Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)Staatscourant 2014, 22971Besluiten van algemene strekking

Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 augustus 2014, nummer WBV 2014/25, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de Vreemdelingenwet 2000, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

De Vreemdelingencirculaire 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

Paragraaf A2/10.1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

10.1 Verlenen van medewerking aan identificatie

In ieder geval de volgende vreemdelingen hebben de plicht een gezichtsopname en vingerafdrukken te laten afnemen door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:

  • vreemdelingen die op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen en/of tegen wie een onderzoek naar de identiteit moet worden ingesteld;

  • vreemdelingen tegen wie – met het oog op de toepassing van de Vw – een onderzoek naar hun criminele en/of ongunstige politieke antecedenten moet worden ingesteld;

  • vreemdelingen bij wie een voorschrift aan de verblijfsvergunning wordt verbonden in het belang van de openbare orde en/of de nationale veiligheid;

  • vreemdelingen aan wie een individuele verplichting tot periodieke aanmelding wordt opgelegd (zie artikel 54, tweede lid, Vw);

  • vreemdelingen aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd (zie artikel 56 Vw);

  • vreemdelingen die ongewenst worden of zijn verklaard (zie artikel 67 Vw);

  • vreemdelingen aan wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd (zie artikel 59 Vw);

  • vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend;

  • vreemdelingen wie de IND een bijzondere aanwijzing heeft gegeven.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet ten aanzien van afgenomen vingerafdrukken alle volgende handelingen verrichten:

  • het formulier met de vingerafdrukken onmiddellijk verzenden naar de DNRI, afdeling Dactyloscopie;

  • achter op het formulier vermelden op basis van welke gegevens de identiteit van de vreemdeling is onderzocht;

  • aangeven waarom de vingerafdrukken zijn genomen;

  • het formulier voorzien van het dossier- en vreemdelingennummer van de IND;

  • als de vreemdeling een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend het vakje ‘Asiel’ aankruisen. Op de buitenzijde van de enveloppe moet in de linker bovenhoek ‘Asiel’ worden vermeld.

Voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding, moet het speciaal daarvoor bedoelde formulier voor vingerafdrukken worden gebruikt (het Dactyloscopisch Formulier Identiteitsonderzoek). Op dit formulier mag geen verwijzing naar de verblijfshistorie van de vreemdeling vermeld staan.

B

Paragraaf A2/10.2 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

10.2 Verplichting tot het verstrekken van gegevens

De Korpschef of de Commandant der KMar moet een mondelinge of schriftelijke vordering aan een vreemdeling tot het verstrekken van gegevens zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb, in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal doen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag een vreemdeling die beschikt over een verblijfsdocument niet verplichten informatie zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb te verstrekken. Alleen in het geval er gerechtvaardigde aanleiding is te veronderstellen dat de vreemdeling voorschriften op het gebied van toezicht op vreemdelingen niet is nagekomen en/of niet (meer) voldoet aan de beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de vreemdeling daarover ondervragen.

Personen die aan een vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 4.40 Vb, verblijf voor de nacht verschaffen, moeten daarvan mededeling doen aan de Korpschef van de gemeente van het nachtverblijf of de Commandant der KMar. De manier waarop deze mededeling wordt gedaan is vormvrij.

De IND heeft de bevoegdheid schriftelijk een bijzondere aanwijzing aan de Korpschef of de Commandant der KMar te geven over het verstrekken van gegevens van een vreemdeling door een werkgever op grond van artikel 4.41 Vb. De Korpschef of de Commandant der KMar moet een vordering aan de werkgever van de vreemdeling tot het verstrekken van gegevens van de vreemdeling overhandigen of per aangetekende brief verzenden aan de werkgever.

De Korpschef of de Commandant der KMar moet in de vordering aan de werkgever alle volgende onderdelen vermelden:

  • welke gegevens de werkgever moet verstrekken;

  • op welke wijze de werkgever de gegevens moet verstrekken;

  • binnen welke termijn de werkgever de gegevens moet verstrekken;

  • (eventueel) ten aanzien van welke categorieën vreemdelingen de werkgever de gegevens moet verstrekken.

De werkgever moet op vordering tot het verstrekken van gegevens, de Korpschef of de Commandant der KMar in ieder geval de volgende gegevens verstrekken:

  • naam van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • voorna(a)m(en) van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • geboortedatum en -plaats van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • nationaliteit van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • datum van indiensttreding van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;

  • woonplaats en adres van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever.

De Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, doet de vordering tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die bij de werkgever in dienst zijn of in dienst zijn geweest. De Korpschef of Commandant der KMar moet overleg voeren en gegevens van deze vreemdelingen uitwisselen met de Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar de vreemdelingen woonachtig zijn.

