Onderhandelaarsakkoord overgangsregeling SBF 55

In overeenstemming met artikel 4 van en in aanvulling op het op 26 juni 2014 gesloten Uitvoeringsakkoord sector Rijk met betrekking tot substantieel bezwarende functies (Stcrt. 2014, nr. 21723) (hierna ‘uitvoeringsakkoord’) wensen de partijen (de Secretaris-Generaal van het ministerie van Infrastructuur en Milieu en de vakcentrales) voor de medewerkers werkzaam in de functies van inspecteur-vlieger bij ILT en VTS-operator bij Rijkswaterstaat van het ministerie van Infrastructuur en Milieu aanvullende afspraken te maken. Partijen komen daarom het volgende overeen:

Overgangsregeling

Als basis voor deze overgangsregeling is het bovengenoemde uitvoeringsakkoord genomen. Daarnaast zijn partijen de volgende uitgangspunten overeengekomen:

  • Aanvullende bepalingen van deze overgangsregeling zijn eenvoudig en in lijn met het uitvoeringsakkoord en gelden zo nodig in afwijking van de artikelen 94 b en 94 c ARAR.

  • Deze overgangsregeling doet recht aan de leeftijd van de betrokken medewerkers en het aantal dienstjaren dat zij in de SB-functie hebben verbleven.

  • Er wordt rekening gehouden met enkele bijzondere omstandigheden.

  • Voorzover in deze overgangsregeling niet afwijkend is bepaald, zijn de bepalingen van de Regeling substantieel bezwarende functies van kracht.

Kerngedachte van deze overgangsregeling is dat na publicatie in de Staatscourant de betrokken medewerkers met terugwerkende kracht tot 1 april 2015 integraal onder het uitvoeringsakkoord gaan vallen en dat zij daarnaast een ‘rugzak’ – te bepalen op peildatum 1 april 2015 op basis van leeftijd en ononderbroken doorgebrachte jaren in een SB-functie (SB-dienstjaren) – hebben opgebouwd. De opgebouwde rechten zijn in de onderstaande transitietabel aangegeven als maanden uitkeringsduur.

Transitietabel

SB-dienstjaren

0 tot 5

5 tot 10

10 tot 15

15 tot 20

20 of meer

           

Leeftijd op

         

1 april 2015

         

55

90

90

90

90

90

54

85

87

89

90

90

53

80

82

85

89

90

52

75

77

80

86

90

51

70

72

74

80

84

50

65

66

68

70

76

49

 

56

60

64

66

48

 

50

54

58

62

47

 

44

48

52

56

46

 

38

42

46

50

45

 

32

36

40

44

44

 

26

30

34

38

43

 

20

24

28

32

42

 

17

19

22

25

41

 

14

16

20

24

40

 

13

15

18

22

39

 

12

14

16

20

38

 

11

13

15

17

37

 

10

11

12

14

36

 

9

10

12

14

35

 

8

10

12

14

34

 

8

10

12

14

33

 

8

10

12

14

32

 

8

10

12

14

31

 

8

10

12

14

30

 

8

10

12

14

29

 

8

10

12

14

28

 

8

10

12

14

27

 

8

10

12

14

De volgende bepalingen zijn van belang voor het vaststellen van de uitkeringsduur:

  • De definitie van SBF-dienstjaren is: de ononderbroken jaren die in een SB-functie tot aan het moment van de peildatum zijn doorgebracht.

  • Het aantal SBF-dienstjaren dat is opgebouwd, gaat lopen vanaf het moment dat de betrokken medewerker in een SB-functie is aangesteld.

  • De eerder doorgebrachte jaren in een substantieel bezwarende functie elders (denk hierbij aan jaren als beroepsvlieger voorafgaand aan de functie van inspecteur-vlieger, de brandweer en defensie) worden bij de bepaling van de SB-dienstjaren meegenomen indien de voorafgaande substantieel bezwarende functie en de huidige SB-functie ononderbroken op elkaar aansluiten.

  • De medewerker ontvangt van het bevoegd gezag een brief waarin de op de peildatum bij hem bekende relevante gegevens staan (leeftijd, functie, schaalniveau, bezoldiging en SB-dienstjaren).

