Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatscourant 2013, 22962Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 augustus 2013, 2013-0000110985, tot cofinanciering van sectorplannen (Regeling cofinanciering sectorplannen)

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

Gelet op de artikelen 2, 3 en 5 van de Kaderwet SZW-subsidies;

Besluit:

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

aanvraagtijdvak:

een door de minister vastgesteld tijdvak waarin aanvragen tot cofinanciering van sectorplannen kunnen worden ingediend;

algemene opleiding:

een interne of externe opleiding, niet zijnde bedrijfsspecifieke training, teneinde de leerling vakspecifieke beroepsvaardigheden aan te leren;

arbeidsmarktregio:

een arbeidsmarktregio die is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling;

arbeidsorganisatie:

iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die economische activiteiten uitoefent;

branche:

een tak van een handel of nijverheid binnen een sector;

CAO:

een collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst;

centrale werkgeversorganisatie:

een organisatie van werkgevers die is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;

cofinanciering:

het percentage van de kosten in de begroting van het sectorplan dat op grond van deze regeling wordt gesubsidieerd;

hoofdaanvrager:

de rechtspersoon die namens een samenwerkingsverband een sectorplan indient en de subsidie aanvraagt op grond van deze regeling;

kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven:

een kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven als bedoeld in artikel 1.5.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

kwetsbare werknemer:

een persoon die ouder is dan 55 jaar, of in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden, of niet in het bezit is van een startkwalificatie;

loonkosten:

het brutoloon van de werknemer vermeerderd met de met loonbetaling samenhangende kosten voor de werkgever;

maatregelen:

alle activiteiten die tot realisatie van de doelen van het sectorplan leiden;

de minister:

de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;

langdurig werkloze jongere:

een persoon die op het moment waarop een aanvang wordt gemaakt met de inzet van een maatregel ten diens behoeven jonger is dan 27 jaar en die geen reguliere betaalde betrekking heeft gehad in de voorafgaande zes maanden;

MKB-bedrijf:

een onderneming waar op 31 december 2012 minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de meest recente jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt;

O&O-fonds:

een Opleidings- en Ontwikkelingsfonds, opgericht bij een bij de minister aangemelde collectieve arbeidsovereenkomst;

onderneming:

iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm, die commerciële economische activiteiten uitoefent;

oudere werknemer:

een werknemer, ouder dan 55 jaar, doch jonger dan de pensioensgerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet;

prestatie:

de daadwerkelijk uitgevoerde maatregelen;

regeling:

de Regeling cofinanciering sectorplannen;

reguliere betaalde betrekking:

een betaalde betrekking voor de duur van meer dan een maand op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling in openbare dienst voor gemiddeld minstens 20 uur per week;

samenwerkingsverband:

een samenwerkingsverband dat ten minste bestaat uit een of meer werkgeversorganisaties en een of meer werknemersorganisaties;

sector:

een sector die is opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;

sectorplan:

een door een hoofdaanvrager namens een samenwerkingsverband ingediend plan met maatregelen voor knelpunten die blijkens een sectoranalyse in de betreffende sector aanwezig zijn;

startkwalificatie:

een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk artikel 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs;

subsidiabele activiteiten:

alle maatregelen in het sectorplan die voor cofinanciering in aanmerking komen;

werknemer:

persoon die op het moment waarop een aanvang wordt gemaakt met de inzet van een maatregel ten diens behoeven jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, en die op grond van een arbeidsovereenkomst, dan wel een aanstelling in openbare dienst, arbeid verricht als werknemer, uitzendkracht of die arbeid verricht als zelfstandige zonder personeel;

werkgeversorganisatie:

een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst, of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst, dan wel een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers die is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie;

werknemersorganisatie:

vereniging met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, niet zijnde zelfstandigen zonder personeel, die partij is bij een op het moment van aanvraag geldende collectieve arbeidsovereenkomst of een collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor personen werkzaam in openbare dienst.

Artikel 1.2 Financiering sectorplannen

  • 1. De sectorplannen worden gefinancierd uit de eigen middelen van de in het sectorplan betrokken werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties en de arbeidsorganisaties waarop het sectorplan betrekking heeft.

  • 2. Onder eigen middelen van arbeidsorganisaties wordt niet verstaan middelen die voor dezelfde activiteiten als subsidie of uit private fondsen zijn verstrekt, met uitzondering van de middelen die uit een O&O-fonds zijn verstrekt.

  • 3. Het tweede lid is niet van toepassing op in Nederland gevestigde rechtspersonen die een of meer subsidies ontvangen als bedoeld in artikel 4.21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, die tezamen meer bedragen dan 50% van de jaarlijkse inkomsten van de rechtspersoon, met uitzondering van naamloze en besloten vennootschappen die een op winst gerichte onderneming drijven.

  • 4. De minister stelt middelen beschikbaar voor de cofinanciering van maatregelen in sectorplannen teneinde subsidie te verlenen in de jaren 2013 tot en met 2015.

  • 5. Maatregelen in sectorplannen komen voor een maximale termijn van twee aaneengesloten jaren voor cofinanciering in aanmerking. De aanvang van deze termijn kan niet eerder liggen dan na publicatie van deze regeling in de Staatscourant.

Artikel 1.3 Toepasselijkheid Algemene regeling SZW-subsidies

Op deze regeling is de Algemene regeling SZW-subsidies van toepassing voor zover daarvan in deze regeling niet wordt afgeweken.

Artikel 1.4 Subsidieplafond

  • 1. De minister stelt 590 miljoen EUR beschikbaar voor de cofinanciering van sectorplannen, welk bedrag wordt onderverdeeld in door de minister vast te stellen aanvraagtijdvakken met voor de tijdvakken afzonderlijk vast te stellen subsidieplafonds.

  • 2. De mogelijkheid tot het indienen van aanvragen om subsidie bestaat slechts gedurende door de minister vastgestelde aanvraagtijdvakken. Indien deze mogelijkheid wordt geopend, wordt hiervan vooraf door de minister in de Staatscourant mededeling gedaan met vermelding van het subsidieplafond voor dat aanvraagtijdvak.

Artikel 1.5 Verdeling

  • 1. Voor het bepalen van het bereiken van het subsidieplafond binnen een aanvraagtijdvak, worden de subsidieaanvragen op volgorde van binnenkomst behandeld, waarbij alleen een volledige subsidieaanvraag in behandeling wordt genomen. Van een volledige subsidieaanvraag is sprake wanneer wordt voldaan aan artikel 2.3.

  • 2. Wanneer de hoofdaanvrager op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid is gesteld zijn aanvraag tot cofinanciering aan te vullen, geldt als datum van binnenkomst de datum van ontvangst van de volledige aanvraag tot cofinanciering.

Artikel 1.6 Mandaat directeur Agentschap SZW

  • 1. Aan de directeur van het Agentschap SZW wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten met betrekking tot de uitvoering van deze regeling, waaronder begrepen:

    • a. het verlenen van subsidies

    • b. het vaststellen van subsidies, verleend op grond van deze regeling

    • c. het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten als bedoeld in de onderdelen a en b, voor zover het besluit waartegen het bezwaar zich richt, niet door hem in mandaat is genomen

  • 2. De directeur van het Agentschap SZW kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, in een door hem te bepalen omvang mandateren aan onder hem ressorterende functionarissen.

HOOFDSTUK 2 SUBSIDIEVERLENING

Artikel 2.1 Het samenwerkingsverband

  • 1. Een sectorplan wordt opgesteld door een samenwerkingsverband dat ten minste bestaat uit een of meer werknemersorganisaties en een of meer werkgeversorganisaties.

  • 2. Het samenwerkingsverband kan in afwijking van het eerste lid bestaan uit een of meer werknemersorganisaties en een of meer bij een werkgeversorganisatie aangesloten arbeidsorganisaties.

  • 3. De samenwerking kan worden georganiseerd binnen of tussen een of meer sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s.

  • 4. De samenwerking wordt vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst waarin een hoofdaanvrager wordt aangewezen.

Artikel 2.2 De hoofdaanvrager

  • 1. De hoofdaanvrager dient namens een samenwerkingsverband een sectorplan in en vraagt hiervoor subsidie aan.

  • 2. De hoofdaanvrager toont aan dat de aanvraag wordt ingediend namens een samenwerkingsverband waarvan de betrokken partijen in staat zijn om het sectorplan binnen de gestelde tijd uit te voeren.

  • 3. De hoofdaanvrager toont aan dat hij gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen.

  • 4. Als hoofdaanvrager kan optreden:

    • een werkgeversorganisatie;

    • een werknemersorganisatie;

    • een O&O-fonds; of

    • een Kenniscentrum beroepsonderwijs bedrijfsleven.

  • 5. De hoofdaanvrager toont aan te beschikken over een eigen vermogen van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag, exclusief overhead als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid.

  • 6. Indien de hoofdaanvrager niet beschikt over een eigen vermogen van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag, stelt het samenwerkingsverband zich garant voor een bedrag van ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag.

  • 7. Indien het aanwijzen van een hoofdaanvrager als bedoeld in het vierde lid niet mogelijk is, kan een sectorplan eveneens worden ingediend door een andere organisatie die als hoofdaanvrager optreedt en die daarbij aantoont:

    • a. dat het aanwijzen van een van de organisaties, genoemd in het vierde lid, voor de desbetreffende arbeidsmarktregio, sector of branche niet mogelijk is;

    • b. dat de hoofdaanvrager op het moment van aanvraag ten minste over liquide middelen beschikt ter hoogte van 80% van het aangevraagde subsidiebedrag; en

    • c. dat het samenwerkingsverband zich garant stelt voor ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag.

Artikel 2.3 De aanvraag

  • 1. Het aangevraagde subsidiebedrag bedraagt ten minste 250.000 EUR, exclusief overhead als bedoeld in artikel 5.6, tweede lid.

  • 2. De subsidieaanvraag wordt gedaan middels een door de minister verstrekt elektronisch formulier.

  • 3. De minister kan in afwijking van het tweede lid en artikel 1.4, tweede lid, besluiten een of meer samenwerkingsverbanden aan te wijzen die in de gelegenheid worden gesteld voorafgaand aan het eerste aanvraagtijdvak en zonder gebruikmaking van het elektronisch formulier een aanvraag in te dienen. Dit besluit wordt in de Staatscourant gepubliceerd.

  • 4. De subsidieaanvraag wordt niet in behandeling genomen indien de hoofdaanvrager in hetzelfde aanvraagtijdvak reeds een aanvraag heeft ingediend met betrekking tot dezelfde sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s.

