Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2013, 26009 | Vergunningen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Economische Zaken | Staatscourant 2013, 26009 | Vergunningen |
Procesverloop:
– Transmark Renewable Products B.V. (hierna; Transmark), heeft per brief van 5 maart 2012, ontvangen op 8 maart 2012, en aangevuld op 25 mei 2012, ontvangen op 29 mei 2012, een aanvraag ingediend voor een opsporingsvergunning voor aardwarmte, ingevolge artikel 6, van de Mijnbouwwet (hierna: Mbw). Het aangevraagde gebied, genaamd Utrecht – Noord-Brabant, ligt in de provincies Utrecht, Noord-Brabant, Gelderland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Limburg. De oppervlakte van het aangevraagde gebied bedraagt 3.693,66 km2. De aangevraagde geldigheidsduur van de vergunning is vijf jaar;
– in de Staatscourant van 12 april 2012 en 11 mei 2012 (Staatscourant 2012, nr. 6884) is een uitnodiging geplaatst voor het indienen van concurrerende aanvragen;
– bij brief van 4 juli 2012, ontvangen op 9 juli 2012, heeft Projectbureau Bommelerwaard (hierna: PB), binnen de periode van 13 weken na plaatsing van een uitnodiging voor het indienen van concurrerende aanvragen voor het gebied genaamd Utrecht – Noord-Brabant, een deels concurrerende aanvraag ingediend voor het gebied genaamd Bommelerwaard;
– bij brief van 9 augustus 2012, ontvangen op 10 augustus 2012, heeft Hydreco GeoMEC B.V. (hierna: Hydreco), binnen de periode van 13 weken na plaatsing van een uitnodiging voor het indienen van concurrerende aanvragen voor het gebied genaamd Utrecht – Noord-Brabant, een deels concurrerende aanvraag ingediend voor het gebied genaamd Tilburg-Geertruidenberg;
– bij brief van 9 augustus 2012, ontvangen op 10 augustus 2012, heeft Hydreco GeoMEC B.V. (hierna: Hydreco), binnen de periode van 13 weken na plaatsing van een uitnodiging voor het indienen van concurrerende aanvragen voor het gebied genaamd Utrecht – Noord-Brabant, een deels concurrerende aanvraag ingediend voor het gebied genaamd Helmond 2;
– TNO adviesgroep EZ (hierna: TNO) heeft op verzoek van de Minister van Economische Zaken (hierna: EZ) op 11 december 2012 advies uitgebracht (kenmerk: AGE 12-10.061);
– Staatstoezicht op de mijnen (hierna: Sodm) heeft op verzoek van de Minister van EZ op 6 maart 2013 advies uitgebracht (kenmerk: 13039337);
– het College van Gedeputeerde Staten (hierna: GS) van de provincies Utrecht, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Gelderland, Noord-Holland en Limburg is op grond van artikel 16 Mbw om advies gevraagd. Van GS Utrecht is op 5 februari 2013 advies ontvangen (kenmerk: 50DC59D5). GS Noord-Brabant heeft op 19 februari 2013 advies uitgebracht (kenmerk: 3327961).
Van GS Zuid-Holland is op 26 februari 2013 advies ontvangen (kenmerk: PZH- 2013-368854280). GS Gelderland heeft op 6 februari 2013 advies uitgebracht (kenmerk: 2012-018267). Van GS Noord-Holland is op 15 januari 2013 advies ontvangen (kenmerk:96603-104252). Van GS Limburg is geen advies ontvangen;
– de Mijnraad is, op grond van artikel 105, derde lid, Mbw, om advies gevraagd en heeft per brief van 21 augustus 2013 advies uitgebracht (kenmerk: MIJR/13056017).