  • De totale duur van de SBF-uitkering wordt bepaald door de uitkeringsduur van de transitietabel en de tabel in het uitvoeringsakkoord bij elkaar op te tellen. De hoogte van de uitkering gedurende de in de transitietabel genoemde maanden bedraagt 75% van de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 2, van de Regeling substantieel bezwarende functies. De hoogte van de uitkering gedurende de in de uitvoeringstabel genoemde maanden bedraagt 80% van deze berekeningsgrondslag.

Uitvoeringstabel

Geboortejaar

Uitkeringsduur

1959, 1960

30 maanden

1961, 1962

29 maanden

1963

28 maanden

1964

27 maanden

1965 e.v.

26 maanden

  • De uitkeringsperiode kan in afwijking van artikel 94 b, derde lid, ARAR ingaan vanaf het bereiken van de 55-jarige leeftijd. Dit geldt voor de maanden van de transitietabel en de maanden van de tabel in het uitvoeringsakkoord.

  • Voor medewerkers die voor de publicatiedatum van deze overgangsregeling het SBF-ontslag hebben aangevraagd en uittreden op een datum liggende in de periode tussen 1 april 2015 en 3 maanden na publicatiedatum van deze overgangsregeling, geldt dat zij de keuze hebben tussen een uitkering op basis van de oude SB55+-regeling, zoals die laatstelijk gold op 31 maart 2015, of een uitkering op basis van deze overgangsregeling.

  • Voor medewerkers die gebruik willen maken van de mogelijkheid in de regeling substantieel bezwarende functies om in deeltijd door te blijven werken geldt het volgende. De SBF’er die in deeltijd uittreedt, moet met het oog op praktische inzetbaarheid en fiscale voorschriften minimaal 50% van zijn oorspronkelijke dienstverband blijven werken. De hoogte van de uitkering is dan evenredig aan het deeltijdontslag. De uitkeringsduur wordt bij deeltijduittreden herrekend. Na een deeltijduittreding kan de SBF’er op een later moment volledig uittreden. Dan wordt de uitkeringsduur wederom herrekend.

Vervallen van aanmerking als SB-functie

Voor de medewerker in een SB-functie waarvan de aanmerking als SB-functie vervalt, geldt het volgende. De uitkeringsduur van de transitietabel (rugzak) blijft onveranderd en het recht hierop blijft bestaan, ook na het vervallen van de aanmerking.

Daarnaast kan de medewerker recht hebben op een aantal maanden uitkering op basis van de uitvoeringstabel. Voor het bepalen van dit aantal moet worden bepaald hoeveel jaren de medewerker op het moment van het vervallen van de status ononderbroken in de SB-functie heeft doorgebracht. Dit aantal jaren (SBF-dienstjaren) moet worden vermenigvuldigd met 1 maand, met een maximum van de duur van de nieuwe SB-uitkering op basis van de uitvoeringstabel. Voor het aantal maanden op grond van de uitvoeringstabel gelden de volgende cumulatieve voorwaarden:

  • De werknemer heeft een aaneengesloten diensttijd van minimaal 5 jaar in een SB-functie op de dag dat de aanmerking vervalt.

  • De werknemer is maximaal 10 jaar verwijderd van het eerste moment dat het ABP-pensioen kan ingaan of de werknemer is minimaal 15 jaar in een SB-functie werkzaam geweest (heeft minimaal 15 SB-dienstjaren).

  • De werknemer moet tot zijn uittreden werkzaam blijven in de functie die de SB-aanmerking heeft verloren.

De totale uitkeringsduur van de SBF-uitkering waar een medewerker recht op heeft als de aanmerking SB-functie komt te vervallen, wordt bepaald door de uitkeringsduur van de transitietabel en de maanden op grond van de uitvoeringstabel (voor zover daar recht op bestaat) bij elkaar op te tellen.

In geval van krimp/vervallen van de functie als gevolg van reorganisatie

Met betrekking tot het bovenstaande maken partijen nog de navolgende specifieke afspraken:

  • De verplichte VWNW-kandidaat/hpk’er behoudt zijn aanspraken ten aanzien van de SBF-regeling indien hij bij het bereiken van de SBF-gerechtigde leeftijd gedurende het verplichte begeleidingstraject (VWNW of het dan geldende sociaal flankerende beleid) met SBF-ontslag gaat of hij in een SB-functie wordt herplaatst voor het einde van dat traject. Het verplichte begeleidingstraject van de VWNW-kandidaat/hpk’er telt niet mee voor de berekening van de diensttijd van vijf jaar en geldt niet als onderbreking van de aaneengesloten diensttijd volgens artikel 97, tweede lid, van het ARAR.