  • 5. Bij de aanvraag wordt een sectorplan overlegd dat ten minste bestaat uit:

    • a. een samenwerkingsovereenkomst die in ieder geval is ondertekend door alle werknemersorganisaties en werkgeversorganisaties of arbeidsorganisaties die zijn betrokken in het samenwerkingsverband dat het sectorplan heeft opgesteld;

    • b. een schriftelijke machtiging waaruit blijkt dat de hoofdaanvrager gemachtigd is het samenwerkingsverband in en buiten rechte te vertegenwoordigen;

    • c. een analyse met een overzicht van acute arbeidsmarktknelpunten en van de arbeidsbehoefte en mogelijke arbeidsmarktknelpunten in de komende vijf jaren in de sectoren, branches of arbeidsmarktregio’s waarop het sectorplan betrekking heeft;

    • d. een plan van aanpak met doelstellingen en beoogde effecten, maatregelen, de doelgroepen voor de maatregelen, het aantal toepassingen per maatregel en die hiermee beoogde resultaten voor het oplossen van de knelpunten, bedoeld in de onderdeel c;

    • e. een beschrijving van de uitvoering van het sectorplan, met inbegrip van een omschrijving van de organisatie en een tijdpad;

    • f. een beschrijving van de voorwaarden waaronder de respectievelijke maatregelen worden uitgevoerd en de wijze waarop deze voorwaarden worden gehandhaafd;

    • g. een onderbouwde begroting van de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, met een financieringsplan waaruit blijkt hoe de maatregelen gefinancierd worden en dat de aangevraagde cofinanciering noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregelen in het sectorplan;

    • h. een omschrijving van de wijze van financiering van structurele maatregelen die worden voortgezet nadat de tijdelijke cofinanciering is beëindigd.

  • 6. Op de aanvraag wordt uiterlijk 13 weken na afloop van het aanvraagtijdvak beschikt.

  • 7. Door het indienen van een aanvraag stemt de hoofdaanvrager er namens het samenwerkingsverband mee in dat het subsidiedossier met uitzondering van persoonsgegevens openbaar wordt gemaakt.

Artikel 2.4 Subsidieverlening

  • 1. De minister kan subsidie verlenen voor de cofinanciering van maatregelen in een sectorplan.

  • 2. De subsidie wordt verleend aan de hoofdaanvrager.

  • 3. De beschikking tot verlening van subsidie betreft de voor cofinanciering in aanmerking komende maatregelen, en het aantal van deze maatregelen, zoals vastgelegd in het bij de subsidieaanvraag gevoegde sectorplan.

  • 4. In de beschikking wordt de periode opgenomen waarbinnen de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt toegekend worden uitgevoerd. Tevens wordt in de beschikking het maximumbedrag bepaald dat aan subsidie tegemoet kan worden gezien. Bij de bepaling van dit bedrag wordt uitgegaan van het totaal van de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, zoals door de hoofdaanvrager geraamd in zijn aanvraag tot cofinanciering, met dien verstande dat bepaalde, in de beschikking te vermelden, maatregelen en kostenposten buiten beschouwing kunnen worden gelaten dan wel op een lager bedrag kunnen worden bepaald, voor zover de desbetreffende uitgaven redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht worden voor de uitvoering van het sectorplan, dan wel uit anderen hoofde worden vergoed.

  • 5. In de beschikking worden de prestaties benoemd waarvoor subsidie wordt verleend en waarop de verantwoording en de subsidievaststelling zal plaatsvinden, en wordt aan de hand van het tijdpad, bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, onder e, aangegeven in welke periode deze prestaties worden behaald en of hiervoor voorschotten worden verleend.

  • 6. Aan de beschikking tot verlening van subsidie kunnen nadere verplichtingen worden verbonden.

Artikel 2.5 Weigering van de subsidie

Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt in ieder geval afgewezen, indien naar het oordeel van de minister:

  • a. de subsidieaanvraag niet voldoet aan de daaraan bij en krachtens deze regeling gestelde eisen;

  • b. de sectoranalyse onvoldoende inzicht geeft in de arbeidsmarktknelpunten en oplossingsrichtingen;

  • c. de gekozen maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd niet voldoende aansluiten bij de sectoranalyse;

  • d. onvoldoende is aangetoond dat de aanwending van middelen voor de gekozen maatregelen effectief en efficiënt is;

  • e. de beoogde maatregelen, prestaties en resultaten onvoldoende objectief meetbaar zijn geformuleerd;

  • f. de kosten van de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, niet voldoende zijn onderbouwd;

  • g. onvoldoende is aangetoond hoe de maatregelen gefinancierd worden en dat cofinanciering noodzakelijk is voor het uitvoeren van de maatregelen waarvoor cofinanciering is aangevraagd;

  • h. onvoldoende is aangetoond hoe structurele maatregelen na afloop van de tijdelijke cofinanciering zullen worden voortgezet en hoe deze zullen worden gefinancierd;

  • i. de omvang van het aangevraagde subsidiebedrag de relatieve omvang en problematiek van het samenwerkingsverband op de arbeidsmarkt overstijgt;

  • j. de kosten van de maatregelen niet in een redelijke verhouding staan tot de voorgenomen prestaties en de daarvan te verwachten resultaten;

  • k. onvoldoende zekerheid bestaat over de eigen financiering van de kosten van de maatregelen en overhead; of

  • l. onvoldoende zekerheid bestaat dat de administratie van de hoofdaanvrager zal voldoen aan de daaraan gestelde eisen.

HOOFDSTUK 3. PLANNEN MET UITVOERING OP SECTORNIVEAU

Artikel 3.1 Sectormaatregelen

Maatregelen komen slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover zij betrekking hebben op ten minste twee of meer van de volgende thema’s:

  • a. arbeidsinstroom en begeleiding van jongeren;

  • b. behoud oudere vakkrachten;

  • c. arbeidsinstroom van personen met afstand tot de arbeidsmarkt;

  • d. mobiliteit en duurzame inzetbaarheid;

  • e. scholing;

  • f. van-werk-naar-werk van werknemers op sectoraal en intersectoraal niveau;

  • g. goed werkgeverschap en goed werknemerschap.

Artikel 3.2 In aanmerking te nemen kosten

Voor cofinanciering komen in aanmerking:

  • a. subsidiabele kosten zijnde de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten en die rechtstreeks aan de uitvoering van het project zijn toe te rekenen;

  • b. kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten.

Artikel 3.3 Niet in aanmerking te nemen kosten

  • 1. Niet voor cofinanciering komen in aanmerking:

    • a. onredelijk gemaakte kosten ter uitvoering van het sectorplan of een onderdeel daarvan;

    • b. kosten van het sectorplan die naar het oordeel van de minister qua prijsniveau niet in een redelijke verhouding staan tot de overeengekomen prestaties;

    • c. kosten van inkomensvervangende betalingen of uitkeringen aan deelnemers, niet zijnde loonbetalingen;

    • d. kosten van maatregelen die worden uitgevoerd door aan het sectorplan deelnemende ondernemingen, tenzij het betreft de kosten van maatregelen, genoemd in de artikelen 4.2, 4.3, 4.4 en 4.5;

    • e. kosten van maatregelen die de mededinging ongunstig kunnen beïnvloeden.

  • 2. Een aanvraag tot verlening van subsidie wordt door de minister afgewezen, indien de kosten van de maatregel waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd, reeds uit anderen hoofde van overheidswege worden gefinancierd.

HOOFDSTUK 4. PLANNEN MET UITVOERING OP ONDERNEMINGSNIVEAU

Artikel 4.1 Toepasselijkheid Groepsvrijstellingsverordening

Dit hoofdstuk valt onder de verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (‘de algemene groepsvrijstellingsverordening’) (PbEU L214).

Artikel 4.2 Maatregelen ten behoeve van advisering

  • 1. Maatregelen die tot doel hebben om een MKB-bedrijf door incidentele advisering te laten ondersteunen kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen. De subsidiabele kosten zijn de kosten van door externe adviseurs verrichte diensten.

  • 2. De advisering komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover het subsidiebedrag niet meer dan 2 miljoen euro per onderneming per project bedraagt.

  • 3. De advisering komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover zij niet van permanente of periodieke aard is en evenmin behoort tot de gewone bedrijfsuitgaven van de onderneming.

Artikel 4.3 Opleidingsmaatregelen

  • 1. Maatregelen die tot doel hebben om werknemers op te leiden door middel van algemene scholing kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen. De subsidiabele kosten zijn:

    • a. de personeelskosten van de opleiders en diegene die de opleiding volgen;

    • b. verplaatsings- en verblijfskosten;

    • c. opleidingsbenodigdheden;

    • d. begeleiding en advisering van opleidingstrajecten.

  • 2. De maatregel komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover het subsidiebedrag niet meer dan 2 miljoen euro per onderneming per opleidingsproject bedraagt.

Artikel 4.4 Maatregelen voor indienstneming van kwetsbare werknemers

  • 1. Maatregelen die tot doel hebben om kwetsbare werknemers in dienst te nemen, kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen. De subsidiabele kosten zijn maximaal 20% van de loonkosten van de kwetsbare werknemer gedurende de eerste twaalf maanden na indienstneming.

  • 2. De indienstneming van kwetsbare werknemers komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover die indienstneming leidt tot een netto toename van het aantal werknemers bij de betrokken onderneming in vergelijking met het gemiddelde van het aantal werknemers in de voorgaande twaalf maanden.

  • 3. In afwijking van het tweede lid komt de indienstneming van kwetsbare werknemers eveneens voor cofinanciering in aanmerking indien de vacature of de vacatures niet zijn ontstaan door afvloeiingen maar door ontslag op initiatief van de werknemer, handicap, ouderdomspensionering, vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer of gewettigd ontslag om dringende redenen.

  • 4. De maatregel komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover het subsidiebedrag en het subsidiebedrag dat wordt verleend op grond van artikel 4.5 tezamen niet meer dan 5 miljoen euro per onderneming per project bedraagt.

Artikel 4.5 Maatregelen voor indienstneming van werkloze jongeren

  • 1. Maatregelen die tot doel hebben om langdurig werkloze jongeren in dienst te nemen ter vervanging van oudere, vrijwillig vroegtijdig uitgetreden werknemers, kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen.

  • 2. De subsidiabele kosten bedragen de hoogte van de heffing die aan de werkgever is opgelegd op grond van artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 bij de beëindiging van het dienstverband van de oudere werknemer, tot een maximum van de loonkosten van de in dienst genomen jongere werknemer gedurende de eerste 12 maanden na indienstneming.

  • 3. De maatregel komt slechts voor cofinanciering in aanmerking voor zover:

    • a. het subsidiebedrag en het subsidiebedrag dat wordt verleend op grond van artikel 4.4 tezamen niet meer dan 5 miljoen euro per onderneming per project bedragen;

    • b. de pensioenovereenkomst van de oudere werknemer, voorziet in de mogelijkheid de ingangsdatum van het ouderdomspensioen te vervroegen en de oudere werknemer het ouderdomspensioen in laat gaan binnen een maand na de dag van uitdiensttreding;

    • c. de jongere wordt aangenomen op basis van een dienstverband van ten minste 28 uur per week voor de duur van ten minste een jaar op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling in openbare dienst.

HOOFDSTUK 5. SUBSIDIEVERSTREKKING

Artikel 5.1 Hoogte van de subsidie

  • 1. De subsidie ten behoeve van maatregelen bedraagt 50% van de subsidiabele kosten, doch ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde maximumbedrag.