Overwegingen m.b.t. het besluit:
– voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning wordt verleend, geldt bij het inwerking treden ervan niet een door een ander gehouden opsporings- of winningsvergunning voor aardwarmte. Hiermee is voldaan aan artikel 7, eerste lid, Mbw;
– voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning wordt verleend, geldt bij het inwerking treden ervan niet een door een ander gehouden opslagvergunning. Hiermee is voldaan aan artikel 7, tweede lid, Mbw;
– de technische en financiële mogelijkheden van Transmark en Hydreco geven geen aanleiding tot het weigeren van de gevraagde vergunning. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a Mbw. PB voldoet niet aan dit criterium;
– de manier waarop de aanvragers voornemens zijn de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten geeft geen aanleiding de vergunning te weigeren. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b Mbw;
– de aanvragers hebben niet onder een eerdere vergunning bij activiteiten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, en artikel 25, eerste lid, Mbw blijk gegeven van een gebrek aan efficiëntie of verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, Mbw;
– derhalve moet er, gelet op artikel 9, eerste lid, onder d van de Mbw een keuze worden gemaakt uit de aanvragen, in het belang van het doelmatig en voortvarend opsporen en winnen.
Overwegingen m.b.t. de ingediende adviezen:
– Sodm heeft zich in haar advies tot de technische capaciteiten van Transmark beperkt. Sodm komt tot de conclusie dat Transmark over voldoende technische mogelijkheden beschikt om de opsporing van aardwarmte ter hand te nemen. Hydreco is bij eerdere vergunningverlening technisch capabel geacht en er zijn geen reden om aan te nemen dat dit thans anders is;
– TNO adviseert ten aanzien van de aanvraag Utrecht – Noord-Brabant van Transmark om:
1. op basis van de nu voorliggende gebiedsbeschrijving deze aanvraag niet te honoreren; voor het gebied geldt dat de grootte ervan niet in een redelijke verhouding staat tot de omvang en diepgang van het voorgestelde werkprogramma; bovendien beoordeelt TNO de geologische onderbouwing van de aanvraag als zeer beknopt;
2. de aanvrager aan te raden de aanvraag te actualiseren met nieuwe gebiedsbeschrijvingen, waarbij de grootte van het gebied maximaal 800 km2 zou kunnen zijn voor het eerste jaar van het werkprogramma en bovendien de grootte van het gebied na één jaar verder te reduceren tot maximaal 200 km2;
3. in alle gevallen de gebieden Bommelerwaard, Harmelerwaard, Est, 's Hertogenbosch, Eindhoven, Helmond, Helmond-2 en Tilburg-Geertruidenberg uit te zonderen, of om die vergunningen eerst te beperken tot het bereik van maximaal 4.000 meter diepte;
4. indien uiteindelijk op basis van deze voorwaarden een vergunning wordt verleend als voorwaarde op te nemen dat voor het verstrijken van het derde jaar een geactualiseerd boorprogramma met daarin tenminste één onvoorwaardelijke boring aan de Minister wordt geleverd. In dit boorprogramma wordt uitgebreid ingegaan op de technische risico's van de diepe boringen, en die van het boren in breukzones;
– in vergelijking beschouwt TNO de werkplannen van PB en Hydreco als concreter en beter passend bij het aangevraagde gebied dan dat van Transmark;
– TNO acht de door Transmark aangevraagde duur van vijf jaar voor de vergunning te lang voor het voorgestelde werkprogramma;
– TNO adviseert ten aanzien van de aanvraag Bommelerwaard van PB om:
1. een opsporingsvergunning te verlenen voor aardwarmte aan PB voor een periode van vier jaar voor het gehele aangevraagde gebied Bommelerwaard;
2. als voorwaarde op te nemen dat voor het verstrijken van het tweede jaar een geactualiseerd werkprogramma met daarin tenminste een onvoorwaardelijke boring aan de Minister wordt geleverd;
3. als voorwaarde op te nemen dat voor het verstrijken van het derde jaar een geactualiseerd werkprogramma met daarin tenminste één onvoorwaardelijke eerste boring van een tweede doublet aan de Minister wordt voorgelegd;
4. als voorwaarde op te nemen dat de aanvrager de grootte van het vergunde gebied met tenminste 50% verkleint indien na het verstrijken van het derde jaar het geactualiseerde werkprogramma slechts één doublet bevat.
