Advies Raad van State inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten)

Nader Rapport

10 september 2015

IenM/BSK-2015/174813

Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken

Ministerie van Infrastructuur en Milieu

Aan de Koning

Nader rapport inzake het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten)

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 12 maart 2015, nr. 2015000418, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde ontwerp van een algemene maatregel van bestuur rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 10 juli 2015, nr. W14.15.0062/IV, bied ik U hierbij aan.

Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van een aantal inhoudelijke opmerkingen. De Afdeling geeft U in overweging in deze een besluit te nemen, nadat met het advies rekening zal zijn gehouden. Hieronder volgt een bespreking van het advies.

1. Toenemende complexiteit

De Afdeling merkt op dat door de uitbreiding van het Activiteitenbesluit met nieuwe activiteiten en de opname van verschillende voor de praktijk van belang zijnde regelingen en algemene maatregelen van bestuur de omvang van het Activiteitenbesluit en de gelaagdheid in de normstelling toeneemt. De Afdeling concludeert dat hierdoor de complexiteit van het Activiteitenbesluit toeneemt. De Afdeling constateert dat hierover zowel in het rapport ‘Evaluatie Activiteitenbesluit 2008–2012’ uit 2013, als in de inspraak- en voorhangprocedures en in het recent gepubliceerde rapport ‘Evaluatie milieueffecten Activiteitenbesluit’ opmerkingen zijn gemaakt.

De Afdeling adviseert in de nota van toelichting op het evaluatierapport uit 2013 in te gaan en aan te geven of en hoe de aanbevelingen uit het rapport zijn aangegrepen om de toegankelijkheid van het Activiteitenbesluit te verbeteren.

De in het evaluatieonderzoek genoemde aanbevelingen richten zich op de volgende verbeterpunten: de leesbaarheid en werkbaarheid van het Activiteitenbesluit, de informatievoorziening, de verwerking van richtlijnen in de ministeriële regeling, de advisering door de werkgroep gelijkwaardigheid en het kennisniveau van toezichthouders, waarbij ik opmerk dat met name het eerste punt ziet op de vormgeving van de regelgeving. Bij de aanbieding van het evaluatierapport aan de Tweede Kamer heb ik aangegeven dat ik deze verbeterpunten voortvarend zal oppakken en waar relevant zal verwerken in de nieuwe regelgeving onder de Omgevingswet. Zoals de Afdeling veronderstelt, acht ik een ingrijpende aanpassing van de structuur van het Activiteitenbesluit gelet op de komende stelselherziening bij deze wijziging niet opportuun. Wel wordt continu geïnvesteerd in het verbeteren van de informatievoorziening en de ontsluiting van de normen die in het Activiteitenbesluit en de daaronder liggende regeling zijn opgenomen. De digitale Activiteitenbesluit Internetmodule (AIM) is een hulpmiddel voor de ontsluiting van het Activiteitenbesluit ter ondersteuning van zowel bedrijven als bevoegde gezagsinstanties. Deze digitale ontsluiting van de regelgeving blijkt in de praktijk een zeer goede wijze om de toegankelijkheid van het Activiteitenbesluit te vergroten. De toelichting is aangevuld met een passage over het evaluatieonderzoek.

De Afdeling adviseert daarnaast de toelichting op meerdere punten te verduidelijken om de toegankelijkheid van het besluit te vergroten. In paragraaf 2.1 van de toelichting is een tabel opgenomen, waarin per activiteit is aangegeven of en zo ja welk effect het ontwerpbesluit heeft op de vergunningplicht en op welke plaatsen het Activiteitenbesluit en het Besluit omgevingsrecht met betrekking tot deze activiteiten zijn aangepast. Vergelijkbare informatie zal ook op de website van Rijkswaterstaat geplaatst worden. Ook zijn in het algemeen deel van de toelichting per paragraaf verwijzingen toegevoegd naar de artikelen van het ontwerpbesluit waarin de beschreven wijzigingen zijn geregeld. Ten slotte zijn in de paragrafen 4.2, 4.4 en 4.5 van de toelichting transponeringstabellen opgenomen waaruit blijkt waar de bepalingen uit de Nederlandse emissierichtlijn (NeR), het Besluit LPG-tankstations en het Besluit hefschroefvliegtuigen die aan het Activiteitenbesluit zijn toegevoegd, zijn opgenomen. Ten behoeve van de inzichtelijkheid is, daar waar dit relevant is, in deze tabellen tevens aangegeven waar de bepalingen in de Activiteitenregeling zijn opgenomen. Met betrekking tot de Regeling op- en overslag en distributie benzine wordt volstaan met een aanpassing van de implementatietabel van richtlijn nr. 94/63/EG in paragraaf 4.3, aangezien bij de inbouw van deze regeling alle nationale bepalingen die de regeling bevatte, zijn verwijderd en enkel de bepalingen van de richtlijn in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen.

2. Toename maatwerk

De Afdeling merkt op dat het ontwerpbesluit onder meer regelt dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit negen bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd. Voor het merendeel van deze activiteiten vervalt de vergunningplicht en worden nieuwe, algemene voorschriften in het Activiteitenbesluit gevoegd. Daarnaast regelt het ontwerpbesluit dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit vijftien andere bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd, zonder dat daarvoor nieuwe voorschriften worden ingevoerd. De Afdeling merkt op dat de nota van toelichting vermeldt dat er in vergelijking tot de voorgaande drie tranches van het Activiteitenbesluit voor deze bedrijfstakken meer maatwerk nodig zal zijn. Ook de inpassing van de NeR in het Activiteitenbesluit en de nieuwe regelgeving inzake zeer zorgwekkende stoffen zorgen voor een toenemende noodzaak om maatwerkvoorschriften te stellen. De Afdeling vraagt zich af of deze toename van maatwerkvoorschriften niet haaks staat op het doel van het Activiteitenbesluit om te komen tot uniformering van de regelgeving en de verlaging van administratieve lasten.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de voorgestelde uitbreiding met de genoemde bedrijfstakken in het Activiteitenbesluit dragend te motiveren of anders van uitbreiding met die bedrijfstakken af te zien.

Kort samengevat is het doel van het brengen van extra activiteiten onder het Activiteitenbesluit vereenvoudiging, vermindering en uniformering van regelgeving te realiseren en tegelijkertijd een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen als gevolg van rijksregelgeving te bewerkstelligen, waarbij het niveau van milieubescherming gelijk blijft. Deze uitgangspunten zijn in acht genomen bij de beoordeling van de vraag of bedrijfstakken onder het Activiteitenbesluit konden worden gebracht. Daarnaast bleek bij de doorlichting van de lijst met vergunningplichtige inrichtingen uit het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat vergunningen voor sommige activiteiten slechts één aspect reguleerden of dat daarvoor de vergunningsvoorschriften ook al in algemene regels terug te vinden waren. Ook de wens vanuit de maatschappij om bepaalde ontwikkelingen, zoals mono-vergisting, mogelijk te maken, heeft meegespeeld bij de keuze om activiteiten onder de algemene regels te brengen. Bij het maken van de keuze zijn vertegenwoordigers van de betrokken bedrijfstakken nauw betrokken. Iedere aanpassing wordt individueel toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij de wijziging van bijlage I bij het Bor. Op een aantal punten is de toelichting aangevuld.

In verhouding tot de vorige tranches van het Activiteitenbesluit zal de mogelijkheid tot de inzet van maatwerk toenemen door het wijzigingsbesluit. Dit betekent niet per definitie dat er evenredig meer gebruik zal worden gemaakt van die mogelijkheden. De evaluatie van het Activiteitenbesluit heeft laten zien dat het bevoegd gezag zorgvuldig gebruik maakt van maatwerkbevoegdheden. Verwacht mag worden dat bevoegde overheden, net als nu het geval is, alleen maatwerk inzetten als dat nodig is. Voorts wordt opgemerkt dat de toevoeging van de nieuwe activiteiten wel degelijk een uniformerende werking in de praktijk tot gevolg heeft. Een deel van de vergunningvoorschriften zal zes maanden na inwerkingtreding van de nieuwe regelgeving komen te vervallen, omdat zij niet aan de voorwaarden van het overgangsrecht voldoen. Het merendeel van de huidige vergunningvoorschriften wordt nog gedurende drie jaar als maatwerk aangemerkt, waarna het bevoegd gezag de mogelijkheid heeft om de voorschriften om te zetten in permanente maatwerkvoorschriften. De praktijk heeft aangetoond dat slechts een beperkt deel wordt omgezet naar permanente voorschriften, omdat deze voorschriften noch voor de inrichting, noch voor het bevoegd gezag noodzakelijk blijken. De inpassing van activiteiten in het Activiteitenbesluit leidt aldus tot een algehele heroverweging van voorschriften, wat uiteindelijk tot uniformering leidt.

De omzetting van vergunningvoorschriften in – eerst tijdelijke en indien dit noodzakelijk is later permanente – maatwerkvoorschriften leidt eenmalig tot een toename in de administratieve lasten, maar betekent vervolgens een daling in de structurele lasten. Indien een nieuwe inrichting van start gaat, zal beoordeeld moeten worden of voor de activiteiten van deze inrichting maatwerk noodzakelijk is. Deze beoordeling zal gepaard gaan met administratieve lasten. Aangezien het uitgangspunt is dat de activiteit onder algemene regels valt, zullen deze lasten aanzienlijk lager zijn vergeleken met de oude situatie waarin de inrichting vergunningplichtig was. Per saldo draagt het ontwerpbesluit aldus bij aan een verlaging van de lasten.

Met betrekking tot de drie specifieke bedrijfstakken, waarover de Afdeling haar bezorgdheid uit, kan het volgende worden opgemerkt. Ten aanzien van ziekenhuizen en medisch specialistische inrichtingen en de noodzaak tot maatwerk met betrekking tot lozingen wordt ten eerste benadrukt dat de algemene regels voor lozingen uit het Activiteitenbesluit nu reeds van toepassing zijn op een aantal ziekenhuizen en instellingen. Deze set aan voorschriften is voldoende gebleken. Het afvalwater van de ziekenhuizen en instellingen die nu onder het Activiteitenbesluit worden gebracht, verschilt niet wezenlijk van het afvalwater van de ziekenhuizen en instellingen die reeds onder algemene regels vallen. De verwachting is dan ook dat zich op dit punt geen grote problemen zullen voordoen. Ten tweede, het Activiteitenbesluit reguleerde al zeer veel activiteiten van ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen, waaronder activiteiten met betrekking tot afval, lozingen, voedselbereiding, laboratoria en diverse installaties, waardoor de vergunningplicht gemakkelijk vervangen kon worden door algemene regels zonder nieuwe voorschriften op te nemen in het Activiteitenbesluit. Ten slotte is nadrukkelijk besloten dat de vergunningplicht voor een aantal activiteiten, waaronder het werken met genetische gemodificeerde organismen onder ingeperkt gebruik of met overige biologische agentia van niveau 3 en 4, zal blijven bestaan. Ook kan het voorkomen dat ziekenhuizen vergunningplichtig blijven omdat zij de grenzen van een andere categorie uit bijlage C bij het Bor overschrijden zoals de opslag van lachgas. Dit zal met name de academische ziekenhuizen betreffen. Met betrekking tot het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren en de grote sport- en recreatie-inrichtingen is de noodzaak voor het gebruikmaken van de mogelijkheid tot het treffen van maatwerk direct gerelateerd aan de locatie van de inrichting. Op basis van de gevoeligheid van de locatie kon de vergunning voor bepaalde inrichtingen uit deze categorieën specifieke voorschriften bevatten, met name ter voorkoming van geluidhinder of met betrekking tot de verkeersaantrekkende werking van de inrichting. Om de omgeving op een gelijkblijvend niveau te kunnen blijven beschermen is er bewust voor gekozen het bevoegd gezag de bevoegdheid te geven tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor deze activiteiten. Echter, een groot deel van de inrichtingen uit deze categorieën ligt op minder gevoelige locaties, waardoor de inzet van maatwerk niet noodzakelijk zal zijn. In dergelijke gevallen zal de uniformerende werking van het Activiteitenbesluit relatief groot zijn.

Met betrekking tot toename in maatwerkvoorschriften door de opname van de NeR en de algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen wordt het volgende opgemerkt. De NeR had als aangewezen BBT-document al een meer bindend karakter dan andere nationale richtlijnen en de inherente afwijkbevoegdheid die normaal gesproken aan dergelijke richtlijnen is verbonden was al zeer beperkt. Bij het opnemen van de NeR in het Activiteitenbesluit is dan ook de inschatting gemaakt dat bij de toepassing relatief weinig maatwerk in de praktijk nodig is. Deze inschatting is gebaseerd op de bestaande praktijk bij de vergunningverlening.

Voor zeer zorgwekkende stoffen geldt dat aan die stoffen in de bestaande vergunningen vaak onvoldoende aandacht werd besteed. Nu deze stoffen onder de algemene regels worden gebracht, vindt een meer uniforme toepassing van de, voorheen in de NeR opgenomen, voorschriften plaats. Indien er in een specifieke situatie voor een type C-inrichting maatwerk nodig is, zal dit naar verwachting niet tot een toename van de lasten leiden. Voorheen zou dit immers in de vergunning moeten worden geregeld, waarvoor een vergelijkbare inspanning nodig zou zijn. Maatwerk voor type B-inrichtingen zal aan de orde kunnen zijn als in hoofdstuk 4 van het Activiteitenbesluit de mogelijkheid is opgenomen om eisen te stellen aan de locatie en uitvoering van het emissiepunt. Voor het overige wordt er op dit moment van uitgegaan dat de voorschriften in hoofdstuk 4 voldoende milieubescherming bieden. Bij type A bedrijven wordt niet verwacht dat er zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht worden geëmitteerd. De algemene zorgplichtbepaling van artikel 2.1 zal voor type A -en type B-inrichtingen slechts relevant zijn als vangnet voor de situatie dat er toch, onvoorzien, op basis van nieuwe informatie die beschikbaar is gekomen, vanuit het oogpunt van milieubescherming ontoelaatbare emissies naar de lucht blijken plaats te vinden van zeer zorgwekkende stoffen. In een dergelijke situatie zijn derhalve niet alle aspecten geregeld en is maatwerk mogelijk. De aard van de zeer zorgwekkende stoffen en ontwikkelingen bij het beschikbaar komen van informatie over zeer zorgwekkende stoffen nopen daartoe.

Op een aantal punten is de toelichting aangepast om de verwachting van de toename van het maatwerk te verduidelijken.

3. Handhavingskosten

De Afdeling merkt op dat als gevolg van het vervallen van de vergunningplicht en het vervangen van de omgevingsvergunning door de omgevingsvergunning beperkte milieutoets de nadruk veel meer komt te liggen op toezicht en handhaving van algemene regels. De Afdeling geeft aan dat in lijn hiermee onder meer een verschuiving plaatsvindt van de kosten van de controle van de vergunningaanvraag vooraf naar de kosten van toezicht en handhaving achteraf.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande in de toelichting in te gaan op de handhavings- en toezichtkosten en het vervallen van de kosten van toetsing van de vergunningaanvraag teneinde inzicht te verkrijgen in de totale lastendruk.

Al bij de vorige tranches van het Activiteitenbesluit is geconstateerd dat de verschuiving van vergunningen naar algemene regels bij het bevoegd gezag leidt tot een daling van de inzet die nodig is voor vergunningverlening en aldus een daling van de lasten voor het bevoegd gezag met zich meebrengt. Hier staat tegenover dat de handhaving van de algemene normen meer capaciteit vergt vanwege de verschuiving van preventief toezicht naar repressief toezicht. Er wordt aangenomen dat deze verschuiving op macroniveau budgetneutraal verloopt. Aangezien het vervolgens aan het individuele bevoegde gezag is om prioritering in repressief toezicht en handhaving aan te brengen, kan op deze plek geen kwantitatief beeld worden gegeven van de totale bestuurlijke lasten. Met inachtneming van het voorgaande zal de toelichting op dit punt worden aangevuld.

4. Lucht en geur

De Afdeling constateert dat het normstellende deel van de NeR wordt opgenomen in het Activiteitenbesluit en dat tevens wordt voorzien in de opname van algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen, die uitsluitend gelden voor inrichtingen type C.

a. NeR en NRB

De Afdeling constateert dat de normstellende delen van de NeR wel en de normstellende delen van de NRB niet met het ontwerpbesluit in het Activiteitenbesluit worden opgenomen en adviseert in de toelichting in te gaan op deze keuze.

Met het inbouwen van het normatieve deel van de NeR in het Activiteitenbesluit, wordt de verhouding tussen de inhoud van het Activiteitenbesluit, de NeR en die documenten waarin de meest milieuvriendelijke technieken zijn opgenomen die een inrichting kan toepassen (BREF’s/BBT’s) verduidelijkt. De opzet van de NeR maakte het mogelijk duidelijk onderscheid te maken tussen de normstellende en informatieve delen. Bij de stelselherziening in het kader van de Omgevingswet wordt bekeken of opname in algemeen verbindende voorschriften ook voor andere documenten zoals de NRB mogelijk is. In de toelichting is hiervan melding gemaakt.

b. Algemene geurbepaling en overgangsrecht

De Afdeling merkt op dat aan het Activiteitenbesluit een algemene geurbepaling wordt toegevoegd, waarmee het uitgangspunt voor geur uit de NeR in het Activiteitenbesluit wordt opgenomen. In afwijking van de NeR wordt bescherming tegen geurhinder echter enkel nog toegekend aan geurgevoelige objecten en niet langer aan andere locaties waar zich mensen bevinden. De Afdeling merkt vervolgens op dat de overgangstermijn voor geurvoorschriften op vijf jaar wordt gesteld, waarmee wordt afgeweken van de standaardtermijn van drie jaar. Deze termijn kan belastend werken voor inrichtingen.

De Afdeling adviseert in de toelichting gelet op het voorgaande een dragende motivering op te nemen ter zake van de werking van het overgangsrecht gedurende vijf jaar en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

Voor de termijn van vijf jaar is gekozen mede wegens de inhoud van de inspraakreacties op het besluit. Een periode van drie jaar werd door het bevoegd gezag in dit geval te kort geacht voor het omzetten van vergunningvoorschriften in maatwerkvoorschriften. De belastende werking van deze termijn wordt beperkt geacht. Bestaande bedrijven zullen immers al de maatregelen getroffen hebben om een aanvaardbaar hinderniveau te bereiken. De toelichting is op dit punt aangevuld.

c. Zeer zorgwekkende stoffen: verhouding tot Europees recht

De Afdeling merkt op dat voor de emissie van zeer zorgwekkende stoffen aanvullende regels gaan gelden. Voor de kwalificatie van zeer zorgwekkende stoffen wordt aangesloten bij de REACH-verordening,1 maar het ontwerpbesluit moet niet gezien worden als implementatie van deze verordening. De Afdeling constateert dat dit onvoldoende duidelijk blijkt uit de toelichting. Voor de aanpak voor zeer zorgwekkende stoffen wordt aangesloten bij de uitgangspunten van de Richtlijn industriële emissies.2 De Afdeling geeft aan dat de toelichting de relatie tussen het Activiteitenbesluit en de richtlijn onvoldoende duidelijk maakt.

De Afdeling adviseert de toelichting met inachtneming van het voorgaande te verduidelijken.

In paragraaf 4.2 van het algemeen deel van de toelichting wordt de verhouding tussen de REACH-verordening en het ontwerpbesluit vermeld. Hieraan is expliciet toegevoegd dat het ontwerpbesluit niet strekt ter implementatie van de verordening. De EU-richtlijn industriële emissies is in Nederland onder meer geïmplementeerd in de afdeling 2.3 Lucht van het Activititeitenbesluit en met betrekking tot de vergunningplicht in het Besluit omgevingsrecht. De richtlijn bevat de verplichting om nadere eisen te stellen aan de emissie van bepaalde verontreinigende stoffen die zijn opgenomen in bijlage II bij de richtlijn. Deze eisen kunnen in vergunningvoorschriften of in algemene verbindende voorschriften worden opgenomen. Tot op heden waren deze nadere eisen in de NeR opgenomen en werden zij door het bevoegd gezag bij de vergunningverlening in acht genomen. Voor de zeer zorgwekkende stoffen worden de emissiegrenswaarden en eisen nu in het Activiteitenbesluit opgenomen. Voor het deel van de zeer zorgwekkende stoffen dat onder bijlage II van de richtlijn valt, is op dit punt dus sprake van een nadere invulling van de verplichtingen uit de richtlijn. De lijst met zeer zorgwekkende stoffen zoals deze op basis van de criteria uit REACH is vastgesteld omvat echter een grotere groep van stoffen van vergelijkbare zorg. Voor al deze stoffen worden nu regels gesteld. De toelichting is op dit punt verduidelijkt.

d. Zeer zorgwekkende stoffen: maatwerkvoorschriften inrichtingen type B

De Afdeling merkt op dat de passage in de toelichting inzake de invoering van de regels voor zeer zorgwekkende stoffen waarin staat dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor inrichtingen type B voldoende milieubescherming bieden, in de rechtspraktijk zo zou kunnen worden geïnterpreteerd dat met die hoofdstukken in een uitputtende regeling is voorzien. Die interpretatie zou dan leiden tot de conclusie dat geen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Deze conclusie strookt niet met de kennelijke bedoeling van de wetgever. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

Hierboven is onder punt 2 aangegeven in welke gevallen maatwerk mogelijk is, ook in relatie tot de algemene zorgplichtbepaling. In de toelichting is op dit punt een overeenkomstige passage opgenomen.

5. Artikelsgewijze opmerkingen

a. Artikel I, onderdeel PP

Door de opname van algemene voorschriften voor het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden en het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen in hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit, vallen deze lozingen onder de meldplicht van hoofdstuk 1 van het besluit. De Afdeling merkt op dat bij een melding op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen voor dezelfde soort lozingen buiten inrichtingen aanvullende gegevens dienen te worden verstrekt en adviseert in de toelichting het verschil te verklaren of anders het ontwerpbesluit aan te passen.

Besloten is dat de gegevens die op grond van het Besluit lozingen buiten inrichtingen dienen te worden verstrekt niet allemaal noodzakelijk zijn voor de melding: deze zijn om die reden niet als eis opgenomen in het Activiteitenbesluit. Deze gegevens zullen desgevraagd wel beschikbaar moeten bij de inrichting met het oog op de handhaving. De toelichting is op dit punt aangepast.

b. Artikel I, onderdeel ZZ

De Afdeling merkt op hoewel artikel 3.12 van het besluit een bedrijfsnoodplan of een veiligheidsbeheerssysteem verplicht stelt, noch in het Activiteitenbesluit noch in de Activiteitenregeling is bepaald aan welke eisen dat systeem moet voldoen. De Afdeling acht deze eisen noodzakelijk voor de handhaving. De Afdeling adviseert in de toelichting te motiveren waarom deze eisen niet zijn opgenomen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

Doel van artikel 3.12 is te garanderen dat iedere inrichting waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C staan, beschikt over een bedrijfsnoodplan. Dit kan een zelfstandig document zijn, maar het is ook mogelijk dat het onderdeel is van het veiligheidsbeheerssysteem. Artikel 3.12 heeft niet tot doel een veiligheidsbeheerssysteem verplicht te stellen. Globaal moet een bedrijfsnoodplan dat onderdeel is van een veiligheidsbeheerssysteem aan dezelfde eisen voldoen als een zelfstandig bedrijfsnoodplan. Omdat het echter mogelijk is dat de plicht tot het hebben van het veiligheidsbeheerssysteem voortvloeit uit regelgeving waarin randvoorwaarden aan het systeem worden gesteld, staan in artikel 3.12 geen specifieke eisen opgenomen. Tevens is een kenmerk van een veiligheidsbeheerssysteem dat het specifiek op het individuele bedrijf is toegespitst, waardoor het vrijwel niet mogelijk is om concrete vereisten in regelgeving op te nemen. Aangezien de toepassing van artikel 3.12 tot op heden niet tot problemen heeft geleid, is ervan afgezien de toelichting op dit punt aan te passen.

c. Artikel I, onderdeel YYYYYY

De Afdeling constateert dat in het ontwerpbesluit grenswaarden gesteld worden aan de emissie van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs) bij de productie van asfalt, maar dat het voorgestelde artikel 5.46 niet regelt hoe het PAKs-gehalte moet worden bepaald. Met het oog op de handhaafbaarheid adviseert de Afdeling de toelichting op dit punt aan te vullen en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

Uit de systematiek van het Activiteitenbesluit volgt dat in hoofdstuk 2 wordt bepaald hoe emissies gemeten moeten worden en welke methoden hiervoor gebruikt kunnen worden. Een verwijzing naar artikel 5.46 ontbrak inderdaad in dit hoofdstuk. De voorgestelde artikelen 2.3a en 2.8 zijn op dit punt aangepast.

6. Voorhangprocedure

De Afdeling mist in de toelichting verwijzingen naar voorhangprocedure en adviseert in de toelichting in te gaan op de uitkomsten van de deze procedure.

Bij brief van 30 juni 2014 is het onderhavige ontwerpbesluit conform de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure van artikel 21.6, vierde lid, van de Wet milieubeheer aan het parlement aangeboden.3 De schriftelijke vragen van de Kamer zijn beantwoord bij brief van 17 december 2014.4 Het ontwerpbesluit is niet aangepast naar aanleiding van deze procedure.

De nota van toelichting is aangevuld met een korte passage over de gevolgde procedure met betrekking tot de voorhang.

7. Redactionele opmerkingen

De redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn overgenomen met uitzondering van de opmerking om bijlage 3 uit het besluit over te hevelen naar de regeling. Hoewel het technisch karakter van de bijlage opname bij de regeling niet uitsluit, is het voor de gebruiker transparanter indien enkel op basis van het besluit bepaald kan worden in welke stuifcategorie bepaalde stoffen vallen. Aangezien de stuifcategorieën ook voor de toepassing van andere algemene maatregelen van bestuur van belang zijn, acht ik aanwijzing van de categorieën bij besluit wenselijk.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit op een aantal kleine punten aan te passen.

Ten eerste is onderdeel A de definitiebepaling van ‘natuurlijk koudemiddel’ aangepast aan de definitie zoals die gebruikt wordt in het ontwerpbesluit gefluoriseerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen. Dit besluit dient ter uitvoering van twee Europese verordeningen.5 Ten tweede is in artikel 2.3, eerste lid, een tweetal verwijzingen naar NEN-normen geactualiseerd. Met deze wijziging uit onderdeel R is geen inhoudelijke wijziging beoogd. Ten derde is in onderdeel YYYYYY aan artikel 5.43 een verwijzing naar de artikelen 3.10i, 301j en 3.10p opgenomen. Abusievelijk ontbrak deze verwijzing waardoor niet gereguleerd was hoe de emissies van glycol gemeten moeten worden. Ten vierde laat onderdeel GGGGGGG (nieuw) de verwijzing naar de NeR uit artikel 6.41 vervallen. Ten slotte is in artikel II, onderdeel D, categorie 17 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor gewijzigd om aan te geven dat ook buitenschietbanen die gebruikt worden door andere overheidsdiensten dan de krijgsmacht niet langer vergunningplichtig zijn. Abusievelijk was deze uitzondering nog niet eerder opgenomen in het ontwerpbesluit.

Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, W.J. Mansveld.

Advies Raad van State

No. W14.15.0062/IV

’s-Gravenhage, 10 juli 2015

Aan de Koning

Bij Kabinetsmissive van 12 maart 2015, no.2015000418, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten), met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit voorziet in wijziging van onder meer het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit).

In deze vierde tranche wordt in lijn met voorgaande tranches een aantal bedrijfstakken en activiteiten onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Hierdoor vallen nog meer bedrijven volledig onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit. Voorts voorziet het ontwerpbesluit in de opname van diverse regelingen in het Activiteitenbesluit, waaronder de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR).

De Afdeling Advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen, maar acht op een aantal punten een dragende motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen. De volgende vier opmerkingen hebben daarbij het grootste gewicht.

