Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatscourant 2013, 10844Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 17 april 2013, nr. IENM/BSK-2013/58822, tot wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer, de Regeling lozen buiten inrichtingen, de Regeling omgevingsrecht en de Waterregeling

De Minister van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op de artikelen 1.7, eerste lid, onder a, en 2.11, tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, artikel 1.5, eerste lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen, artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht en artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit;

Besluit:

ARTIKEL I

De Activiteitenregeling milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel 3.16e wordt in afdeling 3.2 een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 3.2.8. Installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem

Artikel 3.16f
  • 1. Voor het bijhouden van een registratie met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem overeenkomstig artikel 3.16n, eerste lid, onder a, van het besluit worden tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 0,3°C en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten.

  • 2. Voor het bijhouden van een registratie met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem overeenkomstig artikel 3.16n, eerste lid, onder b, van het besluit worden tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 5 % en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten.

Artikel 3.16g

Artikel 2.11 van het besluit is niet van toepassing op het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.

ARTIKEL II

De Regeling lozen buiten inrichtingen wordt als volgt gewijzigd:

Na hoofdstuk 2 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

HOOFDSTUK 2A. BEPALINGEN MET BETREKKING TOT GESLOTEN BODEMENERGIESYSTEMEN

Artikel 2a.1
  • 1. Voor het bijhouden van een registratie met betrekking tot het in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem overeenkomstig artikel 3a.8, eerste lid, onder a, van het besluit worden tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 0,3°C en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten.

  • 2. Voor het bijhouden en registreren van gegevens met betrekking tot een gesloten bodemenergiesysteem overeenkomstig artikel 3a.8, eerste lid, onder b, van het besluit worden tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 5 % en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten.

ARTIKEL III

De Regeling omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

Artikel 6.3 komt te luiden:

Artikel 6.3. Activiteiten als bedoeld in artikel 2.2a van het besluit

  • 1. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2a, eerste tot en met vijfde lid, van het besluit verstrekt de aanvrager de gegevens, bedoeld in artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer alsmede in de gevallen bedoeld in de artikelen 1.11, vijfde lid, 1.16, 1.18 en 1.19 van dat besluit, de in de betrokken bepalingen bedoelde gegevens.

  • 2. In of bij de aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2a, zesde lid, van het besluit, verstrekt de aanvrager de volgende gegevens:

    • a. ingeval sprake is van het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem binnen een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer: de gegevens, bedoeld in de artikel 1.10 en 1.21a van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

    • b. ingeval sprake is van het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer: de gegevens, bedoeld in artikel 1.10a, derde lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen.

ARTIKEL IV

De Waterregeling wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.1 worden in de alfabetische rangschikking, onder vervanging van de punt achter de omschrijving van het begrip minister door een puntkomma, het volgende begrip en de daarbij behorende begripsomschrijving toegevoegd:

SPF:

Seasonal Performance Factor, waarmee het rendement van een bodemenergiesysteem wordt weergegeven, uitgedrukt als de door het systeem geleverde hoeveelheden warmte en koude per jaar in MWh, gedeeld door het gemeten of berekende energieverbruik van het systeem per jaar in MWh.

B

Artikel 6.18, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. Indien een aanvraag voor een watervergunning niet langs elektronische weg wordt ingediend, wordt gebruik gemaakt van een door Onze Minister vastgesteld formulier dat wordt gepubliceerd op en kan worden gedownload van www.omgevingsloket.nl . Het bevoegd gezag stelt op verzoek van de aanvrager het formulier aan hem ter beschikking.

C

Artikel 6.29 wordt als volgt gewijzigd:

1. ‘bodemenergiesyteem’ wordt vervangen door: bodemenergiesysteem.

2. In onderdeel e wordt ‘, en’ vervangen door een puntkomma.

3. Onder vervanging van de punt achter onderdeel f door een puntkomma, worden twee onderdelen toegevoegd, luidende:

  • g. de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het bodemenergiesysteem voorziet, en

  • h. het energierendement, uitgedrukt als de Seasonal Performance Factor (SPF), dat het bodemenergiesysteem zal behalen bij voorzien gebruik van het gebouw overeenkomstig de bestemming waarvoor het systeem is ontworpen, blijkend uit een schriftelijke verklaring van de installateur.

