Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesStaatscourant 2013, 34313Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 3 december 2013, nr. 2013-0000731182, DCB/CZW/S&B, houdende regels ter uitvoering van de Wet basisregistratie personen en het Besluit basisregistratie personen (Regeling basisadministratie personen)

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Gelet op richtlijn nr. 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281), de artikelen 1.12, derde en vierde lid, 1.15, derde lid, 2.21, vijfde lid, 2.40, derde lid, en 4.7, tweede lid, van de Wet basisregistratie personen en de artikelen 3, eerste lid, 6, vierde lid, 9, tweede lid, 15, tweede en zevende lid, 16, derde lid, 17, derde lid, 20, 23, tweede lid, 32, tweede lid, 38, 47, tweede, vierde en zesde lid, 48, tweede lid, 49 en 52 van het Besluit basisregistratie personen;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

§ 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de Wet BRP:

de Wet basisregistratie personen;

b. het Besluit BRP:

het Besluit basisregistratie personen;

c. de minister:

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

§ 2. De systeembeschrijving

Artikel 2

De systeembeschrijving wordt gevormd door:

  • a. de in bijlage 1 bij deze regeling genoemde onderdelen van het Logisch Ontwerp GBA, versie 3.8, bedoeld in artikel 3, eerste lid;

  • b. de in bijlage 2 bij deze regeling genoemde onderdelen van het Logisch Ontwerp RNI, versie 2.10.02, bedoeld in artikel 3, tweede lid;

  • c. de hoofdstukken 3 en 4 van de in bijlage 3 bij deze regeling opgenomen beschrijving van de wijze waarop de in de bijlagen 1 en 2 bedoelde onderdelen worden toegepast.

Artikel 3
  • 1. Het Logisch Ontwerp GBA, versie 3.8, is opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling.

  • 2. Het Logisch Ontwerp RNI, versie 2.10.02, is opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.

§ 3. De bewaring van geschriften en andere bescheiden

Artikel 4
  • 1. De te bewaren geschriften en andere bescheiden, ongeacht hun vorm, die de verantwoordelijke heeft gebruikt in verband met de verwerking van gegevens in de basisregistratie, zijn vermeld in de lijst die als bijlage 6 bij deze regeling is gevoegd.

  • 2. De in het eerste lid bedoelde geschriften en andere bescheiden worden met het oog op het gebruik daarvan bij de uitvoering van de Wet BRP bewaard gedurende de in de lijst vermelde termijnen.

§ 4. De bewerker

Artikel 5

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

a. werkzaamheden:

werkzaamheden, vastgelegd in de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van het Besluit BRP;

b. medewerker:

een persoon die werkzaam is voor de bewerker.

Artikel 6

Maatregelen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit BRP omvatten ten minste de volgende elementen:

  • a. Een medewerker wordt slechts bij de werkzaamheden betrokken, indien hij in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag die is afgegeven op grond van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

  • b. De medewerker die bij de werkzaamheden wordt betrokken, wordt op de hoogte gesteld van de van toepassing zijnde beveiligingsmaatregelen.

  • c. De medewerker die belast is met werkzaamheden ondertekent een verklaring, waarin hij zich verplicht de persoonsgegevens waarvan hij kennis kan nemen, geheim te houden. De geheimhoudingsplicht blijft van kracht ook indien de betrokkene niet langer met de werkzaamheden is belast.

  • d. De opslag en het transport van de persoonsgegevens geschieden zodanig, dat onbevoegden geen kennis kunnen nemen van die gegevens.

  • e. De juistheid en de integriteit van de gegevensbestanden die de bewerker ten behoeve van de werkzaamheden onder zich heeft, worden bewaakt.

  • f. Er zijn voorzieningen getroffen die waarborgen dat bij verlies of beschadiging van persoonsgegevens herstel kan plaatsvinden.

  • g. Indien onbevoegden kennis hebben genomen, of in de gelegenheid zijn geweest kennis te nemen van persoonsgegevens en daardoor de geheimhouding van die gegevens zodanig is geschaad, dat deze niet langer als gewaarborgd kan worden beschouwd, dan wel het vermoeden bestaat dat het voorgaande het geval is, wordt het college van burgemeester en wethouders hieromtrent onmiddellijk ingelicht.

  • h. Er worden maatregelen getroffen om de schade te beperken en herhaling te voorkomen.

§ 5. Het onderzoek

Artikel 7

Een overheidsorgaan of een derde als bedoeld in artikel 1.12, eerste onderscheidenlijk vierde lid, van de Wet BRP, stelt de door de minister hiertoe aangewezen personen in staat gegevens te verzamelen ten behoeve van het onderzoek, bedoeld in artikel 1.12, eerste lid, van de Wet BRP.

§ 6. Kosten in verband met de uitvoering van de Wet BRP

Artikel 8
  • 1. Voor de toepassing van artikel 15 van het Besluit BRP worden als afstemmingsbericht aangemerkt:

    • a. ieder eerste verzoek tot een eenmalige verstrekking als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit BRP, betreffende een geregistreerde persoon als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van het Besluit BRP, en

    • b. iedere eerste eenmalige verstrekking als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit BRP, betreffende een geregistreerde persoon als bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van het Besluit BRP, indien de verzending en de ontvangst van het bericht geschieden op een wijze die op grond van artikel 4 van het Besluit BRP is beschreven in de systeembeschrijving.

  • 2. In afwijking van het eerste lid worden niet als afstemmingsbericht aangemerkt de berichten die door het overheidsorgaan of de derde over het stelsel van berichtuitwisseling worden verzonden en ontvangen, voor zover deze berichten het aantal afstemmingsberichten, bedoeld in artikel 15, achtste lid, van het Besluit BRP, te boven gaan.

Artikel 9

Het tarief, bedoeld in artikel 15, zevende lid, van het Besluit BRP, bedraagt per overheidsorgaan of derde:

  • a. bij verzending en ontvangst van afstemmingsberichten over het stelsel van berichtuitwisseling: € 0,16 per geregistreerde persoon;

  • b. bij verzending en ontvangst van afstemmingsberichten met behulp van alternatieve media het bedrag, genoemd onder a, vermeerderd met € 166.

Artikel 10
  • 1. De bijdrage die op grond van artikel 16 van het Besluit BRP ten hoogste in rekening kan worden gebracht, bedraagt € 166.

  • 2. De bijdrage die op grond van artikel 17 van het Besluit BRP ten hoogste in rekening kan worden gebracht, bedraagt € 7,50.

Artikel 11
  • 1. Onverminderd de kosten waaraan door de betrokkene al wordt bijgedragen op grond van artikel 14 van het Besluit BRP, worden de kosten op basis waarvan een bijdrage kan worden vastgesteld op grond van artikel 18 van het Besluit BRP bepaald door het aantal uren dat wordt gewerkt aan de verstrekking, vermenigvuldigd met een uurtarief van € 98.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 19 van het Besluit BRP, worden de kosten op basis waarvan een bijdrage wordt vastgesteld op grond van artikel 19 van het Besluit BRP bepaald door het aantal uren dat wordt gewerkt aan de verstrekking, vermenigvuldigd met een uurtarief van € 98.

  • 3. Bij verstrekking met behulp van alternatieve media wordt de bijdrage, bedoeld in het eerste en tweede lid, vermeerderd met € 166.

§ 7. Het overleg

Artikel 12
  • 1. De representatieve vertegenwoordigingen van de gemeenten, van de aangewezen bestuursorganen als bedoeld in artikel 2.65 van de Wet BRP en van de overheidsorganen waaraan en derden aan wie op grond van artikel 3.2, 3.3 of 3.13 van de Wet BRP gegevens uit de basisregistratie worden verstrekt, bedoeld in artikel 1.15, eerste lid, van de Wet BRP, bestaan gezamenlijk uit ten hoogste twaalf personen.

  • 2. Het overleg wordt ten minste vier keer per jaar gevoerd.

  • 3. Op verzoek van de minister of een van de vertegenwoordigers kan ook tussentijds overleg plaatsvinden.

Artikel 13
  • 1. Het overleg wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter die, na overleg met de vertegenwoordigers, wordt benoemd door de minister.

  • 2. De minister draagt zorg voor het ambtelijk secretariaat van het overleg.

HOOFDSTUK 2. DE BIJHOUDING VAN DE BASISREGISTRATIE

Artikel 14

De in de tabel in bijlage 1 bij de artikelen 23, tweede lid, en 32, tweede lid, van het Besluit BRP bedoelde gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling zijn nader bepaald in bijlage 7 bij deze regeling.

Artikel 15

De administratieve gegevens, bedoeld in de artikelen 23, tweede lid, en 32, tweede lid, van het Besluit BRP, zijn nader bepaald in bijlage 8 bij deze regeling.

Artikel 16

Het model van het verhuisbericht, bedoeld in artikel 2.21, vijfde lid, van de Wet BRP, is opgenomen in bijlage 9 bij deze regeling.

Artikel 17

Als instellingen voor gezondheidszorg als bedoeld in artikel 2.40, derde lid, onderdeel a, van de Wet BRP, worden aangewezen: de instellingen, bedoeld in artikel 1, onder 14 en 18, van het Uitvoeringsbesluit WTZi.

Artikel 18

Als instellingen op het gebied van de kinderbescherming als bedoeld in artikel 2.40, derde lid, onderdeel b, van de Wet BRP, worden aangewezen: de justitiële jeugdinrichtingen, bedoeld in artikel 3a van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, en accommodaties als bedoeld in artikel 29k, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg.

Artikel 19

Als penitentiaire instellingen als bedoeld in artikel 2.40, derde lid, onderdeel c, van de Wet BRP, worden aangewezen: de inrichtingen die door de Minister van Veiligheid en Justitie zijn bestemd voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbeneming, niet zijnde inrichtingen als bedoeld in artikel 18.

HOOFDSTUK 3. DE VERSTREKKING VAN GEGEVENS UIT DE BASISREGISTRATIE

Artikel 20

Het formulier, bedoeld in artikel 38 van het Besluit BRP, is opgenomen in bijlage 10 bij deze regeling.

HOOFDSTUK 4. TOEZICHT, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

§ 1. Toezicht

Artikel 21
  • 1. De gegevens in het uittreksel, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, van de Wet BRP, dat door het college van burgemeester en wethouders aan het College bescherming persoonsgegevens wordt gezonden, zijn geaggregeerd zodanig:

    • a. dat het aantal correcte persoonslijsten ten opzichte van het totale aantal persoonslijsten wordt weergegeven en de afwijkingen worden ingedeeld in drie groepen, te weten:

      • de afwijkingen betreffende de algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BRP over de burgerlijke staat en het adres;

      • de afwijkingen betreffende de overige algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4.9, eerste lid, van de Wet BRP;

      • de afwijkingen betreffende de administratieve gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BRP.