  • 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de subsidie 100% van de subsidiabele kosten voor de maatregel bedoeld in artikel 4.4.

  • 3. Indien bij het indienen, dan wel bij het controleren van de einddeclaratie blijkt, dat minder dan 60% van de totale subsidiabele kosten, genoemd in de beschikking tot subsidieverlening, is gerealiseerd, wordt het subsidiebedrag op nihil vastgesteld.

  • 4. De subsidie kan bij onderrealisatie in afwijking van het derde lid naar evenredigheid worden verlaagd als naar het oordeel van de minister geen gronden aanwezig zijn om de subsidie op nihil vast te stellen.

Artikel 5.2 Intrekking en terugvordering

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht wordt de beschikking tot subsidieverlening geheel ingetrokken indien:

    • a. de subsidie niet is besteed aan de in de beschikking tot subsidieverlening toegekende subsidiabele kosten;

    • b. de in de beschikking tot subsidieverlening opgegeven verplichtingen niet zijn nageleefd;

    • c. binnen 6 maanden na het verlenen van de subsidiebeschikking, geen aanvang is gemaakt met de uitvoering van de maatregelen in het sectorplan.

  • 2. De beschikking tot subsidieverlening kan in afwijking van het eerste lid gedeeltelijk worden ingetrokken indien er geen aanleiding is de subsidie geheel in te trekken.

  • 3. Indien de beschikking tot subsidieverlening geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken, wordt het subsidiebedrag dat tot dat moment is uitgekeerd, vermeerderd met de wettelijke rente, geheel of gedeeltelijk van de hoofdaanvrager teruggevorderd.

Artikel 5.3 Bevoorschotting en meldingsplicht

  • 1. Indien een aanvraag tot cofinanciering van een sectorplan wordt goedgekeurd, kan een voorschot op het totale subsidiebedrag worden verstrekt.

  • 2. Na goedkeuring van het sectorplan kan een voorschot van 10% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag worden verstrekt.

  • 3. Iedere zes maanden na verlening van het eerste voorschot, kan op basis van het in de subsidiebeschikking bepaalde tijdpad een tussentijds voorschot worden verleend, tot een maximum van 80% van het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde subsidiebedrag.

  • 4. De hoofdaanvrager doet binnen twee maanden na afloop van de periode van zes maanden waarvoor een voorschot is verleend melding aan de minister, als de subsidiabele kosten in die periode 75% of minder bedragen dan de in de subsidiebeschikking vermelde subsidiabele kosten voor die periode en de voorschotten per jaar gemiddeld € 200.000,– of meer bedragen.

  • 5. De hoofdaanvrager doet onverwijld schriftelijk melding aan de minister zodra aannemelijk is dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan.

  • 6. De hoofdaanvrager kan bij de aanvraag van cofinanciering op het door de minister beschikbaar gestelde elektronisch formulier aangeven een voorschot te willen ontvangen. Indien de hoofdaanvrager heeft aangegeven geen voorschot te willen ontvangen, wordt deze niet toegekend.

Artikel 5.4 Rapportageverplichting

  • 1. Voor zover de uitvoering van het sectorplan een periode beslaat die langer is dan twaalf maanden, overlegt de hoofdaanvrager, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, twaalf maanden na aanvang van de uitvoering van het sectorplan een tussentijds voortgangsverslag met de tot dan toe behaalde resultaten en gemaakte kosten waarbij ten minste wordt aangegeven de aantallen, de aard en de kosten van de maatregelen en de prestaties.

  • 2. De hoofdaanvrager verstrekt bij het tussentijds voortgangsverslag, onder gebruikmaking van het daartoe door de minister elektronisch beschikbaar gestelde formulier, aan de minister het burgerservicenummer, dan wel bij het ontbreken daarvan het sociaal-fiscaalnummer, van de deelnemers per maatregel in het sectorplan waarvoor cofinanciering is verstrekt.

  • 3. Indien de hoofdaanvrager voorschotten ontvangt als bedoeld in artikel 5.3 kan de minister in de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opleggen dat het tussentijdse voortgangsverslag is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, volgens een door de minister voor te schrijven model.

Artikel 5.5 Einddeclaratie en subsidievaststelling

  • 1. De hoofdaanvrager dient binnen dertien weken na beëindiging van de uitvoering van de in de subsidiebeschikking genoemde maatregelen, doch uiterlijk binnen dertien weken na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 1.2, vijfde lid, een verzoek tot vaststelling van subsidie in bij de minister onder gebruikmaking van het daartoe door de minister beschikbaar gestelde elektronisch formulier.

  • 2. Bij het verzoek tot vaststelling van subsidie wordt een verantwoording en een einddeclaratie gevoegd. De hoofdaanvrager verstrekt bij de einddeclaratie het burgerservicenummer, dan wel bij het ontbreken daarvan het sociaal-fiscaalnummer, van de deelnemers per maatregel in het sectorplan waarvoor cofinanciering is verstrekt. De verantwoording bevat ten minste de aantallen, de aard en de kosten van de maatregelen en de prestaties.

  • 3. De minister beslist binnen 22 weken na ontvangst van het verzoek tot vaststelling van de subsidie.

Artikel 5.6 Overhead

  • 1. Kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten van de hoofdaanvrager komen voor 50% cofinanciering in aanmerking.

  • 2. Onder kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten worden verstaan alle niet directe kosten waaronder inbegrepen de kosten van administratie en beheer en de kosten van de accountantsverklaring, bedoeld in artikel 5.4, derde lid, en de Algemene regeling SZW-subsidies.

  • 3. De kosten voor overhead worden niet in de begroting bij de aanvraag tot cofinanciering opgenomen doch door de minister vastgesteld op een percentage van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten.

  • 4. Het percentage, bedoeld in het derde lid, bedraagt de som van:

    • a. 15% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten tot 500.000 EUR;

    • b. 7% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten tussen 500.000 EUR en 1.000.000 EUR;

    • c. 1% van het in de subsidievaststelling bepaalde bedrag aan subsidiabele kosten exclusief de overheadkosten boven 1.000.000 EUR.

Artikel 5.7 Administratievoorschriften

  • 1. De hoofdaanvrager houdt een inzichtelijke en controleerbare administratie bij met betrekking tot de uitvoering van het sectorplan en de in verband daarmee gedane uitgaven en verworven inkomsten. Deze administratie bestaat uit een projectadministratie, waaronder begrepen een financiële administratie en een administratie van de deelnemers per maatregel inclusief een burgerservicenummer dan wel bij het ontbreken daarvan het sociaal-fiscaalnummer, waarin alle noodzakelijke gegevens tijdig, juist en volledig zijn vastgelegd en ten behoeve van de vaststelling van de subsidiabiliteit zijn te verifiëren met bewijsstukken. Deze administratie is voor controle beschikbaar op één locatie.

  • 2. De administratie geeft inzicht in de geplande en gerealiseerde maatregelen.

  • 3. De financiële administratie geeft inzicht in de gemaakte subsidiabele kosten, de inkomsten en de wijze waarop de inkomsten en uitgaven aan de maatregelen van het sectorplan worden toegerekend.

HOOFDSTUK 6. EVALUATIE

Artikel 6.1 Evaluatiebepaling

  • 1. De minister draagt in 2016 zorg voor de evaluatie van deze regeling.

  • 2. De hoofdaanvrager verleent aan de minister medewerking aan het opstellen van evaluatierapporten met betrekking tot deze regeling, en draagt, voor zover het sectorplan niet in eigen beheer wordt uitgevoerd, er zorg voor dat de feitelijk uitvoerder van het sectorplan deze medewerking verleent.

  • 3. De minister past deze regeling zo nodig aan, indien tijdens de uitvoering van deze regeling blijkt dat hier aanleiding toe is.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 7.1 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling cofinanciering sectorplannen

Artikel 7.2 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlagen in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 12 augustus 2013

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher.

BIJLAGE 1: ARBEIDSMARKTREGIO’S

Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeingen en gemeenten hanteren voor de Nederlandse arbeidsmarkt een indeling in 35 arbeidsmarktregio’s. Per regio is er een centrumgemeente, hieronder aangeduid met *.

Achterhoek

Aalten | Berkelland | Bronckhorst | Doesburg | *Doetinchem | Montferland | Oost Gelre | Oude IJsselstreek | Winterswijk

Drechtsteden

Alblasserdam | *Dordrecht| Hendrik-Ido-Ambacht | Papendrecht | Sliedrecht | Zwijndrecht

Drenthe

Borger-Odoorn | Coevorden | De Wolden | *Emmen | Hoogeveen | Midden-Drenthe

Flevoland

*Almere | Dronten | Lelystad | Noordoostpolder | Urk

Food Valley

Barneveld | *Ede | Renswoude | Rhenen | Scherpenzeel | Veenendaal | Wageningen

Friesland

Achtkarspelen | Ameland | Boarnsterhim | Dantumadiel | Dongeradeel | Ferwerderadiel | Franekeradeel | Gaasterlân-Sleat | Harlingen | Heerenveen | Het Bildt | Kollumerland Ca | *Leeuwarden | Leeuwarderadeel | Lemsterland | Littenseradiel | Menameradiel | Ooststellingwerf | Opsterland | Schiermonnikoog | Skarsterlân | Smallingerland | Súdwest-Fryslân | Terschelling | Tytsjerksteradiel | Vlieland | Weststellingwerf

Gooi- en Vechstreek

Blaricum | Bussum | Eemnes | *Hilversum | Huizen | Laren | Muiden | Naarden | Weesp | Wijdemeren

Gorinchem

Giessenlanden | *Gorinchem | Hardinxveld-Giessendam | Leerdam | Lingewaal | Molenwaard | Zederik

Groningen

Aa en Hunze | Appingedam | Assen | Bedum | Bellingwedde | De Marne | Delfzijl | Eemsmond | *Groningen | Grootegast | Haren | Hoogezand-Sappemeer | Leek | Loppersum | Marum | Menterwolde | Noordenveld | Oldambt | Pekela | Slochteren | Stadskanaal | Ten Boer | Tynaarlo | Veendam | Vlagtwedde | Winsum | Zuidhorn

Groot-Amsterdam

Aalsmeer | Amstelveen | *Amsterdam | De Ronde Venen | Diemen | Landsmeer | Haarlemmermeer | Ouder-Amstel | Uithoorn

Haaglanden

Delft | Midden-Delfland | Rijswijk | *’s-Gravenhage | Westland

Helmond-De Peel

Asten | Deurne | Geldrop-Mierlo | Gemert-Bakel | *Helmond | Laarbeek | Someren

Holland Rijnland

Alphen aan den Rijn | Boskoop | Hillegom | Kaag en Braassem | Katwijk | *Leiden | Leiderdorp | Lisse | Nieuwkoop | Noordwijk | Noordwijkerhout | Oegstgeest | Rijnwoude | Teylingen | Zoeterwoude