D

Bijlage IX vervalt.

ARTIKEL V

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen.

TOELICHTING

I Algemeen

Inleiding

Deze regeling heeft tot doel enkele details te regelen ten behoeve van de uitvoering van het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen.1 In dat besluit worden regels gesteld met het doel de toepassing van bodemenergiesystemen te stimuleren.

Door de toepassing van bodemenergiesystemen kan een bijdrage worden geleverd aan de vermindering van het energieverbruik voor verwarming en koeling van huizen, kantoren, bedrijven en kassen. De vermindering van het energieverbruik leidt tot vermindering van de uitstoot van CO2, waardoor voorts een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van de klimaatdoelstellingen. Een randvoorwaarde voor de toepassing van bodemenergiesystemen is dat sprake moet zijn van een duurzaam gebruik van de bodem. Dit betekent dat de toepassing niet ten koste mag gaan van het belang van de bescherming van de bodem en dat andere belangrijke functies die de bodem kan vervullen niet in het geding mogen komen.

Deze regeling houdt een wijziging in van de volgende regelingen:

  • de Activiteitenregeling milieubeheer (gebaseerd op de artikelen 1.7, eerste lid, onder a, en 2.11, tiende lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer);

  • de Regeling lozen buiten inrichtingen (gebaseerd op artikel 1.5, eerste lid, van het Besluit lozen buiten inrichtingen);

  • de Regeling omgevingsrecht (gebaseerd op artikel 4.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht);

  • de Waterregeling (gebaseerd op artikel 6.11, eerste lid, van het Waterbesluit).

Administratieve lasten

Deze regeling heeft betrekking op de gegevens die moeten worden verstrekt bij vergunningaanvragen voor bodemenergiesystemen en de nauwkeurigheid van metingen tijdens het gebruik van gesloten bodemenergiesystemen. De administratieve lasten hiervan voor eigenaren en gebruikers van bodemenergiesystemen (burgers en bedrijven) worden in het volgende in beeld gebracht. In algemene zin wordt verwezen naar hoofdstuk 14 van de nota van toelichting bij het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen, waarin is ingegaan op de markteffecten, de administratieve lasten en de bestuurlijke lasten als gevolg van dat besluit.

Artikelen I en II

Deze artikelen stellen eisen aan de nauwkeurigheid waarmee een hoeveelheid aan de bodem toegevoegde warmte en koude en de retourtemperatuur worden gemeten. De administratieve lasten die zijn gemoeid met het meten en registreren hiervan, zijn al meegenomen bij de berekening van de administratieve lasten als gevolg van het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen.

Gesloten bodemenergiesystemen die voor de verwarming of koeling van woningen worden gebruikt, zijn in het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen uitgezonderd van de verplichting tot meten en registreren. Dit betreft het gros van het aantal geïnstalleerde gesloten systemen.

Als gevolg van de wijziging van artikel 3.16g van de Activiteitenregeling milieubeheer is de verplichting tot bodemonderzoek niet meer van toepassing op gesloten bodemenergiesystemen. Dit betreft een lastenverlichting. Het aantal gesloten bodemenergiesystemen binnen een inrichting is overigens op dit moment niet groot. Dit aantal zou in de toekomst wel flink kunnen toenemen.

Artikel III

Dit artikel bepaalt dat bij een aanvraag van een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (Obm) voor gesloten bodemenergiesystemen dezelfde gegevens kunnen worden gebruikt die bij de melding voor dergelijke systemen moeten worden verstrekt. De administratieve lasten die hiermee zijn gemoeid, zijn al meegenomen bij de berekening van de administratieve lasten als gevolg van het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen.

