Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriek
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2014, 11933Interne regelingen

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 april 2014, nr. 492552, tot wijziging van de Regeling wapens en munitie in verband met nieuwe regelgeving met betrekking tot de bewapening en uitrusting van de politie

De Minister van Veiligheid en Justitie,

Gelet op artikel 3a, tweede en derde lid, van de Wet wapens en munitie;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling wapens en munitie wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3a, eerste lid, wordt ‘Besluit bewapening en uitrusting’ vervangen door: Besluit bewapening en uitrusting politie.

B

In artikel 4 wordt in het eerste lid na ‘artikel’ ingevoegd: 13, eerste lid en 14, eerste lid.

C

Artikel 6 komt als volgt te luiden:

  • 1. Het voorschrift, bedoeld in artikel 4, eerste lid, kan uitsluitend betrekking hebben op:

    • a. een korte wapenstok als bedoeld in artikel 12 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;

    • b. een pistool als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a of b, van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;

    • c. de munitie als bedoeld in artikel 3 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;

    • d. pepperspray als bedoeld in artikel 6 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013;

    • e. andere wapens en munitie dan genoemd onder a tot en met d.

  • 2. Indien het voorschrift betrekking heeft op een pistool als bedoeld in het eerste lid, onder b, of pepperspray als bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt als voorwaarde dat het pistool wordt gedragen in een daarbij horend holster als bedoeld in artikel 7 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013 onderscheidenlijk dat pepperspray wordt gedragen in een draagmiddel als bedoeld in artikel 6a van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013.

D

Na artikel 6 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6a

De artikelen 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27 eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover de in die artikelleden genoemde handelingen plaats vinden met een trainingswapen en trainingsmunitie als bedoeld in artikel 14 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013, ten behoeve van de opleiding of beroepsvaardigheidstraining.

Artikel 6b

  • 1. De wapens en de munitie, bedoeld in artikel 6 en artikel 6a, worden door het Politiedienstencentrum aangeschaft en afgevoerd, met uitzondering van de afvoer van de pepperspray, de verdekte pepperspray en de munitie, voor zover deze na gebruik geen werkzame bestanddelen meer bevatten.

  • 2. De Minister kan in bijzondere gevallen toestemming verlenen om af te wijken van het eerste lid.

  • 3. De Minister kan aanwijzingen geven over de wijze waarop de wapens en de munitie worden afgevoerd.

E

Artikel 7, eerste lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. Van het verbod van artikel 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, en 26, eerste lid, van de wet wordt vrijstelling verleend aan personen die werkzaam zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover het vervaardigen, transformeren, overdragen, overdragen, doen binnenkomen of uitgaan, het vervoeren of het voorhanden hebben geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 16 april 2014

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten

TOELICHTING

Algemeen

Deze wijziging van de Regeling wapens en munitie (Rwm) houdt hoofdzakelijk verband met het Besluit bewapening en uitrusting politie en het onderliggende Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013, beide gebaseerd op de Politiewet 2012. De opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en de buitengewoon opsporingsambtenaren die zijn uitgerust met geweldsmiddelen, maken gebruik van dezelfde (trainings)wapens, munitie, holsters en draagmiddelen als die bij de politie in gebruik zijn. Het is daarom vanuit juridisch en beleidsmatig oogpunt wenselijk om op hen zoveel mogelijk dezelfde regels omtrent merk en type alsmede aanschaf en afvoer van toepassing te laten zijn.

De artikelen 4 tot en met 6, zoals deze golden tot inwerkingtreding van deze regeling, zien op de bewapening van opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover hun het voorschrift is gegeven om gedurende hun dienstuitoefening een wapen en munitie voorhanden te hebben. Artikel 4 wordt gewijzigd en er worden nieuwe artikelen 6a en 6b ingevoegd. In de artikelen 4 tot en met 6b zijn nu de mogelijkheden en regels voor bewapening van opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren beter vastgelegd. Toekomstige wijzigingen in de regelgeving met betrekking tot het merk en/of type van de bewapening en munitie van de politie zullen daarmee ook gelden voor de opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren.

Verder zijn enkele wijzigingen aangebracht die verband houden met een gewenste aansluiting bij de praktijk.

De wijzigingen in artikel 6 en het nieuwe artikel 6b zijn aan te merken als wijzigingen van technische en organisatorische aard. In de praktijk wordt veelal reeds gewerkt conform hetgeen in deze wijzigingen wordt vastgelegd. De wijzigingen hebben dan ook geen financiële gevolgen. Het via een gezamenlijke aanbestedingsprocedure aanschaffen van wapens en munitie door het Politiedienstencentrum is voor de politie kostenneutraal. De inkoopprijs wordt met een opslag voor door de politie gemaakte kosten aan de betreffende opsporingsdiensten en werkgevers van buitengewoon opsporingsambtenaren in rekening gebracht.

