslag voor de nieuwe gestaffelde bezoldigingsmaxima.

Artikel 3c van de regeling is gebaseerd op de grondslagen in de onderwijswetgeving op basis waarvan bij ministeriële regeling nadere eisen kunnen worden gesteld aan de jaarverslagen.

Artikel I, onderdeel A

Algemeen over de wijzigingen in de begripsbepalingen

De gestaffelde bezoldigingsmaxima per klasse gelden uitsluitend voor de onderwijsinstellingen. Anders dan tot op heden het geval was, worden de niet-onderwijsinstellingen in de verschillende sectoren niet meer gekoppeld aan een bepaald verlaagd maximum. Om die reden worden de begripsbepalingen van de verschillende onderwijssectoren beperkt tot de onderwijsinstellingen.

De overige instellingen worden – samen met de onderwijsinstellingen – samengebracht onder het begrip ‘rechtspersonen of instellingen in het onderwijs’ waarmee geregeld is dat van paragraaf 2 de artikelen 4 en 5 nog wel op die instellingen van toepassing zijn.

Subonderdelen 1 en 3

Deze begripsbepaling wordt gebruikt voor de reikwijdte van de artikelen over elektronische verzending en melding (artikelen 4 en 5). Het komt in de plaats van de begripsbepaling van ‘topfunctionarissen in het onderwijs’. Omdat de artikelen 4 en 5 ook gelden voor niet-topfunctionarissen, is de begripsomschrijving in die zin verruimd; in eerdere versies van de regeling was daar abusievelijk niet in voorzien. Zie verder onder algemeen over de wijzigingen in de begripsbepalingen hierboven.

Nummer 2 van bijlage 1 van de wet onder het opschrift EZ vervalt met de amvb in verband met de normering van de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling. Nummer 3 wordt met die wijziging vernummerd tot nummer 2, waardoor deze verwijzing ook in de regeling moet worden aangepast.

Subonderdeel 2

De nummers 13, 15 en 16 van de bijlage verwijzen naar niet-onderwijsinstellingen in de sector beroepsonderwijs en educatie. De verwijzing naar die nummers vervalt daarom uit deze begripsomschrijving. Zie verder onder algemeen over de wijzigingen in de begripsbepalingen hierboven.

Subonderdeel 4

De nummers 2, 3, 5 en 6 van de bijlage verwijzen naar niet-onderwijsinstellingen in de sector primair onderwijs. De verwijzing naar die nummers vervalt daarom uit deze begripsomschrijving. Zie verder onder algemeen over de wijzigingen in de begripsbepalingen hierboven.

Ten aanzien van de nummers 3 en 5 wordt nog opgemerkt dat de inhoud van die nummers op de bijlage wordt gewijzigd met de amvb in verband met de normering van de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling. Ook de instellingen die vanaf dat moment onder de nummers 3 en 5 worden genoemd – de samenwerkingsverbanden passend onderwijs – zijn niet-onderwijsinstellingen die niet onder de gestaffelde bezoldigingsmaxima vallen.

Subonderdeel 5

Nummer 9 van de bijlage verwijst naar niet-onderwijsinstellingen in de sector voortgezet onderwijs. De verwijzing naar dat nummer vervalt daarom uit deze begripsomschrijving. Zie verder onder algemeen over de wijzigingen in de begripsbepalingen hierboven.

Subonderdelen 6 en 7

In de amvb in verband met de normering van de bezoldiging van topfunctionarissen zonder dienstbetrekking voor de eerste twaalf maanden van de functievervulling wordt nummer 3 van bijlage 1 van de wet onder het opschrift EZ vernummerd tot nummer 2, waardoor de verwijzing ook in de regeling moet worden aangepast.

Artikel I, onderdeel B

Omdat de artikelen 4 en 5 ook gelden voor niet-topfunctionarissen, is de titel van deze paragraaf niet correct; in eerdere versies van de regeling waren de artikelen 4 en 5 qua reikwijdte abusievelijk beperkt tot topfunctionarissen in het onderwijs.

Artikel I, onderdeel C

De artikelen 3 tot en met 5 waren van toepassing op alle topfunctionarissen in het onderwijs; ook de topfunctionarissen van de niet-onderwijsinstellingen waren in artikel 3 via de begripsbepaling gekoppeld aan een maximum voor een bepaalde onderwijssector. Dat is met deze wijzigingsregeling losgelaten. Voor de niet-onderwijsinstellingen gelden daarom alleen nog de artikelen 4 en 5.

Technisch is het als volgt geregeld: de niet-onderwijsinstellingen zijn uit de begripsbepalingen van de topfunctionarissen van een onderwijssector verwijderd, maar zijn blijven staan in het overkoepelende begrip ‘rechtspersonen of instellingen in het onderwijs’.

