Regeling van de Minister van Financiën van 9 juli 2015, FM/2015/1108 M, directie Financiële Markten, strekkende tot uitvoering van artikel 92 van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PbEU 2014, L 173) (Tijdelijke regeling richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014)

De Minister van Financiën,

Gelet op artikel 92 van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PbEU 2014, L 173) en de artikelen 1:25, vierde lid, 2:104, eerste lid, en 4:7, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht;

BESLUIT:

Artikel 1

  • 1. Van artikel 2:96 van de Wet op het financieel toezicht zijn vrijgesteld beheerders van beleggingsinstellingen met zetel in een andere lidstaat die beschikken over een door de toezichthoudende instantie van die andere lidstaat verleende vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen op grond waarvan het is toegestaan de in artikel 6, vierde lid, van die richtlijn bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen.

  • 2. De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is slechts van toepassing voor zover:

    • a. een beheerder van een beleggingsinstelling in Nederland activiteiten verricht of diensten verleent als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen;

    • b. de Autoriteit Financiële Markten overeenkomstig de procedure van artikel 33 van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen in kennis is gesteld van het voornemen van de in onderdeel a bedoelde beheerder van een beleggingsinstelling de in dat onderdeel genoemde activiteiten of diensten in Nederland te verrichten of te verlenen.

Artikel 2

De beheerders van een beleggingsinstelling met zetel in een andere lidstaat die vanuit een in Nederland gelegen bijkantoor een activiteit of dienst als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de richtlijn beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen verrichten of verlenen, zijn vrijgesteld van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wet op het financieel toezicht bepaalde met uitzondering van de artikelen 4:14, tweede lid, aanhef en onderdeel c, 4:19, 4:20, eerste tot en met derde en zesde lid, 4:22, eerste lid, 4:23, 4:24, 4:87, 4:89, 4:89a en 4:90 van die wet.

Artikel 3

De Autoriteit Financiële Markten meldt aan de toezichthoudende instantie van een andere lidstaat het aan haar gemelde voornemen, van een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in onderdeel a van de definitie van Nederlandse beheerder van een belegginginstelling in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht met een vergunning als bedoeld in artikel 2:65 van die wet op grond waarvan het is toegestaan de in artikel 2:67a, tweede lid, van die wet bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen, om in die andere lidstaat voor de eerste maal deze activiteiten te verrichten of diensten te verlenen. De melding geschiedt overeenkomstig de procedure van artikel 2:121d van de Wet op het financieel toezicht.

Artikel 4

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 juli 2015.

Artikel 5

Deze regeling wordt aangehaald als: Tijdelijke regeling richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem

TOELICHTING

Algemeen

Onderhavige regeling strekt tot implementatie van artikel 92 van richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PbEU 2014, L 173) (hierna: MiFID II). Artikel 92 wijzigt de artikelen 4, eerste lid, onderdeel r, en 33, eerste en tweede lid, van de richtlijn nr. 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) Nr. 1060/2009 en (EU) Nr. 1095/2010 (PbEU 2011, L 174) (hierna: AIFMD). Het tweede lid van artikel 93 van MiFID II bepaalt dat de lidstaten vanaf 3 juli 2015 het bepaalde ingevolge artikel 92 van die richtlijn dienen toe te passen.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de AIFMD kan de toezichthoudende instantie van een lidstaat aan een (externe) beheerder van een beleggingsinstelling – met zetel in die lidstaat – een vergunning verlenen voor het beheren van een beleggingsinstelling (en voor het aanbieden van rechten van deelneming in een beleggingsinstelling), indien de desbetreffende beheerder voldoet aan de in dat kader gestelde voorwaarden. De beheerder van een beleggingsinstelling waaraan een dergelijke vergunning is verleend, kan op grond van artikel 6, vierde lid, van de AIFMD worden toegestaan de in dat lid bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen in zijn lidstaat van zijn herkomst. Het gaat daarbij om het beheren van een individueel vermogen (beleggingsportefeuilles), het geven van beleggingsadvies, het ontvangen en doorgeven van orders van cliënten met betrekking tot financiële instrumenten en het bewaren en administreren van aandelen of rechten van deelneming in icbe’s. Deze activiteiten en diensten kwalificeren alle als beleggingsdienst of nevendienst in de zin van bijlage I, delen A en B, bij de richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID).