– In vergelijking beschouwt TNO het werkplan van PB als concreter, gedetailleerder en beter passend bij het aangevraagde gebied dan dat van Transmark.
– TNO adviseert ten aanzien van de aanvraag Tilburg-Geertruidenberg van Hydreco om:
1. een opsporingsvergunning te verlenen voor aardwarmte aan Hydreco voor een periode van vier jaar voor dat deel van het aangevraagde gebied Tilburg-Geertruidenberg dat overlapt met de aanvraag Utrecht – Noord-Brabant van Transmark;
2. als voorwaarde op te nemen dat voor het verstrijken van het eerste jaar een geactualiseerd werkprogramma met daarin tenminste een onvoorwaardelijke boring aan de Minister wordt geleverd;
3. als voorwaarde op te nemen dat voor het verstrijken van het derde jaar een geactualiseerd werkprogramma met daarin tenminste een onvoorwaardelijke eerste boring van een tweede doublet aan de Minister wordt geleverd;
4. als voorwaarde op te nemen dat de aanvrager de grootte van het vergunde gebied met tenminste 50% verkleint indien na het verstrijken van het derde jaar het geactualiseerde werkprogramma slechts één doublet bevat;
– TNO beoordeelt de kwaliteit van de geologische onderbouwing van de aanvraag van Tilburg-Geertruidenberg van Hydreco als goed. In vergelijking beschouwt TNO het werkplan van Hydreco, hoezeer beknopt ook, als concreter en beter passend bij het aangevraagde gebied dan dat van Transmark;
– TNO adviseert ten aanzien van de aanvraag Helmond-2 van Hydreco om:
1. een opsporingsvergunning te verlenen voor aardwarmte aan Hydreco voor een periode van vier jaar voor het gehele aangevraagde gebied Helmond-2;
2. als voorwaarde op te nemen dat voor het verstrijken van het eerste jaar een geactualiseerd werkprogramma met daarin tenminste een onvoorwaardelijke boring aan de Minister wordt geleverd;
3. als voorwaarde op te nemen dat voor het verstrijken van het derde jaar een geactualiseerd werkprogramma met daarin tenminste een onvoorwaardelijke eerste boring van een tweede doublet aan de Minister wordt geleverd;
– TNO beoordeelt de kwaliteit van de geologische onderbouwing van de aanvraag van Helmond-2 van Hydreco als goed. In vergelijking beschouwt TNO het werkplan van Hydreco, hoezeer beknopt ook, als concreter en beter passend bij het aangevraagde gebied dan dat van Transmark;
– in alle gebieden, met uitzondering van Helmond-2, liggen zowel verschillende gasvelden als gasprospects in diverse reservoirs. TNO wijst dan ook met nadruk op het risico op het aantreffen van (sporen van) koolwaterstoffen.