Artikel IV

Dit artikel bepaalt dat bij een aanvraag van een watervergunning voor open bodemenergiesystemen de volgende extra gegevens moeten worden gemeld:

  • de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem voorziet;

  • het energierendement van het ontwerp van het systeem.

Gegevens over de behoefte aan warmte en koude vormen bij de opdrachtverlening van klant aan bedrijf onderdeel van het programma van eisen. De verplichting deze gegevens ook te verstrekken in de vergunningaanvraag leidt niet tot noemenswaardige extra administratieve lasten. In het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen is voor gesloten bodemenergiesystemen al geregeld dat de installateur het energierendement van het ontwerp van het systeem moet melden aan de opdrachtgever. Voor open bodemenergiesystemen wordt dit niet op het niveau van een algemene maatregel van bestuur geregeld, maar op het niveau van een ministeriële regeling, te weten de Waterregeling. De verplichting deze gegevens ook te verstrekken in de vergunningaanvraag leidt niet tot noemenswaardige extra administratieve lasten.

Zoals in de artikelsgewijze toelichting bij artikel IV is aangegeven, zullen in het formulier waarvan bij het aanvragen van een watervergunning gebruik moet worden gemaakt, voor kleine open bodemenergiesystemen minder specifieke gegevens worden gevraagd. Dit zal leiden tot een vermindering van administratieve lasten die moeilijk in tijd en geld is uit te drukken, maar wel bijdraagt aan verlaging van de ‘administratieve drempel’ voor het aanvragen van een vergunning voor kleine open systemen. Per jaar worden voor kleine open systemen enkele tientallen vergunningen aangevraagd.

II Artikelsgewijs

Artikel I

In de Activiteitenregeling milieubeheer wordt een nieuwe paragraaf 3.2.8 over het installeren en in werking hebben van gesloten bodemenergiesystemen ingevoegd.

artikel 3.16f

Het nieuwe artikel 3.16f van de Activiteitenregeling milieubeheer dient ter uitvoering van artikel 3.16n van het Activiteitenbesluit. Op grond van die bepaling moeten voor een gesloten bodemenergiesysteem de volgende gegevens worden bijgehouden en geregistreerd:

  • a. de temperatuur van de circulatievloeistof in de retourbuis van het systeem;

  • b. de hoeveelheden warmte en koude die vanaf de datum van ingebruikneming aan de bodem zijn toegevoegd;

  • c. het energierendement dat het systeem jaarlijks vanaf de datum van ingebruikneming heeft geleverd.

Ten behoeve van de uitvoering van onderdeel a moeten tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen worden uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 0,3 °C en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten. Een momentane meting is een meting op een bepaald moment gedurende een bepaalde periode, in dit geval 15 minuten. Het gaat daarbij niet om een meting die betrekking heeft op de hele periode van 15 minuten.

Ten behoeve van de uitvoering van onderdeel b moeten tijdens de bedrijfsvoering van het systeem momentane metingen worden uitgevoerd met een nauwkeurigheid van ten minste 5 % en een frequentie van ten minste eenmaal per 15 minuten.

Ten behoeve van de uitvoering van onderdeel b moet de gebruiker van een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer, de gegevens over de energiebalans (onderdeel b) binnen drie maanden na afloop van elk kalenderjaar toezenden aan het bevoegd gezag, doorgaans burgemeester en wethouders. Dit is bepaald in artikel 3.16n, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Indien het gesloten bodemenergiesysteem een bodemzijdig vermogen heeft van minder dan 70 kW, moeten de gegevens over de energiebalans (onderdeel b) ten minste tien jaar in de inrichting worden bewaard en ter inzage worden gehouden. Dit volgt uit artikel 3.16n, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

Ingevolge artikel 3.16k, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan het bevoegd gezag in het belang van het doelmatig gebruik van bodemenergie bij maatwerkvoorschrift eisen stellen ter beperking van het koudeoverschot dat een gesloten bodemenergiesysteem mag veroorzaken. In dat geval kunnen de gegevens die worden verkregen met toepassing van artikel 3.16f van de Activiteitenregeling milieubeheer, worden gebruikt om vast te stellen in hoeverre sprake is van een koudeoverschot.