Artikel 33, eerste lid, van de AIFMD bepaalt dat de vergunninghoudende beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een lidstaat (‘EU abi-beheerder’) een in een andere lidstaat gevestigde beleggingsinstelling (‘EU-abi’) kan beheren. Omdat artikel 33 van de AIFMD daarin niet voorziet, mag de hiervoor bedoelde beheerder van een beleggingsinstelling waaraan het op basis van zijn door de toezichthoudende instantie van de andere lidstaat verleende AIFMD-vergunning is toegestaan om in zijn lidstaat van herkomst de in artikel 6, vierde lid, bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen, deze activiteiten of diensten niet in een andere lidstaat verrichten of verlenen. Dit heeft tot gevolg dat de een dergelijke beheerder die voornemens is de hiervoor bedoelde activiteiten of diensten in een andere lidstaat te verrichten of te verlenen – via een bijkantoor in die andere lidstaat of via het verrichten van diensten naar die andere lidstaat – tevens moet voldoen aan de terzake geldende (aanvullende) nationale voorschriften van die andere lidstaat. Die nationale voorschriften kunnen onder meer inhouden dat de beheerder in die andere lidstaat een (separate) juridische entiteit dient op te richten van waaruit hij de activiteiten of diensten, bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de AIFMD, kan verrichten of verlenen. Om deze belemmering voor grensoverschrijdende verlening van geharmoniseerde diensten weg te nemen, wijzigt artikel 92 van MiFID II het eerste en tweede lid van artikel 33 van de AIFMD. Deze regeling bewerkstelligt dat de beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een lidstaat, die beschikt over een ingevolge de AIFMD verleende vergunning op grond waarvan het hem is toegestaan in zijn lidstaat van herkomst de in artikel 6, vierde lid, van die richtlijn bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen, deze activiteiten of diensten in een andere lidstaat kan verrichten of verlenen, indien de notificatieprocedure van artikel 33 van de AIFMD is doorlopen en hij in overeenstemming met die vergunning handelt. Vanwege het belang dat de hiervoor beschreven belemmering van het grensoverschrijdend verlenen van geharmoniseerde diensten zo spoedig mogelijk wordt weggenomen, geldt op grond van artikel 93, tweede lid, van MiFID II voor artikel 92 van die richtlijn een kortere implementatietermijn (3 juli 2015) dan voor de overige in MiFID II opgenomen bepalingen (3 juli 2016).

Artikelsgewijs

Artikel 1

Artikel 1 van deze regeling bevat een vrijstelling van het in artikel 2:96 van de Wft neergelegde verbod om zonder een ingevolge die wet verleende vergunning in Nederland beleggingsdiensten te verlenen. Onder het bereik van deze vrijstelling vallen beheerders van een beleggingsinstelling met zetel in een andere lidstaat die door middel van dienstverrichting of vanuit een bijkantoor in Nederland hun beroep of bedrijf in Nederland uitoefenen en waaraan het op grond van hun ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AIFMD – door de toezichthoudende instanties van hun lidstaat van herkomst – verleende vergunning is toegestaan de in artikel 6, vierde lid, van de AIFMD, bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen. Artikel 2 verwerkt artikel 92, tweede lid, onderdeel b, van MiFID II. De hiervoor bedoelde beheerder die voornemens is zijn beroep of bedrijf in Nederland uit te oefenen, dient de toezichthoudende instanties van zijn lidstaat van herkomst in kennis stellen van dat voornemen en daarbij alle relevante informatie te verstrekken. Deze toezichthoudende instantie informeert vervolgens de Autoriteit Financiële Markten (hierna: AFM).

In artikel 1 van de regeling is voorts bepaald dat een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een andere lidstaat, die de notificatieprocedure van artikel 33 van de AIFMD heeft doorlopen, (ook) in Nederland de in artikel 6, vierde lid, van die richtlijn bedoelde activiteiten mag verrichten of diensten mag verlenen. Voorwaarde is dat deze beheerder van een beleggingsinstelling van de toezichthoudende instantie van zijn lidstaat van zijn zetel een bevestiging heeft gekregen dat die toezichthoudende instantie aan de AFM – met betrekking tot die beheerder van een beleggingsinstelling – een (Europees) paspoort notificatie heeft gedaan overeenkomstig artikel 33 van de AIFMD.