Artikel I, onderdeel D

Eerste lid

De (verlaagde) bezoldigingsmaxima per onderwijssector worden vervangen door een bezoldigingsmaximum per klasse en een klassenindeling op basis van boven-sectorale criteria. Die criteria zijn zo ingericht dat zij op een eenvoudig meetbare manier zo veel mogelijk de complexiteit van de rechtspersoon of instelling weerspiegelen. De criteria worden genoemd en toegelicht in de bijlage.

Tweede lid

De onderwijsinstellingen kunnen zichzelf op basis van het aantal punten dat zij aan de hand van de criteria behalen indelen in een klasse. Op basis daarvan weten zij welk bezoldigingsmaximum van toepassing is. De accountant controleert of de klasse-indeling is onderbouwd en of die, uitgaande van de juistheid van de onderliggende cijfer, correct is vastgesteld. De van toepassing zijnde klasse en het aantal complexiteitspunten per criterium wordt op grond van artikel 3c vermeld in het financieel verslaggevingsdocument.

Derde lid

Bij elke klasse hoort een bezoldigingsmaximum. De onderwijsinstellingen mogen met hun topfunctionarissen geen bezoldiging overeenkomen die per kalenderjaar hoger is dan het bezoldigingsmaximum. Het meerdere is op basis van de wet onverschuldigd betaald, wat betekent dat elke extra euro terug moet worden betaald aan de onderwijsinstelling.

Artikel I, onderdeel E

Artikel 3a

De wet geeft de minister de bevoegdheid om op verzoek af te wijken van de bij ministeriële regeling geregelde klassenindeling.7 De rechtspersoon of instelling die in een andere klasse wenst te worden ingedeeld, kan bij de minister een verzoek indienen. De minister zou daartoe kunnen besluiten wanneer de toepassing van de criteria voor een specifieke instelling leidt tot een onbillijke indeling, gelet op de betrokken belangen.

Het verzoek wordt tijdig ingediend bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, dan wel bij de Minister van Economische Zaken waar het groen onderwijs betreft, en in ieder geval niet later dan 6 weken voordat de andere klassenindeling moet ingaan. Alleen op die manier kan de minister tijdig beslissen en is er eventueel nog ruimte voor een bezwaarprocedure.

In het verzoek wordt de noodzaak van de andere klassenindeling gemotiveerd. Het verzoek bevat ook een verklaring van het toezichthoudende orgaan van de rechtspersoon of instelling; de verantwoordelijke in termen van de WNT. De direct belanghebbenden bij het onderwijs van de instelling wordt gevraagd om hun oordeel over het verzoek. De instelling kan bijvoorbeeld besluiten het oordeel te vragen van de centrale medezeggenschap of op andere wijze laten zien wat leerlingen, ouders, docenten en/of studenten ervan vinden.8 De verantwoordelijke moet akkoord zijn met het verzoek. Voor de belanghebbenden geldt dat niet, maar door hun oordeel van de in het verzoek te vermelden kan dat oordeel worden meegewogen in de belangenafweging die de minister maakt.

Tot slot bevat het verzoek een onderbouwing van de periode waarin de andere klassenindeling moet gelden. De andere klassenindeling is in beginsel van tijdelijke duur.

Artikel 3b

Voor artikel 3b geldt grofweg dezelfde toelichting als voor artikel 3a. De wet geeft de minister eveneens de bevoegdheid om op individuele basis een afwijking van het toepasselijke bezoldigingsmaximum toe te staan.9 Tot die beslissing zou de minister kunnen komen wanneer blijkt dat de klassenindeling op zich juist is, maar dat het voor de individuele topfunctionaris een onbillijke bezoldigingsnorm impliceert.

Artikel 3c

In dit artikel is de verantwoording van de toepasselijke bezoldigingsmaxima geregeld. De onderwijsinstelling bepaalt zelf de toepasselijke klassenindeling. Om die klassenindeling in het kader van het interne en externe toezicht te kunnen toepassen, wordt voorgeschreven dat de toepasselijke klasse, of in geval van een individuele uitzondering het toepasselijke bezoldigingsmaximum, in het financiële verslaggevingsdocument wordt vermeld. De accountant controleert of een onderbouwing van de toegepaste bezoldigingsklasse wordt gegeven en of die, uitgaande van de juistheid van de onderliggende cijfers, correct is vastgesteld.

Wanneer op verzoek van de instelling een besluit is genomen op grond van artikel 3a of 3b, dan wordt dat besluit bekendgemaakt in de Staatscourant.10 Door vermelding van de vindplaats van de betreffende beslissing, kan de instelling zonder al te veel woorden in het verslaggevingsdocument aangeven dat voor de betreffende instelling een uitzondering is toegestaan en dat op grond van die beslissing een bepaalde klassenindeling geldt. Het vermelden van de vindplaats is niet verplicht, maar wel praktisch. De toepassing van artikel 3a of 3b ontslaat de instelling niet van de verplichting om het aantal complexiteitspunten per criterium te vermelden. Die informatie blijft nuttig om te evalueren of de uitzondering ook in latere jaren nog gerechtvaardigd is.