    • b. dat het aantal malen wordt weergegeven dat in de verslagperiode een aantekening omtrent een onderzoek als bedoeld in artikel 2.26 van de Wet BRP is geplaatst.

  • 2. De gegevens in het uittreksel, bedoeld in artikel 4.3, tweede lid, van de Wet BRP, dat door de minister aan het College bescherming persoonsgegevens wordt gezonden, zijn geaggregeerd zodanig:

    • a. dat het aantal correcte persoonslijsten ten opzichte van het totale aantal persoonslijsten wordt weergegeven en de afwijkingen worden ingedeeld in twee groepen, te weten:

      • de afwijkingen betreffende de algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.69, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4.9, tweede lid, van de Wet BRP;

      • de afwijkingen betreffende de administratieve gegevens, bedoeld in artikel 2.69, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BRP.

    • b. dat het aantal malen wordt weergegeven dat in de verslagperiode een aantekening omtrent een onderzoek als bedoeld in artikel 2.76 van de Wet BRP is geplaatst.

  • 3. De gegevens in het uittreksel, bedoeld in artikel 4.3, vierde lid, van de Wet BRP, dat door het college van burgemeester en wethouders aan de minister wordt gezonden, zijn geaggregeerd zodanig:

    • a. dat het aantal correcte persoonslijsten ten opzichte van het totale aantal persoonslijsten wordt weergegeven en de afwijkingen worden ingedeeld in drie groepen, te weten:

      • de afwijkingen betreffende de algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BRP over de burgerlijke staat en het adres;

      • de afwijkingen betreffende de overige algemene gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel a, en artikel 4.9, eerste lid, van de Wet BRP;

      • de afwijkingen betreffende de administratieve gegevens, bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, onderdeel b, van de Wet BRP.

    • b. dat het aantal malen wordt weergegeven dat in de verslagperiode een aantekening omtrent een onderzoek als bedoeld in artikel 2.26 van de Wet BRP is geplaatst.

  • 4. Onverminderd het derde lid, omvatten de gegevens in het uittreksel, bedoeld in artikel 4.3, vierde lid, van de Wet BRP, dat door het college van burgemeester en wethouders aan de minister wordt gezonden, de antwoorden op de vragen van de vragenlijsten die deel uitmaken van het evaluatie-instrument.

§ 2. De oude registers

Artikel 22
  • 1. Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten het persoonsregister, bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding, op een andere wijze dan in de vorm van persoonskaarten als bedoeld in het Besluit bevolkingsboekhouding aan te houden. Indien het college hiertoe besluit, regelt het tevens de vernietiging van de persoonskaarten.

  • 2. Op een besluit als bedoeld in het eerste lid is artikel 7 van de Archiefwet 1995 van toepassing.

Artikel 23
  • 1. Het schakelregister wordt aangehouden in de vorm van microfoto’s. De inhoud van het register is vervangen door een afschrift in dubbel.

  • 2. Het dubbel van het schakelregister is in bewaring bij het Nationaal Archief. Bij de overbrenging zijn met betrekking tot verstrekkingen uit het register beperkingen aan de openbaarheid gesteld in verband met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de daarin opgenomen personen.

Artikel 24

Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage heeft de zorg over het persoonskaartenarchief en het schakelregister.

Artikel 25

Indien het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage voor een doelmatige dagelijkse uitvoering van de taak ten aanzien van het schakelregister gebruik maakt van een op basis van het oorspronkelijke register vervaardigd elektronisch hulpregister, worden uit dat hulpregister geen gegevens verstrekt.

Artikel 26

Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage treft ter beveiliging van het persoonskaartenarchief en het schakelregister de maatregelen, bedoeld in artikel 6 van het Besluit BRP.

Artikel 27

Hoofdstuk III van de Archiefwet 1995 blijft met betrekking tot het persoonskaartenarchief, het schakelregister en de daarbij behorende bescheiden onverkort van kracht.

Artikel 28
  • 1. De minister wijst personen aan die rechtstreeks toegang hebben tot het centraal archief van overledenen.

  • 2. De minister draagt zorg dat onbevoegden geen toegang hebben tot het centraal archief van overledenen.

  • 3. Indien de minister het centraal archief van overledenen in feitelijk beheer overdraagt,

    • a. kan, onverminderd de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid van de minister, de beheerder personen aanwijzen die rechtstreeks toegang hebben tot het centraal archief van overledenen;

    • b. rust de zorgplicht, bedoeld in het tweede lid, op de beheerder.

Artikel 29

Het doel van het centraal archief van overledenen is het verstrekken van gegevens ten behoeve van ambtelijk, wetenschappelijk en historisch onderzoek. Onder historisch onderzoek wordt in ieder geval verstaan genealogisch onderzoek.

Artikel 30
  • 1. Ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 29 kunnen uit het centraal archief van overledenen op schriftelijk verzoek gegevens worden verstrekt aan:

    • a. een derde, indien deze bij de verstrekking een gerechtvaardigd belang heeft en voor zover de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad;

    • b. een overheidsorgaan, voor zover de gegevens noodzakelijk zijn voor de vervulling van zijn taak.

    Het verzoek bevat de gronden voor de verstrekking.

  • 2. De gegevens over het adres worden aan een derde niet verstrekt gedurende 20 jaar na de datum van overlijden van betrokkene, tenzij de verzoeker aantoont bij de verstrekking een zwaarwegend belang te hebben.

  • 3. Gegevens voor zover daarmee aangegeven wordt dat betrokkene tot een kerkgenootschap, vereniging met godsdienstig doel of levensbeschouwelijke groepering heeft behoord, worden niet verstrekt.

  • 4. Het administratienummer wordt niet verstrekt aan derden.

  • 5. De gegevens over de oorzaak van overlijden en de naam van de geneeskundige of de lijkschouwer worden slechts verstrekt aan:

    • a. een overheidsorgaan;

    • b. een derde in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift of indien de verstrekking noodzakelijk is voor wetenschappelijk onderzoek.

  • 6. De gegevens vermeld in de vakken 23, 24 en 35 van de persoonskaart worden slechts verstrekt:

    • a. indien het betreft vervolggegevens die behoren tot gegevens uit een ander vak van de persoonskaart die op grond van dit artikel kunnen worden verstrekt, of

    • b. met overeenkomstige toepassing van het vijfde lid.

Artikel 31
  • 1. Een ieder omtrent wie gegevens zijn opgenomen in het centraal archief van overledenen kan de minister schriftelijk verzoeken, geen gegevens die hem betreffen aan een derde te verstrekken. Artikel 2.55, vierde en vijfde lid, van de Wet BRP is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De verzoeker verstrekt de benodigde inlichtingen om aan het verzoek te kunnen voldoen.

  • 3. De minister geeft aan het verzoek binnen vier weken gevolg en doet daarvan terstond schriftelijk mededeling aan de verzoeker.

  • 4. In afwijking van het eerste lid kunnen gegevens omtrent de verzoeker aan een derde worden verstrekt, indien de verstrekking noodzakelijk is in verband met de uitvoering van een algemeen verbindend voorschrift en de persoonlijke levenssfeer daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

  • 5. De minister maakt een beschikking om niet te voldoen aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, binnen vier weken na het verzoek bekend aan de verzoeker.

  • 6. De minister maakt een beschikking om krachtens het vierde lid gegevens omtrent een levende persoon te verstrekken terstond bekend aan de betrokkene. Hij geeft geen uitvoering aan de beschikking binnen een bij die beschikking gestelde termijn.

Artikel 32
  • 1. Een ieder omtrent wie gegevens zijn opgenomen in het centraal archief van overledenen wordt op diens verzoek binnen vier weken kosteloos inzage verleend in die gegevens. Artikel 2.55, vierde en vijfde lid, van de Wet BRP is van overeenkomstige toepassing.

  • 2. De verzoeker verstrekt de benodigde inlichtingen om aan het verzoek te kunnen voldoen.

  • 3. De minister verstrekt de verzoeker binnen vier weken een afschrift van de gegevens, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 33
  • 1. In verband met de verstrekking van gegevens uit het persoonskaartenarchief, het schakelregister en het centraal archief van overledenen, bedoeld in artikel 49 van het Besluit BRP, wordt een vergoeding in rekening gebracht aan een derde, behoudens in verband met verstrekkingen overeenkomstig artikel 3.3 van de Wet BRP en verstrekkingen aan de betrokkene van hem betreffende gegevens.

  • 2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in het geval van verstrekking uit het persoonskaartenarchief en het schakelregister € 4,05 per persoon op wie het verzoek betrekking heeft.

  • 3. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, bedraagt in het geval van verstrekking uit het centraal archief van overledenen:

    • a. € 4,05 per persoon op wie het verzoek betrekking heeft, met dien verstande dat ten minste € 8,10 in rekening wordt gebracht;

    • b. € 3,70 per persoon op wie het verzoek betrekking heeft, indien het verzoek betrekking heeft op meer dan honderd personen.

§ 3 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 34

Artikel 26 van het Besluit BRP is niet van toepassing in de gevallen dat de in dat artikel bedoelde gegevens, bescheiden of inlichtingen worden verstrekt of mededelingen worden gedaan aan een college van burgemeester en wethouders dat gebruik maakt van een oude gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van de Wet BRP.

Artikel 35
  • 1. Een besluit tot wijziging van de inhoud van een in de systeembeschrijving beschreven tabel voor de ordening en de codering van de gegevens in de basisregistratie of voor de verstrekking van gegevens op grond van een autorisatiebesluit wordt bekendgemaakt door terinzagelegging bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Turfmarkt 147, 2511 DP Den Haag.

  • 2. Van de terinzagelegging wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 3. De inhoud van de tabellen, bedoeld in het eerste lid, wordt voorts bekendgemaakt door verstrekking ervan op een wijze die overeenstemt met de systeembeschrijving.

Artikel 36

Bij de inwerkingtreding van deze regeling gelden als tabellen, bedoeld in artikel 35, eerste lid, de tabellen zoals deze laatstelijk zijn vastgesteld op grond van de artikelen 13 en 14 van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling.

Artikel 37

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet BRP in werking treedt.

Artikel 38

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling basisregistratie personen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen 4 en 5, die ter inzage worden gelegd bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Turfmarkt 147, 2511 DP Den Haag.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk.