– GS Utrecht geeft in haar advies – samengevat – aan dat er:
1. een onderzoek noodzakelijk is dat, voordat er proefboringen plaatsvinden, goed de effecten en risico’s van deze vorm van winning in kaart worden gebracht, waarbij specifiek aandacht wordt gevraagd voor de effecten op luchtkwaliteit, geluidshinder, risico’s voor de grondwaterwinning en de effecten en risico’s van fraccen of het boren in natuurlijke breukzones;
2. in het kader van het seismisch onderzoek zware restricties gelden voor stiltegebieden, drinkwaterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones;
3. ten minste een kleiner gebied in vergunning wordt verleend dan is aangevraagd en het gebied sowieso te beperken tot een diepte van 4.000 meter en dieper. Daarbij moet van de aanvrager worden verlangd na één jaar bekend te maken van welke 50% van het vergunninggebied hij geen gebruik maakt. De vergunning moet worden ingetrokken voor dat gedeelte;
4. rekening wordt gehouden met de bovengrondse condities ten aanzien van de potentiële winlocatie met het oog op ruimtelijke en milieubelangen en daarom in de vergunning op te nemen dat de vergunninghouder zich van meet af aan in verbinding stelt met de provinciale overheid;
5. bij het verlenen van de vergunning rekening wordt gehouden met ruimtelijke en milieubelangen en niet pas in een later stadium en daarom dit advies van de provincie al volledig mee te nemen bij de vergunningverlening;
– GS Zuid-Holland adviseert het volgende:
1. de wijze waarop de aardwarmte uit de bodem wordt gewonnen is nog niet bepaald. In een gesprek met Transmark is gebleken dat niet wordt uitgesloten dat daarvoor hydraulische stimulatie (fraccen) mogelijk nodig zal zijn. GS is van mening dat hiervoor pas toestemming kan worden gegeven wanneer de risico’s en gevolgen van het fraccen, inclusief mitigatiemogelijkheden ervan, in beeld zijn gebracht. GS is dan ook van mening dat er geen vergunning verleend kan worden voor het winnen van de aardwarmte met behulp van fraccen zolang niet duidelijk is, dat de risico’s en gevolgen van fraccen beheersbaar en (maatschappelijk) aanvaardbaar zijn;
2. de ligging en omvang van het feitelijke wingebied en de locaties voor de exploratieputten zijn nog niet bekend. GS geeft aan het van belang te vinden dat bij de te maken keuzes niet uitsluitend rekening wordt gehouden met de meest optimale ligging van de potenties voor aardwarmte in de bodem, maar ook expliciet de boven- en ondergrondse belangen en functies worden meegewogen. Daarnaast geeft GS aan dat de aanvraag betrekking heeft op een deel van de provincie Zuid-Holland dat onderdeel uitmaakt van het open Groene Hart. GS gaat er vanuit dat rekening wordt gehouden met de belangen die in dit gebied spelen. Ook zou bij het maken van de keuze rekening moeten worden gehouden met de aanwezige functies in het gebied;
3. GS vindt het ook van groot belang dat er zo optimaal mogelijk gebruik gemaakt wordt van de warmte uit de bodem. Bij elektriciteitswinning uit aardwarmte blijft restwarmte van circa 75°C over. GS is van mening dat die eventuele restwarmte ook zo veel mogelijk benut moet worden. Dit vraagt afstemming van de locatie van de exploratieputten op mogelijke – bovengrondse – vraagfuncties voor warmte en mogelijke koppeling aan en/of realisering van een warmtenet. Om deze belangen goed in het proces mee te nemen zou Transmark voorafgaand aan de te maken keuze voor de inperking van het zoekgebied en de exploratieputten/winlocatie in overleg moeten treden met de decentrale overheden over de in het betreffende gebied aanwezige boven- en ondergrondse functies, belangen én waarden;
– GS Noord-Brabant komt met het volgende advies:
1. ten aanzien van de technische en financiële capaciteit en maatschappelijke verantwoordelijkheidszin van de initiatiefnemers laat GS de oordeelsvorming graag over aan EZ;