C

Paragraaf A2/10.3 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

10.3 Meldplicht

10.3.1 Meldplicht in het kader van toelatingsprocedures

De Korpschef informeert de vreemdeling na ondertekening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, dat op hem, in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag, een meldplicht rust (zie artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb). De vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend, wordt een meldplicht opgelegd door gebruik te maken van het model M117-A. Het model M117-A dient ook als proces-verbaal van uitreiking van de meldplicht aan de vreemdeling.

De Korpschef:

  • moet aan een vreemdeling een beschikking uitreiken als hij de vreemdeling een periodieke meldplicht oplegt;

  • moet de vreemdeling wijzen op wijzigingen over zijn meldplicht;

  • mag de ontheffing van de meldplicht beëindigen als ontheffing niet langer gewenst is;

  • mag naar eigen oordeel afwijken van de instructies voor oplegging of ontheffing van de meldplicht.

Bij de oplegging of ontheffing van de meldplicht gelden voor de Korpschef de volgende instructies.

De Korpschef verleent in ieder geval in de volgende situaties geen (of niet langer) ontheffing van de meldplicht aan de vreemdeling:

  • bij een aanvraag in eerste aanleg voor een verblijfsvergunning waarover de Korpschef niet inwilligend heeft geadviseerd;

  • als voor het vreemdelingentoezicht ontheffing van de meldplicht niet (of niet langer) gewenst is;

  • de vreemdeling niet langer in Nederland mag verblijven.

De Korpschef verleent aan een vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend uitsluitend in de volgende situaties ontheffing van de meldplicht:

  • tijdens het afwachten van de beslissing in eerste aanleg van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in overleg met de IND;

  • als de vreemdeling minderjarig is beneden de leeftijd van twaalf jaar en geen Amv is.

10.3.2 Meldplicht in het kader van terugkeer

De Korpschef legt de vreemdeling die zich niet rechtmatig in Nederland bevindt en zich conform artikel 54, eerste lid onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid Vb meldt, het tijdstip en de plaats van melden op. Deze meldplicht gaat gepaard met terugkeerbegeleiding door de DT&V. Het opleggen van de meldplicht met terugkeerbegeleiding kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen.

10.3.3 Onttrekking meldplicht

Voor iedere meldplicht geldt:

De Korpschef vordert de vreemdeling aan wie een periodieke meldplicht is opgelegd en die zich twee achtereenvolgende keren niet heeft gehouden aan de periodieke meldplicht, om in persoon gegevens te verstrekken over de onttrekking aan de periodieke meldplicht. Als de vreemdeling niet reageert, mag de Korpschef concluderen dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten of zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken en meldt de vreemdeling af in de vreemdelingenadministratie.

Voor vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, laat de Korpschef een adrescontrole door de politie uitvoeren. De politie moet het daadwerkelijke vertrek van de vreemdeling vaststellen. De Korpschef mag concluderen dat de vreemdeling definitief is vertrokken als dat onomstotelijk vast is komen te staan. De Korpschef moet de IND en de DT&V over het (veronderstelde) vertrek van een vreemdeling informeren door middel van een verwijzing in BVV.

D

Onder vernummering van paragraaf A2/10.4 Vreemdelingencirculaire 2000 tot A2/10.5 Vreemdelingencirculaire 2000, wordt een paragraaf ingevoegd luidende:

10.4 Borgsom

Aan de vreemdeling op wie een vertrekplicht rust en die in ieder geval aan alle volgende voorwaarden voldoet kan, voorafgaand aan terugkeer, een borgsom worden opgelegd door de DT&V:

  • de vreemdeling werkt aantoonbaar aan terugkeer;

  • de vreemdeling tekent een terugkeercontract met de DT&V waarin rechten en plichten van de vreemdeling met betrekking tot terugkeer en de borgsom zijn vastgelegd.

Het opleggen van de borgsom kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen. Het terugkeercontract bevat in ieder geval een termijn van in beginsel 28 dagen waarbinnen de vreemdeling aan zijn vertrekplicht moet hebben voldaan. Het borgbedrag wordt in beginsel gesteld op € 1.500, de DT&V kan hiervan afwijken. De borgsom wordt geretourneerd door de DT&V als de vreemdeling zich meldt op de luchthaven bij de KMar en daadwerkelijk Nederland verlaat.