BIJLAGE 1. DE ONDERDELEN VAN HET LOGISCH ONTWERP GBA, VERSIE 3.8, DIE DEEL UITMAKEN VAN DE SYSTEEMBESCHRIJVING

Bijlage bij artikel 2, onderdeel a

De onderdelen van het Logisch Ontwerp GBA, die deel uitmaken van de systeembeschrijving:

  • Hoofdstuk 2 (Inschrijving), uitsluitend de paragrafen 2.2. en 2.3

  • Hoofdstuk 3 (Actualiseren), met uitzondering van de paragrafen 3.16, 3.18, 3.19 en paragraaf 3.24.2, voor zover deze paragraaf betrekking heeft op gemeenten

  • Hoofdstuk 4 (Privacyprocedures), met uitzondering van de paragrafen 4.2.1 en 4.2.5

  • Hoofdstuk 5 (Autorisatie- en routeringssysteem), uitsluitend de paragrafen 5.2.2, 5.2.3 en 5.4.6

  • Hoofdstuk 6 (Berichtenafhandelingssysteem)

  • Hoofdstuk 7 (Eisen ten aanzien van het beheer), met uitzondering van de paragrafen 7.1, 7.3.2, 7.3.3, 7.4.6 en 7.4.7

  • Hoofdstuk 8 (Afnemerssystemen)

  • Bijlage I (Gegevenswoordenboek), met uitzondering van paragraaf 1.3

  • Bijlage II (Teletex)

  • Bijlage III (Berichtenboek), met uitzondering van de paragrafen III.2.7 t/m III.2.13, III.2.18, III.2.19, III.2.20 en III.2.21

  • Bijlage IV (Netwerk en alternatieve media)

  • Bijlage C (GBA Verstrekkingen), met uitzondering van paragraaf C.1

  • Bijlage D (De terugmeldvoorziening)

  • Bijlage E (Beheervoorziening BSN)

BIJLAGE 2. DE ONDERDELEN VAN HET LOGISCH ONTWERP RNI, VERSIE 2.10.02, DIE DEEL UITMAKEN VAN DE SYSTEEMBESCHRIJVING

Bijlage bij artikel 2, onderdeel b

De onderdelen van het Logisch Ontwerp RNI, die deel uitmaken van de systeembeschrijving:

  • Hoofdstuk 2 (Inschrijving), uitsluitend de paragrafen 2.2. en 2.3

  • Hoofdstuk 3 (Actualiseren), met uitzondering van de paragrafen 3.15, 3.16, 3.18 en 3.19

  • Hoofdstuk 4 (Privacyprocedures)

  • Hoofdstuk 6 (Berichtenafhandelingssysteem)

  • Hoofdstuk 7 (Eisen ten aanzien van het beheer), met uitzondering van paragraaf 7.6

  • Hoofdstuk 8 (Afnemerssystemen)

  • Hoofdstuk 9 (Deelnemersopgaven)

  • Bijlage I (Gegevenswoordenboek)

  • Bijlage II (Teletex)

  • Bijlage III (Berichtenboek)

  • Bijlage IV (Netwerk en alternatieve media)

  • Bijlage C (GBA Verstrekkingen)

  • Bijlage D (De terugmeldvoorziening)

  • Bijlage E (Beheervoorziening BSN)

BIJLAGE 3. DE BESCHRIJVING VAN DE WIJZE WAAROP DE IN DE BIJLAGEN 1 EN 2 BEDOELDE ONDERDELEN WORDEN TOEGEPAST

Bijlage bij artikel 2, onderdeel c

1. Inleiding

In deze bijlage wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop de systeembeschrijving BRP moet worden toegepast. Die beschrijving is noodzakelijk omdat er nog geen Logisch Ontwerp BRP beschikbaar is dat specifiek is toegesneden op de uitvoering van de Wet BRP. De nieuwe regelgeving wordt daarom voorlopig uitgevoerd op basis van een systeembeschrijving waarin onderdelen zijn aangewezen van het bestaande Logisch Ontwerp GBA (LO GBA) en van het nieuwe Logisch Ontwerp RNI (LO RNI). Het LO RNI is weliswaar nieuw, maar sluit wat betreft opzet en inhoud zeer nauw aan bij het LO GBA. In veel gevallen wordt in het LO RNI volstaan met een verwijzing naar het LO GBA.

In het LO GBA zijn voorzieningen opgenomen die op grond van de Wet BRP deels als gemeentelijke voorziening en deels als centrale voorzieningen moeten worden aangemerkt. De bestaande gemeentelijke GBA systemen zijn onder de Wet BRP aan te merken als de oude gemeentelijke voorziening, waarmee door de gemeenten uitvoering wordt gegeven aan de wet. Het LO GBA bevat tevens een beschrijving van de voorziening GBA Verstrekkingen (GBA-V), die in technisch opzicht op de bestaande gemeentelijke systemen aansluit. De GBA-V moet onder de Wet BRP worden aangemerkt als centrale voorziening, waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is. Voorts is in het LO GBA de terugmeldvoorziening beschreven, die onder de Wet BRP eveneens als een centrale voorziening moet worden aangemerkt die functioneert onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Het LO RNI beschrijft de technische voorziening die nodig is voor de registratie van niet-ingezetenen. Het gaat hier om een centrale voorziening, waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is. Daartoe behoren ook de inschrijfvoorzieningen waar een niet-ingezetene zich kan inschrijven, die fysiek zijn ondergebracht bij een aantal gemeenten. De RNI voorziening is in technisch opzicht nog gebaseerd op de bestaande GBA voorzieningen, met gebruikmaking van dezelfde standaarden voor gegevensopslag en gegevensuitwisseling.

Deze beschrijving geeft, in aanvulling op de aanwijzing van de onderdelen van de hiervoor genoemde Logisch Ontwerpen, aan hoe deze verschillende onderdelen in onderlinge samenhang en in het licht van de nieuwe regelgeving moeten worden toegepast. Daartoe wordt enerzijds in een concordantietabel de in de aangewezen onderdelen gehanteerde terminologie en inhoud van sommige begrippen, die nog naar de Wet GBA verwijzen, zoveel mogelijk vertaald naar het nieuwe begrippenkader van de Wet BRP. Anderzijds wordt op hoofdlijnen beschreven in hoeverre de in de systeembeschrijving BRP aangewezen onderdelen van toepassing zijn als gevolg van de aanwijzing of de niet aanwijzing van andere onderdelen van de Logisch Ontwerpen.

2. Concordantietabel van termen en begrippen onder de Wet GBA en de Wet BRP

In de onderstaande tabel worden termen en begrippen zoals die voorkomen in de aangewezen onderdelen van het LO GBA en het LO RNI voor zover mogelijk vertaald naar het nieuwe begrippenkader van de Wet BRP. Het is niet doenlijk om daarbij volledig te zijn, omdat dit zou neerkomen op het geheel herschrijven van de desbetreffende onderdelen. Er wordt daarom volstaan met een concordantietabel waarin de belangrijkste en meest voorkomende termen en begrippen zijn opgenomen. Gezien het feit dat de Wet BRP voorshands met de bestaande voorzieningen wordt uitgevoerd, waarbij in een aantal gevallen van de nieuwe regelgeving wordt afgeweken, is het van belang de bestaande termen en begrippen in hun technische context binnen de systeembeschrijving te blijven zien, ondanks het feit dat zij onder de Wet BRP een nieuwe aanduiding of inhoud hebben gekregen of daarin zelfs niet terugkeren.

LO GBA en LO RNI

Wet basisregistratie personen

Wet GBA

Wet BRP

(gemeentelijke) basisadministratie

basisregistratie personen

gemeentelijk gba-systeem

gemeentelijke voorziening

GBA-V, terugmeldvoorziening, RNI

centrale voorzieningen

gemeente van inschrijving, uitschrijving, vestiging of vertrek

bijhoudingsgemeente

eerste inschrijving

inschrijving

vervolginschrijving

opschorting van de persoonslijst

opneming van het gegeven over het niet-ingezetenschap op de persoonslijst

adreslijst

afnemer

overheidsorgaan waaraan of derde aan wie op systematische wijze gegevens worden verstrekt of op grond van artikel 3.14 van de wet informatie beschikbaar wordt gesteld

bijzondere gegevens in verband met de uitvoering van de Kieswet of de Paspoortwet

algemene gegevens in verband met de uitvoering van de Kieswet of de Paspoortwet

verwijsgegevens

verblijfstitel

gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling

GBA-V (als niet-technische actor)

de minister (agentschap BPR)

gemeente of gemeentebestuur (indien in een onderdeel van het LO GBA waar in het LO RNI naar wordt verwezen)

de minister

gemeentebestuur (uitsluitend in de context van het LO GBA)

college van burgemeester en wethouders

3. Beschrijving van de toepassing van de aangewezen onderdelen van het LO GBA

a. Gewijzigde betekenis van het Autorisatie- en Routeringssysteem (ARS)

In het LO GBA neemt het ARS een centrale plaats in. De betekenis daarvan is echter veranderd sinds GBA-V de systematische gegevensverstrekking aan daartoe geautoriseerde overheidsorganen en derden heeft overgenomen. Het ARS vervult echter nog steeds zijn oorspronkelijke functie waar het gaat om de berichtuitwisseling tussen de gemeenten en GBA-V, de gemeenten en het RNI-systeem, de gemeenten en het agentschap BPR (in verband met de terugmeldvoorziening en de tabelberichten), de gemeenten en de IND (de berichtuitwisseling in verband met de levering van verblijfstitels) en tussen de gemeenten onderling. Zonder ARS is het niet mogelijk berichten te adresseren of de herkomst daarvan te bepalen. Dit betekent dat die onderdelen van het LO GBA waarin passages zijn opgenomen die betrekking hebben op de bovengenoemde rol van het ARS, zijn aangewezen voor zover het die passages betreft.

b. Adresoriëntatie

Alle passages in de onderdelen die betrekking hebben op de adresgeoriënteerde verstrekking van gegevens zijn niet meer van toepassing.

c. Landelijk Raadpleegbare Deelverzameling (LRD)

De LRD-voorziening, die bedoeld was als tijdelijke centrale voorziening in het GBA-stelsel, is beëindigd. Er zijn functionaliteiten van de LRD overgenomen door de GBA-V. In verschillende aangewezen onderdelen met betrekking tot de GBA-V wordt nog regelmatig verwezen naar de LRD. Het betreft verwijzingen naar de niet meer bestaande LRD, GBA-V online LRD service en GBA-V LRD-emulator. De daarop betrekking hebbende passages in de aangewezen onderdelen zijn niet meer van toepassing.

d. GBA Verstrekkingen (GBA-V)

De in de systeembeschrijving aangewezen bijlage C van het LO GBA, die betrekking heeft op de GBA-V, verwijst in sommige gevallen naar andere onderdelen van het LO GBA die grotendeels hun betekenis hebben verloren. Die onderdelen zijn niettemin aangewezen vanwege het feit dat zij passages bevatten die in functionele zin van belang zijn voor de GBA-V. Die aanwijzing geldt dan uitsluitend die passages.

e. Alternatieve media

Het gebruik van alternatieve media door gemeenten is onder de werking van de Wet BRP niet meer aan de orde. Dit houdt in dat alle passages in de onderdelen die betrekking hebben op alternatieve media, voor zover die betrekking hebben op het gebruik daarvan door gemeenten, niet meer van toepassing zijn.

f. Versturen van kennisgevingen aan afnemers bij infrastructurele wijzigingen

In alle passages in de onderdelen die betrekking hebben op het versturen van kennisgevingen aan afnemers bij infrastructurele wijzigingen dient voor ‘gemeente’ of ‘gemeentebestuur’ te worden gelezen: de minister.

g. Afnemersindicaties

Alle passages in de onderdelen die betrekking hebben op afnemersindicaties zijn slechts van toepassing voor zover het betreft de afnemersindicaties in de GBA-V.

h. Verzoeken van ingeschrevenen als bedoeld in de artikelen 3.22 en 3.23 van de Wet BRP

De passages in de onderdelen die het voldoen aan deze verzoeken beperken tot de gegevens die één jaar voorafgaand aan het verzoek zijn verstrekt, blijven buiten toepassing.