2. wat betreft de wijze waarop de initiatiefnemers de activiteiten verrichten vraagt GS uitdrukkelijk aandacht voor de risico’s van (proef)boringen naar geothermie, cq. de effecten daarvan op milieu, grondwater, bodem en omgeving. GS verwijst naar het onderzoek inzake schaliegas en vraagt naar analogie te handelen ten aanzien van boringen naar geothermie (met en zonder fraccen);
3. doelmatigheid en voortvarendheid van opsporen: GS is van mening dat van de vergunningen daadwerkelijk en doeltreffend gebruik gemaakt wordt en dat initiatieven van anderen niet worden geblokkeerd. GS stelt voor dat beide aanvragers overeenstemming bereiken over het gebruik van het overlappende deel van de vergunningaanvragen. GS adviseert de proefboringen uit te stellen totdat, op basis van onderzoeksgegevens, een gedegen afweging kan plaatsvinden tussen de opties diepe of ondiepe geothermie in de overlappende gebieden;
4. aanvullende overwegingen en provinciale belangen: GS vraagt er bij de vergunninghouder op aan te dringen specifiek rekening te houden met de ruimtelijke en ondergrondse inpassing van de boringen. GS denkt daarbij aan provinciale belangen van leef- en vestigingsklimaat, ruimtelijke kwaliteit, EHS, Natura 2000 gebieden, grondwaterwinningen ten behoeve van drink- en industriewater en aardkundige en cultuurhistorische waarden. GS eist betrokken te worden bij de procedures rondom de planologische inpassing van de eventuele proefboringlocaties;
5. communicatie: GS adviseert de vergunninghouders erop te wijzen dat communicatie een belangrijke voorwaarde is om tot draagvlak in de regio te komen, hetgeen een belangrijke voorwaarde is om tot een geslaagd project te komen;
6. beleidsontwikkeling: omdat de provincie van plan is op korte termijn een visie voor de (diepe) ondergrond te ontwikkelen kunnen nieuwe inzichten ontstaan voor de inpassing van initiatieven ten aanzien van geothermie;
– GS Gelderland adviseert – samengevat – het volgende:
1. GS staat positief tegenover opsporingsvergunningaanvragen voor aardwarmte.
2. GS vraagt om rekening te houden met het gebruik en toepassingen van en in de bodem; daarom geen boringen in waterwingebieden, geen schade aan Natura 2000-gebieden en de EHS; ook moet rekening worden gehouden met archeologische vindplaatsen, cultureel erfgoed, warmte-koude opslagsystemen en bodemverontreiniging;
3. GS werkt aan een omgevingsvisie en vraagt daarmee rekening te houden door advies te vragen aan de provinciale overheid over de wisselwerking tussen de ondergrond en de bovengrond en de planologische inpassing;
4. Voorafgaand aan de eventuele opsporingsboring vindt onderzoek plaats naar de meest kansrijke gebieden voor het aantreffen van aardwarmte. GS verzoekt EZ om GS te betrekken bij dat onderzoek en bij het vaststellen van een locatie voor een proefboring.
– GS Noord-Holland deelt in haar advies mee aardwarmte te zien als een vorm van duurzame energie die kan bijdragen aan het terugdringen van de CO2-uitstoot. In de bodemvisie 2009–2013 van de provincie Noord-Holland zijn globaal de mogelijkheden voor aardwarmte aangegeven. Het door Transmark betreffende onderzoeksgebied wordt in de bodemvisie aangeduid als kansarm. GS geeft aan dat de aanvraag geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen;
– naar aanleiding van de adviezen van GS wordt opgemerkt dat het hier een aanvraag om een opsporingsvergunning betreft, derhalve een vergunning die aan de vergunninghouder enkel het alleenrecht geeft om in het in de vergunning verleende gebied aardwarmte op te sporen, oftewel onderzoek te doen naar de aanwezigheid van aardwarmte, dan wel naar nadere gegevens daaromtrent, met gebruikmaking van een boorgat. Kortom, er mag nog geen aardwarmte, qua volume van enige betekenis, worden onttrokken aan de ondergrond. Indien echter de vergunninghouder ten behoeve van de opsporingswerkzaamheden een boring zal doen, dan dient hij te voldoen aan eisen die gesteld worden in de Mijnbouwwet en -regelgeving.