IJsselvechtstreek

Dalfsen | Hardenberg | Hattem | Heerde | Kampen | Meppel | Oldebroek | Ommen | Raalte | Staphorst | Steenwijkerland | Westerveld | Zwartewaterland | *Zwolle

Midden-Brabant

Alphen-Chaam (5130–5131) | Baarle-Nassau | Dongen | Gilze en Rijen | Goirle | Heusden | Hilvarenbeek | Loon op Zand | Oisterwijk | *Tilburg | Waalwijk

Midden-Gelderland

*Arnhem | Duiven | Lingewaard | Overbetuwe | Renkum | Rheden | Rijnwaarden | Rozendaal | Westervoort | Zevenaar

Midden-Holland

Bergambacht | Bodegraven-Reeuwijk | *Gouda | Nederlek | Ouderkerk | Schoonhoven | Vlist | Waddinxveen | Zuidplas

Midden-Limburg

Echt-Susteren | Leudal | Maasgouw | Nederweert | Roerdalen | *Roermond | Weert

Midden-Utrecht

Bunnik | De Bilt | Houten | IJsselstein | Lopik | Montfoort | Nieuwegein | Oudewater | Stichtse Vecht | *Utrecht | Utrechtse Heuvelrug | Vianen | Wijk bij Duurstede | Woerden | Zeist

Noord-Holland Noord

*Alkmaar | Bergen NH | Castricum | Den Helder | Drechterland | Enkhuizen | Graft-De Rijp | Heerhugowaard | Heiloo | Hollands Kroon | Hoorn | Koggenland | Langedijk | Medemblik | Opmeer | Schagen | Schermer | Stede Broec | Texel

Noord-Limburg

Beesel | Bergen LB | Gennep | Horst aan de Maas | Peel en Maas | *Venlo | Venray

Noordoost-Brabant

Boxmeer | Bernheze | Boekel | Boxtel | Cuijk | Grave | Haaren | Mill en Sint Hubert | *’sHertogenbosch | Landerd | Maasdonk | Oss | Schijndel | Sint Anthonis | Sint-Michielsgestel |Sint-Oedenrode | Uden | Veghel | Vught

Oost-Utrecht

*Amersfoort | Baarn | Bunschoten | Leusden | Nijkerk | Soest | Woudenberg

Rijnmond

Albrandswaard | Barendrecht | Bernisse | Binnenmaas | Brielle | Capelle aan den IJssel | Cromstrijen | Goeree-Overflakkee | Hellevoetsluis | Korendijk | Krimpen aan den IJssel | Maassluis | Oud-Beijerland | Ridderkerk | *Rotterdam | Schiedam | Spijkenisse | Strijen | Vlaardingen | Westvoorne

Rivierenland

Buren | Culemborg | Geldermalsen | Neder-Betuwe | Maasdriel | Neerijnen | *Tiel | West Maas en Waal | Zaltbommel

Stedendriehoek

*Apeldoorn | Brummen | Deventer | Elburg | Epe | Ermelo | Harderwijk | Lochem | Nunspeet | Olst-Wijhe | Putten | Voorst | Zeewolde | Zutphen

Twente

Almelo | Borne | Dinkelland | *Enschede | Haaksbergen | Hellendoorn | Hengelo | Hof van Twente | Losser | Oldenzaal | Rijssen-Holten | Tubbergen | Twenterand | Wierden

West-Brabant

Aalburg | Alphen-Chaam (4855–4861) | Bergen op Zoom | *Breda | Drimmelen | Etten-Leur | Geertruidenberg | Halderberge | Moerdijk | Oosterhout | Roosendaal | Rucphen | Steenbergen | Werkendam | Woensdrecht | Woudrichem | Zundert

Zaanstreek/Waterland

Beemster | Edam-Volendam | Oostzaan | Purmerend | Waterland | Wormerland | *Zaanstad | Zeevang

Zeeland

Borsele, Goes, Hulst, Kapelle, *Middelburg, Noord Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere, Vlissingen

Zuid-Holland Centraal

Lansingerland | Leidschendam-Voorburg | Pijnacker-Nootdorp | Voorschoten | Wassenaar |*Zoetermeer

Zuid-Gelderland

Beuningen | Druten | Groesbeek | Heumen | Millingen aan de Rijn | Mook en Middelaar | *Nijmegen | Ubbergen | Wijchen

Zuid-Kennemerland

Beverwijk | Bloemendaal | *Haarlem | Haarlemmerliede Ca | Heemskerk | Heemstede | Uitgeest | Velsen | Zandvoort

Zuid-Limburg

Beek | Brunssum | Eijsden-Margraten | Gulpen-Wittem | Heerlen | Kerkrade | Landgraaf | *Maastricht | Meerssen | Nuth | Onderbanken | Schinnen | Simpelveld | Sittard-Geleen | Stein | Vaals | Valkenburg aan de Geul | Voerendaal

Zuidoost-Brabant

Bergeijk | Best | Bladel | Cranendonck | Eersel | *Eindhoven | Heeze-Leende | Nuenen Ca | Oirschot | Reusel-De Mierden | Son en Breugel | Valkenswaard | Veldhoven | Waalre

BIJLAGE 2: CENTRALE WERKGEVERSORGANISATIES

Vereniging VNO-NCW

Koninklijke Vereniging MKB-Nederland

Vereniging Land- en Tuinbouworganisatie Nederland

BIJLAGE 3: SECTORINDELING

Indeling naar sector

1.

Landbouw, bosbouw, visserij en delfstoffenwinning

• Landbouw, veehouderij, jacht en dienstverlening voor de landbouw en jacht

• Bosbouw, exploitatie van bossen en dienstverlening voor de bosbouw

• Winning van aardolie en aardgas

• Winning van delfstoffen (geen olie en gas)

• Dienstverlening voor de winning van delfstoffen

2.

Procesindustrie:

• Vervaardiging van voedingsmiddelen

• Vervaardiging van dranken

• Vervaardiging van tabaksproducten

• Vervaardiging van cokesoven producten en aardolieverwerking

• Vervaardiging van chemische producten

• Vervaardiging van farmaceutische producten en grondstoffen

• Vervaardiging van producten van rubber en kunststof

• Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten

3.

Metalektro en metaalnijverheid, vervaardiging van:

• Metalen in primaire vorm

• Producten van metaal

• Computers en elektronische en optische apparatuur

• Elektrische apparatuur

• Overige machines en apparaten

• Auto’s, aanhangwagens en opleggers

• Overige transportmiddelen

4.

Overige industrie, energievoorziening, waterbedrijven en afvalbeheer

• Vervaardiging van kleding

• Vervaardiging van leer, lederwaren en schoenen

• Primaire houtbewerking en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk (geen

• meubels)

• Vervaardiging van papier, karton en papier- en kartonwaren

• Drukkerijen, reproductie van opgenomen media

• Vervaardiging van meubels

• Vervaardiging van overige goederen

• Reparatie en installatie van machines en apparaten

• Productie en distributie van en handel in elektriciteit, aardgas, stoom en gekoelde lucht

• Winning en distributie van water; afval- en afvalwaterbeheer en sanering

5.

Bouwnijverheid en bouwinstallatie

• Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en projectontwikkeling

• Grond-, water- en wegenbouw (geen grondverzet)

• Gespecialiseerde werkzaamheden in de bouw

6.

Handel in en reparatie van auto’s, motorfietsen en aanhangers

7.

Groothandel en handelsbemiddeling, excl auto’s en motorfietsen

8.

Detailhandel, niet in auto’s en motorfietsen

9.

Vervoer en opslag

• Vervoer over land,

• Vervoer over water

• Luchtvaart

• Opslag en dienstverlening voor vervoer

• Post en koeriers

10.

Horeca, catering en verblijfsrecreatie

• Logiesverstrekking (hotels, vakantieparken, kampeerterreinen)

• Eet- en drinkgelegenheden (café’s, restaurants, kantines en catering)

11.

Informatie en communicatie

• Uitgeverijen

• Productie en distributie van films en televisieprogramma´s; maken en uitgeven van geluidsopnamen

• Verzorgen en uitzenden van radio- en televisieprogramma's

• Telecommunicatie

• Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie

• Dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatie

12.

Financiële dienstverlening

• Financiële instellingen (geen verzekeringen en pensioenfondsen)

• Verzekeringen en pensioenfondsen (geen verplichte sociale verzekeringen)

• Overige financiële dienstverlening

13.

Arbeidsbemiddeling, uitzendbureaus en personeelsbeheer

14.

Facility management, reiniging en landschapsverzorging

15.

Overig verhuur en overige zakelijke diensten:

• Verhuur van en handel in onroerend goed

• Rechtskundige dienstverlening, accountancy, belastingadvisering en administratie

• Holdings (geen financiële), concerndiensten binnen eigen concern en managementadvisering

• Architecten, ingenieurs en technisch ontwerp en advies; keuring en controle

• Speur- en ontwikkelingswerk

• Reclame en marktonderzoek

• Industrieel ontwerp en vormgeving, fotografie, vertaling en overige consultancy

• Veterinaire dienstverlening

• Verhuur en lease van auto's, consumentenartikelen, machines en overige roerende goederen

• Reisbemiddeling, reisorganisatie, toeristische informatie en reserveringsbureaus

• Beveiliging en opsporing

• Overige zakelijke dienstverlening

16.

Openbaar bestuur, overheidsdiensten en verplichte sociale verzekeringen

17.

Onderwijs

• Primair en speciaal onderwijs

• Voortgezet onderwijs

• Middelbaar beroepsonderwijs en educatie

• Tertiair onderwijs

• Overig onderwijs (sport, cultuur, autorijscholen, afstandsonderwijs, bedrijfsopleiding en – training)

18.

Zorg:

• Ziekenhuizen

• verpleging en verzorging

• Geestelijke gezondheidszorg

• Gehandicaptenzorg

• Thuiszorg

• Overige zorg: (para)medische praktijken, gezondheidscentra

19.

Welzijn

• Jeugdzorg

• Kinderopvang/peuterspeelzalen

• Maatschappelijke opvang, sociaal-cultureel werk, maatschappelijk werk en overig welzijn

20.

Cultuur, sport en recreatie

• Kunst

• Culturele uitleencentra, openbare archieven, musea, dieren- en plantentuinen, natuurbehoud

• Loterijen en kansspelen

• Sport en recreatie

21.

Overige dienstverlening, huishoudens en extraterritoriale organisaties

• Levensbeschouwelijke en politieke organisaties, belangen- en ideële organisaties, hobbyclubs

• Reparatie van computers en consumentenartikelen

• Wellness en overige dienstverlening; uitvaartbranche

• Huishoudens als werkgever van huishoudelijk personeel

• Niet-gespecificeerde productie van goederen en diensten door particuliere huishoudens voor eigen gebruik

• Extraterritoriale organisaties en lichamen

TOELICHTING

Algemeen deel

Overeenkomstig het Sociaal akkoord (11 april) en de brief aan de Tweede Kamer (19 juni) stelt het kabinet hierbij een regeling in voor co-financiering van sectorplannen. Het sociaal akkoord en de brief aan de Tweede kamer hebben de noodzaak hiervoor geschetst, onderstaand wordt in aanvulling daarop nader ingegaan op deze overwegingen.