4. Beschrijving van de toepassing van de aangewezen onderdelen van het LO RNI

De in de systeembeschrijving aangewezen onderdelen van het LO RNI komen grotendeels overeen met de aangewezen onderdelen van het LO GBA. Dit betekent dat wat hiervoor in hoofdstuk 3 is beschreven omtrent de toepassing van de aangewezen onderdelen van het LO GBA in beginsel ook geldt voor de beschrijving van de toepassing van de desbetreffende aangewezen onderdelen van het LO RNI.

Wat betreft het ARS, dat in het LO RNI van toepassing is verklaard, houdt het voorgaande in dat het ARS de hiervoor in hoofdstuk 3, onder a, beschreven rol in het LO GBA ook vervult in het LO RNI bij de berichtuitwisseling tussen het RNI-systeem en de gemeenten, het RNI-systeem en GBA-V, het RNI-systeem en het agentschap BPR (in verband met de tabelberichten) en het RNI-systeem en de IND (de berichtuitwisseling in verband met de levering van verblijfstitels).

BIJLAGE 4. HET LOGISCH ONTWERP GBA, VERSIE 3.8

Bijlage bij artikel 3, eerste lid

Deze bijlage wordt ter inzage gelegd en tevens via www.bprbzk.nl beschikbaar gesteld.

BIJLAGE 5. HET LOGISCH ONTWERP RNI, VERSIE 2.10.02

Bijlage bij artikel 3, tweede lid

Deze bijlage wordt ter inzage gelegd en tevens via www.bprbzk.nl beschikbaar gesteld.

BIJLAGE 6. BEWARING VAN GESCHRIFTEN EN ANDERE BESCHEIDEN

Bijlage bij artikel 4

Categorieën van te bewaren bescheiden en bewaartermijnen

 

Bescheiden gebruikt voor de eerste inschrijving van betrokkene in de basisregistratie personen, voor zover het bescheiden betreft die niet uit een Nederlands register kunnen worden gereproduceerd

110 jaar

Bescheiden gebruikt bij opname, wijzigen en corrigeren van gegevens betreffende naam, geboorte, geslacht en afstamming, bescheiden gebruikt bij het verwijderen van historische oudergegevens en bescheiden waaruit de datum rechtsgeldigheid van genoemde gegevens blijkt, voor zover die bescheiden niet uit een Nederlands register kunnen worden gereproduceerd

110 jaar

Bescheiden betreffende het opnemen, wijzigen van gegevens inzake het aangaan of het ontbinden van huwelijk/geregistreerd partnerschap, voor zover het bescheiden betreft die niet uit een Nederlands register kunnen worden gereproduceerd

110 jaar

Bescheiden betreffende het opnemen en wijzigen van overlijdensgegevens, voor zover het bescheiden betreft die niet uit een Nederlands register kunnen worden gereproduceerd

110 jaar

Verklaring onder eed of belofte, als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e, van de Wet BRP

Onbeperkt

Bescheiden betreffende het aanwijzen van ambtenaren ten overstaan van wie een verklaring als bedoeld in 2.8, tweede lid, onderdeel e, van de Wet BRP kan worden afgelegd

5 jaar na het vervallen van de bevoegdheid

Bescheiden betreffende het naamgebruik

5 jaar

Bescheiden afkomstig van de Nederlandse burgerlijke stand

1 jaar

Mededelingen afkomstig uit het curateleregister en het gezagsregister

1 jaar

Bescheiden betreffende het vertrek (art. 2.21 en 2.22 van de Wet BRP en art. 25 van het Besluit BRP)

10 jaar

Bescheiden betreffende opname of wijziging in de documentindicatie (tot moment van opheffen van de opschorting)

110 jaar

Bescheiden betreffende het bezit, de verkrijging, de verlening en het verlies van het Nederlanderschap, voor zover het de vermelding van dit gegeven in de basisregistratie betreft

10 jaar

Bescheiden betreffende het bezit, de verkrijging en het verlies van bijzonder Nederlanderschap

10 jaar

Bescheiden betreffende het bezit, de verkrijging en het verlies van een niet-Nederlandse nationaliteit

10 jaar

Aangifte van (her)vestiging in Nederland, van adreswijziging (niet zijnde emigratie) en overige bescheiden betreffende het verblijf en het adres

5 jaar

Bescheiden betreffende het aanwijzen van instellingen, bedoeld in artikel 2.40 of 2.42, onderdeel b, van de Wet BRP

1 jaar na vervallen van de verplichting of opheffing van de instelling

Bescheiden betreffende het bezit van een buitenlands reisdocument

5 jaar

Bescheiden betreffende het opnemen of wijzigen van gegevens met betrekking tot Nederlandse reisdocumenten, voor zover deze gegevens niet in de reisdocumentenadministratie ingevolge de Paspoortwet worden opgenomen

11 jaar

Bescheiden betreffende het Nederlands kiesrecht

1 jaar

Bescheiden betreffende het Europees kiesrecht

10 jaar

Verzoeken betreffende de toepassing van artikel 3.21 van de Wet BRP

5 jaar

Bescheiden verband houdend met de verstrekking van gegevens uit de basisregistratie (waaronder verzoeken betreffende het inzagerecht)

20 jaar

Alle overige bescheiden verband houdend met de verwerking van persoonsgegevens in de basisregistratie (onder meer onderzoeksdossiers, bescheiden betreffende een procedure ingevolge artikel 2.60 van de Wet BRP)

10 jaar

BIJLAGE 7. DE AANTEKENINGEN IN VERBAND MET HET VERBLIJFSRECHT VAN DE VREEMDELING

Bijlage bij artikel 14

De aantekeningen in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling:

  • a. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, waarbij het de ingeschrevene is toegestaan elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten;

  • b. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, waarbij het de ingeschrevene is toegestaan elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten, mits de werkgever van de ingeschrevene beschikt over een daartoe vereiste tewerkstellingsvergunning;

  • c. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, waarbij het de ingeschrevene is toegestaan bepaalde vormen van arbeid in loondienst te verrichten;

  • d. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, waarbij het de ingeschrevene niet is toegestaan arbeid in loondienst te verrichten;

  • e. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel b, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft, waarbij het de ingeschrevene is toegestaan elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten;

  • f. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel c, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, waarbij het de ingeschrevene is toegestaan elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten;

  • g. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel d, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft, waarbij het de ingeschrevene is toegestaan elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten;

  • h. de aantekening dat de ingeschrevene als economisch actieve gemeenschapsonderdaan ingevolge artikel 8.12 of 8.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf heeft;

  • i. de aantekening dat de ingeschrevene als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan ingevolge artikel 8.12 of 8.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf heeft;

  • j. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8.11 van het Vreemdelingenbesluit 2000 rechtmatig verblijf heeft, waarbij aan het recht van de ingeschrevene om arbeid te verrichten geen voorwaarden kunnen worden gesteld;

  • k. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van die wet, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist, dan wel ingevolge artikel 8, onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift tegen de beslissing op de desbetreffende aanvraag, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

  • l. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel f, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van die wet, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist, dan wel ingevolge artikel 8, onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een beroepschrift tegen de beslissing op de desbetreffende aanvraag, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op het beroepschrift is beslist;

  • m. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel g, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een door de ingeschrevene tijdig ingediende aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 8, onderdelen b en d, van die wet, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning op grond van die wet, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist, dan wel ingevolge artikel 8, onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift tegen de beslissing op de desbetreffende aanvraag of tegen de intrekking van een verblijfsvergunning op grond van die wet, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

  • n. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel g, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een door de ingeschrevene niet tijdig ingediende aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 8, onderdelen b en d, van die wet, of tot het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28 van die wet, of een wijziging ervan, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist, dan wel ingevolge artikel 8, onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift tegen de beslissing op de desbetreffende aanvraag, terwijl bij of krachtens die wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de ingeschrevene achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

  • o. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel l, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft, omdat de ingeschrevene verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije;

  • p. de aantekening dat de ingeschrevene geen titel tot verblijf heeft of deze heeft verloren;

  • q. de aantekening dat de ingeschrevene, ingevolge artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf heeft als economisch actieve onderdaan van een land dat op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie is toegetreden, waarbij aan het recht van de ingeschrevene om arbeid te verrichten voorwaarden kunnen worden gesteld, dan wel ingevolge artikel 8.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 langer dan drie maanden rechtmatig verblijf heeft bij een ingeschrevene als hierboven bedoeld, waarbij aan het recht om arbeid te verrichten zodanige voorwaarden kunnen worden gesteld;

  • r. de aantekening dat de ingeschrevene, ingevolge artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf heeft als economisch niet-actieve gemeenschapsonderdaan van een land dat op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie is toegetreden, waarbij aan het recht van de ingeschrevene om arbeid te verrichten voorwaarden kunnen worden gesteld, dan wel ingevolge artikel 8.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 langer dan drie maanden rechtmatig verblijf heeft bij een ingeschrevene als hierboven bedoeld, waarbij aan het recht om arbeid te verrichten zodanige voorwaarden kunnen worden gesteld;

  • s. de aantekening dat de ingeschrevene, ingevolge artikel 8.11, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 rechtmatig verblijf heeft als onderdaan van een land dat op of na 1 mei 2004 tot de Europese Unie is toegetreden, waarbij aan het recht van de ingeschrevene om arbeid te verrichten voorwaarden kunnen worden gesteld, dan wel ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 rechtmatig verblijf heeft gedurende een zodanige periode, waarbij aan het recht om arbeid te verrichten zodanige voorwaarden kunnen worden gesteld;

  • t. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000 een duurzaam verblijfsrecht heeft, waarbij aan het recht van de ingeschrevene om arbeid te verrichten geen voorwaarden kunnen worden gesteld;

  • u. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft gedurende de geldigheid van een door de president van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens getroffen voorlopige maatregel, waarin is bepaald dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet, waarbij het de ingeschrevene niet is toegestaan om arbeid in loondienst te verrichten;

  • v. de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel m, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van die wet;

  • w. de aantekening dat de ingeschrevene rechtmatig verblijf heeft ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 op aanwijzing van de Minister van Veiligheid en Justitie, niet zijnde een verblijf op grond van een verblijfsvergunning of de aanvraag van een verblijfsvergunning of een verblijf op grond van internationale verplichtingen en verdragen;

  • x. de aantekening dat het rechtmatig verblijf van de ingeschrevene ingevolge artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 is beëindigd op grond van een onherroepelijk geworden besluit, waardoor bestaande rechten voortvloeiende uit het recht van de Europese Unie niet meer gecontinueerd worden;

  • y. de aantekening dat het verblijfsrecht van de niet-ingezetene niet is bepaald.