Artikel I, onderdelen F en G

In de artikelen 4 en 5 wordt verduidelijkt dat die artikelen gelden voor alle functionarissen in het onderwijs, dus ook voor de niet-onderwijsinstellingen waar geen gestaffeld bezoldigingsmaximum voor geldt. In artikel 4 wordt voorts de transitie van de EFJ (elektronische financiële jaarrekening) naar financiële verantwoording door middel van XBRL verwerkt. XBRL is de nieuwe standaard en binnen XBRL is een model ontwikkeld om de WNT-gegevens te vermelden.

Artikel I, onderdeel H

Onder 1 en 2a. De verlaagde maxima voor de cultuurfondsen zijn voor 2016 geïndexeerd met 0,6% (hetzelfde percentage als de verhoging van het algemene WNT-maximum) en vervolgens conform het algemene WNT-maximum afgerond op duizendtallen.

Onder 2b. De namen van de cultuurfondsen die genoemd zijn in artikel 5b, onderdeel b, onder 2° en 3° zijn gewijzigd. Als gevolg van die wijziging wordt het artikel aangepast.

Artikel I, onderdelen J en K

In de artikelen 6 en 7a worden enkele technische en redactionele verbeteringen aangebracht.

Artikel I, onderdeel L

In de artikelen waarin de toezichthoudende ambtenaren worden aangewezen is niet zonder meer duidelijk dat het gaat om ambtenaren van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Dat wordt met deze wijzigingen verduidelijkt.

Artikel I, onderdeel L

De artikelen 8 en 9 van de regeling zijn uitgewerkt en kunnen daarom vervallen.

Artikel I, onderdeel M

De complexiteit van de instelling – en dus de indeling in een bezoldigingsklasse – wordt aan de hand van de criteria in de bijlage bepaald. De bijlage bevat drie eenvoudig meetbare criteria met bijbehorende puntenaantallen. Uit het totaal aantal punten voor een rechtspersoon of instelling vloeit een bezoldigingsklasse en een maximale bezoldigingsnorm voort.

Voor instellingen die korter dan vijf jaar geleden zijn opgericht, gefuseerd op gesplitst, kan de berekening op grond van deel 1 van de bijlage niet worden gemaakt omdat de gevraagde gegevens nog niet beschikbaar zijn. Voor die instellingen is in deel 2 van de bijlage een rekenmethodiek uitgewerkt die in samenhang met deel 1 moet worden gehanteerd en jaar na jaar wordt uitgebouwd totdat de instelling volledig beschikt over de in deel 1 gevraagde gegevens.

Doordat in de eerste jaren van een instelling de gegevens nog veel kunnen verschillen, en dus de van toepassing zijnde bezoldigingsklasse kan veranderen, ligt er een bijzondere verantwoordelijkheid bij de Raad van Toezicht om op verantwoorde wijze met de bezoldiging om te gaan.

Daarnaast is het belangrijk om te benadrukken dat de vastgestelde klasse in eerste instantie geldt voor nieuwe benoemingen in dat jaar. Voor een topfunctionaris die in een eerder jaar is benoemd op basis van de klassenindeling in dat jaar, geldt het overgangsrecht bij een bijstelling naar beneden.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M. Bussemaker

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker


X Noot
1

Advies Bestuurdersbeloningen in het Onderwijs, Overduin bv, 9 februari 2015.

X Noot
2

Het model wijkt op dit punt af van het advies.

X Noot
4

Kamerstukken II 2010/11, 32 600, nr. 3, blz. 46.

X Noot
6

Het EAUT staat voor een ex ante uitvoerings- en handhavingstoets, die wordt uitgevoerd door een panel van belangrijke, bij de uitvoering van de wet, betrokken partijen, zoals administraties van verschillende soorten instellingen en accountants. Zie Kamerbrief van 10 juli 2014 van de Minister van BZK, Kamerstukken II 2013/14, 30 111, nr. 72, blz.2.

X Noot
7

Artikel 2.7, derde lid, van de wet.

X Noot
8

Voor de sectoren primair en voortgezet onderwijs gaat het om de medezeggenschapsraad, genoemd in de Wet medezeggenschap op scholen. Voor de sector beroepsonderwijs en educatie gaat het om de deelnemersraad en in voorkomende gevallen de ouderraad, genoemd in de Wet educatie en beroepsonderwijs. Voor het hbo gaat het om de medezeggenschapsraad, genoemd in artikel 10.17 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Voor het wetenschappelijk onderwijs gaat het om de gezamenlijke vergadering van personeel en studenten, genoemd in artikel 9.30a, of de universiteitsraad, genoemd in artikel 9.31 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

X Noot
9

Artikel 2.7, vierde lid, van de wet.

X Noot
10

Voorgeschreven in artikel 2.7, vijfde lid, van de wet.