Winningsvergunning zout Havenmond

2 januari 2012

Nr. ETM/EM/11110679

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

Procesverloop:

  • Frisia Zout B.V. (hierna: Frisia) heeft per brief van 9 oktober 2007, ontvangen op 10 oktober 2007, een aanvraag ingediend voor een winningsvergunning voor zout, ingevolge artikel 6 van de Mijnbouwwet (hierna: Mbw), voor het gebied genaamd Havenmond. Bij brieven van 19 oktober 2007, 14 januari 2008 en 23 augustus 2011 is de aanvraag door Frisia aangevuld. Het aangevraagde gebied is gelegen in de gemeenten Harlingen en Terschelling. Het aangevraagde gebied heeft een oppervlakte van 31,96 km2. De aangevraagde geldigheidsduur van de vergunning is zestig jaar;

  • in de Staatscourant van 24 december 2007, nummer 249, is gelet op artikel 15 Mbw, een uitnodiging voor het indienen van concurrerende aanvragen voor een winningsvergunning voor zout voor het gebied genaamd Havenmond geplaatst. Binnen de termijn van 13 weken na de dag van publicatie van de aanvraag in de Staatscourant is geen concurrerende aanvraag ingediend;

  • Staatstoezicht op de Mijnen (hierna: SodM) heeft op verzoek van de minister van Economische Zaken (thans: minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie; hierna: EL&I) op 9 mei 2011 advies uitgebracht (kenmerk: 11066043). Op 12 augustus 2011 heeft SodM aanvullend advies uitgebracht;

  • TNO, adviesgroep EZ (hierna: TNO) heeft op verzoek van de toenmalige minister van Economische Zaken op 6 september 2010 advies uitgebracht (kenmerk: AGE 10-10.054). Op 9 augustus 2011, 23 september 2011 en 30 september 2011 heeft TNO aanvullend advies uitgebracht;

  • het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Friesland (hierna: GS) is op grond van artikel 16 Mbw om advies gevraagd. GS heeft op 30 augustus 2011 aangegeven van deze gelegenheid geen gebruik te maken;

  • de Mijnraad heeft op 25 maart 2011 advies uitgebracht (kenmerk: MIJR/11019607) op grond van artikel 105, derde lid, Mbw.

Overwegingen:

  • voor het gebied waarvoor de winningsvergunning wordt verleend, geldt bij het inwerking treden ervan niet een door een ander gehouden opsporings- of winningsvergunning voor zout. Hiermee is voldaan aan artikel 7, eerste lid, Mbw;

  • voor het gebied waarvoor de winningsvergunning wordt verleend, geldt niet een door een ander gehouden opslagvergunning. Hiermee is voldaan aan artikel 7, tweede lid, Mbw;

  • Frisia heeft aannemelijk gemaakt dat het zout binnen het gebied Havenmond economisch winbaar is. Hiermee is voldaan aan artikel 8 Mbw;

  • SodM geeft aan dat Frisia jaren ervaring heeft met de productie van steenzout en dat Frisia als operator voldoende kennis van mijnbouwkundige processen heeft en in staat is om efficiënt en verantwoord te werken. Daarbij heeft Frisia aangetoond dat het met een gedevieerde boring, zoals ook bij de onderhavige winning zal plaatsvinden, op een doelmatige wijze zout kan winnen. SodM geeft aan dat Frisia voldoende capaciteiten heeft om op technisch vlak de zoutwinning in het gebied genaamd Havenmond te realiseren. Gelet op het advies van SodM is er geen reden de onderhavige winningsvergunning te weigeren (artikel 9, eerste lid, onder a, Mbw);

  • Frisia is een volledige dochtermaatschappij van Esco International GmbH (hierna: Esco) gevestigd in Hannover in Duitsland. Met betrekking tot de financiële capaciteiten van Frisia zijn geen feiten bekend die aanleiding geven tot het weigeren van de onderhavige winningsvergunning (artikel 9, eerste lid, onder a, Mbw);

  • de manier waarop de aanvrager voornemens is de activiteiten, waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te verrichten geeft geen aanleiding de vergunning te weigeren. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, onder b, Mbw;

  • aanvrager heeft niet onder een eerdere vergunning bij activiteiten als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Mbw blijk gegeven van gebrek aan efficiëntie of verantwoordelijkheidszin, daaronder mede verstaan maatschappelijke verantwoordelijkheidszin. Hiermee is voldaan aan artikel 9, eerste lid, onder c, Mbw;

  • de vergunning kan worden geweigerd indien onvoldoende verzekerd is dat de aanvrager zal voldoen aan hem op te leggen verplichtingen als bedoeld in de artikelen 46 en 102. Voor het niet kunnen voldoen aan deze verplichtingen zijn geen aanwijzingen (artikel 9, tweede lid, Mbw);