  • De medewerker in een SB-functie (die op basis van het voorgaande punt zijn SBF-aanspraken behoudt) kan verzoeken om binnen 18 maanden na de start van het verplichte begeleidingstraject (VWNW of het dan geldende sociaal flankerende beleid) van de SBF-regeling gebruik te maken. De medewerker wordt in dit geval tot aan het moment dat het SBF-ontslag wordt verleend (maximaal 18 maanden) geplaatst in een mobiliteitsafdeling, van waaruit de medewerker op verschillende plaatsen en voor verschillende werkzaamheden (binnen of buiten respectievelijk ILT dan wel Rijkswaterstaat) kan worden ingezet. Het bevoegd gezag biedt hun geen passende functie aan.

  • Met betrekking tot het begrip passende functie wordt aansluiting gezocht bij het huidige VWNW-beleid dan wel de dan geldende regelgeving. Tevens wordt bepaald dat het plaatsingsbereik in de eerste zes maanden van het begeleidingstraject zich beperkt tot SB-functies, tenzij de medewerker anders aangeeft.

Afkoop transitietabel

  • Medewerkers kunnen besluiten tot een eenmalige afkoop van hun recht uit de transitietabel, ongeacht de status van de SB-functie.

  • Als het recht wordt afgekocht, valt de medewerker onverkort onder het uitvoeringsakkoord zoals in Stcrt. 2014, nr. 21723 is neergelegd.

  • De afkoop betreft maximaal 24 maanden. Een eventueel surplus aan maanden waar een recht op zou bestaan vanuit de transitietabel vervalt dan. Deze afkoop kan niet hoger zijn dan € 75.000,– bruto.

  • Deze afkoop dient de medewerker expliciet en uiterlijk 31 december 2015 aan te vragen bij het bevoegd gezag.

  • De hoogte van de afkoop is 100% van de bruto-uitkeringshoogte van het aantal maanden waar gelet op de transitietabel recht op bestaat. Bij de berekening wordt uitgegaan van de hoogste periodiek in de schaal.

  • Medewerkers jonger dan 50 jaar met 0 tot 5 dienstjaren krijgen een eenmalige afkoop ter hoogte van € 5000,– bruto.

AOW-compensatie

AOW-compensatie wordt verstrekt op aanvraag aan degene die vóór de publicatiedatum van de overgangsregeling op basis van de bepalingen van de SBF55-regeling zoals die laatstelijk gold op 31 maart 2015 een uitkering ontvangt en ook aan diegene die al pensioen geniet vanuit de SB-uitkering en een AOW-gat heeft. De compensatie bedraagt de hoogte van hetgeen aan AOW wordt gemist en is bedoeld om de negatieve financiële gevolgen van het ontbreken van de AOW-uitkering te ondervangen.

De berekening van de AOW-compensatie van oud-medewerkers die zijn geboren vóór 1 januari 1955 vindt plaats op basis van de leeftijden zoals is neergelegd in de wet versnelling van de stapsgewijze verhoging AOW-leeftijd.

De berekening van de AOW-compensatie van medewerkers die ná deze datum zijn geboren, vindt plaats op de AOW-datum. Overigens is het voor deze groep mogelijk te opteren om direct de AOW-compensatie te ontvangen op basis van de berekening in de vorige paragraaf. Hiermee ziet de aanvrager wel af van compensatie voor een eventuele verdere verhoging van de AOW-leeftijd.

De AOW-compensatie wordt op aanvraag ook verstrekt aan de medewerker die uiterlijk 3 maanden na publicatiedatum van deze overgangsregeling uittreedt op basis van de bepalingen van de SBF55-regeling zoals die laatstelijk gold op 31 maart 2015.

Slotopmerkingen

In situaties waar de toepassing van deze regeling tot onbillijke uitkomsten leidt voor de ambtenaar, kan het bevoegd gezag hiervan afwijken.

Partijen maken in het Departementaal Georganiseerd Overleg IenM afspraken over gezond langer doorwerken in de SB-functie.

Deze regeling heeft een terugwerkende kracht tot en met 1 april 2015.

Naar boven