In de eerste plaats bewerkstelligt de voorgestelde uitbreiding van het Activiteitenbesluit met een aantal specifieke bedrijfstakken dat meer dan voorheen en meer dan in vergelijking tot andere toegevoegde activiteiten, maatwerk is vereist, zodat naast de algemene regels van het Activiteitenbesluit vele maatwerkvoorschriften noodzakelijk zijn. Omdat de mate waarin deze maatwerkvoorschriften nodig zijn afbreuk doen aan de met het Activiteitenbesluit beoogde uniformiteit van regelgeving en daarnaast tot hogere administratieve lasten leidt, lijkt dit haaks te staan op de doelstellingen van het Activiteitenbesluit. De Afdeling adviseert dragend te motiveren waarom het nodig is het Activiteitenbesluit met genoemde bedrijfstakken en activiteiten uit te breiden. In de tweede plaats maakt de mate van uitbreiding met nieuwe activiteiten en de opname van diverse regelingen het Activiteitenbesluit nog complexer dan het al is. De Afdeling adviseert de toegankelijkheid te verbeteren door in ieder geval in de nota van toelichting een overzichtstabel op te nemen. In de derde plaats wordt over de opname van de NeR opgemerkt dat het overgangsrecht bij de geurbepaling voorziet in een termijn van vijf jaar, terwijl de in het Activiteitenbesluit gehanteerde standaardtermijn voor overgangsrecht met betrekking tot vergunningvoorschriften drie jaar is. De Afdeling adviseert dit verschil dragend te motiveren. In de vierde plaats wordt over de opname van de NeR voorts opgemerkt dat uit de toelichting onvoldoende duidelijk naar voren komt hoe de regeling over zeer zorgwekkende stoffen zich verhoudt tot het Europese recht. De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

1. Toenemende complexiteit

Het Activiteitenbesluit is op 1 januari 2008 in werking getreden. Eén van de doelstellingen van het Activiteitenbesluit is om vereenvoudiging van milieuregelgeving te realiseren.1 Naar aanleiding van een daartoe opgenomen verplichting in het Activiteitenbesluit2 is inmiddels onderzoek verricht naar de doeltreffendheid en de effecten van het Activiteitenbesluit in de periode van 2008 tot en met 2012 (de eerste drie tranches), waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport ‘Evaluatie Activiteitenbesluit 2008–2012’, augustus 2013, opgesteld door Royal Haskoning DHV in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (hierna: het evaluatierapport). Uit het evaluatierapport blijkt dat het Activiteitenbesluit vanwege de groeiende omvang en de gelaagdheid in de normstelling voor zowel bedrijven als toezichthouders moeilijk te doorgronden is. Er bestaat volgens het evaluatierapport een breed gedeelde zorg dat het Activiteitenbesluit te omvangrijk en daarmee te complex wordt. Hetzelfde blijkt uit de inspraakreacties van bedrijven op het voorgepubliceerde ontwerpbesluit, de bestuurlijke reactie van het Interprovinciaal Overleg (IPO) en het rapport ‘Evaluatie milieueffecten Activiteitenbesluit’ van Royal Haskoning van maart 2015.

Het ontwerpbesluit voorziet desalniettemin in een uitbreiding van het Activiteitenbesluit met vele nieuwe activiteiten en de opname van verschillende voor de praktijk van belang zijnde regelingen en algemene maatregelen van bestuur. Hierdoor neemt de omvang van het Activiteitenbesluit en gelaagdheid in de normstelling verder toe.3 Aldus wordt het gesignaleerde probleem van de complexiteit vergroot. Dit staat haaks op de doelstelling om vereenvoudiging van de regelgeving te realiseren. De Afdeling merkt op dat de toelichting op het ontwerpbesluit geen aandacht besteedt aan de bevindingen in het genoemde evaluatierapport op het punt van de complexiteit en de aanbevelingen die in het evaluatierapport naar voren worden gebracht om de toegankelijkheid te verbeteren.4 Daardoor wordt niet duidelijk of en in hoeverre de aanbevelingen in het evaluatierapport, gelet op de gesignaleerde problematiek over de eerste drie tranches van het Activiteitenbesluit, zijn aangegrepen om de toegankelijkheid van het Activiteitenbesluit in het ontwerpbesluit (de vierde tranche) te verbeteren. Zo acht de Afdeling de voorgestelde verplaatsing van het overgangsrecht een verbetering maar zijn meer verbeteringen, gelet op de aanbevelingen in het evaluatierapport, mogelijk.

Voor zover de genoemde aanbevelingen niet zijn overgenomen, mogelijk omdat een dergelijke verbetering dermate ingrijpend zou zijn dat dit gelet op de aankomende stelselherziening in het kader van de Omgevingswet niet wenselijk is, merkt de Afdeling op dat het in dat geval met het oog op de toegankelijkheid wenselijk is de toelichting in ieder geval te voorzien van een overzicht in tabelvorm. Gedacht kan worden aan een tabel met daarin een overzicht van alle activiteiten waarvoor het ontwerpbesluit regelt dat de vergunningplicht vervalt of waarvoor de omgevingsvergunning die wordt voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt vervangen door de omgevingsvergunning die wordt voorbereid met de reguliere procedure (de zogenoemde omgevingsvergunning beperkte milieutoets).5 Deze tabel zou aangevuld dienen te worden door voor iedere nieuwe activiteit tevens aan te geven welke artikelen van het Besluit omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit met het onderhavige ontwerpbesluit worden gewijzigd of aangevuld. Opgemerkt zij in dit verband dat ook bij de voorhangprocedure om een overzicht is verzocht dat meer duidelijkheid kan bieden.6

Daarnaast mist de Afdeling voor iedere wijziging waarin het ontwerpbesluit voorziet en die in het algemene deel van de toelichting per paragraaf wordt omschreven, een systematische verwijzing in die paragrafen naar de artikelen van het ontwerpbesluit waarin de desbetreffende wijziging wordt geregeld. Bij enkele wijzigingen die in algemene deel van de toelichting worden omschreven is dit wel vermeld, maar voor het merendeel niet.7

Tot slot acht de Afdeling het met het oog op de toegankelijkheid van het ontwerpbesluit wenselijk dat ten aanzien van de regelingen die in het ontwerpbesluit worden ingebouwd, een tabel wordt opgenomen waarin wordt weergegeven of, hoe en waar de afzonderlijke bepalingen van de desbetreffende algemene maatregelen of regelingen zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit.8

De Afdeling adviseert in de toelichting op het evaluatierapport in te gaan en de toelichting met inachtneming van bovenstaande punten aan te vullen.

2. Toename maatwerk

Eén van de doelstellingen van het Activiteitenbesluit is het realiseren van uniformering van regelgeving en tegelijkertijd het bewerkstelligen van een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen.9 Deze doelstelling geldt ook voor het ontwerpbesluit.10 In dit verband merkt de Afdeling het volgende op.

Het ontwerpbesluit regelt onder meer dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit negen bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd.11 Voor het merendeel van deze inrichtingen vervalt de vergunningplicht en worden nieuwe, algemene voorschriften in het Activiteitenbesluit ingevoegd. Daarnaast regelt het ontwerpbesluit dat de vergunningplichtige activiteiten van inrichtingen uit vijftien andere bedrijfstakken aan het Activiteitenbesluit worden toegevoegd, zonder dat daarvoor nieuwe voorschriften worden ingevoerd, omdat die voorschriften al in het Activiteitenbesluit staan, of omdat daarvoor geen voorschriften nodig zijn.12

De toelichting op het ontwerpbesluit vermeldt dat door het toevoegen van deze nieuwe bedrijfstakken in vergelijking tot de voorgaande drie tranches van het Activiteitenbesluit meer maatwerk nodig zal zijn.13 De toelichting geeft aan dat dit vooral zal gelden voor de volgende bedrijfstakken: het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren14, ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen15, grote sport- en recreatie-inrichtingen16, en terreinen voor modelvliegtuigen, modelvaartuigen en modelvoertuigen17.

Met betrekking tot de eerste genoemde bedrijfstak (het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren) wordt ook in de inspraakreacties gewezen op de verwachte noodzaak tot het stellen van maatwerkvoorschriften voor deze categorie van activiteiten, omdat het een omvangrijke categorie is die veel verschillende activiteiten omvat en wegens het bijzondere geluidkarakter van veel van die activiteiten maatwerk vereist. Ten aanzien van de tweede genoemde bedrijfstak (ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen), waar het maatwerk met name het lozen op het vuilwaterriool zal betreffen, wordt in de inspraakreacties gewezen op de noodzaak van maatwerk.18 Dit roept overigens de vraag op waarom ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit worden gebracht zonder dat daarvoor nieuwe voorschriften aan het Activiteitenbesluit zijn toegevoegd, nu de bestaande voorschriften blijkens de inspraakreacties onvoldoende zijn om de activiteiten van ziekenhuizen op het punt van lozingen te ondervangen. Met betrekking tot de derde bedrijfstak (grote sport- en recreatie-inrichtingen) wordt in de inspraakreacties benadrukt dat wordt getwijfeld aan de geschiktheid om dergelijke bedrijven onder algemene regels te laten vallen.19

Het voorgaande klemt temeer nu de voorgestelde opname van de NeR in het Activiteitenbesluit eveneens zal leiden tot een toename van de noodzaak om maatwerkvoorschriften te stellen. Door het opnemen van de NeR in het Activiteitenbesluit verandert het karakter van deze regelgeving: van een richtlijn met een inherente afwijkingsbevoegdheid naar algemene regels met emissiegrenswaarden. Omdat de inherente afwijkingsbevoegdheid voor bevoegde gezagen verloren gaat zullen relatief veel maatwerkvoorschriften nodig zijn om de lokale situatie en bijzondere kenmerken van een installatie alsnog mee te kunnen wegen. De noodzaak van meer maatwerk kan overigens verder toenemen doordat de bepaling over zeer zorgwekkende stoffen20 nu alleen geldt voor type C inrichtingen, maar nog niet voor type A of type B inrichtingen.21 Vooralsnog wordt er in de toelichting van uitgegaan dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor type A en type B inrichtingen voldoende milieubescherming bieden, maar tegelijkertijd wordt vermeld dat zo nodig op grond van de algemene zorgplichtbepaling van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften worden gesteld.22

Geconcludeerd kan worden dat door de uitbreiding met bedrijfstakken die zich moeilijk in algemene regels laten vatten (het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren, ziekenhuizen en medisch specialistische instellingen, grote sport- en recreatie-inrichtingen, en terreinen voor modelvliegtuigen, modelvaartuigen en modelvoertuigen) in vergelijking tot voorgaande tranches en in vergelijking tot de andere bij het ontwerpbesluit toegevoegde bedrijfstakken, relatief veel maatwerk nodig zal zijn.

Deze toename van maatwerkvoorschriften lijkt, gegeven het vermelde in de toelichting en gelet op de inspraakreacties, tot een zodanige pluriformiteit van regelgeving te leiden dat de vraag is of dit niet haaks staat op hetgeen met het Activiteitenbesluit werd beoogd, namelijk uniformering van regelgeving. Bovendien leidt het voorstel bij de genoemde bedrijfstakken vanwege het noodzakelijke maatwerk tot een verhoging van de administratieve lasten voor de betrokken bedrijven. Dat staat weer haaks op de doelstelling om een vermindering van de administratieve lasten voor inrichtingen te bewerkstelligen. Gelet hierop mist de Afdeling in de toelichting een analyse waarin wordt uiteengezet voor hoeveel inrichtingen naar verwachting door de uitbreiding met de genoemde bedrijfstakken maatwerkvoorschriften zullen moeten worden gesteld en een afweging van deze verwachtingen in het licht van de doelstellingen tot uniformering van regelgeving en verlaging van administratieve lasten.

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande de voorgestelde uitbreiding met de genoemde bedrijfstakken in het Activiteitenbesluit dragend te motiveren of anders van uitbreiding met die bedrijfstakken af te zien.

3. Handhavingskosten

De toelichting vermeldt dat voor 1.500 inrichtingen de vergunningplicht volledig komt te vervallen.23 Verder geldt dat voor 750 inrichtingen de omgevingsvergunning wordt vervangen door de omgevingsvergunning beperkte milieutoets.24 Aan de omgevingsvergunningen beperkte milieutoets mogen geen voorschriften worden verbonden, maar zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing.25

De Afdeling merkt op dat als gevolg van het vervallen van de vergunningplicht en het vervangen van de omgevingsvergunning door de omgevingsvergunning beperkte milieutoets de nadruk veel meer komt te liggen op toezicht en handhaving van algemene regels. In lijn hiermee vindt onder meer een verschuiving plaats van de kosten van de controle van de vergunningaanvraag vooraf naar de kosten van toezicht en handhaving achteraf. In de toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de lastenvermindering voor bedrijven, maar wordt geen inzicht gegeven in de toezichts- en handhavingskosten voor de decentrale overheden en de vraag of deze kosten overeenkomen met de kosten van toetsing van de vergunningaanvraag die zullen komen te vervallen. Een dergelijk inzicht is ook nodig voor een reëel beeld van de totale lastenvermindering.26

De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande in de toelichting in te gaan op de handhavings- en toezichtkosten en het vervallen van de kosten van toetsing van de vergunningaanvraag teneinde inzicht te verkrijgen in de totale lastendruk.

4. Lucht en geur

Met het ontwerpbesluit wordt het zogenoemde normstellende deel van de NeR opgenomen in het Activiteitenbesluit, grotendeels in afdeling 2.3 (Lucht en geur).27 Daarmee wordt het Activiteitenbesluit voorzien van een complete systematiek van grenswaarden voor emissies naar de lucht, vrijstellingen, maatwerkbevoegdheden, meet- en controleregels en een algemene geurbepaling.28 Deze nieuwe algemene regels gelden voor alle inrichtingen. Het Activiteitenbesluit wordt voorts voorzien van algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen (zoals kankerverwekkende stoffen) die uitsluitend gelden voor inrichtingen type C.29

a. NeR en NRB

Op verschillende plaatsen in het vigerende Activiteitenbesluit wordt verwezen naar externe normen, waaronder ook de NeR en de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). Bij de totstandkoming van het Activiteitenbesluit heeft de Raad van State aangegeven het uit het oogpunt van inzichtelijkheid en kenbaarheid van de normstelling wenselijk te achten dat zoveel mogelijk de kern van de regel in het ontwerpbesluit of de ministeriële regeling wordt opgenomen.30 Het ontwerpbesluit komt daaraan tegemoet voor zover daarbij het normstellende deel van de NeR in het Activiteitenbesluit wordt opgenomen. Het zou voor de hand liggen om ook de NRB – die evenals de NeR als een (semi-) bestuurlijke norm zonder publiekrechtelijke grondslag moet worden gekarakteriseerd – in het Activiteitenbesluit op te nemen. Niet is toegelicht waarom met het ontwerpbesluit de NeR wel, en de NRB niet in het Activiteitenbesluit wordt opgenomen.

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de keuze om met het ontwerpbesluit wel de NeR en niet de NRB in het Activiteitenbesluit op te nemen.

b. Algemene geurbepaling en overgangsrecht

Aan het Activiteitenbesluit wordt een algemene geurbepaling toegevoegd. Daarmee wordt het uitgangspunt voor geur uit de NeR – geurhinder wordt voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau beperkt – in het Activiteitenbesluit opgenomen.31 Het ontwerpbesluit voorziet in overgangsrecht: de geurvoorschriften van een vergunning worden – uitgaande van inwerkingtreding op 1 januari 2016 – gedurende vijf jaar aangemerkt als maatwerkvoorschriften.32 Daarmee wordt afgeweken van de in het Activiteitenbesluit gehanteerde standaard voor overgangsrecht met betrekking tot vergunningvoorschriften die uitgaat van drie jaar.33 De Afdeling acht een dragende motivering van deze afwijking gewenst vanwege het volgende.

De nieuwe geurbepaling biedt bescherming tegen geurhinder aan geurgevoelige objecten in de zin van de Wet geurhinder en veehouderij.34 Daarmee is de werking van de algemene geurbepaling beperkt tot de bescherming van gebouwen.35

Op grond van de NeR was er voor het bevoegd gezag ruimte om niet alleen gebouwen tegen geurhinder te beschermen, maar ook andere locaties waar mensen zich bevinden, zoals recreatiegebieden voor dagrecreatie. Op de NeR gebaseerde vergunningvoorschriften kunnen dus een hoger beschermingsniveau bieden dan waartoe het Activiteitenbesluit noopt, bijvoorbeeld als daarbij een recreatiegebied bescherming wordt geboden. In dat geval kan het overgangsrecht gedurende vijf jaar belastend werken voor inrichtingen. De desbetreffende vergunningvoorschriften worden immers voor die periode als maatwerkvoorschriften aangemerkt. Van de belastende werking van het overgangsrecht is in de toelichting geen rekenschap gegeven.

De Afdeling adviseert in de toelichting gelet op het voorgaande een dragende motivering op te nemen ter zake van de werking van het overgangsrecht gedurende vijf jaar en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

c. Zeer zorgwekkende stoffen: verhouding tot Europees recht

Voor de emissie van zeer zorgwekkende stoffen gaan aanvullende regels gelden.36 Het gaat om een minimalisatieverplichting, een vijfjaarlijkse informatieplicht (over de emissie van zeer zorgwekkende stoffen en de mogelijkheden om de emissie te voorkomen dan wel te beperken) en een aanvullende emissiegrens.37 Voor de kwalificatie van zeer zorgwekkende stoffen wordt aansluiting gezocht38 bij de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de REACH-verordening39.40

De REACH-verordening is erop gericht dat risicovolle stoffen worden vervangen door minder gevaarlijke stoffen of technieken wanneer geschikte economisch en technisch haalbare alternatieven voorhanden zijn.41 De Afdeling merkt op dat het ontwerpbesluit niet voorziet in uitvoering van de REACH-verordening, nu de verordening niet de emissie van stoffen naar de lucht regelt en niet noopt tot een regeling van emissieminimalisatie zoals die in het ontwerpbesluit voor zeer zorgwekkende stoffen is opgenomen. Dat is echter niet in de toelichting vermeld. De toelichting kan daarom leiden tot de misvatting dat het ontwerpbesluit met de regeling voor zeer zorgwekkende stoffen strekt tot uitvoering van de REACH-verordening. Het is daarom wenselijk om de toelichting op dit punt te verduidelijken.

De toelichting vermeldt dat de aanpak voor zeer zorgwekkende stoffen aansluit bij de uitgangspunten van de Richtlijn industriële emissies.42 Daartoe wordt onder meer gewezen op het minimalisatiebeginsel dat aan deze richtlijn ten grondslag ligt.43 Dit beginsel geldt voor door industriële activiteiten veroorzaakte verontreinigingen. In de toelichting is onvoldoende duidelijk gemaakt of alle zeer zorgwekkende stoffen als bedoeld in het ontwerpbesluit onder het materiële bereik van de richtlijn vallen en of de nieuwe regeling voor zeer zorgwekkende stoffen in het ontwerpbesluit strekt tot implementatie of gewijzigde implementatie van de richtlijn.44

De Afdeling adviseert de toelichting met inachtneming van het voorgaande te verduidelijken.

d. Zeer zorgwekkende stoffen: maatwerkvoorschriften inrichtingen type B

De algemene regels voor zeer zorgwekkende stoffen gelden uitsluitend voor inrichtingen type C.45 Van inrichtingen type A wordt aangenomen dat er geen relevante emissies van zeer zorgwekkende stoffen optreden, aldus de toelichting. Zoals de Afdeling hiervoor heeft aangegeven wordt er in de toelichting bij het ontwerpbesluit verder van uitgegaan dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor inrichtingen type B voldoende milieubescherming bieden. Als dat niet het geval is, kunnen volgens de toelichting op grond van de algemene zorgplichtbepaling van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften worden gesteld.

Een maatwerkvoorschrift op grond van de algemene zorgplichtbepaling kan slechts worden gesteld voor zover het desbetreffende aspect bij of krachtens het Activiteitenbesluit niet uitputtend is geregeld.46 De passage in de toelichting dat de specifieke eisen in de hoofdstukken 3 en 4 van het Activiteitenbesluit voor inrichtingen type B voldoende milieubescherming bieden zou in de rechtspraktijk zo kunnen worden geïnterpreteerd dat met die hoofdstukken in een uitputtende regeling is voorzien.47 Die interpretatie zou alsdan leiden tot de conclusie dat geen maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Deze conclusie strookt niet met de kennelijke bedoeling van de wetgever.48

De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt te verduidelijken.

5. Artikelsgewijze opmerkingen

a. Artikel I, onderdeel PP

In de in artikel I, onderdeel PP, voorgestelde artikelen 3.6d en 3.6f van het ontwerpbesluit worden algemene voorschriften gegeven voor het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden en het binnen inrichtingen lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen. Naar moet worden aangenomen geldt voor deze lozingen een meldplicht op grond van het huidige artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit.49 Voor lozingen buiten inrichtingen is deze meldplicht geregeld in artikel 1.10 van het Besluit lozen buiten inrichtingen.

De Afdeling merkt op dat bij een melding op grond van het Besluit lozen buiten inrichtingen voor dezelfde soort lozingen buiten inrichtingen aanvullende gegevens dienen te worden verstrekt.50 Het ontwerpbesluit voorziet niet in een wijziging van het Activiteitenbesluit die regelt dat die aanvullende gegevens ook moeten worden verstrekt voor deze lozingen binnen inrichtingen. Daardoor ontstaat op dit punt een verschil tussen het Activiteitenbesluit en het Besluit lozen buiten inrichtingen. Dat verschil verdraagt zich niet met de opmerking in de toelichting dat is beoogd om de regels en procedures voor lozingen binnen inrichtingen gelijk te stellen met die van lozingen buiten inrichtingen.51

De Afdeling adviseert in de toelichting het verschil te verklaren of anders het ontwerpbesluit aan te passen.

b. Artikel I, onderdeel ZZ

Artikel I, onderdeel ZZ, voorziet in wijziging van artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit. Artikel 3.12, vierde lid, onderdeel a, van het Activiteitenbesluit bepaalt dat degene die een inrichting drijft waar gasdrukmeet- en regelstations categorie B en C in werking zijn, een algemeen beheerssysteem voor milieu- en veiligheidsaspecten beschikbaar heeft. Ziet de Afdeling het goed, dan is noch in het Activiteitenbesluit noch in de Activiteitenregeling bepaald aan welke eisen dit algemene beheerssysteem dient te voldoen. Met het oog op de handhaafbaarheid is dit wel noodzakelijk. Het had dan ook voor de hand gelegen om deze eisen, in het kader van de wijziging van artikel 3.12 van het Activiteitenbesluit, op te nemen.

De Afdeling adviseert in de toelichting te motiveren waarom deze eisen niet zijn opgenomen en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

c. Artikel I, onderdeel YYYYYY

In het in artikel I, onderdeel YYYYYY, voorgestelde artikel 5.46 worden grenswaarden gesteld aan de emissie van polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs) bij de productie van asfalt. Het voorgestelde artikel 5.46 regelt echter niet hoe het PAKs-gehalte moet worden bepaald. Ziet de Afdeling het goed, dan wordt dit ook niet geregeld elders in het ontwerpbesluit of in de voorziene wijziging van de Activiteitenregeling.52 De toelichting op het voorgestelde artikel 5.46 verschaft hierover evenmin duidelijkheid. Gelet op de handhaafbaarheid is duidelijkheid over de wijze waarop het PAKs-gehalte bij de productie van asfalt moet worden bepaald, wel noodzakelijk.

De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen en het ontwerpbesluit zo nodig aan te passen.

6. Voorhangprocedure

Het ontwerpbesluit is voorgehangen bij de beide Kamers der Staten-Generaal. De toelichting maakt hiervan geen melding.53 Ook is niet toegelicht wat de uitkomsten van de voorhang zijn.

De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de uitkomsten van de voorhangprocedure.

7. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State, J.P.H. Donner.

Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W14.15.0062/IV

Artikel I, onderdeel ZZZZZZ:

  • In artikel 5.51, tweede lid, ‘mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van richtlijn 94/63’ vervangen door: mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel e, van richtlijn 94/63.

Artikel I, onderdeel HHHHHHH:

  • Bijlage 3 overhevelen naar de Activiteitenregeling milieubeheer. In verband daarmee de verwijzingen naar deze bijlage aanpassen in de artikelen I, onderdeel BBBB, IV, onderdeel G, en V.

Transponeringstabel richtlijn 94/63/EG:

  • De enkele stelling dat een bepaling geen implementatie behoeft beperken tot die richtlijnbepalingen waarvoor dit daadwerkelijk geldt en, overeenkomstig Aanwijzing 338, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving, telkens aangeven wat de reden is voor het niet implementeren of om het niet in bestaande wet- of regelgeving op te nemen.

  • De aangegeven reden voor het niet implementeren van de artikelen 7 tot en met 11 van de richtlijn, namelijk dat termijnen niet meer relevant zijn, aanpassen nu het hier gaat om artikelen die naar hun aard geen implementatie behoeven.

  • Artikel 2, onderdeel b, van de richtlijn in de transponeringstabel opnemen.

  • Bijlagen I tot en met IV van de richtlijn in de transponeringstabel opnemen.

Tekst zoals toegezonden aan de Raad van State: Besluit van ... tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten (nieuwe activiteiten)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 9 maart 2015, nr. IenM/BSK-2015/38586, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Gelet op richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU 2010, L 334), richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994, L 365), richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PbEG 1991, L 135), richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEG 2000, L 327), richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU 2008, L 312);

Gelet op de artikelen 8.40, 8.41, 8.42, 8.42a, 9.5.1 tot en met 9.5.3, 10.2, tweede lid, en 10.32 van de Wet milieubeheer, de artikelen 1.1, derde lid, 2.1, eerste lid, onder i, 2.1, derde lid, 2.14, zesde lid, en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, en de artikelen 6.2, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel b, 6.6 en 6.7, van de Waterwet;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van, nr. );

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van, nr. IenM/BSK-, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De volgende begrippen met de daarbij behorende begripsomschrijvingen worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

Bs,dan:

geluidbelastingindicator inzake schietgeluid voor de dag, avond en nachtperiode, berekend overeenkomstig de berekeningsmethodiek inzake schietgeluid;

buitenschietbaan:

een schietbaan of een combinatie van schietbanen in de buitenlucht of in een gebouw of deel van een gebouw zonder een gesloten afdekking;

buitenschietbaan met beperkte onveilige zone:

buitenschietbaan met zodanige voorzieningen dat de onveilige zone wordt beperkt tot een gebied tussen het wapen en de kogelvanger;

dampterugwinningseenheid:

installatie voor de terugwinning van benzine uit damp of de omzetting naar elektrische energie of warmte uit damp, met inbegrip van eventuele buffertanksystemen van een terminal;

EU-richtlijn industriële emissies:

EU-richtlijn industriële emissies als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht;

gaszak:

flexibele opslagvoorziening voor gassen;

helitraumacentrum:

een academisch ziekenhuis dat binnen de inrichting beschikt over een voorziening voor het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen en die voorziening hoofdzakelijk in gebruik heeft voor het regulier vervoeren van een mobiel medisch team;

kleiduiven:

kleiduiven als bedoeld in artikel 1 van het Besluit kleiduivenschieten milieubeheer;

kleiduivenbaan:

buitenschietbaan waarop wordt geschoten met hagelgeweren met als doel, kleiduiven of andere doelen in het kader van de oefening voor de jacht te raken;

laadportaal:

laadportaal als bedoeld in artikel 2, onderdeel o, van richtlijn 94/63;

LPG:

mengsel, bestaande uit hoofdzakelijk propaan, propeen, butanen en butenen;

LPG-afleverinstallatie:

reservoir inclusief de leidingen, appendages en toebehoren, de afleverzuilen en het vulpunt van het reservoir;

LPG-tankstation:

inrichting voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer;

LPG-tankwagen:

voertuig, gebouwd om LPG te vervoeren en uitgerust met één of meer vaste tanks;

mobiel medisch team:

team bestaande uit in ieder geval een arts en een verpleegkundige, ieder met een specifieke opleiding en ervaring op het gebied van de pre-hospitale spoedeisende medische hulpverlening;

munitie-QRA:

beoordeling van de veiligheidssituatie en het risico van voorgenomen activiteiten in de veiligheidszones van een militaire munitieopslagplaats;

natuurlijk koudemiddel:

koolstofdioxide, ammoniak of koolwaterstoffen niet zijnde een gereguleerde stof of een preparaat dat een zodanige stof bevat als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit EG-verordening ozonlaagafbrekende stoffen dan wel een gefluoreerd broeikasgas of een preparaat dat een zodanig gas bevat als bedoeld in het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer, voor zover toegepast als koudemiddel;

NEG:

netto explosief gewicht, uitgedrukt als de massa van de explosieve stof of de massa van de explosieve stof in een ontplofbaar voorwerp;

NTA:

door de Stichting Nederlandse Normalisatie-instituut uitgegeven Nederlandse Technische Afspraak;

onveilige zone:

gebied waarin kogels dan wel hagel afkomstig uit vuurwapens kunnen neerkomen tijdens schieten op een buitenschietbaan;

ziekenhuis:

algemeen, academisch of categoriaal ziekenhuis als bedoeld in categorie 23.1, onderdeel a, onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht;

b. Het begrip ‘afleverinstallatie’ met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

afleverinstallatie:

geheel van één of meer afleverzuilen, bestaande uit pompen, leidingen, meet en regelwerken, schakelaars en vulpistolen omgeven door een omkasting of daarmee direct in verbinding staand, met daaraan gekoppelde leidingen en appendages;

c. In de begripsomschrijving van ‘digestaat’ vervalt: stabiel.

d. Het volgende begrip met de daarbij behorende begripsomschrijving vervalt:

NeR:

door InfoMil uitgegeven Nederlandse Emissie Richtlijnen lucht;

e. Het begrip ‘Nm3‘ met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

Nm3:

normaal kubieke meter;

f. Het begrip ‘NRB’ met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

NRB:

Nederlandse Richtlijn Bodembescherming;

g. Het begrip ‘oplosmiddeleninstallatie’ met de daarbij behorende begripsomschrijving komt te luiden:

oplosmiddeleninstallatie:

installatie waarin activiteiten en processen als bedoeld in bijlage VII, deel 1, bij de EU-richtlijn industriële emissies plaatsvinden;

h. In de begripsomschrijving van ‘opslagtank’ wordt ‘een opslagvoorziening’ telkens vervangen door: een vormvaste opslagvoorziening.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt ten aanzien van emissies naar de lucht, verstaan onder:

    bron:

    emissie naar de lucht van een bewerkingseenheid al dan niet voorzien van emissiebeperkende voorzieningen en ongeacht de vraag of die emissie gecombineerd met andere emissies wordt geloosd op één of meer puntbronnen;

    ERP:

    emissierelevante parameter: meetbare of berekenbare grootheid die in directe of indirecte relatie staat met de te beoordelen emissies, onderverdeeld in de categorieën A en B, waarbij categorie A, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld geeft van de emissie en categorie B een kwalitatief beeld;

    grensmassastroom:

    een drempelwaarde per stofklasse, uitgedrukt in gram emissie per uur, waarboven een emissie naar de lucht als relevant beschouwd wordt;

    ISO-luchtcondities:

    temperatuur van 288 Kelvin, een druk van 101,3 kiloPascal en een relatieve vochtigheid van 60 procent;

    kosteneffectiviteit:

    jaarkosten van emissiebeperkende maatregelen gedeeld door de emissiereductie, uitgedrukt in euro per kilogram emissiereductie;

    maximaal toelaatbaar risiconiveau:

    een op basis van wetenschappelijke gegevens afgeleide norm voor een stof die aangeeft bij welke concentratie in lucht:

    • voor ecosystemen geen onomkeerbaar nadelig effect te verwachten is;

    • voor de mens geen onomkeerbaar nadelig effect te verwachten is, of, met betrekking tot genotoxisch carcinogene stoffen, de kans op overlijden kleiner is dan 10-6 per jaar;

    meetmethode:

    het geheel van monsterneming, monsterbehandeling en analyse ten behoeve van de kwantificering van emissies;

    standaardluchtcondities:

    condities van de lucht bij een temperatuur van 273 K, 101,3 kPa en betrokken op droge lucht;

    storingsemissie:

    de toename van de vracht van de emissie, uitgedrukt in g/uur, bij het falen van een reinigingstechniek of procesgeïntegreerde maatregel. Deze wordt berekend als het verschil tussen de ongereinigde massastroom en de massastroom berekend uit het debiet vermenigvuldigd met de geldende emissieconcentratie;

    storingsfactor F:

    de storingsemissie gedeeld door de grensmassastroom;

    TEQ:

    toxische equivalentiefactor, te hanteren voor het bepalen van de totale concentratie van dioxinen en furanen;

    stofcategorie:

    clustering van stoffen op basis van vergelijkbare fysische of chemische eigenschappen;

    stofklasse:

    onderverdeling binnen een stofcategorie op basis van vergelijkbare (toxicologische) eigenschappen;

    ERS:

    stofklasse van extreem risicovolle stoffen: persistente, gemakkelijk accumuleerbare en zeer toxische stof;

    gA:

    stofcategorie van gasvormige anorganische stoffen;

    gO:

    stofcategorie van gasvormige organische stoffen, met uitzondering van methaan;

    MVP:

    stofklasse van minimalisatieverplichte stoffen;

    puntbron:

    een gefixeerd punt van gekanaliseerde en daarmee in principe kwantificeerbare emissies naar de lucht;

    S:

    stofcategorie van zwevende deeltjes, uitgedrukt als totaal stof;

    sO:

    stofcategorie van stofvormige organische stoffen;

    sA:

    stofcategorie van stofvormige anorganische stoffen;

    ZZS:

    stofcategorie van zeer zorgwekkende stoffen, onderverdeeld in de stofklassen ERS, MVP1 en MVP2.