Nadat Nederland de economische recessie die in 2008 begon in eerste instantie goed doorstond, bevinden we ons nu in economisch zwaar weer. Doordat wereldwijd de groei moeizaam hervat, gezinnen, bedrijven, banken en overheden hun inkomsten en uitgaven in een nieuw evenwicht met elkaar brengen en de uitwassen die tot de recessie leidden tijd kosten om aan te pakken, is de economie de afgelopen jaren per saldo niet gegroeid. Waar het effect van economische krimp op de arbeidsmarkt in de eerste jaren na 2008 nog beperkt was, onder andere doordat bedrijven indachtig de voorgaande schaarste werknemers vasthielden, gaat de arbeidsmarkt in Nederland momenteel door een dal. De werkloosheid heeft inmiddels het niveau bereikt van de conjuncturele neergang in de jaren ’90 en de daling lijkt nog niet ingezet.

Als gevolg van de economische situatie zijn op dit ogenblik veel mensen dagelijks met weinig succes op zoek naar werk. Het (voor seizoenseffecten gecorrigeerde) werkloosheidspercentage is in Nederland in relatief korte tijd opgelopen van 3,7% sinds het begin van de economische crisis (september 2008) naar 8,5% nu (juni 2013). Het aantal werklozen is daarmee opgelopen tot 675 duizend. Ook het aantal WW-uitkeringen is de afgelopen maanden sterk toegenomen.

Ook in de recessie draait de arbeidsmarkt overigens door. Er komen weliswaar per saldo geen banen bij, maar er blijven honderdduizenden wisselingen per jaar optreden waarmee ook mensen die geen werk hebben, hun voordeel kunnen doen. Tijdelijk werk, deeltijdwerk, zelfstandig ondernemerschap en ook stages en vrijwilligerswerk zijn nuttig om actief te blijven en noodzakelijke vereisten en vaardigheden niet te verliezen.

Het oplopen van de werkloosheid legt echter ook de tekortkomingen in het functioneren van de arbeidmarkt bloot, onder andere zichtbaar in de positie van ouderen, beperkte intersectorale mobiliteit etc. Dit maakt het extra noodzakelijk aan verbetering te werken.

In het Sociaal Akkoord van 11 april jl. hebben Kabinet en sociale partners in de Stichting van de Arbeid afspraken gemaakt over een structurele aanpak voor onze economie en onze arbeidsmarkt, met als doel om zoveel mogelijk mensen een eerlijke kans te geven op werk en economische zelfstandigheid. Sociale partners hebben aangegeven hun verantwoordelijkheid op de arbeidsmarkt verder op te willen pakken. Het bieden van werkzekerheid en het voorkomen van werkloosheid staat centraal.

Op korte termijn moeten de gevolgen van de crisis worden overbrugd. Dagelijks zijn veel mensen op zoek naar een nieuwe baan. Werkloosheid is voor de betrokken huishoudens zeer ingrijpend. Het hebben van een baan is voor mensen meer dan het hebben van inkomen. Een baan biedt mensen een sociaal netwerk, zelfvertrouwen en de mogelijkheden tot ontplooiing.

Er bestaat geen simpele, snelle oplossing voor de oplopende werkloosheid. Het is aan werkgevers en werknemers om in deze moeilijke tijden samen te komen tot maatregelen om duurzame werkgelegenheid te creëren. Per sector zal door de sociale partners vastgesteld moeten worden wat de arbeidsmarktknelpunten zijn en hoe de betreffende sector deze kan ondervangen.

Op langere termijn is het als gevolg van de vergrijzing noodzakelijk dat alle mensen die kunnen werken op de arbeidsmarkt ook ingezet worden. Dit door onder andere te zorgen voor gezonde en goed geschoolde werknemers, door mensen niet uit te laten stromen naar een ww-uitkering maar van-werk-naar-werk te begeleiden en door het creëren van kansen voor jongeren en mensen met een arbeidsbeperking.

Door middel van (inter)sectoraal maatwerk moet nu en in de toekomst werkgelegenheid behouden worden en werkloosheid worden voorkomen. Mensen die hun baan dreigen kwijt te raken kunnen via (inter-)sectorale mobiliteit en scholing aan de slag worden gehouden. De overheid wil deze (inter)sectorale inspanningen stimuleren, zodat partijen ook daadwerkelijk op een doeltreffende en doelmatige wijze aan de slag gaan met de doelstellingen uit het Sociaal Akkoord.

Door kabinet en sociale partners is een zevental thema’s geïdentificeerd die bijdragen aan een betere structurele werking van de arbeidsmarkt en ook op korte termijn een positief effect hebben. Ieder sectorplan en de daarin vervatte aanvraag dient ten minste twee van de thema’s te adresseren.

  • 1. Arbeidsinstroom en begeleiding jongeren

  • 2. Behoud oudere vakkrachten

  • 3. Arbeidsinstroom van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt

  • 4. Mobiliteit en duurzame inzetbaarheid

  • 5. Scholing

  • 6. Van-werk-naar-werk van met ontslag bedreigden (sectoraal en intersectoraal)

  • 7. Goed werkgeverschap en goed werknemerschap

Daarvoor stelt het kabinet een bedrag van in totaal 600 miljoen euro beschikbaar (waarvan 10 miljoen ten behoeve van kosten voor de uitvoering van de regeling) Met deze middelen kunnen door middel van cofinanciering maatregelen in de sectorplannen gefinancierd worden. Uiteraard wordt alleen ondersteuning geboden aan bedrijven voor zover dit past binnen de kaders die Europese Commissie stelt aan staatssteun aan bedrijven.

Het kabinet staat terughoudend tegenover vervroegde uittredingsregelingen. Vervroegde uittredingsrelingen belemmeren de participatie van ouderen die op middellange termijn juist noodzakelijk is, in het licht van de vergrijzing. Met sociale partners is afgesproken dat maatregelen gericht op vervroegde uittreding in beginsel niet voor cofinanciering in aanmerkingen komen. Als uit de sectoranalyse blijkt dat onvoldoende instroom van jongeren op korte termijn leidt tot knelpunt in de personeelsvoorziening, dan kunnen maatregelen gericht op de instroom van werkloze jongeren op een arbeidsplaats van een vervroegd gepensioneerde werknemer, onder voorwaarden gedeeltelijk voor cofinanciering in aanmerking komen.

Overeenkomstig het doel van de regeling zal een sectorplan een analyse van de sectorale, regionale of intersectorale situatie en problematiek bevatten met daaruit logischerwijs voortvloeiende maatregelen en prestaties waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd. De kosten van de maatregelen moeten in een redelijke verhouding staan tot de daarvan te verwachten resultaten. Dit zorgt voor een effectieve en efficiënte inzet van middelen. Deze aanvraag wordt onderschreven het samenwerkingsverband waar in ieder geval sociale partners in deelnemen.

De regeling beoogt aan de ene kant de administratieve lasten beperkt te houden en aan de andere kant een rechtmatige inzet van middelen te garanderen. Daarom worden eisen gesteld aan de hoofdaanvrager, samenwerkingsverband en de aanvraag. Geconstateerde fraude en oneigenlijk gebruik van de middelen kan leiden tot volledige intrekking van de subsidie. De hoofdaanvrager is verplicht omstandigheden te melden die van invloed zijn op de hoogte van de subsidie. Wanneer hier niet aan voldaan is, kan een bestuurlijke boete worden opgelegd.

Voor de wijze waarop er gebruik zal worden gemaakt van deze regeling bestaat echter maar beperkt ervaring. Indien tijdens de looptijd van de regeling blijkt dat hier aanleiding toe is, kan de regeling tussentijds worden aangepast.

Artikelsgewijs

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Algemene opleiding

Enkel algemene opleiding komt op grond van deze regeling voor cofinanciering in aanmerking. De definitie sluit uit dat bedrijfsspecifieke scholing voor cofinanciering in aanmerking komt.

Arbeidsorganisatie

In de regeling wordt rekening gehouden met staatssteunregels en is het bovendien ongewenst dat de eigen bijdrage van sectoren of ondernemingen worden opgeplust uit andere subsidies. Daarom worden arbeidsorganisaties onderscheiden van ondernemingen.

Centrale werkgeversorganisatie

Omdat niet alle werkgeversorganisaties partij zijn bij een Collectieve arbeidsovereenkomst, maar het gewenst is enkel erkende en georganiseerde organisaties bij de sectorplannen te betrekken, wordt als eis gesteld dat een werkgeversorganisatie partij is bij een CAO of is aangesloten bij een centrale werkgeversorganisatie. Deze zijn limitatief opgenomen in de bijlage.

Cofinanciering

De partijen die een sectorplan opstellen, financieren dit plan in de eerste plaats zelf. De minister stelt middelen beschikbaar om de maatregelen in deze plannen te cofinancieren.

Hoofdaanvrager

De eisen die aan de hoofdaanvrager worden gesteld, zijn in de regeling zelf nader uitgewerkt.

Jongere

De duur van een sectorplan als geheel kan vele malen langer zijn dan de duur van de maatregelen in het sectorplan. Als meetmoment voor het bepalen van de leeftijd van een persoon wordt daarom genomen het moment waarop de maatregel voor die persoon voor het eerst wordt ingezet. Dit geldt voor zowel jongeren als ouderen.

Kwetsbare werknemer

Deze definitie is conform de definitie van kwetsbare werknemers in Verordening 800/2008 van de Europese Commissie en bepaalt voor welke personen bepaalde maatregelen kunnen worden ingezet. Het betreft ook langdurig werkloze personen.

Maatregelen

Niet het sectorplan als geheel, maar de maatregelen in het sectorplan kunnen voor cofinanciering in aanmerking komen. Het sectorplan kan daarom omvangrijker zijn dan de maatregelen waarvoor cofinanciering wordt aangevraagd.

Langdurig werkloze

Deze persoon valt eveneens onder de definitie van kwetsbare werknemer. Voor langdurig werkloze jongeren is een specifieke maatregel in de regeling opgenomen. Geen reguliere betaalde arbeid betekent dat er geen inkomsten uit arbeid zijn verkregen in de zes maanden voordat voor deze persoon een maatregel uit het sectorplan is ingezet.

MKB-bedrijf

Deze definitie is conform de definitie van KMO zoals opgenomen in Verordening 800/2008 van de Europese Commissie. Deze verordening bepaalt eveneens de wijze waarop het aantal werkzame personen en de financiële gegevens worden bepaald en hoe wordt vastgesteld of een onderneming een zelfstandige onderneming is. De verordening is onverkort van toepassing op deze regeling.

Onderneming

Om een onderscheid te kunnen maken tussen commerciële en niet-commerciële rechtspersonen, is naast de definitie van arbeidsorganisatie ook onderneming gedefinieerd.