In het hiernavolgende wordt met een formule aangegeven op welke wijze ter uitvoering van artikel 3.16n, eerste lid, onder b, wordt berekend of sprake is van een warmteoverschot. Van een warmteoverschot is sprake indien de hoeveelheid warmte die aan de bodem is toegevoegd tijdens koelbedrijf groter is dan de hoeveelheid koude die aan de bodem is toegevoegd tijdens verwarmingbedrijf.

Bijlage 1

Bijlage 2

Hierin is:

Evb: de hoeveelheid koude die aan de bodem is toegevoegd tijdens verwarmingbedrijf in MWh

Ekb: de hoeveelheid warmte die aan de bodem is toegevoegd tijdens koelbedrijf in MWh

Tin: de temperatuur (in °C) van de vloeistof in het bodemzijdig circuit voor het passeren van het gebouw

Tuit: de temperatuur (in °C) van de vloeistof in het bodemzijdig circuit na het passeren van het gebouw

V: het verpompte volume van de vloeistof in het bodemzijdig circuit (in m3) in de tijdspanne van de huidige momentane meting tot aan de voorafgaande momentane meting, berekend als volgt: het debiet tijdens de huidige momentane meting (in m3/uur) maal de lengte van de periode van de huidige momentane meting tot aan de voorafgaande momentane meting (in uur)

ρ: de dichtheid van de vloeistof in het bodemzijdig circuit in kg/m3

Cp: de warmtecapaciteit van de vloeistof in het bodemzijdig circuit in J/kg °C

artikel 3.16g

In het nieuwe artikel 3.16g is artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit milieubeheer buiten toepassing verklaard op het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.

Artikel 2.11 stelt als algemene regel het uitvoeren van bodemonderzoek verplicht voor alle inrichtingen waarbinnen activiteiten plaatsvinden waarbij met bodembedreigende stoffen wordt gewerkt. Het bodemonderzoek is gericht op de stoffen die tijdens dergelijke activiteiten in de bodem terecht kunnen komen en moet worden uitgevoerd ongeacht of preventieve maatregelen zijn of worden getroffen. In artikel 2.11, tiende lid, is de mogelijkheid gegeven om artikel 2.11 buiten toepassing te verklaren. Van deze mogelijkheid wordt in artikel 3.16g van deze regeling gebruik gemaakt voor het installeren en in werking hebben van een gesloten bodemenergiesysteem.

De reden hiervan is dat de lussen van gesloten bodemenergiesystemen doorgaans tot op grote diepte in de bodem worden geplaatst. Bij gesloten bodemenergiesystemen wordt de investering van een nulsituatie onderzoek niet zinvol geacht. In de eerste plaats is de kans op het aantreffen van stoffen die in de circulatievloeistof worden toegepast, in de nulsituatie zeer klein. In de tweede plaats zou een groot aantal bodemmonsters onderzocht moeten worden om de nulsituatie over het hele dieptetraject van de bodemlussen voldoende representatief in beeld te brengen.

De kans op lekkage van circulatievloeistof uit de bodemlussen is voor zover bekend gering en derhalve is ook het risico van verontreiniging van de bodem als gevolg van het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem beperkt.

Tot nu toe worden in gesloten bodemenergiesystemen geen stoffen gebruikt die de bodem (ernstig) kunnen verontreinigen. Zodra lekkage van het systeem optreedt, moet het gebruik worden gestaakt. Dit kan al snel worden ontdekt doordat het systeem dan niet meer goed werkt. De omvang van eventuele lekkage en verontreiniging van de bodem zal daarom beperkt zijn. Bovendien moet worden voldaan aan de algemene zorgplicht op grond van artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit houdt in dat meteen moet worden opgetreden om verontreiniging te voorkomen of te beperken en op te ruimen zodra de lekkage wordt ontdekt. Dit is verder uitgewerkt in artikel 3.16i van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierin is bepaald dat een gesloten bodemenergiesysteem bij een redelijk vermoeden dat in een gesloten bodemenergiesysteem lekkage optreedt, onmiddellijk buiten werking moet worden gesteld en dat de circulatievloeistof daaruit onmiddellijk moet worden verwijderd, tenzij water zonder toevoegingen wordt gebruikt. Indien verontreiniging is ontstaan, zal deze in het algemeen niet kunnen worden gesaneerd, omdat zij zich op te grote diepte bevindt en de kosten in geen verhouding staan tot de gevolgen voor de bodemkwaliteit.