  • overeenkomstig artikel 98, eerste lid, Mbw kan worden voorgeschreven dat de beoogde vergunninghouder jaarlijks een afdracht aan de Staat verschuldigd is. Deze afdracht dient te worden afgestemd op de omvang van het gewonnen zout of de behaalde voordelen met het winnen van zout en daarmee samenhangende activiteiten. Uit de vergunningaanvraag blijkt dat Frisia uitsluitend activiteiten van zoutwinning en geen andere, samenhangende activiteiten, ontplooid. Gelet op de inhoud van de aanvraag Havenmond en artikel 98, eerste lid, Mbw wordt een voorschrift aan de winningsvergunning verbonden, dat bepaalt dat Frisia jaarlijks een afdracht aan de Staat is verschuldigd, op basis van de omvang van het gewonnen zout;

  • TNO adviseert de winningsvergunning Havenmond aan Frisia te verlenen. TNO beoordeelt de kwaliteit van de geologische onderbouwing van de aanvraag als beknopt, maar ziet geen reden om te veronderstellen dat er binnen het aangevraagde gebied onvoldoende steenzout aanwezig zou zijn. Een duur van veertig jaar lijkt TNO toereikend voor de winningsactiviteiten. TNO acht het aangevraagde gebied groter dan noodzakelijk. Omdat niet is uitgesloten dat de voorgestelde verkleining van het aangevraagde gebied de winningsactiviteiten van Frisia kan belemmeren, wordt met inachtneming van artikel 11, vierde lid, Mbw op dit punt afgeweken van het advies van TNO;

  • de Mijnraad adviseert een winningsvergunning aan Frisia te verlenen voor het aangevraagde gebied voor de duur van veertig jaar en adviseert hierin aandacht te besteden aan het monitoren van het winningsproces en de mogelijkheden waarop tijdens de winning kan worden ingegrepen.

    Hierbij dient aansluiting te worden gezocht bij het oordeel van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie-mer), die zich heeft uitgesproken over het MER ‘Zoutwining Frisia Zout B.V. te Harlingen’. De Mijnraad adviseert aan de winningsvergunning maatregelen te verbinden die nodig zijn bij de beëindiging van de vergunning. Hierbij zijn voldoende garanties nodig om tot een verantwoorde afsluiting van de put te komen. Nadere studie daaromtrent wordt aanbevolen. Tenslotte adviseert de Mijnraad dat er tijdens de looptijd van de vergunningen aandacht zal worden besteed aan de financiële capaciteiten van de vergunninghouder, zodanig dat er na het abandonneren van de put voldoende financiën aanwezig zijn om eventuele gerechtvaardigde schadeclaims te kunnen honoreren.

    Met betrekking tot het advies van de Mijnraad wordt het volgende overwogen:

    Op grond van artikel 11, eerste tot en met derde lid, Mbw wordt in een vergunning voor de winning van delfstoffen bepaald voor welke activiteiten, welke delfstoffen, welk tijdvak en welk gebied zij geldt. In een vergunning die geen vergunning voor koolwaterstoffen is, kunnen op grond van artikel 13, tweede lid, Mbw tevens andere beperkingen en voorschriften worden opgenomen, mits deze kunnen worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid, de landsverdediging of een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen.

    Alvorens met de winningsactiviteiten kan worden begonnen, is de instemming van de Minister van EL&I met een winningsplan, overeenkomstig artikel 34, derde lid, Mbw in samenhang met artikel 25 Mijnbouwbesluit (hierna: Mbb), nodig. Voor de beoordeling of met een winningsplan als bedoeld in artikel 34 Mbw kan worden ingestemd, wordt getoetst aan planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen en risico van schade ten gevolge van bodembeweging (artikel 36 Mbw).

    De onderwerpen bodemdaling en het monitoren van het winningsproces komen aan de orde bij de beoordeling omtrent de instemming met een winningsplan. Bij de beoordeling omtrent instemming met het winningsplan wordt nader bekeken op welke wijze aan het onderwerp dat na het abandonneren nog voldoende financiën aanwezig moeten zijn om eventuele gerechtvaardigde schadeclaims te kunnen honoreren, invulling kan worden gegeven. In de winningsvergunning Havenmond kunnen geen voorschriften of beperkingen worden opgenomen omtrent de onderwerpen bodemdaling, het monitoren van het winningsproces en het risico van schade als gevolg van de winningsactiviteiten, omdat dit geen bepalingen zijn als bedoeld in artikel 11 Mbw en evenmin kunnen worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid, de landsverdediging of een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen, zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid, Mbw.

    De onderwerpen genoemd in het Toetsingsadvies over het milieueffect-rapport (MER) ‘Zoutwining Frisia Zout B.V. te Harlingen’ spelen een rol bij de besluitvorming over opvolgende, meer uitvoeringsgerichte vergunningen. Zo wordt het onderwerp milieu beoordeeld in het kader van de omgevingsvergunning, die nodig is voor een inrichting voor de winning van zout. Voor het overige betreft het toetsingsadvies van de Commissie-mer evenmin onderwerpen die op grond van artikel 11 en artikel 13, tweede lid, Mbw aan de orde zijn bij verlening van deze winningsvergunning.