Binnen uiterlijk 3 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning, dient de vergunninghouder te vermelden waar de boring exact zal worden verricht en is dus de locatiekeuze bekend. Voor wat betreft de milieu gerelateerde onderwerpen die door GS worden genoemd kan opgemerkt worden dat dit geregeld wordt in het Besluit algemene regels milieu mijnbouw en in een later stadium, indien winning zal plaatsvinden, beoordeeld wordt in het kader van de omgevingsvergunning, die nodig is voor een inrichting voor de winning van aardwarmte. Voor het overige betreft het advies van GS onderwerpen die op grond van artikel 11 en artikel 13, tweede lid Mbw niet aan de orde zijn bij verlening van deze opsporingsvergunning. Wel zal aan Transmark worden gevraagd aandacht te besteden aan het draagvlak voor dit project en tijdig afstemming te zoeken met decentrale overheden;
– de Mijnraad adviseert de aangevraagde opsporingsvergunning voor het gebied Utrecht – Noord-Brabant te verlenen aan Transmark voor een diepte van 4.000 meter en dieper. De (uit concurrerende aanvragen voortgekomen) opsporingsvergunningen voor aardwarmte in het gebied genaamd Tilburg-Geetruidenberg en Helmond 2 te verlenen aan Hydreco voor een diepte tot 4.000 meter. De (uit een concurrerende aanvraag voortgekomen) opsporingsvergunning voor aardwarmte in het gebied Bommelerwaard te verlenen aan PB voor een diepte tot 4.000 meter. Voor wat betreft de te verlenen opsporingsvergunning aan Transmark wordt een geldigheidsduur van de opsporingsvergunning van vijf jaar geadviseerd. Daarnaast wordt geadviseerd om Transmark binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning het aangevraagde gebied te laten beperken tot een oppervlakte van maximaal 800 km2.
Voor het einde van het derde jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning dient Transmark aan de minister van EZ aan te geven hoe dit gebied gereduceerd wordt tot een oppervlakte van maximaal 200 km2. Hierbij dient Transmark tevens een geactualiseerd werkprogramma te overleggen, dat voorziet in een onvoorwaardelijke boring in uiterlijk het vierde jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning. Transmark dient in het geactualiseerde werkprogramma tevens de locatie van de boring aan te geven en te vermelden of de operatie gepaard gaat met fraccen. Voor het overige verwijst de Mijnraad naar de algemene uitgangspunten, zoals beschreven in het advies van de Mijnraad van 20 mei 2009, kenmerk MIJR/9032045.
Ten aanzien van het punt waarin de Mijnraad adviseert een opsporingsvergunning voor aardwarmte in het gebied Bommelerwaard te verlenen aan PB dient te worden opgemerkt dat PB momenteel nog niet voldoet aan artikel 9, lid 1 aanhef en onder a van de Mbw;
– gelet op de Mbw, de aanvraag en de uitgebrachte adviezen kan verlening van de opsporingsvergunning voor aardwarmte aan Transmark Renewable Products B.V. plaatsvinden waarbij de geldigheidsduur van de vergunning vijf jaar is. De vergunning wordt verleend onder de nader omschreven voorschriften en beperkingen.
Gelet op:
de artikelen 6, 7, 9, 11, eerste tot en met derde lid, en vierde lid, eerste volzin, 12, 13, tweede lid, 15, 16, 17, eerste lid, 22, vijfde lid, en 105, derde lid, Mbw, alsmede artikel 1.3.1 van de Mijnbouwregeling.
Besluit
Aan Transmark Renewable Products B.V. (hierna: de vergunninghouder) wordt een opsporingsvergunning voor aardwarmte verleend voor het gebied genaamd Utrecht – Noord-Brabant.