Artikel II

In de Regeling lozen buiten inrichtingen wordt een nieuw hoofdstuk 2a over het installeren en in werking hebben van bodemenergiesystemen ingevoegd. Hierin worden uitsluitend regels gesteld die betrekking hebben op gesloten bodemenergiesystemen. Artikel 1.5 van het Besluit lozen buiten inrichtingen is de grondslag voor artikel II. Hierin wordt de mogelijkheid gegeven om bij ministeriële regeling regels te stellen ter uitwerking van de bepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 3a.

Voor een toelichting op het nieuwe artikel 2a.1 van de Regeling lozen buiten inrichtingen wordt verwezen naar de toelichting op artikel I.

Artikel III

De wijzigingen van de Regeling omgevingsrecht hebben betrekking op de gegevens die moeten worden verstrekt ten behoeve van een aanvraag van een Obm die op grond van artikel 2.2a, zesde lid,2 van het Besluit omgevingsrecht is vereist voor het installeren van:

  • een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer;

  • een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van minder dan 70 kW dat is gelegen in een krachtens artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht bij gemeentelijke of provinciale verordening aangewezen interferentiegebied.

Uitgangspunt van de regeling is dat een aanvraag om een obm-vergunning voor het installeren van een gesloten bodemenergiesysteem dezelfde gegevens moet bevatten, die moeten worden verstrekt bij:

  • 1. een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, indien het een gesloten bodemenergiesysteem binnen een inrichting betreft;

  • 2. een melding op grond van Besluit lozen buiten inrichtingen, indien het een gesloten bodemenergiesysteem buiten een inrichting betreft.

In het eerste geval moeten de gegevens worden verstrekt, die zijn vermeld in artikel 1.10 en artikel 1.21a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit is geregeld in het nieuwe artikel 6.3, tweede lid, onder a.

In het tweede geval moeten de gegeven worden verstrekt, die zijn vermeld in artikel 1.10a van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Dit is geregeld in het nieuwe artikel 6.3, tweede lid, onder b.

Artikel IV

A

In artikel 1.1 wordt met het oog op de toepassing van artikel 6.29 het begrip SPF met bijbehorende begripsomschrijving ingevoegd. In een later stadium, naar verwachting 1 oktober 2013, zullen door wijziging van de Waterregeling nog regels worden gesteld op welke wijze de SPF moet worden bepaald. Hierover vindt nog overleg plaats met de sector en uitvoerende overheden.

B

Het formulier voor het aanvragen van een watervergunning is nu als bijlage IX bij de Waterregeling opgenomen en is daarmee onderdeel van de regeling zelf. Deze regeling wijkt af van de regeling in het Besluit omgevingsrecht, waarin is bepaald dat het aanvraagformulier door de minister wordt vastgesteld. Omdat zowel in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als de Waterwet vergunningaanvragen via het Omgevingsloket Online worden ingediend, is het wenselijk de regeling in de Waterregeling gelijk te trekken met de regeling in het Besluit omgevingsrecht. In verband hiermee is bijlage IX bij de Waterregeling, waarin het formulier was opgenomen, geschrapt. Hierin voorziet onderdeel D.