3. Het derde lid wordt vernummerd tot vierde lid.

4. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Bij ministeriële regeling kunnen, in het belang van de bescherming van het milieu, regels worden gesteld over de aanwijzing van stoffen en de onderverdeling van stofklassen en stofcategorieën als bedoeld in het tweede lid.

B

In artikel 1.2 wordt de begripsomschrijving van ‘inrichting type A’ als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel f wordt ‘koudemiddel’ vervangen door: synthetisch koudemiddel.

2. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • h. waar geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

3. Onderdeel h (oud) wordt geletterd onderdeel i.

4. Onderdeel i (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt ‘in hoofdstukken 3 en 4 alsmede de in de hoofdstukken 3 en 4 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer’ vervangen door: bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4.

b. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 15°. het in werking hebben van een acculader;

  • 16°. Het op- en overslaan van inerte goederen die niet stuifgevoelig zijn;

C

Artikel 1.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid vervalt: de NeR of.

2. In het vijfde lid vervalt: de NeR en.

D

In artikel 1.3a wordt na ‘Dit besluit berust mede op de artikelen’ ingevoegd: 8.42a, 9.5.1 tot en met 9.5.3,.

E

In artikel 1.5a wordt ‘en hoofdstuk 6’ vervangen door: en in de artikelen 5.43 en 5.44, en in hoofdstuk 6.

F

Na artikel 1.5a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 1.5b

De bij of krachtens de artikelen 2.3b en 2.4 gestelde regels zijn niet van toepassing voor zover die regels niet verenigbaar zijn met internationale verdragen.

G

Artikel 1.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdelen a en b, wordt ‘3.6 tot en met 3.6b’ vervangen door: 3.6 tot en met 3.6g.

2. In het derde lid wordt ‘samenhangen’ vervangen door: verband houden.

H

Artikel 1.7, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door:, en.

2. Onderdeel b vervalt.

3. Onderdeel c wordt geletterd onderdeel b.

I

Artikel 1.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Aan het slot van onderdeel e wordt ‘, of’ vervangen door een puntkomma.

b. Aan het slot van onderdeel f wordt de punt vervangen door:, of.

c. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • g. de melding betrekking heeft op een buitenschietbaan.

2. In het vierde en zevende lid wordt ‘de artikelen 2.17, 2.19, 2.20, 3.14a, 6.12’ vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a, 2.20, 3.14a, 3.160.

3. In het vijfde lid wordt ‘6.12’ vervangen door 2.17a.

4. Het achtste lid komt te luiden:

  • 8. Indien het een inrichting betreft als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van onderdeel C, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht geeft het rapport tevens een beschrijving van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de inrichting op de zonegrens en op gevoelige objecten binnen de zone op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of aan de geluidsvoorwaarden voor de zone kan worden voldaan.

5. In het tiende lid wordt na ‘windturbines’ ingevoegd:, een buitenschietbaan.

J

In artikel 1.13a wordt ‘sloop-, renovatie en nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten’ vervangen door: sloop-, of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

K

In artikel 1.17, vijfde lid, wordt ‘NTA 9065:2012’ vervangen door: NTA 9065.

L

Artikel 1.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: ten minste 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige.

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

M

In artikel 1.19, onderdelen b en c, wordt ‘gpbv-installatie’ vervangen door: IPPC-installatie.

N

Na artikel 1.21a wordt aan afdeling 1.2 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 1.21b
  • 1. Bij een melding als bedoeld in artikel 1.10 wordt een munitie-QRA gevoegd, die voldoet aan de regels, gesteld krachtens artikel 2.6.7, vijfde lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, indien sprake is van het binnen een inrichting die in gebruik is bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht:

    • a. oprichten van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 worden opgeslagen;

    • b. uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 per opslagvoorziening;

    • c. uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.3 per opslagvoorziening, indien na uitbreiding meer dan 50 kilogram NEG van deze klasse aanwezig is;

    • d. veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 wordt opgeslagen.

O

Artikel 2.1a, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een inrichting type C drijft, voor zover binnen de inrichting activiteiten worden verricht waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

P

In artikel 2.2, eerste lid, onderdelen a en b, wordt ‘3.6a,’ vervangen door ’ 3.6, 3.6a, 3.6f, 3.6g,’ en wordt na ‘4.74c’ ingevoegd ‘, 4.74k’.

Q

Artikel 2.3, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

b. In onderdeel p wordt ‘NEN-ISO 5814’ vervangen door: NEN-EN-ISO 5814.

a. In onderdeel o wordt ‘NEN 6604’ vervangen door: NEN-ISO 15923-1:2013.

R

Afdeling 2.3 komt te luiden:

Afdeling 2.3. Lucht en geur
Artikel 2.3a
  • 1. Deze afdeling is van toepassing op degene die een inrichting type A, een inrichting type B of een inrichting type C drijft.

  • 2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling, met uitzondering van de artikelen 2.4, tweede lid, en 2.8, niet van toepassing op emissies naar de lucht van een IPPC-installatie indien en voor zover voor de activiteit of het type productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies.

  • 3. In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, tweede, derde en zesde lid niet van toepassing op emissies van stoffen voor zover in de hoofdstukken 3 en 4 emissie-eisen aan die stoffen zijn gesteld.

  • 4. In afwijking van het eerste lid is artikel 2.7a, eerste, tweede en vierde lid, niet van toepassing op emissies van stoffen voor zover in hoofdstuk 3, 4 en 5 eisen aan geurhinder zijn gesteld.

  • 5. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op emissies van stoffen en de monitoring daarvan voor zover in hoofdstuk 5 emissie-eisen en monitoringsbepalingen voor die stoffen zijn opgenomen.

  • 6. In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 2.5, 2.6 en 2.8 niet van toepassing op oplosmiddeleninstallaties die vallen onder afdeling 2.11.

Artikel 2.3b
  • 1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een zeer zorgwekkende stof verstaan: een stof die voldoet aan een of meer van de criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.

  • 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over zeer zorgwekkende stoffen.

Artikel 2.4
  • 1. In afwijking van artikel 2.3a, eerste lid, is dit artikel, met uitzondering van het achtste lid, onder b, uitsluitend van toepassing op degene die een inrichting type C drijft.

  • 2. Emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht worden zoveel mogelijk voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, tot een minimum beperkt.

  • 3. Degene die een inrichting drijft van waaruit emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden, overlegt elke vijf jaar informatie aan het bevoegd gezag over:

    • a. de mate waarin emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden;

    • b. de mogelijkheden om emissies van die stoffen te voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, te beperken.

  • 4. In afwijking van het derde lid, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift toestaan dat:

    • a. aan de informatieverplichting niet hoeft te worden voldaan indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de bijdrage van emissies uit de inrichting aan het maximaal toelaatbaar risico, bedoeld in het vijfde lid, verwaarloosbaar is, of

    • b. de informatieverplichting, rekening houdend met de meest relevante zeer zorgwekkende stoffen, gefaseerd wordt uitgevoerd. Hierbij stelt het bevoegd gezag per stof een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie wordt aangeleverd.

  • 5. Indien bij activiteiten emissies van zeer zorgwekkende stoffen naar de lucht plaatsvinden, leiden de emissiewaarden van die stoffen, genoemd in artikel 2.5, niet tot overschrijding van het maximaal toelaatbaar risiconiveau van de immissieconcentratie van die stof.

  • 6. Bij ministeriële regeling worden ten behoeve van de bescherming van het milieu regels gesteld over:

    • a. het opstellen van de programma’s voor het voorkomen dan wel, indien dat niet mogelijk is, beperken van emissies van zeer zorgwekkende stoffen, bedoeld in het derde lid;

    • b. het maximaal toelaatbaar risiconiveau en de vaststelling daarvan;

    • c. de bepaling van de immissieconcentratie, bedoeld in het vijfde lid.

  • 7. Indien voor een van de zeer zorgwekkende stoffen nog geen maximaal toelaatbaar risiconiveau is vastgesteld, is het vijfde lid niet van toepassing op die stof tot het moment waarop de vaststelling plaatsvindt.

  • 8. Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu, en het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging, bij maatwerkvoorschrift voor de stofcategorie ZZS voor zover het betreft:

    • a. een inrichting type C, emissiegrenswaarden vaststellen die afwijken van de emissiewaarden, bedoeld in het vijfde lid, dan wel afwijken van de emissiewaarden in de tabellen 2.5 en 2.6 of de tijdelijk bij ministeriële regeling vastgestelde waarden als bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid, dan wel andere eisen stellen;

    • b. een inrichting type B, eisen stellen aan de situering en uitvoering van het afvoerpunt van emissies;

    • c. eisen stellen aan de emissies van diffuse bronnen.

  • 9. Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het achtste lid, wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, de kosten en baten en een integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

  • 10. Dit artikel is, met uitzondering van het tweede lid en het achtste lid, onderdeel b, niet van toepassing op de stoffen genoemd in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer.

  • 11. De termijn van vijf jaar, genoemd in het derde lid, vangt aan:

    • a. op het tijdstip van het van toepassing worden van artikel 2.4. op de inrichting, of

    • b. in afwijking van onderdeel a, voor een inrichting waarvoor tot het toepassing worden van artikel 2.4 voor die inrichting in een vergunning een afwijkend tijdstip was vastgelegd, op dat afwijkende tijdstip.

Artikel 2.5
  • 1. Indien de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen in de stofcategorieën ZZS, sA en gO naar de lucht binnen eenzelfde stofklasse vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 opgenomen grensmassastroom van die stofklasse overschrijdt, is de emissieconcentratie van die stofklasse per puntbron niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij die stofklasse.

  • 2. Voor stofklassen S en sO geldt dat alle bronnen in de inrichting afzonderlijk:

    • a. ten hoogste 5 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die puntbronnen, groter of gelijk is aan 200 gram per uur, of

    • b. ten hoogste 20 mg/Nm3 emitteren, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die puntbronnen, kleiner is dan 200 gram per uur.

  • 3. Indien voor een bron geen filtrerende afscheider kan worden toegepast, emitteert deze bron in afwijking van het tweede lid, onderdeel a, afzonderlijk ten hoogste 20 mg/Nm3.

  • 4. Onverminderd het eerste lid is voor de stofcategorieën ZZS, sA en gO in tabel 2.5 een emissiegrenswaarde voor alle bronnen afzonderlijk van toepassing indien:

    • a. de gedurende één uur optredende massastromen van stoffen uit een stofklasse genoemd in tabel 2.5 samen met de gedurende hetzelfde uur optredende massastromen van stoffen uit de eerstvolgende hogere stofklasse genoemd in die tabel, vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in die tabel genoemde grensmassastroom van de laatstbedoelde stofklasse overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofklassen per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hogere stofklasse;

    • b. de gedurende één uur optredende massastromen van afzonderlijke stofklassen binnen één stofcategorie samen vanuit alle puntbronnen in de inrichting de in tabel 2.5 genoemde grensmassastroom van de hoogste stofklasse genoemd in die tabel van die stofcategorie overschrijdt. De emissieconcentratie van deze stofcategorie per puntbron is in dit geval niet hoger dan de in tabel 2.5 opgenomen emissiegrenswaarde behorende bij de hoogste stofklasse.

  • 5. Voor stoffen die in een andere stofklasse of stofcategorie worden ingedeeld kunnen, in afwijking van de waarden genoemd in tabel 2.5 en 2.6, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij ministeriële regeling voor de betreffende stof tijdelijk andere waarden worden vastgesteld.

  • 6. Indien in hoofdstuk 4 of bij ministeriële regeling als bedoeld in het vijfde lid, eisen zijn gesteld aan de emissie van stoffen in de stofcategorie ZZS wordt ten aanzien van de berekeningen in het eerste en vierde lid gerekend met de afwijkende massastroom en emissiegrenswaarde zoals opgenomen in de betreffende artikelen van hoofdstuk 4 of in de betreffende artikelen van de ministeriële regeling.

    Tabel 2.5

    Stofcategorie

    Stofklasse

    Grensmassastroom mg TEQ/jaar

    Emissiegrenswaarde

    ng TEQ /Nm3

    ZZS

    ERS

    20

    0,1

    Stofklasse

    Grensmassastroom g/uur

    Emissiegrenswaarde

    mg/Nm3

    MVP1

       0,15

      0,05

    MVP2

       2,5

      1

    sA

    sA.1

       0,25

      0,05

     

    sA.2

       2,5

      0,5

     

    sA.3

      10

      5

    gA

    gA.1

       2,5

      0,5

     

    gA.2

      15

      3

     

    gA.3

     150

     30

     

    gA.4

    2000

     50

     

    gA.5

    2000

    200

    gO

    gO.1

     100

     20

     

    gO.2

     500

     50

     

    gO.3

     500

    100

Artikel 2.6

Indien de massastroom van een bron op jaarbasis kleiner is dan de in tabel 2.6 genoemde vrijstellingsgrens gelden in afwijking van artikel 2.5 en de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in hoofdstuk 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, de daarin genoemde emissiegrenswaarden niet voor de emissie van die bron.

Tabel 2.6

Stofcategorie

Stofklasse

Vrijstellingsgrens

(mg TEQ/jaar)

ZZS

ERS

20

Stofklasse

Vrijstellingsgrens

(kilogram per jaar)

MVP1

   0,075

MVP2

   1,25

S

S

 100

sO

sO

  100

sA

sA.1

   0,125

 

sA.2

   1,25

 

sA.3

   5

gA

gA.1

   1,25

 

gA.2

   7,5

 

gA.3

  75

 

gA.4

1.000

 

gA.5

1.000

gO

gO.1

  50

 

gO.2

 250

 

gO.3

 250

Artikel 2.7
  • 1. Indien de geografische ligging, de plaatselijke milieuomstandigheden of de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag de emissiegrenswaarden voor de stofcategorieën S, sO, sA, gA en gO, bedoeld in de artikelen 2.5 en 6, met uitzondering van de emissiegrenswaarden voor stoffen waarvoor in de hoofdstukken 3 en 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld, bij maatwerkvoorschrift niet van toepassing verklaren en andere emissiegrenswaarden vaststellen dan wel eisen stellen aan emissies van diffuse bronnen dan wel andere eisen stellen om luchtverontreiniging te voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is zoveel mogelijk te beperken. Daarbij worden in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast.

  • 2. Ten aanzien van de technische kenmerken wordt onder meer rekening gehouden met een afwijkend emissiepatroon, kosteneffectiviteit en integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

  • 3. Het bevoegd gezag stelt de kosteneffectiviteit van maatregelen vast volgens de rekenmethode in bijlage 2 en de waarden, bedoeld in het vierde tot en met het zesde lid.

  • 4. Een maatregel met betrekking tot emissies van stikstofoxiden (NOx), zwaveldioxide (SO2), vluchtige organische stoffen (VOS) of totaal stof is in ieder geval kosteneffectief indien de berekende waarde lager is dan de laagste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.

    Tabel 2.7
     

    Afwegingsgebied (€/kg)

    NOx

    5 – 20

    SO2

    5 – 10

    VOS

    8 – 15

    Stof

    8 – 15

  • 5. Een maatregel met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het vierde lid, is niet kosteneffectief indien de berekende waarde hoger is dan de hoogste waarde van het afwegingsgebied in tabel 2.7.

  • 6. Indien de berekende kosteneffectiviteit van een maatregel, met betrekking tot de emissie van de stoffen, bedoeld in het vierde lid, binnen het afwegingsgebied van tabel 2.7 ligt, bepaalt het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift of die maatregel in een individueel geval kosteneffectief is.

  • 7. Indien een maatwerkvoorschrift, als bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van maatregelen wordt overgelegd om te kunnen voldoen aan de artikelen 2.5 en 2.6.

  • 8. Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het controleren van emissies naar de lucht, bedoeld in de artikelen 2.5 en 2.6, en alle activiteiten waarvoor bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 eisen aan emissies naar de lucht zijn gesteld indien:

    • a. de inrichting een andere maatregel heeft gekozen dan de maatregel die is erkend op grond van de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 1.7;

    • b. de toegepaste emissiebeperkende techniek in combinatie met de geëmitteerde stoffen leidt tot hoge storinggevoeligheid, er veel onderhoud nodig is dan wel er veel fluctuaties zijn in de aard en grootte van de emissies;

    • c. de grootte en aard van de emissies daartoe aanleiding geven, of

    • d. de grootte van de emissies die kunnen optreden bij storing aan de emissiebeperkende techniek, daartoe aanleiding geven.

  • 9. Het bevoegd gezag kan tevens, in het belang van de bescherming van het milieu, maatwerkvoorschriften stellen met betrekking tot het onderhoud en de controle van een emissiebeperkende techniek die door degene die de inrichting drijft, wordt ingezet om aan de artikelen 2.5, 2.6, 3.26b, 3.38, 3.141, 3.143, 4.21, 4.23, 4.27a, 4.29, 4.31b, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.74j, 4.74s, 4.94, 4.94g, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125 te voldoen indien geen of naar de mening van het bevoegd gezag onvoldoende onderhoud is verricht aan de emissiebeperkende techniek.

Artikel 2.7a
  • 1. Indien bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt daarbij geurhinder bij geurgevoelige objecten voorkomen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is wordt de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt.

  • 2. Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan het eerste lid wordt voldaan, besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065.

  • 3. Bij het bepalen van een aanvaardbaar niveau van geurhinder wordt ten minste rekening gehouden met de volgende aspecten:

    • a. de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

    • b. de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten;

    • c. de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de betreffende inrichting;

    • d. de historie van de betreffende inrichting en het klachtenpatroon met betrekking geurhinder;

    • e. de bestaande en verwachte geurhinder van de betreffende inrichting, en

    • f. de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels in de inrichting.

  • 4. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder ter plaatse van een of meer geurgevoelige objecten een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt, bij maatwerkvoorschrift:

    • a. geuremissiewaarden vaststellen;

    • b. bepalen dat bepaalde geurbelastingen ter plaatse van die objecten niet worden overschreden, of

    • c. bepalen dat technische voorzieningen in de inrichting worden aangebracht of gedragsregels in de inrichting in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

  • 5. Indien een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vierde lid wordt vastgesteld, kan het bevoegd gezag besluiten dat door degene die de inrichting drijft een rapport van een onderzoek naar de beschikbaarheid van technische voorzieningen en gedragsregels wordt overgelegd waaruit blijkt dat aan het eerste lid wordt voldaan.

Artikel 2.8
  • 1. Indien bij ministeriële regeling op grond van artikel 1.7 is bepaald dat daarbij aangegeven maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen worden toegepast maar degene die de inrichting drijft op een andere wijze voldoet aan de eisen ten aanzien van emissies naar de lucht van stoffen die bij of krachtens de hoofdstukken 3 en 4 zijn gesteld:

    • a. wordt op verzoek van het bevoegd gezag eenmalig aangetoond dat de grensmassastromen zoals bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4, vanwege het in werking zijn van de inrichting, niet overschreden worden, of

    • b. wordt op verzoek van het bevoegd gezag, indien één of meer grensmassastromen als bedoeld in artikel 2.5 worden overschreden, eenmalig aangetoond of wordt voldaan aan de emissie-eisen dan wel een op grond van artikel 2.7, eerste lid, gestelde eis ten aanzien van stoffen waarvoor in de artikelen 3.38, 3.43, 4.21, 4.23, 4.27, 4.29, 4.33 tot en met 4.35, 4.40 tot en met 4.42, 4.44 tot en met 4.46, 4.50, 4.54, 4.54a, 4.58, 4.60, 4.62, 4.65, 4.68, 4.74b, 4.74f, 4.94, 4.94g, 4.103a, 4.103d, 4.119 en 4.125, eisen ten aanzien van emissies naar de lucht zijn gesteld door middel van een emissiemeting, dan wel door middel van een emissieberekening mits dit is goedgekeurd door het bevoegd gezag, met uitzondering van bronnen waarvan is aangetoond dat de massastroom lager is dan de vrijstellingsgrens, bedoeld in artikel 2.6.

  • 2. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing op een verandering van de inrichting indien de verandering naar verwachting zal leiden tot een significante toename van de emissie.

  • 3. Indien op grond van artikel 2.5 en artikel 2.6 emissiegrenswaarden gelden dan worden de emissies gecontroleerd op basis van een controleregime als bedoeld in tabel 2.8.

    Tabel 2.8

    storingsfactor F

    Controleregime

    Mogelijke controlevormen

    F < 3

    0

    ERP’s cat. B

    3 < F < 30

    1

    Meting eenmalig + ERP’s cat. B

    30 < F < 300

    2

    Meting 1 x per 3 jaar + ERP’s cat. B

    300 < F < 3.000

    3

    Meting 1 x per jaar + ERP’s cat. B

    Bij sterke fluctuaties: controleregime 4

    F > 3.000

    4

    Continue meting of

    ERP’s cat. A of

    Meting 2 x per jaar + ERP’s cat. B

  • 4. De controle van emissies wordt gebaseerd op de grootte van de storingsfactor, bedoeld in tabel 2.8. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift van de in tabel 2.8 opgenomen controlevormen afwijken.

  • 5. Voor zover de controlevorm een ERP voorschrijft, toont de drijver van de inrichting aan:

    • a. welke ERP’s dienen om de emissies van een specifieke component te controleren;

    • b. binnen welke grenzen van de waarden van de ERP’s wordt voldaan aan de emissie-eisen.

  • 6. De metingen van emissies waarvoor grenswaarden gelden als bedoeld in artikel 2.5 en in de hoofdstukken 3 en 4 worden uitgevoerd door een daartoe geaccrediteerde meetinstantie. Het bevoegd gezag kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift hiervan afwijken.

  • 7. Voor de resultaten van emissiemetingen of controle van ERP’s geldt dat:

    • a. deze worden vastgelegd in een rapport;

    • b. de resultaten van emissiemetingen worden gerapporteerd bij standaard luchtcondities voor temperatuur en druk, en bij droog afgas;

    • c. de resultaten van emissiemetingen worden gecorrigeerd voor de meetonzekerheid;

    • d. emissies van verbrandingsprocessen worden herleid op afgas met een volumegehalte aan zuurstof van:

      • 1°. 6 procent, indien het een stookinstallatie met vaste brandstof betreft;

      • 2°. 3 procent, indien het een stookinstallatie met een gasvormige of vloeibare brandstof betreft, of

      • 3°. het gehalte dat het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift heeft vastgelegd.

    • e. het resultaat van afzonderlijke emissiemetingen de emissiegrenswaarde niet mag overschrijden;

    • f. de daggemiddelde waarde van de emissieconcentratie, bepaald op basis van het resultaat van continu metingen, niet hoger mag zijn dan de emissiegrenswaarde, en

    • g. geen van de halfuurgemiddelde waarden, als resultaat van continu metingen, hoger mag zijn dan het dubbele van de emissiegrenswaarde.

  • 8. De metingen, bedoeld in het eerste lid, onder b, en in het vierde lid, met inbegrip van berekeningen en bepalingen van ERP’s, de registratie en rapportage van de meting, voldoen, ten behoeve van de bescherming van het milieu, aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 2.8a

Voor een inrichting type C waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de geurvoorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, tot 1 januari 2021 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de geurvoorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

S

Artikel 2.8a (oud) wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 2.8a wordt vernummerd tot artikel 2.8b.

2. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een inrichting type C drijft waartoe geen IPPC-installatie behoort, voor zover binnen de inrichting activiteiten worden verricht waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

T

In artikel 2.9, tweede lid, wordt ‘bodembeschermde voorzieningen’ vervangen door: bodembeschermende voorzieningen.

U

Na artikel 2.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.9a
  • 1. In afwijking van artikel 2.9 kan het bevoegd gezag op aanvraag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een aanvaardbaar bodemrisico wordt gerealiseerd, indien:

    • a. voor 1 januari 2008 binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd, of

    • b. tot het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan, binnen een inrichting een bodembedreigende activiteit werd uitgevoerd en voor die inrichting een vergunning in werking en onherroepelijk was.

  • 2. Een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden gesteld indien het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico redelijkerwijs niet kan worden gevergd en is voldaan aan het derde lid.

  • 3. Bij de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt een plan van aanpak gevoegd, waarin ten minste is vastgelegd:

    • a. de wijze waarop het monitoringssysteem wordt uitgevoerd;

    • b. de bodemkwaliteit op dat moment, zoals die is onderzocht en vastgelegd door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit;

    • c. de wijze waarop en de termijn waarbinnen eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem wordt hersteld door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit;

    • d. de kosten die daarvoor worden geraamd en de wijze waarop hiervoor financiële zekerheid wordt gesteld.

  • 4. Het plan van aanpak, bedoeld in het derde lid, waarmee het bevoegd gezag heeft ingestemd maakt deel uit van het maatwerkvoorschrift.

  • 5. Onder een aanvaardbaar bodemrisico als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: een situatie als bedoeld in de NRB waarin een bodemrisico aanvaardbaar is gemaakt middels een monitoringssysteem en door het anticiperen op het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van eventueel optredende verontreiniging of aantasting van de bodem.

  • 6. Het monitoringssysteem als bedoeld in het derde en vijfde lid voldoet aan bijlage 3 van deel 3 van de NRB en wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

V

Het opschrift van afdeling 2.5 komt te luiden:

Afdeling 2.5. Doelmatig beheer van afvalstoffen

W

Artikel 2.12 komt te luiden:

Artikel 2.12
  • 1. Onverminderd artikel 10.54a, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden voorafgaand aan het afvalstoffenbeheer gevaarlijke afvalstoffen te mengen, daaronder mede begrepen het verdunnen, met andere categorieën van afvalstoffen of met andere stoffen of materialen.

  • 2. Het is verboden afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, die binnen de inrichting zijn ontstaan, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen, indien het gescheiden houden en gescheiden afgeven redelijkerwijs kan worden gevergd.

  • 3. Het is verboden afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, afkomstig van buiten de inrichting, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het mengen van gevaarlijke afvalstoffen met afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, voor zover het mengen bij ministeriële regeling is toegestaan.

  • 5. Bij ministeriële regeling worden, voor toepassing van dit artikel, categorieën van afvalstoffen aangewezen.

X

Artikel 2.14a, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Het is verboden afvalstoffen te verbranden.

Y

Artikel 2.15 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder.

2. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een gefaseerde uitvoering van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, toestaan waarbij rekening wordt gehouden met de bedrijfseconomische omstandigheden van de inrichting. Hierbij stelt het bevoegd gezag per maatregel een redelijke termijn vast waarbinnen die maatregel moet zijn uitgevoerd.

3. Het tweede tot en met vijfde lid (oud) worden vernummerd tot derde tot en met zesde lid.

4. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘tweede lid’ vervangen door: derde lid.

Z

Na artikel 2.16 wordt aan afdeling 2.7 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 2.16a

Tot het tijdstip waarop artikel 2.16 in werking treedt, is artikel 2.1, vierde lid, van toepassing op het vervoer van de eigen werknemers van en naar de inrichting.

AA

Artikel 2.17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17a ook op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting.

2. Het vierde lid, onderdeel d, komt te luiden:

  • d. indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17d ook gelden op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting, en

BB

Na artikel 2.17 wordt een artikel ingevoegd toegevoegd, luidende:

Artikel 2.17a
  • 1. De waarden op de gevel van gevoelige gebouwen en op de grens van gevoelige terreinen in tabel 2.17a onderscheidenlijk 2.17g worden met 5 dB(A) verhoogd indien tot het van toepassing worden van artikel 2.17 op een inrichting, op grond van een voorschrift als bedoeld in het derde lid van dat artikel hogere waarden golden.

  • 2. Indien in een milieuvergunning die in werking en onherroepelijk was op het tijdstip genoemd in het op de inrichting van toepassing geweest zijnde voorschrift, genoemd in artikel 2.17a, derde lid, lagere waarden dan de waarden, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, waren vastgesteld, zijn die lagere waarden van toepassing.

  • 3. De voorschriften, bedoeld in artikel 2.17, eerste en tweede lid zijn: voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van bijlage 2 van het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.7 van de bijlage van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.5 van de bijlage van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit voorzieningen- en installaties milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van bijlage 1 van het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, voorschrift 1.1.3 van de bijlage van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer, voorschrift 3.2 van bijlage 2 van het Besluit tankstations milieubeheer, voorschrift 4.2.1 van bijlage 1 van het Besluit tandartspraktijken milieubeheer en voorschrift 1.1.3 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.

  • 4. In afwijking van artikel 2.17, vijfde lid, gelden voor inrichtingen als bedoeld in dat lid, waarop tot 1 januari 2013, bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw van toepassing was, tot 1 januari 2016 de geluidswaarden van voorschrift 1.1.1 van bijlage 2 van het Besluit glastuinbouw.

  • 5. Een gemeentelijke verordening als bedoeld in voorschrift 1.1.2 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer, zoals dat luidde tot 1 januari 2013, berust met ingang van die datum op artikel 2.17, zevende lid.

  • 6. Voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008 het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer of het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer van toepassing was, zijn de waarden uit artikel 2.17 niet van toepassing op de gevel van onderscheidenlijk in een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting.

CC

Artikel 2.18 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, wordt ‘de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12’ vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20.

2. In het tweede tot en met vierde lid wordt ‘artikel 2.17, 2.20 dan wel 6.12’ vervangen door: artikel 2.17, 2.17a dan wel 2.20.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 9. Voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008, het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer van toepassing was, en waarvoor voor muziekgeluid een bedrijfsduurcorrectie werd toegepast, kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het tweede lid niet van toepassing is voor de toetsing van geluidsniveaus tussen 23.00 en 07.00 uur.

  • 10. Indien op grond van het maatwerkvoorschrift, bedoeld in het negende lid, een bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast, is het door de inrichting veroorzaakte geluidsniveau gedurende de bedrijfstijd tussen 23.00 en 07.00 uur niet hoger dan op grond van artikel 2.17 is toegestaan tussen 19.00 en 23.00 uur.

DD

Na artikel 2.19 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2.19a
  • 1. Tot de inwerkingtreding van artikel 2.19 zijn het tweede tot en met vierde lid van toepassing.

  • 2. Artikel 2.17 is niet van toepassing op inrichtingen die zijn gelegen in een concentratiegebied voor horeca-inrichtingen of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven, dat bij of krachtens een verordening als zodanig is aangewezen.

  • 3. In een gebied als bedoeld in het tweede lid bedraagt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, in ieder geval niet meer:

    • a. dan de in tabel 2.17 bedoelde waarden op de gevel of, als dat hoger is, het in dat gebied heersende referentieniveau;

    • b. dan de in tabel 2.19a aangegeven waarden binnen gevoelige gebouwen.

    Tabel 2.19a
     

    07.00–19.00 uur

    19.00–23.00 uur

    23.00–07.00 uur

    Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT)

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidsniveau

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4. Voor inrichtingen waarop tot 1 januari 2008 het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit detailhandel en ambachtsbedrijven milieubeheer of het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer van toepassing was, zijn de waarden uit dit artikel niet van toepassing op de gevel van onderscheidenlijk een dienst- of bedrijfswoning dan wel een woning die deel uitmaakt van een inrichting.

EE

Artikel 2.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste, tweede, vierde en zesde lid, wordt ‘de artikelen 2.17, 2.19 dan wel 6.12’ vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19 dan wel 2.19a.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 8. De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van het eerste lid, is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting:

    • a. waarop tot het van toepassing worden van dit artikel op die inrichting, het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer, het Besluit detailhandel- en ambachtsbedrijven milieubeheer, het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, het Besluit bouw- en houtbedrijven milieubeheer, het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer, het Besluit textielreinigingsbedrijven milieubeheer, het Besluit jachthavens milieubeheer, het Besluit motorvoertuigen milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was, en

    • b. die voor de inwerkingtreding van het in onderdeel a genoemde besluit dat van toepassing was, is opgericht.

  • 9. De etmaalwaarde die het bevoegd gezag vaststelt op grond van het eerste lid is niet lager dan 40 dB(A) voor een inrichting waarop tot 1 januari 2008 het Besluit tankstations milieubeheer of het Besluit tandartspraktijken milieubeheer van toepassing was.

FF

In artikel 2.21, eerste lid, aanhef, wordt ‘de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12’ vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20.

GG

Artikel 2.22 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. De zinsnede ‘de artikelen 2.17, 2.19, 2.20 dan wel 6.12’ wordt vervangen door: de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a dan wel 2.20.

b. Na ‘ongevallenbestrijding,‘ wordt ingevoegd: spoedeisende medische hulpverlening,.

2. In het tweede lid wordt ‘bij ongevallenbestrijding, brandbestrijding en gladheidbestrijding’ vervangen door: ten behoeve van ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding en gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval.

HH

In artikel 2.23a wordt ‘artikel 3.29, aanhef en onderdeel a of b’ vervangen door: artikel 3.29, eerste lid.

II

In artikel 2.28, tabel 2.28a, activiteit 8, noot 4, wordt ‘artikel 2.29, vierde lid’ vervangen door: artikel 2.29, vijfde lid.

JJ

Artikel 3.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid, onderdeel b, wordt ‘bedoeld in artikel 5 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut’ vervangen door: bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Het derde lid is niet van toepassing op het lozen dat is aangevangen voor het van toepassing worden van het eerste tot en met vijfde lid op de inrichting.

  • 7. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het lozen in het vuilwaterriool van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening, dat reeds plaatsvond voorafgaand aan het tijdstip, bedoeld in het zesde lid, binnen een in dat maatwerkvoorschrift gestelde termijn wordt gestaakt.

KK

Aan artikel 3.4 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al regelmatig plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 5. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 maart 1997 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

LL

Aan artikel 3.5b worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op dat tijdstip een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was.

  • 5. Indien het vierde lid van toepassing is, dan is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten ten hoogste 1,5 odour units per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid is de geurbelasting als gevolg van een zuiveringtechnisch werk ter plaatse van geurgevoelige objecten gelegen op een gezoneerd industrieterrein, een bedrijventerrein dan wel buiten de bebouwde kom ten hoogste 3,5 odour units per kubieke meter lucht als 98-percentiel.

  • 7. Voor een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in werking en onherroepelijk was, zijn het eerste, tweede, vijfde en zesde lid niet van toepassing op de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren of in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

  • 8. Bij de verandering van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in het vierde en zevende lid is de geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten als gevolg van een zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de geurbelasting voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in het eerste en tweede lid niet worden overschreden.

MM

Artikel 3.5c komt te luiden:

Artikel 3.5c

De geurbelasting, bedoeld in artikel 3.5b, eerste, tweede en vijfde tot en met achtste lid, wordt bepaald volgens de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

NN

Na het opschrift van paragraaf 3.1.6 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.6.1

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden, sloop-, en renovatiewerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

OO

In artikel 3.6b, eerste lid wordt ‘sloop-, renovatie of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten’ vervangen door: sloop-, of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

PP

Na artikel 3.6b worden aan afdeling 3.1 drie paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 3.1.7 Handelingen in een oppervlaktewaterlichaam
Artikel 3.6c
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Deze paragraaf is tevens van toepassing op andere werkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam indien die plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

Artikel 3.6d
  • 1. Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden in dat oppervlaktewaterlichaam is toegestaan.

  • 2. Indien bij ontgravingen of baggerwerkzaamheden in een oppervlaktewaterlichaam de kwaliteit van de te baggeren of ontgraven waterbodem een bij ministeriële regeling aan te wijzen interventiewaarde overschrijdt, worden de werkzaamheden uitgevoerd overeenkomstig een werkplan, waarin maatregelen zijn beschreven waarmee het lozen zo veel mogelijk wordt beperkt. Het werkplan bevat in ieder geval de beschrijving van de toe te passen baggertechniek en de bij het gebruik van die techniek gehanteerde werkwijze.

Artikel 3.6e

Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam ten gevolge van andere werkzaamheden dan bedoeld in artikel 3.6c, is toegestaan indien die werkzaamheden plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

§ 3.1.8 Lozen ten gevolge van schoonmaken drinkwaterleidingen
Artikel 3.6f
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen ten gevolge van het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor het opslaan, transporteren en de distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit. Bij het lozen wordt ten minste voldaan aan het tweede tot en met het vijfde lid.

  • 2. Het lozen op of in de bodem is toegestaan indien aan het drinkwater, warm tapwater of huishoudwater geen chemicaliën zijn toegevoegd en als gevolg van het lozen geen wateroverlast ontstaat.

  • 3. Het lozen in een oppervlaktewaterlichaam of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, is toegestaan, indien aan het drinkwater, warm tapwater of huishoudwater geen chemicaliën zijn toegevoegd.

  • 4. Het lozen vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen, bedoeld in het tweede en derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5. In afwijking van het tweede en derde lid kan het bevoegd gezag het lozen van afvalwater, bedoeld in het eerste lid, met geringe concentraties chemicaliën bij maatwerkvoorschrift toestaan indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

§ 3.1.9 Lozen van afvalwater ten gevolge van calamiteitenoefeningen
Artikel 3.6g
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening met uitzondering van inrichtingen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken als bedoeld in categorie 26 van onderdeel C van bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht.

  • 2. Het lozen van afvalwater is toegestaan.

QQ

Artikel 3.7 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de aanhef wordt ‘6.20 tot en met 6.20c’ vervangen door: 3.10q tot en met 3.10t.

b. Onderdeel b, komt te luiden:

  • b. een gasmotor, gasturbine, ketelinstallatie of dieselmotor die ten hoogste 500 uren per jaar in gebruik is, met uitzondering van dieselmotoren die worden gebruikt voor de opwekking van elektriciteit in gevallen anders dan noodgevallen;.

2. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Onderdeel b vervalt.

b. De onderdelen c tot en met f worden geletterd b tot en met e.

RR

Artikel 3.9 komt te luiden:

Artikel 3.9
  • 1. Voor zover stookinstallaties onder de werkingssfeer van deze paragraaf vallen, zijn de artikelen 2.5, 2.7 en 2.8, derde tot en met negende lid, niet van toepassing.

  • 2. Onverminderd de emissie-eisen in deze paragraaf kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de emissies van een stookinstallatie.

SS

Artikel 3.10 komt te luiden:

Artikel 3.10

Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10.

Tabel 3.10

Ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 megawatt of meer

Brandstof

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter)

Brandstof in vaste vorm, met uitzondering van biomassa

100

200

5

Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa

120

200

5

Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een thermisch vermogen kleiner dan 5 megawatt heeft

275

200

20

Biomassa, voor zover de ketelinstallatie een thermisch vermogen van 5 megawatt of groter heeft

145

200

5

Vergistinggas

70

200

 

Aardgas

70

 

Brandstof in gasvorm, met uitzondering van aardgas en vergistinggas

70 vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ per normaal kubieke meter, tot een verbrandingswaarde van 31,65 MJ per normaal kubieke meter, waarbij de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 2,0 bedraagt

 

TT

Artikel 3.10a, tabel 3.10a, komt te luiden:

Tabel 3.10a

Ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 400 kilowatt en de 1 Megawatt

Brandstof

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (Cx)Hy) (mg per normaal kubieke meter)

Brandstof in vloeibare vorm, met uitzondering van biomassa

120

200

20

Biomassa

300

200

40

Vergistinggas

70

200

Aardgas

70

 

Brandstof in gasvorm, met uitzondering van aardgas en vergistinggas

70 vermenigvuldigd met een factor die gelijk is aan de verhouding van de onderste verbrandingswaarde van de ingezette brandstof, uitgedrukt in MJ per normaal kubieke meter, tot een verbrandingswaarde van 31,65 MJ per normaal kubieke meter, waarbij de laatstgenoemde factor minimaal 0,9 en maximaal 2,0 bedraagt

 

Houtpellets voor zover het geen biomassa betreft

300

200

40

UU

Artikel 3.10d, tabel 3.10d, komt te luiden:

Tabel 3.10d

Gasturbine

Brandstof

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter)

Brandstof in vloeibare vorm,

140, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities

200

15

aardgas

140, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities

Brandstof, met uitzondering van brandstof in vloeibare vorm en aardgas

140, teruggerekend naar de ISO-luchtcondities

200

VV

Artikel 3.10e wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er worden vier leden toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden vaststellen voor een dieselmotor met een thermisch vermogen van minder dan 600 kilowatt gelegen op een platform dat is gelegen binnen de Nederlandse exclusieve economische zone. De afwijkende emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden bedraagt ten hoogste 2.800 milligram per normaal kubieke meter.

  • 3. Degene die een inrichting drijft waartoe een dieselmotor als bedoeld in het tweede lid behoort, overlegt elke vijf jaar ten behoeve van het maatwerkvoorschrift een haalbaarheidsstudie, naar vermindering van de NOx-emissies door toepassing van emissiebeperkende maatregelen of alternatieve technieken, zoals zonne- en windenergie, gasmotoren en -turbines, Van de haalbaarheidsstudie maakt een kosteneffectiviteitsberekening deel uit.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag bepalen dat kan worden volstaan met een kosteneffectiviteitsberekening indien de resterende levensduur van de installatie daartoe aanleiding geeft.

  • 5. Bij de beoordeling van de kosteneffectiviteitsberekening gaat het bevoegd gezag uit van een kosteneffectiviteit als bedoeld in artikel 2.7, derde tot en met zesde lid.

WW

Tabel 3.10f komt te luiden:

Tabel 3.10f

Gasmotor

Brandstof/vermogen

Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter)

Thermisch vermogen kleiner dan 2,5 megawatt, met uitzondering van vergistinggas

340

 

Thermisch vermogen van 2,5 megawatt of groter, met uitzondering van vergistinggas

100

 

1.500

Vergistinggas ongeacht het thermisch vermogen

340

200

XX

Artikel 3.10n komt te luiden:

Artikel 3.10n
  • 1. In afwijking van artikel 2.14a, eerste lid, is het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is, toegestaan indien:

    • a. het de verbranding in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 15 megawatt of minder betreft;

    • b. het verbranden van de biomassa materiaalhergebruik niet belemmert, en

    • c. de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.

  • 2. In afwijking van artikel 2.12, tweede en derde lid, is het toegestaan verschillende categorieën van afvalstoffen, zijnde biomassa, te mengen bij de verbranding van biomassa mits wordt voldaan aan het eerste lid.

YY

Na artikel 3.10p worden aan paragraaf 3.2.1 vijf artikelen toegevoegd, luidende:

Artikel 3.10q
  • 1. In afwijking van de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f, voldoet het rookgas van een stookinstallatie die voor 1 april 2010 is geplaatst of in gebruik is genomen, tot de datum, genoemd in het tweede of derde lid, aan de emissiegrenswaarden die op 31 maart 2010 voor die installatie golden ingevolge het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer B of het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden op grond van een daarvoor verleende omgevingsvergunning.

  • 2. Het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet met ingang van 1 januari 2017 aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f.

  • 3. In afwijking van het tweede lid voldoet het rookgas in een stookinstallatie als bedoeld in het eerste lid voor zover die zich binnen de Nederlandse exclusieve economische zone bevindt dan wel deel uitmaakt van een inrichting waarin kooldioxide (CO2), afkomstig van een andere inrichting, wordt ingezet ten behoeve van de bemesting van gewassen teneinde het gebruik van brandstof te verminderen, met ingang van 1 januari 2019 aan de in de artikelen 3.10, 3.10d, 3.10e of 3.10f genoemde emissiegrenswaarden.

  • 4. Op het in werking hebben van een stookinstallatie die voor 1 januari 2014 is geplaatst of in gebruik is genomen en waarop titel 16.3 van de wet van toepassing was, zijn de op grond van de artikelen 3.10 tot en met 3.10j en 3.10q tot en met 3.10t geldende emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NOx) tot de datum, genoemd in het tweede of derde lid, niet van toepassing. Het bevoegd gezag kan voor deze stookinstallaties tot de in het tweede of derde lid genoemde data bij maatwerkvoorschrift emissiegrenswaarden en meetmethoden voor stikstofoxiden (NOx) in het rookgas van de stookinstallatie vaststellen, indien de lokale luchtkwaliteit dat vergt.

  • 5. Indien ingevolge het eerste lid de emissiegrenswaarden van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A van toepassing zijn, zijn in afwijking van artikel 3.10p tevens de regels inzake keuring en onderhoud van dat besluit van toepassing.

Artikel 3.10r
  • 1. In afwijking van de artikelen 3.10a of 3.10b, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 1 megawatt die voor 1 januari 2013 is geplaatst of in gebruik is genomen, totdat het tweede lid van toepassing wordt, aan de emissiegrenswaarden die tot 1 januari 2013 voor die installatie golden ingevolge het Besluit typekeuring verwarmingstoestellen luchtverontreiniging stikstofoxiden, dan wel aan de daarvan afwijkende emissiegrenswaarden, die voor die stookinstallatie golden ingevolge een daarvoor verleende omgevingsvergunning of ingevolge het derde of vierde lid.

  • 2. Het rookgas van een ketelinstallatie als bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de in de artikelen 3.10a of 3.10b genoemde emissiegrenswaarden vanaf het tijdstip dat:

    • a. de branders zijn vervangen;

    • b. wijzigingen zijn aangebracht die met nieuwbouw van de ketelinstallatie overeenkomen, of

    • c. een wijziging wordt doorgevoerd, die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in de artikelen 3.10a of 3.10b, met meer dan 10 procent.

  • 3. In afwijking van artikel 3.10a en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt, waarin biomassa wordt verbrand of waarin houtpellets, voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik is genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015, aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 3.10r (1), totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.

    Tabel 3.10r (1)

    Ketelinstallatie met een nominaal vermogen tussen de 500 kilowatt en de 1 megawatt

    Brandstof

    Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

    Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

    Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

    onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter)

    Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft

    75

  • 4. In afwijking van de artikelen 3.10a en 3.10b en onverminderd het eerste lid, voldoet het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner dan 500 kilowatt waarin biomassa wordt of houtpellets voor zover het geen biomassa betreft worden verbrand, die in gebruik zijn genomen tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015 aan de emissiegrenswaarden, herleid op rookgas met een volumegehalte aan zuurstof van 6%, genoemd in tabel 3.10r (2) totdat aan een van de criteria, bedoeld in het tweede lid, wordt voldaan.

    Tabel 3.10r (2)

    Ketelinstallatie met een nominaal vermogen kleiner of gelijk aan 500 kilowatt

    Brandstof

    Stikstofoxiden (NOx) (mg per normaal kubieke meter)

    Zwaveldioxide (SO2) (mg per normaal kubieke meter)

    Totaal stof (mg per normaal kubieke meter)

    onverbrande koolwaterstoffen (CxHy) (mg per normaal kubieke meter)

    Biomassa en houtpellets voor zover het geen biomassa betreft

    150

Artikel 3.10s

Indien aan een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste of derde lid, of artikel 3.10r, eerste lid, voor 1 januari 2017 onderscheidenlijk 1 januari 2019 een wijziging van het nominaal vermogen wordt aangebracht die leidt tot een toename van emissies van de stoffen, genoemd in deze paragraaf, met meer dan 10 procent, wordt die wijziging zodanig uitgevoerd dat aan de emissiegrenswaarden, genoemd in de artikelen 3.10, 3.10a, 3.10b, 3.10d, 3.10e of 3.10f, wordt voldaan.

Artikel 3.10t

Artikel 3.10c is van overeenkomstige toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie als bedoeld in artikel 3.10q, eerste of derde lid, of artikel 3.10r, eerste lid.

Artikel 3.10u

In afwijking van artikel 3.10l, eerste lid, haalt een warmtekrachtinstallatie die in gebruik is genomen voor 1 januari 2008, een jaargemiddeld rendement van ten minste 60% berekend volgens de formule, bedoeld in dat lid.

ZZ

Artikel 3.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘In inrichtingen’ vervangen door: Voor inrichtingen.

2. In het derde lid vervalt: en de regionale brandweer.

3. In het vierde lid, onderdeel b, vervalt: periodieke.

4. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 9. Het zesde lid is niet van toepassing op een gasdrukmeet- en regelstation:

    • a. waarop tot 1 januari 2008 het Besluit voorzieningen en installaties milieubeheer van toepassing was, is opgericht voor 1 december 2001 en waarvoor tot laatstgenoemde datum een vergunning in werking en onherroepelijk was, of

    • b. dat voor 1 januari 2008 is opgericht en waarvoor tot die datum een vergunning in werking en onherroepelijk was;

    voor zover de afstanden opgenomen in de vergunning afwijken van de afstanden, bedoeld in tabel 3.12.

  • 10. Voor een gasdrukmeet- en regelstation als bedoeld in het negende lid zijn de afstanden opgenomen in de vergunning van toepassing.

  • 11. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de veiligheid, voor de situatie, bedoeld in het negende lid, voor zover de afstanden opgenomen in de vergunning afwijken van de afstanden, genoemd in het zesde lid, tabel 3.12.

AAA

Artikel 3.14a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt na ‘gevoelige gebouwen’ ingevoegd: , tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein,.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. In verband met een windturbine of een combinatie van windturbines waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10, kunnen bij ministeriële regeling maatregelen worden voorgeschreven die ertoe leiden dat binnen een bij die regeling te bepalen termijn aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein wordt voldaan in die gevallen waarin uit het akoestisch onderzoek, bedoeld in artikel 1.11, negende lid, blijkt dat de geluidsbelasting die waarde overschrijdt.

  • 5. Bij de toepassing van het tweede lid wordt geen rekening gehouden met een windturbine of een combinatie van windturbines die behoort tot een andere inrichting waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10.

BBB

Aan artikel 3.15a wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op een windturbine of een combinatie daarvan waarvoor tot 1 januari 2011 een vergunning in werking en onherroepelijk was dan wel een melding was gedaan op grond van artikel 1.10 ten aanzien van een kwetsbaar onderscheidenlijk beperkt kwetsbaar object, indien het plaatsgebonden risico ten gevolge van die windturbine of een combinatie van windturbines voor het betreffende kwetsbare onderscheidenlijk beperkt kwetsbare object voor 1 januari 2011 groter is dan 10-6 onderscheidenlijk 10-5 per jaar.

CCC

Artikel 3.16c komt te luiden:

Artikel 3.16c

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van:

  • a. een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 10 kilogram kooldioxide,

  • b. een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 5 kilogram koolwaterstoffen, of

  • c. een koelinstallatie met een inhoud van ten minste 10 en ten hoogste 1.500 kilogram ammoniak.

DDD

Artikel 3.16d komt te luiden:

Artikel 3.16d
  • 1. Een koelinstallatie met een natuurlijk koudemiddel voldoet ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Een koelinstallatie als bedoeld in het eerste lid wordt ten minste eenmaal per kalenderjaar gecontroleerd op het veilig functioneren.

  • 3. Een controle als bedoeld in het tweede lid wordt verricht door degene die het onderhoud uitvoert en beschikt over een vakbekwaamheidscertificaat als bedoeld in:

    • a. PGS 13 indien het een koelinstallatie met ammoniak als natuurlijk koudemiddel betreft,

    • b. NPR 7600 indien het een koelinstallatie met koolwaterstoffen als natuurlijk koudemiddel betreft,

    • c. NPR 7601 indien het een koelinstallatie met kooldioxide als natuurlijk koudemiddel betreft.

  • 4. Van de controle wordt een rapport opgemaakt dat aan de drijver van de inrichting ter beschikking wordt gesteld.

  • 5. In een kunstijsbaan met ammoniak als natuurlijk koudemiddel wordt een indirect koelsysteem als bedoeld in hoofdstuk 2.4 van PGS 13 toegepast.

  • 6. Het vijfde lid is niet van toepassing op koelinstallaties bij kunstijsbanen die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2010.

EEE

Na artikel 3.16p wordt aan paragraaf 3.2.8 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3.16q

Deze paragraaf, met uitzondering van artikel 3.16p, is niet van toepassing op een gesloten bodemenergiesysteem dat is geïnstalleerd voor 1 juli 2013.

FFF

Het opschrift van afdeling 3.3 komt te luiden:

Afdeling 3.3. Activiteiten met voertuigen, vaartuigen of luchtvaartuigen

GGG

In artikel 3.17, tweede lid, vervalt: en vaartuigen.

HHH

Aan artikel 3.20 worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 10. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer, waarbij het afleveren van lichte olie plaatsvindt met een maximale afleversnelheid van 10 liter per minuut, die zijn opgericht voor 1 januari 2012, tot het moment waarop het geheel van de tanks of pompen en leidingen van de afleverinstallatie, sterk wordt gewijzigd of vernieuwd.

  • 11. Het eerste lid is niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer anders dan ten behoeve van de openbare verkoop, die zijn opgericht voor 1 januari 2012, tot het moment waarop het geheel van de tanks of pompen en leidingen van de afleverinstallatie, sterk wordt gewijzigd of vernieuwd.

  • 12. Het tiende en elfde lid zijn met ingang van 1 januari 2019 niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer met een debiet van lichte olie van meer dan 3.000 kubieke meter per jaar.

  • 13. In afwijking van het vijfde lid wordt een systeem voor dampretour fase-II bij een inrichting die is opgericht voor 1 januari 2012 ten minste eenmaal per drie jaar op de goede werking gecontroleerd overeenkomstig de testprocedure, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, tot het moment dat het geheel van de tanks of pompen en leidingen van de afleverinstallatie sterk wordt gewijzigd of vernieuwd.

  • 14. Het dertiende lid is met ingang van 1 januari 2019 niet van toepassing op inrichtingen voor het afleveren van lichte olie aan motorvoertuigen voor het wegverkeer met een debiet van lichte olie van meer dan 3.000 kubieke meter per jaar.

III

Artikel 3.20a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inpandige afleverinstallaties voor lichte olie die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2012.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, waarin het inpandig afleveren van lichte olie is toegestaan, vindt het inpandig afleveren in het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan ten minste plaats via een EU-systeem voor dampretour fase-II.

  • 4. Op het inpandig afleveren van lichte olie, bedoeld in het derde lid, is artikel 3.20, derde tot en met achtste lid, alsmede de krachtens die leden en krachtens artikel 3.19 gestelde regels van toepassing.

JJJ

Aan artikel 3.23 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het tweede lid is niet van toepassing indien voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting een slibvangput en een olieafscheider zijn geplaatst die op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

KKK

Aan artikel 3.23b worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een inrichting waar het wassen van motorvoertuigen of werktuigen plaatsvindt waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, indien op die inrichtingen tot 1 januari 2013 het Besluit landbouw milieubeheer van toepassing was.

  • 4. Het wassen van motorvoertuigen of werktuigen waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast in een inrichting als bedoeld in het derde lid, vindt plaats boven een bodembeschermende voorziening.

  • 5. Het lozen van afvalwater afkomstig van een bodembeschermende voorziening als bedoeld in het vierde lid vindt plaats in een vuilwaterriool waarbij ten minste wordt voldaan aan artikel 3.23c.

LLL

Artikel 3.23c, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

MMM

Artikel 3.23d, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Het afvalwater wordt geleid door een zuiveringsvoorziening waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

NNN

Artikel 3.24, aanhef, komt te luiden:

Onverminderd artikel 3.23d is het lozen op of in de bodem van afvalwater als gevolg van het uitwendig wassen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen, toegestaan:

OOO

In de artikelen 3.26b, eerste lid, 3.38, tweede lid, 3.141, eerste lid, 3.143, eerste lid, 4.21, eerste lid, 4.23, eerste lid, 4.27a, eerste lid, 4.29, eerste lid, 4.31 b, eerste lid, 4.33, eerste lid, 4.34, eerste lid, 4.35, eerste lid, 4.40, eerste lid, 4.41, eerste lid, 4.42, eerste lid, 4.44, eerste lid, 4.45, eerste lid, 4.46, eerste lid, 4.50, eerste lid, 4.54, eerste lid, 4.58, eerste lid, 4.60, eerste lid, 4.62, eerste lid, 4.65, eerste lid, 4.68, eerste lid, 4.74b, eerste lid, 4.74f, eerste lid, 4.74j, tweede lid, 4.74s, eerste lid, 4.94, 4.94g, eerste lid, 4.103aa, 4.103d, 4.119 en 4.125, eerste en tweede lid, wordt ‘onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6’ vervangen door: onverminderd artikel 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en artikel 2.6.