E

Paragraaf A3/6.5 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

6.5 Aanlevering van de vreemdeling voor de uitzetting

Uitzettingen vinden plaats via één van de justitiële inrichtingen. Hiervan uitgezonderd zijn in ieder geval de volgende vreemdelingen:

  • vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het vreemdelingentoezicht;

  • vreemdelingen die worden uitgezet per vliegtuig en rechtstreeks naar de grensdoorlaatpost worden gebracht waarlangs de vreemdeling zal worden uitgezet. Het rechtstreeks via de grensdoorlaatpost laten vertrekken van vreemdelingen mag uitsluitend in de volgende gevallen:

    • na overleg met de DT&V;

    • in uitzonderlijke gevallen bij capaciteitsproblemen of bij overwegingen van openbare orde.

De DT&V is bij uitzetting per vliegtuig verantwoordelijk voor het boeken van een vlucht voor de vreemdeling. Minimaal 48 uur voor vertrek controleert de DT&V of de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

  • de vreemdeling beschikt over een geldig vliegticket;

  • de vreemdeling beschikt over zijn geld en andere eigendommen;

  • de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een schriftelijke toezegging van de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding;

  • de vreemdeling beschikt over persoonlijke bagage (maximaal 20 kg.);

  • de vreemdeling beschikt als dit nodig is over een verklaring van medische vliegreisgeschiktheid (de ‘fit-to-fly-verklaring’).

Voor de uitzetting plaatsvindt, wijst de ambtenaar belast met de feitelijke uitzetting de vreemdeling erop dat bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gevraagd, achtergelaten mogen worden.

F

Paragraaf A5/1 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

1. Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de beleidsregels opgenomen die gelden voor vreemdelingen waarvan de vrijheid beperkt wordt of waarvan de vrijheid ontnomen wordt.

Toepassing van een vrijheidsontnemende maatregel dient beperkt te blijven tot het strikt noodzakelijke en dient achterwege te blijven indien een ander middel effectief kan worden toegepast. Steeds moet worden nagegaan of met een lichter middel volstaan kan worden. Anders dan bij de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals neergelegd in de Vreemdelingenwet, zal een vrijheidsbeperkende maatregel in de regel niet disproportioneel zijn indien deze nodig is voor de voorbereiding van het vertrek van de vreemdeling. Wel moet worden nagegaan of in de gegeven omstandigheden, de door de vreemdeling gestelde belangen zwaarder moeten wegen dan het belang van de overheid bij het beschikbaar houden van de vreemdeling voor het vertrekproces. De uitvoering van deze maatregelen is met alle volgende waarborgen omkleed:

  • Vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming zijn alleen geoorloofd op basis van een wettelijke bepaling;

  • De beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit moeten voortdurend in acht worden genomen;

  • Tegen een besluit tot het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel kan de vreemdeling beroep instellen bij de rechtbank.

De beleidsregels zijn een aanvulling op of een uitwerking van de volgende artikelen uit het Vb en VV:

  • paragraaf 1: artikel 5.6 Vb;

  • paragraaf 4: artikel 5.1a en 5.1b Vb en artikel 5.2 VV.

G

Paragraaf A5/5 Vreemdelingencirculaire 2000 komt te luiden:

5. Vrijheidsbeperking op grond van artikel 56 Vw

De DT&V, de Korpschef of de commandant van de KMar legt de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw – in combinatie met een toezichtmaatregel op grond van artikel 54, tweede lid, Vw – op, op grond van de openbare orde of de nationale veiligheid. De vreemdeling moet werken aan zijn vertrek uit Nederland waarbij de DT&V de regie heeft over het vertrektraject.

De vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 56 Vw in een vrijheidsbeperkende locatie wordt in beginsel twaalf weken opgelegd met model M102. Als de vrijheidsbeperkende maatregel langer dan twaalf weken moet worden voortgezet, mag de minister besluiten de vrijheidsbeperkende maatregel te laten voortduren of op een andere plaats op te leggen. Als de vrijheidsbeperkende maatregel op een andere plaats wordt opgelegd, wordt model M102 opnieuw opgemaakt.

Ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen wordt om het vertrek voor te bereiden zo veel mogelijk volstaan met het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel in:

  • de VBL;

  • of een gezinslocatie.

Aan een gezin met minderjarige kinderen wordt gedurende (een deel van de periode) waarin het vertrek wordt voorbereid een maatregel op grond van artikel 56 Vw opgelegd als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is sprake is van gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid – ook als op grond daarvan tot vrijheidsontneming zou kunnen worden overgegaan;

  • het vertrek van het gezin kan niet binnen veertien dagen worden gerealiseerd;

  • het gezin heeft voorafgaande aan de maatregel in de opvang verbleven;

  • het gezin is in de illegaliteit aangetroffen.