Artikel 2

Artikel 2 van de regeling regelt dat van het ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wft bepaalde in beginsel zijn vrijgesteld beheerders van een beleggingsinstelling met zetel in een andere lidstaat met een bijkantoor in Nederland waaraan het is toegestaan in Nederland de in artikel 6, vierde lid, van de AIFMD bedoelde activiteiten te verrichten of diensten te verlenen. Echter, een aantal artikelen ingevolge het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen van de Wft is wel van toepassing op deze beheerders van beleggingsinstellingen. Dit is in lijn met artikel 4, tweede lid, van die wet.1 In die artikelen zijn onder meer voorschriften opgenomen met betrekking tot de beheerste en integere bedrijfsvoering, de informatieverstrekking aan cliënten, de passendheidstoets en de geschiktheidstoets. Artikel 2 ziet niet op het verrichten van diensten in Nederland door een beheerder van een beleggingsinstelling met zetel in een andere lidstaat.

Artikel 3

Artikel 3 van de regeling ziet op de situatie dat een Nederlandse beheerder van een beleggingsinstelling als bedoeld in artikel 1:1 van de Wft, die zijn zetel heeft in Nederland en die beschikt over een ingevolge artikel 2:65 van de Wft verleende vergunning voor het uitoefenen van zijn beroep of bedrijf, het voornemen heeft de in artikel 2:67a, tweede lid, van de Wft, bedoelde activiteiten of diensten in een andere lidstaat te verrichten of te verlenen. In laatstgenoemd artikel is artikel 6, vierde lid, van de AIFMD verwerkt. De hiervoor bedoelde activiteiten en diensten kunnen worden verricht of verleend vanuit een bijkantoor in de andere lidstaat of rechtstreeks door middel van het verrichten van diensten naar de andere lidstaat. Echter, de beheerder is daartoe alleen bevoegd, indien de aan hem verleende Wft-vergunning (ook) ziet op het verlenen van de in artikel 2:67a, tweede lid, van de Wft bedoelde activiteiten en diensten. Alvorens de beheerder daadwerkelijk tot de uitoefening van zijn beroep of bedrijf in een andere lidstaat kan overgaan, dient hij een notificatieprocedure van artikel 2:121d van de Wft te hebben doorlopen. In artikel 2:121d van de Wft, dat nadere procedurele voorschriften met betrekking tot de kennisgeving bevat, is artikel 33 van de AIFMD verwerkt.2

Artikel 4

Dit artikel regelt het tijdstip van inwerkingtreding van onderhavige regeling. De regeling die een tijdelijk karakter heeft, vervalt op het tijdstip waarop het voorstel van wet dat onder andere de artikelen 92 en 93, tweede lid, van MiFID II in het (Nederlandse) nationale recht implementeert kracht van wet heeft verkregen en in werking is getreden. Op grond van artikel 93, eerste lid, van MiFID II dienen de (overige) in die richtlijn opgenomen voorschriften in beginsel vanaf 3 januari 2017 te worden toegepast.

Op grond van artikel 93, tweede lid, van MiFID II dient artikel 92 van die richtlijn vanaf 3 juli 2015 te worden toegepast door de lidstaten. Ter uitvoering van deze bepalingen werkt deze regeling terug tot en met 3 juli 2015. Deze regeling werkt terug omdat deze slechts begunstigende maatregelen bevat.

Artikel 5

Deze regeling wordt aangehaald als Tijdelijke regeling richtlijn markten voor financiële instrumenten 2014.

De Minister van Financiën, J.R.V.A. Dijsselbloem


X Noot
1

Ter implementatie van artikel 32, zevende lid, van de richtlijn markten voor financiële instrumenten (vgl. artikel 35, achtste lid, van MiFID II).

X Noot
2

Kamerstukken II 2011/12, 33 235, nr. 3, blz. 38.

Naar boven