C

In artikel 6.29 van de Waterregeling wordt toegevoegd dat in een aanvraag om een watervergunning ten behoeve van het installeren en in werking hebben van een open bodemenergiesysteem enkele gegevens moeten worden verstrekt, die ingevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.21a) en het Besluit lozen buiten inrichtingen (artikel 1.10a) ook voor het installeren van gesloten bodemenergiesystemen moeten worden verstrekt. Deze gegevens hebben betrekking op de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem voorziet en het energierendement van het ontwerp van het systeem. Voor een toelichting op dit laatste punt wordt verwezen naar de uitgebreide toelichting bij artikel 1.21, eerste lid, onder f, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals opgenomen in de nota van toelichting bij het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen.

De gegevens die volgens artikel 6.29 in de aanvraag om een watervergunning moeten worden vermeld, zijn gespecificeerd in het aanvraagformulier, dat door de Minister van Infrastructuur en Milieu wordt vastgesteld (eerder als formulier A4 opgenomen in bijlage IX bij de Waterregeling; zie de toelichting op artikel IV, onder B). Dit formulier zal voor 1 juli 2013 met de onderhavige wijziging van de Waterregeling in overeenstemming worden gebracht.

Daarbij zal in het aanvraagformulier voor bodemenergiesystemen worden toegevoegd dat de gegevens die op grond van artikel 6.29, onder e, over de hydrologische effecten moeten worden verstrekt ook specifieke gegevens moeten omvatten over:

  • opbarstrisico’s, welke gegevens nu ook voor andere onttrekkingen van grondwater worden gevraagd;

  • verplaatsing van verontreinigingen.

Tevens zal in de nieuwe versie van het aanvraagformulier worden aangegeven dat uit een oogpunt van lastenvermindering voor kleine open bodemenergiesystemen minder gegevens hoeven te worden verstrekt.

Onder een klein open bodemenergiesysteem wordt verstaan een systeem dat ten hoogste 50 m3 grondwater per uur en ten hoogste 250.000 m3 grondwater per jaar onttrekt, mits het grondwater wordt onttrokken op een diepte van ten minste 20 meter beneden maaiveld.

Er zullen in de nieuwe versie van het aanvraagformulier voor kleine open bodemenergiesystemen in beginsel geen gegevens meer hoeven te worden verstrekt over de volgende onderwerpen:

  • grondwaterstanden/stijghoogten;

  • opbarstrisico’s;

  • zettingen en maaivelddalingen;

  • bebouwing en infrastructuur;

  • archeologie en aardkundige waarden;

  • landbouw, natuur en waardevolle groenvoorzieningen.

Voor de volgende onderwerpen zal in beginsel met globalere gegevens kunnen worden volstaan:

  • bodemprofiel;

  • hydrologische invloed;

  • hydrothermische invloed;

  • kwel/wegzijging.

In de nieuwe versie van het aanvraagformulier zal worden aangegeven dat het bevoegd gezag de aanvrager kan verzoeken om bepaalde gegevens wel te verstrekken indien deze ook voor kleine open bodemenergiesystemen relevant zijn, bijvoorbeeld vanwege de ingewikkelde opbouw van de ondergrond in een gebied.

D

Bijlage IX bij de Waterregeling, waarin het formulier voor het aanvragen van een watervergunning is opgenomen, komt te vervallen. De reden hiervan is toegelicht in de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel B.

Artikel V

De regeling dient ter uitwerking van enkele bepalingen van het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen en treedt op dezelfde datum waarop dat besluit in werking treedt, te weten 1 juli 2013. Bij de vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding, 1 juli 2013, is uitgegaan van de vaste inwerkingtredingsdata van ministeriële regelingen en is tevens rekening gehouden met een minimale invoeringstermijn van twee maanden (Aanwijzing voor de regelgeving 174).

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen.


X Noot
1

Besluit tot wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met regels inzake bodemenergiesystemen en enkele technische verbeteringen (Stb. 2013, 112).

X Noot
2

Via het Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen is aan artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht een zevende lid toegevoegd. Via het Verzamelbesluit evaluatie en uitbreiding Wet Bibob, eveneens in werking getreden op 1 juli 2013, is artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht opnieuw gewijzigd. Hierdoor is het zevende lid vernummerd tot zesde lid. In deze regeling is uitgegaan van de situatie na deze laatste wijziging.