BIJLAGE 8. DE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS

Bijlage bij artikel 15

Categorie gegevens

Subcategorie gegevens

Gegeven

Ingezetenen

Niet-ingezetenen

Gegevens in verband met de inschrijving en de wijziging van de bijhoudingsgemeente betreffende de ingezetene, gegevens in verband met de inschrijving betreffende de niet-ingezetene en gegevens betreffende de wijziging van de bijhoudings-verantwoordelijke betreffende de niet-ingezetene die ingezetene wordt

 

de hoedanigheid van de persoon die aangifte van verblijf en adres, van adreswijziging, of van vertrek heeft gedaan, dan wel de aantekening dat de gegevens ambtshalve zijn opgenomen

X

X

datum inschrijving in de basisregistratie

X

X

datum blokkering persoonslijst in verband met wijziging van de bijhoudingsverantwoordelijke

X

X

gemeentecode van de gemeente waar de persoonskaart zich bevindt

X

 

aantekening dat alle gegevens over kinderen, die aan de persoonskaart ontleend kunnen worden, op de persoonslijst zijn opgenomen

X

 

Gegevens ter aanduiding van akten en andere geschriften waaruit algemene gegevens zijn verkregen

Aanduiding van akten van de Nederlandse burgerlijke stand

nummer van de akte waaraan een algemeen gegeven over de burgerlijke staat is ontleend

X

X

gemeentecode van de gemeente waar de akte in de registers is opgenomen

X

X

Aanduiding van andere akten en geschriften

omschrijving van het geschrift waaraan een algemeen gegeven is ontleend

X

X

code van de bijhoudingsverantwoordelijke die het gegeven heeft ontleend

X

X

datum van ontlening.

X

X

Gegevens ter aanduiding van de rechtsgrond krachtens welke gegevens over het Nederlanderschap zijn opgenomen

 

rechtsgrond van verkrijging van het Nederlanderschap

X

X

rechtsgrond van verlies van het Nederlanderschap

X

X

Gegevens ter aanduiding van de onjuistheid van een opgenomen algemeen gegeven of van strijd met de Nederlandse openbare orde van een opgenomen gegeven over de burgerlijke staat

 

aanduiding van het opgenomen algemeen gegeven dat onjuist is

X

X

aanduiding van het opgenomen gegeven over de burgerlijke staat dat in strijd is met de Nederlandse openbare orde

X

X

Gegevens over een onderzoek naar de onjuistheid van een opgenomen algemeen gegeven of de strijdigheid van een opgenomen gegeven over de burgerlijke staat

 

aanduiding van de verzameling van gegevens, waarbinnen algemene gegevens zijn opgenomen die onderzocht worden op onjuistheid

X

X

aanduiding van de verzameling van gegevens, waarbinnen gegevens over de burgerlijke staat zijn opgenomen die onderzocht worden op strijd met de Nederlandse openbare orde

X

X

datum aanvang onderzoek

X

X

datum beëindiging onderzoek

X

X

Gegevens over onderzoek in verband met de uitvoering van de Paspoortwet

 

aanduiding van de verzameling van gegevens in verband met de uitvoering van de Paspoortwet, waarbinnen gegevens zijn opgenomen die onderzocht worden op juistheid

X

 

datum aanvang onderzoek

X

 

datum beëindiging onderzoek

X

 

Andere gegevens noodzakelijk in verband met de verwerking van gegevens in de basisregistratie

Gegevens ter aanduiding van de bron waaraan het administratienummer is ontleend

omschrijving van de bron waaraan het gewijzigde administratienummer is ontleend

X

X

aanduiding van de persoonslijst waaraan het administratienummer van de ouders, de echtgenoot dan wel de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoten, de eerdere geregistreerde partners of de kinderen is ontleend

X

X

gemeentecode van de bijhoudingsverantwoordelijke die het administratienummer heeft ontleend

X

X

Gegevens ter aanduiding van de bron waaraan gegevens over het verblijfsrecht van de vreemdeling worden ontleend

omschrijving van de mededeling van de Minister van Veiligheid en Justitie, waaraan een gegeven over het verblijfsrecht van de vreemdeling is ontleend

X

X

gemeentecode van de bijhoudingsverantwoordelijke die het gegeven over het verblijfsrecht van de vreemdeling heeft ontleend

X

X

Gegevens ter aanduiding van de bron waaraan het burgerservicenummer is ontleend

omschrijving van de bron waaraan het burgerservicenummer is ontleend

X

X

aanduiding van de persoonslijst waaraan het burgerservicenummer van de ouders, de echtgenoot dan wel de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoten, de eerdere geregistreerde partners of de kinderen is ontleend

X

X

gemeentecode van de gemeente die het burgerservicenummer heeft ontleend

X

X

Overige gegevens

aanduiding van de persoonslijst waarop zijn opgenomen de administratieve gegevens over het geschrift, waaraan algemene gegevens over de burgerlijke staat van de ouders, de echtgenoot dan wel de geregistreerde partner, de eerdere echtgenoten, de eerdere geregistreerde partners of de kinderen zijn ontleend

X

 

gemeentecode van de gemeente die op een persoonslijst een aanduiding van een andere persoonslijst heeft opgenomen

X

 

datum van opneming van een algemeen gegeven

X

X

reden opschorting verwerking van gegevens op de persoonslijst

X

X

datum opschorting verwerking van gegevens op de persoonslijst

X

X

aantekening dat tijdens de opschorting van de verwerking van gegevens een of meer documenten zijn binnengekomen

X

X

Administratieve gegevens die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de Paspoortwet

gemeentecode van de gemeente waar dossier met betrekking tot het Nederlands reisdocument zich bevindt

X

 

datum van opname in dossier met betrekking tot het Nederlands reisdocument

X

 

beschrijving dossier waarin de aanvullende gegevens met betrekking tot het Nederlands reisdocument zich bevinden

X

 

datum van opneming van een gegeven in verband met de uitvoering van de Paspoortwet

X

 

Administratieve gegevens die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de Kieswet

gemeentecode van de gemeente waar het document waaraan de gegevens over het kiesrecht zijn ontleend zich bevindt

X

 

datum van ontlening van de gegevens over het kiesrecht

X

 

beschrijving van het document waaraan de gegevens over het kiesrecht zijn ontleend

X

 

Gegevens over de beperking van de verstrekking van gegevens aan derden

 

codering van de inhoud van het besluit om geen gegevens van de persoonslijst aan derden te verstrekken

X

X

Gegevens over het niet-ingezetenschap

 

niet-ingezetenschap

 

X

Gegevens over de opgave van algemene gegevens die het aangewezen bestuursorgaan heeft gedaan, over het verzoek van de ingeschrevene om opneming van algemene gegevens, en gegevens ter aanduiding van de bron waaruit de algemene gegevens betreffende niet-ingezetene zijn verkregen

 

aanduiding van het aangewezen bestuursorgaan of van de inschrijfvoorziening

 

X

omschrijving van het verdrag op grond waarvan de gegevens door het aangewezen bestuursorgaan zijn verkregen

 

X

soort van de verificatie door het aangewezen bestuursorgaan

 

X

datum waarop het aangewezen bestuursorgaan de verificatie heeft uitgevoerd

 

X

BIJLAGE 9. HET VERHUISBERICHT

Bijlage bij artikel 16

Model verhuisbericht, bedoeld in artikel 2.21, vijfde lid, van de Wet basisregistratie personen

Het verhuisbericht dat moet worden verstrekt aan een persoon die in de aangifte van vertrek heeft gemeld te gaan verblijven in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, bevat de volgende gegevens:

  • 1. De aanduiding `Verhuisbericht als bedoeld in artikel 2.21, vijfde lid, van de Wet BRP'.

  • 2. Gegevens betreffende de persoon die vertrekt:

    • geslachtsnaam en voornamen,

    • geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland of -gebied,

    • nationaliteit(en),

    • administratienummer,

    • gemeente van vertrek,

    • laatste adres in de gemeente van vertrek,

    • het bij de aangifte van vertrek gemelde land of openbaar lichaam van verblijf,

    • het bij de aangifte van vertrek vermelde adres in het land of openbaar lichaam van verblijf.

  • 3. Gegevens betreffende de afgifte van het verhuisbericht:

    • datum en plaats van afgifte van het verhuisbericht,

    • naam en handtekening van de bevoegde ambtenaar,

    • waarmerking van het verhuisbericht door de gemeente van vertrek.

  • 4. Contactgegevens:

    • adres-, e-mail- en telefoongegevens van de gemeente van vertrek.

BIJLAGE 10. HET AUTORISATIE-AANVRAAGFORMULIER

Bijlage bij artikel 20

TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

De Regeling basisregistratie personen bevat de nadere uitwerking van een aantal bepalingen, dat is opgenomen in de Wet basisregistratie personen (Wet BRP)1 en in het Besluit basisregistratie personen (Besluit BRP)2. Onder de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Wet GBA) bestonden er verschillende ministeriële regelingen, waarvan de Regeling gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (Regeling GBA) en de achtereenvolgende besluiten tot vaststelling van de systeembeschrijving GBA de belangrijkste waren. Er is nu voor gekozen om alle ministeriële regelgeving betreffende de basisregistratie personen (BRP) onder te brengen in één regeling, de Regeling basisregistratie personen (Regeling BRP).

De regeling is zodanig opgezet dat de meeste bepalingen die een nadere uitwerking bevatten van de Wet BRP en het Besluit BRP, zijn opgenomen in het lichaam van de regeling zelf. Daarbij is dezelfde volgorde aangehouden als in de Wet BRP en het Besluit BRP. De onderwerpen die onder de werking van de Wet GBA in aparte ministeriële regelingen of besluiten waren vastgesteld, zoals de systeembeschrijving en de regeling inzake de bewaring van geschriften en andere bescheiden die in het kader van de bijhouding en verstrekking zijn gebruikt, zijn nu ondergebracht in (bijlagen bij) deze regeling.

