Dit besluit wijzigt het besluit over de toepassing van de eigenwoningregeling van
24 november 2009, nr. CPP2009/2342M,
Staatscourant 2009, nr. 18386. De wijziging betreft het opnemen van een goedkeuring waardoor ook sprake kan zijn
van een woning in aanbouw als de feitelijke bouwwerkzaamheden (heien of aanleggen
fundering) nog niet zijn begonnen.
Het besluit van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M wordt gewijzigd als volgt.
ARTIKEL I
A
De tekst voor de Inleiding ‘In dit besluit wordt het besluit van 2 november 2009,
nr. CPP2009/998M aangepast. De verschrijving (voorafgaande jaren) in de goedkeuring
in onderdeel 3.6. is verbeterd in daaropvolgende jaren.’ vervalt.
B
Onderdeel 1.8. vervalt.
C
Aan onderdeel 3 wordt een nieuw subonderdeel toegevoegd, luidende:
3.7. Woning in aanbouw
In twee arresten van 3 oktober 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wet geen
hypotheekrenteaftrek toestaat voor een woning tot het moment van heien of het leggen
van de fundering (ECLI:NL:HR:2014:2872 en ECLI:NL:HR:2014:2873). De Hoge Raad geeft
hiermee een uitleg aan het begrip woning in aanbouw in de zin van artikel 3.111, derde
lid, van de Wet IB 2001. In de nota naar aanleiding van het verslag bij het Belastingplan
2015 heb ik namens het kabinet gereageerd op deze arresten (Kamerstukken II 2014/15,
34 002, nr. 10, blz. 37–38). De Hoge Raad heeft naar de mening van het kabinet in de genoemde arresten
terecht geoordeeld dat in die concrete situatie geen sprake is van een woning in aanbouw
voor de eigenwoningregeling. Een stuk grond waarbij de belanghebbende enkel de intentie
heeft om te gaan bouwen, kwalificeert ook naar de opvatting van het kabinet niet als
zodanig. De uitleg van de Hoge Raad van het begrip woning in aanbouw in de Wet IB
2001 in meer algemene zin is echter een andere dan die de wetgever bij de totstandkoming
van de Wet IB 2001 voor ogen heeft gestaan. De wetgever beoogde ook in de situatie
dat concrete stappen zijn gezet waaruit naar redelijke verwachting valt aan te nemen
dat de bouwwerkzaamheden binnen afzienbare tijd gaan beginnen, sprake te laten zijn
van een woning in aanbouw in de zin van artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001.
Deze uitleg van het begrip woning in aanbouw voor de eigenwoningregeling wordt in
de praktijk ook toegepast door de Belastingdienst.
Ik wil de nu ontstane onduidelijkheid inzake het begrip woning in aanbouw wegnemen.
Daarom keur ik het volgende goed vooruitlopend op wijziging van de Wet IB 2001.
Goedkeuring
Ik keur goed dat in afwijking van de genoemde arresten ook sprake kan zijn van een
woning in aanbouw in de zin van artikel 3.111, derde lid, van de Wet IB 2001 als er
voldoende concrete stappen zijn gezet op grond waarvan naar redelijke verwachting
valt aan te nemen dat de bouwkundige werkzaamheden binnen afzienbare tijd gaan beginnen.
Ingeval van nieuwbouw is sprake van een woning in aanbouw vanaf het moment van sluiten
van de koop-/aannemingsovereenkomst als belastingplichtige aannemelijk maakt dat die
woning in aanbouw uitsluitend bestemd is om hem in het kalenderjaar van het moment
van het sluiten van de koop-/aanneemovereenkomst of een van de drie daaropvolgende
jaren als hoofdverblijf ter beschikking te staan.
Bij een bouwkavel gaat het om een weging van de feiten en omstandigheden in het individuele
geval om te bepalen vanaf welk moment sprake is van een woning in aanbouw. Als belastingplichtige
een bouwkavel heeft en de bouwkundige werkzaamheden zijn begonnen, dan geldt het volgende.
In die situatie kan worden aangenomen dat in ieder geval vanaf zes maanden voorafgaand
aan de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden, sprake is van een woning in aanbouw.
De belastingplichtige moet dan wel aannemelijk maken dat die woning in aanbouw vanaf
zes maanden voorafgaand aan de start van de feitelijke bouwwerkzaamheden, uitsluitend
bestemd is om hem in het kalenderjaar of een van de drie daaropvolgende jaren als
hoofdverblijf ter beschikking te staan.
ARTIKEL II
Dit besluit treedt in werking met ingang de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant
waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 3 oktober 2014, met uitzondering
van artikel I, onderdeel B.