    Voordat een mijnbouwwerk kan worden gesloten is de instemming van de minister van EL&I met een sluitingsplan nodig (artikel 49, vijfde lid, Mbw in samenhang met artikel 39, tweede lid, Mbb). Daarnaast is het sluiten van een put geregeld in algemene regels van afdeling 5.1, paragraaf 5.1.4, Mbb en afdeling 8.5, van de Mijnbouwregeling. SodM houdt toezicht op de naleving van deze voorschriften en regels. In de winningsvergunning Havenmond kunnen geen voorschriften en beperkingen worden opgenomen voor het sluiten van de put, omdat dit geen bepalingen zijn als bedoeld in artikel 11 Mbw en evenmin kunnen worden gerechtvaardigd door het belang van de veiligheid, de landsverdediging of een planmatig beheer van voorkomens van delfstoffen, zoals bedoeld in artikel 13, tweede lid, Mbw.

  • gelet op de Mbw, de aanvraag en de uitgebrachte adviezen kan verlening van de winningsvergunning voor zout voor het aangevraagde gebied genaamd Havenmond in de gemeenten Harlingen en Terschelling plaatsvinden, met een tijdvak van veertig jaar, onder het stellen van hierna genoemde beperkingen en voorschriften:

Gelet op de artikelen 6, 7, 8, 9, 11, eerste tot en met derde lid en vierde lid, eerste volzin, artikel 13, tweede lid, 15, 16, 17, 98 en 105, derde lid, van de Mijnbouwwet, alsmede artikel 1.3.3, van de Mijnbouwregeling.

Besluit:

Artikel 1

Aan Frisia Zout B.V. (hierna: de vergunninghouder) wordt een winningsvergunning voor zout verleend voor het gebied genaamd Havenmond.

Artikel 2

De vergunning geldt voor een gebied, gelegen in de gemeenten Harlingen en Terschelling en wordt begrensd door de volgende punten en de rechte lijnen daartussen. De coördinaten van deze punten zijn:

Punt

X

Y

1

154.520,00

575.510,00

2

157.190,00

583.050,00

3

153.420,00

584.380,00

4

150.750,00

576.850,00

Bovenstaande coördinaten zijn weergegeven volgens het coördinatenstelsel van de Rijksdriehoekmeting zoals vermeld in Artikel 1.2.2, onder a, van de Mijnbouwregeling.

Op basis van deze grensbeschrijving is de oppervlakte 31,96 km2.

Artikel 3

Nadat met het winnen van zout in het gebied genaamd Havenmond is begonnen, is de vergunninghouder jaarlijks op 1 januari aan de Staat een afdracht verschuldigd over het gewonnen zout in dit gebied.

  • 1. De afdracht wordt berekend op basis van de formule p × i × q, waarbij:

    • p een bedrag van € 0,46 per 1000 kg gewonnen zout is voor het basisjaar 2011,

    • i het indexpercentage is dat wordt berekend volgens de formule:

      i = 0,5 + 0,5.a/b, waarbij:

      • a het indexcijfer is, bedoeld in artikel 1, van het koninklijk besluit van 28 september 1992, nadien gewijzigd bij besluit van 16 augustus 2003, houdende begripsomschrijving van het indexcijfer der lonen (Stb. 328), zoals dat gold op 31 december van het kalenderjaar waarin de winning heeft plaatsgevonden en

      • b het indexcijfer is, dat gold op 31 december 2010 en

    • q de hoeveelheid gewonnen zout is, in het voorafgaande kalenderjaar, te bepalen op basis van de gegevens die de vergunninghouder op basis van artikel 111, eerste lid, onder a, van het Mijnbouwbesluit aan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft verstrekt. Deze opgegeven hoeveelheid wordt door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie gecorrigeerd als blijkt dat de opgegeven hoeveelheid gewonnen zout onjuist is.

  • 2. De vergunninghouder is de afdracht als bedoeld in het eerste lid verschuldigd op 1 maart van het jaar, volgend op het jaar waarin het zout is gewonnen.

  • 3. De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie stelt vóór 1 juni van het jaar waarin de afdracht verschuldigd is, de afdracht definitief vast en deelt dit schriftelijk aan de vergunninghouder mee.

Artikel 4

Deze vergunning geldt vanaf het tijdstip waarop zij in werking is getreden tot veertig jaar na het tijdstip waarop zij onherroepelijk is geworden.

Artikel 5

De vergunning treedt in werking met ingang van de dag na die waarop de beschikking is bekendgemaakt.

Deze beschikking wordt bekendgemaakt door toezending aan de aanvrager. Van deze beschikking wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen.

Tegen dit besluit kan degene wiens belang rechtstreeks bij dit besluit is betrokken binnen 6 weken na verzending van dit besluit een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, directie Wetgeving en Juridische Zaken (ALP: X/050), Postbus 20101, 2500 EC ‘s-Gravenhage. Dit besluit is verzonden op de in de aanhef vermelde datum.

Naar boven