PPP

Artikel 3.26c, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

QQQ

Artikel 3.26f vervalt.

RRR

Artikel 3.26h, derde lid, komt te luiden:

  • 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

SSS

Na artikel 3.26k wordt aan afdeling 3.3 een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 3.3.6 Het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen
Artikel 3.26l
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen.

  • 2. De artikelen 2.17 tot en met 2.22 zijn niet van toepassing op het gebruik van hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen.

Artikel 3.26m

Degene die een helitraumacentrum drijft, draagt er zorg voor dat het geluidsvermogensniveau van hefschroefvliegtuigen die door hem worden ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams niet hoger is dan 140 dB(A).

Artikel 3.26n

Degene die een ziekenhuis, niet zijnde een helitraumacentrum, drijft, draagt er zorg voor dat zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen uitsluitend door hefschroefvliegtuigen wordt gebruikt indien dit gebruik bijzonder is aangewezen voor:

  • a. het vervoer van ongevalslachtoffers en zieken die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • b. het vervoer van pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • c. het vervoer van organen of transplantatieteams in het kader van transplantatie;

  • d. het vervoer van een lid van een mobiel medisch team dat, nadat het mobiel medisch team met een hefschroefvliegtuig op een ongevallenlocatie is ingezet, met een ongevalslachtoffer of zieke die spoedeisende medische zorg behoeft anders dan met een hefschroefvliegtuig naar het ziekenhuis is vervoerd;

  • e. het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig in verband met de opleiding en training van de piloot tot ten hoogste 20 vliegbewegingen per ziekenhuis per kalenderjaar.

Artikel 3.26o

Degene die een helitraumacentrum drijft, draagt er zorg voor dat zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen uitsluitend door hefschroefvliegtuigen wordt gebruikt indien dit gebruik bijzonder aangewezen is voor:

  • a. het vervoer van ongevalslachtoffers en zieken die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • b. het vervoer van pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, met inbegrip van apparatuur en begeleidend personeel;

  • c. het vervoer van organen of transplantatieteams in het kader van transplantatie;

  • d. het vervoer van mobiele medische teams, met inbegrip van apparatuur naar en van ongevallenlocaties;

  • e. het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig in verband met de komst van een ander hefschroefvliegtuig dat ongevalslachtoffers, zieken en pasgeboren kinderen die spoedeisende medische zorg behoeven, organen of transplantatieteams vervoert;

  • f. het verplaatsen van een hefschroefvliegtuig tot ten hoogste 400 vliegbewegingen per helitraumacentrum per kalenderjaar in verband met:

    • 1°. onderhoud of reparatie;

    • 2°. tankvluchten;

    • 3°. opleiding en training van de piloot en van het mobiel medisch team.

Artikel 3.26p
  • 1. Degene die het helitraumacentrum of het ziekenhuis, niet zijnde een helitraumacentrum drijft, registreert met betrekking tot het gebruik van zijn voorziening ten behoeve van het landen en opstijgen van hefschroefvliegtuigen ten minste de volgende gegevens:

    • a. de reden voor het gebruik van de voorziening;

    • b. de tijd van vertrek;

    • c. de tijd van aankomst.

  • 2. De registratie wordt binnen twee werkdagen na gebruik van de voorziening bijgewerkt en gedurende ten minste vijf jaar na het vastleggen in de registratie bewaard.

Artikel 3.26q

In afwijking van artikel 3.26m is het degene die op 1 februari 2003 een helitraumacentrum dreef, tot het moment van vervanging van het hefschroefvliegtuig dat op die datum werd ingezet voor het vervoer van mobiele medische teams, toegestaan een hefschroefvliegtuig in te zetten met een geluidsvermogensniveau van ten hoogste 145 dB(A).

TTT

Artikel 3.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd.

a. Voor de tekst wordt de aanduiding ’1.’ geplaatst.

b. De puntkomma aan het slot van onderdeel h wordt vervangen door:, of.

c. Aan het slot van onderdeel i wordt ‘, of’ vervangen door een punt.

d. Onderdeel j vervalt.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Deze paragraaf is ook van toepassing op het opslaan van een vloeibare bodembedreigende stof, die geen gevaarlijke stof of CMR-stof is, in een ondergrondse opslagtank van metaal of kunststof of in een betonnen constructie die geheel of gedeeltelijk ondergronds ligt.

UUU

Artikel 3.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In de aanhef wordt na ‘ondergrondse opslagtank’ ingevoegd: of een betonnen constructie.

2. Aan het slot van onderdeel b wordt ‘, of’ vervangen door een puntkomma.

3. Aan het slot van onderdeel c wordt ‘of’ toegevoegd.

4. Na onderdeel c wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van luchtverontreiniging,.

VVV

Artikel 3.30a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ’1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2013.

WWW

Artikel 3.31 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid en het derde lid, onderdeel a, wordt na ‘3.4.7,’ ingevoegd: 3.4.11,.

2. Na het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid is deze paragraaf van toepassing op het zeven van grond met een capaciteit daarvoor van minder dan 100.000 ton per jaar.

3. Het vierde lid (oud) wordt vernummerd tot vijfde lid.

XXX

Artikel 3.32 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ’1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het zeven van grond.

YYY

Artikel 3.33 komt te luiden:

Artikel 3.33
  • 1. Het in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater, niet zijnde een vuilwaterriool, lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen, is toegestaan indien het gehalte aan onopgeloste stoffen in enig steekmonster niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.

  • 2. Bij het in het oppervlaktewater lozen van afvalwater dat met inerte goederen in contact is geweest, ontstaat geen visuele verontreiniging.

  • 3. Het lozen op of in de bodem van afvalwater dat met inerte goederen in contact is geweest, is toegestaan.

  • 4. Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat in contact is geweest met inerte goederen vindt slechts dan plaats indien het lozen, bedoeld in het eerste tot en met het derde lid, redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.

  • 5. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste en vierde lid, kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

  • 6. Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

ZZZ

Artikel 3.34 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, tabel 3.34, vervallen de parameter ‘Onopgeloste stoffen’ en de emissiegrenswaarde ‘300 milligram per liter’.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Bij het in een aangewezen oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat in contact is geweest met goederen als bedoeld in het eerste lid waaruit geen vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, ontstaat geen visuele verontreiniging.

3. In het zevende lid vervalt: waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken.

4. Het achtste lid komt te luiden:

  • 8. In afwijking van het zevende lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

AAAA

Aan artikel 3.36 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Bij het opslaan van autowrakken wordt ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

BBBB

In de artikelen 3.37, eerste lid, en 3.38, eerste en derde lid, wordt ‘bijlage 4.6 van de NeR’ vervangen door: bijlage 3.

CCCC

Artikel 3.40 vervalt.

DDDD

Artikel 3.46 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid vervalt.

2. Na eerste lid worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen, indien de plaats waar deze bedrijfsstoffen zijn opgeslagen, is gelegen binnen een van de afstanden genoemd in dat lid, het opslaan reeds voor 1 januari 2013 plaatsvond en verplaatsing van de opgeslagen bedrijfsstoffen redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3. Indien het tweede lid van toepassing is:

    • a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar risico beperken, en

    • b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste dierlijke meststoffen die niet afkomstig zijn van landbouwhuisdieren. Het opslaan van vaste dierlijke meststoffen die niet afkomstig zijn van landbouwhuisdieren vindt plaats:

    • a. in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken, of

    • b. op ten minste 50 meter afstand tot een geurgevoelig object.

3. Het derde tot en met zevende lid (oud) worden vernummerd tot vijfde tot en met negende lid.

4. In het zevende lid (nieuw) wordt ‘eerste tot en met vierde lid’ vervangen door: eerste lid en vierde tot en met zesde lid.

5. In het achtste lid (nieuw), aanhef, wordt ‘met inachtneming van de NeR’ vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

6. In het negende lid (nieuw) wordt ‘Het eerste tot en met vierde lid is’ vervangen door: Het eerste lid en vierde tot en met zesde lid zijn.

EEEE

In artikel 3.50, tweede lid, wordt voor ‘digestaat’ ingevoegd: stabiel.

FFFF

Artikel 3.51 wordt als volgt gewijzigd:

1. Na het derde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op een mestbassin dat is opgericht voor 1 januari 2013 en dat op grond van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel op grond van het Besluit landbouw milieubeheer of het Besluit mestbassins milieubeheer op een kleinere afstand is gelegen dan de afstand die zou gelden op grond van het eerste tot en met derde lid, de afstand tot een geurgevoelig object niet is afgenomen en verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 5. Indien het vierde lid van toepassing is:

    • a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en

    • b. geeft degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

2. Het vierde tot en met tiende lid (oud) worden vernummerd tot zesde tot en met twaalfde lid.

3. In het zevende, achtste en tiende lid (nieuw), aanhef, wordt ‘vierde lid’ vervangen door: zesde lid.

4. In het negende lid (nieuw) wordt ‘vijfde lid’ vervangen door: zevende lid.

5. In het elfde lid (nieuw) wordt ‘achtste lid’ vervangen door: tiende lid.

6. In het twaalfde lid (nieuw), aanhef, wordt ‘‘met inachtneming van de NeR’ vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

GGGG

In artikel 3.52, aanhef, wordt voor ‘digestaat’ ingevoegd: stabiel.

HHHH

Na artikel 3.54d worden aan afdeling 3.4 twee paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 3.4.10 Opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen
Artikel 3.54e

Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

Artikel 3.54f

Totdat voor inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht een omgevingsvergunning voor een categorie van activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid, van het Besluit omgevingsrecht, is verleend, wordt voor de toepassing van artikel 3.54g uitgegaan van de munitie-QRA, die is opgesteld volgens de regels, gesteld krachtens artikel 2.6.7 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, en op grond waarvan de op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 3.54g geldende, krachtens artikel 2.6.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening aangewezen veiligheidszones, zijn berekend.

Artikel 3.54g
  • 1. Gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2 of 1.3 worden binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht zodanig opgeslagen of bewerkt dat:

    • a. de veiligheidszones van de activiteit niet groter zijn dan de veiligheidszones die volgen uit de munitie-QRA;

    • b. de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2 of 1.3 per opslagvoorziening niet groter is dan de hoeveelheid die is gebruikt in de munitie-QRA die is ingediend bij de aanvraag voor de laatst verleende omgevingsvergunning voor die activiteit, en

    • c. de bouwkundige staat van de voorzieningen waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram NEG van klasse 1.3 worden opgeslagen gelijk is aan de staat waarvan is uitgegaan in de munitie-QRA die is ingediend bij de aanvraag voor de laatst verleende omgevingsvergunning voor die activiteit.

  • 2. In of op elke voorziening voor het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2 of 1.3 is duidelijk zichtbaar aangegeven welke hoeveelheid NEG per ADR klasse volgens het eerste lid, onderdeel b, aanwezig mag zijn.

  • 3. Indien sprake is van het gezamenlijk opslaan van de ADR klassen 1.1, 1.2 of 1.3, is de totale hoeveelheid NEG niet groter dan de maximaal toegestane hoeveelheid van de klasse met de meest dominante effecten, vastgesteld in de munitie-QRA die is ingediend bij de aanvraag voor de laatst verleende omgevingsvergunning voor die activiteit.

  • 4. In afwijking van het derde lid is de totale hoeveelheid NEG van een gezamenlijke opslag van de ADR klassen 1.2 en 1.3 niet groter dan de toegestane hoeveelheid van de ADR klasse 1.1, indien de gezamenlijke opslag van de ADR klassen 1.2 en 1.3 kan reageren als ADR klasse 1.1.

  • 5. Bij het opslaan of bewerken van gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 binnen inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§ 3.4.11 Op- en overslaan van verwijderd asbest
Artikel 3.54h
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het op- en overslaan van verwijderd asbest:

    • a. bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet, of

    • b. dat afkomstig is van werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft, in een hoeveelheid van ten hoogste 50 ton.

  • 2. Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op een verwijderd asbesthoudend product.

Artikel 3.54i
  • 1. In het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt bij het op- en overslaan van asbest ten minste voldaan aan het tweede tot en met vierde lid.

  • 2. Het op- en overslaan van asbest geeft geen stofverspreiding die met het blote oog waarneembaar is.

  • 3. Asbest is uitsluitend aanwezig in een container en verpakt in niet luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal van voldoende dikte en sterkte.

  • 4. Als de inrichtinghouder asbest van verschillende saneringen samenvoegt in een container, legt hij per container vast van welke saneringen het asbest afkomstig is. De drijver van de inrichting bewaart deze gegevens gedurende ten minste vijf jaar.

  • 5. Het vierde lid is niet van toepassing op asbest dat is ingenomen bij een inrichting waar uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de wet.

IIII

Aan artikel 3.56 worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid is een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast tot 1 januari 2017 aan de bovenzijde voorzien van een lichtscherminstallatie waarmee ten minste 95% van de lichtuitstraling kan worden gereduceerd, indien deze lichtscherminstallatie is aangebracht voor 1 januari 2014.

  • 4. Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch of teelttechnisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat lid.

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

  • 6. Op een kas als bedoeld in het vijfde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing.

  • 7. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

JJJJ

Aan artikel 3.57 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

  • 4. Op een kas als bedoeld in het derde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing.

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

KKKK

Aan artikel 3.58 worden vijf leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Het eerste lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een kas waarin assimilatiebelichting wordt toegepast en waarbij het technisch of teelttechnisch redelijkerwijs niet kan worden gevergd de bovenzijde te voorzien van een lichtscherminstallatie als bedoeld in dat onderdeel.

  • 4. In afwijking van het eerste en tweede lid is, indien assimilatiebelichting met een verlichtingssterkte van minder dan 15.000 lux wordt toegepast, tot 1 januari 2017 gedurende de donkerteperiode die toepassing niet toegestaan, tenzij de bovenzijde op een zodanige wijze is afgeschermd dat de lichtuitstraling met ten minste 95% wordt gereduceerd.

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2021 niet van toepassing op een kas, kleiner dan 2.500 vierkante meter, waarin assimilatiebelichting wordt toegepast.

  • 6. Op een kas als bedoeld in het vijfde lid is tot 1 januari 2021 paragraaf 1.5 van de bijlage bij het Besluit landbouw milieubeheer zoals deze luidde tot 1 januari 2013 van toepassing.

  • 7. Het eerste en tweede lid zijn tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

LLLL

Aan artikel 3.59 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op een inrichting waar kunstmatige belichting van gewassen wordt toegepast, gericht op de beïnvloeding van het groeiproces van de gewassen, waarvan het geïnstalleerde elektrische vermogen op 1 januari 2013 minder bedraagt dan 20 Watt per vierkante meter.

MMMM

Aan artikel 3.63 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 8. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

NNNN

Aan artikel 3.64 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 3. Voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van drainagewater afkomstig van de teelt waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, waarvoor tot het van toepassing worden van het eerste lid op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het eerste lid.

  • 4. Voor het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van drainwater vanaf een perceel dat voor 1 november 1994 niet voor glastuinbouwactiviteiten werd gebruikt, waarvoor tot het van toepassing worden van het tweede lid op dat lozen, een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel een vergunning op grond van artikel 6.2 van de Waterwet in werking en onherroepelijk was, worden de voorschriften van die vergunning aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van die vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van het tweede lid.

OOOO

Na artikel 3.74 wordt aan paragraaf 3.5.1 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 3.74a

Indien op 1 april 2002 door middel van een systeem van onderbemaling werd gerecirculeerd, en:

  • a. recirculatie plaatsvindt door middel van een drainagestelsel met verzamelput en afvoer naar een centrale opvang waarin het drainwater wordt verwerkt;

  • b. een drainagekoker gelegen is op een diepte van ten hoogste 0,25 m boven de gemiddelde grondwaterstand en ten hoogste 1,25 m onder het maaiveld;

  • c. ten hoogste 10% van de totale hoeveelheid drainwater naar de bodem sijpelt;

  • d. door een door het bevoegd gezag geaccepteerde deskundige is beoordeeld of aan de in de onderdelen a tot en met c genoemde criteria wordt voldaan en een bewijs van de beoordeling, afgegeven door of namens degene die de beoordeling heeft uitgevoerd, binnen de inrichting wordt bewaard:

    wordt het lozen van drainwater in de bodem aangemerkt als het lozen van drainwater waarvoor een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid, is vastgesteld.

PPPP

Aan artikel 3.76 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. In afwijking van het derde lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

QQQQ

Aan artikel 3.83 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 11. Het derde tot en met vijfde lid zijn tot 1 januari 2017 niet van toepassing op veldspuitapparatuur die niet is voorzien van een drukregistratievoorziening als bedoeld in die leden.

RRRR

Artikel 3.90 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘vijfde lid’ vervangen door: zesde lid.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 7. In afwijking van artikel 6.3, eerste lid, wordt bij een inrichting die per hectare waarop het telen of kweken van gewassen in een kas plaatsvindt beschikt over een hemelwateropvangvoorziening van ten minste 500 kubieke meter, een ontheffing die is verleend voor het in de bodem lozen van afvalwater als gevolg van het voor de waterbehandeling bij de teelt van gewassen zuiveren van water door omgekeerde osmose en die in werking en onherroepelijk was tot 1 januari 2013, tot 1 juli 2022 aangemerkt als maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 2.2, derde lid.

SSSS

Aan artikel 3.91 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

TTTT

Aan artikel 3.102 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 12. In afwijking van het zevende lid, onderdeel a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk bij voortzetting van het lozen van afvalwater in het oppervlaktewaterlichaam dat voor 1 januari 2013 al plaatsvond, berekend vanaf de plaats waar het afvalwater vrijkomt.

UUUU

Artikel 3.104 komt te luiden.

Artikel 3.104

Artikel 3.105 is van toepassing op het sorteren van gewassen.

VVVV

Artikel 3.105 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid en tweede lid, onderdeel a, vervalt: en transporteren.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Het lozen van afvalwater in een vuilwaterriool is verboden, tenzij het gehalte aan onopgeloste stoffen in het te lozen afvalwater ten hoogste 300 milligram per liter bedraagt, en:

    • a. het afvalwater afkomstig is van het sorteren van uitsluitend biologisch geteelde gewassen, of

    • b. het is geleid door een zuiveringsvoorziening waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 6. Het vierde lid, onderdeel b, is tot 1 januari 2017 niet van toepassing op het sorteren van gewassen die uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van derden.

WWWW

Artikel 3.108 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid wordt ‘met inachtneming van de NeR’ vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing indien het composteren plaatsvindt binnen een van de afstanden, bedoeld in dat lid, het composteren reeds plaatsvond voor 1 januari 2013 en verplaatsing redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 5. Indien het vierde lid van toepassing is:

    • a. treft degene die de inrichting drijft maatregelen of voorzieningen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken, en

    • b. geeft degene die de inrichting drijft, op verzoek van het bevoegd gezag aan welke maatregelen of voorzieningen hij daartoe heeft getroffen of zal treffen.

XXXX

Artikel 3.111, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. De artikelen 3.112 tot en met 3.126 zijn niet van toepassing op inrichtingen waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

YYYY

Na artikel 3.114 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.114a

Totdat met betrekking tot een inrichting die een activiteit uitvoert als bedoeld in artikel 3.111 waarvan een tot de inrichting behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een zeer kwetsbaar gebied of in een zone van 250 meter rondom een zodanig gebied een wijziging waarop artikel 3.113 of artikel 3.114 van toepassing is, is gemeld, worden binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden en is de ammoniakemissie niet groter dan:

  • a. op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt tot het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, of

  • b. op grond van de betrokken algemene maatregel van bestuur mochten worden gehouden, onderscheidenlijk mocht worden veroorzaakt, tot het van toepassing worden van dit besluit op de inrichting en waarvan in geval van oprichting of wijziging van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer was gedaan.

ZZZZ

Na artikel 3.119 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.119a
  • 1. Totdat met betrekking tot een inrichting die een activiteit verricht als bedoeld in artikel 3.111 een wijziging waarop de artikelen 3.115 tot en met 3.119 van toepassing zijn, is gemeld, worden binnen de inrichting niet meer landbouwhuisdieren per diercategorie gehouden, is de geurbelasting niet groter en is de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner dan:

    • a. op grond van een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht mochten worden gehouden, mocht worden veroorzaakt onderscheidenlijk mocht bedragen tot het tijdstip waarop dit besluit op de inrichting van toepassing werd, of

    • b. op grond van de betrokken algemene maatregel van bestuur mochten worden gehouden, mocht worden veroorzaakt onderscheidenlijk mocht bedragen, tot het van toepassing worden van dit besluit op de inrichting en waarvan in geval van oprichting of wijziging van de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.41, eerste lid, van de Wet milieubeheer is gedaan.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de afstand tot een geurgevoelig object indien deze is afgenomen anders dan door wijziging van de inrichting.

AAAAA

Artikel 3.125 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 8. Het vierde lid is tot 1 januari 2016 niet van toepassing op een luchtwassysteem dat is geïnstalleerd voor 1 januari 2013 en niet is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem als bedoeld in dat lid.

  • 9. Van een luchtwassysteem als bedoeld in het achtste lid worden tot 1 januari 2016 ten minste eenmaal per week de volgende gegevens geregistreerd:

    • a. de zuurgraad van het waswater;

    • b. de meterstand van de urenteller van de waswaterpomp;

    • c. de meterstand van de watermeter van de spuiwaterproductie in kubieke meter.

  • 10. De gegevens, genoemd in het achtste lid, worden gedurende ten minste drie jaar in de inrichting bewaard.

BBBBB

Na artikel 3.125 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.125a
  • 1. Aan een luchtwassysteem als bedoeld in artikel 3.125, achtste lid, wordt uiterlijk 1 juli 2015 een meting naar de emissiereductie van ammoniak uitgevoerd.

  • 2. Een meting als bedoeld in het eerste lid vindt plaats onder representatieve bedrijfscondities in de zomerperiode tussen 10.00 en 14.00 uur, waarbij de meting wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 2.8.

  • 3. Een afschrift van de rapportage van de meting wordt in de inrichting bewaard tot ten minste het tijdstip waarop twee jaren zijn verstreken na de eerstvolgende meting.

  • 4. Indien uit de meting blijkt dat niet wordt voldaan aan de emissiereductie van ammoniak, genoemd in de systeembeschrijving, op grond waarvan krachtens artikel 1 van de Wet ammoniak en veehouderij een emissiefactor voor dat huisvestingssysteem is vastgesteld, worden maatregelen getroffen om daar alsnog aan te voldoen en wordt binnen een jaar na het uitvoeren van de meting een herhalingsmeting uitgevoerd.

CCCCC

Na artikel 3.129b wordt aan afdeling 3.5 een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 3.5.10. Kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen
Artikel 3.129c
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het vergisten van dierlijke mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter mest per jaar.

  • 2. Onverminderd het eerste lid is deze paragraaf eveneens van toepassing op het voor of na het vergisten, bedoeld in het eerste lid:

    • a. biologisch behandelen van dierlijke meststoffen;

    • b. opslaan van digestaat van het vergisten van dierlijke meststoffen, zolang dat nog biologisch actief is;

    • c. opslaan, bewerken en transporteren van vergistinggas met een capaciteit voor de opslag in opslagtanks van ten hoogste 20.000 liter.

Artikel 3.129d
  • 1. Een installatie voor het vergisten van dierlijke meststoffen en de opslag van digestaat dat nog biologisch actief is, is gasdicht en voorzien van een overdrukbeveiliging.

  • 2. Het is verboden digestaat dat nog biologisch actief is buiten de inrichting te brengen of buiten de vergistingstank te mengen met andere dierlijke meststoffen.

  • 3. Bij het vergisten van dierlijke meststoffen en de opslag van digestaat dat nog biologisch actief is, is emissie van vergistinggas verboden anders dan een emissie via de overdrukbeveiliging die plaatsvindt als gevolg van een incident of via een fakkel of andere maatregel als bedoeld in het vijfde lid.

  • 4. Een installatie voor het vergisten van dierlijke meststoffen, het opslaan van vergistinggas en het transporteren en bewerken van vergistinggas is voorzien van een elektronisch monitoringssysteem dat de goede werking van de installatie controleert en de inrichtinghouder waarschuwt bij incidenten die kunnen leiden tot onveilige situaties of de emissie van vergistinggas meldt. De inrichtinghouder draagt er zorg voor dat binnen een uur na de waarschuwing actie wordt ondernomen om incidenten die zijn gemeld door het systeem te verhelpen.

  • 5. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de inrichtinghouder onvoldoende maatregelen treft om uitstoot van vergistinggas bij incidenten te voorkomen, bij maatwerkvoorschrift voorschrijven dat een fakkel of andere maatregel wordt toegepast om vergistinggas bij incidenten te verbranden.

Artikel 3.129e
  • 1. Vergistinggas bevat, op de plaats waar het de installatie, bedoeld in artikel 3.129d, eerste lid, verlaat, ten hoogste 430 milligram waterstofsulfide per normaal kubieke meter.

  • 2. Onverminderd het eerste lid bevat vergistinggas dat de inrichting via een leiding verlaat ten hoogste 15 milligram ammoniak per normaal kubieke meter.

  • 3. Een installatie voor het vergisten van dierlijke meststoffen heeft ten minste één monsternamepunt voor vergistinggas.

  • 4. Het vergistinggas wordt bij ingebruikname van de installatie en vervolgens maandelijks bemonsterd en geanalyseerd op het gehalte waterstofsulfide en, indien het tweede lid van toepassing is, op het gehalte ammoniak.

  • 5. De resultaten van de analyses worden ten minste vijf jaar binnen de inrichting bewaard.

  • 6. Het bevoegd gezag kan op verzoek van de drijver van de inrichting bij maatwerkvoorschrift bepalen dat het vierde en vijfde lid niet van toepassing zijn, indien de drijver van de inrichting zorgt voor een continue registratie van het gehalte waterstofsulfide en, indien het tweede lid van toepassing is, het gehalte ammoniak. In dat geval kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de toegepaste meetmethode en de verwerking van de meetonnauwkeurigheid.

Artikel 3.129f
  • 1. Tussen een gaszak met vergistinggas en buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is de afstand ten minste 50 meter, gerekend vanaf het middelpunt van de gaszak.

  • 2. Tussen een opslagtank voor vloeibaar biogas en buiten de inrichting gelegen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is de afstand ten minste 50 meter, gerekend vanaf het aftappunt van de opslagtank.

  • 3. Binnen de afstanden, genoemd in het eerste en tweede lid, is overnachting en recreatief verblijf door derden niet toegestaan.

Artikel 3.129g
  • 1. Een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten ligt op een afstand van ten minste 100 meter van een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen.

  • 2. Een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten ligt op een afstand van ten minste 50 meter van een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen.

  • 3. Het bevoegd gezag kan, indien blijkt dat de geurhinder als gevolg van het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten een aanvaardbaar niveau overschrijdt, onverminderd artikel 2.7a, bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan:

    • a. de situering van de voorziening;

    • b. het gesloten uitvoeren van de voorziening;

    • c. de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, indien emissies worden afgezogen;

    • d. de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Artikel 3.129h

Bij het vergisten van dierlijke meststoffen en de activiteiten, bedoeld in artikel 3.129c, tweede lid, wordt ten behoeve van:

  • a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico;

  • b. het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan; of

  • c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht,

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

DDDDD

Aan artikel 3.131 worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Het vierde lid is niet van toepassing indien voor het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd een slibvangput en een vetafscheider zijn geplaatst die op de hoeveelheid afvalwater is afgestemd.

  • 7. Indien op een inrichting voor 1 januari 2008 een besluit als bedoeld in artikel 6.43 van toepassing was en vanuit die inrichting het afvalwater van het vervaardigen of bereiden van voedingsmiddelen werd geloosd zonder behandeling in een vetafscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN-1825-1 en 2 dan wel op de hoeveelheid afvalwater is afgestemd, geldt voor dat lozen een ontheffing die als maatwerkvoorschrift als bedoeld in het vijfde lid wordt aangemerkt.

  • 8. Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op een inrichting waarop van 1 januari 2008 tot 1 januari 2013 het Besluit landbouw milieubeheer, het Besluit mestbassins milieubeheer of het Besluit glastuinbouw van toepassing was.

EEEEE

Artikel 3.134 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘het derde tot en met het zesde lid’ vervangen door: het derde tot en met zevende lid.

2. In het vijfde lid wordt ‘vijfde lid’ vervangen door: vierde lid.

3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 6. Het derde lid is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop dat lid op die inrichting van toepassing werd.

  • 7. Het derde lid is eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing werden.

FFFFF

In de artikelen 3.137, eerste lid, aanhef, 3.138, eerste lid, 3.140, eerste en derde lid, 3.141, eerste en vierde lid, vervalt: voor menselijke consumptie.