De vergunning geldt voor een gebied dat ligt in de provincies Utrecht, Noord-Brabant, Gelderland, Noord-Holland, Zuid-Holland en Limburg en wordt begrensd door de volgende punten en de rechte lijnen daartussen. De coördinaten van de punten zijn:
|
Punt |
X |
Y |
|---|---|---|
|
1 |
111387.176 |
457647.495 |
|
2 |
121500.000 |
461500.000 |
|
3 |
120572.328 |
463648.292 |
|
4 |
126000.000 |
469500.000 |
|
5 |
122423.126 |
472670.357 |
|
6 |
130000.000 |
477000.000 |
|
7 |
192601.021 |
398900.843 |
|
8 |
176681.667 |
386478.905 |
|
9 |
175600.000 |
388000.000 |
|
10 |
172000.000 |
386000.000 |
|
11 |
173195.426 |
383758.576 |
|
12 |
153000.000 |
368000.000 |
|
13 |
134000.000 |
388000.000 |
|
14 |
123285.714 |
421000.000 |
|
15 |
124700.000 |
421000.000 |
|
16 |
124700.000 |
424000.000 |
|
17 |
130000.000 |
424000.000 |
|
18 |
130000.000 |
429000.000 |
|
19 |
124700.000 |
429000.000 |
|
20 |
124700.000 |
426000.000 |
|
21 |
121662.337 |
426000.000 |
Van het hierboven omschreven gebied maken de gebieden die zijn begrensd door de rechte lijnen tussen de puntenparen A-B, B-C, C-D, D-A (aanvraag opsporingsvergunning Harmelerwaard), de puntenparen E-F, F-G, G-H, H-E (opsporingsvergunning Est), I-J, J-K, K-L, L-M, M-I (aanvraag opsporingsvergunning ’s Hertogenbosch) en de puntenparen N-O, O-P, P-Q, Q-N (aanvraag opsporingsvergunning Eindhoven) geen deel uit.
De coördinaten van deze punten zijn:
|
Punt |
X |
Y |
|---|---|---|
|
A |
124300.000 |
459300.000 |
|
B |
130200.000 |
459300.000 |
|
C |
130200.000 |
453400.000 |
|
D |
124300.000 |
453400.000 |
|
E |
147100.000 |
431000.000 |
|
F |
151700.000 |
434800.000 |
|
G |
155500.000 |
430200.000 |
|
H |
150900.000 |
426400.000 |
|
I |
140646.000 |
418440.000 |
|
J |
158893.000 |
421230.000 |
|
K |
159569.000 |
411900.000 |
|
L |
151154.000 |
406275.000 |
|
M |
142390.000 |
409524.000 |
|
N |
152598.967 |
389389.267 |
|
O |
166022.290 |
389772.239 |
|
P |
166044.965 |
379359.253 |
|
Q |
152594.204 |
379347.802 |
Bovenstaande coördinaten zijn weergegeven volgens het stelsel van de Rijksdriehoekmeting (RD) zoals vermeld in Artikel 1.2.2, onder a, van de Mijnbouwregeling (Stcrt. 19-12-2002, nr. 245).
De vergunning geldt voor een gebied van 4.000 meter en dieper.
Op basis van deze grensbeschrijving is de oppervlakte 3.693,66 km2.
De vergunninghouder geeft uitvoering aan het werkprogramma dat onderdeel uitmaakt van de ontvangen aanvraag.
De vergunninghouder neemt bij de uitvoering van het werkprogramma de volgende voorwaarde in acht:
– binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning overlegt de vergunninghouder een geactualiseerd werkprogramma aan de Minister van Economische Zaken, dat voorziet in een onvoorwaardelijke boring in het vierde jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning, de locatie van de boring en waarin wordt aangegeven of er gebruik wordt gemaakt van fraccen bij de uit te voeren werkzaamheden.
Binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning wordt het in artikel 2 beschreven gebied beperkt tot een door de vergunninghouder te bepalen gebied van maximaal 800 km2.
Binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning wordt het in artikel 2 beschreven gebied door de vergunninghouder beperkt tot maximaal 200 km2.
Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.
De Minister van Economische Zaken, namens deze: J.C. de Groot directeur Energiemarkt
Tegen dit besluit kan degene, wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken, binnen 6 weken na de dag waarop dit besluit is verzonden, een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, directie Wetgeving en Juridische Zaken, Postbus 20401, 2500 EK Den Haag. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2013-26009.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.