Om de vreemdeling in staat te stellen aan de maatregel op grond van artikel 56 Vw te voldoen, biedt het COA de vreemdeling vervoer naar de VBL aan. Als de vreemdeling weigert om gebruik te maken van het aangeboden vervoer wordt daarmee geconcludeerd dat de vreemdeling geen gebruik wenst te maken van het aangeboden onderdak. De Korpschef houdt de vreemdeling vanwege het niet naleven van de aan hem opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 50 Vw staande en brengt hem naar een plaats bestemd voor verhoor. Vervolgens wordt beoordeeld of een vrijheidsontnemende maatregel kan worden opgelegd. Als vrijheidsontneming niet mogelijk is, krijgt de vreemdeling van de Korpschef een aanzegging Nederland te verlaten.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Dit besluit zal (met de toelichting) in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 augustus 2014

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, de wnd. directeur-generaal Vreemdelingenzaken, H. Heida

TOELICHTING

Algemeen

Deze wijzigingsregeling bevat de wijzigingen in de Vreemdelingencirculaire 2000 mede naar aanleiding van de koepelbrief van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 september 2013 betreffende de uitbreiding van toezichtsmaatregelen in het kader van terugkeer. Voorts bevat deze wijzigingsregeling een expliciete vermelding van het ultimum remedium karakter van vreemdelingenbewaring eveneens naar aanleiding van de koepelbrief. De Vreemdelingencirculaire is tevens aangepast naar aanleiding van de samenvoeging HvB/UC; een wijziging in het vertrekproces waarbij niet langer gebruik gemaakt wordt van uitzetcentra. Ten slotte is een wijziging opgenomen waardoor de doelgroep aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 56 Vw kan worden opgelegd is uitgebreid. Ook deze wijziging vloeit voort uit de koepelbrief.

Bij de invoeringstermijn van deze regeling wordt, verwijzend naar Aanwijzing 174, Aanwijzingen voor de regelgeving, afgeweken van het vaste verandermoment.

Artikelsgewijs

A

Tekstuele aanpassing.

B

De verwijzing naar artikelen 4.39-4.44 Vb is weggelaten aangezien de in deze artikelen genoemde verplichtingen van rechtswege bestaan. Artikel 4.38 Vb ziet op verstrekking van gegevens door de vreemdeling op vordering van Onze Minister en is hier wel van toepassing en om die reden toegevoegd.

C

Paragraaf A2/10.3 is onderverdeeld in twee subparagrafen, aangezien de meldplicht zowel kan worden opgelegd in het kader van de toelatingsprocedures als in het kader van terugkeer. A2/10.3.1, is daarom vernoemd de ‘Meldplicht in het kader van toelatingsprocedures’. Paragraaf A2/10.3.2 is dan de ‘meldplicht in het kader van terugkeer’. Deze kan bij iedere vreemdeling met een vertrekplicht worden opgelegd. In paragraaf A2/10.3.3 staat vermeld wat in het geval van onttrekking voor de meldplicht van toepassing is. Verder is in deze paragraaf het M100-formulier vervangen door een verwijzing in BVV in geval van (verondersteld) vertrek van de vreemdeling.

D

Vernummering paragraaf A2/10.4 tot A2/10.5. De ingevoegde paragraaf A2/10.4 wordt een paragraaf luidende ‘borgsom’. De voorwaarden voor de borgsom komen voort uit de koepelbrief.

E

Naar aanleiding van de samenvoeging van het Huis van Bewaring met het uitzetcentrum zijn de passages in de Vreemdelingencirculaire 2000 waar de term uitzetcentrum wordt gebruikt verwijderd. De term uitzetcentrum is vervangen door de term justitiële inrichting.

F

Sinds de koepelbrief wordt meer nog dan voorheen een afweging gemaakt of alternatieve toezichtmaatregelen aan de orde zijn, zodat vreemdelingenbewaring nog meer als ultimum remedium wordt toegepast. Vreemdelingenbewaring is het sluitstuk, zoals ook neergelegd in de Terugkeerrichtlijn, en wordt slechts ingezet wanneer dat proportioneel is en de toepassing van andere, lichtere, maatregelen niet heeft gewerkt of mogelijk is.

G

In paragraaf A5/5 Vreemdelingencirculaire is de passage verwijderd waarin wordt toegelicht in welke gevallen artikel 56 Vreemdelingenwet kan worden opgelegd. De restricties die hieruit volgden qua doelgroep aan wie deze maatregel kon worden opgelegd zijn hiermee komen te vervallen.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voor deze, de wnd. directeur-generaal Vreemdelingenzaken, H. Heida