GGGGG

Artikel 3.137, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van onderdeel e wordt ‘, of’ vervangen door een puntkomma.

2. Aan het slot van onderdeel f wordt de punt vervangen door:, of.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • g. de productie van voedingsmiddelen voor landbouwhuisdieren.

HHHHH

Artikel 3.139 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt: bestemd voor menselijke consumptie.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 8. Het zesde lid is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop dat lid op die inrichting van toepassing werd.

  • 9. Het zesde lid is eveneens niet van toepassing op een flocculatie-afscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing werden.

IIIII

Artikel 3.140 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘neemt het bevoegd gezag de NeR in acht en houdt het rekening’ vervangen door: is artikel 2.7a van overeenkomstige toepassing en houdt het bevoegd gezag rekening.

2. In het derde lid wordt ‘met inachtneming van de NeR’ vervangen door: onverminderd artikel 2.7a.

JJJJJ

Artikel 3.156, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In afwijking van artikel 2.12 is het bij een inrichting die voldoet aan de krachtens het eerste lid gestelde eisen toegestaan afvalstoffen, zijnde grove huishoudelijke afvalstoffen, te mengen met andere categorieën van afvalstoffen.

KKKKK

Na artikel 3.156 worden aan afdeling 3.8 drie paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 3.8.3. Buitenschietbanen
Artikel 3.157

Deze paragraaf is van toepassing op het schieten op:

  • a. een buitenschietbaan die wordt gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht waar minder dan 3 miljoen schoten per jaar worden afgevuurd;

  • b. een buitenschietbaan, niet zijnde een buitenschietbaan als bedoeld onder a, met beperkte onveilige zone;

  • c. een kleiduivenbaan.

Artikel 3.158

In afwijking van artikel 2.9, eerste lid, worden bij het schieten op een buitenschietbaan ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van bodemverontreiniging de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen getroffen.

Artikel 3.159

De artikelen 2.17 tot en met 2.22 zijn niet van toepassing op een buitenschietbaan.

Artikel 3.160
  • 1. Een buitenschietbaan voldoet ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 50 dB Bs,dan op de gevel van gevoelige gebouwen en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in verband met nationale of operationele belangen bij maatwerkvoorschrift normen met een andere waarde vaststellen van ten hoogste 55 dB Bs,dan.

  • 3. De geluidvoorschriften in een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor een inrichting waarvan een buitenschietbaan deel uitmaakt, die in werking en onherroepelijk was tot het tijdstip van het in werking treden van het eerste lid, blijven van toepassing gedurende ten hoogste vijf jaar na dat tijdstip dan wel tot het tijdstip waarop het gebruik, het wapentype of de constructie van de buitenschietbaan wordt gewijzigd dan wel tot het tijdstip waarop een maatwerkvoorschrift als bedoeld in het tweede lid, wordt opgelegd.

Artikel 3.161
  • 1. De berekening van de geluidbelasting wordt uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. De drijver van de inrichting registreert de bij ministeriële regeling te bepalen gegevens welke gedurende vijf kalenderjaren na dagtekening worden bewaard en ter inzage gehouden.

Artikel 3.162

Bij het schieten op een buitenschietbaan wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, voldaan aan de bij ministeriele regeling gestelde eisen.

§ 3.8.4 Coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten
Artikel 3.163

Deze paragraaf is van toepassing op het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten, anders dan hout.

Artikel 3.164

Het is verboden om in de buitenlucht planten of onderdelen van planten met behulp van een nevelspuit te coaten of lijmen.

Artikel 3.165

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 3.166

Degene die de inrichting drijft, treft bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten de emissiereducerende maatregelen met betrekking tot vluchtige organische stoffen die zijn gesteld bij ministeriële regeling tenzij deze niet kosteneffectief of technisch uitvoerbaar zijn.

Artikel 3.167

Bij het coaten of lijmen van planten of onderdelen van planten worden ten behoeve van:

  • a. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van diffuse emissies;

  • b. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder;

  • c. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht;

  • d. het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder, en

  • e. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

de bij ministeriële regeling voorgeschreven maatregelen getroffen.

§ 3.8.5 Fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren
Artikel 3.168
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren.

Artikel 3.169

Bij het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren wordt ten behoeve van:

  • a. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico, en

  • b. het voorkomen of voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van de geurhinder,

ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

LLLLL

In artikel 4a, aanhef, wordt na ‘gevaarlijke stoffen’ ingevoegd:, CMR-stoffen.

MMMMM

Artikel 4.1a wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op inrichtingen die in gebruik zijn bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

NNNNN

Artikel 4.5b wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een opslagtank die is geïnstalleerd voor 1 januari 2013.

OOOOO

Artikel 4.24 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt:, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vijfde lid vervallen.

3. Het vierde en zesde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid (nieuw).

4. In het derde lid (nieuw) vervalt: en derde.

5. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘vijfde lid’ vervangen door: derde lid.

PPPPP

Artikel 4.30 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt:, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vijfde lid vervallen.

3. Het vierde en zesde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid (nieuw).

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘Het eerste en derde lid zijn’ vervangen door: Het eerste lid is.

5. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘vijfde lid’ vervangen door: derde lid.

QQQQQ

Artikel 4.55 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt:, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vijfde lid vervallen.

3. Het vierde en zesde lid worden vernummerd tot derde en vierde lid (nieuw).

4. In het derde lid (nieuw) vervalt: en derde.

5. In het vierde lid (nieuw) wordt ‘vijfde lid’ vervangen door: derde lid.

RRRRR

Artikel 4.71, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

SSSSS

Na artikel 4.74 wordt aan paragraaf 4.5.12 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 4.74.0

In afwijking van artikel 6.2, vierde lid, kan het bevoegd gezag het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een of meer processen als bedoeld in de paragrafen 4.5.7, 4.5.8, 4.5.10 en 4.5.11 bij maatwerkvoorschrift voor een daarbij aangegeven termijn bepalen dat het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 van artikel 4.73 is toegestaan, indien:

  • a. het lozen van afvalwater met een hogere waarde dan de waarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 was toegestaan op grond van een vergunning op grond van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren dan wel artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die tot het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting in werking en onherroepelijk was;

  • b. degene die de inrichting drijft aantoont dat bij het lozen niet aan de emissiegrenswaarden genoemd in kolom B van tabel 4.73 kan worden voldaan, en

  • c. het verzoek tot het stellen van het maatwerkvoorschrift binnen zes maanden na het van toepassing worden van artikel 4.74 op de inrichting bij het bevoegd gezag is gedaan.

TTTTT

Na artikel 4.74.0 (nieuw) wordt aan afdeling 4.5 een paragraaf toegevoegd, luidende:

§ 4.5.13 Smelten en gieten van metalen
Artikel 4.74.1

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a. het smelten en gieten van metalen met uitzondering van goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen tot ten hoogste 500 kilo per jaar;

  • b. het maken en coaten van vormen en kernen in kleigebonden of chemisch gebonden zand ten behoeve van het gieten van metalen;

  • c. het maken van croning- en coldbox-kernen ten behoeve van het gieten van metalen;

  • d. het uitbreken en ontzanden van gietstukken;

  • e. de koude regeneratie van zand ten behoeve van het gieten van metalen;

  • f. het maken van de vorm met behulp van was, inclusief het verwijderen van de was, waaronder keramische vormen.

Artikel 4.74.2
  • 1. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies van dioxines en polycyclische aromatische koolwaterstoffen naar lucht worden bij het smelten van metalen alleen metalen gesmolten die voldoen aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het smelten van metalen de emissieconcentratie van lood naar de lucht ten hoogste 0,5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van lood naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 2,5 gram per uur.

Artikel 4.74.3

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het maken en coaten van verloren gietvormen en kernen uit kleigebonden of chemische gebonden zand de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur;

Artikel 4.74.4

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het maken van croning- en coldbox-kernen de emissieconcentratie van:

  • a. totaal stof ten hoogste 20 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur, en

  • b. aminen ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter.

Artikel 4.74.5
  • 1. Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij uitbreken van gietstukken de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het gietstuk inclusief zandvorm vanwege het gewicht en de omvang niet verplaatsbaar is.

  • 3. Bij het uitbreken en ontzanden van het gietstuk, bedoeld in het tweede lid, wordt ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van emissies van totaal stof naar de lucht voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 4.74.6

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het koud regenereren van zand, de emissieconcentratie van totaal stof ten hoogste 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van totaal stof naar de lucht gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur en ten hoogste 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom kleiner is dan 200 gram per uur.

Artikel 4.74.7

Bij de activiteiten, bedoeld in artikel 4.74.1, wordt ten behoeve van:

  • a. het doelmatig verspreiden van emissies naar de buitenlucht, en

  • b. het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico,

voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

UUUUU

Na artikel 4.74p wordt aan paragraaf 4.5a.5 een artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 4.74p1

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, worden voor inrichtingen als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van bijlage I, bij het Besluit omgevingsrecht waarvoor tot de inwerkingtreding van deze paragraaf, een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, de voorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, voor onbepaalde tijd aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de voorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften op grond van artikel 2.20.

VVVVV

Artikel 4.75, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. In afwijking van het derde lid bedraagt het gehalte aan olie ten hoogste 200 milligram per liter in enig steekmonster, indien het afvalwater voorafgaand aan vermenging met ander afvalwater wordt geleid door een slibvangput en olieafscheider die:

    • a. voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 858-1 en 2, of

    • b. zijn geplaatst voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting en op de hoeveelheid afvalwater zijn afgestemd.

WWWWW

Artikel 4.77 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede en derde lid wordt ‘installatie’ vervangen door: bijbehorende opslagtank.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bunkerstations en op de wal geplaatste vaste afleverinstallaties die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  • 6. In het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de locatie van een bunkerstation of een op de wal geplaatste vaste afleverinstallatie als bedoeld in het vijfde lid.

XXXXX

Artikel 4.80a wordt als volgt gewijzigd.

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er worden drie leden toegevoegd, luidende:

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op inpandige afleverinstallaties voor lichte olie die zijn geïnstalleerd voor 1 januari 2011.

  • 3. In de gevallen, bedoeld in het tweede lid, waarin het inpandig afleveren van lichte olie is toegestaan, vindt het inpandig afleveren in het belang van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste plaats via een EU-systeem voor dampretour fase-II.

  • 4. Op het inpandig afleveren van lichte olie, bedoeld in het derde lid, zijn artikel 3.20, derde tot en met achtste lid, alsmede de krachtens die leden en krachtens artikel 4.83 gestelde regels van toepassing.

YYYYY

Aan artikel 4.82 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Het tweede lid is niet van toepassing indien voor het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in de inrichting een slibvangput of een olieafscheider is geplaatst die op de hoeveelheid afvalwater is afgestemd.

ZZZZZ

Artikel 4.94a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt:, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

2. Het derde tot en met vijfde lid vervallen.

3. het zesde lid wordt vernummerd tot derde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘eerste tot en met vijfde lid’ vervangen door: eerste en tweede lid.

AAAAAA

Het opschrift van paragraaf 4.7a komt te luiden:

4.7a Activiteiten met betrekking tot papier, karton, textiel, leer of bont

BBBBBB

Artikel 4.94e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt:, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

2. Het derde en vierde lid vervallen.

3. het vijfde lid wordt vernummerd tot derde lid.

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘eerste tot en met vierde lid’ vervangen door: eerste en tweede lid.

CCCCCC

De artikelen 4.96 tot en met 4.100 vervallen.

DDDDDD

Het opschrift van paragraaf 4.7a.5 komt te luiden:

§ 4.7a.5. Lijmen, coaten of veredelen van textiel, leer of bont

EEEEEE

In artikel 4.103ca wordt ‘coaten van textiel’ vervangen door: coaten of veredelen van textiel, leer of bont.

FFFFFF

In artikel 4.103d, aanhef, wordt na ‘lijmlagen’ ingevoegd: en het veredelen.

GGGGGG

Na artikel 4.103d wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.103da
  • 1. Bij het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater afkomstig van het veredelen van textiel wordt ten minste voldaan aan het tweede en derde lid.

  • 2. Het te lozen afvalwater bevat geen stoffen die op grond van het BBT-informatiedocument over het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water, aangewezen krachtens artikel 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (‘Beoordeling van stoffen en preparaten’ van de Commissie Integraal Waterbeheer CIW (4 2000-05)), worden aangemerkt als stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt.

  • 3. Het te lozen afvalwater kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

HHHHHH

Artikel 4.103e wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘coaten van textiel’ vervangen door: coaten of veredelen van textiel, leer of bont.

2. In het tweede lid vervalt:, zoals dat blijkt uit de oplosmiddelenboekhouding, bedoeld in het derde lid.

3. Het derde en vierde lid vervallen.

4. In het derde lid (nieuw) wordt ‘eerste tot en met vierde lid’ vervangen door: eerste en tweede lid.

IIIIII

Artikel 4.103f wordt als volgt gewijzigd.

1. In de aanhef wordt ‘coaten van textiel’ vervangen door: coaten of veredelen van textiel, leer of bont.

2. Aan het slot van onderdeel c wordt toegevoegd: of.

3. Na onderdeel c wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. het beperken van het lozen van hulpstoffen,.

JJJJJJ

Aan artikel 4.104a worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 4. Het tweede lid is niet van toepassing op een slibvangput en een vetafscheider die zijn geplaatst binnen een inrichting voorafgaand aan het tijdstip waarop die leden op die inrichting van toepassing werden.

  • 5. Het tweede lid is eveneens niet van toepassing op een flocculatieafscheider die binnen een inrichting is geplaatst voorafgaand aan het tijdstip waarop dat artikel op de inrichting van toepassing werd.

KKKKKK

Artikel 4.104c wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid wordt ‘gericht op het verwijderen van gewasbeschermingsmiddelen die voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen’ vervangen door: waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

2. In het derde lid, onderdeel b, wordt ‘als bedoeld in het tweede lid’ vervangen door: waarmee ten minste 95% van de gewasbeschermingsmiddelen wordt verwijderd.

LLLLLL

Het opschrift van paragraaf 4.8.6 komt te luiden:

§ 4.8.6. In werking hebben van een acculader

MMMMMM

Na artikel 4.118 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 4.118a

Onverminderd de artikelen 2.5, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.6 is bij het in werking hebben van een crematieoven voor dieren de emissieconcentratie van stofklasse S ten hoogste:

  • a. 5 milligram per normaal kubieke meter, indien de massastroom van stofklasse S gelijk is aan of groter is dan 200 gram per uur, en

  • b. 50 milligram per normaal kubieke meter indien de massastroom van stofklasse S kleiner is dan 200 gram per uur.

NNNNNN

In artikel 4.119 wordt na ‘crematieoven’ ingevoegd: niet zijnde een crematieoven voor dieren.

OOOOOO

Aan artikel 4.124 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Het derde lid is niet van toepassing op inrichtingen waarbinnen, in overeenstemming met de vergunningvoorschriften zoals die luidden tot 1 januari 2010, geen voorzieningen zijn geplaatst voor het afzonderlijk bemonsteren van het te lozen afvalwater als bedoeld in het eerste lid.

PPPPPP

Artikel 4.125, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De zinsnede ‘met inachtneming van de NeR’ vervalt.

2. Aan het slot wordt een volzin toegevoegd, luidende:

Artikel 2.4 is van overeenkomstige toepassing.

QQQQQQ

Na het opschrift van hoofdstuk 5 wordt ’§ 5.0. Reikwijdte hoofdstuk 5’ vervangen door: Afdeling 5.1. Industriële emissies

RRRRRR

Artikel 5 komt te luiden:

Artikel 5
  • 1. De paragrafen 5.1.1 tot en met 5.1.3 zijn van toepassing op degene die een inrichting type C drijft, waartoe een installatie behoort als bedoeld in hoofdstuk III, IV of VI, of bijlage I van de EU-richtlijn industriële emissies.

  • 2. De paragrafen 5.1.4 tot en met 5.1.7 zijn van toepassing op degene die een inrichting type B of C drijft, waartoe een installatie behoort als bedoeld in de paragrafen 5.1.4 tot en met 5.1.7.

SSSSSS

Het opschrift van paragraaf 5.1 komt te luiden:

§ 5.1.1. Grote stookinstallatie

TTTTTT

Artikel 5.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. In afwijking van het eerste lid stelt het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift voor een grote stookinstallatie een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide van ten hoogste 500 mg/ Nm3 vast, indien:

    • a. voor de stookinstallatie voor 27 november 2002 een vergunning was verleend of een volledige aanvraag tot vergunningverlening was ingediend,

    • b. de stookinstallatie uiterlijk 27 november 2003, overeenkomstig de toen geldende regelgeving, in bedrijf was, en

    • c. de stookinstallatie gestookt wordt met gassen met lage calorische waarde, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen.

UUUUUU

De aanhef van artikel 5.9, derde lid, komt te luiden:

In afwijking van het eerste lid stelt het bevoegd gezag bij vergunningvoorschrift voor een bestaande grote stookinstallatie een emissiegrenswaarde voor zwaveldioxide vast van gemiddeld ten hoogste 500 mg/Nm indien:.

VVVVVV

Het opschrift van paragraaf 5.2 komt te luiden:

§ 5.1.2. Afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie

WWWWWW

In artikel 5.23, eerste lid, vervalt in de begripsomschrijving van Cproces:of 6.9.

XXXXXX

Het opschrift van paragraaf 5.3 komt te luiden:

§ 5.1.3. Installatie voor de productie van titaandioxide

YYYYYY

Na artikel 5.39 worden aan afdeling 5.1 vier paragrafen toegevoegd, luidende:

§ 5.1.4. Installatie, als onderdeel van olieraffinaderijen, voor de productie van zwavel
Artikel 5.40

Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en in afwijking van de BBT-conclusies op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies, van toepassing op het in werking hebben van een installatie, als onderdeel van olieraffinaderijen, voor de productie van zwavel volgens het Clausproces of modificaties van het Clausproces.

Artikel 5.41
  • 1. De omzettingsgraad van geconcentreerd waterstofsulfide (H2S) naar elementaire zwavel van een installatie als bedoeld in artikel 5.40 is ten minste 99,8% als maandgemiddelde.

  • 2. Een installatie als bedoeld in artikel 5.40 wordt zoveel mogelijk bedreven overeenkomstig het ontwerp.

Artikel 5.42
  • 1. In afwijking van artikel 5.41, eerste lid, geldt voor een bestaande installatie waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze paragraaf een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was waarin een lagere omzettingsgraad is vastgelegd dan genoemd in artikel 5.41, eerste lid, de in die vergunning voorgeschreven omzettingsgraad.

  • 2. Indien de verwerkingscapaciteit van de totale inrichting met meer dan 50% wordt verhoogd, geldt voor de verwerking van het totale H2S -aanbod, met inbegrip van een bestaande installatie als bedoeld in het eerste lid, een omzettingsgraad van ten minste 99,8% als maandgemiddelde.

§ 5.1.5. Stookinstallatie voor de regeneratie van glycol
Artikel 5.43
  • 1. Deze paragraaf is, in afwijking van paragraaf 3.2.1 en onverminderd artikel 3.10i, van toepassing op het in werking hebben van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol.

  • 2. Een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol kan gelegen zijn binnen de Nederlandse exclusieve economische zone.

Artikel 5.44
  • 1. Bij de regeneratie van glycol is de emissiegrenswaarde van stikstofoxiden naar de lucht ten hoogste 80 mg/Nm3.

  • 2. Indien de samenstelling van het gewonnen gas en de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in het eerste lid vaststellen. De emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden naar de lucht is in dat geval ten hoogste 150 mg/Nm3.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid kan het bevoegd gezag, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, bij maatwerkvoorschrift een hogere emissiegrenswaarde voor stikstofoxiden dan genoemd in het eerste en tweede lid vaststellen voor een installatie die als brandstof grotendeels organische dampen gebruikt en waarbij de technische kenmerken van de betrokken installatie daartoe aanleiding geven. De emissiegrenswaarde is in dat geval ten hoogste 250 mg/Nm3

  • 4. Ten aanzien van de technische kenmerken, bedoeld in het tweede en derde lid, wordt onder meer rekening gehouden met de kosteneffectiviteit, bedoeld in artikel 2.7, derde tot en met zevende lid, en met de integrale afweging van de mogelijkheden voor emissiebeperking.

  • 5. De emissiegrenswaarden genoemd in het eerste tot en met derde lid zijn tot 1 januari 2019 niet van toepassing op het rookgas van een stookinstallatie voor de regeneratie van glycol die voor 1 januari 2016 (datum inwerkingtreding vierde tranche) in gebruik is genomen.

  • 6. Voor installaties als bedoeld in het vijfde lid blijven, in afwijking van artikel 6.1, tot 1 januari 2019 de emissiegrenswaarden van de vergunning van toepassing.

§ 5.1.6. Installatie voor de productie van asfalt
Artikel 5.45

Deze paragraaf is, in afwijking van artikel 2.3a, tweede lid, en voor zover er in deze paragraaf emissie-eisen worden gesteld aan stoffen in afwijking van die paragraaf 3.2.1, van toepassing op het in werking hebben van een installatie voor de productie van asfalt.

Artikel 5.46
  • 1. Bij de productie van asfalt is de emissiegrenswaarde van:

    • a. polycyclische aromatische koolwaterstoffen ten hoogste 0,05 mg/Nm3 indien de massastroom van polycyclische aromatische koolwaterstoffen naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur;

    • b. totaal stof ten hoogste 5 mg/Nm3, indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, groter of gelijk is aan 200 gram per uur en ten hoogste 20 mg/Nm3 indien de massastroom van een stof of de som van de onder normale procesomstandigheden gedurende één uur optredende massastromen van stoffen binnen deze stofklasse vanuit al die bronnen, kleiner is dan 200 gram per uur;

    • c. stikstofoxiden ten hoogste 50 mg/Nm3 indien de massastroom van stikstofoxiden naar de lucht groter is dan 2000 gram per uur;

    • d. zwaveloxiden ten hoogste 50 mg/Nm3 indien de massastroom van zwaveloxiden naar de lucht groter is dan 2000 gram per uur;

    • e. vluchtige organische stoffen ten hoogste 200 mg/Nm3 indien de massastroom van vluchtige organische stoffen naar de lucht groter is dan 500 gram per uur.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder bij geurgevoelige objecten, wordt bij de productie van asfalt voldaan aan artikel 2.7a.

  • 3. In afwijking van artikel 2.8, zevende lid, onder d, worden emissies van een installatie voor de productie van asfalt herleid op afgas met een volumegehalte aan zuurstof van 17%.

Artikel 5.47

Bij het in werking hebben van een installatie voor de productie van asfalt wordt, ten behoeve van de bescherming van het milieu, voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 5.48
  • 1. Artikel 5.46, eerste lid, onderdelen c en d, is niet van toepassing op een installatie voor de productie van asfalt die voor 1 januari 2009 in gebruik genomen is.

  • 2. In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, is bij de productie van asfalt, onverminderd de artikelen 2.5 en 2.6, de emissiegrenswaarde van:

    • a. stikstofoxiden ten hoogste 75 mg/Nm3 indien de massastroom van stikstofoxiden naar de lucht groter is dan 2000 gram per uur;

    • b. zwaveloxiden ten hoogste 75 mg/Nm3 indien de massastroom van zwaveloxiden naar de lucht groter is dan 2000 gram per uur.

§ 5.1.7. Installatie voor de op- en overslag van vloeistoffen
Artikel 5.49
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op de diffuse emissies van vluchtige organische stoffen bij het in werking hebben van een installatie voor het op- en overslaan van vloeistoffen met een capaciteit van meer dan 150 kubieke meter.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op installaties voor het op- en overslaan van vloeistoffen binnen raffinaderijen indien en voor zover in de BBT-conclusies, bedoeld in artikel 3 van de EU-richtlijn industriële emissies eisen zijn gesteld.

  • 3. Deze paragraaf is niet van toepassing op installaties waarop afdeling 5.2 van toepassing is.

Artikel 5.50
  • 1. In afwijking van artikel 2.5 zijn de emissiegrenswaarden behorende bij stofklasse gO niet van toepassing op diffuse emissies van vluchtige organische stoffen bij de op- en overslag van vloeistoffen.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van diffuse emissies van vluchtige organische stoffen wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op vloeistoffen met een dampspanning van ten hoogste 1 kPa.

ZZZZZZ

Na artikel 5.50 worden in hoofdstuk 5 twee afdelingen toegevoegd, luidende:

Afdeling 5.2. Op- en overslag van benzine
Artikel 5.51
  • 1. Het begrip ‘vloeibare brandstof’ is niet van toepassing op installaties waarop deze afdeling van toepassing is.

  • 2. Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

    benzine:

    benzine als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, van richtlijn 94/63;

    benzinedebiet:

    de in de drie voorgaande jaren gemeten grootste totale jaarlijkse hoeveelheid benzine die van een opslaginstallatie van een terminal is overgeslagen in een mobiele tank;

    damp:

    damp als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van richtlijn 94/63;

    mobiele tank:

    mobiele tank als bedoeld in artikel 2, onderdeel f, van richtlijn 94/63;

    richtlijn 94/63:

    richtlijn 94/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende de beheersing van de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS) als gevolg van de opslag van benzine en de distributie van benzine vanaf terminals naar benzinestations (PbEG 1994, L 365);

    terminal:

    inrichting of een gedeelte van een inrichting voor de opslag of overslag van benzine in mobiele tanks;

§ 5.2.1. Opslaginstallaties
Artikel 5.52

Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een opslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van richtlijn 94/63.

Artikel 5.53

Degene die een terminal met opslaginstallatie drijft, voldoet ten behoeve van het verminderen van de emissie van benzinedamp naar de lucht aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

§ 5.2.2. Overslaginstallaties
Artikel 5.54
  • 1. Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een terminal met een overslaginstallatie als bedoeld in artikel 2, onderdeel n, van richtlijn 94/63.

  • 2. Deze paragraaf is niet van toepassing op terminals met een benzinedebiet van minder dan 10.000 ton per jaar die voor 31 december 1995 in werking waren of waarvoor voor 31 december 1995 een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.

Artikel 5.55
  • 1. Tijdens het vullen van een mobiele tank worden verplaatsingsdampen via een dampdichte leiding teruggevoerd naar een dampterugwinningseenheid.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op het vullen van een tankwagen langs de bovenzijde.

  • 3. Indien het vullen langs de bovenzijde van een mobiele tank plaatsvindt, wordt het uiteinde van de vularm zoveel mogelijk onderin de mobiele tank gehouden.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kan een dampterugwinningseenheid worden vervangen door een dampverbrandingseenheid, indien dampterugwinning onveilig of technisch onmogelijk is vanwege de hoeveelheden retourdamp.

  • 5. Op een terminal met een benzinedebiet van minder dan 25.000 ton per jaar kan onmiddellijke dampterugwinning op de terminal worden vervangen door voorlopige dampopslag in een tank met een vast dak op een terminal voor latere overbrenging naar en terugwinning op een andere terminal, daaronder niet begrepen de overbrenging van damp van de ene naar de andere opslaginstallatie op een terminal.

Artikel 5.56
  • 1. De gemiddelde concentratie dampen in de afvoer van een dampterugwinningseenheid, gecorrigeerd voor de verdunning tijdens de behandeling, bedraagt ten hoogste 35 g/Nm3gedurende één uur.

  • 2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op een dampverbrandingseenheid als bedoeld in artikel 5.55, vierde lid.

Artikel 5.57
  • 1. Bij het meten van de gemiddelde concentratie dampen wordt voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 2. De nauwkeurigheid van de meting bedraagt ten minste 95 procent van de gemeten waarde.

Artikel 5.58

Het normale laaddebiet van benzine per vularm op een laadportaal bedraagt ten hoogste 2.500 liter per minuut.

Artikel 5.59

Bij piekbelasting van een terminal brengt het dampopvangsysteem van het laadportaal, met inbegrip van de dampterugwinningseenheid, een maximale tegendruk van 55 millibar aan de voertuigzijde van de dampopvangadapter teweeg.

Artikel 5.60
  • 1. Het vullen van een tankwagen langs de onderzijde is uitsluitend toegestaan indien het vultoelatingssignaal is gegeven door de gecombineerde aardings- en overloopbedieningseenheid.

  • 2. Bij het vullen van een tankwagen langs de onderzijde is de dampopvangslang met de tankwagen verbonden en stroomt de verplaatste damp vrij van de tankwagen naar de dampopvangvoorziening van de terminal.

  • 3. In geval van overloop of onderbreking van de aarding van een tankwagen sluit de bedieningseenheid van het laadportaal de vulcontroleklep aan het laadportaal.

Artikel 5.61
  • 1. Dampen die worden opgeslagen in een tank met vast dak voor voorlopige dampopslag worden via een dampdichte leiding teruggevoerd naar de mobiele tank van waaruit de benzine wordt geleverd.

  • 2. Vulwerkzaamheden vinden alleen plaats indien de voorzieningen, bedoeld in deze paragraaf, aanwezig zijn en adequaat werken.

Artikel 5.62

Een terminal met een overslaginstallatie voor het vullen van tankwagens is uitgerust met ten minste één laadportaal dat ten behoeve van het verminderen van de emissie van benzinedamp naar de lucht voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Artikel 5.63

Degene die een terminal met overslaginstallatie drijft, voldoet ten behoeve van het verminderen van de emissie van benzinedamp naar de lucht aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

Afdeling 5.3 Overige installaties
§ 5.3.1. LPG-tankstations
Artikel 5.64

Deze paragraaf is van toepassing op LPG-tankstations waar:

  • a. de doorzet van LPG meer bedraagt dan 50 m3 per jaar, en

  • b. de opslagcapaciteit voor LPG niet meer bedraagt dan 50 ton.