Over deze regeling heeft afstemming plaatsgevonden met de bij deze regelgeving betrokken partijen.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Bij het invoegen van artikel 3a bij de Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 13 december 2012 tot aanpassing van diverse ministeriële regelingen aan de Politiewet 2012 (Stcrt. 2012, 26110) is de citeertitel van het Besluit bewapening en uitrusting politie niet volledig genoemd. In artikel I, onderdeel A, van de voorliggende regeling wordt dit hersteld.

Artikel I, onderdeel B

De wijziging in artikel 4 houdt in dat de artikelen 13, eerste lid en 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie van toepasselijkheid zijn uitgezonderd voor opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover hun het voorschrift is gegeven om gedurende hun dienstuitoefening een wapen en munitie voorhanden te hebben. Bij artikel 13 gaat het om wapens van categorie I.

In deze categorie vallen onder meer niet vurende oefenwapens (categorie I, onder 7) en geluidsdempers (categorie I, onder 3). In de opsporingspraktijk moet ook over dergelijke categorie I wapens kunnen worden beschikt. Met de toevoeging van artikel 14 wordt buiten twijfel gesteld dat bewapende opsporingsambtenaren bij een grensoverschrijding niet handelen in strijd met de Wet wapens en munitie.

Artikel I, onderdeel C

Artikel 6 is opnieuw geredigeerd. Het eerste lid bevat een opsomming van de wapens en munitie waarop een voorschrift als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Rwm uitsluitend betrekking kan hebben. Gelet op de gewenste uniformiteit is daarbij gekozen voor een dynamische verwijzing naar het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013. Een toekomstige wijziging in dit besluit is dan direct van toepassing op de in artikel 4, eerste lid, van de Rwm bedoelde opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren.

Het nieuwe tweede lid geeft regels over het draagmiddel van pepperspray en het pistool door opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover hun het voorschrift is gegeven om gedurende hun dienstuitoefening een wapen en munitie voorhanden te hebben. Hiermee wordt in het belang van de veiligheid verzekerd dat gebruik wordt gemaakt van goede en geteste draagmiddelen. Voor ambtenaren van politie is dit geregeld in het Besluit bewapening en uitrusting politie en het daarop gebaseerde Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013.

Artikel I, onderdeel D

Op grond van het ingevoegde artikel 6a kunnen opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren in het kader van de opleiding of beroepsvaardigheidstraining gebruik maken van trainingswapens en trainingsmunitie zoals bedoeld in artikel 14 van het Aanwijzingsbesluit bewapening en uitrusting politie 2013. In voorkomende gevallen is het mogelijk dat opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren zonder bewapeningsvoorschrift als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Rwm handelingen verrichten met trainingswapens en munitie. Dit kan bijvoorbeeld in het kader van een opleiding of training over de omgang met wapens en munitie waarmee men in de praktijk kan worden geconfronteerd.

Op grond van het ingevoegde artikel 6b dienen de wapens en de munitie, bedoeld in artikel 6 en 6a, te worden aangeschaft en afgevoerd door een door het Politiedienstencentrum, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Regeling beheer politie. Hiermee wordt de bestaande praktijk geformaliseerd, waarbij via een gezamenlijke aanbestedingsprocedure wapens en munitie wordt aangekocht. Met dit artikel wordt tevens geborgd dat alleen goedgekeurde en zorgvuldig geteste wapens en munitie worden gebruikt door opsporingsambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en buitengewoon opsporingsambtenaren en wordt voorkomen dat afgestoten overheidswapens op de (inter)nationale commerciële markt terecht komen.

Artikel I, onderdeel E

Met de wijziging van artikel 7 geldt dat de in artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie genoemde verboden voor een grotendeels niet van toepassing zijn op personen die werkzaam zijn bij het Nederlands Forensisch instituut (NFI), voor zover de in dat artikellid bedoelde handelingen geschieden uit hoofde van de dienstuitoefening. Voor forensisch onderzoek is het noodzakelijk dat het NFI categorie I wapens voorhanden mag hebben waaronder de categorie I wapens die in gebruik zijn bij politie en defensie.

Voorts kan het voorkomen dat in het kader van forensisch onderzoek handelingen met een wapen moeten worden verricht die vallen onder het vervaardigen, transformeren of overdragen van een wapen of munitie.

De Minister van Veiligheid en Justitie, I.W. Opstelten