Wat betreft de inhoud van de regeling kan in de eerste plaats worden opgemerkt dat een aantal artikelen is overgenomen uit de Regeling GBA. Dat is te verklaren uit het feit dat deze bepalingen een nadere uitwerking vormen van artikelen in de Wet BRP of het Besluit BRP die op hun beurt zijn ontleend aan bestaande artikelen in de Wet GBA of het Besluit GBA. Hetzelfde geldt voor de opsomming van de gegevens in verband met het verblijfsrecht van de vreemdeling en de administratieve gegevens, die als bijlagen bij het Besluit GBA waren opgenomen. Zij zijn nu terug te vinden als bijlagen bij deze regeling.

De regeling geeft uitwerking aan delegatiebepalingen in de Wet BRP en het Besluit BRP. Voor een deel bevatten die delegatiebepalingen een opdracht tot het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling, zoals het vaststellen van een systeembeschrijving, het vaststellen van een tarief voor afstemmingsberichten of het vaststellen van regels omtrent heffingen in verband met de verstrekking van gegevens uit de oude registers. Voor een ander deel is in de delegatiebepalingen het stellen van nadere regels bij ministeriële regeling als mogelijkheid opgenomen. In een aantal gevallen is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Voorbeelden daarvan zijn de in de regeling opgenomen bepalingen over maatregelen die een bewerker moet treffen die in opdracht van een college van burgemeester en wethouders werkzaamheden verricht en de bepalingen betreffende het periodieke overleg tussen de minister en representatieve vertegenwoordigingen van de gemeenten, de aangewezen bestuursorganen en de overheidsorganen waaraan en derden aan wie gegevens uit de BRP worden verstrekt.

Het ontwerp van deze regeling is voor commentaar voorgelegd aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVVB). Voorts zijn verschillende uitvoeringsorganisaties benaderd om te reageren op het ontwerp in verband met hun betrokkenheid bij de BRP. Hun inbreng heeft tot een aantal wijzigingen geleid in de regeling en de toelichting.

2. De systeembeschrijving van de basisregistratie personen

Op grond van het Besluit BRP dient bij ministeriële regeling een systeembeschrijving te worden vastgesteld. De systeembeschrijving vormt de beschrijving van de voorzieningen waarmee de BRP wordt gevoerd. Door middel van de systeembeschrijving worden de gedetailleerde regels gesteld die noodzakelijk zijn om de voorzieningen en daarmee het gehele stelsel van de BRP te laten werken. In de praktijk betekent dit dat de systeembeschrijving wordt gevormd door de aangewezen onderdelen van de technische beschrijving (Logisch Ontwerp) van de voorzieningen die het betreft. Voor het voeren van de BRP wordt voorlopig uitsluitend gebruik gemaakt van de bestaande GBA-voorzieningen en, voor zover het gaat om de registratie van niet-ingezetenen, van een specifieke voorziening (het RNI-systeem), die in technische zin op de GBA-voorzieningen aansluit.

Dit leidt ertoe dat de systeembeschrijving primair wordt gevormd door de daartoe aangewezen onderdelen van het Logisch Ontwerp GBA en het Logisch Ontwerp RNI (bijlagen 1 en 2). Aangezien deze onderdelen echter zowel qua terminologie als inhoudelijk verwijzen naar de GBA en de GBA-regelgeving, is aan de systeembeschrijving nog een onderdeel toegevoegd. Daarin is een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de aangewezen onderdelen onder de werking van de Wet BRP worden toegepast (bijlage 3). Deze toepassing zal in een aantal gevallen tot gevolg hebben dat wordt afgeweken van bepalingen in de Wet BRP en in het Besluit BRP. Dergelijke afwijkingen zijn echter toegestaan op grond van artikel 4.15 van de Wet BRP en artikel 52, tweede lid, van het Besluit BRP.

Voorts is ieder Logisch Ontwerp in zijn geheel in de regeling opgenomen (bijlagen 4 en 5), waardoor ook duidelijk is welke onderdelen niet zijn aangewezen in de systeembeschrijving. De regeling geeft hiermee niet alleen volledige transparantie over de technische en administratieve inrichting, werking en beveiliging van de BRP en over de berichtuitwisseling in verband met de systematische gegevensverstrekking uit de BRP, maar ook over het (tijdelijke) gebruik van de oude voorzieningen in dat kader en de daaruit voortvloeiende afwijkingen van de Wet BRP en het Besluit BRP.

3. De kosten in verband met de uitvoering van de Wet BRP

In de opzet van de regeling van de kosten is (grotendeels) dezelfde systematiek gevolgd als die onder werking van de Wet GBA bestond. Dit betekent dat in het Besluit BRP, net als in het Besluit GBA, primair regels zijn gesteld die betrekking hebben op het bepalen van de categorieën van kosten en de grondslagen van de bijdragen van de betrokkenen, terwijl in de regeling regels worden gesteld over de vaststelling en de betaling van de bijdragen. De in de regeling opgenomen bepalingen vertonen dan ook veel gelijkenis met de artikelen die over de kosten waren opgenomen in de Regeling GBA. Meer specifiek gaat het om de bepalingen over welke berichten als afstemmingsberichten worden aangemerkt en welke tarieven voor dergelijke berichten aan overheidsorganen en derden in rekening mogen worden gebracht, over het bedrag dat ten hoogste in rekening kan worden gebracht voor de verzending van berichten met behulp van alternatieve media, over het bedrag dat ten hoogste in rekening kan worden gebracht voor de schriftelijke verstrekking van gegevens aan overheidsorganen en derden aan wie deze gegevens ook op systematische wijze kunnen worden verstrekt en over de heffingen die in rekening worden gebracht voor de verstrekking van gegevens uit de zogenoemde oude registers (het persoonskaartenarchief, het schakelregister en het centraal archief van overledenen).

Ten opzichte van de Regeling GBA zijn de in de regeling opgenomen bepalingen voor de berekening van de bijdragen in de kosten van verstrekkingen voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, de kosten van verstrekkingen op basis van een zoekvraag (‘ad-hoc-vraag’) en de kosten van het ter beschikking stellen van informatie die is verkregen door bewerking van gegevens uit de BRP, nieuw. Dat heeft wat betreft de kosten van het ter beschikking stellen van informatie te maken met het feit dat de daarop betrekking hebbende bepaling in de Wet BRP nieuw is ten opzichte van de Wet GBA. Wat betreft de kosten van verstrekkingen voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden en de ‘ad-hoc-vragen’ is nieuw dat op basis van het Besluit BRP er nu ruimte is om ook de initiële kosten in rekening te brengen.

4. Het overleg met de betrokkenen bij de uitvoering van de BRP

Evenals destijds onder de Wet GBA is ook in de Wet BRP voorzien in een overleg van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties met de betrokkenen bij de uitvoering van de regelgeving met betrekking tot de BRP. In artikel 1.15 van de Wet BRP is bepaald dat de minister periodiek overlegt met representatieve vertegenwoordigingen van de gemeenten, van de aangewezen bestuursorganen als bedoeld in artikel 2.65 van de Wet BRP en van de overheidsorganen waaraan en de derden aan wie op grond van artikel 3.2, 3.3 of 3.13 van de Wet BRP gegevens uit de BRP worden verstrekt. In verband met de uitbreiding van dit overleg met een representatieve vertegenwoordiging van de aangewezen bestuursorganen, is het aantal personen waaruit de representatieve vertegenwoordigingen gezamenlijk kunnen bestaan verhoogd van ten hoogste tien naar ten hoogste twaalf personen. Alle onderwerpen die bij of krachtens de Wet BRP worden geregeld, lenen zich voor dit overleg. Van de mogelijkheid om met betrekking tot het overleg nadere regels te stellen, is in deze regeling gebruik gemaakt. In de artikelsgewijze toelichting zal nader op de inhoud van deze regels worden ingegaan.

5. Uitvoeringslasten, financiële gevolgen, regeldruk en privacy

De onderhavige regeling leidt niet tot uitvoeringslasten, financiële gevolgen of gevolgen voor de regeldruk die niet al zijn voorzien en toegelicht in de memorie van toelichting bij de Wet BRP en de nota van toelichting bij het Besluit BRP.

De uitvoeringslasten en budgettaire gevolgen voor het rijk en de medeoverheden van de modernisering van de BRP en de uitbreiding van de BRP met niet-ingezetenen, worden al meegenomen in de desbetreffende programma’s. Met de gemeenten die als inschrijfvoorziening optreden namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het inschrijven van niet-ingezetenen zijn aparte afspraken gemaakt over de uitvoeringslasten en financiële gevolgen van die werkzaamheden. Over de verbetering van de kwaliteit van de BRP en de verbetering van de dienstverlening in samenhang met de vermindering van de administratieve lasten is bij de Wet BRP en het Besluit BRP al toegelicht dat deze zowel voor het rijk als de medeoverheden per saldo budgettair neutraal zijn en geen toename van de uitvoeringslasten opleveren. In dat verband is tevens opgemerkt dat het evaluatie-instrument in gezamenlijk overleg met de gemeenten is ontwikkeld.

Wat betreft de regeldruk is bij het Besluit BRP opgemerkt dat de registratie van niet-ingezetenen ertoe leidt dat de betrokken personen minder uren kwijt zijn aan het inschrijven en aan het actualiseren en controleren van gegevens, terwijl de overheid eveneens minder tijd kwijt is aan deze processen. Ook is in dat kader toegelicht dat de regelgeving geen voorschriften bevat voor uitzendorganisaties of bedrijven die met niet-ingezetenen werken en derhalve evenmin leidt tot kostenstijging of stijging van de administratieve lasten van bedrijven. De onderhavige regeling brengt hierin geen verandering.

Op het terrein van de privacybescherming bevat de regeling, naast de bepalingen daarover in de Wet BRP en het Besluit BRP, slechts enkele artikelen. Het betreft enerzijds een nadere uitwerking van de maatregelen die een bewerker, die in opdracht van het college van burgemeester en wethouders werkzaamheden verricht, onder andere dient te nemen ter beveiliging van de gegevensbestanden en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Anderzijds gaat het om regels betreffende het beheer van het centraal archief van overledenen en het verstrekken van gegevens daaruit. De in de regeling opgenomen bepalingen zijn vrijwel gelijkluidend aan de bepalingen die daaromtrent in de Regeling GBA waren opgenomen.

Artikelsgewijs

Artikel 2

Zoals in paragraaf 2 van het algemeen deel is toegelicht, worden door middel van de systeembeschrijving gedetailleerde regels gesteld over de voorzieningen waarmee de BRP wordt gevoerd. Net als onder de Wet GBA, worden (onderdelen van) de documenten waarin de technische en administratieve inrichting en werking van de BRP is beschreven, algemeen verbindend verklaard door te bepalen dat zij deel uitmaken van de systeembeschrijving. De documenten zijn aangegeven in artikel 2. Allereerst betreft het de Logisch Ontwerpen GBA en RNI. In de bijlagen 1 en 2 bij dit artikel zijn ten aanzien van de genoemde Logisch Ontwerpen de onderdelen aangegeven, die onderdeel van de systeembeschrijving vormen. Daarbij worden hoofdstukken, paragrafen en bijlagen uitgezonderd, die slechts als toelichting zijn bedoeld, of die voor de praktijk geen functie (meer) hebben.