Artikel 5.65

Met betrekking tot een LPG-afleverinstallatie, de aflevering van LPG aan een afnemer bij een LPG-tankstation en de opstelplaats van de LPG-tankwagen, wordt ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan, ten minste voldaan aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

AAAAAAA

De paragrafen 6.3 tot en met 6.11a, 6.13, 6.13c tot en met 6.13m, 6.14a, 6.22 tot en met 6.23, 6.23c en 6.24 vervallen.

BBBBBBB

De opschriften van de paragrafen 6.15, 6.18 tot en met 6.21, en 6.28 vervallen.

CCCCCCC

De artikelen 2.17a, vierde lid, 3.23b, derde tot en met vijfde lid, en 3.30a, de aanduiding ‘1.’ en tweede lid, vervallen met ingang van 1 januari 2016.

DDDDDDD

De artikelen 3.83, elfde lid en 3.105, zesde lid, vervallen met ingang van 1 januari 2017.

EEEEEEE

Artikel 3.59, de aanduiding ‘1.’ en tweede lid, vervalt met ingang van 1 januari 2018.

FFFFFFF

De artikelen 3.10q en 5.44, vijfde en zesde lid, vervallen met ingang van 1 januari 2019.

GGGGGGG

In artikel 6.43 worden in de alfabetische rangschikking de volgende besluiten ingevoegd:

Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer

Besluit LPG-tankstations milieubeheer.

HHHHHHH

Er worden twee bijlagen toegevoegd, luidende:

Bijlage 2
Standaard berekeningswijze van de kosteneffectiviteit behorend bij artikel 2.7

De methodiek op basis waarvan de kosteneffectiviteit wordt berekend, wordt weergegeven in het schema in figuur 1. Hieronder wordt verder ingegaan op een viertal aspecten in dit schema.

Rentevoet en afschrijving

Het resultaat van een kostenberekening is sterk afhankelijk van de gehanteerde rentevoet. In deze methodiek is gekozen voor een vaste rentevoet. De vaste rentevoet is gesteld op 10%. Deze 10% is een compromis tussen de nominale kapitaalmarktrente en de interne rentevoet die door bedrijven wordt gehanteerd (‘return on investment’).

Afschrijvingsmethodiek

In de methodiek worden investeringen op annuïtaire wijze afgeschreven. In principe kan op twee manieren worden afgeschreven: op lineaire of op annuïtaire wijze. In werkelijkheid worden investeringen vaak op lineaire wijze afgeschreven. De annuïtaire afschrijvingsmethode heeft echter als voordeel dat constante jaarkosten worden verkregen zodat de methodiek eenvoudiger te hanteren is.

Afschrijvingstermijn

In de methodiek worden de volgende afschrijvingstermijnen gehanteerd:

  • 10 jaar voor het elektromechanische deel van de milieu-investering;

  • 25 jaar voor het bouwkundig deel van de milieu-investering.

Onder het elektromechanische deel wordt alle apparatuur verstaan, compleet met instrumentatie en dergelijke. Onder het bouwkundige deel worden vaak de hallen, loodsen, funderingen, leidingbruggen en dergelijke verstaan. De reden dat deze bouwkundige investeringen over een langere termijn worden afgeschreven is dat de levensduur veelal langer is dan 10 jaar en dat deze voorzieningen ook bruikbaar blijven als de huidige apparatuur wordt vervangen. Echter, in praktijk zijn (delen van) de bouwkundige investeringen toch installatiespecifiek en moeten worden verwijderd als de apparatuur is afgeschreven, wordt ontmanteld en niet meer wordt vervangen. Indien dit wordt voorzien, dan moeten deze installatiespecifieke bouwkundige voorzieningen worden gerekend tot het elektromechanische gedeelte en dus worden afgeschreven over 10 jaar.

Berekening annuïteit

De annuïteit is de factor die uitdrukt wat de jaarlijkse kosten zijn van een eenmalige investering. De annuïteit wordt berekend uit rente plus afschrijving volgens:

Waarin i de rentevoet is (dimensieloos) en n de afschrijvingstermijn (in jaar). Voor een rentevoet van 10 procent (i = 0,1) is de annuïteit bij een afschrijvingstermijn van 10 jaar gelijk aan 0,163 en bij een afschrijvingstermijn van 25 jaar gelijk aan 0,110.

De afschrijvingstermijn vangt aan op het moment dat de installatie in bedrijf wordt genomen. Kapitaalskosten die worden gemaakt voor dit tijdstip vallen onder het begrip ‘bouwrente’ en maken onderdeel uit van de eenmalige investeringen.

Figuur 1. Methodiek kosteneffectiviteit

a Kosten

   

Aanschaffingsprijs

Bijkomende investeringen

Eenmalige investeringen

Kapitaalvernietiging door desinvesteringen

------------------------------------------------ +

Totale investeringen

€......

€......

€......

€......

------- +

€ invest

 

Totale investeringen * annuïteit =>

€ invest*0.163=>

Kapitaalskosten

Bouwkundige investeringen

€ bouwk

 

Bouwkundige investeringen* annuïteit bouwk =>

€ bouwk*0.110=>

Bouwkundige kapitaalkosten

Onderhoud

Bediening

Overige vaste operationele kosten

------------------------------------------------ +

Totale vaste operationele kosten =>

€......

€......

€......

------- +

€......=>

Vaste operationele kosten

Voorzieningen (gas, elektriciteit, water, stoom etc.)

Reststoffenverwerking/lozingsheffingen

Overige variabele operationele kosten +

------------------------------------------------

Totale variabele operationele kosten =>

€......

€......

€......

------- +

€......=>

Variabele operationele kosten

 

--------------------- +

= Totale bruto jaarlijkse kosten

Opbrengsten en besparingen =>

€...... =>

Opbrengsten en besparingen

   

----------------------

= Totale netto jaarlijkse kosten

b Effecten

   

Jaarlijkse ongereinigde vracht =>

...... =>

Jaarlijkse ongereinigde vracht

Jaarlijkse restemissie

Jaarlijkse emissies tijdens storingen

Jaarlijkse emissies tijdens onderhoud

------------------------------------------------- +

Totale jaarlijkse restemissie =>

......

......

......

------ +

...... =>

Totale jaarlijkse restemissie

   

--------------------- -

= Totale jaarlijkse emissiereductie

c Kosteneffectiviteit

   

Kosteneffectiviteit =

Totale netto jaarlijkse kosten

-----------------

Totale jaarlijkse emissiereductie

 

Standaard waarden1:

Som bijkomende en eenmalige investeringen1:

30–250% van aanschaffingsprijs

Eenmalige investeringen1:

25% van aanschaffingsprijs

Vaste operationele kosten1:

3–5% van de aanschaffingsprijs en bijkomende investeringen

Voorzieningen-prijzen:

Uit DACE-prijzenboekje (24)

Tijdsduur storingen en onderhoud:

2% van de bedrijfstijd

   
X Noot
1

Het verdient de voorkeur om bijkomende en eenmalige investeringskosten en vaste operationele kosten uit het verkennend ontwerp af te leiden. Alleen indien het verkennend ontwerp niet genoeg houvast biedt, kan met de standaard-waarden worden gewerkt.

Bijlage 3
Stuifklassen behorend bij de artikelen 3.37 en 3.38

Specificatie

Stuifklasse

Abbrände (pyrietas)

S2

Aluinaarde

 

S1

Bariet

 

S3

Bariet (gemalen)

 

S1

Bauxiet

China gecalcineerd

S1

gecalcineerd

S1

ruw bauxiet

S5

Bimskies

 

S4

Borax

 

S3

Bodemas

vochtgehalte 30%

S4

Bruinsteen

 

S2

Calcium Carbid

 

S1

Carborundum

 

S5

Cement

vochtgehalte 0,3%

S1

klinkers

S4

Cokes

steenkoolcokes

S4

petroleumcokes, grof

S4

petroleumcokes, fijn

S2

petroleumcokes, gecalcineerd

S1

petroleumcokes oiled/non-oiled

S4

fluid cokes

S1

Derivaten en aanverwante produkten

aardappelmeel

S1

aardappelschijfjes

S3

alfalfapellets

S3

amandelmeel

S3

appelpulppellets

S3

babassupellets

S3

babassuschroot

S3

beendermeel

S1

beenderschroot

S3

bierbostelpellets

S3

bladmeelpellets

S3

boekweitmeel

S1

cacaobonen

S3

corndistillergrainpellets

S3

corndistillergrainmeel

S3

corncobpellets

S3

cornplantpellets

S3

 

citruspellets

S3

D.F.G. pellets (maiskiempellets)

S3

druivenpulpgranulaat

S2

gerstemeel

S1

gerstpellets

S3

grondnoten

S5

grondnotenpellets

S3

grondnotenschroot

S3

quarbeanmealpellets

S3

quarbeanmeal

S3

havermeel

S1

haverpellets

S3

hominecychoppellets

S3

hominecychopmeel

S3

houtsnippers (vochtgehalte 44%)

S4

katoenzaadpellets

S3

 

katoenzaadschroot

S3

kapokzaadpellets

S3

kapokzaadschroot

S3

kardizaadschroot

S3

koffiepulppellets

S3

kokosgruis (vochtgehalte 81,1%)

S4

kopra

S5

kopracakes

S3

koprachips

S3

koprapellets

S3

kopraschroot

S3

lijnzaadpellets

S3

lijnzaadschroot

S3

lucernepellets

S3

macojapellets

S3

 

macojaschroot

S3

macunameel

S3

maisglutenpellets

S3

maisglutenmeel

S3

maismeel

S3

maltsproutpellets

S3

mangopellets

S3

mangoschroot

S1

maniokpellets, hard

S3

maniokwortel

S3

mengvoederpellets

S3

millrunpellets

S3

miloglutenpellets

S3

milomeel

S3

moutkiempellets

S3

negerzaadpellets

S3

 

negerzaadschroot

S3

olijfpulppellets

S3

olijfschroot

S3

palmpitten

S5

palmpittenpellets

S3

palmpittenschilfers

S2

palmpittenschroot

S3

palmpittencakes

S3

peanuthullpellets

S3

pine-applepellets

S3

pollardpellets

S3

raapzaadpellets

S3

raapzaadschroot

S3

ricehullpellets

S3

 

ricehuspellets

S3

ricebran

S1

roggemeel

S1

roggepellets

S3

safflowerzaadpellets

S3

safflowerzaadschroot

S3

salseedextractionpellets

S3

salseedschroot

S1

sesamzaadpellets

S3

sesamzaadschroot

S3

shearnutmeel

S2

shearnutschroot (vochtgehalte 10%)

S2

soiulacpellets

S3

sorghumzaadpellets

S3

sojapellets

S3

 

sojachips

S3

sojameel

S3

sojaschroot

S3

splentgrainpellets

S3

suikerbietenpulppellets

S3

suikerrietpellets

S3

sweetpotatopellets

S3

 

tapiochips

S1

tapiocabrokjes

S1

tapiocapellets, hard

S3

tapiocapellets, natives

S1

tarwemeel

S1

tarwepellets

S3

theepellets

S3

tucumschroot

S3

veevoederpellets

S3

zonnebloemzaadpellets

S3

zonnebloemzaadschroot

S3

Dolomiet

brokken

S5

gemalen

S1

Erts

amarilerts, brokken

S5

chroomerts

S4

ijzererts (zie IJzererts)

kopererts

S4

looderts

S2

mangaanerts, opslag

S5

mangaanerts, laden lossen

S4

tantalieterts

S4

titaanerts (zie Titaan)

zinkblende

S4

Ferrochroom, brokken

 

S5

Ferrofosfor, brokken

 

S5

Ferromangaan, brokken

 

S5

Ferrosilicium, brokken

 

S3

Fosfaat

gehalte vrij vocht >4 gew%

S4

gehalte vrij vocht <1 gew%

S1

Gips

 

S3

gipsstof grof (vochtgehalte 33,5%)

S2

Glasafval

 

S5

Graan

boekweit

S3

gerst (vochtgehalte 4,2%)

S3

gort

S3

haver

S5

haverscreenings

S3

kaficorn

S3

lijnzaadscreenings

S3

maïs

S3

milicorn

S3

mout

S3

raapzaadscreenings

S3

ricehusk

S3

rogge

S3

rijst

S5

sojagrits

S3

sorghumzaad

S3

tarwe

S3

Graniet

 

S2

Grind

 

Grof toeslagmateriaal voor de betonmortel en betonproductenindustrie (waaronder grind, lytag, kalksteen, lava, granulaat)

S5

Grond

licht verontreinigde grond (vochtgehalte 4,5%)

S4

leemgrond (vochtgehalte 3,6%)

S2

veengrond (vochtgehalte 50%)

S4

veengrond (vochtgehalte 60%)

S5

Hoogovenslakken

 

S4

slakken (vochtgehalte 0,2%)

S2

Huisvuil

 

..

IJzererts

Beeshoek, fijn erts, opslag

S5

Beeshoek, fijn erts, laden en lossen

S4

Beeshoek, stuk erts, opslag

S5

Beeshoek, stuk erts, laden en lossen

S4

Bomi Hill, stuk erts

S4

Bong Range pellets, opslag

S5

Bong Range pellets, laden en lossen

S4

Bong Range concentraat, opslag

S4

Bong Range concentraat, laden en lossen

S5

Braz. Nat. erts

S4

Carol Lake pellets, opslag

S5

Carol Lake pellets, laden en lossen

S4

Carol Lake concentraat, opslag

S4

Carol Lake concentraat, laden en lossen

S5

Cassinga, fijn erts

S4

Cassinga, stuk erts, opslag

S5

Cassinga, stuk erts, laden en lossen

S4

Cassinga pellets

S5

Cerro Bolivar erts

S4

Coto Wagner erts, opslag

S5

Coto Wagner erts, laden en lossen

S4

 

Dannemora erts

S4

El Pao, fijn erts

S4

Fabrica pellets, opslag

S5

Fabrica pellets, laden en lossen

S4

Fabrica Sinter Feed

S5

Fabrica Special pellet ore

S5

F’Derik Ho

S4

Fire Lake pellets, opslag

S5

Fire Lake pellets, laden en lossen

S4

Grängesberg erts

S4

Hamersley Pebble, opslag

S5

Hamersley Pebble, laden en lossen

S4

llmeniet erts

S5

Itabira Special sinter feed

S5

Itabira Run of Mine, opslag

S5

Itabira Run of Mine, laden en lossen

S4

Kiruna B, fijn erts

S5

Kiruna pellets, opslag

S5

 

Kiruna pellets, laden en lossen

S4

Malmberg pellets

S5

Manoriver Ho

S4

Menera, fijn erts

S5

Mount Newman pellets

S4

Migrolite

S4

Mount Wright concentraat, opslag

S4

Mount Wright concentraat, laden en lossen

S5

Nimba, fijn erts

S5

Nimba erts

S4

Pyriet erts

S4

Robe River, fijn erts, opslag

S5

Robe River, fijn erts, laden en lossen

S4

Samarco pellets, opslag

S5

Samarco pellets, laden en lossen

S4

Sishen, stuk erts, opslag

S5

Sishen, stuk erts, laden en lossen

S4

Sishen, fijn erts, opslag

S5

Sishen, fijn erts, laden en lossen

S4

Svappavaara erts

S4

Svappavaara pellets

S4

Sydvaranger pellets, opslag

S5

Sydvaranger pellets, laden en lossen

S4

Tazadit, fijn erts, opslag

S5

Tazadit, fijn erts, laden en lossen

S4

Kalkzout

 

S5

Kalk

brokken

S5

gemalen

S1

Kalkzandsteen (fijne fractie, droog)

S3

Kalkzandsteen granulaat

S3

Kattenbakkorrels

vochtgehalte 0,2%

S3

Klei

bentoniet, brokken

S3

bentoniet, gemalen

S1

chamotte klei, brokken

S4

chamotte klei, gemalen

S1

kaoline (China)klei, brokken

S3

kaoline (China)klei,gemalen

S1

Kolen

bruinkool, briketten

S4

poederkolen

S1

kolen vochtgehalte > 8%

S4

kolen vochtgehalte < 8%

S2

antraciet

S2

Kunstmest

ammonsulfaatsalpeter

S3

diamfosfaat

S1

dubbelsuperfosfaat, poeder

S1

dubbelsuperfosfaat, korrels

S3

kalkammon-salpeter

S3

nitraat meststof (vochtgehalte < 0,2%)

S1

nitraat meststof vermalen (vochtgehalte < 0,2%)

S1

tripelsuperfosfaat, poeder

S1

zwavelzure ammoniak

S3

Kyaniet

 

S4

Metallisch slijpstof

vochtgehalte 0,6%

S1

Metselpuin

 

S5

Nepheline

 

S3

Olivin steen

 

S4

Ongebluste kalk

 

S1

Peulvruchten

bonen

S3

erwten

S3

guarsplit

S3

linzen

S3

lupinezaad

S3

paardebonen

S3

sojabonen

S3

sojabeanhusk

S3

sojascreenings

S3

wikken

S3

Piekijzer

 

S4

Puin

gebroken schoon/gemengd

S5

Puingranulaat

 

S5

Pyrietas

 

S2

Polymeerprodukten

kunststofpoeder

S1

Potas

 

S3

Puimsteen

 

S5

Roet

 

S1

Schroot, ferrometaal met een belangrijke mate van roestvorming

S4

Sillimaniet

 

S5

Sintels, slakken

 

S4

Sintermagnesiet

 

S3

Soda

S3

Suiker

S5

Talk

gemalen

S1

gebroken

S3

Tapioca (zie Derivaten)

Titaan

ilmeniet

S5

rutiel

S3

rutielzand

S3

rutielslakken

S5

Toonaarde (zie Aluinaarde)

Ureum

 

S3

Vanadiumslakken

 

S4

Veltspaat

 

S5

Vermiculiet

brokken

S3

gemalen

S1

Vliegas

vochtgehalte < 1%

S2

Vloeispaat

 

S5

Wolastonie

 

S5

Wegenzout

 

S5

Zaden en aanverwante produkten

darizaad

S3

kanariezaad

S5

kardizaad

S3

koolzaad

S3

lijnzaad

S5

maanzaad

S5

millietzaad

S5

mosterdzaad

S5

negerzaad

S5

paricumzaad

S3

raapzaad

S5

safflowerzaad

S5

sesamzaad

S5

tamarinzaad

S3

zonnebloemzaad

S5

Zand

fijn zand

S2

grof zand (waaronder beton-, metsel- en filterzand voor de betonmortel en betonproductenindustrie)

S4

olivin zand

S4

rutielzand (zie Titaan)

speelzand (grof zand, vochtgehalte 2,5%)

S4

zilverzand (vochtgehalte 2,0%)

S4

zilverzand (vochtgehalte 3,8%)

S5

zirconzand

S3

Zwaarspaat

 

S5

Zwavel

grof

S4

fijn

S1

ARTIKEL II

Het Besluit omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.2a wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, onderdeel a, wordt na ’32.3, ‘ ingevoegd ‘32.5,’ en wordt ’38.2 en 38.3’ vervangen door ’38.2, 38.3 en 41.1’.

2. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt toegevoegd:

alsmede het mengen van gevaarlijke afvalstoffen met andere categorieën afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer en waarop artikel 10.54a, eerste lid, van die wet van toepassing is.

b. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. het opslaan van de volgende afvalstoffen afkomstig van de gezondheidszorg bij mens en dier en afkomstig van buiten de inrichting:

    • 1°. infectueuze afvalstoffen,

    • 2°. lichaamsdelen en organen, en

    • 3°. afvalstoffen van cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen;

c. De punt aan het slot van onderdeel g wordt vervangen door een puntkomma.

d. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • h. het opslaan van ten hoogste 50 ton verwijderd asbest en verwijderde asbesthoudende producten, ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft.

3. Het derde lid komt te luiden:

  • 3. Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt tevens aangewezen het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 11.3, onderdeel c, onder 2° en 3°, van onderdeel C, van bijlage I.

4. Onder vernummering van het zevende lid tot negende lid, worden na het zesde lid twee leden ingevoegd, luidende:

  • 7. Als categorieën activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, die in gebruik is bij de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht, worden tevens aangewezen:

    • a. het oprichten van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van klasse 1.3 worden opgeslagen;

    • b. het uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 per opslagvoorziening;

    • c. het uitbreiden van de hoeveelheid opgeslagen gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.3 per opslagvoorziening, indien na uitbreiding meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van deze klasse aanwezig is;

    • d. het veranderen van de bouwkundige staat van een voorziening waarin gevaarlijke stoffen van de ADR klasse 1.1 of 1.2 of meer dan 50 kilogram netto explosief gewicht van klasse 1.3 worden opgeslagen.

  • 8. Als categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de wet, voor zover deze plaatsvinden binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid van de Wet milieubeheer, wordt tevens aangewezen het oprichten van een installatie voor het vergisten van uitsluitend dierlijke mest met een verwerkingscapaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar, alsmede het uitbreiden van de capaciteit van de installatie, het uitbreiden van de opslagcapaciteit voor vergistinggas of het wijzigen of uitbreiden van de bewerking van vergistinggas bij een dergelijke installatie.

5. In het negende lid (nieuw) wordt ‘het zesde lid’ vervangen door: het achtste lid.

B

Artikel 3.3, tweede lid, komt te luiden:

  • 2. Onze Minister is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op:

    • a. activiteiten met betrekking tot een inrichting als bedoeld in categorie 29.3 van bijlage I, onderdeel C;

    • b. een categorie activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid.

C

Aan artikel 5.13b worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 10. Een omgevingsvergunning voor de categorieën activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, zevende lid, wordt geweigerd indien de activiteit leidt tot het ontstaan of het vergroten van een of meer veiligheidszones ten opzichte van de krachtens artikel 2.6.5, tweede lid, van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening aangewezen veiligheidszones waardoor een nieuwe inbreuk op een veiligheidszone ontstaat of het plaatsgebonden risico bij een bestaande inbreuk op een veiligheidszone groter wordt dan 10-5.

  • 11. Een omgevingsvergunning voor de categorie activiteiten, bedoeld in artikel 2.2a, achtste lid, wordt geweigerd, indien de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar risico voor de leefomgeving, waarbij in ieder geval wordt betrokken:

    • a. de ligging van de risicocontour;

    • b. de invloed van risicovolle activiteiten in de omgeving op de installatie, en

    • c. de kans op gevolgen van incidenten bij de installatie en de mogelijke gevolgen daarvan voor de leefomgeving.

D

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

1. In het opschrift vervalt: , 6.7.

2. Onderdeel A wordt als volgt gewijzigd:

a. Het volgende begrip met de daarbij behorende begripsomschrijving wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd, luidende:

gaszak:

gaszak als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

b. In de definitie van ‘opslagtank’ wordt ‘opslagvoorziening’ telkens vervangen door: vormvaste opslagvoorziening.

3. Onderdeel B, onderdeel 1, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a vervallen:

  • Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer;

  • Besluit LPG-tankstations milieubeheer;.

b. In onderdeel b wordt na ’32.3,’ ingevoegd ‘32.5,’ en wordt ’38.2 en 38.3’ vervangen door ’38.2, 38.3 en 41.1’.

4. Onderdeel C wordt als volgt gewijzigd:

a. Categorie 1.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. De puntkomma aan het eind van onderdeel d wordt vervangen door een punt.

2°. Onderdeel e vervalt.

b. Categorie 2.7 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Na onderdeel g wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • h. voor de opslag van vergistinggas in een of meer opslagtanks met een gezamenlijke inhoud van meer dan 20.000 liter;

2°. De onderdelen h en i (oud) worden geletterd i en j.

3°. In onderdeel i (nieuw) wordt na ‘zuurstof’ ingevoegd: vergistinggas,.

4°. Na onderdeel j (nieuw) wordt een onderdeel ingevoegd, luidende;

  • k. voor de opslag van andere gassen dan vergistinggas in een gaszak;

5°. De onderdelen j tot en met q (oud) worden geletterd l tot en met s.

6°. In onderdeel l (nieuw) wordt na ‘spuitbussen’ ingevoegd ‘, gaszakken’ en wordt na ‘opslagtanks’ ingevoegd: van metaal of kunststof.

7°. Onderdeel n (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:

i. Onderdeel 2° komt te luiden:

  • 2°. gasflessen met verstikkende gassen;

ii. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 4°. het vullen van een gasfles met een inhoud van maximaal 2 liter met zuurstof vanuit een concentrator;

  • 5°. het vullen van gasflessen met een inhoud van maximaal 3 liter en met een druk van maximaal 1,6 bar, met diep gekoelde vloeibare zuurstof vanuit een gasfles met een inhoud van maximaal 60 liter met een druk van maximaal 1,6 bar;

c. Na categorie 3.6 wordt een categorie ingevoegd, luidende:

  • 3.7. Voor de toepassing van categorie 3.6 blijft buiten beschouwing het bewerken, verwerken, verpakken of herverpakken, opslaan of overslaan van ontplofbare stoffen binnen inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht.

d. Categorie 4.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel i wordt ‘voor de opslag van gevaarlijke stoffen’ vervangen door: voor de opslag van vloeibare of vaste gevaarlijke stoffen.

2°. De puntkomma aan het slot van onderdeel m wordt vervangen door een punt.

3°. Onderdeel n vervalt.

e. In categorie 6.3 vervalt telkens: harsen of.

f. In categorie 7.5 wordt voor de puntkomma aan het slot van onderdeel h toegevoegd:, uitgezonderd het vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen zonder andere producten en met een capaciteit van ten hoogste 25.000 kubieke meter per jaar.

g. Categorie 8.3 wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen a en b komen te luiden:

  • a. het kweken en houden van schaal- en schelpdieren in het oppervlaktewater;

  • b. het kweken van maden van vliegende insecten;.

2°. Onderdeel d vervalt.

3°. De onderdelen e tot en met q worden geletterd d tot en met p.

4°. Onderdeel n (nieuw) komt te luiden:

  • n. het ontharen of looien van huiden;

h. Categorie 9.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel a wordt ‘dieren’ vervangen door ‘landbouwhuisdieren’ en vervalt ‘, en hondenkluiven’.

2°. De onderdelen b en c vervallen.

3°. De onderdelen d tot en met g worden geletterd b tot en met e.

i. Categorie 11.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel k komt te luiden:

k. het winnen van steen, mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen;

2°. Onderdeel l, komt te luiden:

  • l. het breken, malen, zeven of drogen van mergel, zand, grind, kalk, steenkolen of andere mineralen of derivaten daarvan, met een capaciteit ten aanzien daarvan van 100.000.000 kilogram per jaar of meer;.

j. Categorie 12.3 komt te luiden:

  • 12.3. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor:

    • a. het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;

    • b. het gieten van metalen anders dan:

      • 1°. aluminium en legeringen van aluminium met lood, zink, tin, koper, nikkel, ten hoogste 19% silicium, ten hoogste 1% mangaan, ten hoogste 5,5% magnesium, ten hoogste 1,5% ijzer, ten hoogste 1% titanium of ten hoogste 1% chroom;

      • 2°. koper en legeringen van koper met lood, zink, tin, aluminium, nikkel, ten hoogste 5% silicium, ten hoogste 13% mangaan, ten hoogste 6% ijzer of ten hoogste 0,1% fosfor;

      • 3°. lood, zink, tin en legeringen van deze metalen met nikkel;

      • 4°. goud, zilver, platina en legeringen met ten minste 30% van deze metalen tot ten hoogste 500 kilo per jaar;

    • c. het toepassen van de verloren wasmethode als onderdeel van het gieten van metalen waarbij meer dan 500 kilogram was per jaar wordt verbruikt;

    • d. het toepassen van de lost foam methode als onderdeel van het gieten van metalen;

    • e. het thermisch regenereren van vormzand als onderdeel van het gieten van metalen;

    • f. het harden of gloeien van metalen of het diffunderen van stoffen in het metaaloppervlak, indien daarbij zouten, oliën of gassen anders dan inerte gassen of koolzuurgas worden toegepast;

    • g. het aanbrengen van metaallagen met cyanidehoudende baden, met een totale badinhoud van meer dan 100 liter.

k. Categorie 13.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel d vervalt.

2°. De onderdelen e tot en met h worden geletterd d tot en met g.

l. Categorie 15.2 komt te luiden:

  • 15.2. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor het impregneren van hout door middel van spuiten, sproeien of de vacuümdrukmethode.

m. Categorie 16.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel a vervalt.

2°. De onderdelen b tot en met f worden geletterd a tot en met e.

3°. Onderdeel d (nieuw) komt te luiden:

  • d. het aanbrengen van een lijmlaag op plakband of zelfklevend tape;

n. Categorie 17.3 komt te luiden:

  • 17.3. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen voor schieten met vuurwapens of werpen met ontvlambare of ontplofbare voorwerpen, met uitzondering van:

    • a. inrichtingen voor het traditioneel schieten;

    • b. inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

    • c. inrichtingen waar in een gebouw, zonder open zijden en met een gesloten afdekking wordt geschoten met vuurwapens met een kaliber van 0,5 inch of minder of historische vuurwapens als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdelen b tot en met d, van de Regeling wapens en munitie;

    • d. inrichtingen voor sportief en recreatief gebruik.

o. In categorie 19.2 wordt na ‘gemotoriseerde voertuigen’ ingevoegd: voorzien van verbrandingsmotoren.

p. Categorie 19.4 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel a wordt ‘sport of recreatie’ vervangen door: open lucht attractieparken.