Oudere werknemer

De leeftijd van een persoon wordt bepaald op het moment dat voor die persoon een maatregel uit het sectorplan wordt ingezet of wordt aangevangen met de inzet van die maatregel.

Reguliere betaalde arbeid

Onder reguliere arbeid wordt een betaalde betrekking voor de duur van meer dan een maand op grond van een arbeidsovereenkomst of aanstelling in openbare dienst voor gemiddeld minstens 20 uur per week verstaan.

Dit gemiddelde wordt bepaald over de voorafgaande zes maanden. Zo vallen kleine banen en stages niet onder de definitie van reguliere betaalde arbeid.

Sectorplan

Het sectorplan is het geheel van bij de subsidieaanvraag ingediende stukken. De subsidieaanvraag maakt hier deel van uit.

Werknemer

Ook personen die als zelfstandige zonder personeel arbeid verrichten, worden als werknemer aangemerkt. Maatregelen ten behoeve van werknemers kunnen dus ook voor deze personen worden ingezet. Een organisatie van zelfstandigen zonder personeel kan ook deel uitmaken van een samenwerkingsverband maar is geen werknemersorganisatie of werkgeversorganisatie in de zin van deze regeling. Een organisatie van zelfstandigen zonder personeel kan dus niet als hoofdaanvrager optreden.

Werkgeversorganisatie en werknemersorganisatie

Omdat werknemers- en werkgeversorganisaties altijd kunnen optreden als hoofdaanvrager, zijn deze nader gedefinieerd en ingekaderd. Deze zijn zo gedefinieerd dat het gaan om organisaties die partijen zijn bij de meeste recente voor die sector geldende CAO, dan wel zijn aangesloten bij een in de bijlage opgenomen centrale organisatie.

Artikel 1.2 Financiering sectorplannen

Organisaties van werkgevers en werknemers worden aangemoedigd samenwerkingsverbanden aan te gaan en sectorplannen op te stellen. De maatregelen in deze sectorplannen worden door het samenwerkingsverband zelf gefinancierd. Maatregelen in de plannen kunnen op grond van deze regeling voor tijdelijke cofinanciering in aanmerking komen. Hiervoor geldt een maximumtermijn van twee jaar, ook als de uitvoering van het sectorplan langer duurt dan twee jaar. Het deel dat blijkens de begroting van het sectorplan door het samenwerkingsverband zelf wordt gefinancierd, kan niet bestaan uit middelen die op grond van een andere regeling zijn gesubsidieerd.

Ook activiteiten die uit externe private fondsen, anders dan O&O-fondsen, worden gefinancierd, kunnen niet op grond van deze regeling nogmaals gesubsidieerd worden. Hierop geldt een uitzondering voor organisaties die meer dan de helft van hun inkomsten uit subsidies ontvangen, tenzij deze organisatie een op winst gerichte Besloten Vennootschap of Naamloze Vennootschap is.

Voor het aanvangstijdstip van het sectorplan wordt in beginsel de datum van de subsidiebeschikking genomen. De hoofdaanvrager kan er voor kiezen deze datum eerder vast te stellen, bijvoorbeeld als bepaalde scholingstrajecten aanvangen vóórdat het eerste aanvraagtijdvak is geopend. De hoofdaanvrager loopt hierbij wel het risico dat de subsidie wordt geweigerd. De tot dan toe gemaakte kosten blijven dan geheel voor rekening van de hoofdaanvrager.

Artikel 1.3 Toepasselijkheid Algemene regeling SZW-subsidies

Op deze regeling is de Algemene regeling SZW-subsidies van toepassing. De algemene in die regeling neergelegde subsidieregels gelden voor zover daar in deze regeling niet van wordt afgeweken. Toepasselijkheid van de algemene regeling geldt wel voor een verplichte controleverklaring van een accountant bij eindafrekening en voor bepalingen betreffende terugvordering van de subsidie.

Artikel 1.4 Subsidieplafond

Er wordt 590 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de cofinanciering van sectorplannen in 2014 en 2015. Omdat de urgentie hoog is, kan in 2013 al worden aangevangen met de uitvoering van de sectorplannen. Er kan dan een voorschot worden aangevraagd wanneer het sectorplan is goedgekeurd. Het totale bedrag wordt opgedeeld in aanvraagtijdvakken waarin sectorplannen kunnen worden ingediend. Per aanvraagtijdvak geldt een afzonderlijk subsidieplafond, dat niet overschreden kan worden. Indien blijkt dat er in een aanvraagtijdvak meer aanvragen worden ingediend dan kunnen worden toegekend, kan de minister besluiten het subsidieplafond voor dat aanvraagtijdvak hoger vast te stellen, voor zover het totaal beschikbare bedrag niet is overschreden.

Artikel 1.5 Verdeling

Aanvragen worden digitaal ontvangen en in volgorde van binnenkomst behandeld. Een aanvraag wordt geweigerd indien toekenning van de aanvraag tot overschrijding van het voor dat aanvraagtijdvak geldende subsidieplafond zou leiden. Een aanvraag kan gedeeltelijk worden toegewezen als niet alle maatregelen subsidiabel zijn. Gedeeltelijke toewijzing van een aanvraag door toewijzing van het resterende voor dat aanvraagtijdvak beschikbare budget is niet mogelijk. Om te voorkomen dat onvolledige aanvragen voorrang krijgen op later ingediende volledige aanvragen, geldt dat een aanvraag pas in behandeling wordt genomen wanneer deze volledig is. Dit laat het recht van de aanvrager in stand om een aanvraag aan te vullen, indien deze nog niet volledig was en het subsidieplafond nog niet is bereikt.

Artikel 1.6 Mandaat directeur Agentschap SZW

De directeur van het Agentschap SZW wordt gemandateerd de nodige besluiten te nemen ter uitvoering van de regeling. Het Agentschap zal deze regeling uitvoeren.

Artikel 2.1 Het samenwerkingsverband

Om te verzekeren dat de sectorplannen die ingediend worden, worden gedragen door werknemers- en werkgeversorganisaties met een solide achterban, worden eisen gesteld aan het samenwerkingsverband dat een sectorplan kan indienen. Partijen die tezamen aan een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) gebonden zijn, kunnen in ieder geval een aanvraag tot cofinanciering van een sectorplan indienen. Voor sectoren die niet zijn gebonden aan een CAO is de mogelijkheid open gelaten dat ook zij een sectorplan met een aanvraag tot cofinanciering kunnen indienen, mits er een of meer werknemersorganisaties deel uitmaken van het samenwerkingsverband.

Voor ieder samenwerkingsverband geldt dat deze samenwerking dient te worden vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst, die aan de minister wordt overlegd.

Artikel 2.2 De hoofdaanvrager

Een werknemersorganisatie, een werkgeversorganisatie, een O&O-fonds of een Kenniscentrum beroepsonderwijs treedt bij de aanvraag en verdere uitvoering van het sectorplan op als hoofdaanvrager. De hoofdaanvrager wordt door de samenwerkende partijen gemachtigd om in en buiten rechte namens hen op te treden. Daarbij dient de hoofdaanvrager aan te tonen dat het samenwerkingsverband in staat is de in het sectorplan opgenomen maatregelen, binnen de gestelde tijd uit te voeren. Indien dit naar het oordeel van de minister onvoldoende is aangetoond, wordt de cofinanciering geweigerd.

Alle correspondentie met de minister verloopt via de hoofdaanvrager. Omdat eventuele terugvordering van de subsidie bij de hoofdaanvrager plaatsvindt, worden aan de hoofdaanvrager eisen gesteld met betrekking tot diens vermogen op het moment waarop de aanvraag wordt ingediend. Dit vermogen dient ten minste 80% van het aangevraagde subsidiebedrag te zijn. Voor de bepaling van het aangevraagde subsidiebedrag worden de aanvragen van alle door de hoofdaanvrager ingediende sectorplannen bij elkaar opgeteld. Indien de hoofdaanvrager niet over een dergelijk eigen vermogen kan beschikken, stelt het samenwerkingsverband zich garant voor eenzelfde bedrag.

Als het niet mogelijk is een van de genoemde organen als hoofdaanvrager op te laten treden, kan in uitzonderlijke gevallen ook een andere organisatie uit het samenwerkingsverband als hoofdaanvrager optreden. Het moet dan wel gaan om een organisatie die aantoonbaar op het moment van aanvraag al over voldoende middelen beschikt om het sectorplan te financieren. Bovendien stelt het samenwerkingsverband zich garant voor deze hoofdaanvrager.

Artikel 2.3 De aanvraag

Sectorplannen moeten een zekere omvang hebben om voor cofinanciering in aanmerking te komen. De drempel wordt gelegd op een subsidieaanvraag van ten minste 250.000 Euro. Het is mogelijk dat de minister een of meer samenwerkingsverbanden aanwijst die, zonder gebruikmaking van het elektronisch formulier, voorafgaand aan het eerste aanvraagtijdvak, een subsidieaanvraag kunnen indienen. Alle overige eisen zijn wel op dit samenwerkingsverband van toepassing.

De aanvraag moet een volledig beeld geven van gesignaleerde problemen in de desbetreffende sector en duidelijke maatregelen voorstellen die deze problemen effectief op kunnen lossen. Hiertoe is een cumulatieve lijst opgesteld met stukken die bij de subsidieaanvraag worden gevoegd. Al deze stukken tezamen vormen het sectorplan. Een onvolledige aanvraag wordt niet in behandeling genomen.

Bij de aanvraag wordt een analyse gevoegd met arbeidsmarktknelpunten op korte en middellange termijn. Het sectorplan omschrijft vervolgens de maatregelen die het samenwerkingsverband voorstelt om de gesignaleerde problemen op te lossen. De maatregelen worden SMART geformuleerd. Dit betekent dat de doelen in het sectorplan specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. Het sectorplan moet in balans zijn om voor cofinanciering in aanmerking te komen. Dit betekent dat de verschillende maatregelen, als geheel worden beschouwd en dat deze dus ook als geheel een oplossing moeten bieden voor de gesignaleerde knelpunten.

Het sectorplan dient ook aan te geven onder welke voorwaarden de maatregelen zullen worden uitgevoerd. Dit is een vorm van zelfregulering die het mogelijk maakt dat sectorale maatregelen niet van overheidswege worden ingekaderd. Het samenwerkingsverband legt zelf de kaders vast voor de maatregelen die worden voorgesteld. Bij deze voorwaarden wordt eveneens aangegeven hoe de naleving door het samenwerkingsverband gehandhaafd zal worden.

De begroting moet een duidelijk inzicht geven in de kosten en baten van het sectorplan en in de wijze waarop het samenwerkingsverband de eigen financiering heeft geregeld. De begroting bevat geen kosten voor overhead of aan overhead gerelateerde exploitatiekosten. Deze worden komen wel voor cofinanciering in aanmerking op grond van artikel 5.2. Wel moet duidelijk zijn vermeld hoe structurele, niet op de crisis gerichte maatregelen zullen worden gefinancierd na afloop van de periode waarvoor financiering is verleend. Op deze manier wordt inzicht verkregen hoe het samenwerkingsverband deze maatregelen zal voortzetten zonder cofinanciering.