Omdat voor de uitvoering van de Wet BRP voorlopig uitsluitend gebruik wordt gemaakt van bestaande GBA-voorzieningen, aangevuld met een specifieke voorziening voor de registratie van niet-ingezetenen (RNI), is in bijlage 3 een document opgenomen, waarin is beschreven op welke wijze de aangewezen onderdelen van de Logisch Ontwerpen onder de werking van de Wet BRP worden toegepast.

Artikel 3

Op grond van dit artikel zijn de volledige Logisch Ontwerpen, waarvan onderdelen krachtens artikel 2 tot de systeembeschrijving behoren, opgenomen in de bijlagen 4 en5. Het betreft de actuele versie van deze documenten. Zodra een Logisch Ontwerp door een nieuwe versie wordt vervangen, zal de desbetreffende bijlage worden gewijzigd.

Artikel 4

In dit artikel en de daarbij behorende bijlage 6 zijn de regels opgenomen betreffende de bewaring van geschriften en andere bescheiden, die zijn gebruikt in verband met de verwerking van gegevens in de BRP. Daaronder kunnen onder meer ook kopieën worden begrepen, die de bijhoudingsverantwoordelijke heeft gemaakt van (buitenlandse) brondocumenten die hij heeft teruggegeven aan de betrokkene. De documenten en de bewaartermijnen komen zo veel mogelijk overeen met hetgeen in de Regeling bewaring GBA-bescheiden was bepaald.

Artikelen 6

In artikel 6 worden nadere regels gesteld met betrekking tot de maatregelen die een bewerker moet treffen, die in opdracht van het college van burgemeester en wethouders werkzaamheden verricht. In artikel 9, tweede lid, van het Besluit BRP is een niet-limitatieve opsomming gegeven van maatregelen ter verzekering van de deugdelijke uitvoering van zijn werkzaamheden, de beveiliging van de gegevensbestanden en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 6 bevat een – eveneens niet uitputtende – lijst van elementen die de bedoelde maatregelen moeten bevatten.

Artikel 7

Dit artikel bevat nadere regels over de wijze waarop het overheidsorgaan waaraan of de derde aan wie systematisch gegevens worden verstrekt, medewerking dient te verlenen aan het in artikel 1.12 van de Wet BRP bedoelde onderzoek.

Artikelen 8 en 9

Ter uitvoering van artikel 15, tweede en zevende lid, van het Besluit BRP, bepalen de artikelen 8 en 9 welke berichten als afstemmingsberichten worden aangemerkt en wat het tarief is dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij overheidsorganen en derden per geregistreerde persoon in rekening brengt. De bepalingen zijn inhoudelijk grotendeels gelijk aan de artikelen 36 en 37 van de Regeling GBA. Het belangrijkste verschil is dat er geen afstemming meer plaatsvindt met de gemeenten, maar met de centrale voorziening GBA-verstrekkingen waarvoor de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is. Daarom is nu ook gekozen voor een vast bedrag voor afstemming met behulp van alternatieve media, in plaats van een bedrag per bij de afstemming betrokken gemeente.

Artikel 10

Artikel 10 is vergelijkbaar met artikel 37a van de Regeling GBA. De formulering van de twee artikelleden is enigszins aangepast om te verduidelijken dat het gaat om de bijdragen die ten hoogste in rekening kunnen worden gebracht op grond van de artikelen 16 en 17 van het Besluit BRP. Voor zover het gaat om de verzending van berichten of de verstrekking van gegevens door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kunnen deze bedragen, gelet op de tekst van het tweede lid van de genoemde artikelen van het Besluit BRP, in rekening worden gebracht naast de bijdrage die al wordt vastgesteld op grond van de algemene systematiek voor het bepalen van bijdragen in de kosten in verband met de uitvoering van de Wet BRP, zoals die is opgenomen in de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 van het Besluit BRP. De aanvullende bijdrage die ten hoogste in rekening kan worden gebracht voor verzending met behulp alternatieve media is ten opzichte van artikel 37a van de Regeling GBA verhoogd naar een bedrag dat overeenstemt met de uitvoeringskosten en vergelijkbaar is met het onder artikel 9 van de regeling genoemde tarief. De aanvullende bijdrage die ten hoogste in rekening kan worden gebracht voor schriftelijke verstrekking is met het prijsindexcijfer gecorrigeerd voor inflatie en is in overeenstemming gebracht met de bijdrage die gemeenten voor vergelijkbare handelingen in rekening brengen.

Artikel 11

In dit artikel is het uurtarief bepaald waarmee de kosten voor verstrekkingen op grond van artikel 3.13 van de Wet BRP (verstrekkingen voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden), verstrekkingen op basis van een zoekvraag (‘ad-hoc-vraag’) (zie artikel 37, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit BRP) en artikel 3.14 van de Wet BRP (de terbeschikkingstelling van informatie die is verkregen door bewerking van gegevens uit de BRP) kunnen worden berekend om bijdragen van een betrokkene in rekening te kunnen brengen op grond van de artikelen 18 en 19 van het Besluit BRP.

De bijdrage die op grond van artikel 18 van het Besluit BRP in rekening kan worden gebracht en op basis van artikel 19 van het Besluit BRP in rekening wordt gebracht, is in die gevallen beperkt tot de zogenoemde initiële handelingen en, wanneer van toepassing, tot de meerkosten van verstrekking met behulp van alternatieve media. De overige kosten worden wat betreft de verstrekkingen op grond van artikel 18 van het Besluit BRP in rekening gebracht op grond van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 van het Besluit BRP. Voor de verstrekkingen op grond van artikel 19 van het Besluit BRP komt de bijdrage op grond van artikel 11 in plaats van een bijdrage op grond van de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 van het Besluit BRP.

Artikel 14

Ter uitvoering van de artikelen 23, tweede lid, en 32, tweede lid, van het Besluit BRP zijn in bijlage 7 bij deze regeling de aantekeningen in verband met het verblijfsrecht vermeld, die op een persoonslijst van een vreemdeling voor kunnen komen.

Ten opzichte van de vergelijkbare lijst van aantekeningen die was opgenomen in bijlage 1a bij artikel 40a van het Besluit gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd. Het betreft enkele redactionele verbeteringen in de onderdelen e en g. In de onderdelen a tot en met d en f zijn de verwijzingen naar artikel 14 of artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 geschrapt, omdat uit het genoemde onderdeel van artikel 8 van die wet al blijkt of het om een verblijfsvergunning gaat als bedoeld in artikel 14 of 28. De onderdelen j, t en u zijn aangevuld met een beschrijving van al dan niet toegestane arbeid; het betreft geen inhoudelijke wijzigingen. In de onderdelen q en r is toegevoegd ‘bij een ingeschrevene als hierboven bedoeld’; ook dit betreft een verduidelijking. De onderdelen p, q en r uit de oude bijlage 1a keren niet terug, omdat deze verwezen naar het inmiddels vervallen artikel 115 van de Vreemdelingenwet 2000. De inhoudelijke wijzigingen worden hieronder nader toegelicht.

Onderdelen e en w

Omdat gebleken is dat er bij de gebruikers van de GBA (in het bijzonder de instanties die betrokken zijn bij de verstrekking van voorzieningen) behoefte bestaat aan meer duidelijkheid en informatie over het verblijfsrecht van de in aantekening e van bijlage 1a bij het Besluit GBA bedoelde vreemdelingen, zijn de op deze vreemdelingen betrekking hebbende verblijfsrechtelijke aantekeningen nu in twee separate onderdelen ondergebracht. Onderdeel e heeft uitsluitend nog betrekking op de aantekening omtrent het rechtmatig verblijf op grond van artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000. Daarnaast is een nieuw onderdeel w aan de bijlage toegevoegd, inhoudende de aantekening dat de ingeschrevene ingevolge artikel 8.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000 een duurzaam verblijfsrecht heeft, waardoor het de ingeschrevene toegestaan is elke vorm van arbeid in loondienst te verrichten.

Onderdelen e, g, m en n

De verwijzingen naar de artikelen 20 of 33 van de Vreemdelingenwet 2000 zijn in de onderdelen e, g, m en n vervallen of worden vervangen door een meer efficiënte verwijzing naar onderdelen van artikel 8 van die wet, omdat door verwijzing naar artikel 8 van die wet in dat artikel wordt doorverwezen naar de bedoelde vergunningen. In onderdeel m is de zinsnede ‘de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14, 20, 28 en 33 van die wet’ vervangen door ‘een verblijfsvergunning op grond van die wet’, aangezien de oude verwijzing alle verblijfsvergunningen uit de Vreemdelingenwet 2000 omvatte. Inhoudelijk wijzigt er in de genoemde onderdelen niets.

Onderdelen j en s

Door de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 maart 2013 (zaak nr. 11-1035 WWB-T, CRVB: 2013:BZ3854) is nogmaals bevestigd dat een EU-burger rechtmatig verblijf heeft tot dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst het verblijfsrecht met een beschikking beëindigd, in welk geval in de vreemdelingenadministratie aangetekend dat het rechtmatig verblijf is beëindigd. Met de aantekening in de onderdelen j en s moet dus ook na de periode van 3 maanden na inreis rechtmatig verblijf worden aangenomen. Om die reden is ‘gedurende een periode van drie maanden na inreis’ geschrapt.

Onderdeel u

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een uitspraak, gedateerd 25 mei 2004 (zaak nr. 200400863/1, JV 2004/277), overwogen dat een vreemdeling van wie de asielaanvraag onherroepelijk is afgewezen, rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onderdeel h, van de Vreemdelingenwet 2000 gedurende de geldigheid van een door de president van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ten aanzien van de betrokkene getroffen voorlopige maatregel (‘interim measure’ of ‘rule 39’). In een voorlopige maatregel bepaalt de president van het Hof dat het in het belang van de betrokken partijen en voor een goed verloop van de procedure bij het Hof wenselijk is om de betrokken vreemdeling niet uit te zetten. Gedurende de geldigheid van een maatregel als hier bedoeld bestaat er voor de betreffende vreemdeling geen vertrekplicht en is uitzetting, zowel naar internationaal als naar nationaal recht, onrechtmatig.

In verband met het voorgaande is met ingang van 20 maart 2009 artikel 3 van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 aangepast. Hierdoor is het voor vreemdelingen, ten aanzien van wie in het kader van de asielprocedure een dergelijke voorlopige maatregel is getroffen, mogelijk geworden om opvang te krijgen in een opvangvoorziening.3 Omdat de betrokken personen als gevolg van de verleende opvang de nodige voorzieningen ontvangen, kunnen zij geen recht doen gelden op verstrekking van algemene voorzieningen, zoals het recht op bijstand. Om deze reden is met betrekking tot deze vreemdelingen een onderscheidende aantekening in de BRP opgenomen (de aantekening, genoemd in onderdeel u van de bijlage).