2°. De onderdelen b en f vervallen.

3°. De onderdelen c tot en met e worden geletterd b tot en met d.

q. Categorie 20.6 komt te luiden:

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het besluit, worden tevens aangewezen de inrichtingen, bedoeld in:

  • a. onderdeel 20.1, onder a, 2° en 3°, met inachtneming van onderdeel 20.3, en

  • b. onderdeel 20.1, onder b.

r. Categorie 23.3 vervalt.

s. Categorie 28.10 wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel 2° wordt vervangen door:

  • 2a°. het opslaan van ten hoogste 10.000 ton:

    • 1°. hemelwater;

    • 2°. grondwater;

    • 3°. huishoudelijk afvalwater;

    • 4°. afvalwater dat wat biologische afbreekbaarheid betreft met huishoudelijk afvalwater overeen komt;

    • 5°. inhoud van chemische toiletten;

  • 2b°. het lozen van:

    • 1°. afvalwater of overige vloeistoffen op of in de bodem;

    • 2°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar hemelwaterstelsel;

    • 3°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar ontwateringstelsel;

    • 4°. afvalwater of andere afvalstoffen in een openbaar vuilwaterriool;

    • 5°. afvalwater of andere afvalstoffen in een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater;

  • 2c°. het in werking hebben van een voorziening voor het beheer van afvalwater als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

2°. Onderdeel 4° wordt vervangen door:

  • 4a°. het opslaan, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 van de Wet milieubeheer;

  • 4b°. het opslaan, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen die ontstaan zijn bij het schoonhouden van de openbare ruimte;

3°. In onderdeel 7° wordt na ‘het verkleinen van metaal,’ ingevoegd: het gieten van metaal, voor zover dit niet valt onder categorie 12.3,

4°. Onderdeel 10° wordt vervangen door:

  • 10a°. het opslaan van ten hoogste 5 kubieke meter batterijen;

  • 10b°. het opslaan van ten hoogste 5 kubieke meter spaarlampen en gasontladingslampen;

  • 10c°. het opslaan en bijvullen van ten hoogste 5 kubieke meter inkt- en tonercassettes;

5°. Onderdeel 12° wordt als volgt gewijzigd:

1°. De onderdelen a en b, komen te luiden:

  • a. ten hoogste 50 ton totaal van de volgende gevaarlijke afvalstoffen:

    • 1°. smeervet, afgewerkte olie en olie- en vethoudend afval van onderhoud aan voorzieningen en installaties;

    • 2°. teerhoudend of bitumineus dakafval, composieten van teerhoudend of bitumineus dakafval, dakgrind verkleefd met teer of bitumen;

    • 3°. brandblussers;

    • 4°. organische niet-halogeenhoudende oplosmiddelen;

    • 5°. lege ongereinigde verpakkingen van verf, lijm, kit of hars en van overige gevaarlijke stoffen;

    • 6°. vloeibare brandstoffen;

    • 7º. verwijderd asbest en verwijderde asbesthoudende producten;

  • b. afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, gescheiden gehouden in stromen die wat betreft aard, samenstelling en concentraties vergelijkbaar zijn, in hoeveelheden van ten hoogste 45 kubieke meter per stroom;

2°. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • c. ten hoogste 45 kubieke meter gemengd bouw- en sloopafval, voor zover geen sprake is van gevaarlijk afval;

6°. Na onderdeel 12° wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 12a°. het bij een inrichting, waar olie, vet, verf, lijm, kit, hars, gewasbeschermingsmiddelen, biociden en gevaarlijke stoffen in verpakking worden opgeslagen om te worden verkocht of geleverd aan professionele gebruikers en voor zover de lege ongereinigde verpakkingen zijn ingenomen van die professionele gebruikers opslaan van:

    • a. ten hoogste 50 ton lege ongereinigde verpakkingen, zijnde gevaarlijke afvalstoffen, en

    • b. ten hoogste 45 kubieke meter lege ongereinigde verpakkingen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen en niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen;

7°. Onderdeel 14, komt te luiden:

  • 14.° het op een bunkerstation voor de binnenvaart opslaan van afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit inzamelen afvalstoffen, smeervet, olie- en vethoudend afval van onderhoud aan vaartuigen ingenomen van personen die brandstof, smeerolie of smeervet bij het bunkerstation aanschaffen met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton;

8°. Na onderdeel 17° wordt een onderdeel ingevoegd:

  • 17a°. het opslaan van munitie en explosieven bij inrichtingen die worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;.

9°. Onderdeel 22° komt te luiden:

  • 22°. het opslaan, verkleinen en tot plaatmateriaal verwerken van hout, voor zover geen sprake is van geïmpregneerd hout of anderszins van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton;

10°. Onderdeel 28° wordt vervangen door:

  • 28a°. het opslaan van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 28b°. het composteren van ten hoogste 600 kubieke meter groenafval ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft of niet afkomstig van buiten de inrichting, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;

  • 28c°. het versnipperen van groenafval ontstaan bij werkzaamheden die buiten de inrichting zijn verricht door degene die de inrichting drijft of niet afkomstig van buiten de inrichting, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen;

11°. Onderdeel 29° komt te luiden:

  • 29°. het als grondstof inzetten van een niet gevaarlijke afvalstof zijnde metaal, hout, rubber, kunststof, papier, karton, textiel, bont, leer, steenachtig materiaal of gips voor het vervaardigen, samenstellen of repareren van producten of onderdelen daarvan bestaande uit metaal, hout, rubber, kunststof, papier, karton, textiel, bont, leer, steenachtig materiaal of gips met een maximale capaciteit van 10.000 ton per jaar;

12°. In onderdeel 31° wordt ‘het mengen van afvalstoffen’ vervangen door: het als grondstof inzetten van afvalstoffen.

13°. Na onderdeel 32° wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • 33°. Het opslaan van ten hoogste 1 kubieke meter gebruikte frituurvetten of -oliën, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen;

14°. De onderdelen 33° en 34° worden vernummerd tot de onderdelen 34° en 35°.

15°. In de onderdelen 34° en 35° (nieuw) wordt ‘1 tot en met 32’ vervangen door: 1 tot en met 33.

16°. Er worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • 36°. het mengen van afvalstoffen binnen de onder 1 tot en met 33 genoemde categorieën, waarbij bij de categorieën 10a° tot en met 10c° alleen het mengen voorafgaand aan afvalstoffenbeheer wordt bedoeld;

  • 37°. het mengen van afvalstoffen, niet zijnde gevaarlijke afvalstoffen, van de onder 1 tot en met 33 genoemde categorieën binnen de aangegeven grenzen met andere stoffen of materialen, niet zijnde afvalstoffen;

t. Categorie 29.1 wordt als volgt gewijzigd:

1°. In onderdeel a wordt ‘zeekrijgsmacht’ vervangen door: krijgsmacht.

2°. In onderdeel b wordt’ vliegbases of vliegkampen’ vervangen door: militaire luchthavens.

3°. Onderdeel d komt te luiden:

  • d. bestemd voor het transporteren of het opslaan van brandstoffen, die van essentieel belang zijn voor de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

4°. Onderdeel e komt te luiden:

  • e. munitiecomplexen die in hoofdzaak bestemd zijn voor het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen en voorwerpen ten behoeve van de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

5°. Onderdeel g komt te luiden:

  • g. schietkampen, schietranges, schietgebieden, schietterreinen, schietbanen, springterreinen of handgranaatbanen die in hoofdzaak worden gebruikt door de Nederlandse of een bondgenootschappelijke krijgsmacht;

6°. De onderdelen h en i vervallen.

7°. De onderdelen j, k en l worden geletterd h, i en j.

u. Categorie 29.3 komt te luiden:

  • 29.3. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden inrichtingen aangewezen:

    • a. als bedoeld in categorie 29.1 onderdelen a, b, i en j;

    • b. als bedoeld in categorie 29.1 onderdeel g voor zover:

      • i. jaarlijks meer dan 3 miljoen schoten worden afgevuurd;

      • ii. explosieven uit luchtvaartuigen worden geworpen;

      • iii. het springterreinen en handgranaatbanen betreft.

v. In de categorieën 1.3, 2.6, 3.5, 4.3, 5.3, 6.2, 7.4, 8.2, 9.3, 11.3, 12.2, 13.3, 14.2, 16.3, 19.2, 20.5, 24.2, 27.3, 28.4, 28.5 en 28.6 wordt ‘Onverminderd de artikelen 3.3, eerste lid, tweede volzin, en 6.7, eerste lid, derde volzin,’ vervangen door ‘Onverminderd artikel 3.3, eerste lid, tweede volzin,’ en vervalt ‘of omtrent een verklaring van geen bedenkingen’.

5. Onderdeel D, onder 1, wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt na ‘1.3, onder a,’ ingevoegd: voor zover deze motoren gelijktijdig in gebruik zijn, en onder.

b. Aan onderdeel e wordt toegevoegd: voor zover de capaciteit ten aanzien daarvan 250.000 ton per jaar of meer bedraagt,.

c. Aan onderdeel f wordt toegevoegd: waarbij de onderdelen f en j alleen van toepassing zijn voor zover gebruik wordt gemaakt van pneumatische elevatoren,.

d. In onderdeel g wordt na ‘11.3, onder a tot en met e,’ ingevoegd: met uitzondering van c, onder 6°.

e. Aan onderdeel j wordt toegevoegd: voor zover metaalbewerkende activiteiten plaatsvinden in de open lucht of het proefdraaien van motoren in de avond- of nachtperiode,.

f. Onderdeel p vervalt.

ARTIKEL III

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2, eerste lid, onderdeel e, komt te luiden:

  • e. een LPG-tankstation als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, waarop paragraaf 5.3.1 van dat besluit van toepassing is.

B

Artikel 4, vijfde lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, met een inhoud van minder dan 10.000 kg ammoniak, waarvan de diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper 80 DN of minder bedraagt, of

C

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. draagt het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, ervoor zorg dat bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste en tweede lid, binnen de veiligheidscontour:

    • de bouw of vestiging van kwetsbare objecten niet is toegelaten, en

    • geen mogelijkheden ontstaan voor de bouw of vestiging van beperkt kwetsbare objecten, waar deze mogelijkheden tot de vaststelling van het besluit niet bestonden.

2. Na het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Het tweede lid, onderdeel b, is niet van toepassing op objecten die:

    • een functionele binding hebben met een binnen de veiligheidscontour gelegen inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h, of met het gebied waarvoor de veiligheidscontour is vastgesteld, of

    • tevens binnen een andere veiligheidscontour zijn gelegen en een functionele binding hebben met een inrichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdelen a tot en met h, binnen die veiligheidscontour, of met het gebied waarvoor die veiligheidscontour is vastgesteld.

3. Het derde lid (oud) wordt vernummerd tot vierde lid.

D

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, komt te luiden:

  • c. een inrichting waarin een koel- of vriesinstallatie aanwezig is als bedoeld in artikel 2, eerste lid,onderdeel g, met een inhoud van 10.000 kg ammoniak of meer, of waarvan de diameter van de vloeistofleiding naar de verdamper meer dan 80 DN bedraagt.

E

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het vijfde lid vervalt.

2. Het zesde tot en met achtste lid worden vernummerd tot vijfde tot en met zevende lid.

F

In artikel 19, wordt de zinsnede ‘artikel 40, eerste lid, van de Woningwet’, vervangen door: artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

ARTIKEL IV

Het Besluit lozen buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 vervalt het begrip ‘NeR’ met de daarbij behorende begripsomschrijving.

B

Artikel 1.3, onderdeel f, vervalt.

C

Artikel 1.5, derde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. De puntkomma aan het slot van onderdeel a wordt vervangen door:, en.

2. Onderdeel b vervalt.

3. Onderdeel c wordt genummerd onderdeel b.

D

In artikel 2.2, derde lid, wordt na ‘op of in de bodem’ ingevoegd: of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater niet zijnde een vuilwaterriool.

E

In artikel 3.4, vierde lid, onderdeel b, wordt ‘bedoeld in artikel 5 van de Wet op het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut’ vervangen door: bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet taken meteorologie en seismologie.

F

In artikel 3.11, eerste lid, wordt ‘sloop-, renovatie- of nieuwbouwwerkzaamheden aan vaste objecten’ vervangen door: sloop- of renovatiewerkzaamheden aan of nieuwbouw van vaste objecten.

G

Artikel 3.13 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘het tweede tot en met het twaalfde lid’ vervangen door: het tweede tot en met dertiende lid.

2. In het vijfde en zesde lid wordt ‘bijlage 4.6 van de NeR’ vervangen door: bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer.

3. In het zevende lid vervalt: in een oppervlaktewaterlichaam of.

4. Het achtste en negende lid komen te luiden:

  • 8. Bij het in een oppervlaktewaterlichaam lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, ontstaat geen visuele verontreiniging.

  • 9. Het lozen op of in de bodem van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest, is toegestaan.

5. Na het negende lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 10. Het in een vuilwaterriool lozen van afvalwater dat met de opgeslagen goederen in contact is geweest vindt slechts dan plaats, indien lozen als bedoeld in het zevende tot en met het negende lid redelijkerwijs niet mogelijk is en het gehalte aan onopgeloste stoffen niet meer bedraagt dan 300 milligram per liter.

6. Het tiende tot en met twaalfde lid worden vernummerd tot elfde tot en met dertiende lid.

7. Het elfde en twaalfde lid (nieuw) komen te luiden:

  • 11. Indien de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 12. Het te lozen afvalwater, bedoeld in het zevende en tiende lid kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd.

H

In artikel 3.19 wordt ‘is toegestaan indien het lozen door of in opdracht van de beheerder plaatsvindt’ vervangen door: dat in beheer is bij dezelfde beheerder, is toegestaan indien die werkzaamheden plaatsvinden door of vanwege de beheerder in het kader van het beheer van dat oppervlaktewaterlichaam.

ARTIKEL V

In voorschrift 1.2.1 van de bijlage behorende bij artikel 3 van het Besluit mobiel breken bouw- en sloopafval wordt ‘de Nederlandse emissierichtlijn (september 2000)’ vervangen door: bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer.

ARTIKEL VI

  • 1. Een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht die van kracht en onherroepelijk was onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, wordt, voor zover die omgevingsvergunning een activiteit betreft die in artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, is aangewezen, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet.

  • 2. Onverminderd artikel 6.4, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer blijft op een aanvraag om een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit die in artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, is aangewezen, het recht van toepassing zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, indien:

    • a. die aanvraag is ingediend voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel A, onder 1, onder 2, onder d, en onder 4, en

    • b. op die aanvraag vóór het tijdstip, bedoeld in onderdeel a, nog niet onherroepelijk is beslist.

  • 3. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betrokken activiteit op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van die wet op het tijdstip waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden. De voorschriften die aan die omgevingsvergunning zijn verbonden, worden overeenkomstig artikel 6.1, eerste of vierde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer aangemerkt als maatwerkvoorschriften.

ARTIKEL VII

De volgende besluiten worden ingetrokken:

Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer

Besluit LPG-tankstations milieubeheer

ARTIKEL VIII

Dit besluit treedt in werking met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan of voor verschillende categorieën van inrichtingen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,


X Noot
1

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PbEU 2006, L 136

X Noot
2

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)(herschikking) (PbEU 2010, L 334)

X Noot
3

Kamerstukken II, 2014–2015, 29 383, nr. 223

X Noot
4

Kamerstukken II, 2014–2015, 29 383, nr. 230

X Noot
5

Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 (PbEU L 150) en Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 september 2009 (PbEU L286)

X Noot
1

Zie het ‘Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving (Stb. 2012, 558, paragraaf 3). Paragraaf 1 van het algemeen deel van de nota van de toelichting merkt op dat dit doel eveneens geldt voor het onderhavige ontwerpbesluit.

X Noot
2

Artikel 6.42.

X Noot
3

Een voorbeeld van de extra gelaagdheid als gevolg van het ontwerpbesluit vormt de opname van het Besluit LPG-tankstations milieubeheer. Het in werking hebben van een LPG-tankstation blijft op grond van de Wabo vergunningplichtig. Aan een dergelijke vergunning zijn in het algemeen voorschriften verbonden. Daarnaast gelden nu voor LPG-tankstations de in het ontwerpbesluit opgenomen algemene regels. Verder gelden voor de externe veiligheid, de technische eisen van de installaties en explosieveiligheid ook nog de specifieke regels van het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Regeling externe veiligheid inrichtingen, het Warenwetbesluit drukapparatuur en het Arbeidsomstandighedenbesluit.

X Noot
4

Zie voor deze aanbevelingen paragraaf 6 van de managementsamenvatting van het evaluatierapport. Aanbevolen wordt duidelijker te omschrijven dat hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 van toepassing zijn op een IPPC-installatie binnen een bedrijf en op structuurniveau de relaties te verhelderen tussen onder andere de omgevingsvergunning, de milieueffectrapportage en de omgevingsvergunning beperkte milieutoets.

X Noot
5

Bij wijze van voorbeeld kan worden gewezen op de tabel zoals die is gepubliceerd op de website van Infomill: (www.infomill.nl/onderwerpen/integrale/activiteitenbesluit/ontwikkelingen/grenzen)

X Noot
6

Kamerstukken II 2014/15, 29 383, nr. 230.

X Noot
7

Als willekeurig voorbeeld kan paragraaf 3.4 van het algemeen deel van de toelichting worden genoemd. In deze paragraaf wordt aangegeven dat de verplichte VOS-boekhouding voor niet-vergunningplichtige inrichtingen met een oplosmiddelenverbruik van minder dan 1.000 kg vluchtige organische stoffen komt te vervallen. Omdat niet wordt aangegeven waar dit in het ontwerpbesluit wordt geregeld, leidt dit leidt tot veel blader- en zoekwerk in het toch al omvangrijke ontwerpbesluit. Dit voorbeeld is met vele andere voorbeelden aan te vullen.

X Noot
8

Het gaat om de NeR, de Regeling op-, overslag en distributie benzine milieubeheer, het Besluit hefschroefvliegtuigen bij ziekenhuizen milieubeheer en het Besluit LPG-tankstations milieubeheer.

X Noot
9

Zie het ‘Meerjarenprogramma herijking van de VROM-regelgeving (Stb. 2012, 558, paragraaf 3).

X Noot
10

Zie paragraaf 1 van het algemeen deel van de nota van de toelichting.

X Noot
11

Het betreft het smelten en gieten van metalen, het opslaan of bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen bij defensie-inrichtingen, het schieten op buitenschietbanen, het kleinschalig vergisten van uitsluitend dierlijke meststoffen, dierencrematoria, het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren, het op- en overslaan van verwijderd asbest, bloemenververijen en enkele activiteiten met mergel, grind en kalk.

X Noot
12

Het betreft ziekenhuizen en instellingen voor medisch-specialistische zorg, sport- en recreatie-inrichtingen die per jaar 500.000 bezoekers of meer trekken, terreinen voor modelvliegtuigen, modelvaartuigen en modelvoertuigen, het assembleren van motorvoertuigen, de productie van vezel en houtplaatmateriaal, Pet food-bedrijven, het veredelen van textiel, de opslag van ruwe cacao, het vullen van gasflessen, inrichtingen voor de productie en toepassing van natuurhars, het vervaardigen en bewerken van bont en leer, meelfabrieken, het afmeren van zeegaande veerboten, het kweken van ongewervelde dieren en diverse handelingen met afval verrichten.

X Noot
13

Zie paragraaf 6 van de toelichting: ‘Vergeleken met voorgaande tranches van het Activiteitenbesluit, is er met dit wijzigingsbesluit voor een groter aantal inrichtingen maatwerk nodig, zoals voor een dierentuin of een groot museum’.

X Noot
14

Zie de toelichting op artikel I, onderdeel KKKKK, artikelen 3.168 en 3.169: ‘Dieren in de buitenlucht zorgen voor een duidelijk hoorbaar geluid. Dat kan verschillen per diersoort. (...) Op basis van de melding en/of het akoestisch onderzoek zullen in veel gevallen voorschriften gesteld worden voor technische voorzieningen en gedragsregels. Maatwerk zal in veel gevallen worden toegepast.’

X Noot
15

Zie paragraaf 2.11 van de toelichting. Maatwerk zal vooral nodig zijn op het punt van lozingen vanuit een ziekenhuis op het vuilwaterriool van afval van de gezondheidszorg. Het Activiteitenbesluit bevat daarvoor onvoldoende concrete voorschriften. Deze zullen op grond van de algemene zorgplicht nader moeten worden ingevuld door middel van maatwerk, aldus de toelichting.

X Noot
16

Zie paragraaf 2.11 van de toelichting. De toelichting merkt hier op dat bij grote sport- en recreatie-inrichtingen vooral voor geluid vaak maatwerk aan de orde zal zijn. Ook de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied wijst hier op in haar inspraakreactie: ‘Het betreft vaak omvangrijke inrichtingen waarbij veel verschillende milieuaspecten een rol spelen. Vergunningen voor dergelijke inrichtingen zijn maatwerk waarbij alle milieuonderdelen voldoende worden ondervangen. In de vergunningen zijn in zijn algemeenheid voorschriften opgenomen die niet in het Abm staan. Veel van deze voorschriften kunnen niet op grond van het Abm worden gesteld of alleen op grond van de zorgplicht worden opgelegd.’

X Noot
17

Zie paragraaf 2.11 van de toelichting. Zie ook de toelichting op artikel II, onderdeel D, onder 4, onder P, subonderdeel 2: ‘Bij inrichtingen voor modelvliegtuigen zijn geluid, veiligheid van personen in de vliegcirkel en natuur belangrijke aspecten. Voor geluid waren de gestelde geluidgrenswaarden bij de afgegeven vergunningen vaak lager dan de standaardgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. Daarnaast waren veel aanvullende voorschriften gesteld over bijvoorbeeld het aantal vliegtuigen en de vliegduur, het motortype, de geluidmetingen aan vliegtuigen en het bijhouden van logboeken. In veel gevallen zal maatwerk moeten worden toegepast.’.

X Noot
18

Inspraakreactie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.

X Noot
19

Inspraakreactie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De Jaarbeurs reageert in dezelfde zin.

X Noot
20

Zie artikel 2.4 (nieuw) voor de bepaling over zeer zorgwekkende stoffen.

X Noot
21

Zie voor de omschrijving van type A, type B en type C inrichtingen artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit. Inrichtingen type A zijn inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning milieu nodig is en waarvoor bij opricht of wijziging ook geen melding hoeft te worden gedaan aan het bevoegd gezag, omdat ze voor het milieu minder relevante activiteiten uitvoeren. Inrichtingen type B zijn inrichtingen waarvoor ook geen omgevingsvergunning milieu nodig is, maar waarvoor bij oprichting of wijziging wel een melding moet worden gedaan, omdat ze voor het milieu meer relevante activiteiten uitvoeren. Inrichtingen type C zijn inrichtingen die wegens hun voor het milieu relevante activiteiten altijd een omgevingsvergunning nodig hebben.

X Noot
22

Paragraaf 4.2. van de toelichting.

X Noot
23

Paragraaf 6.2.1. van de toelichting.

X Noot
24

Idem.

X Noot
25

Artikel 5.13a van het Besluit omgevingsrecht.

X Noot
26

Zie ook Aanwijzing 212, onderdeel e, van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Indien, zoals in dit geval, dat ter zake doet, komen in de toelichting in ieder geval de lasten voor de overheid, waaronder de lasten verbonden aan de handhaving, aan de orde.

X Noot
27

Blijkens de toelichting betreft het resterende deel van de NeR informatieve teksten. Die worden bewerkt tot een hulpmiddel bij het vaststellen van de beste beschikbare technieken: het zogenoemde Informatiedocument Industriële Emissie dat zal worden ontsloten via www.infomil.nl.

X Noot
28

Onderscheidenlijk in de artikelen 2.5, 2.6, 2.7, 2.8 en 2.7a (alle nieuw).

X Noot
29

Artikel 2.4 (nieuw).

X Noot
30

Advies van de Raad van State van 28 juni 2007 over het ontwerpbesluit, houdende algemene regels voor inrichtingen (W08.07.0082/IV), nader rapport van 15 oktober 2007, DJZ2007098397, Bijvoegsel Stcrt. 2007, nr. 220.

X Noot
31

Artikel 2.7a.

X Noot
32

Artikel 2.8a (nieuw): Voor een inrichting type C waarvoor onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, worden de geurvoorschriften van die vergunning in afwijking van artikel 6.1, eerste lid, na het van toepassing worden van dit besluit of een deel daarvan op een activiteit in die inrichtingen, tot 1 januari 2021 aangemerkt als maatwerkvoorschriften, mits de geurvoorschriften van de vergunning vallen binnen de bevoegdheid van het bevoegd gezag tot het stellen van maatwerkvoorschriften en voor zover dit besluit op de inrichting van toepassing is.

X Noot
33

Artikel 6.1, eerste lid.

X Noot
34

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van het Abm wordt onder geurgevoelig object verstaan: geurgevoelig object als bedoeld in artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij.

X Noot
35

Ingevolge artikel 1 van de Wet geurhinder en veehouderij wordt onder geurgevoelig object verstaan: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, (...)

X Noot
36

Voor de emissie van zeer zorgwekkende stoffen gelden ook de algemene regels die gelden voor de emissie van alle in het ontwerpbesluit benoemde stofcategorieën (artikel 2.5 ev., nieuw).

X Noot
37

Artikel 2.4, tweede, derde en vijfde lid (nieuw).

X Noot
38

Artikel 2.3b (nieuw)

X Noot
39

Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PbEU 2006, L 136).

X Noot
40

De NeR kent weliswaar een vergelijkbare regeling, maar kent niet de stofcategorie zeer zorgwekkende stoffen. De regeling in de NeR geldt voor drie in de NeR nader aangeduide stofklassen en voor stoffen die (nog) niet behoren tot de desbetreffende stofklassen, maar die wel voorkomen op lijsten bij de REACH-verordening.

X Noot
41

Overweging 12 en artikel 55. Indien een stof voldoet aan een of meer van de kenmerken van artikel 57 kan de stof worden opgenomen in de lijst van autorisatieplichtige stoffen (bijlage XIV). Een fabrikant, importeur of downstreamgebruiker mag een in bijlage XIV opgenomen stof niet voor een bepaald gebruik in de handel brengen of zelf gebruiken, tenzij daarvoor – samengevat weergegeven – in Europees verband autorisatie is verleend (artikel 56).

X Noot
42

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)(herschikking) (PbEU 2010, L 334).

X Noot
43

Overweging 2 van de richtlijn.

X Noot
44

Zie het samenstel van de artikelen 14 en 17 van de richtlijn.

X Noot
45

Artikel 2.4, eerste lid (nieuw).

X Noot
46

Artikel 2.1, vierde lid.

X Noot
47

Zie voor voorbeelden in de rechtspraktijk over onduidelijkheden met betrekking tot de vraag of aspecten uitputtend geregeld zijn de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 november 2009 in zaak nr. 200907040/2/M2 (www.raadvanstate.n) en van 11 maart 2015 in zaak nr. 201403910/1/A4 (www.raadvanstate.nl).

X Noot
48

Ook in een eerder advies heeft de Raad van State gesignaleerd dat het de uitleg van het criterium ‘uitputtende regeling’ complicaties kent; advies van de Raad van State van 28 juni 2007 over het ontwerpbesluit, houdende algemene regels voor inrichtingen (W08.07.0082/IV), nader rapport van 15 oktober 2007, DJZ2007098397, Bijvoegsel Stcrt. 2007, nr. 220.

X Noot
49

De artikelsgewijze toelichting vermeldt alleen ten aanzien van het binnen de inrichting lozen van afvalwater ten gevolge van calamiteitenoefeningen dat hiervoor de meldplicht van het Activiteitenbesluit geldt. De Afdeling gaat er van uit dat deze meldplicht ook geldt voor het binnen de inrichting lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden en het binnen de inrichtingen lozen ten gevolge van het schoonmaken van drinkwaterleidingen. Gezien de systematiek van het Activiteitenbesluit valt niet in te zien waarom voor deze lozingen niet ook een meldplicht geldt.

X Noot
50

Zie voor deze aanvullende gegevens de artikelen 1.17 en 1.19 van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Bij een melding voor het lozen ten gevolge van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden, en andere onderhoudswerkzaamheden dienen op grond van artikel 1.17 tevens gegevens over de toe te passen technieken, stoffen, conserveringsmiddelen en de hoeveelheid toe te passen ontvetters worden verstrekt. Bij een melding voor het lozen ten gevolge van ontgravingen of baggerwerkzaamheden dienen op grond van artikel 1.10 tevens gegevens over de kwaliteit van de te ontgraven of te baggeren waterbodem en een werkplan te worden verstrekt.

X Noot
51

Zie paragraaf 3.9 van de toelichting.

X Noot
52

Ontwerpregeling Activiteitenregeling milieubeheer en enkele andere regelingen (nieuwe activiteiten) (Stcrt. 2014, nr. 20652).

X Noot
53

Kamerstukken II 2013/14, 29 383, nr. 223.

Naar boven