Aangezien voor de cofinanciering van sectorplannen een fors bedrag van 590 miljoen euro beschikbaar wordt gesteld dat uit publieke middelen moet worden opgebracht, is transparantie over de besteding van deze middelen van groot belang. Daarom wil het Agentschap informatie en documenten uit het subsidiedossier openbaar kunnen maken. Daar stemt de hoofdaanvrager door het indienen van de aanvraag namens het samenwerkingsverband mee in. Hiermee wordt voorts voorkomen dat bij een eventueel verzoek in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur veel administratieve lasten ontstaan, nu niet eerst een zienswijze van de hoofdaanvrager behoeft te worden gevraagd.

Artikel 2.4 Subsidieverlening

De subsidie wordt aan de hoofdaanvrager verstrekt. In de Subsidiebeschikking wordt het maximumbedrag bepaald dat tegemoet kan worden gezien en wordt een termijn gesteld waarbinnen het sectorplan uitgevoerd dient te worden. Deze termijn is nooit langer dan twee jaar na aanvang van de uitvoering van het sectorplan. Het maximumbedrag wordt bepaald op het totaal van de kosten van de maatregelen die zullen worden gesubsidieerd. Omdat sectorplannen sterk van elkaar kunnen verschillen, kunnen in de subsidieverlening nadere verplichtingen worden opgenomen. Dit heeft bijvoorbeeld betrekking op de administratie en uitvoering van het sectorplan. Dit betreft onder meer de wijze waarop de subsidiabele kosten in de administratie worden bijgehouden.

In de subsidiebeschikking wordt duidelijk aangegeven welke prestaties behaald moeten worden. Hierbij worden geen concrete resultaten genoemd. Het is immers niet mogelijk vooraf vast te leggen dat ten minste een aan bepaald aantal personen een dienstbetrekking moet hebben gevonden. De arbeidsmarkt is van zoveel factoren afhankelijk dat een hoofdaanvrager daar niet op afgerekend kan worden. Wel wordt in de subsidiebeschikking vastgelegd welke prestaties moeten worden behaald. De prestatie waarop wordt afgerekend is het toepassen van een voorgestelde maatregel. Dit kan een bepaalde scholingsmaatregel zijn, of het opzetten van infrastructuur voor de begeleiding van werk-naar-werk. Dit houdt in dat de maatregelen worden beschreven en het aantal keer dat een bepaalde maatregel zal worden uitgevoerd en tegen welke kosten. Hierop vind de eindverantwoording en de subsidievaststelling plaats. De voorgenomen maatregelen en prestaties worden op grond van artikel 2.3 vastgelegd in een tijdpad. Op grond van dit tijdpad wordt ook bepaald of er voorschotten worden verleend en in welk ritme en voor welke hoogte.

Artikel 2.5 Weigering van de subsidie

De regeling bied ruimte voor diverse samenwerkingsverbanden en zeer diverse sectorplannen. Vooraf moet echter zo veel mogelijk duidelijk zijn of het ingediende sectorplan voldoende basis biedt om subsidie te verstrekken. Om te voorkomen dat bij de subsidievaststelling blijkt dat er onterecht of te veel subsidie is verstrekt, wordt de subsidie in een aantal gevallen in ieder geval geweigerd. Algemeen geldt dat de aanvraag moet voldoen aan alle eisen die daaraan krachtens deze regeling zijn gesteld. De hoofdaanvrager wordt bij een onvolledige aanvraag wel in de gelegenheid gesteld om deze aan te vullen. De weigeringsgronden zien verder op een inhoudelijke beoordeling van de sectoranalyse en de andere componenten van het sectorplan. Zo moeten de verhoudingen goed zijn tussen de kosten en de te verwachten resultaten. Dit geldt ook voor de verhouding tussen de kosten en de omvang van de gesignaleerde problematiek in de desbetreffende sector. Als er onvoldoende zekerheid bestaat over criteria die door de hoofdaanvrager aangetoond moeten worden, wordt de subsidie gemotiveerd geweigerd.

Artikelen 3.1 Sectormaatregelen

De regeling laat het aan de samenwerkende partijen om maatregelen te verzinnen die de gesignaleerde problematiek aan moeten pakken. Daarom bevat de regeling, behoudens hoofdstuk 3, geen limitatieve lijst van subsidiabele maatregelen of kosten. Wel moeten alle maatregelen, ook de maatregelen in hoofdstuk 2, ten minste zien op twee van de zeven thema’s die in dit artikel zijn genoemd. Deze thema’s zijn genoemd in de Kamerbrief betreffende het Sociaal Akkoord (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 566, nr. 53). Deze verplichting geldt ook voor de maatregelen ten behoeve van ondernemingen, die zijn genoemd in hoofdstuk 3.

Artikel 3.2 In aanmerking te nemen kosten

De regeling geeft aan dat alle subsidiabele kosten zijnde de kosten die daadwerkelijk zijn gemaakt ter uitvoering van de subsidiabele projectactiviteiten en die rechtstreeks aan de uitvoering van het project zijn toe te rekenen in aanmerking komen voor cofinanciering. Tevens komen voor cofinanciering in aanmerking de kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten.

Artikel 3.3 Niet in aanmerking te nemen kosten

Hoewel er grote vrijheid bestaat in de maatregelen die voor cofinanciering in aanmerking komen, zijn bij voorbaat een aantal maatregelen uitgesloten van cofinanciering. Onredelijke kosten komen niet voor cofinanciering in aanmerking. Dit houdt in dat de kosten in verhouding moeten staan tot de prestaties en dus marktconform moeten zijn. Maatregelen die op enige andere wijze van overheidswege worden gefinancierd, worden op grond van deze regeling niet nogmaals gefinancierd.

Maatregelen die worden gefinancierd, mogen bovendien niet het karakter van staatssteun dragen. Maatregelen die de mededinging kunnen beïnvloeden en maatregelen waarbij de financiering via ondernemingen verloopt, kunnen daarom niet worden gefinancierd, tenzij het de maatregelen betreft die in hoofdstuk 4 zijn opgenomen. Dit betreft vier maatregelen waarbij wel financiering aan of via ondernemingen plaats kan vinden.

Artikel 4.1 Toepasselijkheid Groepsvrijstellingsverordening

Steun aan ondernemingen valt onder het verbod op staatssteun, neergelegd in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Bepaalde vormen van steun zijn echter onder voorwaarden toegestaan zonder voorafgaande toetsing van de Europese Commissie. Deze vormen van steun zijn opgenomen in de Verordening 800/2008 van de Europese Commissie (de algemene groepsvrijstellingsverordening). Alle maatregelen in hoofdstuk 3 vallen onder de reikwijdte van deze verordening en voldoen aan de maximale steunintensiteiten die in deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 4.2 Maatregelen ten behoeve van advisering

Onder MKB-bedrijf wordt krachtens de definitie verstaan een onderneming waar op 31 december 2012 minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. Daarbij worden krachtens de algemene groepsvrijstellingsverordening eventuele zuster- of dochterondernemingen meegenomen in de berekening van het aantal werknemers, de jaaromzet of het balanstotaal. Een MKB-bedrijf kan gebruik maken van externe advisering, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame inzetbaarheid van zijn werknemers of gezond en veilig werken. De advisering moet op grond van artikel 3.1 zien op ten minste één van de in dit artikel genoemde zeven thema’s. Permanente of periodieke advisering zoals juridisch of fiscaal advies komt niet voor cofinanciering in aanmerking. Zoals voor alle maatregelen geldt, wordt 50% van de subsidiabele kosten gesubsidieerd tot een maximum van 2 miljoen Euro per project per onderneming. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.3 Opleidingsmaatregelen

Opleiding is een essentieel instrument voor de inzetbaarheid van werknemers. De regeling maakt het mogelijk algemene vormen van opleiding te subsidiëren. Zowel de kosten van werknemers die een opleiding geven als van werknemers die een opleiding volgen, komen voor cofinanciering in aanmerking. 50% van de subsidiabele kosten wordt gesubsidieerd tot een maximum van 2 miljoen Euro per project per onderneming. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.4 Maatregelen voor indienstneming van kwetsbare werknemers

Werkgevers die bereid zijn kwetsbare werknemers in dienst te nemen, kunnen cofinanciering krijgen voor de loonkosten gedurende het eerste jaar waarin de werknemer in dienst is. Kwetsbare werknemers zijn personen ouder dan 55 jaar, personen die langer dan zes maanden geen reguliere betaalde arbeid hebben verricht en personen die geen beroepsopleiding hebben gevolgd. Werkgevers hebben ook op grond van andere regelingen aanspraak op financiële compensatie en ondersteuning wanneer zij een kwetsbare werknemer in dienst nemen. Dubbelfinanciering is echter niet mogelijk. Deze cofinanciering zal wel gebruikt kunnen worden voor het overnemen van een oudere werknemer van een andere werkgever. Voorwaarde voor cofinanciering is dat de kwetsbare werknemer additioneel wordt aangenomen. De vacature die deze kwetsbare werknemer invult, moet het personeelsbestand doen toenemen of door natuurlijk verloop zijn ontstaan.

Voor deze maatregel geldt een afwijkende steunintensiteit van 20% van de subsidiabele kosten die kan worden gesubsidieerd tot een maximum van 5 miljoen Euro per project per onderneming. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

Artikel 4.5 Maatregelen voor indienstneming van werkloze jongeren

Het kan voorkomen dat uit de sectoranalyse blijkt dat ondernemingen in bepaalde sectoren kampen met een sterk vergrijsd personeelsbestand. Voor die ondernemingen kan de maatregel uit artikel 4.4 worden aangevuld. Als een oudere werknemer besluit om het pensioen vroegtijdig, dus voor het bereiken van de pensioensgerechtigde leeftijd, in laat gaan, kan de onderneming subsidie krijgen om een werkloze jongere aan te nemen. Een werkloze jongere is een persoon, jonger dan 27 jaar die in de voorafgaande zes maanden geen reguliere betaalde arbeid heeft verricht. Dit kan dus jongeren betreffen die hun baan zijn kwijtgeraakt of jongeren die na hun afstuderen nog geen eerste baan hebben gevonden.

De werkgever krijgt op grond van artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting 1964 een heffing van 52% van het uitgekeerde bedrag opgelegd bij de vroegtijdige uittreding van een oudere werknemer. De subsidie kan worden gebruikt om deze heffing te verzachten. Daarom is het percentage dat maximaal voor cofinanciering in aanmerking komt, aanmerkelijk hoger dan het percentage van 20% dat op grond van 3.4 voor cofinanciering in aanmerking komt. Naast de eisen die de groepsvrijstellingsverordening stelt, worden nog additionele eisen gesteld aan de uitvoering van deze maatregel. Het moet daadwerkelijk gaan om pensionering van de oudere werknemer. Dit betekent dat de oudere werknemer binnen een maand diens pensioen vroegtijdig in moet laten gaan. Het is daarmee uitgesloten dat de oudere werknemer een uitkering geniet op grond van de Werkloosheidswet. Daarnaast moet de jongere werkloze worden aangenomen voor de duur van ten minste een jaar bij een dienstverband van ten minste 28 uur per week.