Onderdeel v

De aantekening in het nieuwe onderdeel v is toegevoegd in verband met de Wet van 20 mei 2010 tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met het aanpassen van de asielprocedure (Stb. 2010, 202). Op grond van die wet is aan artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 een onderdeel m toegevoegd, waarin ook rechtmatig verblijf wordt toegekend aan de vreemdeling in afwachting van de indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 28 van die wet, voor zover die vreemdeling overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels, te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen en bij of krachtens algemene maatregel van bestuur daartoe een termijn is gesteld. Onder hen bevinden zich ook asielzoekers die toestemming hebben verkregen om zich te voegen bij hun reeds in Nederland toegelaten familieleden of partner. Zij verblijven in dat geval niet in een opvangcentrum. Zodra de asielaanvraag is ingediend, zal de grond voor rechtmatig verblijf wijzigen en zal er sprake zijn van rechtmatig verblijf op grond van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. In dat geval zal ook de verblijfsrechtelijke aantekening in de BRP worden aangepast.

Onderdeel w

De Minister van Veiligheid en Justitie kan, naast de in de wet neergelegde categorieën van vreemdelingen, andere omstandigheden aanwijzen waaronder vreemdelingen rechtmatig verblijf hebben. Het rechtmatig verblijf is naar zijn aard meestal tijdelijk en betreft geen verblijf op grond van een verblijfsvergunning of de aanvraag daarvan, noch op grond van internationale verplichtingen en verdragen. Te denken valt hier aan vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdelen j en k, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij beletselen tegen de uitzetting bestaan of aan wie, als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel, een periode is gegeven om aangifte te doen. Een vreemdeling als hier bedoeld kan in aanmerking komen voor specifieke voorzieningen van het Ministerie van Veiligheid en Justitie en heeft in dat geval geen recht op algemene voorzieningen. De bij de verstrekking van algemene voorzieningen betrokken instanties worden door middel van een aantekening in de BRP op de hoogte gesteld van deze omstandigheid waarin de desbetreffende vreemdeling verkeert (de aantekening, genoemd in onderdeel w van de bijlage).

Onderdeel x

Het rechtmatig verblijf van gemeenschapsonderdanen (dan wel daarmee gelijkgestelde personen) zoals omschreven in artikel 8, onderdeel e, van de Vreemdelingenwet 2000 kan worden beëindigd. Het gevolg van die beëindiging is dat bestaande, uit het recht van de Europese Unie voortvloeiende, rechten op Nederlandse voorzieningen komen te vervallen, zoals het recht op bijstand. Dit gevolg treedt pas in nadat het besluit, inhoudende beëindiging van het rechtmatig verblijf, onherroepelijk is geworden. Daarvan is sprake wanneer tegen het besluit niet binnen de daarvoor gestelde termijn een bezwaarschrift is ingediend, dan wel het ingediende bezwaarschrift ongegrond is verklaard. Teneinde de betrokken instanties op de hoogte te kunnen stellen van de beëindiging van het rechtmatig verblijf van deze vreemdelingen, zodat zij bijvoorbeeld lopende uitkeringen of andere voorzieningen kunnen stoppen, is ten aanzien van deze personen een onderscheidende aantekening in de BRP opgenomen (de aantekening, genoemd in onderdeel x van de bijlage).

Onderdeel y

De uitbreiding van de BRP met gegevens over niet-ingezetenen en de opname van gegevens in verband met het verblijf van niet-ingezetenen brengt met zich mee dat er een afzonderlijke aantekening voor deze groep nodig is. Bij inschrijving van een vreemdeling vindt verstrekking van zijn gegevens plaats aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) (overeenkomstig hoofdstuk 3 van de Wet BRP). Als de IND gegevens over het verblijfsrecht heeft in verband met de betrokken vreemdeling, doet de IND een opgave op grond van artikel 2.78, eerste lid, van de wet. Heeft de IND echter (nog) geen gegevens over het verblijfsrecht, dan moet dat ook kunnen worden aangetekend. In verband daarmee is de aantekening in onderdeel y toegevoegd.

Artikel 15

In bijlage 8 bij artikel 15 zijn de administratieve gegevens nader bepaald, die op de persoonslijst kunnen worden opgenomen. Zij komen grotendeels overeen met de administratieve gegevens die in het Besluit GBA waren vermeld.

Artikel 16

In bijlage 9 bij artikel 16 is het model opgenomen van het verhuisbericht, dat op grond van artikel 2.21, vijfde lid, van de Wet BRP moet worden verstrekt aan een persoon die in de aangifte van vertrek heeft gemeld te gaan verblijven in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen.

Artikelen 17, 18 en 19

In deze artikelen worden categorieën van instellingen aangewezen als bedoeld in art. 2.40 van de Wet BRP. Iemand die zijn woonadres heeft in een hier bedoelde instelling, kan in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan aangifte doen. De hier aangewezen instellingen hebben gemeen dat opneming van een dergelijk woonadres in de BRP, met als gevolg de mogelijke verstrekking daarvan aan overheidsorganen en derden, de persoonlijke levenssfeer van de ingeschrevene onevenredig zou kunnen schaden.

Artikel 20

In bijlage 10 is het formulier opgenomen, waarmee een overheidsorgaan of derde een verzoek aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kan doen tot het nemen van een autorisatiebesluit. Dit formulier is vergelijkbaar met het formulier dat op grond van artikel 66 van het Besluit GBA was vastgesteld.

Artikel 21

Artikel 21 heeft betrekking op de kwaliteitsonderzoeken die de colleges van burgemeester en wethouders en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties periodiek moeten verrichten op grond van artikel 4.3 van de Wet BRP. In artikel 47 van het Besluit BRP zijn nadere regels over de periodiciteit en de uitvoering van het kwaliteitsonderzoek opgenomen.

Op grond van artikel 4.3, tweede, derde en vierde lid, van de Wet BRP wordt periodiek een uittreksel van de resultaten van het onderzoek gezonden aan het College bescherming persoonsgegevens, onderscheidenlijk de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. In artikel 21 is het aggregatieniveau bepaald van de resultaten van het onderzoek, die in het uittreksel moeten vermeld.

Artikel 22 tot en met 32

Deze artikelen zijn een uitwerking van de overgangsbepalingen van artikel 4.4 tot en met 4.7 van de Wet BRP. Zij betreffen de zorg voor de registers die zijn aangelegd voordat de Wet GBA van kracht werd. De bepalingen zien op de zorg voor deze registers en dienen mede ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Deze voorschriften komen grotendeels overeen met de bepalingen uit de Regeling GBA en de Regeling overdracht vestigingsregister en centrale registers, voor zover het de in de Wet BRP genoemde oude registers betreft.

Onder de Wet GBA is het feitelijk beheer van het centraal archief van overledenen overgedragen aan de Stichting Centraal Bureau voor Genealogie.

Artikel 33

Ter uitvoering van artikel 49 van het Besluit BRP is in artikel 33 bepaald welke heffingen in rekening worden gebracht voor de verstrekking van gegevens uit de zogenoemde oude registers (het persoonskaartenarchief, het schakelregister en het centraal archief van overledenen). Uit artikel 4.8 van de Wet BRP volgt dat het uitsluitend gaat om verstrekking van gegevens uit oude registers voor de verwerking waarvan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verantwoordelijk is; wat betreft het centraal archief van overledenen betekent dat het centraal archief van overledenen, bestaande uit de persoonskaarten, bedoeld in artikel 69, tweede lid, van het (oude) Besluit bevolkingsboekhouding (zie artikel 4.7 van de Wet BRP).

In lijn met artikel 4.8, tweede lid, van de Wet BRP kunnen de heffingen slechts in rekening worden gebracht voor verstrekkingen aan derden voor zover het geen systematische verstrekking (verstrekking overeenkomstig artikel 3.3 van de Wet BRP) betreft en voor verstrekkingen aan een betrokkene zelf van hem betreffende gegevens.

Artikel 34

In artikel 26 van het Besluit BRP is de verplichting opgenomen dat overheidsorganen het burgerservicenummer vermelden van de persoon of personen ten aanzien van wie gegevens, bescheiden of inlichtingen worden verstrekt of met betrekking tot wie mededelingen worden gedaan. Deze verplichting is opgenomen met het oog op een doeltreffende verwerking van mededelingen van overheidsorganen die uitvoering geven aan de verplichtingen, bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 1, paragraaf 4, van de Wet BRP. De oude gemeentelijke voorzieningen, voor zover deze geautomatiseerd zijn, voorzien echter niet in het opnemen van het burgerservicenummer in de berichten. Daarom is de verplichting van artikel 26 alleen van toepassing in de gevallen waarin de verstrekking of de mededeling wordt gedaan aan een college dat gebruikt maakt van een nieuwe gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 4.15 van de Wet BRP en in de gevallen dat de verstrekking of de mededeling niet op geautomatiseerde wijze plaatsvindt.

Artikel 35

De systeembeschrijving bevat onder meer een beschrijving van enige tabellen voor de ordening en de codering van de gegevens in de BRP en voor de verstrekking van gegevens op grond van een autorisatiebesluit. De inhoud van enkele van deze tabellen (bijvoorbeeld de gemeententabel, waarin de aanduidingen van alle gemeenten zijn opgenomen), is relatief sterk aan verandering onderhevig (bijvoorbeeld in het geval van de gemeententabel: bij iedere herindeling). Daarom worden de tabellen regelmatig herzien. Voorts is het van belang dat de (gewijzigde) tabelgegevens op een wijze beschikbaar worden gesteld, die het mogelijk maakt deze op geautomatiseerde wijze in de centrale voorziening of de gemeentelijke voorzieningen op te nemen. De vaststelling of wijziging van een of meer tabellen wordt in verband daarmee op verschillende manieren bekendgemaakt. De aard en omvang van de tabellen maken het bezwaarlijk de tabellen als geheel in de Staatscourant te publiceren. Door terinzagelegging bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en publicatie via het internet (www.bprbzk.nl ) is niet alleen de kenbaarheid van dit onderdeel van de systeembeschrijving voor de direct bij de regeling betrokken personen voldoende verzekerd, maar is tevens gewaarborgd dat de tabelgegevens door hen elektronisch, overeenkomstig de systeembeschrijving, kunnen worden verwerkt.

Bekendmaking

De bijlagen 4 en 5 zijn door hun omvang en opmaak niet geschikt om in de Staatscourant te plaatsen. Daarom worden deze bijlagen bekendgemaakt door terinzagelegging bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De documenten zijn tevens via het internet te raadplegen (www.bprbzk.nl ). Daarmee is de kenbaarheid van de documenten voor de direct bij de regeling betrokken personen voldoende verzekerd.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, R.H.A. Plasterk.