Omdat deze maatregel op dezelfde bepaling in de groepsvrijstellingsverordening berust als de maatregel bedoeld in artikel 3.4, worden de bedragen uit beide maatregelen bij elkaar opgeteld en mag dit totaal niet meer bedragen dan 5 miljoen Euro per onderneming.

Artikel 5.1 Hoogte van de subsidie

De betrokken partijen dragen in beginsel zelf de kosten van de sectorplannen. Daarvan kan de helft, onder de voorwaarden die in deze regeling zijn neergelegd, worden gesubsidieerd. De subsidie die wordt verleend voor het in dienst nemen van kwetsbare werknemers bedraagt de volledige 20% van de loonkosten van de kwetsbare werknemer gedurende het eerste jaar.

Voor de subsidieverstrekking op grond van deze regeling geldt een malus. Als minder dan 60% van de maatregelen waarvoor in de subsidiebeschikking subsidie is toegekend daadwerkelijk is gerealiseerd, volgt nihilstelling van de subsidie. Slechts als er zeer uitzonderlijke redenen zijn voor de onderrealisatie, wordt de subsidie evenredig aan de onderrealisatie verlaagd.

Artikel 5.2 Intrekking en terugvordering

De uitvoering en verantwoordelijkheid van de sectorplannen ligt bij de hoofdaanvrager. Indien uit een controle toch blijkt dat het subsidiebedrag onrechtmatig of oneigenlijk is gebruikt, wordt de subsidie in beginsel geheel ingetrokken. Indien het slechts een geringe omissie betreft en uit de controle blijkt dat het sectorplan als geheel conform de subsidiebeschikking is uitgevoerd, kan de subsidie gedeeltelijk worden ingetrokken. De algemene regels betreffende intrekking en terugvordering, zoals deze zijn neergelegd in de Algemene regeling SZW-subsidies, zijn op deze regeling van toepassing. Dit betekent dat eventuele kosten voor de terugvordering, bij de hoofdaanvrager in rekening worden gebracht. Deze regels met betrekking tot terugvordering gelden ook indien bij de subsidievaststelling blijkt dat er te veel aan voorschotten is verleend.

Artikel 5.3 Bevoorschotting en meldingsplicht

Het verlenen van een eerste voorschot kan ambtshalve plaatsvinden, als de aanvrager bij de aanvraag heeft aangegeven een voorschot te willen ontvangen. Verdere voorschotten kunnen indien de aanvrager dit wenst worden. In de subsidiebeschikking wordt, op basis van het ingediende sectorplan en het hierin opgenomen tijdpad, bepaald wat de liquiditeitsprognose van de hoofdaanvrager is. Aan de hand hiervan wordt bepaald of, en op welke wijze voorschotten zullen worden verleend. Het is van belang dat het samenwerkingsverband en de hoofdaanvrager zelf over voldoende middelen beschikken om het sectorplan uit te voeren. Het tussentijdse voorschot kan hier aan bijdragen.

Naast de rapportageverplichting, heeft de hoofdaanvrager de plicht veranderingen in omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de subsidie. Indien de hoofdaanvrager niet aan deze meldplicht voldoet, kan de minister een bestuurlijke boete opleggen op grond van de Wet bestuurlijke boete meldingsplichten door ministers verstrekte subsidies. De meldplicht omvat alle omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de subsidie. Voor onderrealisatie geldt een aparte meldingsplicht, de maximumboete voor deze overtreding is eveneens afwijkend. Dit betekent dat iedere afwijking van het tijdpad, waarop de bevoorschotting is gebaseerd, binnen twee maanden na afloop van de periode van zes maanden waarvoor een voorschot is verleend, moet worden gemeld.

Artikel 5.4 Rapportageverplichting

De hoofdaanvrager overlegt na twaalf maanden een tussenverslag, indien de uitvoering van het sectorplan langer duurt dan twaalf maanden. In dit tussenverslag worden de tot dan toe toegepaste maatregelen en kosten opgenomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de persoonsgegevens van de deelnemers aan de maatregelen. De persoonsgegevens betreffen het burgerservicenummer dan wel het sociaal-fiscaalnummer van de deelnemers. Deze persoonsgegevens zijn nodig om te controleren of er geen sprake is van dubbelfinanciering. De gegevens zullen anoniem worden gebruikt voor bestandsvergelijking. De inbreuk op de privacy van de deelnemers wordt doordat deze anoniem worden gebruikt tot een minimum beperkt. Dit is daarnaast gerechtvaardigd nu dit de minste administratieve lasten voor alle betrokkenen met zich meebrengt. Monitoring op andere wijze zou eveneens inbreuk op de privacy van de betrokken deelnemers met zich brengen.

Indien de hoofdaanvrager voorschotten ontvangt kan in de beschikking tot subsidieverdeling de verplichting worden opgenomen dat bij het tussenverslag een verklaring van een accountant wordt gevoegd. Op deze wijze bestaat er in een eerder stadium dan eerst na twee jaren zekerheid over de gemaakte kosten voor zowel de hoofdaanvrager als de minister. Het tussenverslag kan aanleiding geven de liquiditeitsprognose en de wijze van bevoorschotting aan te passen.

Artikel 5.5 Einddeclaratie en subsidievaststelling

In artikel 16 van de Algemene regeling SZW-subsidies is bepaald dat bij subsidies boven de 50.000 euro de einddeclaratie wordt vergezeld van een controleverklaring van een accountant. Aangezien de subsidies voor cofinanciering van sectorplannen allen de grens van 250.000 euro overschrijden, wordt bij de einddeclaratie altijd een accountantsverklaring gevoegd. De kosten hiervan worden geacht te zijn inbegrepen in de kosten van overhead die op grond van deze regeling worden uitgekeerd.

De hoofdaanvrager wordt afgerekend op de prestaties die zijn bepaald in de beschikking tot subsidieverlening. De hoofdaanvrager toont bij de einddeclaratie aan hoeveel maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd en, voor zover van toepassing, voor welke personen dit is gebeurd. Indien de subsidie is verstrekt voor het opzetten van infrastructuur, zoals voor het begeleiden van personen in van-werk-naar-werk, dan is de prestatie waarop wordt afgerekend het bestaan van deze infrastructuur.

De eindverantwoording vindt plaats op behaalde prestaties en uitgevoerde maatregelen. Daarbij wordt het aantal keren dat maatregelen zijn uitgevoerd vermenigvuldigd met de daadwerkelijk gemaakte kosten per maatregel. Het maximumbedrag dat voor een bepaalde maatregel in de subsidiebeschikking is bepaald en het maximaal aantal keren dat een maatregel zal worden uitgevoerd, is bij die vaststelling leidend. Als blijkt dat de maatregel tegen lagere kosten maar vaker is uitgevoerd dan in de verleningsbeschikking, wordt het subsidiebedrag dus lager vastgesteld. Indien bij de subsidievaststelling blijkt dat de maatregel het voorgenomen aantal keren is uitgevoerd maar de kosten per maatregel hoger uitvallen dan in de subsidiebeschikking is bepaald, wordt eveneens vastgehouden aan het in de subsidiebeschikking toegekende bedrag. Indien de maatregel minder vaak wordt uitgevoerd tegen hogere kosten, wordt het aantal keer dat de maatregel is uitgevoerd vermenigvuldigd met het in de subsidiebeschikking bepaalde bedrag per maatregel. Als de maatregel minder vaak is uitgevoerd tegen lagere kosten wordt het aantal keren dat de maatregel is uitgevoerd vermenigvuldigd met de daadwerkelijk gemaakte kosten per uitgevoerde maatregel omdat anders het cofinancieringspercentage van 50% wordt overschreden.

Artikel 5.6 Overhead

Ook de overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten worden door het samenwerkingsverband zelf gedragen maar komen wel voor cofinanciering in aanmerking. In de begroting van het sectorplan worden geen uitvoeringskosten opgenomen die zijn aan te merken als kosten voor overhead en aan overhead gerelateerde exploitatiekosten. In plaats daarvan wordt over het totaalbedrag aan directe subsidiabele kosten een percentage berekend dat eveneens voor 50% wordt gesubsidieerd. Dit percentage wordt gestaffeld berekend. Grote sectorplannen kennen verhoudingsgewijs lagere overheadkosten dan sectorplannen van minder grote omvang. Bij de bepaling van de percentages is rekening gehouden met de kosten van de accountantsverklaring die door de hoofdaanvrager wordt verstrekt.

Artikel 5.7 Administratievoorschriften

De administratie dient een duidelijk inzicht te geven in de uitvoering van het sectorplan. De hoofdaanvrager is hiervoor verantwoordelijk en dient te allen tijde inzicht te kunnen geven in deze administratie, die beschikbaar is op één locatie. De administratie dient op grond van artikel 12, tweede lid van de Algemene regeling SZW-subsidies tenminste 5 jaar bewaard te worden. In de administratievoorschriften is een balans aangebracht tussen controleerbaarheid en administratieve lasten van de hoofdaanvrager en andere partijen in het samenwerkingsverband. Het uitkeren van bedragen in de omvang waarin de regeling voorziet, brengt risico’s met zich. Het is van essentieel belang voor het succes van sectorplannen dat het geld goed wordt besteed. Daarom is de regeling open vormgegeven. Het samenwerkingsverband heeft ruimte om zelf met goede voorstellen te komen. Deze sectorplannen kunnen bovendien in een langere periode worden uitgevoerd. Hiermee hangt samen dat als een voorstel wordt goedgekeurd, er zicht moet blijven op de uitvoering van het sectorplan. Dit brengt administratieve lasten met zich mee voor de hoofdaanvrager. De kosten hiervan worden geacht te zijn inbegrepen in het bedrag dat wordt uitgekeerd voor overhead.

Artikel 6.1 Evaluatiebepaling

De aanleiding voor het instellen van de regeling is de aanhoudende problematiek op de arbeidsmarkt. Voor de wijze waarop er gebruik zal worden gemaakt van deze regeling bestaat echter maar beperkt ervaring. Daarom zal gedurende de looptijd van deze regeling, nauw worden bekeken hoe de uitvoering vorm krijgt. Indien tijdens de looptijd van de regeling blijkt dat hier aanleiding toe is, kan de regeling tussentijds worden aangepast. Reeds verleende subsidies voor lopende sectorplannen zullen hierbij uiteraard worden gerespecteerd.

Nu de regeling een korte looptijd heeft, wordt de regeling na afloop geëvalueerd.

Artikel 7.2 Inwerkingtreding

De inwerkingtredingsdatum wordt, in afwijking van de vaste verandermomenten, vastgesteld op de dag na publicatie van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst. Afwijking is geboden gezien de opening van het eerste aanvraagtijdvak in het najaar van 2013 waarop partijen zich moeten kunnen voorbereiden.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher.